MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Terrence Dixon - From The Far Future Pt. 2 (2012)

poster
4,0
Robert Hood heeft met Minimal Nation en Internal Empire de basis gelegd voor schone, harde en abstracte minimal techno, vrij van behaagzieke climaxen en clichematige opbouw. Welbeschouwd heeft hij met zijn puristische benadering sinds 1995 en 'Minus' echter weinig navolgers gekregen. Maar Terrence Dixon kan met recht wel zo'n navolger genoemd worden.

Naar aanleiding van bovenstaand bericht deze weer eens goed in de herkansing gedaan tijdens een aantal potjes schaak, en dat loont enorm. Techno als harde abstractie, zuiver geluid en geschikt om bij na te denken. Zeker geen eenvoudige plaat dus, maar wel echt het genre tot de essentie en meest zuivere vorm teruggebracht. Pingelende geluiden, elementaire donkerte en heel veel ruwe power.

Dit zal niet voor iedereen zijn, maar zeker wel voor meer dan 7 mensen lijkt mij - want dit geluid blijft uniek.

The Jimi Hendrix Experience - Axis: Bold as Love (1967)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #209

Ik vroeg me af waarom ik me nooit meer in Jimi Hendrix verdiept had. Nu spreekt zijn muziek me niet direct enorm aan, maar zit het ook allerminst in mijn allergiezone, en gezien zijn status is het dan ook onlogisch dat ik nooit een volledig album van hem beluisterd had. De reden is dat altijd als ik mensen over Jimi Hendrix hoor praten, ze benadrukken wat een (technisch) geweldige gitarist het is. Kan Jimi ook niets aan doen, maar dan haak ik dus af - alsof we te maken hebben met een artiest die het van zijn skills moet hebben in plaats van zijn goede songwriting. Na de eerste beluistering van deze Axis was wel direct duidelijk dat je Jimi daarmee tekort doet. En ook op verschillende latere momenten grijp ik makkelijk terug naar dit toegankelijke album. Jimi’s gitaarspel is allerminst een trukendoos en op de meeste momenten zelfs verrassend functioneel, sprekend en avontuurlijk.

Om het nog sterker te stellen: het is de geluidswereld, de brede waaier aan klankkleuren en miniatuurstructuurtjes die Jimi smeedt die voor mij dit album draagt. En dat begint al in opener 'Exp', waarin we gelijk uit de normale wereld getrokken worden en onze rechtlijnige verwachtingspatronen mogen loslaten. Ook in ‘Up From the Skies’ ligt het gitaargeluid me goed - het klinkt alsof we getuige zijn van de kromming van de ruimtetijd. Door de hele plaat liggen de stukken me het meest waar een hele nieuwe wereld gesmeed wordt, hoewel de lijn tussen exploratieve kosmische verkenning en achterhaald spacekasteel hippiegeneuzel nogal dun is. Vooral met zijn zang komt Jimi voor mij regelmatig aan de verkeerde kant, met tracks als ‘Spanish Castle Magic’ die me instrumentaal best liggen maar waar ik de zang nogal aanstellerig en wel erg tijdsgebonden vind. Meer aandoenlijk dan interessant. Aan de goede kant van de lijn liggen het groezelige en nonchalante 'Wait Until Tomorrow' en ‘Ain’t No Telling’, dat laat zien hoe je in minder dan 2 minuten een heel compleet en puntig lied kunt smeden. De gitaar wordt daarbij doorlopend heel creatief gebruikt voor een gitaargeorienteerd album, en dat in ’67 – wat zijn er in later tijden toch veel stappen terug zijn gezet in (delen van) de rockcanon.

Axis: Bold as Love ligt me goed als makkelijk en divers album, waarop het instrumentale werk heel rijk is en je in nog geen 40 minuten een ontzettend brede en toch consistente waaier aan gitaargeluidspaletjes voorgeschoteld krijgt. Omdat ik Hendrix’ zang soms wat te aanstellerig en gedateerd vind (zo ook op de instrumentaal juist interessante tracks ‘If 6 Was 9’ en ‘Castles Made of Sand’), het me emotioneel niet beroert en er voor mij weinig uitspringt (ook ‘Little Wing’, in tegenstelling tot to te zien veel anderen, niet) zie ik dit geen grote favoriet worden, maar evengoed een heel genietbaar album.

Ruime 3.5*

The Kinks - Arthur (Or the Decline and Fall of the British Empire) (1969)

poster
3,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #201

The Kinks is zo’n groep met een overbekende naam waar ik niettemin nooit een album van beluisterd had. Voornaamste reden is dat ik ze in artikelen, lijsten en overzichten vaak in een adem genoemd zie worden met The Beatles, en dan dus altijd na, onder of achter The Beatles. Geen idee of dat terecht is, maar omdat ik ondanks een hele rits prima albums nooit helemaal heb begrepen wat mensen in The Beatles zien, ben ik aan The Kinks voor het gemak maar nooit begonnen. Ook in de MuMeladder halen ze de top-1000 niet, wat ik wel opmerkelijk vind voor zo’n grote naam. De kans om dit nu goed te maken komt met Arthur…, een plaat waarop de gestaag afbrokkelende grootsheid van het Britse rijk centraal staat. Leuke thematiek, met vanzelfsprekend voldoende haakjes om een heel album vol oer-Engels cynisme aan op te hangen.

Met opener ‘Victoria’ starten we direct met de grootste grootsheid van Groot-Brittannië, vanaf waar we alleen maar downhill kunnen gaan. Het is kenmerkend voor hoe minutieus deze plaat is uitgedacht: niet alleen is het thema zelf albumwaardig, ook de invulling ervan zit vol oog voor detail en de uitwerking ervan is een compositie op zich. Dat maakt het een echt album-album, wat me aanspreekt. Ook in geluid springen er weinig tot geen specifieke nummers uit, waardoor niet makkelijk vast te pinnen is waar mijn favorieten zich bevinden. Wel vind ik jammer – en ook bij de Beatles loop ik hier vaak tegenaan – dat de deuntjes vaak koddig of zelfs corny zijn, en zelden mooi. Ze kloppen en zijn doorgaans inventief, maar beroeren me amper. Goed voorbeeld is het blazersintermezzo in Yes Sir No Sir, dat meer als cabaret dan als muziek op me overkomt. Het geeft de compositie een licht vermoeiend kleinkunstsausje. Hetzelfde geldt voor 'Drivin’': het klinkt allemaal zo leuk koddig en knullig, maar ook bijna als slapstick. De melodieën blijven wel in mijn hoofd zitten, maar niet per se op een genoeglijke manier. Het sluit hier en daar effectief aan bij de thematiek en geeft de plaat iets instantaan-iconisch en ambachtelijks, maar klinkt evenzovaak totaal gedateerd. Enkel ‘Mr. Churchill Says’, met z’n nadrukkelijke drumwerk, draait dit om en heeft een prettige drive die de omzwervende koddigheid kortstondig verruilt voor iets puntigers.

Ik luister deze plaat eigenlijk het liefst alsof ik een boek lees: door de tekstuele rode draad minutieus te volgen waarbij de melodieën en klanken als een extra dimensie het verhaal inkleuren. Dat is echt knap gedaan, alsof je een boek leest dat voorzien is van klankkleur. Zo bezien is dit voor mij met mate ook wel genietbaar, maar vergt wel een andere benadering: waar ik normaal muziek luister om de muziek en de teksten functioneel daaraan zijn, voelt het hier omgekeerd. En hoe sterk de teksten hier en daar ook mogen zijn: dat ligt me minder, en is voor mij niet iets dat ik vaker dan eens per jaar hoef te horen, maar tegelijkertijd snap ik wel waarom het album een klassiek historisch document is.

3.25*

The Microphones - The Glow, Pt. 2 (2001)

poster
5,0
Ik zal toch ook maar eens een berichtje zetten bij dit album, nu het alweer een tijd in mijn top10 staat.

Er zijn verschillende dingen die ik heel erg waardeer in The Glow pt 2, die vrijwel geen enkel ander album hebben. Alleereerst is er de prachtige nonchalance waarmee Elvrum zijn teksten zingt. Nergens klinkt het pathetisch, maar toch ook nooit zo onverschillig dat het allemaal ongeloofwaardig klinkt. Hierdoor zijn de spaarzame uithalen extra krachtig en komen ze gemeend over. Het album is ook heel eigen op zichzelf. Nergens lijkt er gedacht te zijn ''wat zou leuk klinken'', maar het is alsof de zanger tegen je aan zit te zingen alsof hij je echt persoonlijk wat te vertellen heeft, waarbij de instrumenten de sfeer van zijn woorden versterken.

Een tweede ding dat ik prachtig vind, is dat de muziek zijn eigen weg lijkt te gaan. Er wordt niet geschroomd om er af en toe een stukje noise (klinkt extreem, maar ik weet niet hoe ik een nummer als 'Deep' anders moet definiëren) doorheen te doen, of een nummertje zonder zang ertussen te stoppen. Dat maakt het album ook tot zo'n sterk geheel, waarbij Elvrum en consorten maar doen wat in ze opkomt, en toch alles onder controle hebben. Dit zorgt voor een enorme originaliteit en geen twee nummers met een gelijksoortige opbouw.

Door de minder geladen nummers er tussen te zetten, komt een nummer als 'Map' extra hard aan. Ik moet eerlijk bekennen dat ik nooit echt aandachtig naar de tekst geluisterd heb en geen idee heb waar het over gaat, maar toch raakt het me op de een of andere manier, en dat is voor mij echte kwaliteit

The Glow, Pt.2 gaat volledig zijn eigen weg, waarbij er ontzettend veel variatie, emotie en inventiviteit aanwezig is. Eigenlijk een aanrader voor iedereen

5* natuurlijk!

The Notwist - Vertigo Days (2021)

poster
3,5
Lekker warm en golvend album dat me bij vlagen aan Cold House van Hood doet denken. Prettige wazigheid, heel omarmend en toegankelijk. Het glijdt een beetje voorbij - zowel in positieve als negatieve zin wat mij betreft. Geen wereldschokkende plaat, maar wel een leuke die in veel verschillende contexten geschikt is om op te zetten.

The Who - Who's Next (1971)

poster
2,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #206

Who’s Next is er in de RYM-lijst eentje waar ik op voorhand een beetje bang voor was: Baba O’Riley, dat ik goed ken van zijn succesjaren in de MuMeladder, ontwikkelt zich vanuit een mooie opening naar een kolderiek en opgeblazen epos en Behind Blue Eyes vind ik een oversentimentele tranentrekker. Twee oudere heren staren me, zonder ogenschijnlijk ook maar iets van hun ego voor zelfrelativering verruild te hebben, op de Spotify bandfoto door hun zonnebrillen aan. De hoes lijkt uit de ‘hoe-hoort-een succesalbum-eruit-te-zien’ catalogus lijkt te komen. Lijkt, want het plas-element zorgt voor enige zelfspot en abonnementshouders op die hoezencatalogus als Oasis en U2 bestonden anno ‘71 nog niet. Zo lukt het nog net om met open vizier de plaat in te duiken. Toch kom ik hier op het punt dat het me vooraf al zou verrassen als ik deze LP goed ga vinden.

Starten met ‘Baba O’Riley’ dus. Intrigerende titel – ik lees dat hij onder meer vernoemd is naar Terry Riley, op wiens werk het openingsmotief, dat door de hele track heen meandert, geïnspireerd is. Maar waar ik van Terry Riley thuis twee platen (‘In C’ als bekendste) in de kast heb staan die me meeslepen door de minimalistische verkenning van het motief zelf, gebruikt The Who het als functionele opmaat naar heel veel groots. Daarmee verliest het voor mij zijn intrinsieke kracht. Ik lees dat ‘Baba O’Riley’ initieel 30 minuten duurde, maar is ge-downsized tot een 5-minuten versie voor deze plaat. Mijn bezwaar: zo klinkt het nummer ook – als een groots epos gecomprimeerd tot consumeerlengte. Er gebeurt vanalles, het werk grossiert in grootsheid en tegelijkertijd klinkt het heel vrijblijvend. Ik verlang daarbij naar ofwel meer subtiliteit ofwel meer consistentie. In de zang ondertussen mis ik vervreemding of tenminste dat vleugje absurditeit dat de hoes kenmerkt. Dit is puur een smaakkwestie, want het is ontegenzeggelijk een doordachte en vakkundig uitgevoerde compositie.

Ook de op het eerste gezicht meer straightforward nummers als ‘Bargain’ lijden zeker niet aan gebrek aan interessante ritmes, verrassende wendingen of geïnspireerde opbouw. Toch kan ik me er moeilijk mee identificeren en klinkt het me nogal gedateerd. De tracks die volgen vallen in een vergelijkbaar niemandsland: het is niet echt subtiel, maar ook niet echt hard. Het is niet vervreemdend, maar raakt ook niet aan concreet identificeerbare situaties. Het is vaardig, maar ook afstandelijk: de plaat kruipt nergens onder mijn huid. Daarmee komt dit gezelschap meer op me over als vakmuzikanten dan als kunstenaars of nabij gezelschap. Het album meer als historisch document dan als tijdloos werk. Er staan buiten het pathetische ‘Behind Blue Eyes’ geen uitgesproken zwakke tracks op, maar ondertussen ook weinig dat ik vaker zal draaien. Enkel de eerste helft van afsluiter ‘Won’t Get Fooled Again’ steekt er voor mij bovenuit, met zijn meanderende synthesizer die het nummer een goede drive geeft en mooi interacteert met de gitaren. Dat de track met ruim 8 minuten veel te lang duurt voor hoe concreet hij is, neem ik op de koop toe.

Normaalgesproken voorzie ik lagere scores graag van een uitgebreide toelichting als het favoriete artiesten of genres betreft waarin een bepaald werk erg tegenvalt. Voor alom bewierookte muziek die me in het algemeen niet ligt – zoals deze uberklassieker van The Who - vind ik dat lastiger, en is het vaak aanlokkelijk om ofwel helemaal niet te stemmen, of de stem in stilte te plaatsen. Deze RYM-lijst maakt het op een leuke manier uitdagend om mezelf te ‘dwingen’ om ook platen als deze aandachtig te beluisteren en te bevatten (en verwoorden) wat me er wel en niet in bevalt. Aan Who’s Next kun je meteen horen dat de makers een succesvolle carrière in de muziek hebben gehad. De doordachtheid, overgave en overtuiging zijn onmiskenbaar. De muziek zit ze hoorbaar als gegoten. Maar diezelfde muziek doet mij absoluut niets. Voor mij is dit te aards om mezelf in te verliezen, maar te onpersoonlijk en achterhaald om van te genieten.

2.75*

This Heat - Deceit (1981)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album in het kader van het RateYourMusic top-250 review topic - dit is de RYM #247

Je drinkt voor het eerst een smoothie van sinaasappel, banaan, framboos, avocado en spinazie terwijl je die ingredienten voorheen alleen maar los gegeten hebt. Vooraf frons je even en vraag je je af of je dat wel lekker gaat vinden, en ook tijdens het drinken ervan weet je het eigenlijk niet. Maar je betrapt jezelf erop dat je jezelf toch wel regelmatig jezelf naar de keuken begeeft om precies zo’n brouwsel te gaan maken. Zo gaat het ook met ‘Deceit’. Want hoe vertel je jezelf dat je op ‘Triumph’ niet luistert naar een bezopen stel gekken dat wat keukengerei gepakt heeft en daar op los is gegaan? Dat hoef je jezelf niet te vertellen omdat je op lukrake momenten besluit de plaat er maar weer eens bij te pakken. En deze al dan niet vroeg of laat ook weer af te zetten (want ‘Triumph’ blijft voor mij een gedrocht).

Toch heb je dan na verloop van tijd elk nummer wel een keer of wat gehoord en beginnen zich dan toch eindelijk patronen en, welja, zowaar een mening in je hoofd te vormen. Instrumentaal en muzikaal is de plaat niet minder dan ijzersterk: coherent, uitdagend, speels, en bij vlagen zijn tijd vooruit. Bij andere vlagen is hij binnen de muziekgeschiedenis een doodlopende weg ingeslagen, maar ook dat levert vermakelijk en spannend materiaal op. Helaas staat de zang op deze plaat me een beetje tegen, vooral als deze wat al te hard uit de bocht vliegt, waaronder op ‘Triumph’. Mijn favoriete track, en de enige die voor mij nu echt een topper is, is de minst beluisterde track van Spotify en bungelt ook bottom-4 in de statistieken alhier: ‘Independence’. Een treffende situatie voor de wonderlijkheid (en hopelijk de groeipotentie) van deze plaat.

Deceit is zo’n zeldzame plaat die je op een nieuwe manier tegen muziek kan laten kijken. Kan, want op dit moment, na een beluistering of 4 (en wat eerdere afgekapte pogingen in afgelopen jaren..), zit ik nog een beetje tussen haat en liefde met de plaat. Dit alles kan een teken zijn van groot groeipotentieel of juist wijzen op een muzikaal eilandje dat je op normale dagen nooit bezoekt. Toch doet de ervaring me zo nu en dan denken aan die van de betere freejazz platen en is de invloed op de huidge UK bandjes hype met Black Midi, Squid en consorten onmiskenmaar. Daarom hoop ik dat ik me in het vervolg beter kan identificeren met de zang voor verdere omarming.

Ruime 3.5*

Thomas Köner - Nuuk (2004)

poster
5,0
Ruimtelijk en gedachtenstimulerend geluidsontwerp. Thomas Koner heeft deze stijl, die gevoelsmatig ergens tussen muziek en architectuur inligt, tot in de puntjes verkend. Nuuk is een samenvatting van die verkenning: koude anti-klankkleuren in zwart-wit, maar met een enorme diepte en gelaagdheid.

Aanrader voor mensen die de tijd willen nemen een op het eerste oog saai album net zo lang te verkennen tot de diepliggende waarde van Koners eigen zoektocht in geluid zich openbaart.

Tom Waits - Bone Machine (1992)

poster
4,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #234

Bone Machine was het eerste album dat ik van Tom Waits aanschafte, op cd. Hij was in de aanbieding, en met de mp3’tjes van Rain Dogs en Closing Time in het achterhoofd was dat voldoende info om tot een blinde koop over te gaan. En van die aankoop heb ik geen moment spijt gehad. Inmiddels had ik hem alweer jaren niet gehoord – want voor Tom Waits moet je even goed gaan zitten, en met een oeuvre vol hoogtepunten, kom je aan een Bone Machine minder snel toe. Maar dat neemt niet weg dat als je de komende maand nog maar 1 album zou mogen luisteren, je aan dit album best een goeie hebt.

Want dit is - anders dan 95% van mijn collectie, inclusief mijn favorieten - een volkomen tijdloos album. Uitgebracht in 1992, maar dat had net zo goed 1972 of 2012 kunnen zijn. Niets aan klankkleuren of composities verraadt enige vorm van tijdsgeest. Weinig albums doen het dat na. Dit valt totaal niet binnen de mode of welke hype dan ook - het trekt zich van zulke dingen niets aan. Waits gedraagt zich zoals gebruikelijk doorlopend als een bezopen idioot, waardoor hij binnen 1 album een veel groter bereik van sferen en emoties heeft dan de meeste zangers gedurende hun hele loopbaan. Door niet te proberen een specifieke stijl aan te nemen maar als een onderontwikkelde wildeman zijn emoties en melodieën op tafel te smijten, hoeft hij nooit een herkenbare houding aan te nemen om de juiste sfeer over te brengen.

Nu ben ik in muziek meestal niet zo op zoek naar toegankelijkheid, maar juist hier is het wel een verademing en rustpunt als ‘Who Are You This Time’, ‘A Little Rain’, en later op de plaat ‘Black Wings’ aanbreken. Nu ik er over nadenk houd ik sowieso erg van de toegankelijke Tom Waits, maar dat komt vooral door de contrasten met de rest van zijn albums. Als een film zijn zijn platen opgebouwd, en voor Bone Machine geldt dat misschien nog wel het meest van allemaal binnen zijn niet bepaald kleine discografie. We horen rock, pop, jazz en blues door elkaar, versmolten tot een uniform geheel als een kaasfondue van naargeestige sfeer. En nu zijn die rustpunten weliswaar respectievelijk neerslachtig en duister, ze klinken heel aards naast de maniakale gekte die in het overige doorklinkt.

Tom Waits klinkt op Bone Machine meer primair dan ooit tevoren of erna. Mede daardoor is dit nooit een plaat geweest die hier in de heavy rotation heeft gestaan en dat zal ook nu niet gaan gebeuren, omdat je voor deze drie kwartier wel in de stemming moet zijn. De hoes leidt je, want die geeft de sfeer alvast precies weer. En als je daarvoor openstaat stelt Waits weer eens geen moment teleur.

4* blijft makkelijk staan

Tom Waits - Swordfishtrombones (1983)

poster
4,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #205

Ik realiseer me dat ik onderbewust altijd genoegen heb genomen met grofweg 1 Tom Waits-album per decennium. Het makkelijke, toegankelijke maar telkens in-de-roos-schietende Closing Time voor de ‘70s. Het complete en Waits-samenvattende Rain Dogs, dat momenteel opnieuw in mijn top-10 bivakkeert, voor de ‘80s. Het krankzinnige Bone Machine, dat in deze lijst eerder de revue passeerde, voor de ‘90s. En tot slot het berustende Alice voor de ‘00s. Tom Waits kan ik niet elke dag draaien, en dus bevatten die vier albums reeds alles wat ik van de beste man had kunnen wensen. Evengoed heb ik nog 6 andere albums van hem in de kast staan, echter draai ik die allen minder dan 1 keer per jaar. Swordfishtrombones is daar een van. Een plaat uit de “Rain Dogs era” die ik altijd heb gezien als het genietbare maar mindere broertje van laatstgenoemde. En waar ik als gevolg daarvan zelden naar teruggrijp, terwijl ik Rain Dogs regelmatig draai. Eens zien wat verschillende beluisteringen in de context van deze lijst daarmee doen!

Welk Waits album je er ook bijpakt: de muziek is tijdloos. Zo ook Swordfishtrombones. Oké, het klinkt af en toe als iets 17de eeuws en bij vlagen zelfs als klanken uit het holbewonertijdperk, maar het staat zo vrij van hypes en mode dat de aandacht als vanzelf vloeit naar de vele details die de muziek rijk is. De koptelefoon kan helpen om de subtiliteit en kleur van nummers als ‘Shore Leave’ ten volle te ervaren. Subtiliteit die in een grotere ruimte zonder volledige aandacht het risico heeft onder het tapijt te belanden. Ik heb in het RYM-topic al eens gezeurd over de gitaar - met name wanneer die er ‘by default’ bij wordt gepakt, ‘omdat dit nu eenmaal zo hoort’. Nee, dan ‘Shore Leave’! Hier krijgt het geluid de ruimte, met een open productie die lijnrecht staat tegenover het generieke en dichtgesmeerde geluid dat je met name in de 90s regelmatig tegenkomt.

Er gebeurt hier ontzettend veel, waar dan ook nog de absurdisme-multiplier overheen gaat: je wordt zoveel vervreemdende straatjes en steegjes ingestuurd dat het bijna niet te geloven is dat deze plaat slechts 40 minuten duurt. En het is niet langdradigheid, maar juist rijkdom die daarvoor zorgt. Een track als ’Swordfishtrombone’ (met wat is het, een marimba?) is een minifilm op zichzelf. Wat me nu pas goed opvalt is hoe Waits geen klankkleur schuwt, noch in instrumentatie, noch in zijn stemgebruik, hoe hij haast overdreven varieert, en toch zo’n onmiskenbare sound weet neer te zetten. Als een soort Kendrick Lamar avant la lettre speelt hij met verschillende persona’s, variatie aan stemmetjes, ironische achterbuurtretoriek en speelse ondeugendheid. Zeker voor de ‘80s is dit daarmee een zwaar vooruitstrevende plaat - iets wat al snel miskend wordt omdat Tom Waits zichzelf regelmatig als een soort holbewoner in het geheel positioneert en terloops teruggrijpt naar traditionelere tunes. Dat getuigt evengoed van durf en onafhankelijkheid, twee eigenschappen die gecombineerd met het ruwe talent van Waits om liedjes te schrijven, als vanzelf tot zijn pracht-discografie leiden. Mijn enige bezwaar is dat het af en toe net te kolderiek wordt. Zo ben ik niet zo’n fan van ‘Down, Down, Down’ en ook ‘Gin Soaked Boy’ kan ik wat minder mee.

Tom Waits durft de klankenverkleedkist in tegenstelling tot de meeste artiesten volledig open te gooien. Met bij elke klank een bijpassend verhaal, consistent bijeengehouden door zijn niet aflatende schuurpapiermelancholiek. Men zoekt vaak aanknopingspunten, muziek die ergens op lijkt om daar aan te kunnen refereren, structuren waarvan 90% elders en eerder al geland is. Die krijg je hier dus niet. Je moet je voor een plaat als deze even over jezelf heenzetten. Omdat ik zoals eerder beschreven mijn Tom Waits portie al binnen had ten tijde van ontdekking van deze plaat, heb ik nooit goed genoeg geluisterd naar deze, en dat terwijl de cd hier al bijna 15 jaar in de kast staat. Hernieuwde contextloze beluisteringen deze week hebben mij duidelijk gemaakt dat deze terecht wordt geschaard onder de Waits-hoogtepunten. Swordfishtrombones is een rauwe en harde plaat die makkelijk verzuipt in Waits' oeuvre - iets wat alles over dat oeuvre en niets over deze plaat. Want die is ijzersterk, zolang je hem vrij van context en verwachtingen in je opneemt.

3.5* was echt te weinig, ik zit inmiddels meer tussen 4* en 4.5* in voor deze.

Tool - Lateralus (2001)

poster
3,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #192

Voorheen heb ik Tool altijd een beetje gemeden omdat hun hoogdravende esthetiek met monolieten van tracks en albums me van nature niet echt aanspreekt. Ook in het kader van de RYM-lijst heeft me nogal wat tijd gekost om te bedenken wat ik nu eigenlijk van Lateralus vind. Ik ervaar de plaat als een tour de force van ‘zwaar, zwaarder, zwaarst’; als een zee van minutieus uitgewerkte en doordachte ideeen, gemengd met relatieve willekeur, afstandelijkheid en moeilijkdoenerij. Dat de plaat haast unaniem bewierookt wordt verwondert me wel, al hoor ik voldoende elementen die dat gevoel van adoratie nabij brengen.

Om maar met de deur in huis te vallen: de opening met ‘The Grudge’ vind ik geweldig. Alsof de muziek het mes tussen de tanden van de muzieknoten zet, word je direct in je stoel gedrukt - zo drukkend is de sound. Puntig zonder simplistisch te worden. Maar algauw mondt de track uit in een hele hoop theater en pathos – met name in de zang. En net zodra ik het gevoel heb dat ik er niets mee kan, sluit de track intrigerend af, waar ik in de afrondende minuut zowaar weer aan mijn stoel gekluisterd zit. Een vergelijkbaar gevoel heb ik in ‘The Patient’, een track met een geweldige dynamiek waar tegelijkertijd overdadig veel gewicht in de schaal gelegd wordt, wat het tot een nogal uitputtend geheel maakt. Tussendoor worden deze tracks met functionele en sterke interludes aan elkaar verbonden, wat enerzijds voor prettige rustpunten zorgt, maar anderzijds benadrukt hoe overvol ideeen en concepten de meer uitgesponnen tracks zitten.

Het kenmerkt eigenlijk de hele plaat: overal lijkt hard over te zijn nagedacht en juist dat maakt de sound soms zo onnatuurlijk en willekeurig. Alsof de eenvoud door de logica weggedrukt wordt. De pretentieuze kneuterigheid van Fibonaccireeks-teksten, zonder enige speelsheid, is een treffend voorbeeld - alsof deze muziek, die van zichzelf al heel veel gewicht in de schaal legt en overhelt naar het groteske en hoog-complexe, dat soort gimmicky tierelantijntjes nodig heeft. Zo ervaar ik Tool hier als wel erg hard op zoek naar een “briljant” album - rock voor gevorderden. Zoals atleten leven voor hun sport, straalt Tool hier uit te leven voor hun muziek, waardoor het nogal een gewichtige en ironieloze brei wordt. Het is allemaal zo vreselijk zwaar en serieus; met een speelduur van 78 minuten begint de boel in mijn beleving dan over te hellen, haast te bezwijken onder zijn eigen zwaartekracht.

Lastig om een beoordeling te geven aan een album waar je zelden zin in hebt: Lateralus is zo'n logge en zware krachttoer - 78 minuten lang zonder verlichting - dat ik zelden zin heb om hem te draaien. Er wordt erg hard geprobeerd, maar waar dat me meestal gauw gaat tegenstaan, kan ik best veel uit deze plaat halen. Tegelijkertijd sterk en vermoeiend, bij vlagen zelfs uitputtend, is dit in ieder geval geen grauwe plaat, want het is voor mij een aaneenschakeling van briljante passages en misgeslagen planken. Een lange kralenketting van afwisselend meeslepende druk, inventiviteit en het werk van een stel onzekere overpresteerders.

Als ik muziek zuiver objectief moest beoordelen op doordachtheid, complexiteit en ‘skills’ zou dit zo een 5* zijn, maar als kunstvorm vind ik dat het de plank vaak misslaat en vind ik de plaat te vermoeiend om tot meer dan 3* te komen.

Townes Van Zandt - Townes Van Zandt (1969)

poster
4,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #200

Van de vele eenlingen die met gitaar of harmonica liedjes zingen is Townes van Zandt misschien wel mijn favoriet. Townes voelt binnen mijn voorkeuren heel compleet. Hij heeft een prettige net-niet-nonchalante kalmte, een speciale combinatie van koude thematiek in een warme verpakking en een intelligente voordracht zonder in complexiteit te verzanden. Hij kan in zijn discografie variëren van cynische humor als ‘Fraternity Blues’ tot ongeziene niveaus van ellende als ‘Marie’. En vanzelfsprekend alles daar tussenin. Ondertussen spreekt zijn stem: het maakt niet uit wat hij zingt want de rijkdom zit in de stem en het gebruik ervan. En dat alles overladen met een ontroerende tragiek die als rode draad door zijn leven en daarmee verbonden muzikale carriere loopt. Deze self-titled plaat is denk ik zijn bekendste.

Nu hebben we in de RYM-lijst eerder literaire aspiraties en dito pretenties gezien, met recent zelfs een Nobelprijswinnaar in de gelederen, maar als er dan toch muziek recht heeft op die kwalificatie, is het voor mij de doordachte eenvoud van Townes. Zelfs wanneer er geen touw aan vast te knopen is blijft hij dichtbij en zijn ‘down to earth’ houding maakt zijn verre van vlakke emoties geloofwaardig. Ik kan me niet eens zozeer identificeren met wat hij zingt, daarvoor is het me te neerslachtig, maar des te meer met hoe hij zingt. Eenvoudig, subtiel en met heel veel oog voor detail. Zowel vocaal als tekstueel zou ik hem tot de top-5 zangers rekenen.

Ook in de begeleiding van Townes van Zandt zit een zeldzame subtiliteit, van het minimalistische gitaartje op ‘Lungs’ tot het nonchalante trommeltje op ‘Columbine’. Zelfs traditioneel country-achtige klanken in nummers als ‘Don’t take it too bad’, die me eigenlijk nooit liggen en algauw te typisch worden, kan ik goed hebben zolang Townes ze begeleidt. Opeens klinken ze in balans. Hoe ‘kleiner’ de aanpak, des te meer nadruk komt te liggen op wat je zingt en speelt, en in dat licht is het zuivere nihilisme van Townes van Zandt doorlopend raak. De weinige keren dat hij uit zijn slof schiet, op ‘Fare Thee Well, Miss Carousel’, is zijn verbitterde emotie zo allesverzwelgend dat je in vijf minuten een hele albumportie binnen hebt. Van de eindeloze diepte in de stem van Townes krijg ik het koud en warm tegelijk.

Het is begrijpelijk dat Townes als zonderling figuur nooit echt grote successen kende. Zijn aanpak is heel nabij en kleinschalig, en leent zich niet voor grote gebaren. Toch kan ik eindeloos naar hem luisteren: hij maakt muziek die je niet in een keer omverblaast, bij oppervlakkige beluistering zelfs een beetje al te zuidelijk Amerikaans kan klinken, maar bij elke beluistering weer iets naderbij komt en vertrouwder wordt – voorlopig zonder eindstation.

Ik dacht dat ik deze lang en breed op 4.5* had, maar blijkbaar niet. Bij dezen rechtgezet – dicht bij 5* zelfs.

Trentemøller - The Last Resort (2006)

poster
3,0
Helaas val ik nog altijd niet volledig voor deze plaat – ik denk niet dat het nog wat gaat worden. Het is zo jammer dat Trentemøller, hoewel hij duidelijk vaardig is met het inbedden van zijn geluiden en hier professioneel mee omgaat, het nodig acht om nummers zo vol te proppen, alsof hij zich uit alle macht moet bewijzen als alleskunner en -kenner in de electronica. Daarmee verdwijnt iedere vorm van cohesie uit de plaat. Veel tracks stopt hij zo vol met motiefjes en geluidjes, dat zijn muziek veel te bombastisch wordt en het momentum nooit langer dan een minuut behouden blijft.

Eerder vergeleek John Doe deze plaat met The Dead Bears, maar waar daar de groove op die plaat in iedere track alle tijd krijgt om in te werken en diep door te dringen, voelt dit werk gehaast aan. Juist het vasthouden van een motiefje en het duidelijk kiezen voor een of twee afgebakende stijlen kan een plaat identiteit geven. Op mij komt het haast treurig over hoe Trentemøller met Nightwalker even schier nonchalant een zuivere dub(techno) track ertussendoor mengt, die precies binnen de lijntjes en gebruiken van de dubtechno past, maar totaal niet in lijn met de rest van het album ligt en naar mijn idee bar weinig identiteit heeft, in schril contrast met veel werk uit de stijl die hij imiteert.

The Last Resort is onmiskenbaar knap geproduceerd - de muziek 'klopt', maar komt boven alles op me over als een uitsloverig geheel – hetgeen naar mijn idee dodelijk is in de zo elementaire muziekstijlen die Trentemoller verkent. Wat hij op die manier doet staat bijna haaks op de aanpak die electronica kan doen onderscheiden van andere soorten muziek. Ik kan hier goed genieten van losstaande geluiden, maar niet van volledige nummers (Het mooie, eindelijk wat identiteitsvollere Miss You en in mindere mate Moan uitgezonderd) – laat staan van het album als geheel.

Edit: ik lees nu de DJ-Broadcast review die Herman in 2006 aanhaalde. Een citaat: "Take Me Into Your Skin start onschuldig met een zweverige sequence, maar muteert al snel via een klassiek middenstuk en een hypnotische gitaar riff naar een Robert Fripp-achtige climax. Het lijken wel drie nummers in één, geen kop of staart [...]’’. Ze beschrijven het als iets kolderieks (ondanks hun positiviteit), en zo komt het album bij vlagen ook op mij over.

Ik zou een groot voorstander van dit album en tevens electronica-fan als Herman willen vragen: tussen welke albums zou jij deze plaat gevoelsmatig indelen? Misschien werpt dat voor mij een duidelijker licht op deze plaat.

Tyler, the Creator - Flower Boy (2017)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #195

In mijn middelbare schooltijd, en zeker de eerste helft daarvan, luisterde ik nagenoeg exclusief naar HipHop. Het format van een rapper of groep en een of meerdere producers had op de een of andere manier iets prettig overzichtelijks. Pas rond 2006, niet geheel toveallig parallel met mijn eerste activiteiten op musicmeter, begon ik andere muziekstijlen in meer detail te verkennen. Dus toen Tyler, the Creator rond 2010 kwam bovendrijven – toch alweer 13 jaar geleden, terwijl ik zelf misschien net 21 was – voelt hij als een artiest van ‘na mijn tijd’. Raar eigenlijk. Nou heb ik ‘Yonkers’ ook altijd wel een onwaarschijnlijk succesnummer gevonden: in al zijn abstractie, ongemakkeljkheid en doelbewuste afstoting, heeft het me altijd verrast dat het voor veel non-hiphoppers toch een schot in de roos was. Een favoriet van mij is het dan ook nooit geworden, al intrigeert de track me wel al zolang ik hem ken. Toch ben ik met Tyler nooit verder gekomen dan wat vluchtige beluisteringen, alle positiviteit over zijn recentere albums ten spijt.

Al bij de eerste beluistering wordt me duidelijk waarom Flower Boy een relatieve publiekslieveling is: er wordt een kleurrijk, coherent en waanzinnig toegankelijk landje gesmeed door de hoofdpersoon met zijn karakteristieke, wat verwrongen stem, daarbij doorlopend ondersteund door gasten, hetzij om zijn mijmeringen aan elkaar te knopen, hetzij in nadrukkelijk samenspel. Hoewel Tyler ontegenzeggenlijk een rapper is, en nog wel een van de minder pleasende soort, voelt de plaat aan als pure pop van minstens zoveel kleur als de hoes etaleert. Enerzijds door de aanwezige en warme productie, anderzijds doordat coupletten nooit lang duren en in haast vloeibare overgangen overlopen in nieuwe filmische passages. De plaat luistert wonderlijk eenvoudig en heeft iets haast ongemakkelijk behaaglijks. Mede daardoor beroert hij evengoed niet heel erg en staan er in mijn optiek ook geen memorabele bangers op.

Al weken kan ik Flower Boy op ieder moment draaien, maar nog steeds haal ik tracks amper uit elkaar en voelt het als een lekker warm soepje. Zo’n track als ‘Garden Shed’ sleept lekker voort, klopt aan alle kanten, maar voelt ook iets te vloeibaar voor mij om me echt te kunnen grijpen. En als Frank Ocean binnenkomt, klinkt die vooral heel erg als Frank Ocean, maar zonder de tijd om op je in te werken en te varieren die zijn eigen platen zo goed maken. De plaat is nadrukkelijk prettig en klopt aan alle kanten. Dat is bewonderenswaardig en ik begrijp de hoge positie in de RYM-lijst dan ook helemaal. Maar ik blijf na afloop ook enigszins onverzadigd achter.

Typische 3.5*