MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten King of Dust als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Beach Boys - Pet Sounds (1966)

poster
4,0
The Beach Boys - Pet Sounds

The Beach Boys kende ik tot nu toe alleen van het album Holland.
Dat album heb ik altijd erg sterk gevonden.
Waar ik hun beroemde tijdgenoten allang uitgebreid bestudeerd had, was ik bij The Beach Boys nooit verder gekomen dan Holland.
Daar had ik tot nu toe ook nooit de behoefde toe.
Ik had wel eens wat van het oudere werk van The Beach Boys gehoord.
Die koortjes.... het sprak me niet heel erg aan.
En de hoezen van die eerste albums: verschrikkelijk.
Dat sneue poseren met die surfplanken.
Om nog maar te zwijgen over het steeds terugkerende thema van het surfen zelf.
Van alle domme onderwerpen waar je teksten over kunt schrijven, spant dat toch de kroon.
Toegegeven: op Pet Sounds zijn de surfplanken voort weggeborgen.
Toch heeft de hoes van dit album me er toch altijd van weerhouden het een kans te geven.
Zoals ze daar op een rijtje die geitjes staan te voeren. En dan dat lelijke design dat zo typerend is voor hoezen uit de vroege jaren '60 en daarvoor.
Dat past allemaal totaal niet bij de reputatie die deze plaat heeft.

Maar goed, ik kwam er dus achter hoe hoog deze plaat staat aangeschreven.
'Een van de beste, meest vernieuwende platen ooit gemaakt'.
Paul McCartney noemde het een van de belangrijke inspiratiebronnen voor het briljante Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band, wat het jaar daarna uitkwam.
Pet Sounds was zelf het antwoord op Rubber Soul.
Zoiets kun je niet negeren.
Ik besloot dus Pet Sounds te gaan luisteren.
Met hoge verwachtingen (ook omdat dit album als het hoogtepunt van de Brian Wilson-periode gezien werd).
Werden die verwachtingen waargemaakt?

Deze plaat is vooral beroemd vanwege het brede scala aan onconventionele muziekinstrumenten dat voor het eerst met popmuziek vermengd werd.
En ja, dit doen The Beach Boys erg goed op Pet Sounds.
De aparte instrumentatie is briljant verweven met de muziek.
Het voelt totaal niet geforceerd, iets wat ik bij dergelijke experimenten van bv. The Beatles en The Rolling Stones vaak wel zo voel.
Wat dat betreft heeft Brian Wilson bereikt wat hij denk ik wilde bereiken: aantonen dat popmuziek ook andere instrumenten kan bevatten, dan het klassieke kwartet.
Dit zorgt er echter ook voor dat het verrassingseffect van de instrumentatie snel voorbij is.
En dan komt het aan op de kracht van de muziek.

Hier moet ik me ook bij het gros van de muziekliefhebbers scharen: de muziek zit erg goed in elkaar.
Wouldn't It Be Nice, You Still Believe In Me, Don't Talk, God Only Knows, Caroline No enz. enz.: stuk voor stuk prachtige melodieën.
Er zijn wat luisterbeurten voor nodig om de nummers op hun waarde te schatten, maar wie daar de moeite voor neemt, ontdekt zeer originele en boeiende melodieën.
Vooral You Still Believe In Me en Don't Talk wil ik even in het bijzonder noemen.
In You Still Believe In Me vindt een perfecte afwisseling tussen vrolijk en onheilspellend plaats.
Het nummer begint luchtig, maar bij de woorden You still believe in me, slaat de vrolijkheid om naar iets anders... iets duisters. Heel fascinerend.

Voor Don't Talk had ik gelijk al een zwak.
Weer dat duistere geluid in het couplet.
En dan het warme gevoel van overgave in het refrein.
Brian Wilsons genialiteit in het arrangeren is hier ook goed te horen.
Dat intermezzo van de strijkers: hemels.
Pauken kondigen de climax aan.
Prachtig afgewerkt nummer.
Het nummer eindigt met fade-out.

De fade-out bij Don't Talk past wel bij het nummer.
Maar over het algemeen wordt de fade-out techniek te vaak toegepast op Pet Sounds.
Er zit veel originaliteit in het album, maar die is niet in de eindes te horen.
Wat het afwikkelen van nummers betreft, onderscheidt Pet Sounds zich niet van de muzikale status quo.
Natuurlijk doen The Beach Boys dit wel met hun eigen kenmerkende stijl, maar ook dit wordt teveel gebruikt: ik betrapte mezelf er toch op dat ik zat te wachten op nummers die niet met wegfadende koortjes zouden eindigen.
En hoewel de muziek erg goed in elkaar zit, zijn er ook muzikale stukken die verder uitgewerkt hadden kunnen worden.
De muzikale intermezzos in Here Today en I Just Wasn't Made For These Times bijvoorbeeld: heel erg mooi, maar doordat het zo kort duurt, schiet het een beetje aan zijn doel voorbij.
Verder vind ik Pet Sounds ook nog wel van 'fillers' te betichten.
De instrumentale nummers zijn leuk, maar ze halen het algemene niveau van de plaat niet.
Maar misschien dat deze nummers nog verder kunnen groeien bij latere luisterbeurten.
Maar om Pet Sounds een van de eerste conceptalbums te noemen, gaat mij te ver.
Daarvoor klinkt het te veel als een verzameling nummers, in plaats van een geheel.

Het zwakste punt van dit album zijn de teksten: het enige creatieve aandeel dat Brian Wilson uitbesteedde.
Hij had beter een andere tekstschrijver kunnen zoeken.
De teksten zijn ronduit knullig: ze doen geen recht aan de muziek.
Bij sommige nummers stoort dat niet zo (bij Wouldn't It Be Nice heeft het zelfs wel zijn charmes) en bij andere nummers valt het nog mee (Caroline No, Don't Talk en God Only Knows).
Maar bij That's Not Me, I'm Waiting For The Day en Here Today (om er maar een paar te noemen) is het niet om aan te horen.

I soon found out that my lonely life wasn't so pretty
I came along when he broke your heart, that's when you needed someone
It makes you feel so bad, it makes your heart feel sad, it makes your days go wrong, it makes your nights so long.

Ik vind 't van een kinderen voor kinderen niveau.
Het is waar dat tekst na de muziek komt, maar er zijn grenzen.

Dus, mijn conclusie wat betreft Pet Sounds:
De klankkleuren van de vele instrumenten worden briljant benut. Waar tijdgenoten van The Beach Boys er nog mee zaten te experimenteren, leek Wilson al precies te weten hoe hij dit aan moest pakken. Wat dat betreft klinkt Pet Sounds als een plaat die veel later uitkwam, toen wegbereiders al hadden laten zien hoe je exotische instrumenten met popmuziek vermengd.
Maar Pet Sounds kwam uit in 1966 en was daarom zelf zo'n wegbereider.
En dat geeft het album een onverwoestbare waarde, ondanks dat het nu soms enigszins gedateerd klinkt.
Dan kun je kritisch zijn wat je wilt: dat is gewoon pure kwaliteit.
Maar waar Sgt. Pepper's aparte instrumentatie (juist omdat het eruit springt) het album, los van de muziek, interessant houdt, moet Pet Sounds zich meer bewijzen.

En dat doet het.
De melodieën zijn sterk, de samenzang is goed.
Okee, het is misschien wat braaf, maar er zitten ook wat duistere momentjes in die het fascinerend houden.
Hier en daar laat Wilson wat kansen liggen.
De teksten zijn van een bedroevend niveau.
Maar al met al een goede plaat.

Een conceptalbum is het voor mij niet.
Het is ook niet zo indrukwekkend en groots als bv. Sgt. Pepper.
Maar goed: hetzelfde geldt voor Rubber Soul en Revolver.
Wat dat betreft is het jammer dat Brian Wilson tijdens de Smile-sessies een zenuwinzinking kreeg.
Als hij de goede ideeën op Pet Sounds nog verder had ontwikkeld, had dat een perfect meesterwerk opgeleverd (nu heb ik Smile nog niet geluisterd, dus ik hoop dat ik positief verrast wordt).
Al met al verdient Pet Sounds zijn reputatie grotendeels wel.
Ik zou het zeker niet de beste plaat ooit gemaakt willen noemen, maar vernieuwend is het zeker.
Het is een plaat die laat horen wat je allemaal met popmuziek kunt doen en daarmee hebben The Beach Boys hun tijdgenoten ongetwijfeld geholpen om nog briljantere muziek te maken.

The Beach Boys - Sunflower (1970)

poster
4,5
The Beach Boys – Sunflower

Schrijf ik deze recensie te laat?

Een paar maanden geleden was er een dag waarop Sunflower perfect mijn emoties omvatte. Het was de dag na een feest, een vriend was bij me slapen. In de mei-zon genoten we in de tuin van ons late ontbijt en praatten we over artistieke ambities. Niets moest, het was weekend en de zonnige dag strekte zich voor me uit. Ook nog toen hij weer weg was. En toch… bij alles wat ik die dag nog deed – al had het leuk moeten zijn – voelde ik een diepe leegte. Een ongeluk wat ik maar niet het zwijgen op kon leggen. Ik zette Sunflower op die dag en de plaat speelde maar 40 minuten, maar toch bleef hij de hele dag aanstaan. En tegelijkertijd met die leegte, voelde ik de woorden die bij deze plaat paste in me opkomen. Alsof ik de hele recensie al geschreven had. Ik wilde me er toe zetten om het uit te schrijven en het hier te plaatsen, maar iets weerhield me ervan. Op een of andere manier voelde ik me te breekbaar die dag om wat ik bij deze muziek voelde in woorden om te zetten… al had ik de toon en de structuur van deze recensie toen al te pakken.

Die breekbaarheid die ik bedoel, kom je overal tegen in de muziek van The Beach Boys. Het is vaak die kenmerkende samenzang onder ogenschijnlijk opgewekte melodieën die 't 'm doen. Zo’n vrolijke club was het helemaal niet. Maar toch is Sunflower anders. En om dat te beschrijven, moet ik de plaat in zijn perspectief plaatsen. Een decennium was verstreken sinds The Beach Boys hun klim naar de roem gemaakt hadden. Van tieners waren ze late-twintigers geworden, sommigen zelfs bijna dertig. En de surfplank die eens hun vrolijke muziek symboliseerde, was opgeborgen. Dat was al lang zo, maar op dit album klinkt die realisatie door.

Medio jaren zestig realiseerde Brian Wilson zich wat hij aan potentie had en begon hij het te verwezenlijken. Het resultaat was o.a. Pet Sounds – een briljante plaat, doch een waarop Brian zichzelf nog steeds – hoewel in kleine mate – censureerde, om zijn band nog enigszins te vriend te houden. Het bleek nodig, want toen Brian daarna alle limieten overboord gooide met Smile kreeg hij het zwaar te verduren. Zijn creatieve ambities bleken te moeilijk te rijmen met het imago waar de andere Beach Boys nog steeds aan vast klampten. Brian Wilson zag af van zijn leidersrol en The Beach Boys raakte stuurloos. Alhoewel een nieuwe Pet Sounds of Smile ondenkbaar was geworden, bleek al snel dat de tijd van zorgeloze strandjongens ook definitief was verdwenen. De platen die volgden waren briljant, maar vreemd – prachtige liedjes van een band die zich nog niet opnieuw had uitgevonden.

Op Sunflower wordt de balans opgemaakt van die jaren. The Beach Boys klinken niet meer zorgeloos – integendeel: ze zijn beschadigd. De hoes straalt dat ook uit. Op het eerste gezicht lijkt alles er zoet uit te zien. Maar het beeld van Brian spreekt boekdelen. Volledig in wit – haast gekleed als patient – zit hij met wijde benen op de grond, spelend met z’n dochtertje. Hij oogt afwezig – haast verloren – en kijkt naar beneden. De andere bandleden staan of zitten om hen heen en houden de schijn op van een familie waar alles naar behoren gaat. Maar in de muziek doen ze dat niet. Op Sunflower treurt Brian en zijn bandleden rouwen met hem mee. Misschien maakt dat Sunflower wel zo’n goede Beach Boy-plaat. Pet Sounds en Smile waren fenomenaal, maar het waren one-man shows, uitgevoerd met een band die er niet geheel achter stond. Op Sunflower hebben de andere Beach Boys ook geaccepteerd dat het niet meer zo gaat zijn als vroeger en maken ze noodgedwongen volwassenere muziek. Die combinatie van een nog steeds geniale Brian Wilson met een zich ontplooiende band laat de sublieme breekbaarheid van The Beach Boys op Sunflower prachtig uit de verf komen. Zowat ieder lied schiet vol in de roos.

Teksten zijn nooit het sterkste punt van The Beach Boys geweest, maar op deze plaat bereiken ze zelfs hiermee pure schoonheid. Toegegeven: de tekst van een Add Some Music To Your Day is niet geweldig en zelfs knullig te noemen, maar het wordt door zulke beeldschone muziek en zulke sterke zangers gedragen, dat het verheven wordt tot grote kunst. De muziek lijkt licht en het nummer is ook opwekkend, maar tegelijkertijd gaat daar die treurende samenzang van The Beach Boys achter schuil. En om de beurt zingen Mike Love, Brian Wilson, Carl Wilson en Bruce Johnston daar hun solopartijen overheen. Op een lijn zittend, doen ze allemaal hun zegje en bezingen ze de troostende kracht van muziek, die zelfs in de moeilijke tijden nog door kan dringen. En als je, wetende welke kant hij in die tijd op ging, Brian over die kracht hoort zingen, dan breekt bij mij m’n hart.

Toch is het niet allemaal zo zwaar op de hand. Kant 1 van de plaat bevat ook hele uitbundige nummers, waarop de andere bandleden die meer losse stijl – die op voorgaande albums soms moeilijk te volgen was – perfect vorm geven. Als The Beach Boys een Exile On Main St. hadden gemaakt, dan hadden daar nummers opgestaan als Got To Know The Woman en It’s About Time. Ze zijn puntjes van licht, op een album dat verder ook wel zonnig is, maar toch meer pijn bezielt.

Met Tears In The Morning heb ik – als opener van een buitengewoon sterke tweede kant – toch altijd nog wat moeite. Het is een mooi nummer dat ik zeker graag hoor, maar toch… Het is te gelikt. De melodramatische tekst, de arrangementen, de zang van Bruce Johnston. Het is niet iets te. Johnston weet wat hij moet doen om een mooi nummer te maken en het werkt, maar het is te veel effectbejag. Dan vind ik zijn andere toevoeging – Deirdre – een stuk mooier en een stuk eerlijker. Qua thematiek past het ook een stuk beter in de plaat. Geen zoveelste liedje over een stukgelopen liefde, maar een troostend liedje over het accepteren van voorbij gegane tijd en het ouder worden:

‘Good times have gone, but it’s over now
So don’t look sad, cause you’re older now
All the people miss Deirdre’


Dennis Wilson vind ik als componist hier een stuk sterker. Op de eerste kant grooved hij lekker met composities als Slip On Through en Got To Know The Woman en op de tweede kant pakt hij uit met het prachtige Forever. Ook effectbejag, zou je kunnen zeggen, maar hier wordt het nummer gered door de breekbare zang van Dennis en de prachtige koortjes in de refreinen. Brian Wilson noemde dit terecht een nummer dat haast klinkt als een gebed.

Toch is het Brian zelf die nog steeds als sterkste componist uit de bus komt, weliswaar nu beter bijgestaan door zijn bandleden. All I Wanna Do is, bijvoorbeeld, een groeibriljant. Op het eerste gehoor klinkt het wat te gewoontjes, maar het nummer ontwikkeld op zo’n indrukwekkende manier, dat het na een aantal keer luisteren een van de sterkste nummers blijkt. Mike Love zingt hier buitengewoon mooi en teder en dan – net als het nummer dat steuntje in de rug nodig heeft – zet die echoende stem van Brian in. Een melodie zingend die vervuld is van een treurnis die Brian Wilson kennelijk eigen is. Als een waterval kabbelt die stem door het nummer heen om in een fuzz-gitaar en aanzwellend gezang uit te monden, die het nummer een karakter geven, dat beloont zou moeten worden met de status van een klassieker.

Ook Our Sweet Love en At My Window zijn ongekend schone stukken muziek. Carl verwoordt prachtig de liefde voor natuur die ieder mens eigen zou moeten zijn en hoe die zich verhoudt tot de liefde tussen twee mensen. Our Sweet Love is als melodie even geraffineerd als God Only Knows en misschien nog wel doeltreffender, omdat het genie Brian hier geen genie probeert te zijn: hij wil zich niet bewijzen, maar componeert en zingt slechts om het geloof in zijn eigen leven erin te blijven houden. En daar gaat een eerlijkheid van uit die veel muzikanten zoeken (zie Bruce Johnston hierboven), maar nooit in die mate zullen vinden. Dát is het talent van Brian Wilson.

Ook At My Window is ongekend mooi. Die zoete stem van Johnston die over een vogeltje zingt. Zo eenvoudig als het maar zijn kan, maar zo doeltreffend. En tussen de coupletten door – die treurende, huilende stemmen, perfect bijgestaan door een gitaarklanken of pianoklanken op precies de juiste momenten. De melodie voert me even door de lucht, door een hemelse jeugd die ook ik achter aan het laten ben, en legt me dan weer op de grond. En uit die stilte komt dan weer die stem voort:
From their eyes... the people must look like miniature toys
En dan vliegt het vogeltje uit, voor eeuwig. En misschien symboliseert die vogel de jeugd wel, de strandjongens-tijd waar The Beach Boys afscheid van moesten nemen. Misschien is dat wegvliegende vogeltje wel de perfecte metafoor voor dat gevoel. En als dat zo is, dan zijn The Beach Boys de perfecte muzikanten om dat gevoel te bezingen.
Hun stemmen klinken, weemoedig en langzaam vervagend: ‘Fly away, fly away…

Dat laatste had ik met name in mijn hoofd, die ene dag die ik eerder beschreef. Het geeft perfect die breekbaarheid weer die ik soms voel, en die beeldschoon en tegelijkertijd verschrikkelijk is. Het is de gewaarwording de juiste woorden in je hoofd te hebben om zo’n recensie te schrijven, maar het niet te kunnen doen, omdat het werk te veel naar boven zou halen, het breekbare zou breken en me te verdwaasd achter zou laten, zonder de mogelijkheid om te genieten van wat ik zojuist geschreven zou hebben. Dan is het gemakkelijker die pijn uit te laten vliegen als die vogel en de volgende dag opnieuw te beginnen.

Via dat deel van mijn ziel identificeer ik mij met Brian Wilson – al hoop ik nooit door te hoeven maken wat hij doormaakte. Maar in mij is dat deel wat een glimp van die pijn voelt en met veel liefde aan hem denkt. En dat deel van mij is ook dankbaar dat deze man zijn miserie overleeft heeft. Want wat is het hartverscheurend zijn droefheid - vermengd met hoop - hier op Sunflower op zijn mooist te horen. Maar het is tegelijkertijd die kwaliteit die Sunflower een van de beste albums van The Beach Boys maakt. Een emotionele reis die me dankbaar maakt, dat ik zo gevoelig ben voor muziek. Zoals The Beach Boys zelf zongen in ‘Add some music to your day’.

Op nummer 1 blijft voor mij vooralsnog nog steeds Smile staan, omdat dit Brian Wilson in zijn volle glorie is. Maar Sunflower kent vele momenten die tot het beste werk van deze fenomenale band (en man) behoren en – omdat het misschien wel de meest volwassen plaat van The Beach Boys als band is – perfect etaleren wat deze groep zo onvergetelijk goed maakt. Met nog een stukje Smile wordt er geëindigd. Een prachtig stukje a capella muziek uit Brians hoogtijdagen klinkt door de effectwinden heen, maar het is niet nodig. Wat gezegd moest worden, is gezegd. Heerlijk zacht kabbelt het album naar een einde. At My Window was te intens en te pijnlijk geweest. Nu blijven we als luisteraar achter met het gevoel dat – ondanks alle pijn en weemoed – er ook nog altijd ruimte blijft voor wat onschuld. Een onschuld die net zo verfrissend kan zijn als een koele poel water, waar zachtjes een surfplank op weg drijft.

The Beach Boys - The Smile Sessions (2011)

Alternatieve titel: Smile

poster
5,0
The Beach Boys – The Smile Sessions

Dit is een plaat die ik keer op keer op kan zetten en die me toch iedere keer weer weet te overrompelen. Het is ook een plaat met een opmerkelijke historie. Hij kwam uit in 2011, maar had eigenlijk in 1967 uit moeten komen en Smile moeten heten. Destijds was Brian Wilson van The Beach Boys, naar zijn idee, verwikkeld geraakt in een creatieve strijd met The Beatles. In 1966 had hij The Beatles weten te overtroeven met Pet Sounds en Good Vibrations, en de opvolger, Smile, zou nog grens verleggender zijn. Het zou een muzikale collage worden; a teenage symphony to God; een conceptalbum dat de luisteraar meenam op een muzikale reis door het Oude Westen. Wilson ging enthousiast aan de slag. Hij schreef de muziek en de arrangementen in rap tempo en vertrouwde de teksten toe aan de dichter, Van Dyke Parks. Hij liet de befaamde, meerstemmige zang van The Beach Boys nieuwe hoogten bereiken en de ervaren sessiemuzikanten van The Wrecking Crew de muziek inspelen. Zelf zat Wilson achter de mengtafel, van waaruit hij het geluid van alle ingredienten van Smile wilde perfectioneren. Maar halverwege begon hij zijn zelfvertrouwen te verliezen. Wilson kreeg veel tegengeluid te verduren van de platenmaatschappij en van zijn bandleden, en ondertussen hoorde hij hoe briljant The Beatles bezig waren met hun Sgt. Pepper. Dat alles en het feit dat Brian Wilson aan de harddrugs ging, leidde ertoe dat het Smile-project in de lente van 1967 door hem werd stopgezet. Daardoor leverde The Beach Boys slechts een magere bijdrage tijdens de Summer of Love en dat heeft ervoor gezorgd dat ze, tot op de dag van vandaag, door het grote publiek niet op waarde worden geschat, ondanks al hun indrukwekkende werk van daarvoor en daarna. En dat is niet terecht!

Smile past, naar mijn mening, gemakkelijk in het rijtje waar ook de meesterwerken van The Beatles, Pink Floyd, The Doors, Jimi Hendrix en ga zo maar door in staan, en persoonlijk vind ik het album daar nog bovenuit stijgen. Brian Wilson legde alle puzzelstukjes van zijn Smile-sessies in 2004 in elkaar, nam alles opnieuw op en bracht het album alsnog uit als solo-artiest. Ik prefereer zelf de versie uit 2011, omdat het hetzelfde muzikale verhaal verteld, maar dan met de originele opnames. Dat Wilson, zo lang na die originele Smile-sessies, het album alsnog op zo’n briljante wijze wist te voltooien, getuigt van zijn genie. Hij moet er destijds echt heel dichtbij geweest zijn, want ik kan me haast niet voorstellen hoe dit album beter kan. Alles klopt voor mij! Ik hoor van sommige mensen die ik het heb laten luisteren dat ze het te gefragmenteerd vinden – het zou meer luisteren als een reeks ideeen die niet volledig uitgewerkt zijn. Deels is dat denk ik een vooroordeel, wat veel te maken heeft met de geschiedenis van deze plaat. Ik kan alleen maar zeggen: luister verder, blijf luisteren. Dat heb ik gedaan. Op een gegeven momenten ging ik al Wilsons keuzes begrijpen.

Het is inderdaad een symfonie, met verschillende delen, sommige wat korter dan de andere, die samen een briljant geheel vormen. Veel kracht zit hem in de afwisseling. Het klinkt ironisch, maar Smile heeft niet één gevoel. Sommige nummers klinken vooral vrolijk, anderen droevig, anderen zijn angstaanjagend, weer anderen zijn meditatief en zelfs in de nummers op zichzelf gaat een spectrum aan emoties schuil. De rode lijn is dat er altijd iets vreemds aan de hand is, iets ontregelends. Noem het Wilsons manie. Ook een vooroordeel wat met de geschiedenis te maken heeft, maar dit keer werkt het in het voordeel van de plaat. Smile klinkt als een kunstwerk dat zo groot is, dat het de kunstenaar haast wel te veel moest worden. Er zit zoveel vernieuwing in, er zijn zoveel goede ideeen, zoveel onverwachte wendingen. Dat de energie om zoiets te maken allemaal uit een man kwam, is verbazingwekkend. De zenuwinzinking die Brian Wilson in 1967 kreeg, maakt Smile alleen maar mysterieuzer. Omdat er een geest op vastgelegd is toen die ontzettend hoog vloog, ver boven vele tijdgenoten uit, vlak voordat hij onverbiddelijk neer moest storten.

De labiliteit van die geest is overal op Smile te horen. Het begint met Our Prayer. De a capella zang is hemels mooi, maar er zit zo’n enorme breekbaarheid, zo’n immense gevoeligheid achter verscholen. Met Gee komt de energie erin en dan gaat het snel. Heroes and Villains opent als een normaal poplied, maar wordt al snel onderbroken door hele merkwaardige en onverwachte intermezzo’s. Weer is daar die labiele geest in terug te horen. Uit een verzameling stemmen, duikt steeds een herhalende kopstem op. De andere zang en het klavecimbel zijn de creatieve input die onophoudelijk Wilsons hoofd binnenstroomt, de kopstem is die fragiele geest die die input nog maar net aankan en op het randje van waanzin balanceert. De snelheid waarmee de stukken na Heroes and Villains elkaar opvolgen versterken die indruk.
De ironie spat er vanaf: ‘Look at me jump, I’m into great shape of the agriculture’
Brian Wilson is in vorm, maar op een andere manier dan hij op Pet Sounds in vorm was: dit is manisch.

Met Cabin Essence begint een nieuw deel van de plaat. De nummers worden weer wat langer, zijn meer echte nummers, waarin Wilsons melodieuze instinct op volle kracht werkt. Cabin Essence, Wonderful en Surf’s Up zijn stuk voor stuk melodieen die niet alleen prachtig zijn, maar ook fascinerend door de unieke vorm van hun compositie. De samenzang is briljant. In Cabin Essence is die bezwerend, met lage stemmen die de cello’s volgen en haast op het gegons van bijen lijken, en kopstemmen die daar, zigzaggend, over heen zweven. In Wonderful klimt de zang steeds op onvoorspelbare wijze de hemelse hoogtes in, terwijl een andere stem daar met een staccato ‘one, one, one, one’ overheen loopt. Dan volgen er twee zeer aparte en kortere stukken. Look! (Song For Children) heeft dat ontregelende weer in zich. Het lijkt deels een vrolijk kinderdeuntje, met zelfs een kleine ode aan een bestaand nummer in zich, maar dat wordt onderbroken door een bloedstollend krachtig middenstuk. Hulde voor sessiemuzikanten Hal Blaine en Carol Kaye is hier op zijn plaats. De drums en de bas vormen een perfecte stuwende kracht voor dit cruciale deel van de compositie. Het intro en het tussenstuk van Look! (Song For Children) behoren tot de meest indrukwekkende instrumentale stukken die ik ooit gehoord heb! Voor mij gaat Brian Wilson op dit punt van de plaat door het glazen plafond heen. Met deze ‘kinderlijke’ compositie bereikt hij de hoogste hoogtes waar inspiratie je kan voeren. Dit uitstekende muzikale intermezzo vloeit over in weer een heel apart stuk - Child (Father of the Man) - en dan een nieuw hoogtepunt, Surf’s Up. Een unieke compositie, die zowel weet te raken in een simpele setting (de versies met alleen solozang en piano) als in deze zorgvuldig muzikaal aangeklede Smile-versie. In beide versies grijpt Wilsons uithaal in de eerste twee coupletten naar de keel: het is van een schoonheid die haast iets engs heeft. De melodie zweeft heerlijk over de begeleiding heen en laat weer die hartverscheurende gevoeligheid horen:
‘I heard the most wonderful thing, a children's song’

De climax is hemels (wederom in beide versies!). Het is alsof er met een geslaakte zucht meteen de mooiste, engelachtige muziek meekomt. Want het voelt haast als een verzuchting. Alsof Brian Wilson hier iets laat ontsnappen, iets uit zich laat stromen, waar hij al zo lang mee geworsteld heeft. Maar naast Wilson ook hulde voor Mike Love. Hoewel zijn invloed op de ontwikkeling van deze plaat niet de meest positieve geweest schijnt te zijn, levert hij hier een knap staaltje werk af. Tussen al die engelachtige kopstemmen klinkt namelijk Love’s prachtige, afwijkende baritone: ‘Father of the Man’. En daar overheen de prachtige hoofdmelodie, ook door Love gezongen: ‘A children’s song, can you hear them as they play?’. Het grote kippenvelmoment van Smile!

Een nieuw deel van de plaat begint met I Wanna Be Around / Workshop. Smile moest ook een plaat met veel humor worden, vond Brian Wilson, en dat is hier te horen. Ook in opvolger Vega-Tables is die humor op de voorgrond aanwezig. Vega-Tables is een groeibriljant. Na Surf’s Up doet het op het eerste gehoor wat suf aan om een nummer aan te moeten horen dat over de gezondheidsvoordelen van veel groenten eten gaat. Toch durf ik Vega-Tables een hoogtepunt te noemen dat niet onderdoet voor Surf’s Up…na het veel geluisterd te hebben. De enorme hoeveelheid energie die in dit nummer zit is erg aanstekelijk. Voor mij is het een ode aan de creativiteit en de vernieuwing, zowel in de kunst als in je eigen persoon. Nieuwe dingen doen, nieuwe dingen ontdekken, het leven in duiken:
‘Sleep a lot, eat a lot, rushing like crazy. Run a lot, do a lot, never be lazy’

Dit nummer is in een jaar tijd heel belangrijk voor me geworden. Als ik het in mijn hoofd of hardop zing, dan voel ik me gemotiveerd om de uitdagingen van het leven aan te gaan en om nieuwe dingen te maken. Iets dat Smile als geheel voor mij doet, maar in Vega-Tables voel ik het het meest. Muzikaal gezien, is de samenzang en de structuur van het nummer geniaal. Het gepingel op de banjo en de onverwachte inval van de cello op het eind, het originele gebruik van stemgeluiden: het werkt allemaal! Dat brengt me op een volgend punt: de timing op deze plaat. Die is perfect! Op oude Beach Boy-platen werd soms al geexperimenteerd met onconventionele instrumenten. Vaak viel er dan nog wat te verbeteren aan de timing ervan. Op Pet Sounds slaagde Brian Wilson erin dat te perfectioneren – op Pet Sounds is de briljante timing ook een grote kracht van de plaat – en op Smile gaat hij daarmee verder. Over elke inval is nagedacht en het is tot in detail gemixt. Perfecte productie kan muziek soms ook kapot maken, maar Brian Wilson doet het op zo’n liefdevolle manier dat de schoonheid van alles er juist door uitvergroot wordt: ieder instrument en stemgeluid komt tot zijn recht!

In het derde deel van Smile is die timing het belangrijkst. De muziek raakt hier in een stroomversnelling. De contrasten tussen de stukken zijn optimaal en overweldigend: er wordt afgestuurd op de climax van dit meesterwerk. Vega-Tables wordt rap gevolgd door Holidays – wederom energiek, op zijn eigen, speelse manier. Dat eindigt in een wat ingetogener outro. De stemmen vloeien het instrumentale stuk in, tot ze haast alleen overblijven. De engelachtigheid van Our Prayer klinkt hier weer in door. Daarna volgt het ingetogen begin van Wind Chimes. De altijd mooie stem van Carl Wilson lijkt te duiden op een wat rustiger nummer. Voor de afwisseling zijn de teksten in dit derde deel wat minder zwaar poetisch en wat simpeler, en ook bij Wind Chimes is dit het geval. Dan, als Carl Wilson een uithaal doet, barst het nummer los in een plotselinge climax. Een deel van de zang imiteert de voorheen aanwezige baslijn, terwijl daarboven stemmen uitstijgen die weer heerlijk vreemde sprongen maken. De instrumenten versterken het effect van de climax en Hal Blaine is weer in topvorm. In de tussenstukken spelen de piano en de klavecimbel op prachtig stuwende wijze tegen elkaar in, in het tweede tussenstuk bijgestaan door het uitstekende basspel van Carol Kaye.

Als Wind Chimes is afgelopen word je gelijk het volgende nummer ingesleurd. Fire tart alle wetten van de conventionele popmuziek. Dit lijkt het nummer te zijn waar Wilsons manische inspiratie de gevaarzone in schoot. Tijdens de opnames was zijn labiliteit voort erg zichtbaar. Er moest vuur branden in de studio, de muzikanten moesten de rook kunnen ruiken terwijl ze allemaal brandweerhelmen droegen. Wilde Wilson soms dat ze speelden alsof ze midden in een brandend gebouw waren? Zodat ze de paniek voor de luisteraar tastbaar konden maken, zodat de luisteraar het vuur haast op de huid zou voelen? Wilson kreeg de prestatie die hij wenste. De muzikanten spelen hier alsof hun leven er vanaf hangt, Hal Blaine slaat als een dolle stier op de drums, bijna onhoorbaar klinken er cello's, laag en dissonant. De sirene jankt, want de rode zone lijkt bereikt. Het nummer lijkt de belichaming te zijn van het moment waarop Wilsons creatieve vuur omsloeg, de controle verdween en het vuur een brand werd. De gigantische lading inspiratie drukt zo hard op zijn geest dat de zenuwinzinking niet meer ver weg is. Deels zou je wensen dat een nummer waar zo’n persoonlijke tragiek achter zit, niet zou bestaan: je wenst Brian Wilson zijn instorting niet toe. Maar Wilson overleefde de brand, niet zonder schade, maar genoeg om goed verder te kunnen leven. Dus hoewel het enigszins wrang is, ben ik blij dat dit moment er was in zijn geest, en dat wij naar dit nummer – deze muzikale krankzinnigheid – kunnen luisteren. Want het is een unieke muzikale ervaring!

Hoe passend dat na Fire, water volgt. Love To Say Dada begint totaal anders, rustig en hemels, warm en haast meditatief, omdat existentiele inzichten hier bereikt lijken te worden. De stemmen zijn warm, beschermend, in vrede met zichzelf. De manische geest van Fire is gekalmeerd en er volgt een moment van comfortabele rust, van tevredenheid. Dit is een van de redenen waarom Smile zo geniaal is. Het kent onbedwongen uitgelaten momenten, maar ook rustige momenten, die echter zo sterk zijn dat ze de plaat niet vertragen. In deze muzikale tegenhanger van Fire wordt het meesterwerk prettig en waardig afgewerkt. Dan klinken de stemmen van het begin weer – een fragment van Our Prayer. Door het enorme verhaal wat Smile in zo’n drie kwartier verteld, lijkt het zo lang geleden. En daarom is het zo mooi dat Our Prayer nog een keer terugkomt.

Wat volgt is nog een meesterstuk, wat de wereld gelukkig in 1966 al mocht horen: Good Vibrations. Het opnemen van deze unieke single in het verhaal dat Smile heet, had een fout kunnen zijn. Een gevaar is dat Smile een plaat geworden was waarop het heel lang wachten is om Good Vibrations te kunnen horen. De tegenhanger daarvan is dat het een geforceerde toevoeging was geweest, een publiekstrekker om de plaat te kunnen verkopen, die totaal niet past in wat Smile is. Gelukkig is het voor mij geen van beide. Het sluit het album in stijl af, alsof het een epiloog is. De muzikale collage wordt afgesloten met een nummer wat op zichzelf al een muzikale collage is. Als de laatste klanken van dit revolutionaire nummer wegfaden, blijf ik altijd achter met het gevoel alsof ik een geweldige film heb gezien. Alsof ik in iets mee ben genomen, waar geen enkele andere deur me brengen kan. En als kunst dat kan doen, dan is het hoogste wat er is. Daarom voel ik mij schatplichtig aan Smile. Ik kan erover schrijven alsof ik een politiek pamflet schrijf. Ik hoef niemand er meer van te overtuigen dat ze Good Vibrations moeten luisteren. Het is gelukkig welbekend dat dat nummer revolutionair is. Luister nu die 45 minuten ervoor nog maar eens!

Het is een lang verhaal geworden, maar ik kan er niets aan doen. Als ik aan Smile denk hoor ik de muziek al in mijn hoofd, en dat maakt dat ik de passie voel die me uren aan een stuk laat schrijven, zonder te pauzeren of iets te eten. Want dit album is fantastisch in alle opzichten! De muziek houdt me nu al 8 maanden bezig en de gemaakte indruk zal nooit verdwijnen, die is in mijn ziel gebrand. De zang, de instrumentatie, de composities, de structuur, de productie: het komt allemaal perfect samen. Over de teksten kan ik niet veel zeggen. Ze zijn zwaar poetisch en vaak niet te doorgronden. Tekstueel wordt ik niet geraakt, maar de tekst wordt op zo’n manier door de zang gedragen dat dat niets uitmaakt. En dan heb ik liever Van Dyke Parks als de eindverantwoordelijke, dan dat ik me aan de ondermaatse teksten van Mike Love of Tony Asher zit te storen. Dat zou de muziek niet waardig geweest zijn, want Smile bevat ruim drie kwartier van de beste muziek die ik ooit gehoord heb, en misschien ook wel zal horen. Het is een van de wereldwonderen van de muziek die je gehoord moet hebben, op dezelfde manier dat Brian Wilson een muzikaal wereldwonder is! En laat ik dit relaas eens met een lekker controversiele uitsmijter eindigen: als The Beatles dit destijds hadden willen evenaren, dan was de band 2 jaar eerder uit elkaar gegaan!

The Kinks - Lola Versus Powerman and the Moneygoround, Part One (1970)

poster
4,0
Toen ik dit album kocht had ik al veel gehoord van andere grote, Britse bands uit de jaren 60 (The Beatles, The Rolling Stones, The Who). The Kinks hoort natuurlijk ook in dat rijtje thuis en ik besloot dus om daar eens wat van te kopen. Toen ik bij mijn vaste muziekzaak door de cd's stond te zoeken, was daar veel van The Kinks bij. Ik stond te twijfelen tussen Face to Face, Something Else, Arthur en deze. Uiteindelijk heb ik toen deze gekozen omdat ik Strangers, Lola en Powerman hele mooie nummers vond. Een erg goede plaat.

Het openingsnummer The Contenders maakte me al gelijk enthousiast. Dat werd opgevolgd door het prachtige Strangers wat ik al kende. Hierna komen, uitgezonderd Lola, een aantal deuntjes die ik eerst wat minder vond (Denmark Street, Get Back In Line, Top Of The Pops, The Moneygoround, This Time Tomorrow). Telkens als ik dacht 'dit wordt mooi' ging het net een slagje anders dan ik verwacht had. Maar bij de daaropvolgende luisterbeurten drong de kwaliteit van sommige nummers pas echt tot me door. Vooral Get Back In Line en This Time Tomorrow ben ik erg goed gaan vinden. Ik ben persoonlijk niet zo'n fan van Long Way From Home: ik vind het een beetje een flauw nummer. Rats daarentegen rockt lekker en maakte een diepe indruk op mij (ik vind de 2 bijdragen van Dave Davies aan dit album heel erg goed). Apeman vind ik zowel qua tekst als muziek een beetje flauw en het onderbreekt de goede kwaliteit van het album even. Powerman heeft een heel mooi begin en is in zijn geheel een erg sterk nummer. Het nummer heeft een bepaalde dreigende roes in zich, dat de gedachte van de rijken die altijd machtig blijven echt goed overbrengt (op mij tenminste). Een hele goede tekst ook. En dan: Got To Be Free. Ik vind dat veel nummers van The Kinks wel iets theatraals hebben, maar dit album sluit echt af als een musical. Wel mooi trouwens.

Ik ben erg onder de indruk van dit staaltje werk van The Kinks en dit is dan ook niet de laatste die ik ervan zal kopen.

The Red Hot Chili Peppers - One Hot Minute (1995)

poster
4,0
Een vriend van mij is een groot Peppers-fan en aangezien ik van hem op muzikaal gebied wel een hoog petje op heb, was ik wel geïnteresseerd wat hij in deze muziek zag. Zelf vond ik de Peppers altijd mwoah. Een mening die gebaseerd was op wat ik via de radio te horen kreeg. Ik kan me in het latere werk ontzettend ergeren aan de stem van Anthony Kiedis, die soms erg kleurloos en saai klinkt. Maar toen ik op de koninginnemarkt dit jaar wat rondliep zag ik voor 1 euro en in goede staat One Hot Minute staan. 1 euro: zeker niet te veel voor een muzikaal uitstapje, dus ik heb hem gekocht. Ik verwachtte dat het niet helemaal mijn 'cup of tea' zou zijn, maar ik werd positief verrast. Echt een goed album waar ik een volle 4* voor geef.

Het begint al heel mooi met Warped.
Een duister intro gevolgd door een snelle, swingende riff. Kiedis schreef de tekst over zijn drugsverslaving en dat is in de muziek ook terug te horen. Door het duistere intro kan ik me prima inleven in de unk die door zijn verslaving wegdrijft van de echte wereld, te ver weg... en die in zijn verslaving heel eenzaam is. En dan begint het te swingen. Kiedis die tegen het ritme van de muziek in gaat, de muziek die de snelheid van een voortrazende trein. En dan plots een heel teer gevoelig stukje gitaar, mooi neergezet door Dave Navarro. De muziek stroomt gelijk door in Aeroplane. Ook een heel mooi nummer. Dromerig refrein met een lekker funky couplet. Kinderlijke zanglijn (positief) wat op het eind nog even benadrukt wordt. En dan vloeit het door in een dromerige passage. Mooi gebruik van spoken word en dan zetten de Peppers weer in met keiharde rock. Deep Kick: heerlijk om lekker op rond te springen. Als hij goed binnenkomt dan zweet ik na dit nummer. My Friends is ook een heel mooi nummer (goed materiaal voor een Unplugged-plaat), Coffee Shop is wat minder, maar in de flow van het album kan ik het toch een heel lekker nummer vinden. Pea is wel geinig, maar niet fantastisch (net als de zang van Flea). De studio versie bekoort me minder dan de live versies op YouTube.

Het hoogtepunt is One Big Mob, en ik snap daarom ook echt niet waarom die als laatste staat. Het nummer heeft echt alles. Begint lekker swingend. Ik heb een bandje en ik zit erover te denken deze eens te coveren. Die doet het vast goed op het podium. Een nummer om bij over het podium te springen en helemaal los te gaan, overtreft zelfs Deep Kick. En dan volkomen onverwacht een zacht, ietwat psychedelisch stuk, waarin Kiedis van meer rap overgaat naar gevoelige, melodische zang. De gitaar huilt mooi met de baby mee (die baby zelf is soms mooi, maar soms ook heel irritant) en het bouwt daarna weer lekker op naar het beginstuk, dat weer net zo daverend klink. Dan wordt het nummer ook nog eens afgesloten met een lekkere rockende riff. Dit nummer heeft echt alles wat een goed nummer nodig heeft en wat mij betreft is het het beste nummer van de plaat.

Dan het zwoele Walkabout en dan het prachtige Tearjerker: een ode aan Kurt Cobain. Ik vond het eerst ietwat zeikerig, maar nu vind ik het een van de mooiste nummers van de plaat. De muziek heeft echt de sfeer van iemand missen. Bij het lezen van de tekst trok ik wel even een wenkbrauw op. Het klinkt soms net alsof Kiedis verliefd was op Cobain, maar ja, de achterkant duidt er misschien wel op dat de Peppers even een gay-periode hadden

Het titelnummer is ook erg goed. Rockt lekker door, veel afwisseling. Falling Into Grace? Ik moet ervoor in de stemming zijn. Dan weer vindt ik het een lekker nummer, dan weer skip ik het door.

Shallow Be Thy Game/Transcending vormt ook een hoogtepunt. Erg mooi setje. Bij Shallow Be Thy Game suist het verzet echt door de muziek heen. De tekst is ook duidelijk anti-religie, of beter gezegd: anti het opdringen van een religie. Erg goede tekst die zegt waar het hem op staat. Tekstueel en muzikaal een erg goed nummer. En na SBTG kan ik het nooit laten om Transcending helemaal te luisteren. Ook een heel mooi nummer. Weer een ode, ditmaal aan zaliger acteur River Phoenix. Zit erg mooi in elkaar. Alleen zit er een stukje in, nadat Anthony zingt All we are is leaves that fall, waarbij de melodielijn van de gitaar en de bas heel mooi is, en waarbij Anthony er weer doorheen zit te zingen. Bij dat stukje zou ik eigenlijk willen dat hij z'n mond eens hield. Vooral bij de tweede keer als hij er tussendoor zit te zeggen I love you, you're my brother. Voegt weinig toe en bezoedeld voor mij een beetje de mooiheid van het stukje. Dat is het enige nadeel aan Transcending. Het nummer heeft een zeer mooie climax (met een Anthony die me een beetje aan Kurt Cobain doet denken als hij zo zit te schreeuwen). Het nummer sluit het album erg goed af. Het is ook meteen het ontoegankelijkste nummer van het album. Ik moest er even over doen voor ik het mooi begon te vinden, maar als je er doorheen prikt is het echt een van de beste nummers van de plaat.

Zoals ik al zei: De Peppers verrasten me positief met deze plaat. Het stimuleert om meer van hun werk te gaan luisteren/te kopen. Maar uit veel reacties maak ik op dat OHM een vreemde eend in de bijt is (die door sommige fans niet echt gewaardeerd wordt). Daaruit maak ik op dat ik niet veel meer platen in deze stijl zal vinden. Maar ja, desondanks is het het waard om meer van hun werk door te spitten. Anthony heeft me wel bewezen dat hij geen kleurloze zanger: op deze plaat kan ik zijn zang prima aanhoren. Ik zie nu wel in dat ze echt goed zijn.

4*

The Rolling Stones - Between the Buttons (1967)

poster
3,5
Deze behoort duidelijk tot de meer experimentele albums van The Rolling Stones. De beginselen van wat op Their Satanic Majesties Request uitgewerkt zou worden zijn hier al te horen. Ik vind Between the Buttons een heel sfeervolle Stonesplaat en tot nu toe de plaat waar Jagger het beste op zingt. De plaat bevat veel nummers die als basis een op mij kinderlijk overkomend melodietje hebben, dat meesterlijk uitgewerkt is, zoals bij Yesterday's Papers en Something Happened To Me Yesterday, maar dat je daardoor wel meer moet luisteren om het te waarderen. Daarnaast staan er ook nummers zijn die bij de eerste luisterbeurt al beresterk zijn (All Sold Out, Complicated). De meeste nummers bestaan uit eenvoudige melodietjes die veel herhaald worden. Bij sommige nummers is dat storend, maar bij sommigen juist niet. Aan deze plaat kleeft een cabareteske sfeer a la On With The Show (van het volgende album). Het is die sfeer die deze plaat zo bijzonder maakt. Vooral het einde is heel bijzonder: de plaat eindigt echt als een Monty Python-film.

Conclusie: geen topplaat, maar toch zeker wel een goed Stones-album (met enkele hele mooie nummers zoals She Smiled Sweetly). Een 3.5

The Sound - From the Lions Mouth (1981)

poster
5,0
The Sound - From The Lion's Mouth

Winning is onder de fans nog steeds een van de meest geliefde Sound-nummers – en met reden! Het is misschien niet het beste nummer – er zijn gewoon zoveel mooie Sound-nummers!! – maar het is wel het nummer dat het levensethos van Adrian Borland als geen ander samenvat. En dat geldt eigenlijk voor heel From The Lion’s Mouth. Tenslotte gaat het hier over dat album.

'When you’re on the bottom, you crawl back to the top. Then something pulls you up. And a voice says you can’t stop: it won’t let you stop!’.

‘Ik geloof dat we alleen onze eigen engel kunnen zien’. Zoiets schreef Arthur Rimbaud ooit over zijn eigen innerlijke ‘muze’. Hierna hou ik op met mijn erbij gesleepte kunstenaarscitaten, maar wederom is het zo ontzettend passend. Zoals wij allemaal had Adrian ook een engel in zich en hij maakte het zijn levenswerk die engel aan anderen te laten zien. Het is die ‘aanwezigheid’ waar het in Winning over gaat als hij zingt over ‘the voice that says you can’t stop’. En hij zou na Winning nog een heel leven wijden aan het vertolken van die hogere stem.

In Winning is de ode aan de levenskracht natuurlijk overduidelijk, maar er zijn meerdere momenten op From The Lion’s Mouth waarop ik Adrian ervan verdenk zijn ‘innerlijke engel’ te bezingen. Neem nou een nummer als Contact The Fact. Ik nam vroeger altijd aan dat dat in wezen een liefdeslied was. Een vrij donker liefdeslied – dat wel – maar alsnog een liefdeslied. Nu luister ik naar de ‘you’ waar Adrian over zingt en hoor ik ineens iets anders. You mean the world, the real world to me. So watching you go, is like watching a film in slow motion. Het is haast op te vatten als een existentiële angst om je eigen anker in de wereld te verliezen. Als je weet waar Adrian tegen vocht (de docu Walking In The Opposite Direction is een aanrader!), dan is het wel duidelijk waarom alleen het idee al van een dergelijk verlies hem zo’n angst in zou boezemen. ‘Because I know you hate it when I’m crazy…’ Wat als je beschermengel genoeg krijgt van je menselijke grillen?

Misschien lees ik er teveel in dat niet zo was bedoeld, maar als dat zo is, dan komt dat door mijn eigen ervaringen. In mijn tienertijd, toen Adrian mijn steun en toeverlaat was, had ik zelf nog niet veel meegemaakt en paste zijn muziek al bij de meest onschuldige tegenslagen. Inmiddels ben ik ouder dan de leden van The Sound waren ten tijde van dit album en komt de muziek anders binnen. Nog intenser. Ik ben gelukkig nog nooit depressief geweest, dus dat zijn geen dalen waar ik over mee kan praten. Maar ik ben wel verslavingsgevoelig en helaas leidt ook dat tot wat donkerdere momenten. ‘When you’re on the bottom…’ En dan vraag ik me wel eens af: die engel, die ook ik heb, blijft die? Blijft die, als ik voor de zoveelste keer gehoor geef aan mijn lagere verlangens? Of kan die op een dag ook de biezen pakken? Het is zomaar een angstige gedachte – niet rationeel, puur gevoel – en hij is zo angstig omdat iedereen het contact met die engel van tijd tot tijd nodig heeft. Ik kan het niet verliezen: Contact you, because I need you…

Gelukkig heb ik op dat soort momenten From The Lion’s Mouth tot mijn beschikking. Waar Contact The Fact misschien meer mijn eigen invulling is, zijn er zoveel andere momenten waarop Adrian de kracht van binnen vol bezieling bezingt. Possession is natuurlijk een voor de hand liggende: een nummer over de innerlijke strijd tussen goed en kwaad en de drang tot zelfbehoud tussen al dat geweld. In Sense of Purpose wordt er niet eens meer óver ‘the voice that says you can’t stop' gezongen, maar is die stem zélf aan het woord: ‘Look in my eyes, see the lust and the love…’ En die stem komt later ook aan het woord op een veel zachtere poëtischere manier. In Judgement.

Judgement: wat een geschenk van een nummer is dat. Het is de stem van het geweten op muziek gezet. ‘I can tell it’s now or never: if we don’t act now, it could be now forever’. ‘The moment is here, the moment of truth…… but just what scared the life out of you?’.

‘But just what scared the life out of you?’ ....

Depressies en verslavingen daargelaten: die zin komt binnen. Hoe vaak weerhoudt angst ons er wel niet van om het leven te leven dat we graag zouden willen? Om iets na te jagen dat we werkelijk belangrijk vinden? Ik ben geen ontevreden mens, maar ik kan zeker genoeg momenten noemen. En ik herken die relatie met mijn hogere stem, die soms tegen me zegt: ‘I can’t watch and wait just to pay the price for your judgement…’

Dat klinkt misschien somber en fatalistisch, maar dat is het mooie aan Adrians muziek: het blijft eigenlijk nooit bij somber en fatalistisch. Er is altijd iets dat je omhoog trekt: ‘The voice that says you can’t stop’…. Ook in Judgement, dat prachtige meditatieve kunststukje op From The Lion’s Mouth. Aan het einde is daar weer die onvermijdelijke hoop waar ik écht extatisch van kan worden. De muziek neemt het over en ik word als luisteraar bij de hand genomen, opgetild en volledig doordrongen van het besef dat mijn engel nooit haar biezen zal pakken. Niet zolang muziek als deze me weet te raken. Ze geeft me alleen soms een schop onder de kont en daar kan ik dan weer even mee vooruit.

En als ik het al soms moeilijk heb - de geboren positivo… - wat is het dan toch knap dat Adrian Borland zo lang bleef vechten tegen een ongeluk dat zoveel groter is dan de meesten van ons zich kunnen voorstellen. Zeker: zijn ongeluk was er ook, in zijn muziek. Hij zag het in de wereld (New Dark Age, Skeletons) en hij zag het in zijn persoonlijke leven (Fatal Flaw). Hij groeide soms weg van het licht, weg van het leven...Maar wat altijd bij hem bleef terugkeren, was hoe hij het noodlot bij de keel greep en zijn blik vastberaden gericht hield op dat vuur dat in hem brandde. Én hoe hij die fel bevochten levenslust keer op keer weer naar buiten toe verkondigde. Luister naar de krachtige gitaarsolo van Possession of het transcendentale einde van het práchtige Fatal Flaw, en dan weet je wat ik bedoel (als je al Adrian-fan bent, dan weet je dat natuurlijk allang).

De hoop die hij zo moest bevechten, kenmerkte hem zo erg dat deze zelfs nog op zijn allerlaatste muzikale momenten overduidelijk aanwezig is - vlak voordat hij misschien wel niet anders kon dan het leven loslaten. Voor iedereen die, net als ik, de levenslust op From The Lion’s Mouth zo aangrijpend vindt: ik heb het bij ‘zijn allerlaatste muzikale momenten’ over het nummer Living On The Edge Of God van Adrians laatste album Harmony & Destruction. Ga het luisteren – vergeet het niet! - want het is de bewonderenswaardige zwanenzang van een man die niet anders kon dan het leven liefhebben, hoe moeilijk dat soms ook was.

Het is een-en-al Adrian geworden in dit verhaal; dat kan ook moeilijk anders. Veel van de muziek kwam voort uit zijn prachtige talent. Maar natuurlijk was The Sound ook een sublieme band als geheel! Mike Dudley en Graham Bailey zijn als drummer en bassist natuurlijk de motor van de band en het is een motor die de energie en de spanning er goed in houdt. From The Lion’s Mouth houdt je voortdurend op het puntje van je stoel en dat is zeker ook door hún muzikantenwerk!

En extra eer gaat wat mij betreft uit naar Colvin Mayers, die helaas ook veel te vroeg is overleden. De combinatie Adrian-Colvin heb ik persoonlijk altijd beschouwd als een van die veelbetekenende ontmoetingen in de muziekwereld. Mayers gaf met zijn toetsenwerk altijd iets transcedentaals aan Adrians composities. Op From The Lion’s Mouth deed hij voor het eerst mee en het verschil met Jeopardy is te horen: From The Lion’s Mouth klinkt nog steeds bij vlagen onheilspellend, maar tegelijkertijd ook veel warmer. Colvins keyboardspel broeit, verontrust en bezweert. Op Fatal Flaw – een van de mooiste nummers van dit album en van The Sound in het algemeen!! – is hij op zijn best. Het nummer is al ongelofelijk aangrijpend qua compositie en opbouw en emotie (!), maar het is de keyboardpartij van Colvin Mayers die hier voor de eeuwigheidswaarde zorgt.

Maar uiteindelijk kom ik toch altijd weer uit bij Adrian: de man die muziek bleef schrijven die ik nu nog kan opzetten om die éne stem in mezelf meer geluid te geven. Wat kan ik nog meer zeggen dan: bedankt! En wat is het klote dat juist jij er niet meer bent…

The Sound - Jeopardy (1980)

poster
4,5
The Sound - Jeopardy

Ik heb dit lange tijd verreweg het minste album van The Sound gevonden. Hoewel ik het nu veel meer waardeer dan eerst, weet ik nog steeds niet waar ik hem zou plaatsen in mijn rangschikking van Sound-albums. Dit album is namelijk heel anders dan de rest van wat The Sound gemaakt heeft. Misschien komt het doordat toetseniste Bi Marshall na dit album uit de band stapte; misschien komt het doordat Adrian Borland al gauw zijn interesse verloor in het maken van politiek geëngageerde post-punk liederen. In ieder geval heeft The Sound nooit meer zo’n album als dit gemaakt. Dat verklaart ook waarom ik het eerst het minste album vond. Jeopardy was het album dat mijn interesse voor The Sound creëerde; From The Lion’s Mouth is het album waardoor ik ’verliefd’ werd op The Sound. Toen ik eenmaal die liefde koesterde voor The Sound hun emotionele muziek met de atmosferische keyboard-klanken van Colvin Mayers en de naar de keel grijpende gitaarsolo’s van Adrian Borland, kon ik niet meer veel waardering opbrengen voor het veel rauwere, eenvoudigere Jeopardy.

Nu ik een paar jaar verder ben en zowat al het werk van The Sound en Borland van buiten ken, begin ik dit album steeds beter te vinden. Jeopardy klinkt namelijk als het soort album dat een sociale impact kan / had moeten hebben als albums zoals The Doors en Nevermind. De muziek en de teksten roepen een drang tot revolutie op. Vaak zit ik te denken aan hoe dit album in deze tijd zou passen. In een wereld waarin kritiekloze, ergerlijk positieve muziek de boventoon voert, is onderhand wel eens behoefte aan een band die zegt: ’zoals we het nu doen is het niet goed, maar we hebben wel de kracht om onszelf te verbeteren’. Want dat is de boodschap die The Sound en vooral dit album uitdraagt. Je doet deze band te kort door ze weg te zetten als een negatief, depressief bandje. Ten eerste is dit niet zomaar bandje, maar een heuse band, en ten tweede is deze band zeer positief, maar dan wel met een kritische (realistische!) houding.

De drang om te veranderen is het doorlopende thema van dit album en het wordt op verschillende manieren benadert. Opener I Can’t Escape Myself is niet zomaar een ’emo-liedje’ over zelfhaat; het is een opzwepend nummer over de revolutionaire drang om jezelf te veranderen: I’m sick and I’m tired of reasoning, just want to break out, shake off this skin. Ook al is de conclusie van het nummer dat je met jezelf moet leren leven, dat hoeft niet te betekenen dat je niet moet proberen jezelf te veranderen. De boodschap is realistisch: verander de wereld door met jezelf te beginnen. Nummers zoals Heartland, Heyday en Resistance zijn directer in hun boodschap. De teksten zijn recht voor hun raap, maar van hoge kwaliteit, met prachtige, inspirerende zinnen als: You’ve got to lose yourself before you find yourself back in exile, You’ve got to believe in a heartland, Can’t believe they put you down in your heyday en Gotta take some action to change my fate.

Tevens recht voor de raap is de aanklacht tegen kernwapens in Missiles. Als een van de donkerste nummers van de plaat schetst het de nachtmerrie waaraan we moeten ontsnappen; een gevoel dat, naar ik vernomen heb, nogal aanwezig was in de vroege jaren tachtig. De vraag die Borland hier stelt prikt door alle politieke wartaal en excuses heen: who the hell makes those missiles? Het is een zeer universele vraag. Het heeft natuurlijk vooral betrekking op kernwapens, maar hij valt op veel meer toe te passen. Eigenlijk is de kern gewoon: waarom willen we onze medemens kwaad doen? Alhoewel uitgebracht in 1980, is dit nummer dus nog steeds relevant. Stukken relevanter dan de als-ik-de-baas-zou-zijn-van-het-journaal-moraal die in deze tijd overheerst. Nummers zoals Missiles zijn te schaars. Neem nou de gitaarsolo van dit nummer. Naar mijn mening zijn er teveel egotrippers onder rockgitaristen, die lof toegezwaaid krijgen puur om de vingervlugheid die ze in hun solo gooien. Adrian Borland gebruikt zijn gitaarspel echter als een verlengstuk van zijn teksten: de gitaarsolo van Missiles schetst een wereld die barsten begint te vertonen; compromisloos schetst het de horror die door hebzucht en onbegrip in de wereld gebracht wordt. Een ander voorbeeld van zo’n gitaarsolo die simpel maar indringend is, is Borlands solo in Words Fail Me, die het al opzwepende karakter van het nummer versterkt met een heerlijk, scheurend gitaargeluid.

Misschien kom ik in deze recensie over als een persoon die de toekomst van zowel de maatschappij als de muziek somber inziet, maar ik zie mezelf, net als Borland, niet als een pessimist. Ik schaar me voor de volle 100% achter de boodschap die dit album zo overtuigend uitdraagt: we moeten erkennen dat er dingen moeten veranderen en vervolgens met goede moed aan die veranderingen beginnen. Populaire muziek is een reflectie van de tijdgeest en deze tijdgeest is te positief; er is weer een album zoals Jeopardy nodig dat ons daarop wijst. Jeopardy zelf, hoewel al ruim 30 jaar oud, heeft echter ook nog steeds meer dan genoeg overtuigingskracht om ons die boodschap mee te geven.

Wat was echter de nalatenschap van Jeopardy voor The Sound? Niet ontzettend veel, naar mijn mening. Jeopardy staat vrij los van de andere Sound-albums. Ik merk het alleen al aan de manier waarop ik me in politieke wateren begeef, als ik dit album beschrijf: dit album heeft echt een niet-te-omzeilen boodschap voor de maatschappij. Afgezien van latere Sound-nummers als Skeletons en New Dark Age, keerde die politieke lading niet meer terug. Adrian Borland gaf als verklaring dat hij geen boodschappen door de strot van zijn luisteraars wilde duwen: als iets eenmaal goed is gezegd, dan moet je het daarbij laten. Hier ben ik het roerend mee eens. Met Jeopardy heeft The Sound haar boodschap overtuigend genoeg gebracht; ik ben blij dat ze hierna een andere weg zijn ingeslagen, want dat heeft hen een briljante en diverse carriere opgeleverd.

Qua geluid (pun unintended) veranderde er ook veel. Jeopardy is energiek, maar is ook koud, smerig, benauwend en heeft een hol geluid (iemand een betere term?). Dit geeft echter een prachtig uniek geluid aan het album. Het voelt soms alsof je een rat in een riool bent, waar af en toe wat licht, in de vorm van Bi Marshalls keyboard-klanken, naar binnen valt. From The Lion’s Mouth is warmer en zweveriger. Hier bedoel ik dus niet mee dat Jeopardy negatiever is, maar dat moet volgens mij al duidelijk zijn. Adrian Borland toont op Jeopardy al zijn buitengewone talent als tekstschrijver. Hij weet in simpele taal zeer serieuze onderwerpen aan te pakken en er tegelijkertijd toch een poëtisch randje aan te geven. Dat is een talent wat zich door zijn carriere heel snel zou ontwikkelen. Ook als componist hoor je hem duidelijk steeds beter te worden. Waar de nummers op Jeopardy enigszins eenvoudig klinken (wat de boodschap goed dient), creëerde hij later een grote schat aan compositorische meesterwerken, waardoor je hem met recht een genie kan noemen. Borlands muziek zou meer de persoonlijke richting van I Can’t Escape Myself en Hour Of Need opgaan, maar niets aan de indringendheid verliezen die Jeopardy zo eigen is. Wie eenmaal, geboeid geraakt door Jeopardy, aan de rest van het oeuvre van deze man en deze band begint, zal zeker nog veel verrast worden, maar veel kans niet meer afhaken.

The Sound - Thunder Up (1987)

poster
5,0
Uitstekend album.

The Sound heeft mij nooit teleurgesteld. Zowel in hun donkere new wave periode (Jeopardy, From The Lion's Mouth) als hun wat commerciëlere platen (Shock of Daylight, Heads and Hearts) waren ze altijd briljant. Ik kan keihard uit mijn dak gaan van Missiles, wat toch echt wel tekenend is voor die begin '80 periode waarin de spanningen van de Koude Oorlog ook in de muziek doordrongen, maar tegelijkertijd kan ik ook geëmotioneerd raken door Counting The Days, wat toch wel duidelijk gemaakt is om bekend te worden bij een groter publiek. Ook bij hun meer hitgerichte nummers kreeg ik nooit het gevoel dat The Sound hun stijl verloochende om een hit te kunnen maken (wat ik wel had bij bands zoals Genesis). Het klonk nooit gemaakt, maar altijd oprecht. Vandaar dat ik ook echt niet snap dat The Sound nooit wat groter is geworden. Het is een band die alles heeft. Tussen wereldberoemde duo's zoals Lennon-McCartney, Jagger-Richards, Page-Plant wat uitstekende samenwerkingen waren, past ook het duo Adrian Borland-Colvin Mayers. De hele band is geweldig, maar zij vormen toch wel echt het centrum. Want wat die twee samen weten te maken: ongelofelijk. Mooi ondersteund door Bailey en Dudley, maakt dit een perfecte band.

Thunder Up is een stap terug na het commerciëlere Heads and Hearts. Een stap terug qua hitgerichtheid, maar niet qua muziek. Ik was eerst niet zo ondersteboven van Thunder Up als ik nu ben. Nu schaar ik het onder From The Lion's Mouth wat betreft mijn favoriete Sound-albums.

Mijn eerdere recensie is gebaseerd op de nummers die ik het meest luisterde toen ik de plaat alleen nog op iTunes had staan. Toen ik de plaat eenmaal fysiek had en hem helemaal in de bedoelde volgorde begon te luisteren, realiseerde ik me dat Thunder Up niet een bepaalde stemming had, zoals ik mijn eerdere recensie beweerde.Thunder Up is wat dat betreft wel een vreemde plaat. De plaat kent niet een bepaalde stemming. Veel platen die ik ken hebben een algemene stemming (vrolijk, triest, kwaad), bij Thunder Up is dat niet. De plaat begint heel optimistisch en vrolijk met Acceleration Group en eindigt in diepe depressie en snijdende pijn met You've Got A Way

Uitstekend album. Acceleration Group is een heel leuk nummer met een geweldige tekst.
Bijvoorbeeld deze regel:
You rip apart the extremes try to fit them in your in betweens
but we want no part of it, we just don't want to fit


En dan Hand of Love. Echt zo'n zwoel liefdesnummer. Daar ben ik normaal nooit echt fan, maar Adrian doet het hem weer. Hij brengt het op zo'n manier dat het me diep raakt. De hele eerste kant is eigenlijk geweldig (Kinetic is geniaal). Enige minpuntje is Iron Years. Dat vind ik net iets te gelikt, iets te braaf. Ik had liever Shimmer ipv van Iron Years op het album gehad (of nog beter: allebei). Iron Years heeft zijn mooie momenten, maar over het algemeen hou ik er niet zo van. Gelijk ook het enige mindere nummer van de plaat en een van de weinige mindere van The Sound in het algemeen.

Tweede kant: Prove Me Wrong. Ook een heel mooi nummer met een prachtige gitaarsolo. Kort maar krachtig. Dan het donkere Shot Up and Shut Down. Heerlijk donker geluid. Basmelodietje lijkt op The Doors gebaseerd te zijn (When The Music's Over). Dat Doors-geluid herken ik ook terug in I Give You Pain. Web Of Wicked Ways vond ik eerst iets te gemaakt; nu vind ik het een heel mooi nummer met een aparte sfeer, anders dan andere nummers. De laatste twee zijn echt geniaal. Soms tegen het goddelijke aan. I Give You Pain is teneergeslagen en triest, maar het is zo mooi. Dat instrumentale stuk van I Give You Pain: ik krijg het dan weer warm van, dan weer koud, ik ga zweten. Zo krachtig, zoveel emotie. Een van de mooiste climaxen die ik ooit heb gehoord.

En dan You've Got A Way. Geweldig!!!! Een van de briljantste nummers die ik ooit heb gehoord. Ik meen het als ik zeg dat ik dit bovennatuurlijk mooi vindt. Wederom een briljante tekst.

You won't sit round my bed, I send you away
You're not for me I said


Dat gecombineerd met het zware doemgeluid. Een nummer vol met schuldgevoel, triestheid, pijn. In het nummers is ook heel goed te horen hoe goed de band op elkaar ingespeeld is. Niemand doet overdreven, er is een perfecte balans. Dat is vooral te horen bij Adrian Borland en Colvin Mayers (o.a. vandaar mijn opmerking daarboven) want die zetten me daar iets geweldigs neer. De jankende, snijdende gitaarsolo (een van de mooiste solo's die ik ken) wordt perfect ondersteund met Mayers' keyboardspel. Adrian en Colvin begrijpen elkaar op dat moment volledig. Ze smelten samen tot een geest en zetten daarmee de climax neer van dit perfecte nummer. Adrian speelt zijn solo, Colvin zet een briljante begeleiding neer. Terwijl ik met mijn koptelefoon de kunsten van deze band aanhoor, ontstijg ik mijn muziekstoel. Ik verlaat de muziekkamer en ben heel even bij Adrian en Colvin. Als het afgelopen is tril ik nog wat na. Onder het zweet, diep geraakt. The Sound heeft zijn pijl in mijn hart geschoten.

Colvin Mayers zou in 1992 overlijden aan Aids; Adrian Borland maakte in 1999 een eind aan zijn leven, maar als ik hun platen luister, en dan vooral You've Got A Way, zijn ze weer even in leven. Ze zijn dood, maar dat briljante muziekstuk hebben ze samen neergezet, en dat zal blijven. Het nalatenschap van deze geweldige band zal nooit verdwijnen en een deel van Adrian en Colvin leeft voort in mijn platenkast.

Tori Amos - Little Earthquakes (1992)

poster
4,5
Tori Amos - Little Earthquakes

Hoewel hij bij mijn muziekminnende vrienden een discutabele reputatie heeft, staat de top 2000 bij mij thuis dagelijks op naarmate de jaarwisseling dichter in de buurt komt. Naast de nodige 'guilty pleasures' staat er natuurlijk heel veel moois in de lijst en een daarvan - een nummer dat ook op mijn stem kon rekenen - is Winter van Tori Amos. Op het moment van schrijven was het nog een paar uurtjes wachten voordat dit pareltje de revue passeerde.

In de top 2000-sfeer van non-stop muziek is het natuurlijk ook heerlijk om even van het gebaande pad van de toplijst af te wijken, op basis van wat er langs is gekomen of nog langs moet komen. Bij het verheugen op Winter bedacht ik me ineens weer van wat voor prachtalbum het liedje afkomstig is. Want ook al is het volkomen terecht dat uitgerekend dit nummer sinds jaar en dag al in de top 2000 staat: Little Earthquakes staat vol met dergelijke schoonheid en Winter is zeker niet het mooiste wat de debuutplaat van Tori Amos te bieden heeft.

God ja, Tori Amos... Door het rappe tempo waarmee je tegenwoordig muziek kunt ontdekken lijkt het al lang geleden dat ik haar ontdekte en kan ik al met misplaatste nostalgie over dit album praten. Maar het is slechts een paar jaartjes geleden dat ik voor het eerst van deze vrouw hoorde. Haar tweede cd, Under The Pink, staat al jaren bij mijn vader in de kast, maar dat album heeft me omwille van zijn hoes nooit getrokken (inmiddels wel natuurlijk!). Ik zocht er door die hoes altijd Celine Dion-achtige praktijken achter - en die indruk projecteerde ik gelijk over de naam 'Tori Amos' heen. Soms ben je nog niet rijp om iets te ontdekken.

Vier jaar terug drong een andere muzikale verliefdheid mijn dagelijks leven binnen: ik was toen een paar maanden helemaal in de ban van Björk. Bij vrouwen heeft zo'n muzikale liefde voor mij altijd nog iets extra's. Het is alsof mijn ziel heftiger reageert op het horen van een mooie vrouwenstem en daar op een vergelijkbare wijze verliefd op wordt als wanneer ik 'gewoon' verliefd ben. Björk was het in ieder geval helemaal, en net als iedere verliefde, wilde ik de hele tijd bij haar muziek zijn. Gulzig werkte ik me pijlsnel door haar repertoire heen. Maar in deze muzikale verliefdheid was vreemdgaan niet echt een probleem, waardoor ik ook op zoek naar ging naar muziek van een vergelijkbare schoonheid. Op dat moment kwam ook de naam 'Tori Amos' weer naar voren.

In een interview uit de jaren negentig werd ze in een adem genoemd met Björk en PJ Harvey - ook geen onverdienstelijke dame. Dus besloot ik Amos nog een kans te geven, te beginnen met wat alom wordt gezien als haar meesterwerk: Little Earthquakes. In mijn eerste pogingen om tot Tori's wereld door te dringen, liet ik mij leiden door kleine flarden van fascinatie. Doordat een bepaalde titel of een verhaal mij intrigeerde. Het verhaal achter Me And A Gun fascineerde meteen. De nummers Silent All Those Years en Mother beluisterde ik regelmatig via mijn iPod en die lieten me zeker niet onberoerd; Mother vond ik zelfs bijzonder mooi.

Die zomer kocht ik Little Earthquakes op een cd-markt voor een paar euro. Ik had wel in de gaten dat het een koopje was en mijn vooroordeel over Tori Amos was inmiddels weg. Ook door de hoes: op Little Earthquakes zag ze er niet uit als een popdiva, maar had ze iets kinderlijks, zoals ze daar gehurkt zat in een te kleine kist. Ze zag er op die hoes veel interessanter uit... Maar veel meer aandacht schonk ik dat jaar niet aan Tori. Misschien was ik daarvoor nog wat te verliefd op Björk. Soms ben je nog niet rijp om iets te ontdekken.

Maar Little Earthquakes was nooit voorbestemd om stof te verzamelen. Ze lag de paar jaar die volgden in mijn muziekverzameling te wachten. Totdat ik een keer behoefte had aan iets nieuws. Iets nieuws, waarvan ik wel al wist dat het de moeite van het luisteren waard zou zijn. Twee jaar terug - rond deze periode - besloot ik weer eens een poging te wagen en deed ik het album in mijn cd-speler. En het kostte niet veel draaibeurten voordat ik smoor was op Tori.

Wat het hem deed? Deels blijft dat voor mij bij iedere topplaat een mysterie. Natuurlijk zijn er vanzelfsprekende ingrediënten aan te wijzen. De goed gecomponeerde liedjes, de eigenzinnige teksten, de perfecte spanningsboog die de cd heeft... Uiteindelijk is het een samenkomst van al die elementen, maar net als bij een echte verliefdheid is de oorzaak als geheel groter dan de som der delen - en daarom is iedere poging om het uit te leggen gedoemd te mislukken.

Vooruit dan: Tori's zangkunsten zijn een wereld aan schoonheid op zichzelf. Er zijn van die albums waar ik de muziek met liefde en plezier nog een keer zou kopen als het gehele album a capella uitgebracht zou worden. Jeff Buckley's Grace is er zo eentje; London Grammar is een recenter voorbeeld. Maar ook Tori's Little Earthquakes getuigt van zoveel vocale schoonheid dat het mij - afgezien van de prachtige instrumentale begeleiding - al genoeg kippenvel bezorgt als ik naar de pure geraffineerde details in haar zanglijnen luister.

Het zit 'm in de soepelheid waarmee ze wisselt van emotionele intensiteit. Haar zang is soms zwoel, op het lijzige af. Vaak gecombineerd met een spottende toon in de tekst (Crucify, Girl) om vervolgens in het refrein aan te zwellen in intensiteit. Ook in die intense uitspattingen heeft Tori meerdere registers in huis. Wanneer ze zich over haar noodlot beklaagt in Man With A Gun gaat dat met een grote kwetsbaarheid en een zekere trots, maar in andere nummers klinkt ze eerder snerend (Girl, Precious Things).

Tussen al dat moois, is klassieker Winter zeker fraai; het pleit juist voor het album dat dit nog niet het beste nummer is. Maar die eer komt voor mij dan nog eerder Mother toe, om de simpele reden dat Tori hier alles met zang en piano doet. Over verschillende registers gesproken: ongelofelijk knap hoe Tori zo veel dynamiek en spanning weet te leggen in haar pianospel. Een ingetogen en heerlijk uitgesponnen intro, aanzwellende akkoorden in de coupletten en een prachtig 'open einde'. Waar Winter me met zijn orkestrale bombarie een beetje is gaan tegenstaan, vind ik Mother van de eerste tot de laatste minuut goed. Ik ontdekte het als nummer al eerder, maar het is met de ontdekking van de rest van het album fier overeind gebleven.

En nu - terwijl ik dit aan het schrijven ben - valt het me op dat Mother ondanks alle lof niet bij mijn drie aangemerkte 'favorieten' hoort (drie favorieten is ook te weinig bij zo'n album). Want Mother wordt opgevolgd door een nummer waar ik een enorm zwak voor heb. Tear In Your Hand is hierboven als poppy - en daarom als minder - omschreven, maar hoewel dat poppy gedeelte zeker waar is, blijft dit een nummer waarbij je me na afloop op kunt vegen. De 'hook' in de pianopartij maakt het een van de toegankelijkere nummers, de tekst is (haast) 'cheesy'. Maar daar zit dan ook ineens een briljante zin bij als 'I don't believe you're leaving 'cause me and Charles Manson like the same ice cream'.
....
Charles Cross schreef ooit over Kurt Cobain dat diens liedregel 'I wish I could eat your cancer when you turn black' een van de origineelste regels was om 'I love you' te zeggen. Bij deze wil ik in die categorie bovenstaande regel uit Tear In Your Hand nomineren als een van de origineelste regels om uit te drukken dat iemand om de ware redenen heen draait bij het uitmaken van een relatie... Het is wat dat betreft een regel die Cobain ook had kunnen schrijven.

En dat alles draagt Tori met haar haast lijzige zangstem voor: berustend, sarcastisch en toch ook gekwetst. Om vervolgens in de bridge de intensere hoogtes van haar stembereik in te klimmen. Ja... die korte stilte na 'Time to wave goodbye now...' waarna het laatste couplet volgt, is ongelofelijk cheesy, maar verdomd aangrijpend en - om er niet omheen te draaien - ontzettend romantisch. Ik smelt er gewoon bij weg. Het is pure pop op zijn Tori's uitgevoerd en hoewel het deels een guilty pleasure is, kan ik gerust zeggen dat ik Tear In Your Hand een van de beste nummers van Little Earthquakes vind. Het nummer neemt me iedere keer weer vier minuten lang mee naar een geheel eigen wereld en dat is iedere keer weer te kort. Tori had me zodra ik haar dit nummer hoorde zingen. Ik wilde gelijk al mijn Björk-cd's de straat op gooien

Eenzelfde zwak heb ik voor China. Wederom: ontzettend cheesy te noemen. Het nummer lijkt haast weggelopen te zijn uit de soundtrack van Twin Peaks. Alsof het popmuziek is uit een wereld die maar heel lichtjes - maar wel merkbaar - verschilt van de onze. Er zijn te weinig nummers in die subtiele tussencategorie en daarom is China zo'n welkome toevoeging aan dit fenomenale album. De tekst gebruikt het concept 'China' op het foute af in verschillende betekenissen als metafoor. Zet er andere muziek onder en het zou aanvoelen alsof het uit het poëzieboekje van een melodramatisch ingestelde puber komt, maar door dat mystieke Twin Peaks-achtige aura krijgt het iets onvergetelijke mee. Iets wat geleidelijk aan onder mijn huid is gekropen.

Liefde maakt blind... Guilty pleasures die Michelangelo's worden... Hoe bestaat het? Maar ik ben zo blij dát het bestaat. Het is een heerlijk gevoel om als kritische muziekliefhebber naar iets te luisteren wat je 'cheesy' 'cliché', 'fout' 'oversentimenteel' - noem maar op - zou kunnen noemen, maar wat je desondanks toch in hart en ziel weet te raken. Het is een balanceeract die niet veel artiesten aankunnen en het is een bewijs van Tori's talent dat ze dit weet klaar te spelen. Het helpt natuurlijk ook dat Tori een begenadigd pianiste en zangeres is. En laten we wel wezen: het merendeel van dit album is natuurlijk kunst met een hoofdletter K.

Toch ben ik ook weer niet op alle nummers even blind verliefd. Bij Me And A Gun doet zich zelfs een tegenoversteld effect voor. Door het achtergrondverhaal en de moedige a capella uitvoering wil ik het nummer haast niet 'minder' vinden. Toch betrap ik me er bij iedere luisterbeurt van Little Earthquakes op dat dit het enige nummer is waarbij ik een behoefte voel om te skippen. Deels omdat ik me er ongemakkelijk bij voel; dat pleit natuurlijk alleen maar voor de kwaliteit van het nummer. Maar deels vind ik het ook te langdradig. Het voelt iedere keer weer als een nummer waar ik doorheen moet. Het komt eigenlijk alleen - en dan slechts in bepaalde gevallen - tot zijn recht als ik het op de koptelefoon luister. Met alle aandacht voor de tekst en de nachtmerrie waar die je in meeneemt:

I haven't seen Barbados, so I must get out of this... rillingen over m'n rug...

Maar ik werd niet verliefd op Tori doordat ze cheesy pop maakte waar ik me niet voor schaam, of doordat ze aan cathartische performance-art doet. Wederom: som der delen. Het is het feit dat ze al deze dingen op een album zet en er vervolgens een lied tussen kan gooien wat me mezelf er haast voor doet schamen dat ik die eerdere etiketjes op haar muziek durfde te plakken.

Met zo'n nummer eindigt ze ook, want potverdorie, wat is het titelnummer Little Earthquakes toch ontiegelijk goed. Een klaagzang over een liefde die op de klippen loopt... Het is niets nieuws. Mijn heldin Björk maakte er een album over dat nog steeds in mijn top 10 prijkt, waar al die vertwijfeling theatraal ten gehore wordt gebracht. Maar Tori Amos leek er maar een nummer voor nodig te hebben om alle belangrijke facetten te belichten.

Dat haar relatie uit die periode nog twee jaar zou duren, is bij het horen van dit nummer - ervan uitgaande dat het autobiografisch is - een wonder te noemen. Hier is geen vuiltje aan de lucht, maar een dreigende donderstorm. Alles wordt uit de kast getrokken. Filmische scènes - schaamteloos dansend op kerkhoven tot de ochtendzon opkomt - worden met de grauwe wolken van retrospectie bedekt. Alle romantiek is tot tragedie verworden. Alle vocale registers zitten in dit nummer: het lage begin, dan die pijnlijk plotselinge trek omhoog. Om in het refrein - als je het al zo kunt noemen - te verzuchten:

Oh these little earthquakes... it doesn't take much to rip us into pieces

Vuige rock richting de climax - smekend: hoe kan ik je nog bereiken - dan een plotselinge ommekeer - haast als een gebed:

Give me life, give me pain, give me myself again

Op het laatst is het een en al de betovering van Tori waarin ik zweef. Een hypnotiserende zanglijn die haast behekst. Ze hamert op de pianotoetsen als een bezetene en het is een bezetenheid waarin ik haar graag volg. Iedere keer weer. De perfecte storm.

Nadat die storm een aantal keer was geluwd, wist ik wel beter dan dat Tori Amos een soort Celine Dion was die goed aanstekelijke 'guilty pleasures' kon schrijven. Tori heeft alles onder controle. Ze kan zoete popmuziek schenken op een manier die me beklijft, maar ze kan evengoed een storm in mijn oren losmaken, waarvan alleen zij bepaalt wanneer die weer gaat liggen. Ze kan Nirvana coveren op een manier die je op een katerige zondagochtend kunt verdragen, maar ze kan je evengoed overvallen met vuige rock, waarbij diezelfde Nirvana even lijkt te verbleken.

Ik ben meerdere malen bezweet uit die stormen gekomen. Alsof ik een marathon gerend had door een hele andere wereld als waarin ik Crucify had aangezet. Met weinig meer gedachten in mijn hoofd dan het verlangen om weer terug te gaan naar die vreemde wereld - Tori's wereld. Vlinders in mijn buik: verliefd en verslaafd. Soms ben ik nog niet rijp om iets te ontdekken, maar het is goed om te weten dat er albums zijn die op je liggen te wachten. Kleine aardbevingen die - als de geest eenmaal uit de fles is - je wereld goed door elkaar kunnen schudden.