Titelnummers zijn erg leuk! Hier hoor je als luisteraar autoriteit in de bassectie van Charlie Haden (zoals we dat nu kennen bij bijvoorbeeld Adam Lane). Coleman is hier te vinden op viooltje. Klinkt beetje komisch maar de sfeer zit goed.

Vooral in dat eerste nummer waarin er vele mensen mee komen zingen zodat er een soort gospel-vibe ontstaat.
De ritmetandem van Haden en Blackwell is zoals meestal weer om de vingers van af te lekken, zo coherent. Ondanks het eenvoudig en herhalend gepluk van Haden in sommige stukken, kan die zo'n geweldig geluid ontfutselen (dankzij de juiste houding en accenten) waar elk bassist - ik spreek in ieder geval voor mezelf - van kan dromen. Een simpele noot klinkt daardoor niet plat of gezapig maar komt er zo rijk uit: als een schilder die met een eenvoudige strijk het juiste karakter/ nuance uit zijn borstel krijgt. Zo'n meester naar de achtergrond wegcijferen is gewoon iemand onrecht aandoen. Iets wat Coleman gelukkig ook niet deed door de contrabas niet louter als ondersteunend element in zijn muziek te gebruiken (met Lonely Woman als bekende bewijs).
Een typisch Coleman riedeltje komt uiteindelijk bovendrijven in "Long Time No See", met een lyrische toets in de blaasstijl. Ook "Tomorrow" is vrij avontuurlijk en daardoor interessant. Maar Coleman blijft helaas niet over de ganse rit boeien. Desondanks enkele leuke momenten, vooral dankzij de mede muzikanten.