MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Supernormal als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Darius Jones Trio - Big Gurl (Smell My Dream) (2011)

poster
4,5
Eén van mijn grote ontdekkingen van vorig jaar? Darius Jones. Ik kende hem al als altsaxofonist bij het krijsende jazzcollectief van Little Women (luister het album ‘Throat’) maar wist niet dat hij ook straf was als bandleider/schrijver. Straffer zelfs.

Zijn manier van spelen heeft iets onelegant, bijna naïef maar het effect is bijzonder expressief. Darius Jones gaat terug naar de rauwe, bluesey klanken, bekend van Ayler en Shepp. Toch is zijn uitwerking heel anders. Hij kronkelt zich door het metrum van de muziek en blaast nooit volgens de zuivere Westerse harmonieleer. Dat zorgt ervoor dat er heel wat dissonanten bovendrijven die zich soepel door de muziek banen of noem het eerder ‘swingen’. Echt een frisse wind in het jazzlandschap zijn stem!

Een klaagzang die niet meteen pakt maar wel enorm fascineert om uitvoeriger te gaan beluisteren. Nadien valt alles op zijn plaats en is Jones’ lyriek hoogst verslavend.

Op deze plaat is Darius Jones met mijn geliefde bassist Adam Lane te horen. Achter de drums zit Jason Nazary, die ook deel uitmaakt van Little Women. Jones lijkt in deze trilogie – bestaande uit de albums Man’ish Boy, Big Gurl en tenslotte Book of Mae'bul – zijn gastmuzikanten constant in te ruilen (in zijn volgende plaat bv. met Ches Smith, Trevor Dunn & Matt Mitchell). Waarom hij dit doet is met niet helemaal duidelijk. Wellicht heeft het te maken met het feit dat hij zichzelf als solist vooral op de kaart wil zetten van de internationale jazz. Daar slaagde hij al meteen in vanaf zijn eerste album want dat werd laaiend enthousiast ontvangen in zijn thuishaven New York – en dat blijft tot op heden (en na mijn ervaringen van vorig jaar 100% terecht) het epicentrum van de internationale jazzscene. We mogen er bijgevolg vanuit gaan dat we nog véél meer gaan horen van deze forsgebouwde, zwarte man.

Dave Douglas - Charms of the Night Sky (1998)

poster
4,0
Fantastische plaat! Werd onlangs getipt door basklarinettist Joachim Badenhorst in een radioprogramma op Klara. Zeer ingetogen muziek, met invloeden uit de volksmuziek. Aan de line-up kan je ook al wel enigszins verwachten dat het geen tien in een dozijn plaat zal worden:

Dave Douglas: trumpet
Mark Feldman: violin
Guy Klucevsek: accordion
Greg Cohen: acoustic bass

Er zit veel variatie tussen de nummers maar ze ademen allemaal wel wat dezelfde rustige/ontroerende sfeer uit. Vooral 'Dance in Thy Soul' is ronduit prachtig, waarvan ik het thema onmiddellijk wilde spelen op mijn contrabas. Als je vervolgens je Penguin-guide jazzbijbel erbij neemt en de lyrische recensie leest, begin je er toch meer en meer in te geloven dat er zoiets bestaat als een universele muzieksmaak die het kaf van het koren kan scheiden.

David S. Ware Quartet - Godspelized (1997)

poster
4,5
Freejazz zoals de traditie het voorschrijft, met min of meer afgesproken routes en thema’s. De saxofonist kiest meestal voor een bepaalde richting in zijn improvisaties waardoor ze niet gefragmenteerd of chaotisch overkomen zoals dat bijvoorbeeld bij Charles Gayle het geval is. Die laatste gaat ook altijd voluit op de gaspedaal staan, maar dit is toch helemaal anders. Door zijn lange, duidelijke - soms ook lyrische - lijnen is de muziek van David S. Ware nog vrij goed te volgen en voelt het niet aan als “razen” door de registers.

Mede door de smaakmakende toevoegingen en ‘hints’ van Matthew Shipp worden er melodische toetsen geïnjecteerd in het pallet. Daardoor wordt het geluid volkomen volumineus: zowel verticaal als horizontaal. Zijn akkoordenclusters hebben daar zeker ook een aandeel in. Het is opmerkelijk hoe de twee op elkaar zijn ingespeeld en elkaar stimuleren in hun improvisaties. De manier van blazen van de bandleider is ook zeer gevarieerd. Meestal de karakteristieke ronde tenorklank, maar soms ook schriel en tierend naar het einde van het album toe. Toch steeds heel eigen, met een gekarteld randje.

De ritmesectie is degelijk, maar trekt nergens echt de aandacht naar zich toe vind ik. Wat op zich niet echt een probleem is, aangezien ze tussen twee redelijk ‘innemende’ muzikanten staan. Susie Ibarra ken ik via Zorn. Levert inderdaad goed werk hier. Ze zijn beide niet echt dominant of eigenwijs, vooral volgzaam, maar zeker niet passief. Ze voorzien ruimte en leggen accenten waar nodig. En ja… William Parker maakt de line-up alleen maar legendarischer.

Monumentale plaat, waarmee dit kwartet de luisteraar trakteert op hun ‘finest hour’.

David S. Ware Quartet - Live in Vilnius (2009)

poster
3,5
Aardig album van deze verdienstelijke saxofonist (die vorig jaar trouwens stierf). Het heeft enkele briljante stukjes, maar evengoed een aantal zo-zo stukken waardoor ik uiteindelijk een matige (niet slecht, maar zeker ook niet geniaal) indruk krijg. De verwoede pogingen van de man om zich hier als overheersende bandleider te laten gelden zijn niet altijd geslaagd want de echte held van dit album is hier naar mijn gevoel Matthew Shipp. En ja... de boel laten opknappen door een ander kan volgens mij niet echt de bedoeling zijn.

De sfeer van het album zit in elk geval goed. Vanaf de intro bewerkstelligen de heren een zekere spanning die tot de laatste minuut in zekere zin blijft doorlopen - al mocht de hele opname van mij wat ingeperkt tot iets van een 50-60 minuten.

In dat eerste nummer stromen de spirituele blaaslijnen en laat Ware zich dikwijls van zijn uitstekende kant horen: gematigd en in groep. Soms steekt hij een klaagzang af en klinkt hij heel expressief. Deze rustigere passages weten me vooral te ontroeren. In dat openingsnummer grijpt hij echter ook geregeld naar schrille klanken uit de hoge registers en is het Shipp die ze hier mooi kadreert door ze te laten contrasteren met zijn lage akkoorden.

Het tweede nummer heeft een mooi thema, vooral als de tenorsax van Ware komt bovendrijven op de breed uitgesmeerde pianoakkoorden. Soms heb ik wel het idee dat hij als blazer er te hard wil invliegen en met zijn energie de echte diepgang, die dit soort muziek kan hebben, wat afremt. Vergeleken met Coltrane bijvoorbeeld loopt dit toch een stuk minder natuurlijk.

In zijn solos ('Lithuanian Whirl') vind ik hem eigenlijk gewoon niet boeiend genoeg. Hoewel hij me in zijn groepsmeditaties wel weet mee te trekken. Springt eruit: Sun Ra's nummer 'The Stargazers', waarin William Parker een mooi bas ostinato serveert en Shipp in zijn karakteristieke hoge regionen clusters tast. Fantastisch stukje muziek hier, ook als Ware mee komt musiceren. Meer van dit soort hoogtes hadden op dit album niet misstaan.

Derek Bailey - Improvisation (1975)

Alternatieve titel: DIVerso N.2

poster
4,0
Knappe plaat! Niet eentje om dagelijks op te zetten maar bij momenten kan dit zeker als een welkome afwisseling dienen. Dit album is namelijk goed voor een nieuw paar oren. Derek Bailey (gitaarvirtuoos) is hier solo te horen in allerlei korte improvisatiestukjes die elkaar opvolgen. Hij graaft merkelijk in de klankmogelijkheden van zijn instrument.

Dat doet hij aan de hand van extended techniques en allerlei minder gangbare speeltechnieken. Daardoor klinkt zijn gitaar soms bijna als een harp of als de geluiden die Yagi Michiyo uit haar koto haalt. Bailey breidt de grenzen van zijn instrument maximaal uit en ja... dan krijg je een lekker abstract brokje muziek om je tanden in te zetten.

Dewan Motihar Trio / Irène Schweizer Trio / Manfred Schoof / Barney Wilen - Jazz Meets India (1967)

poster
3,5
Interessante samenwerking tussen de Europese avant-garde en een resem Indische muzikanten. Moet redelijk innovatief zijn geweest destijds, toen dit uitkwam. Moest ik dit horen zonder voorkennis zou ik dit ergens eind jaren '70, begin jaren '80 geschat hebben. Het begin is nog enigszins conventioneel (nu althans), maar naarmate de tijd weg tikt wordt het beter en beter. 'Yaad' is een kort maar heel mooi nummertje met Motihan's solerende zanglijnen en de muzikanten die op een subtiele wijze hun klankkleuren mengen in het pallet op de achtergrond. En dan komt uiteindelijk de pièce de résistance qua improvisatie, met 'Brigach and Ganges' waarin de muzikanten werken naar een climax. Schweizer en Schoof laten hier horen wat ze in hun mars hebben.

DKV / Gustafsson / Nilssen-Love / Pupillo - Schl8hof (2013)

poster
2,5
Het eerste nummer 'This Building is On Fire' is funky, speels en zit vol groovy melodielijnen van Vandermark. Hier horen we het trio in topvorm: erg fris en toch energiek. 4*-4.5*

Maar dan komen ze op het idee om er artiesten als Gustafsson en Pupillo bij te halen .... en dan zakt de boel in tot platvloerse jazz van het eerste uur, waarin alle muzikaliteit wordt weggeblazen. Van zo'n dingen word ik bijzonder triest. Lawaai maken om lawaai te maken. Niet luisteren en altijd maar dezelfde oninteressante klanken blazen - liefst nog zo hard als het kan. Heeft Gustafsson iets te compenseren? Beluister hier de meest overgewaardeerde saxofonist van de moment! 0.5*

Compromis: 2.5*

Don Byron - Bug Music (1996)

poster
4,5
Inderdaad een bijzonder amusante plaat! Lang geleden nog zo intens genoten van een album.

Don Byron haalt de typische oude swing-jazz van The Raymond Scott Quintette, John Kirby & His Orchestra en The Duke Ellington Orchestra van onder het stof en maakt er een heerlijk feestwerkje mee. De klarinet blaast naast een resem koperblazers genietbare hoempa-figuurtjes die heel cartoonesk overkomen. Zo zou 'Bounce of The Sugar Plume Fairy' ook een nummertje van Star Wars' Cantina Band kunnen komen. Toch is het vooral de uitvoering en de heldere productie die zijn vruchten afwerpt. Alleen met de juiste muzikanten (Uri Caine aan het klavier bijvoorbeeld) krijg je zo'n ongezien speels resultaat dat krachtig uit de verf komt.

Onontbeerlijk in een jazzcollectie als je het mij vraagt en wellicht zelfs geschikt voor kleine kinderen! 4* met veel kans op verhoging. Nog even laten rijpen en zien wat er nog in te ontdekken valt.

Don Cherry - "Mu" First Part (1969)

poster
4,5
Vooral in't begin, als je hem nog niet goed kent, is Don Cherry een heet ijzer om aan te tasten. Zijn stukken zijn zelden gratuit wat grotendeels komt omdat hij zo fel verschilt met zijn collega muzikanten uit die periode. Zoals hierboven al werd opgemerkt is er iets exotisch en werelds te ontdekken in Cherry's muziek wat hem inderdaad linkt met figuren als Sun Ra of Pharoah Sanders.

Op zijn volgende album 'Organic Music Society' licht hij het anker van de Westerse muziek tenslotte volledig en trekt voluit richting ethno jazz: Oosterse , Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse muziek. Alles komt aan bod en moet plaats maken voor de absolute beleving. Zelfs zijn karakteristieke trompetgeluid is haast nergens te bespeuren.

Genoeg gezeverd over OMS, terug naar dit album (want dit vind ik eigenlijk beter): op 'Mu' is Don Cherry dus ook multi-instrumentaal en multicultureel bezig maar houdt het toch eerder jazz georiënteerd. De muziek klinkt ongelofelijk vooruitstrevend. Zijn improvisaties zijn zo ad rem en instinctief dat je er kippenvel van krijgt. Je kan de Amerikaan nooit betrappen op eenvoudige formules: steeds lijkt hij te zoeken naar spirituele mantra's die de eenvoudige riedeltjes overstijgen.

Cherry's stem is energiek, maar niet gejaagd. Nergens rijst een gevoel van krachtpatserij. Iets wat ook kan gezegd worden van zijn rechterhand en één van de beste jazzdrummers aller tijden: Ed Blackwell. Deze ritmische motor weet zijn compagnon overal in mee te stuwen en te ondersteunen. In de op zich al erg gevarieerde blaaslijnen, brengt hij daarbovenop nog eens zoveel dynamiek in het pallet waardoor de muziek super expressief en samenhangend overkomt.

Ik ben in ieder geval fan. De muziek van deze twee legendes is zoveel meer dan de som der delen. Dit type jazz overstijgt het genre, aangezien het instrument meer als medium gezien wordt. Het duo lijkt zonder grenzen te improviseren. Weinig artiesten evenaren het niveau van deze man. Wie een equivalent zoekt probeert best bij Joe McPhee of misschien zelfs eerder bij Rob Mazurek. Verplichte kost voor elke jazz liefhebber.

Don Cherry - Complete Communion (1966)

poster
4,0
Het eerste album van Don Cherry als bandleider. Allebei de delen kunnen opgedeeld worden in vier nummers die vlotjes in elkaar doorlopen. Dit moet als luisteraar in die tijd even slikken geweest zijn bij het horen van deze - toch wel vrij - abstracte composities. De ondersteuning gebeurt door Blackwell en Grimes terwijl Don Cherry in de frontlinie staat met Gato Barbieri (een onbekende tenorsaxofonist die goed naar Coleman lijkt geluisterd te hebben). Complete Communion is een veeleisend album waarin elk artiest loskomt van het vaste stramien en mee probeert op een eigen manier aan te vullen. Het klinkt soms wat zoekerig en dikwijls lijkt het alsof de artiesten geen einddoel voor ogen hebben. Iets meer houvast en eventueel ook wat meer ademruimte had hier wellicht beter gewerkt.

Don Cherry - Where Is Brooklyn? (1966)

poster
4,0
Gewoonweg heerlijk album van Cherry en meteen zijn laatste werk voor Blue Note. Pharoah Sanders op tenor scheurt lekkerder dan ooit (misschien soms zelfs wat in het ongewisse) en op elk nummer wordt er zowat gewerkt rond lichtzinnige riedeltjes die goed blijven hangen. Dit in schril contrast met zijn eerste werk 'Complete Communion' dat net iets te intellectueel en voor mij toch een beetje overroepen is. De improvisatie van Cherry werkt in ieder geval tien keer beter in dit soort compacte stukken dan in die ellenlange sessies die op den duur stevig gaan vervelen en waar je in verdwaald geraakt.

De twee blazers die dan aangevuld worden door twee gelauwerde muzikanten - Blackwell & Grimes - die voor de nodige punch zorgen, maken van dit album één om regelmatig op te zetten. Wat een geweldige drummer is die Blackwell toch. Heel de tijd andere ritmes liggen meppen en vrijwel nooit op voorspelbare stukken kunnen betrappen. Held!

The Thing is een nummer waarvan de huidige band van Mats Gustafsson zijn naam ontleend. Een herwerkte versie van Awake Nu is overigens op hun debuut te horen.