MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Earlyspencer als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

David Bowie - Changesbowie (1990)

poster
4,0
In het olympische jaar 1992 begon ik als 16-jarige mijn zuurverdiende centen stuk te slaan op cd’s. In dat pre-Napster-tijdperk waren compilaties voor mij dé manier om kwantiteit met kwaliteit te verenigen. Hoewel ik tegenwoordig – noem het gerust uit cultureel snobisme – neerkijk op verzamelalbums, waren ze toen voor mij onmisbaar. Met een budget van twee cd’s per maand bouwde ik gestaag aan een collectie: van o.a. Queen, de Stones, Eurythmics, Doe Maar, Deep Purple en Led Zeppelin. Bij wijze van uitzondering kocht ik studiowerk van U2, Pink Floyd en Metallica.

Twee redenen waarom ik met dit lijstje kom aandraven: 1. Ik ben best trots op mijn pubersmaak van toen. 2. Een aantal vermelde artiesten traden op tijdens het Freddie Mercury Tribute Concert in datzelfde 1992. En zo kom ik uit bij Bowie, die in Wembley Stadium het Onze Vader prevelde en met Annie Lennox en drie Queen-overlevers 'Under Pressure’ ten gehore bracht. Daarnaast kende ik nog enkele collaboraties van de man zoals ‘Tonight’, ‘Dancing in the Street’ en het wonderschone ‘This Is Not America’. Van z’n solowerk kende ik toen enkel de singles ‘Let’s Dance’, ‘Day-In Day-Out’, ‘China Girl’ en het op mezelf erg toepasselijke ’Absolute Beginners’. ChangesBowie opende m’n ogen en vooral m’n oren voor zijn magistrale werk uit de jaren ’70. Deze duizendpotige kameleon was meer, veel meer dan een hitmachine. Voor die openbaring, en ook uit nostalgie, geef ik gul vier sterren aan deze blikopener met doldraaiende kompasnaald.

Natuurlijk is deze compilatie onvolledig en ergens ook overbodig. Er zijn weinig artiesten die ik meer associeer met de kracht van integrale studio-albums dan De Dunne Witte Hertog. Mijn eerste Bowie-studio-albums waren Low, Lodger, The Man Who Sold the World en Pinups. Het is echt geen toeval dat deze albums géén enkele overlap hebben met ChangesBowie. Dubbele nummers op cd’s vond ik toen pure geldverspilling. Inmiddels heb ik, via tweedehands vinyl en de nodige downloads, het meeste Bowie-werk dubbel en dwars in de kast staan. En nee, ik lanceer hier geen oproep aan gelijkgestemden om dubbels te ruilen als waren het voetbalplaatjes. Daar reken ik de song 'Heroes' niet bij. De versie op deze verzamelschijf verschilt immers van de originele titel-track. In het universum van Bowie is artistieke verandering immers de enige constante.

David Bowie - Diamond Dogs (1974)

poster
5,0
Ook ’Rock ’n Roll with Me’ is niet vernieuwend en ain’t rock and roll at all. De piano-aanzet voelt comfortabel aan als een rubberen zool. Maar het optimisme van ’Let it Be’ en ’Lean on Me’ verdwijnt snel wanneer de gitaar wordt aangescherpt en Bowie ten dans uitnodigt. Geen vluggertje à la ’Let’s Dance’ maar een perpetuum mobile uitgevoerd door twee individuen. Thematisch vind ik dat dansen tot je er bij doodvalt te universeel om helemaal meegezogen te worden in de dystopische wereld van Hunger City. Het doembeeld leunt misschien dichter aan bij een wereld waarin men nog maar vijf jaar te leven heeft. En voor wie niks heeft met fatalistische fictie: Leonard Cohen bezong later dezelfde dramatiek, geïnspireerd door het onwezenlijke lot van muzikanten in de vernietigingskampen. In Nederland componeerden twee mannen (broers?) in zulke hallucinante omstandigheden een serenade waar me nu even de naam van ontglipt.

Voor vrolijke noten zorgt ook Bowie hier niet, maar het grandiose samenspel tussen de snedige maar zuinige gitaar, de dragende piano en de hartstochtelijke zangpartijen maakt het geheel wel stukken draaglijker. Al klinkt het ook wat buitenaards. Elke vergelijking met ’Life on Mars’ is een ondankbaar compliment, maar ’Rock and Roll with Me’ doorstaat de beproeving zonder kleerscheuren. Of het nummer daardoor beter tot haar recht zou komen op Hunky Dory of The Rise and Fall … durf ik niet te stellen. Deze sing-along is overduidelijk het product van een gestrand musical-project en werkt zo aanstekelijk dat die op meerdere albums niet zou misstaan. Mijn enige bekommernis: die hardnekkige Ziggy is nog altijd niet dood, wat de verhaallijn niet ten goede komt.

Dan komt een lied met als titel ’We Are the Dead’ natuurlijk als geroepen. Je kan de tekst lezen als angst voor een scheiding of de medogenloosheid van de pers, bedrieglijke managers en inhalige bankdirecteurs. Allemaal omstandigheden gegrepen uit Bowies toenmalig bestaan. Maar er is ruimte voor ruimere interpretatie. Dit lied is een eerloze overgave aan het allesbepalende Systeem. En zo zijn we met de vier poten opnieuw op de nasmeulende grond van Hunger City beland. Want waar elders wordt je verweten te dansen in de aanwezigheid van ontbindende honden die klaarkomen tijdens het draaien van hun allerlaatste drol? Dit moet de donkerste tekst zijn die Bowie tot dan toe geschreven had. Brel meets Cave meets Poe meets Bataille (of Brusselmmans, voor wie zich daar comfortabeler bij zou voelen).

En dan is er nog de omnipresente Orwell om het macabere gezelschap compleet te maken. Zijn weduwe verleende Bowie geen gebruiksrecht van ’s mans 1984 maar laten we daar vooral niet rouwig om zijn. Want wie komt er als kolenzwarte l*l uit de mijnschacht gekropen? Graaf maar eens diep. Het is warempel de geverfde relnicht die eenmaal gewassen en ontschminkt vervelt tot de albinobroer van Isaac Hayes. Met funk- en musical-ingrediënten bereidt de schier transparante meesterkok een overheerlijk gerechje (sic). Fijnproevers kunnen het extra op smaak brengen met chocoladesaus en extracten uit een koppel gepekelde hondentestikels. Dystopie klonk nog nooit zo verrukkelijk. Een ode ook aan Oscar Wilde: we gaan allemaal onherroepelijk naar de kloten, maar de gelukkigen onder ons doen dat tenminste met zicht op de sterrenhemel of met een funky beat in de oren. Who cares dan nog dat onze hersens worden vervangen door verse lucht en we zonder garantie op een volgende dag ten oorlog worden gestuurd?

Met onderdanige devotie wendt Bowie zich in ‘Big Brother’ tot een verlosser. Maar laat de laatste hoop maar vallen: de aanbeden verlosser is Big Brother himself. De overgave is volledig, collectief en voltooid.
Someone to claim us, someone to follow
Someone to shame us, some brave Apollo
Someone to fool us, someone like you
We want you, Big Brother.

Dit is misschien niet Bowies allerscherpste stukje songtekst, maar nooit voorheen en nooit achteraf hoorde ik hem met meer overgave zingen. Grootse arrangementen en een akoestisch intermezzo scheppen hier een goddelijke dynamiek. Ondanks de zelfdestructieve wanhoop weet men het geheel voldoende melodisch te houden. Alleen de sax mag af en toe toepasselijk dissoneren. Ongetwijfeld zocht Bowie toen ook een vorm van verlossing in zijn echte leven — voor zover zijn leven toen echt was, natuurlijk. Ik ben blij om in dit emotioneel epicentrum mijn favoriete Bowie-nummer te hebben ontdekt. By far!

Laat je niet in de luren leggen: het venijn zit ’em in de staart. Want ’Chant of the Ever Circling Skeletal Family’ met door die distortion-gitaar, de hoge noten uit de achtergrond en die haast inhoudsloze songtekst Bowies song met het hoogste glamrock-gehalte. De laatste stuiptrekking van Ziggy / Jack, zal ik maar denken. De opzettelijk repetitieve outro klinkt alsof m’n inferieure plaat of gebrande cd hapert. Het evoceert ook futuristische leegte. Geen toeval dat deze audio-gimmick decennia later veelvuldig gebruikt zou worden door zielloze techneuten.

Een review in twee delen en de ontdekking van een nieuwe favoriete song. Ik hoef m’n vijf sterren voor Diamond Dogs eigenlijk niet verder toe te lichten. Maar Big Bowie heeft mijn wil in zijn macht. Hij dicteert me hier te verkondigen dat zijn metamorfoses niet zozeer plaatsvonden tussen de albums, maar wel OP twee bepaalde sleutelalbums. Diamond Dogs is de eerste. En ik geniet het voorrecht om de tweede nog te mogen ontdekken en reviewen. Minder in het algemeen belang: Diamond Dogs moet op staande voet in m’n top 10.

O ja, de bonustracks over dodo’s en zo op de 2016-editie kan ik enorm smaken. Zo heb het nadeel van m’n kartonnen miskoop alsnog z’n voordeel.

David Bowie - Heathen (2002)

poster
4,0
Op het gevaar af van lijkenpikkerij beschuldigd te worden: Heathen is misschien wel Bowies beste plaat sinds zijn Berlijnse periode. Twee kanttekeningen: ten eerste mis ik Scary Monsters nog steeds in mijn collectie, en ten tweede weiger ik aan Blackstar sterretjes of punten toe te kennen. Dat voelt alsof ik de afscheidsbrief van een groot auteur zou moeten beoordelen op schrijfstijl en spanningsboog.

Voor Heathen speel ik wel graag een-koppig jurylid. Dit album werd veertien jaar voor zijn dood uitgebracht, maar ik kocht de cd pas een paar jaar later. Die lag toen uitdagend te lonken in de budgetbakken, al is dat inmiddels twee volle decennia geleden. De dikke stoflaag die ik van het doosje moest blazen, gaf aan dat de schijf me toen niet meteen bij de lurven had gegrepen ... en dat ik ook eens hoger dan de vloer moet stofzuigen.

Na een geconcentreerde eerste luisterbeurt onder mijn hoofdtelefoon, schalt Heathen nu voor de derde keer doorheen de door mij gemonopoliseerde woonkamer. Voor sommigen is het heiligschennis – of een bewijs dat een review niet doordacht is – maar tijdens die latere luisterbeurten was ik met een beetje mijn administratie bezig. In mijn geval: huiswerk verbeteren voordat de bom valt.

"Een heidens genot" is misschien te veel lof voor deze artistieke aandachtstrekker annex muzikaal behang. Dat het album niet echt vernieuwend klinkt – niet voor de Zeitgeist en ook niet voor Bowie zelf – neem ik deze kameleon geenszins kwalijk. Nummers 2, 3 en 4 zijn voor mij de absolute hoogtepunten op deze vrij consistente plaat. Het niveau zakt nergens echt in, al voelt nummer 11 wel als het zwakke broertje. Welke heiden gelooft er nu in een betere toekomst?

Ik besef hoe oneerbiedig het is om songs slechts bij hun nummer te noemen. Voor 'Slow Burn' maak ik graag een uitzondering. Wanneer Bowie daar "In the centre of it all" zingt, rinkelde bij mij een belletje of beter gezegd: gonsde een doodsklok. Over het feit dat hij op zijn sterfbed dus nog aan zelfrecyclage deed, vel ik consequent geen oordeel. Over het recycleren van de Pixies en het inhuren van Pete Townshend en Dave Grohl is de jury duidelijker: een welverdiende 8 op 10.

David Bowie - Hunky Dory (1971)

poster
5,0
"Cultureel snobisme." In ongeveer die bewoordingen noemde ik de selectie van Pink Floyds The Piper at the Gates of Dawn in de ultieme albumlijst van de uitgesproken linkse krant De Morgen. Dat in diezelfde lijst net Hunky Dory uit Bowies goudmijn werd gekozen, verraadt misschien ook enig dedain ten aanzien van de massa. Ik weet niet of diezelfde cultuur­-elite tot het schaarse clubje behoorde dat deze plaat al bij verschijnen had omarmd. Bowies vuurrode kapsel in de videoclip van 'Life on Mars?' verraadt dat Hunky Dory pas in het Ziggy-tijdperk echt doorbrak. De voor- en achterkant van de hoes laten daarentegen geen twijfel bestaan: in 1971 was Bowie nog een blonde, genderfluïde hippie.

Kondigde 'Changes' zijn toekomstige gedaanteverwisselingen al aan? Misschien hield Bowie gewoon van veel muziekjes en speelde hij alles graag. Op Hunky Dory gaan de songs dan ook meerdere kanten op. Bij veel artiesten wijst dat op een gebrek aan samenhang, maar bij Bowie voerden talent en veelzijdigheid tot aan zijn dood een paringsdans uit. Een andere drijfveer in zijn hoogdagen was een allergie voor alles wat gewoon en gevestigd is. Neerbuigende muziekjournalisten zullen zich daar ongetwijfeld in herkennen.

Er wordt opvallend weinig gerockt op dit album, met nochtans enkele bandleden die er ook bij waren op The Man Who Sold the World en op de latere Ziggy-platen. In 'Oh! You Pretty Things' hoor je de glamrock ontkiemen, maar voor het hardere werk moet je wachten tot ook kant B bijna voorbij is. 'Queen Bitch' is even schatplichtig aan The Velvet Underground als u en ik aan allerhande overheden. Van Reed & co is het bovendien maar een kleine stap naar 'Andy Warhol'. De soundscape-achtige intro — laat zoiets maar aan de perfectionisten van Pink Floyd over — en het verder nogal nutteloze applaus achteraf zijn voor mij de enige smetjes op dit album.

Echt soft wordt Hunky Dory gelukkig nooit. En dat mag een klein mirakel heten, met een liedje gericht aan Bowies pasgeboren zoon. 'Kooks' klinkt oprecht, profetisch, schattig en guitig — huiswerk in het vuur gooien voordat de bom valt. Het klinkt vooral nooit klef, wat je van talloze andere liedjes die simpelweg de voornaam van een boreling dragen, niet kunt zeggen. Al kan je Bowies knappe kinderliedje ook lezen als compensatie voor de gedrochtennaam die zijn zoon meekreeg. De latere naamswijziging naar Duncan lijkt die hypothese niet tegen te spreken.

Meningen mogen verschillen, maar dit meesterwerk wegzetten als een overgangsplaat? Mijn vrouw zit in de overgang, en dat klinkt toch echt even anders. Vijf sterren voor deze hippie-plaat, het laat me koud of u dat elitair vindt.

David Bowie - Images 1966-1967 (1973)

poster
2,0
Deze originele hoes is een stuk leuker dan de reissue die bij mij in de kast stof staat te vangen. Het beeldverhaal doet me direct denken aan Cheap Thrills van Big Brother and the Holding Company, feat. Janis Joplin. Op de uitgave van Fonior (Brussel) prijkt — lekker misleidend — de Thin White Duke tijdens een concert. De titel Images is ”nowhere to be seen" op de hoes, ook niet op de flinterdunne rugzijde. Enkel de labels op het vinyl refereren aan het origineel.

De binnenzijde is zo mogelijk nog meer tenenkrommend: een dubbele spread toont een vijftigtal afbeeldingen (!) van LP’s met allemaal in datzelfde uniforme design. De aangeprezen koopwaar is echter van een iets lager allooi. Het doet bijna pijn om Bowie geflankeerd te zien door Die Wiener Sängerknaben, Bobbejaan Schoepen, Corry Konings en Vader Abraham. Zelfs een (toen nog onbesproken) Julio Iglesias staat ertussen.

Niet dat de muziek op deze dubbelaar veel soelaas biedt. 'The London Boys' is voor mij een van de weinige songs die de tand des tijds doorstaat. Ik koester het orchestrale liedje al voordat Marc Almond het coverde op Stardom Road. De meeste songs op Images spreken me dus niet aan. Dat is natuurlijk pure vooringenomenheid, omdat ik ze ongewild afweeg tegen de vele meesterlijke worpen waar Bowie planeet Aarde later op trakteerde. Ik heb Bowie nog niet gebuisd maar ook mijn devotie heeft grenzen. Daarom houd ik het op twee sterren. Voor een exemplaar in de originele hoes zou ik misschien net iets milder geweest zijn.

Mijn score is dan ook hoofdzakelijk gebaseerd op de historische waarde. Want zonder deze muzikale probeersels was er waarschijnlijk nooit een Ziggy, een Halloween Jack, een Magere Bleke Hertog en Tin Machine. Al zou dat laatste nu ook weer geen onoverkomelijk gemis zijn.

Fonior persing: Just a moment... - discogs.com

David Bowie - Lodger (1979)

poster
4,5
Na PinUps, Low en The Man Who Sold the World kocht ik midden jaren ’90 deze Lodger. Het voornaamste criterium was het vermijden van overlap met mijn allereerste Bowie-cd, de verzamelaar ChangesBowie. Een gelimiteerd studentenbudget dwong me tot deze boekhoudkundige maatregel. Op die manier bleven Ziggy, Hunky et les autres nog enkele jaren in de wachtkamer zitten. Bowie's logeerkamer was voor mij volkomen onbekend terrein, precies omdat die verzamel-cd niets uit Lodger had gedestilleerd. Door niet eerst heldhaftig uit een ommuurde stad te ontsnappen, miste ik de nodige ervaring. Die stap in het onbekende matcht wel met de overkoepelende gedachte van de plaat: een reis, maar niemand weet waarheen en voor hoe lang.

In het openingsnummer neemt Bowie de luisteraar al meteen mee op een ‘Fantastic Voyage’. Nog steeds in diezelfde openingszin waarschuwt hij dat een happy end of zelfs een veilige terugkeer niet gegarandeerd is. Hij laat hierbij het woord erosie vallen. Als student geografie kon ik tientallen gedaantevormen van dat morfologische proces beschrijven, maar Bowie heeft het hier over mentale slijtage. Sinds ik m’n diploma in de Bowielogie op zak heb, koppel ik ’s mans pessimisme aan de destructieve geestesgesteldheid van zijn betreurde broer. Dat het nummer onnatuurlijk vroeg in fade-out gaat, voelt dan als een akelige profetie. Of wou Bowie gewoon een technische gimmick van de A-kant van Low nog eens overdoen?

Over ‘African Night Flight’ ga ik wat sneller, net als de opgejaagde zanger. Waarom Bowie rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan associeert met laid-back Afrika, is me een raadsel. Deze song spreekt me minder aan, maar ik bewonder hier Bowies neus-keel-en-mond-gymnastiek.

Zonder adempauze maant Bowie in ‘Move On’ zichzelf aan om op te schieten. Iets minder drammerig dan de drumpartij komt hij met een reeks toponiemen aanzetten. Daar zit “zijn” eiland Cyprus bij, waar Angie Bowie werd geboren. Dat hij zo moet voortmaken was misschien wel een boodschap aan zijn toekomstige ex. Het exotisch klinkende koortje tijdens het refrein zou naar verluidt "SEDUD GNUOY EHT LLA" zingen. Lees dat maar eens achterstevoren. Maar gewoon voorwaarts afgespeeld is ‘Move On’ een fijn en pretentieloos nummer.

De volledige titel ‘Yassassin (Turkish for: Long Live)’ verraadt waar Bowie een volgende tussenstop maakt, al kan het ook nog steeds om Cyprus gaan. Google Translate bestond toen nog niet, anders had de titel misschien correcter Yaşasın geheten. Of wou Bowie de pret bederven door een universele levenswens maar één letter te laten verschillen met een sjiitische moordenaar? Ook deze tweede ongemakkelijke Bowie-song verteer ik enkel met een pollepel paradoxsaus.

Hijs de zeilen voor ‘Red Sails’. De vaart zit lekker in dit stevige new wave nummer. Dat is niet genoeg voor de weggekaapte stuurman Adrian Belew. Zijn gitaargeluiden maken er bij momenten een intergalactische trip van. Een Bowielogisch weetje: ten tijde van het Ziggy-succes was Captain Bowie als de dood voor vliegtuigreizen. Hij stak de Atlantische plas meermaals per schip over, maar in de eerste zin van ‘Red Sails’ geeft hij toe ook last te hebben van vaarangst. Zou de zinsnede “Sailor can’t dance” een verwijzing zijn naar ‘Sally Can’t Dance’ van z’n voormalige scheepsmakker Lou Reed? Duidelijker is de hint naar een 'Psycho Killer', wanneer Bowie aangeeft dat het hinterland nog fa-fa-fa-fa-fa-fa-fa-far away is.

Over de Talking Heads gesproken, het soft-neurotische ‘D.J.’ had zo op één van hun albums kunnen staan. Niet verwonderlijk met Belew en Eno aan boord. Maar Bowie doet er nog een schepje bovenop door de spastische en paranoïde zang-mimiek schaamteloos te kopiëren. Worstelde Bowie met een Byrne-out of wou hij het beeld versterken van absorbeerder en vroege adapter, veeleer dan de geniale uitvinder? Dat beeld heb ik altijd wat oneerbiedig gevonden voor zijn veelzijdig supertalent. Waar ik wèl voor te vinden ben: leuke deuntjes die licht deprimerende teksten ondersteunen. In die categorie is het dansbare ‘D.J.’ exemplarisch, inclusief de nederige knipoog naar zijn oude studiemakker en latere gitarist Peter Frampton.

Op mijn eerste luisterbeurten naar ‘Look Back in Anger’ kijk ik enkel met genoegen terug. Het is een toegankelijk rocknummer met sterke vocalen. Enkele maanden later zou ik in Werchter Bowie voor de enige keer in m’n leven live aan het werk zien. Ondanks mijn zwaar onvolledige Bowie-catalogus waande ik me een kenner tussen het opvallend oudere publiek. Tot mijn opluchting opende Bowie met deze song zijn set. Terwijl ik in extase flarden tekst meebrulde, kon ik een gevoel van superioriteit niet onderdrukken: driekwart van het onwetend gelegenheidspubliek moet bij het refrein eerder gedacht hebben aan een recent rock-anthem uit Manchester. Iets over een Sally in de wachtkamer en de oproep om niet kwaad achterom te kijken. Daar hadden Bowie en ik geen boodschap aan: “Waiting so long ...”

Na welgeteld acht holle drumslagen echoot ‘Boys Keep Swinging’ een sound die uit de duizend te herkennen is: die van het ijzige 'Heroes'. Maar Bowie zou zichzelf niet zijn door er nu geen andere draai aan te geven. Toepasselijk laat hij het nummer lekker swingen en lijkt hij zijn genderfluïde huid te hebben afgeworpen. Hij bezingt de voordelen van jonge mannelijkheid zonder de andere sekse te benoemen. Het gaat nog net niet over hoe gemakkelijk rechtstaand pissen is. De bijhorende videoclip laat echter uitschijnen dat de vos z’n divastreken nog niet verleerd is: Bowie verschijnt er meermaals in vrouwelijke kleder-drag (sic) Misschien executeerde hij met deze videoclip toen al zijn eigen radioster...

In ’Repetition’ komen we enkele gemiste opportuniteiten te weten van een doodgewone man met een doodgewone naam. Volkomen afstandelijk rijgt Bowie die gebeurtenissen causaal aan elkaar. Door slechte leraars heeft Johnny geen goedbetaalde job en geen vette auto. Daardoor komt hij ’s avonds later dan voorzien thuis. Het eten is koud geworden en Johnny zelf witheet. Maar in de straat is geen noodkreet te horen, ook niet van zijn vrouw. Die wordt immers bont en blauw gemept. De titel suggereert dat het niet de eerste keer was. Bowie vertelt dit zo kurkdroog dat ik aan Ian Dury moet denken. Belew is geen Blockhead en voegt wel de nodige emotie toe. Het daagt me dat Bowie’s favoriete Beatle zijn vrouwelijke partners geregeld zou hebben afgerammeld. Ik veronderstel dat Bowie daar uit ontzag en vriendschap niet doelbewust aan refereerde.

‘Red Money’ begint met akkoorden die wel heel sterk aan ‘Sound and Vision’ doen denken. Met de vraag of wij ook zien dat deze man geen man is, lijkt Bowie een vervolg te breien aan zijn protestlied tegen huiselijk geweld. Vocaal is deze song, die grotendeels bestaat uit minder dan halve zinnen, erg emotioneel. Waar het verdachte geld in dit lied symbool voor staat, ontgaat me. Naar verluidt zit Iggy Pop's 'Nachtzuster' - "Haal ik de morgen?" - er voor iets tussen.

Omdat ik enkel met de cd-versie vertrouwd ben, genieten de twee bonustracks hier ook nog wat van mijn aandacht. ’I Pray Olé’ heeft wel potentieel als meezinger in een stadion. Ik moet dan meteen aan Queen denken met wie Bowie enkele jaren later zou collaboreren. Bowie's schietgebed is op de cd geen opvullertje. De remix van ’Look Back in Anger’ daarentegen had voor mij niet gemoeten.

Met wereldreizen als thema en een (na-)productie in Zwitserland, teken ik protest aan tegen eenieder die deze Lodger gemakshalve tot de Berlijnse trilogie rekent. Dat werpt een onnodige dubbele schaduw, waardoor de plaat bij het brede publiek nooit is kunnen doorgroeien. Voor wie nu denkt “dit lijkt me wel een leuk plaatje”: deze cd bleef bijna dertig jaar onaangeroerd in de kast, met een noodzakelijke interruptie begin 2016. Om deze review te schrijven had ik maar liefst zes nieuwe luisterbeurten nodig. Dit meesterwerk openbaarde zich dus niet meteen, wat wel gebruikelijk is voor meesterwerken. Omwille van de twee a-typische Bowie songs hou ik een half sterretje in, maar dan blijven er nog vier en een halve over.

David Bowie - Low (1977)

poster
4,0
Na zijn optreden tijdens de Freddie Mercury Tribute in 1992 wilde ik wel wat meer weten over Bowies werk. Dat betekende destijds: de bus op en in de bibliotheek twee pagina’s kopiëren uit een popencyclopedie. Daar stond zwart op wit dat Low zijn artistieke hoogtepunt was. Opvallend detail: de chronologische discografie bij dit artikel liep niet verder dan dit album. Het naslagwerk moet toen dus al vijftien jaar oud zijn geweest. Niet alles in het analoge tijdperk was beter dan nu. Tijdens mijn eerste jaar aan de universiteit kocht ik deze cd om me door mijn herexamens te sleuren. Dat kende geen happy end. Maar als ik dat falen louter aan de zwaarmoedigheid van het album zou wijten, minimaliseer ik mijn eigen verantwoordelijkheid... en doe ik het album oneer aan. Toch zijn vier sterretjes voor Low naar mijn Bowie-normen aan de lage (!) kant. Nee, dit is voor mij bijlange niet ’s mans beste plaat.

Op cd – en zeker met de bonustracks – valt het minder op dat het album uit twee gescheiden helften bestaat, zoals een doormidden gedeelde stad. Iemand hierboven beschreef het muzikale gebeuren op kant A treffend als "fragmentarisch". Ik vind dat de korte nummers hier minder blijven plakken dan pakweg 'Soul Love' en 'Starman', maar dat was misschien niet langer de bedoeling. Met enige vooringenomenheid durf ik zelfs te stellen dat 'Sound and Vision' vooral een vette hit werd door de radiovriendelijke productie en Bowies reputatie als gevestigde wereldster, eerder dan door de unieke kwaliteit. Die zou hij een album later wel terugvinden met de wereldberoemde titeltrack.

Kant B is één lang experiment, inclusief een half fictieve, half Slavische songtekst. Knap hoe in slotsong 'Subterraneans’ Bowies saxspel totaal anders functioneert dan op de coverplaat Pinups. Mijn artificiële gesprekspartner hoort er menselijke wanhoopskreten in, in een wereld die meer en meer door machines wordt overgenomen. Het geluid van de visionaire Bowie die in 1977 AI voorspelde? Ik ken een Brits groepje dat de luisteraars twee jaar eerder al cynisch welkom heette in een door machines beheerste wereld.

Bowie brengt vervreemding op een onwennige manier over. Het plaatje - of toch zeker kant B - klopt dus wel wat thema en sfeerschepping betreft. Maar waarom werd Low dan geen van begin tot eind consistente sfeerplaat? Ik ken een Brits groepje dat daar in de jaren '70 wel keer op keer in slaagde. Voor mij is de experimenterende Bowie hier ondanks de onmiskenbare inbreng van Eno geen trendsetter meer. Qua klankkleur gingen Kraftwerk en de titeltrack van Station to Station immers al vooraf aan die ’vernieuwing’.

Low vergt mentaal wel het een en ander van de luisteraar. Destijds leverde ik bij de herexamens onvoldoende intellectuele inspanningen, laat staan dat ik die nu wel kan opbrengen bij elke luisterbeurt. Net zoals ik info liever online opzoek dan in een archaïsche bieb te snuffelen, heb ik mijn Bowie-albums blijkbaar ook liever wat toegankelijker.

Omdat deze tekst lezen ook wel wat inspanning vergt, deel ik dit ’weetje’ dat misschien nog niet aan bod kwam in de berichten hierboven. Bowie staat op de hoes in zijwaarts profiel geportretteerd. In combinatie met de albumtitel levert dat de halfverborgen boodschap ’Low Profile’ op.

David Bowie - Pinups (1973)

poster
4,5
Sorry, maar ik moet voor de zoveelste keer terugflitsen naar het aankoopmoment, begin jaren ’90. Het gebeurde toen al eens dat Free Record Shop een inkeping maakte in de jewelcase-rug van slecht verkopende cd’s. Door deze opzettelijke beschadiging kon men ze geheel legaal onder de marktprijs verkopen. Als 17-jarige hoefde ik omgerekend maar 5 euro te betalen voor zo’n geknipt exemplaar van Pinups, mijn eerste Bowie-cd na ChangesBowie. Nog een meevaller: die verzamelaar bevat geen enkele song van Pinups. Bonustracks inbegrepen kwam de aankoop neer op nog geen vijftien Bfr. (minder dan één gulden) per nieuwe Bowie-song. De grootste meevaller was dat al die songs mij meteen bevielen. En omdat ze dat drieëndertig jaar later nog steeds doen, vind ik een 4,5 niet overdreven. Een halfje eraf voor het beschadigd omhulsel

Die score ligt een pak hoger dan het gemiddelde op dit forum. Geheel nutteloos probeer ik een verklaring te vinden voor het afwijkend gedrag – niet dat van mezelf natuurlijk, maar van de bijna 300 stemmers die me voorgingen. Alle begrip voor wie in de jaren ’70 getuige was van Bowies immer rijzende ster. In het licht van al die legendarische platen verscheen Pinups inderdaad als een tussendoortje. Een zelfde (onder)waardering is ook begrijpelijk voor al wie Bowie retrospectief ontdekte en zich hierbij meer liet leiden door artistieke belangen dan door prijsreducties. Toen ik Pinups ontdekte, kende ik geen enkel studioalbum van Bowie waaraan ik kon refereren.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ik de originelen van dit coveralbum niet kende. Amper een vijftal artiesten deden meteen een belletje rinkelen: Pink Floyd, The Kinks, The Who, Springsteen en Brel. De keuze voor 'The Boss' springt eruit, want hij was anno 1973 nog een opkomend talent. Het werk van Brel was destijds misschien meer gekend in het VK. Met dank aan Scott Walker en Bowie zelve, die mijn waarde landgenoot integreerde in z’n Ziggy-concerten. Toen de docent Frans in de klas vroeg wie iets wist van Brel, antwoordde ik trots: "Il a influencé des artistes comme David Bowie." Dat werd door enkele klasgenoten op ongeloof en hoongelach onthaald. De docent gaf me wel gelijk, maar ging er helaas niet dieper op in. Het College van Oostende stond destijds niet bekend als een Rock ’n Roll High School. Brel in het Engels zorgde jaren later voor een aha-erlebnis toen ik mijn favoriete artiest Marc Almond ontdekte.

Dankzij Pinups kocht ik niet veel later in Milaan – op bezoek bij mijn Italiaanse vriendinnetje – een verzamel-cd van The Who. In die tijd dweepte ik met de ruige Stones en vond ik The Beatles te braaf en gedateerd. Gelukkig kwam ik vele jaren en één vriendin later tot een meer gefundeerd inzicht, maar bij mijn eerste luisterbeurten van The Who vond ik Jagger & Co. toch ook maar softies. The Who is voor mij minstens even proto-punk als The Stooges. Volgens m’n artificiële gesprekspartner is de link die ik nu leg tussen de Messiaanse flipperkastspeler Tommy en de even maniacaal aanbeden gitaargod Ziggy S. nog zo gek niet. Ik kan niet verklaren of sax-god Bowie met nummertjes 6 en 11 op Pinups expliciet zijn schatplichtigheid erkent aan Townshend & Co. Dat zal sowieso altijd en overal discussievoer zijn voor specialisten.

David Bowie - Station to Station (1976)

poster
4,0
Trans Neuro Express

Wie doet er mee mythes doorprikken? David Bowie moet nog best veel herinneringen gehad hebben aan de totstandkoming van Station to Station. Misschien zijn het gefragmenteerde beelden die hij liever wilde verdringen — visioenen over swastika’s — maar het overdrijven van z'n geheugenverlies in de media was waarschijnlijk een beproefde vorm van zelfbescherming. Mijn vooringenomenheid is gebaseerd op puur buikgevoel en het onmogelijke contrast tussen de vermeende waanzin en dit resultaat van net geen 38 minuten. Beide plaatkanten luisteren namelijk even vlot weg als het wijsje van Ti-ta Tovenaar. Met dit verschil dat ik Station to Station moeiteloos vijf keer op repeat kan zetten zonder zelf knettergek te worden.

Na de stomende intro van 'Station to Station' klinkt al wat volgt verrassend radiovriendelijk. En dan heb ik het gelijk over het hele album. Prachtig gezongen, vol fijne melodieën en nergens een hoorbaar hoekje af. Al is dat buiten enkele tekstfragmenten gerekend op onder andere het openingsnummer. Kabbala-hocus-pocus en een wel erg letterlijke verwijzing naar chemische snuiverij zijn ongetwijfeld intertekstuele neveneffecten van een bedwelmde geest. Bowie trekt als Jezus van statie naar statie. Zijn lijdensweg is noodzakelijk om gewone stervelingen te laten genieten. Het neigt naar blasfemie waar Lennon zich ook ooit publiek aan verbrandde. Maar dat de song vlotter rolt dan de gemiddelde trein van de NS of de NMBS, is in niet geringe mate de verdienste van de co-producer naast Bowie.

"Als Sinatra geen liedje van mij wil, probeer ik het maar bij Elvis." Die gedachte verraadt een tikkeltje grootheidswaanzin. Doordat Bowie 'Golden Years' uiteindelijk zelf uitvoerde, verscheen er een erg risicoloos nummer op dit album. Voor velen is dit de minste song van de plaat, maar ik vind het aanstekelijk en bewonder Bowies zangpartij. De Vegas-Elvis had het hem waarschijnlijk niet nagedaan.

'Word on a Wing' begint poppy, maar balanceert daarna op het randje van het pathetische. Bowie brengt hier een gezongen gebed. Hij zal de tekst ongetwijfeld méér gemeend hebben dan de onderwerping in 'Big Brother' op Diamond Dogs. Maar luisteren naar een biddend persoon - inclusief Bowie - vind ik op z'n zachtst gezegd een ergerlijke vorm van tijdverlies. Ook tijdens het Freddie Mercury Tribute kon Bowie het niet laten. Dan zie ik hem liever door de knieën gaan voor gitaargod-Ronson.

Mijn houding tegenover 'TVC15' is misschien wat oneerlijk. Ik vind de studioversie — een soort vrolijke hoempapa op coke — minder sterk dan de strakke, beukende live-versie op Stage. Het was later ook een vreemde songkeuze voor Live Aid. Een tekst over Iggy Pop die fantaseert over een mensetende televisie is al weird. Het wordt een tikkeltje wrang dat die hallucinatie het resultaat was van drugsconsumptie waarvan de kostprijs het BBP van een gemiddeld Afrikaans land oversteeg.

'Stay' is een swingende voortzetting van de onversneden soul en funk die de Thin White Duke al op Diamond Dogs en Young Americans liet horen. Elvis wordt al eens verweten rock 'n roll van zwarte artiesten te hebben gestolen, en Eminem treft een gelijkaardige aantijging over rapmuziek. Bleke Bowie wordt door niemand als een soul-dief gezien, precies omdat z'n soul-periode maar een fase was. Een fase die volgens velen niet z'n creatiefste of meest baanbrekende was. Maar dat doet niks af van de kwaliteit van 'Stay'. Op YouTube circuleert een live-sessie waarin Bowie & band in een tv-studio in Bremen dit nummer naar ongekende hoogtes stuwt. L.E.G.E.N.D.A.R.I.S.C.H.

Godzijdank staat er geen potsierlijke cover van The Beatles of een al even overbodige van The Stones op dit album. Voor een minder bekende cover sta ik doorgaans meer open, en dat is gelukkig het geval met 'Wild Is The Wind'. Hoewel Bowie hier wederom erg theatraal klinkt en zijn vocale uithalen niet iedereen bekoren, blijven ze precies binnen mijn tolerantie-grens. De plaat sluit stijlvol af met een lied dat overduidelijk moeilijker is om te zingen dan om veelvuldig naar te luisteren.

Een andere mythe stelt dat Station to Station te boek staat als een sleutelplaat: een brug van soul (check) naar de electro-wave van de Berlijnse periode (uncheck). Maar dit album klinkt wel erg consistent — als aaneengekoppelde wagons zonder tussendeuren. In zekere zin is dat ook wel een compliment. Maar in mijn oren manifesteert de scherpe muzikale overgang zich pas echt halverwege op Low. Hoewel beide albums me enorm kunnen bekoren, voldoen ze — juist omdat ze zo aanbeden worden — misschien net niet volledig aan mijn torenhoge verwachtingen. Vier sterren is voor een meesterwerk als dit misschien ondergemiddeld, maar daar hoeft niemand zich iets van aan te trekken. It's just the side effect of overrating.

David Bowie - The Man Who Sold the World (1970)

Alternatieve titel: Metrobolist

poster
4,5
Dit was één van mijn eerste studio-albums van Bowie. Ja, ook ik werd destijds meegezogen door Nirvana’s semi-akoestische cover van het titelnummer. Midden jaren ’90 heb ik The Man Who Sold the World, inclusief de bonustracks, spreekwoordelijk grijsgedraaid. CD's verkleuren nu eenmaal minder dan LP's. Omdat ik pas jaren later The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars in huis haalde, klinken ‘Moonage Daydream’ en ‘Hang On to Yourself’ in de versies van de (fictieve) band Arnold Corns in mijn oren nog altijd vertrouwder dan de definitieve uitvoeringen. Hetzelfde heb ik trouwens voor met de gecomprimeerde versie van ‘Heroes’, door toedoen van de verzamelaar ChangesBowie.

Wat de muzikale beleving van The Man Who Sold the World betreft, kan ik me grotendeels vinden in de track-by-trackbesprekingen hierboven door grootheden als John Lennon en Chiel Montagne — of althans door hun avatars: harde rock met een heerlijk prominente bas. Maar waar Led Zeppelin en Jimi Hendrix een stevige entrecôte aanboden, serveerde de prille Bowie toen al een meergangenmenu. Zo zijn er piano-outro’s te horen en zorgt een Moog-synthesizer voor bevreemdende accenten. Er weerklinkt zelfs een mechanische fanfare halverwege op het ingetogen ‘After All’. Die bonte stoet lijkt zich profetisch af te vragen of er leven is na een treurmars.

De fantastische titeltrack even buiten beschouwing gelaten, ondergaan de meeste nummers één of meerdere tempo- en sfeerveranderingen. Dat voelt nergens geforceerd aan en het album klinkt van begin tot eind opvallend consistent — zeker voor een Bowie die volgens velen toen nog zoekende was. Al kun je je afvragen: is hij dat niet zijn hele carrière lang gebleven?

Het halve sterretje dat deze plaat in mijn onbenullige oordeel verliest, heeft alles te maken met de soms wat wollige en nodeloos complexe tekstenbrij. Dat klinkt misschien oneerbiedig, en ik weet dat Bowie in die periode dweepte — of deed alsof — met filosofen allerhande. Begrijp me niet verkeerd: ik kan de weirde woordkeuzes en zonderlinge zinconstructies hier en daar wel smaken. Zo vind ik het heerlijk dat in 'All the Madmen' aan ene Zane wordt gevraagd om de hond te openen. In het Frans dan nog. Quoi?

Het vergt enig taalkundig vernuft om het woord ‘lobotomie’ in datzelfde rocknummer over krankzinnigheid te gieten. Het zou nog dertig jaar duren voor iemand dit wist te overtreffen met 'stroganoffsaus'. Al zijn de meningen daarover wellicht net zo verdeeld als over de smaak van rooie Breezer. Het zal wel van alle tijden zijn dat artiesten — uit baldadigheid of om gewicht in de schaal te leggen — allerlei mumbo jumbo in hun lyrics verwerken. Iets waar bloedserieuze recensenten zich vervolgens de pleuris op analyseerden. Misschien hebt u al eens gehoord van ‘A Whiter Shade of Pale’ of ‘Bohemian Rhapsody’.

In 'She Shook Me Cold' gaat het er wat minder omfloerst aan toe. Bowie bezingt een ontmoeting met een blondine die hem leegzoog en z'n hersens deed exploderen. Zou hij het hier hebben over een Nederlands achtergrondzangeresje? Zo iemand die het - bijna vijftig jaar na datum maar nog geen 24 uur na de bekendmaking van Bowies overlijden - nodig vond om met dat lichamelijk contactmoment uit te pakken in een talkshow. Als ze zelf de pijp uit gaat, mag de gespecialiseerde pers deze titel gratis van mij lenen: The Woman Who Sold Her Body for a Golden Raindrop.

David Bowie - The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars (1972)

Alternatieve titel: Ziggy Stardust

poster
5,0
Op een zoveelste analyse van The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars zit ongetwijfeld niemand te wachten. Laat mij het dan maar over een ander onderwerp hebben ... waar ook niemand op zit te wachten: mezelf. Wat Bowies magnum opus betreft, lijd ik aan het David-en-de-donkere-Maankant-syndroom. Die aandoening is evenwel vernoemd naar een andere David. Meneer Gilmour bekende dat hij nooit onbevangen naar Dark Side of the Moon kan luisteren omdat hij dan steeds moet terugdenken aan de totstandkoming van die plaat. Niet dat ik ten tijde van The Rise and Fall ... ergens in de studio aan de knoppen zat, of het moet in een vorig leven zijn geweest.

Maar toen ik de LP in 2000 eindelijk tweedehands aanschafte, had ik al meer dan vijf jaar ervaring met de Berlijnse betonblokken Low en Lodger, met de proto-metal van The Man Who Sold The World, met de schijnbare gemakzucht van PinUps en met de hitmachine ChangesBowie. In diezelfde periode had ik Bowie één keer live aan het werk bewonderd. Hij bleek geen buitenaardse of messiaanse verschijning te zijn, maar een overgetalenteerde Gutmensch van vlees en bloed.

Mijn eerste luisterbeurt van The Rise and Fall was dan ook geen blikseminslag bij heldere hemel. Het was eerder een puzzelstukje dat ik contra-chronologisch in handen kreeg. Maar dan wel een gouden puzzelstukje, want de kwaliteit van alle songs kan ik enkel in superlatieven uitdrukken. Met 'Starman', 'Star', 'Lady Stardust' en 'Ziggy Stardust' bevat de plaat al vier sterren. Daar had ik al langer dan vandaag een vijfde ster aan toegevoegd. Het album schittert ook mooi in mijn persoonlijke top tien. Sta me toe de meest fonkelende liedjes extra te belichten.

Bij een piëta denken sommigen aan een snelle hap en anderen aan een marmeren renaissancebeeld. Mij doet het meteen denken aan het wonderschone 'Soul Love', waarin Bowie de treurende Moeder Maria bezingt terwijl hij een vroege vorm van plastic soul naadloos laat versmelten met jazzy saxofoonpartijen en snedige rockgitaar.

'Starman' geniet de eer van het meest legendarische optreden ooit in Top of The Pops. De kamerbrede omhelzing tussen Bowie en Mick Ronson veroorzaakte naar verluidt een schokgolf in vele Britse huiskamers. In diezelfde ranking staat met Marc Almond een andere 'relnicht' op een ereschavot. Dat die tegenwoordig 'Starman' live ten gehore brengt, maakt de spacetrip mooi cirkelvormig.

Voor puristen is 'Ziggy Stardust' geen titelnummer, maar het is wel één van de hoogste hoogtepunten op dit album. De analogie van dit personage met Tommy van The Who is volgens mij geen toeval: vervang de flipperkast door een gitaar en je hebt opnieuw de tragiek van het aanbeden, gevallen en ritueel geofferd supertalent. Maar ja, ik ben mogelijk de enige aardbewoner die eerst PinUps met twee Who-covers ontdekte en dan pas The Rise and Fall ... De ballast van voorkennis, dus.

Maar met de beste wil van de wereld ontwaar ik in dit album geen holistisch concept. Zo van: "Planeet aarde heeft maar vijf jaar meer, dus mensen copuleren er op los. Daarna komen ze deemoedig tot inkeer, maar wanneer een androgyn Marsmannetje verschijnt is het tijd voor ongeremde devotie en dito zeden. Maak kennis met z'n vriendinnetje en kijk hoe hij ten slotte terugkeert / zichzelf doodt." Dat lijkt me te veel bij het roodgeverfde haar getrokken. De essentiële space-track 'Moonage Daydream' is immers net als 'Hang on to Yourself' een herwerkt overschotje uit de periode van The Man Who Sold the World. 'Suffragette City' was een cadeautje van Bowie dat Mott the Hoople had geweigerd en 'Starman' werd onder druk van de platenmaatschappij toegevoegd aan het album. Genoeg ingrediënten om een lekker plaatje van te koken, maar zonder totaalverhaal.

Om de rangen te sluiten: een héél lekker plaatje, dat de rechttoe-rechtaan glamrock ver overstijgt. Glam is hier een vertrekpunt, geen eindbestemming. Wie het album daartoe herleidt, bekijkt alleen de sprint op de Champs-Élysées en meent daarmee de hele Tour de France te hebben gezien. Laat die gedachte dan maar het overkoepelende concept zijn.