MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Earlyspencer als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Marc Almond - Absinthe (1993)

Alternatieve titel: The French Album

poster
5,0
Almonds beste cover-album. Als Belg zou ik meer affiniteit moeten hebben met Almonds plaat vol Brel-covers maar Absinthe klinkt rijker, gevarieerder en overtuigender. Absoluut hoogtepunt op Absinthe: A Man. Gek dat zo’n ongelooflijk uitbundige meezinger - althans het refrein - een totaal onbekend lied is bij het brede publiek. Ik heb Almond solo 5 keer gezien en 1 keer met Soft Cell. Nooit bracht hij dit of een ander lied van Absithe: jammer. Misschien was de begeleidende liveband - soms enkel Neil X en iemand op keys - te klein voor het de strijkers-arangementen.

Undress me is de burlesque opener die baadt in de sfeer van enkele liedjes op de LP Tenement Symphony. Het origineel werd gezongen door Juliette Greco, aan wie Almond later een eigen lied zou opdragen, te horen op het album Stranger Things. In your Bed is ook een Greco-song al is de toon hier voorzichtiger. Absinthe bevat ook diep ingetogen nummers die met evenveel overtuiging worden gebracht. Almond slaagt er op deze plaat met verve in om moodswings te verheffen tot een edele kunstvorm. De vertaler van de oorspronkelijk Franstalige chansons verdient een dikke pluim, maar het is de anti-macho vocalist die in al z’n veelzijdigheid een vijfsterrenprestatie levert.

O ja, toen ik de plaat begin jaren 2000 ontdekte, begon ik ook vanalles over absint te verzamelen. Ebay had een vette klant aan mij. Het gifgroene spul vond ik meestal niet te zuipen, maar op kunstzinnig gebied gingen nieuwe deuren voor mij open. Naast drukwerk van Picasso, Mucha en Rops konden ook de hedendaagsere publi-affiches van stokerij ABSENTE me enorm bekoren. Santé!

Marc Almond - Enchanted (1990)

poster
5,0
Als eenzame student in Frankrijk dat toen voor het eerst wereldkampioen voetbal was geworden, werd ik in een deuxième main boutique betoverd door de sprookjesachtige platenhoes. Ik kende toen wel vaag enkele solohits van Almond en natuurlijk die nog veel grotere electro-hit die de jaren ’80 had ingeluid. Ik was toen meer into classic rock, de aantrekking tot Enchanted was in eerste instantie louter visueel en dus 100% de verdienste van de Franse Peppie en Kokkie. Ik weet het, dit is erg oneerbiedig naar Pierre et Gilles toe. Ik ben de Franse heren - die overigens ook gewillig in een matrozenplunje poseren - erg dankbaar om mij te introduceren en bekeren tot het Almond-dom. Want ook auditief kon ik Enchanted enorm smaken en dat doe ik nog steeds. Ondanks de soms erg duistere teksten klinkt de muziek op dit album meestal licht en opgewekt. Die ambiguïteit deed me denken aan een totaal ander genre, voor zoverre je Almonds werk tot een genre kan catalogeren: de Britse revival-ska van eind jaren ’70 en begin jaren ’80. The Selecter, The Specials en zelfs de gekkies van Madness bezingen vaker niet dan wel vrolijke onderwerpen, let er maar eens op.

Gevolg van die betovering in Rijsel aan het eind van vorig millennium: in korte tijd kocht ik haast alles wat Almond tot dan toe had uitgebracht. Daar zaten ook nieuwigheden bij zoals het album Open All Night en Tainted Life. Laatstgenoemde is geen albumtitel tenzij u een puristische Latinist bent. Het betreft Almonds autobio die destijds prima fungeerde als platengids ... een beetje zoals MuMe maar dan met binnenkant-info van de protagonist zelve, helaas zonder enige interactie. Het analoge tijdperk, weet u nog? Op de omslag van Tainted Life prijkt een foto van Almond, genomen door Pierre en bewerkt door Gilles ... of omgekeerd: de ene is fotograaf en de ander schilder. Een tweede neveneffect van die betovering was mijn koortsachtige zoektocht naar alle platen waar Pierre en Gilles hun artistieke expressies aan hadden verleend. Soms viel dat reuze mee - ik werd een haast even devote Nina Hagen-fan - maar ik heb ook wel materiaal verzameld dat ik meer voor het beeld dan omwille van de klank koester.

Hierboven voorziet een andere Almondist de liedjes van Enchanted één voor één van een treffende beschrijving. Daar heb ik inhoudelijk weinig tot niets aan toe te voegen. Dan ga ik maar weer de persoonlijke toer op, aangevuld met nog enkele Wiki-weetjes. Mijn favoriet liedje op deze commerciële afknapper na succesalbum The Stars We Are is The Desperate Hours. De versie op de remix dubbel cd Treasure Box vind ik eigenlijk nog beter. Wel een beetje raar - of net niet - is dat flamingoroze Marc hier over de ogen en lippen van een deerne fantaseert. Een kleine tien jaar eerder had hij - mogelijk onder druk van de platenfirma - nog de originele zin ”I give you all a girl can give you” gemasculiniseerd. Als solist coverde hij later een liedje van Cher en liet hij het geslacht van de vrouwelijke verteller ongewijzigd. Almond heeft geen pluimen vuistdiep in een lichaamsopening nodig om op artistieke wijze wat geslachtsverwarring te zaaien. Hij is voor mij de waarachtige bastaarnicht van Ziggy Stardust en die andere androgyne extra terrestrial, Grace Jones. Le Royaume-Uni: douze points.

Marc Almond - Fantastic Star (1996)

poster
4,5
8’Fantastic Star’ is het voorlaatste studioalbum van Marc Almond dat ik ruim na z’n verschijningsdatum aanschafte, vermoedelijk in het prinselijk jaar 1999. Na ’Open All Night’ was ik er altijd als de kippen bij om kakelverse Almond-voer te verslinden – een kostbare hobby gezien zijn productiviteit. ’Fantastic Star’ bevat enkele lekkere uptempo nummers en meer (glam-)rock dan al zijn voorgangers. De eerste samenwerking met Neal X mag dan wel al dateren van het album ’Tenement’, op ’Fantastic Star’ is Neal omnipresent. En dat is hij ook op vrijwel alle volgende platen en optredens, de Russische zijsprongen en de Soft Cell-reünies niet meegerekend. Correct me if I'm wrong. Persoonlijk feitje: Neal en zijn pluimvee-ensemble Sigue Sigue Sputnik heb ik in 2001 op Eurorock Neerpelt aan het werk gezien, een jaar na Almonds passage aldaar.

’Fantastic Star’ baadt in overheerlijke kitsch. Als camp het Engelse equivalent is, wordt Almond veelvuldig met die twijfelachtige kunstvorm geassocieerd. Dat geldt ook voor het werk van Pierre en Gilles, die wellicht geen andere beroemdheid vaker vereeuwigd hebben dan Almond. Ik denk dat de zanger sinds ’Tenement’ en ’Absinthe’ vrede heeft genomen met dat pejoratief. Op ’Fantastic Star’ lijkt hij het kitsch-predikaat zelfs te cultiveren. Sta me toe die stelling met enkele subjectieve interpretaties te onderbouwen.

De albumtitel alleen al verwijst toch minstens naar een falende has-been vedette die lijdt aan chronische zelfoverschatting. Ook al bevat het album heel wat hitpotentieel in de geest van 'Jacky' en 'Pearly', commerieel faalde het grandioos. Dat maakt de titel extra tongue-in-cheek. Meer in het oog springend is de maskerade waar Almond zich doorheen het hele CD-boekje en in videoclips mee bezigt. Dit lijkt me een over-the-top uitspatting waarmee de artiest zijn wil uitstraalt om vooral niet ernstig genomen te worden. 'The Idol' leent zich natuurlijk perfect voor verkleedpartijtjes gebaseerd op dode popsterren. Tekstueel betreft het geenszins een lofzang op tragisch omgekomen of aan lager wal geraakte artiesten. Maar Almond bezondigt zich hier ook niet aan oneerbiedig leedvermaak. In slechts twee zinnen per bezongen artiest balanceert hij daar mooi tussen. Als verbaal koorddansen toen een olympische discipline was, had het Verenigd Koninkrijk een kandidaat voor de gouden plak.

Nog meer zelfspot is te horen in 'Adored and Explored'. Ook hier lijkt Almond niet 100% te menen wat hij zingt zonder hierbij aan oprechtheid in te boeten. Al lijkt zijn bezorgdheid in 'Child Star' wel gemeend. Dit lied gaat – ten dele? – over een toen nog niet overleden superster uit 'The Idol'. In 2009 verwees Almond in een blog naar aanleiding van de dood van The King of Pop naar beide songs. Dat Almond ook live heel vaak teruggrijpt naar liedjes uit ’Fantastic Star’ is toch een teken dat hij dit artistiek niet als een mislukt album beschouwt. Al kan sidekick Neal ook een bepalende factor zijn. ’Fantastic Star’ lijkt hierdoor niet enkel voor mij een schuldig pleziertje.

Maar deze plaat markeert evenzeer een scharnierpunt in Almonds carrière. Al z’n volgend werk ademt artistieke onafhankelijkheid uit. Er wordt zelfs geen schuchtere poging ondernomen om de hitparade nog een laatste keer te bestormen. Die bevrijding straalt hij zeker live uit: Almond doet het voor zijn plezier – niet voor de eer of voor harde valuta – en voor de fans. Maar geen van die latere albums – reken daar gerust de twee Soft Cell-albums van dit millennium bij – vind ik spannender dan 'Fantastic - four and a halve - Star'. Marc Almond heeft hier samen met z’n commerciële ambities z’n stouter alter ego begraven. Kwestie van waardig ouder worden, denk ik. Geef ’em eens ongelijk.

Marc Almond - I'm Not Anyone (2024)

poster
4,0
Dit is niet Almonds eerste coverplaat en ook niet zijn beste. Dat blijft voor mij met voorsprong 'Absinthe'.
Muzikaal sluit 'I’m not Me' mooi aan bij de sterkte van z’n vorige plaat 'Chaos and …' Die continuïteit heeft ongetwijfeld te maken met dezelfde studio- en gastmuzikanten: absolute pro’s in hun bijrol. Daardoor klinkt 'I’m not Me' volwassener dan veel van Almonds meesterwerken, maar tegelijk gaat er ook wat spanning verloren.

Ook de songkeuze blaast warm en koud tegelijk. Laat me dat verduidelijken met een schoolmeesterachtig plusje en minnetje.
+ Ik kende slechts één song in de originele versie, die van King Crimson. Almond heeft dus opnieuw mijn muzikaal palet verbreed.
– Sommige nummers klinken, ondanks hun onbekendheid voor mij, als geplaveide paadjes. Muzikaal te vlak en tekstueel te weinig om het lijf, zo iets. Of om het op een luie vrijdagavond in het Chinees uit te drukken: nummers 2, 5 en 11 zijn zelfs met zoetzure saus moeilijk op smaak te brengen.

Gelukkig overheersen de topnummers ruimschoots. Het openingsnummer I’m the Light is catchy en rechttoe maar ook rijk aan klanken — een song met live-potentieel. Het doet me hier en daar wat aan het betere werk van INXS denken. Gone with the Wind ken ik alleen als filmklassieker, maar Almonds versie spat van enthousiasme. Zestig jaar geleden zou dit een dansplaat zijn geweest.

Het titelnummer I’m not Anyone verdient hier een aparte vermelding. Tekstueel had dit een authentiek Almond-nummer kunnen zijn, net zoals zijn Aznavour-cover What Makes a Man a Man. De credits gaan deels naar Paul Anka, ook bepaald geen kleine naam in de showbizz.

In Smokey Day wordt Almonds gevoelige stem vakkundig ondersteund door strijkers en piano. Met de Mambas gebeurde dat ook, maar toen klonk het vaak stukken chaotischer. Trouble of the World start ijzersterk en ook de korte gitaarsolo in het midden is van edelmetaal. Jammer genoeg drukken de bijdragen van Bryan Chambers de Almond-signatuur iets naar de achtergrond: uitstekend gezongen, maar het voelt daardoor nog minder als een Almond-song. Zonder vocale interactie klinkt het ook niet echt als een duet. Een discipline waar Almond nochtans meerdere artistieke en commerciële successen mee wist te boeken.

Chain Lightning is een moedige keuze, al kende ik het origineel dus niet. Het nummer stamt uit de pen van Don McLean, die van American Pie, inderdaad. De lange tekst rijgt beeldspraak aan beeldspraak zonder echt verhaal, maar Almond brengt het met overtuiging. Daar heb je bakken talent, ervaring en zelfvertrouwen voor nodig. Mentaal en vocaal zit het anno nu blijkbaar wel snor bij de partner in crime van Dave Ball. Over geluidseffecten gesproken: die zijn in deze song opvallend en gericht maar ook spaarzaam en nooit overdreven.

De overige tracks beschouw ik als twijfelgevallen. Een coverversie van I Talk to the Wind had voor mij dus niet echt gehoeven ondanks de fijne collaboratie van Ian - Jethro Tull - Anderson. Maar al met al is 'I’m not Me' een plaat die ik graag integraal beluister — en zelfs probleemloos op repeat zet. Ik ben dan ook niet gewoon zoals iedereen

Marc Almond - Live at the Lokerse Feesten 2000 (2006)

poster
4,0
EX BEASTER schreef:
En ik was erbij toen en zag en hoorde dat het goed was


Ik stond in Lokeren op de eerste rij met een jeugdvriend die ondertussen niet meer onder ons is. Hem kun je wel af en toe zien op de DVD, mij nooit. Ik hoop dat de moderator deze voor mij best emotionele verwijzing naar de beeldschijf wil pardonneren.

De geluidstechnische kwaliteit van deze cd is net aanvaardbaar voor een officiële uitgave. Wel een pluim voor de amper tweekoppige band en voor de mixing. Behalve een te minimalistisch "To die for" klinken de meeste nummers vol genoeg. Merk op dat hier geen enkel Mamba's of "Mother Fist" nummer te bespeuren valt. Daar zijn wellicht meer bandleden voor nodig en dat is toch de formatie waarin ik Almond het liefst zie optreden ... of met Dave Ball natuurlijk.

De songkeuze is best eigenaardig en ook wel moedig te noemen. Anno 2000 was ik 24 jaar en nog maar half ontwikkeld als Almond-fan. Het album "Open All Night" had ik nog nooit beluisterd waardoor 'zelfs' ik tot het vijfde lied moest wachten voor een eerste echte herkenning. De plaat "Tenement ..." had ik wel in huis maar of "My Hand ..." nu het soort lied is om een onwennig publiek voor zich te winnen ...? Achter mij stonden immers lui die ook maar 100 BFR (€ 2,50) hadden betaald voor een festivalavond waar voorafgaand een mengeling van The Selecter en The Specials hadden opgetreden. Mooi dat Almond hier als hoofdact werd geprogrammeerd in tegenstelling tot de avond voordien op Eurorock in Neerpelt - "Meerlest" volgens het infoboekje. Daar beklaagde Almond zichzelf vanwege ... het sfeerverpestende zonlicht.

In Lokeren - "Lokerse" volgens hetzelfde infoboekje - moest het brede publiek wachten tot nummer acht "Something's ..." voor een eerste collectieve aha-Erlebnis. Bij "Pearly" en "Jacky" gebeurde dat opnieuw en met steeds toenemend enthousiasme van de massa. In Neerpelt kregen de wavers en gothics geen "Tainted Love", in Lokeren lekker wel. Naar eigen zeggen was dit een zeldzaamheid omdat hij goedgemutst was. Dat was hij de avond voordien dus niet als ik de regels van de logica op die uitspraak mag toepassen. Beide optredens waren letterlijk en figuurlijk een verschil van dag en nacht ook al wijzigde de songslist maar minimaal.

Het blijft een mysterie waarom Almond in Lokeren wel zo gul was. Erg aanstekelijk coöperatief was het onwennige publiek daar inderdaad niet. Was dit enthousiasme van de protagonist voorgeprogrammeerd vanwege de geplande opname? Hij leek me anders wel spontaan en oprecht, kwaliteiten die ik als verblinde fan graag toedicht aan mijn pop-idool. Al hoor ook ik dat Almond niet altijd even toonvast zingt maar dat is ondertussen z'n handelsmerk geworden. Z'n podium-presence compenseert dit ruimschoots maar dat kan men natuurlijk niet zien op een cd.

Z'n veelzijdigheid - electro, pop en chanson - spat wel van deze audio-opname. Dat gegeven en de emotionele connectie die ik heb met dit live-optreden dwingen me haast tot het toekennen van de maximumscore. Maar door de mindere dingetjes - geen volledige begeleidingsband en geen solowerk van voor "The Stars" - doe ik er ongenadig een hele ster af. Deze live-plaat lijkt me voor fans die er die avond zelf niet bij waren geen absolute must.

Marc Almond - Mother Fist and Her Five Daughters (1987)

poster
5,0
Wie behalve de hits op de albums ’Stars We are’ en ’Tenement Symphony’ niet vertrouwd is met Marc Almonds solowerk, zou ik niet meteen de LP’s van Marc and the Mambas aanraden. Toch meen ik de redenering van de aërodynamische connaiseur hierboven wel te snappen. Muzikaal sluit Mother Fist dicht aan bij de zware kost van het Mamba’s-werk. Akoestische instrumenten domineren en de productie - in de betekenis van overvloedig en technisch hoogstaand knip-, plak- en schaafwerk - lijkt hier nogal minimalistisch. Samen met de Mamba’s-platen behoort Mother Fist dan ook ’s mans meest intimistische werk. De dansbare elektro-pop van Soft Cell is verder weg dan ooit. Dit illustreert de muzikale veelzijdigheid van meneer Almond. Dat is toch een talent waar pakweg Nick Cave minder over beschikt. Soms frustreert het me dat Almond door de hoofdstroom-media lager wordt ingeschat of in elk geval minder ter sprake komt. Al streelt het ook wel m’n ego om m’n status van Almond-fan met enkele duizenden en niet met miljoenen medemensen te moeten delen. Cave en Almond speelden trouwens ten tijde van de Mamba’s nog samen in het gelegenheidsensembe Immaculate Consumptive.

Inspiratie voor ’Mother Fist and her Five Daughters' zou Amond hebben gevonden in een schrijfsel van Truman Capote. ChatGPT maakt me wijs dat de Amerikaanse auteur nooit zelf deze metafoor voor zelfbevrediging publiek of artistiek heeft geuit. Die eer komt (!) dus de zanger uit Southport toe. Liedjesteksten met een dubbele bodem, ik lust ze wel. Zeker indien de extra betekenis zich situeert in de geslachtsrijpe onderbuik en niet te voor de hand (!) liggend is. ’Drive my car’ was midden jaren 1960 een monsterhit en zou wel eens over een ander ritje kunnen gaan dan eentje op vier wielen. Toeval of niet: Southport was in z’n glorietijd een populaire een badplaats voor Liverpudlians.

Vanaf de eerste contrabasnoten op de opener en tevens het titelnummer, is de juiste toon gezet. U hoeft niet zoals ik het kind te zijn van een Oostendse schipper om van de zilte zeemanssfeer doorheen dit album met volle teugen te kunnen genieten. Al hebben potentiële luisteraars uit die stad van mijn jeugd nog een voordeel dankzij het James Ensor-achtig masker dat door Marc de onschuldig ogende matroos een beetje onwennig wordt omhelsd. De eerste bestemming van deze 50 minuten durende trip is evenwel een iets wereldberoemdere stad. Almond bejubelt de ranzige kant van pre-Olympisch Barcelona. Anderhalf decennium later zal hij in een autobiografische reisgids de teloorgang van achterbuurten aldaar ten dienste van het massatoerisme betreuren. Rond die tijd heeft een gereünieerd Soft Cell een bescheiden hitje met Monoculture, een aanklacht tegen hoofdwinkelstraten die in elke westerse stad haast identieke kopieën van elkaar zijn. En in ’The End of New York’ betreurt hij de Giulianistische make-over van de Grote Appel Die Nooit Slaapt. Dat spoken-word album komt kort voor 9-11 op de markt. Omwille van de titel beslist Almond om het na de aanslagen wereldwijd uit de rekken te halen. Almond weet dus veelzijdigheid te combineren met maatschappelijke consistentie.

Terug naar de boottrip van 1987, met natuurlijk een ode aan de zee maar ook aan de tragische actrice en zangeres Judy Garland. De titel ’Saint Judy’ lijkt een heiligverklaring aan dit ongewild icoon van de lgtb-abcd-qwerty-en-azerty-communiteit. Maar dit lied bevat ook snedigheden zoals deze flard poëzie: ”And if I die before I wake up, I pray the Lord don't smudge my make-up.” Wie zoals ik niet werd groot gebracht / klein gehouden met Angelsaksische gebeden en wie Mother Fist (ruim) na 1992 ontdekte, moet misschien ook denken aan dat liedje van Metallica over Klaas Vaak.

Ik schat het verhalend vermogen van rasartiest Almond even hoog in als dat van de allergrootste liedjestekst-smeden zoals Dylan, Cohen, Waters, Reed, Nijgh, Brel, Springsteen, Gainsbourg, De Craene, Morrison ... en Cave. Het sterkste argument op Mother Fist is misschien wel het pareltje ’There is a Bed’. Het bed is hier een metafoor voor het leven: men wordt er in geboren, komt er tot rust, heeft er angstdromen, bedrijft er de liefde, ligt er ziek te wezen en gaat er uiteindelijk in dood. Who-bassist John Entwistle, wiens hart het begaf onder een stel Las Vegiaanse stoeipoezen, wist in een mum van tijd bijna al deze bedactiviteiten te combineren. Some guys have all the luck.

Welke platen ik dan wel zou aanraden om iemand tot het Almond-dom te bekeren? Naast de twee hoger vermelde commerciële succesalbums zeker ook Enchanted. In een poll onder fans op Facebook stemde ik op deze plaat als m’n favoriet. De ruime meerderheid koos evenwel voor Mother Fist. Nog twee aanraders zijn A Virgin’s Tale, Volume I en II. De liedjes op beide albums werden grotendeels ten tijde van Mother Fist ingeblikt en baden muzikaal en thematisch in dezelfde maritieme sfeer. Zeer oneerbiedig bracht Virgin (!) beide albums pas vijf jaar later op de markt zonder noemenswaardige promotie, als betrof het een verzameling overschotjes en B-kantjes. Wie de moeite heeft gedaan om dit onvolledige review helemaal uit te lezen, zou nu beter moeten weten. Verwen uw oren en verruim uw geest zonder gebruik te maken van chemicaliën of andere toxische extracten. Melancholy is the drug and I need to score.

Marc Almond - Open All Night (1999)

poster
3,5
Open All Night (OAN) is een album waar ik het warm noch koud van krijg. Dit is het eerste solo-album waarop Almond zelfs geen poging meer doet om zich op de hitparade te richten. Dat geldt voor al z’n volgende platen en ook voor z’n eerdere werk met de Mambas. Een plaat wars van elke commerciële druk zou bevrijdend kunnen klinken maar niet in mij oren. Ook bij de meeste platen die Almond later nog solo uitbracht, sloeg hooguit een waakvlammetje over. Pas bij Chaos and the Dancing Star in 2020 sloegen er opniew gensters in m’n buizen van Eustachius. OAN zit qua muziek een beetje vastgebeiteld in de millennium-wende. Je kan het loungemuziek noemen, maar is een lounge niet gewoon een wachtkamer met kapsones en alcohol? Genietbaar: ja, beklijvend: mwah. 3,5 sterren lijkt nog gul, maar dat heeft een persoonlijke en nostalgische reden.

OAN kwam voor mij op het scharnierpunt waarop ik Almond dankzij Pierre et Gilles in al z’n muzikale gedaanten begon te ontdekken. Dat was gulzig smullen geblazen. Ongeveer gelijktijdig verscheen z’n autobio en in 2000 woonde ik twee optredens van ’em bij in nog geen dertig uur tijdspanne: op Eurorock Neerplelt en op Lokerse Feesten. Er werden tussen de hits door telkens een viertal songs uit OAN gebracht die haast geen enkele toehoorder leek te kennen. In Neerpelt zei hij verontschuldigend - voor de weinig overslaande vonken - dat de avondzon niet bij z’n donkere songs paste. Vrolijke Frans, die Marc. Dan was hij in veel betere doen in Lokeren rond middernacht. ”I’m in a very good mood” zei hij ondanks dat eerder een bierbeker in z’n richting werd gegooid, wat hij kordaat met een lerarenvingertje afkeurde. In Lokeren kreeg het plebs - in tegenstelling tot de goths in Neerplelt - wel Tainted Love te horen. Van dat optreden is een (bootleg) DVD en live-plaat verschenen.

Marc Almond - Singles 1984-1987 (1987)

poster
3,0
Voor mij een overbodig album. Ik heb een tweedehands LP dan ook weggegeven zodra ik alle nummers op originele LP’s en EP’s had. Ik betwijfel of deze verzamelplaat voor mensen die minder met z’n solo-werk vetrouwd zijn, kan dienst doen als introductie. De echte solohits kwamen pas later en ik tel er eigenlijk maar vier: Jacky, Pearly, Something’s en Tears. Merk op dat driekwart covers zijn. En dan laat ik die monsterhit van Soft Cell nog buiten beschouwing. Wie de uitpuilende schatkist aan Almonds zelf geschreven parels een beetje kent, kan niet anders dan concluderen dat de ondankbare buitenwereld het oevre van Almond oneer aandoet.

Op deze verzamelaar staan haast uitsluitend parels. Met drie sterren lijk ik ongenadig streng en op het eerste zicht belachelijk inconsequent. Nogmaals: het zijn geen hitsingles en ze zijn bijna allemaal te vinden op amper drie commercieel gefaalde studio-albums: één onder de vleugels van Phonogram en twee onder die van Virgin. Op elk van deze platen worden de singles sfeervoller omringd dan op deze compilatie. Behalve de studioplaten uit die periode raad ik ook de left-overs dubbelcompilatie Virgin’s Tale I en II aan, die zo’n vijf jaar na de opnames werden uitgebracht. Jammer dat Almond de kans niet kreeg om deze parels op ’gewone’ of dubbele studio-albums uit te brengen.

O ja, ik kan Guido Belcanto wel pruimen en ik had ook al de connectie gelegd met Almonds oevre en onderwaardering hiervoor. Maar ik ben vooralsnog geen Belcantist. Het groenere gras aan de overkant-effect?

Marc Almond - Stories of Johnny (1985)

poster
4,5
Na z'n eerste echte solo-album Vermin in Ermine uit 1984 ruilde Marc Almond platenmaatschappij Phonogram in voor Virgin. Dit zou lang niet zijn laatste overstap blijken. In zijn autobiografie blikt hij daar met de nodige zelfspot op terug. Bij zowat elke zakelijke scheiding speelden immers dezelfde motieven: artistieke meningsverschillen en commerciële teleurstelling.

Toeval of niet: het openingsnummer van Stories of Johnny gaat over een ruziënd koppel. De verwijten vliegen heen en weer, wat me bekend in de oren klinkt. Maar goed, laten we het hier niet over mijn thuissituatie hebben. Ik heb het over A Lover Spurned van het album Enchanted (1990, Parlophone Records). Dat is een vilein duet terwijl Almond hier op de opener Traumas Traumas Traumas de volledige leadzang voor zijn rekening neemt. Daardoor is de dynamiek iets minder, wat hij probeert goed te maken door zijn stem af en toe te verlagen. Dat werd scherp opgemerkt door de veelschrijver hierboven.

Het titelnummer Stories of Johnny is een rijk gearrangeerde popsong zonder overdaad — een stijl die Almond en z'n team maar één keer over een volledig album wisten vol te houden: The Stars We Are (1988, Parlophone). Pas bij het zien van de videoclip drong het tot me door dat het om het tragische relaas gaat van een jongeman die - o, ironie - overlijdt aan overdadig druggebruik. Johnny dus.

The House is Haunted, een cover uit 1958, krijgt hier een nieuwe jas. Almond versnelt het tempo en transformeert de oorspronkelijke jazzsong moeiteloos tot cabaretnummer. Een duidelijke voorbode van zijn volgende studio-album Mother Fist (1987, Virgin). Helemaal mijn smaak.

Drie sterke songs op rij, die ook nog eens vooruitwijzen naar drie indrukwekkende albums… zou je deze Stories of Johnny dan geen ongeëvenaard meesterwerk mogen noemen? Dat enthousiasme wordt bij track vier wel een tikje getemperd. Love Letter is een aanstekelijk uptempo liefdesliedje, maar de elektroklanken op de achtergrond klinken wat flets. Bij eender welke andere artiest had ik dat door de vingers gezien, maar Almond is een succesvolle pionier in de elektropop — dan mag je wat strenger zijn. Jammer dat Dave Ball hier niet van de partij is. Maar ook zonder zijn oude muzikale partner verkeert Almond in topvorm.

De afsluiter van kant A knipoogt ook naar Almonds muzikale voorgeschiedenis. The Flesh is Willing klinkt als een stevig rocknummer van Marc and the Mambas. Het hoogst ongebruikelijke thema – gewenste intimiteiten in een mentale inrichting – versterkt die associatie. Dat geldt ook voor de lange tekst vol ‘dure’ woorden. Zoals die ook abundant kunnen voorkomen in mijn schrijfsels op deze site.

Wie kant A beluistert, moet ook kant B beluisteren. Die begint met het melodieuze Always. Toch klinkt Almond hier af en toe minder zuiver — wie kan wel altijd (!) een vocale topprestatie leveren? Of waren de vocale partijen overambitieus? Gelukkig vallen er zinnen te horen als "How I love you when you cry". Zo blijft het nummer de moeite van het beluisteren waard.

Contempt zal ik niet misprijzen. Het is een meeslepende song, vooral dankzij de sterke arrangementen van blazers en strijkers. Niemand zingt “Loving is the saddest game to play” zo overtuigend enthousiast als Almond. Wat een genot om telkens weer in het ootje te worden genomen door bedroefde lyriek, verpakt in een opgewekt deuntje.

I Who Never had zo op The Stars We Are kunnen staan: een weelderige productie, keurig binnen de lijntjes. Moet ik mezelf nu saai voelen omdat dit soort Almond-nummers tot mijn favorieten behoren? De titel wordt pas aan het eind voltooid: “This could even make me pray. I who never ever prays.” Een minuscuul minpuntje: had men deze song één plaatsje naar voren geschoven, dus meteen aansluitend op Always, dan werd een intrigerend contrast tussen beide songtitels gecreëerd.

My Candle Burns biedt opnieuw een voorschot op zijn latere meesterwerken. Een engelenkoor — dat elders op de plaat ook opduikt — tilt het nummer op. Het iets lagere tempo lijkt in tegenspraak met de metafoor van een kaars die aan beide kanten snel opbrandt, maar dat is louter interpretatie. Feit is: dit is een volkomen volmaakte voorlaatste track.

Love and Little White Lies begint met een koortje en baslijn. Als Almond vervolgens inzet, hoor je iets tussen rap en gospel - noem het gerust raspel. Halverwege wordt het heerlijk over-the-top cabaret, al laat de productie het hier en daar wat afweten qua helderheid. Ook de lange tekst roept herinneringen op aan de Mambas-periode, maar ditmaal gelukkig zonder trauma’s.

Stories of Johnny hoeft voor mij nauwelijks onder te doen voor Almonds Grote Drie (Mother Fist, The Stars We Are en Enchanted). Dit is gewoon de eerste in een grandioze vier op een rij. Vier-en-een-halve ster is dik verdiend. Wie er ook nog de twee onvolprezen restjes-compilaties A Virgin’s Tale I & II en de Brel-tribute Jacques (1989, Some Bizarre / Rough Trade) bijhaalt, merkt hoe creatief én productief Almond was in die tijd. Zijn drie jaar bij Virgin gelden voor veel fans als zijn creatieve piek. De maagd kende dus meerdere hoogtepunten — het eerste met dank aan de betreurde Johnny.

Marc Almond - Stranger Things (2001)

poster
2,5
Stranger Things was het allereerste Marc Almond-album dat ik meteen na de release in huis haalde. Er zouden nog heel wat dagverse aankopen volgen. Voldoende financieel vermogen en een modulair uitbreidbare platenkast zijn onontbeerlijk om ’s mans productie in deze eeuw te volgen. Een glasvezelkabel volstond in 2001 om zijn website ‘The Theatre of...’ te volgen. Hierdoor wist ik nog voor de eerste luisterbeurt al een klein beetje wat ik van dit album kon verwachten.

Op die website kwam de IJslandse producer uitvoerig ter sprake, maar er gingen geen belletjes jingelen. Blijkbaar genoot Jóhann Jóhannsson toen al enige roem door zijn filmscores. Luisteraars die er op letten, horen dat cinema-effect op meerdere plaatsen in dit album. Wat niemand toen kon horen is dat de jonge producer zeventien jaar later zou overlijden aan druggerelateerd hartfalen. Dit weinig glorieuze einde brengt me meteen bij de opener van Stranger Things.

'Glorious' is verdienstelijk, maar voor mij is het niet dat epische nummer dat sommige luisteraars er wel in herkennen. Het refreintje en de meerstemmigheid klinken me wat te braaf voor de sleazy Almond. Dit nummer had een hoger potentieel.

'Born to Cry' begint duister. Maar na een tijdje schiet het liedje de hoogte in, en dan doel ik op de toonhoogte. Almond kan dat hoge "Goodbye" net niet aan. Ten tijde van Soft Cell was die vocale onzekerheid een sympathiek handelsmerk. Je zou denken dat de ondertussen ontnuchterde en mentaal stabiele zanger hiervan afscheid had genomen. Helaas, en uit het keelgat van iemand met al een stuk of acht levens achter de rug, klinkt het nu eerder ijl.

Ook 'Come Out' klinkt bij aanvang veelbelovend. Gelet op 's mans levenswandel vind ik de titel echter wat inspiratieloos. Twintig jaar eerder riep Diana Ross al overtuigender op om uit de gesloten kast te komen. Het is natuurlijk wel wat moeilijker om uit te breken als je out of key bent.

'Under Your Wing' is een eerste lichtpuntje (!). Almond klinkt hier toonvaster en graaft af en toe wat dieper in zijn stemregister. Je hoort dat hij zich comfortabeler voelt. Niet toevallig werd dit nummer nog gespeeld tijdens het laatste concert van hem dat ik bijwoonde, voorjaar 2023. Tekstueel valt dit vleugelliedje wel wat vederlicht uit.

Die ondragelijke lichtheid wordt nog pijnlijker benadrukt met een lied dat 'Lights' heet. Het doorlopende basrifje kan de kleffe Kerstsfeer geen seconde onderdrukken. Waar is de rebel die tijdens een Mambas-optreden zijn ongezouten ongenoegen uitte over dit opgeklopte nep-feest?

'Tantalise Me' gaat mysterieus van start. Vervang de lichte elektronica door akoestische instrumenten en ik zie Almond-de-matroos voor me. Mother Fist-vibes: een groter compliment kan ik haast niet bedenken. Maar in het refrein ontspoort de trein niet, hij rijdt een ravijn in. Al is dat misschien geen geslaagde beeldspraak met een tempoverlaging en een toonverhoging.

In 'Moonbathe Skin' herken ik voor het eerst ten volle de zanger waar ik zo mee dweep. In deze eigen compositie wordt op zwoele wijze gerefereerd aan de Franse zangeres Juliette Gréco, van wie Almond eerder twee covers zong op het prachtige album Absinthe. Op Stranger Things is stukken eenvoudiger om het absolute hoogtepunt aan te duiden: dit nummer.

'Dancer' vangt nog een pak zwoeler aan en doet wat denken aan het wereldberoemde jazznummer 'Fever'. Alleen lijkt de zanger hier zelf aan koorts te lijden. Zijn stem mist af en toe kracht en de hoge noten zijn opnieuw meermaals niet raak. Voor de chronologie: dit album dateert van vóór Almonds zware verkeersongeval. Onterecht werd toen even voor het functioneren van zijn stembanden en nog veel meer werd gevreesd. Mijn toon (!) zou milder geweest zijn indien Stranger Things kort na het ongeval was opgenomen.

'When It's Your Time' zou ik op heel wat andere albums als een teder momentje beschouwen, zoals 'My Hand over My Heart' of 'Child Star'. Maar dit goed gezongen lied raakt wat ondergesneeuwd door de braaf kabbelende liedjes die eraan voorafgaan. Of om het met oude woorden van de zanger te zeggen: zo wordt tederheid een zwakheid.

Die stelling gaat ook op voor 'End in Tears'. De tristesse past mooi bij de bezongen thematiek. Maar ook dit lied wordt uitgevlakt door het merendeel van de songs die eraan vooraf gaan. Ik mis vonken en reliëf, een soort muzikale Eyjafjallajökull zeg maar.

Het laatste vocale lied, 'Love in A Time of Science', heeft een spanning opbouwend begin. Dit is zo’n moment waarop je de hand herkent van iemand met cinematografische ervaring. Maar zonde van die onbereikbare hoge noten, opnieuw.

De afsluiter is een tekstloze en wat mij betreft overbodige herneming van de titeltrack. Ook naar mijn smaak: te nadrukkelijke cinema-symfonieën, alsof Bugs Bunny op elk moment tevoorschijn kan komen ... in Santa-kostuum.

Op deze website lees je wellicht tienduizend keer dat een album soms moet groeien. Ik vraag me af of er al iemand gewag heeft gemaakt van een album dat kan krimpen. Een kwarteeuw geleden vond ik Stranger Things helemaal ‘wauw’, maar nu vind ik het één van Almonds mindere solo-albums. Doe mij maar een chaotisch album als Fantastic Star dat zowat alle richtingen tegelijk opschiet, dus ook af en toe kwalitatief de hoogte in.

Laat me toch maar afsluiten met wat vrolijkheid: Almond grapte tijdens het concert in 2023 dat de online verkoop van dit album op korte tijd fors was gestegen. Kopers dachten abusievelijk dat het om de soundtrack van de gelijknamige Netflix-serie ging. Hoewel Soft Cell in seizoen vier van die serie virtueel optreedt, kwam het niet tot een roemrijke cameo van Almond. Tot een roemrijk album kwam het zoveel jaar eerder evenmin, maar dat is louter mijn bekrompen mening.

Marc Almond - Tenement Symphony (1991)

Alternatieve titel: Kies und Glanz • Grit and Glitter • Grès et Paillettes

poster
3,5
De originele cd kocht ik pas rond de eeuwwisseling en in die periode heb ik hem grijsgedraaid. Tenement Symphony is volgens mij, na The Stars We Are, Almonds meest toegankelijke soloalbum. Dit keer waren het niet één maar twee covers die voor het commerciële succes zorgden: “Jacky” en “Pearly”. Het zouden zijn laatste grote hits worden. Terugkijkend naar de monsterhit die tien jaar vóór dit album zijn carrière lanceerde, voelt het alsof een cirkel veel te vroeg werd rondgemaakt.

Fans en kenners – in Almondland is dat eigenlijk één en dezelfde groep – betreuren evenzeer dat zo weinig van zijn eigen, vaak briljante nummers ooit een groot publiek hebben bereikt. Ik kan bijna een honderdtal voorbeelden noemen, maar dit album grossiert daar helaas niet in. De meeste eigen composities op Tenement missen voor mij de betovering, de vileine twist en het poëtisch raffinement dat ik van Almond gewend ben. Hij is gelukkig wél uitstekend bij stem en ook muzikaal zit het meestal snor. Wijlen Dave Ball levert hier en daar een bijdrage, waardoor dit Almonds meest Soft-Cell-achtige soloplaat is.

De meest dominante stempel is echter die van succes-producer Trevor Horn. Het knettert hier helaas minder dan bij de muzikale mijlpalen "Relax" of "Slave to the Rhythm". Horn levert met “What Is Love” zelfs één eigen compositie. In mijn oren klinkt het als een tijdgebonden en Almond-onwaardig niemendalletje. In zijn autobiografie blikt de zanger er in andere bewoordingen net zo kritisch op terug. Maar het nummer hoorde nu eenmaal bij de “package deal” die hem aan Horn koppelde.

Ook over de belachelijke albumcover die hautain knipoogt naar Herbert von Karajan en co was Almond ontevreden. Over symfonieën gesproken: het nut van de korte instrumentale intro’s bij de twee coverhits ontgaat me volledig. Maar zodra die singles inzetten, is het er boenk op. Verder spreken “Vaudeville” en “Champagne” me het meest aan. Getuigenissen hierboven vermelden enkele zelfgepende pareltjes die het album niet haalden. Dat maakt van Tenement Symphony bovenal een onevenwichtige plaat, zeker in vergelijking met enkele voorgaande solo-albums van Almond.

Dat onevenwicht heeft waarschijnlijk te maken met de overstap die Almond destijds maakte naar een zoveelste nieuwe platenmaatschappij. Als kersverse aanwinst moest hij zich daar tegen zijn natuur erg inschikkelijk opstellen. En als Amerikaans label had Warner misschien te weinig feeling met Britse excentriekelingen. Ironisch genoeg zou datzelfde Warner eenendertig jaar later voor een kwart miljard dollar de rechten verwerven op het volledige oeuvre van een andere Engelse muzikale alien. Inderdaad, die met de bliksemschicht op zijn gezicht.

Kenners en fans moeten ook kritisch kunnen zijn. Daarom 3,5 sterren voor dit album waarop sommige onderdelen mooier klinken dan het totaalplaatje.

Marc Almond - The Stars We Are (1988)

poster
4,5
Gatver, review-bericht zelf verwijderd omdat ik een woord wou aanpassen. Gelukkig had ik nog ergens een proto-versie opgeslagen.

Midden jaren ’80 hoorde ik voor het eerst bewust de naam Mick Jagger. In een videoclip liep hij te spasten naast een andere zanger wiens naam me als tienjarige nét iets bekender in de oren klonk. Pas jaren later viel mijn vijf-frank muntstuk: de hyperkineet die Bowie wat in de weg liep door de straten van Tokyo en NYC, was ook de zanger van The Rolling Stones. Die van ‘Satisfaction’ en ‘Paint It Black’ en misschien nog wel iets. Ik vraag me af met hoeveel we zijn in het hele universum: mensen die via een zijproject met Jagger kennismaakten, om pas later zijn hoofdwerk te ontdekken.

Iets gelijkaardigs overkwam me met Marc Almond. Als twaalfjarige nam ik lukraak een BRT Top 30-aflevering op cassette op. Tussen de hits zat ‘Something’s Gotten Hold of My Heart’. Puur toeval – en een oudere zus met jeansjas – zorgden ervoor dat ik dat duet solo playbackte bij de lokale jeugdbeweging. Van Almonds muzikale voorgeschiedenis had ik geen flauw idee. Soft Cell’s hoogdagen waren voor mij onbestaande, ik hoorde ‘Tainted Love’ pas bewust toen ik begin jaren ’90 de Tijdloze 100 van radiozender Studio Brussel opnam. Het nummer stond ergens rond plek 70, maar mijn focus lag op de top drie: Deep Purple, Led Zeppelin en – jawel – opnieuw The Stones. Pas toen ik jaren later een goedkoop compilatie-cd’tje in handen kreeg – iets als “VTM Holiday Hits” – legde ik de link tussen beide Almond-covers. De ultieme aha-Erlebnis kwam er pas drie jaar daarna, dankzij de kitscherige kunstwerken van Pierre & Gilles.

'The Stars We Are' ervaar ik zonder twijfel als Almonds meest evenwichtige en daardoor toegankelijkste soloplaat. De veelheid aan instrumenten voelt nooit als 'te veel' aan, de verdienste van een strakke productie. Volgens Almond zelf lukte dat beteugelen minder op de opvolger 'Enchanted'. Al moet gezegd: die plaat is thematisch consistenter als één caleidoscopische droom. Ook 'The Stars We Are' klinkt vaak dromerig maar is thematisch meer versnipperd. Voor luisteraars met minder Almond-ervaring kan die versnippering als meer gevarieerd overkomen.

Ingewijden weten dat ook achter de fluweelzachte romantiek van nummers als ‘These My Dreams Are Yours’ melancholie schuilt. Alleen artiesten als Almond kunnen op zweverige manier dromers doen ontwaken met deze wijsheid “There is never forever, only the moment”. Elders wordt dromen ronduit gevaarlijk, vergiftigd door hypnotiserende gezangen en verdovende middelen, gesitueerd in een sprookjesachtig Istanbul. Dat rijmt op 'vrolijke boel' en dat kan bij Almond nooit de bedoeling zijn. Om de balans te behouden is er het duistere duet ‘Your Kisses Burn’. Zelfs de snelle dood van Nico kon niet verhinderen dat dit ijskoude nummer een beetje ondergesneeuwd raakte. Dat zou niet het geval geweest zijn indien Almonds zangpartner hier die andere tragische bromberin was: Marianne Faithfull. Door haar associatie met de onvermijdelijke Jagger in de bitterzoete jaren '60 had dit duet gefundenes Fressen geweest voor de Britse media. Voor de goede verstandhouding: ook met Nico verdient 'Your Kisses Burn' de aandacht die het nooit kreeg. Zou Nick Cave hier de mosterd hebben gehaald voor z'n onder lof bedolven duet met Minogue?

Op een plaat zonder echte zwakke plekken springt ‘Tears Run Rings’ er voor mij uit. Na de Soft Cell klassiekers ‘Torch’ en ‘Say Hello...’ is dit misschien wel z’n grootste zelf geschreven hit. Het kringende tranenlied klinkt op het eerste gehoor wat feestelijk, de tekst is vlijmscherp. Hier horen we een zeldzaam politiek geëngageerde Almond. Geen zeurende Dylan, wel iemand met een duidelijke waarschuwing tegen conservatieve krachten die verworven vrijheden willen terugdraaien. Eind jaren ’80 klonk dat dystopisch, vandaag is het helaas bittere realiteit. Wie 'The Handmaid’s Tale' heeft gezien, weet misschien nog dat afleveringen vaak eindigen met een 80's song. Eén aflevering eindigt met een beeld van het Washington Monument, omgevormd tot kruis. Hoe perfect was ‘Tears Run Rings’ daar geweest als soundtrack? Ik weet niet meer voor welke song men wel koos maar dat was dus niet de beste keuze.

'The Stars We Are' werd Almonds grootste commerciële succes als soloartiest. Maar écht commercieel klinkt het nooit. De originele LP bevat trouwens ‘Something’s Gotten...’ in de soloversie, zonder Gene Pitney. Dat duet werd later toegevoegd als bonustrack op de CD-versie. Sta me toe 'The Four and a Halve Stars I Give' te verantwoorden door naar z'n voorganger en opvolger te verwijzen. Zowel 'Mother Fist' als 'Enchanted' schat ik nog hoger in. Maar 'The Stars We Are' is en blijft een prachtplaat. Een onvermijdelijke mijlpaal op eenieder die z'n eigen weg aflegt om rasartiest Almond te ontdekken.

Als beloning voir de leesinspanning, deel ik deze link. Die leidt(!) naar een krantenpagina. Onder de gefotografeerde kop van ’Showbiz Joop’ lees je over een dispuut dat Almond en Pitney met hem hadden n.a.v. een optreden in een razend populaire tv-show op de Nederlandse buis. Wedden dat de journalist van dienst niet vertrouwd was met het werk van Marc Almond?

Marc Almond - Treasure Box (1995)

poster
4,5
Een mooie mix van remixes en verborgen parels. In die eerste categorie steekt 'The Desperate Hours' er positief bovenuit. Logisch of net niet want de originele versie is mijn favoriete song op mijn favoriete Almond-studieplaat. De remix vind ik dus nog aanstekelijker, ook al zijn de xylofoonklanken wellicht van synthetische aard.

Over naar de pareltjes, waarbij ik me net als bij Virgin's Tale I en II afvraag waarom deze songs niet plaat- of zelfs single-waardig werden bevonden toen ze werden ingeblikt. Was Almond overproductief - kiezen is altijd een beetje verliezen - of werden z'n vaak verhalende songs beschouwd als niet geschikt voor de gemakkelijke radioluisteraar? The Gambler en Exotica Rose zouden om louter esthetische redenen op elke best-of moeten staan en niet enkel op deze schatkist.

Ik vraag me overigens af of de titel van deze dubbel-cd een vorm van zelfspot is of van zelfverheerlijking. De eerste optie lijkt me meer plausibel maar ik ben geen ervaren gokker. Omdat het niet al goud is wat blinkt: vier-en-een-halve ster.

Marc Almond - Vermin in Ermine (1984)

poster
4,0
Kort na de millenniumwende stelde een online Marc Almond-fanforum de vraag welk soloalbum van hem het minst werd gewaardeerd. Ik noemde toen Vermin in Ermine, simpelweg omdat ik op dat moment liever naar andere platen van de man luisterde. Mijn favoriete albums omvatten ook zijn artistieke en commerciële hoogtepunten, dus was het een ongelijke strijd voor de plaat met het grote rode hart op voor- en achterkant. Nog een verzachtende omstandigheid: Almonds werk ná 2000 – dat mij over het algemeen minder weet te raken – moest toen nog uitgebracht worden. Ik herken me dus wel in die vroege onderschatting door sommige forumleden, en in het rijpingsproces dat uiteindelijk tot een hogere waardering leidt.

Shining Sinners is pure Marc and the Mambas, en net daarom één van de nummers waar ik niet van moet weten. Een ellenlange tekst afdreunen voor een flinterdun streetgang-fabeltje met nog maar eens een kattenimitatie, het mag voor mij verticaal de vuilnisemmer in. Tot mijn opluchting wordt het enerverende ritme halverwege door een fijn blazersintermezzo onderbroken. Als een beademingsmachine zorgt de windsectie ervoor dat ik niet al na één lied uitgeteld in de touwen hang.

Het hemels genot van Hell Was a City wou ik immers niet gemist hebben. Zoals het merendeel van de nummers op dit album, gaat het er nu wel lekker uptempo en melodieus aan toe. Maar of het daardoor ook geschikt was als single? Een zin als: “Toen Jezus voor mij stierf, walgde Hij van de beklagenswaardige verspilling van zijn eigen geboorte,” zou in die tijd ongetwijfeld tot boze bellers hebben geleid. Naar het einde toe zakt het tempo, en neemt een blazer het over alsof het om een brave popsong gaat. Dat op-het-verkeerde-been-zetten wordt hier stilaan Almonds handelsmerk.

Dat toont hij ook in You Have "... the saddest eyes." Dit is Almond ten voeten uit: uitbundig de tristesse bezingen. Jazzy blazers en een engelenkoortje begeleiden zijn vocale topprestatie. Tegen het einde gaat hij zelfs fluisteren, wat het nummer extra reliëf geeft. Dit is duidelijk een voorloper van de meesterwerkjes op Mother Fist en The Stars We Are. Dit had een monsterhit kunnen – of moeten – zijn.

Crime Sublime neigt opnieuw naar de Mambas, maar dan gelukkig zonder een stortvloed aan zinnen. De strijkers klinken stijlvol, en een flamencogitaartje voegt wat exotische kruiden toe. Omdat ik meer houd van de uitbundige Almond, blijft dit voor mij een twijfelgeval.

Gutter Hearts is ook de bijnaam van Almond-fans. Er bestaat zelfs een boekje met die titel en Almond in de hoofdrol. Dat heb ik destijds gekocht in een nogal 'gespecialiseerde' winkel in Brussel. De eerste pianonoten van het gelijknamige lied klinken Mambas-achtig, maar de song slaat al snel over in semi-vrolijk “la-la-la”. Ook dit blijft voor mij een twijfelgeval, mede door de onnodige geluidsvervormingen halverwege. De blazers leveren hier opnieuw puik werk.

Kant B opent met het absolute hoogtepunt. Ugly Head vertelt het verhaal van een aan lager wal geraakt personage dat zichzelf veracht. Herinneringen aan pesterijen uit de kindertijd maken het nog schrijnender. De jij-vorm maakt het extra confronterend, alsof het over de luisteraar gaat. Maar alleen een rasartiest als Almond, in topvorm, kan zo’n beladen thema brengen als een aanstekelijke meezinger. Het nummer ademt striptease-cabaret. De elektrische gitaar zorgt voor pit en een zin als “You have to eat the hamburger to appreciate the steak” maakt het helemaal af. Uiterlijke en innerlijke lelijkheid wordt hier zo sierlijk bezongen. Hoedje af – de rest had ik al uitgetrokken!

The Boy Who Came Back is opnieuw doordrenkt van melancholie. Een man verlaat zijn gezin, volgt zijn hart en keert uiteindelijk terug. De Bijbelvaste luisteraar herkent ongetwijfeld de Verloren Zoon. Toch is het vooral de muziek die dit nummer tot een pareltje maakt.

Solo Adultos is helaas een voorbeeld van wat ik inmiddels Mambas-trash ben gaan noemen – niet mijn ding. Gelukkig wordt dat ruimschoots goedgemaakt door Tenderness Is a Weakness: pure poëzie, overgave en melodie. Een prachtige afsluiter van een album met veel hoogte- en enkele dieptepunten.

Vier gulle sterren is het verdict voor Vermin in Ermine, oftewel 'Ongedierte in Hermelijn'. De platenmaatschappij zal destijds minder hard gelachen hebben met de tegenvallende verkoopcijfers, maar wie weet is ook hun geest intussen gerijpt.

Marc Almond - Violent Silence (1986)

poster
3,0
'Violent Silence' is een live-EP, al hoor je dat nauwelijks. Gelukkig maar, want het gaat om een handvol songs die Marc Almond – voor zover mij bekend – nooit in de studio heeft opgenomen. Vermoedelijk applaudisseerde het intellectuele publiek pas nadat elk nummer volledig was uitgespeeld. Dat geklap moet dan vakkundig uit de opnames zijn verwijderd. Voor dit puike knip- en plakwerk nam men wel ruim de tijd: het optreden vond plaats in het Orwelliaanse jaar 1984, maar de plaat verscheen pas twee jaar later.

Almond en zijn ensemble kregen een klein half uur op een Londens podium tijdens een festival ter ere van de Franse schrijver G. Bataille. Fans van diens werk – waaronder naast Almond ook bijvoorbeeld Björk – nemen het niet zo nauw met lichamelijke taboes. In Batailles teksten worden eieren, oogballen en rauwe stierenkloten op andere dan orale wijze tot het lichaam toegelaten. Uiteraard allemaal metaforisch bedoeld zoals ook in de beruchte Japanse film 'Het Rijk der Zinnen'.

Als waarschuwing staat achterop de hoes: “Songs of Love and Murder”. Of die inderdaad de geestelijke gezondheid kunnen schaden, mag de luisteraar zelf bepalen. Murder ballads zijn trouwens veel ouder dan Nick Cave’s gelijknamige album uit 1996 – een artiest met wie Almond destijds af en toe samenwerkte. Toch moet je op Violent Silence geen songs verwachten als ‘Where the Wild Roses Grow’. Neuriën, zachtjes wiegen of meezingen is er quasi nooit bij omwille van de melodische manco's. Dat verwijt maakte ik eerder ook aan het adres van de Mambas-dubbelaar Torment and Toreros (T&T).

Oei, er zijn nog meer gelijkenissen met 'T&T' want het instrumentaal personeel bestaat opnieuw uit ex-Mamba-leden. Dit keer zijn het er slechts drie, waaronder slechts één strijker en nul blazers. Wellicht verklaart die zuinige bezetting waarom er nu geen muzikale ontsporingen – improvisaties volgens welwillenden - te horen zijn. De muzikale leiding ligt eerder bij pianiste Annie Hogan dan bij Almond zelf. Hoewel droefgeestige pianoliederen doorgaans niet mijn voorkeur genieten, moet ik ook op deze plaat het bovenmenselijke vakmanschap erkennen van mevrouw Hogan. Ongewild denk ik nu aan die bejaarde Amerikaanse krachtpatser met dezelfde achternaam, die voor geld zijn politieke steun verkoopt aan een nog grotere schertsfiguur. Maar dit is een apolitiek forum, dus probeer ik gauw m'n gedachten te verzetten met behulp van een eierdoos. Sinds heel kort heeft dat woord meerdere betekenissen voor mij.

Tekstueel levert ook Almond hier een krachttoer, al ontgaan me de literaire verwijzingen naar de ranzige Fransman in kwestie. Na de instrumentale opener Blood Tide opent Almond vocaal een indrukwekkend scala: sensueel, fluisterend, maar ook vilein en sinister. Een vermogen waar hij ook mee uitpakt op zijn drie sterkste soloalbums: 'Mother Fist', 'The Stars We Are' en 'Enchanted'. De door overmatig druggebruik vocale beperkingen van T&T zijn hier verdwenen. Hun symbolische begrafenis sluit zelfs thematisch aan bij de onderwerpen die worden bezongen in Healthy as Hate. Passeren hier de revue: verlangen naar moord en zelfmoord en het bejubelen van liefde na de dood.

Things You Loved Me For lijkt te gaan over het einde van een sadistisch liefdesverhaal. Wat het aangespoelde dode jongetje daarbij doet, is me niet duidelijk. Misschien slechts een verontrustende metafoor. Of een poging tot schok-esthetiek zoals de slang van Alice en de vleermuis van Ozzy.

Body Unknown aan het begin van kant 2, opent met een herhalend pianomotief dat gaandeweg versnelt. De tekst is verhalend en wordt ritmisch gebracht, wat in combinatie met de opbouwende muziek een sterk filmisch effect oplevert. Voor zover ik het verhaal begrijp, wordt de verteller belaagd door een (ex-)geliefde. Fysiek en psychisch geweld vormen de ruggengraat van deze relatie. De verteller blijkt een morbide fotocollectie van onbekende lijken te onderhouden. En al gauw wordt het duidelijk wie daar het volgende ‘model’ in wordt.

Almond trok destijds vaak op met J.G. Thirlwell, beter bekend als Foetus. Misschien is de begintekst van Unborn Stillborn – over een duivels kind gevangen in de baarmoeder – een verwijzing naar die artiest. Ook de rest van deze, iets kortere songtekst is een aaneenschakeling van metaforen. Ik heb geen idee wat ze betekenen maar dat mysterieuze karakter heeft wel enige charme. Intrigerend materiaal voor wie er dieper wil op ingaan.

Violent Silence is ondanks de verzorgde productie en de vocale kwaliteit van Almond verre van een toegankelijk album. En sorry, maar zo heb ik Almond-platen liever niet. Dat ik de korte speelduur van deze EP als een voordeel ervaar, is op z’n zachtst gezegd een bedenkelijke ... eh, bedenking. Als deze plaat langer had geduurd, was dat ten koste gegaan van mijn aandacht en van de toegekende sterren. Dat zijn er nu drie. Voor wie dit tot het beste uit Almonds oeuvre rekent – Annie Hogan bijvoorbeeld – zal dat wel als erg zuinig overkomen. Ik sta ik open voor uitleg maar wel uitsluitend via de gebruikelijke organen.

Marc Almond & Marie France - Marie et Marc (1996)

poster
4,5
Het jaartal van uitgave doet misschien anders vermoeden, maar de samenwerking tussen Almond en de Frans-Algerijnse zangeres - formerly een zanger - gaat terug tot de Enchanted-periode (1990). Daar zongen ze samen de enige échte hit van dat sprookjesalbum: “A Lover Spurned.” De videoclip en platenhoezen – van die single, het album én van deze mini-cd – kwamen allemaal voort uit de verfijnde handen van Pierre et Gilles.

Op deze release duetteren Marc en Marie - gelukkig zonder Huijbregts - enkel op twee bekende covers. In "A Quoi ça Sert ..." doet Almond het in het Frans, al is Franglais misschien een meer treffende omschrijving. Op de achtergrond van "Les Feuilles Mortes" gaan aangebrande dialogen al dan niet zaadloos over in kreunpartijen. Dat moet wel een dikke knipoog zijn naar Serge Gainsbourg & Jane Birkin. In “The Flame” en “Sheherazade” zingt Almond dan weer niet mee, maar beide tracks klinken opvallend almondesque. Geen toeval, want hij schreef eraan mee. Vooral “Sheherazade” baadt heerlijk in oosterse sferen, helemaal in lijn met enkele pareltjes op Enchanted en op zijn meer succesvolle voorganger The Stars We Are.

Jammer dat deze samenwerking nooit de vorm kreeg van een volwaardig album, want hier was een melodieuze, theatrale, guitige en ronduit betoverende Almond aan het werk. Ik ben er dol op ... moi non plus.

Marc and the Mambas - Torment (1983)

poster
2,5
Ik was al lang vergeten dat ik dit plaatje ongeveer een kwarteeuw geleden op de kop wist te tikken. Bescheiden op de back-cover prijkt een fijn portret van Almond, net als op de Mambas-dubbel-LP.

Torment - de titel-single, of hoe noem je dat op een EP? - kon me in 33 toeren al niet bekoren. Ik veronderstel dat dit dezelfde versie is. Ik ga in elk geval mezelf niet kwellen om eventuele verschillen op te merken. Met First Time staat gelukkig ook één van de betere songs uit die dubbelaar op deze EP.

Het zondagsliedje is nooit eerder uitgegeven maar deed me bij de eerste luisterbeurt in ruim 20 jaar haast niks. Dan maar eens de tekst erbij halen. Pluspunt: You'll never see me on a Sunday is tekstueel helemaal niet overdadig. Bij momenten is het poëtisch te noemen maar o zo voorspelbaar badend in steeds opnieuw hetzelfde zelfbeklag. Je kan stellen dat de sobere muziek - met strijkers die keurig niet meer doen dan wat ze moeten - hier mooi bij aansluit. Maar ik had die tristesse liever gehoord in contrast met muzikale uitbundugheid, zoals bij de song Mr. Sad op de LP Mother Fist.

Op kantje B staat een extra lange versie van A Million Manias. Voor de flauwe grap krijgt het nummer hier een nieuwe, allitererende titel. Ook niet geestig: Almond die een extra aantal keren om een pistool vraagt.

Omdat ik me minder ergerde dan bij Torment and Toreros krijgt de EP zonder stierenvechters een half sterretje meer.

Marc and the Mambas - Torment and Toreros (1983)

poster
2,0
De originele dubbel-LP heb ik al bijna 25 jaar in huis. Ik draaide ‘m destijds een paar keer, maar sindsdien bleef hij stof vergaren. Toch wordt 'Torment and Toreros' (T&T) door fans als een cultmeesterwerk beschouwd. Het album geldt als een muzikale scharnier richting Almonds latere solocarrière, die ik wél erg waardeer. Tijd dus om mijn oren opnieuw te spitsen voor het tweede en laatste studioalbum van Marc and the Mambas.

Helaas: kanten 1 en 2 grepen me ook in 2025 niet meteen bij de lurven. Belangrijk woord: meteen. Zelfs de meest lovende reviews erkennen dat 'T&T' geen hapklare brok is. In plaats van met frisse tegenzin kant 3 op te leggen, gaf ik de eerste twee kanten een herkansing — ditmaal mét tekstblad bij de hand. Mijn oordeel milderde lichtjes. Wat ik vooral mis, is melodie. Sombere teksten zijn geen bezwaar — je bent geen Almond-fan als dat wél zo zou zijn — maar ik wil wel iets kunnen meezingen, neuriën of ritmisch op mee wiegen. En dat blijft grotendeels uit.

De tekstloze Intro begint hoopvol en bouwt fraai op, tot blazers het geheel in kakofonie doen ontsporen. De halve seconde stilte aan het einde maakt het bovendien geen logische brug naar Boss Cat. Ook in dat nummer klinken instrumenten als los zand. Het opzettelijk kattengejank doet de song geen goed. Was Boss Cat maar net zo melodieus als The Cure’s kattenliedje uit hetzelfde jaar. Zou Almond hier verwijzen naar zijn performance als kunststudent, waarin hij zich poedelnaakt insmeerde met kattenvoer? (Bron: ‘Tainted Life’). Nog een gedachten-kattensprong: de groepsfoto binnenin de hoes — de Mambas in freaky kostuums — doet me denken aan de musical ‘Cats’.

The Bulls klinkt vertrouwd — het staat ook op het album ‘Jacques’, dat ik wat vaker heb beluisterd. Toch blijft ook dat geen favoriet. ‘Absinthe’ is wat coveralbums betreft Almonds chef d’oeuvre. Catch a Fallen Star prijkt op één van Marcs bovenarmen — iets wat me opviel toen ik lang geleden een digitale tekening van ‘m maakte. Tekstueel sterk, maar muzikaal wat omslachtig. De strijkers daarentegen zijn wél prachtig. The Animal in You bundelt zowat alle minpunten van de vorige nummers, met daarbovenop een snerpend Velvet Underground-geluid. Net als bij de laatste meters van een pijnlijke achtbaanrit ben ik blij als deze plaatkant eindigt.

In My Room heeft eindelijk voldoende melodie, al is dat hoofdzakelijk te danken aan de oorspronkelijke makers: S., J. en G. Walker en J.S. Bach. Marc en zijn Mambas verdienen wél een pluim voor de songkeuze en uitvoering. De kamer als geheugenruimte is een mooi beeld dat Almond vermoedelijk inspireerde tot het meesterlijke There Is a Bed op ‘Mother Fist’. Ook First Time is een terugblik, deze keer op – u kan het al raden - zijn eerste neukbeurt. Gelukkig gaan de teksten hier niet de vleselijk expliciete kant op. Maar omdat Almond wel vaker iemand van uitersten is, dreigt First Time te verzuipen in een overdosis aan metaforen. Er wordt gewreven langs “een halsketting van bijtsporen” en een duivel doodt een engel, dat soort dingen. Die eerste keer speelde zich blijkbaar af op het strand, wat geografisch kan kloppen voor iemand die zijn jeugd in Southport heeft doorgebracht. Met wat zee-accordeon had dit liedje niet misstaan op datzelfde 'Mother Fist'-album, onder de strikte voorwaarde dat het geen bestaand nummer op die plaat mag vervangen.

Your Love is a Lesion duurt ruim vijf minuten, en zoals vaker op ‘T&T’ geldt: enkel mooie liedjes duren niet lang. Ondanks een veelbelovend begin verzandt ook dit nummer in langdradige chaos. Wat opvalt: veel teksten zijn retro-spectief, terwijl Almond toen nog maar midden twintig was. Titels als My Former Self en Once Was onderstrepen dat achteromkijkend standpunt. In My Former Self spiegelt Almond zich als songsmid iets te gretig aan Brel — goede smaak, maar ook wat overmoedig. Over afsluiter Once Was valt enkel te zeggen dat die de albumtitel alle eer aandoet. Dit is mede door de jankende cello’s vijf volle minuten pure zelfkwelling. In een verhoorkamer met dit nummer in herhaal-modus op de koptelefoon zou ik in alle onschuld de zwaarste misdaad bekennen … of begaan. Die lugubere gedachte brengt me bij een anekdote uit Almonds autobiografie. Hij bekeek een tv-reportage over een seriemoordenaar. De camera zoomde in op diens platencollectie met prominent vooraan de prachtige hoes van ‘T&T’.

De gitaar aan het begin van The Untouchable One klinkt spannend – een beetje Pete Townshend - maar zodra Almond aan zijn klaagzang begint, ontspoort de song. Al is dat mede de onverdienste van de instrumentalisten. Sommige fragmenten bekoren me wel maar dat maakt er nog geen sterke song van. Mogelijk is dan al het instrumentale Blood Wedding ingezet want een overgang is nauwelijks merkbaar. Helaas constateert mijn tevredenheidsschaal dat kant 3 en dus plaat 2 niet veel beter begint dat hoe plaat 1 eindigde.

In Black Heart zit wel alles meteen goed en dat blijft zo de hele song door. Het tempo, de tekst, de sfeer, de muzikale begeleiding en – size matters – de lengte zijn uitgekiend en afgestemd. De blazers wachten netjes hun beurt af, zoals in klassieke jazznummers. Mogelijk is dit zelfs de enige song uit het hele Mambas-repertoire die als single werd uitgebracht. Dat was artistiek gezien een terechte keuze die in het chaotisch universum der Mambas gedoemd was om commercieel te floppen. Fast forward naar het eerste coronajaar. Almond gaf toen een gratis digitaal concert. In de livechat liet ik weten dat hij met zijn intense blik in de camera “a spell on me” had. Zelden was ik populairder op een sociaal medium.

Narcissus ademt pure treurnis. De medley gaat daarna verder met Gloomy Sunday. Leuk, dat western-achtige gitaartje, maar wat een zeurkous is Almond ook hier weer. Hij was zeker niet de eerste westerling die deze Hongaarse traditional uit 1933 coverde – onder meer Billie Holiday en Ray Charles gingen hem voor. Toch toont deze keuze Almonds eigenzinnigheid: hij trekt zich weinig aan van wat platenbazen willen. Die houding duikt jaren later opnieuw op tijdens zijn Russische zijsprongetjes. Tijdens Vision maakt de naald van mijn platenspeler twee kleine kraak-sprongetjes. Dat ik dat niet erg vind, zegt genoeg. Tegelijk zorgt het er wel voor dat de druk zwaar op de laatste plaatkant komt te liggen.

Ook Torment schiet soms alle kanten op, al gebeurt dat gelukkig minder gelijktijdig. Volgens de gatefold is het nummer geschreven door Almond en (Steven) Severin van Siouxsie. Andere bronnen vermelden ook Robert Smith als co-auteur. En laat nu net het volgende nummer, A Million Manias, in de intro sterk aan het poezennummer van The Cure doen denken. Helaas verdwijnt die herkenbaarheid snel. De structuur en melodie vervagen, en met alweer een ellenlange tekst haak ik opnieuw af. Gelukkig volg ik de lyrics niet letterlijk, anders had ik een pistool nodig gehad om mijn hersens eruit te blazen.

Met wie Almond duetteert op My Little Book of Sorrows weet ik niet, maar diens zware, toononvaste stem is het enige minpuntje. Hier wordt tenminste nog eens zorgvuldig opgebouwd, waardoor de lange maar beter getimede tekst niet stoort. Op andere albums zou ik dit een mooi opvullertje noemen, op ‘T&T’ is het een zeldzaam lichtpunt. Dat het door drugs geteisterde Mambas-ensemble desondanks muzikaal talent bezit, blijkt uit afsluiter Beat Out That Rhythm on a Drum. Helaas illustreert de bruuske overgang na de intro opnieuw de gebrekkige productie. En als het al gewaagd is om Brel te benaderen, wat te denken van het zingen van een operastuk van G. Bizet? Tenenkrommend zijn de teksten die Oscar Hammerstein De Tweede in 1943 toevoegde als vervanging voor het originele “tralala-lalalalalaaah”. Volgens mij maakte Almond hier een slechte songkeuze, die bovendien matig uitgevoerd wordt.

De kans is groot dat ‘T&T’ opnieuw voor minstens een decennium in de kast belandt. Twee sterren betekent – op zijn Vlaams gezegd – dik gebuisd. Dit is veruit de laagste score die ik ooit gaf, en vermoedelijk ooit zal geven. Ik voel er weinig voor om albums te beoordelen die me niet liggen. Maar als Almond-fan – vooral van zijn solowerk – vond ik het mijn plicht om ‘T&T’ onder de loep te nemen. Ik begrijp dat sommigen op dit forum ontgoocheld of minstens verrast zullen zijn. Hopelijk wordt mijn onderbouwde mening begrepen, zonder boosheid tot gevolg.

Overigens bevind ik mij met mijn strenge oordeel in het fraaie gezelschap van Marc Almond zelve. In zijn autobiografie noemt hij het hoofdstuk over de twee Mambas-albums niet voor niets The Mambas and the Madness. Die ‘madness’ slaat niet op vrolijkheid, maar op buitensporig druggebruik – inclusief heroïne en het gezelschap van sujets als Nick Cave en Genesis P. Orridge. Ik weet niet wat het meest schadelijk is voor geest èn lichaam, maar sommige nare neveneffecten zijn duidelijk hoorbaar op 'T&T': chaos, een verzwakte zangstem en een schrijnend gebrek aan zelfkritiek. Een terugblikkende Almond – dan al halverwege de veertig – noemt zowel ‘Untitled’ als ‘T&T’ te slordig en te lang. I couldn’t agree more.

Bij de release in 1983 omschreven popmagazines ‘T&T’ als de ideale soundtrack bij een zelfmoordpoging. Laat dat – samen met de platencollectie van een eerder genoemde seriemoordenaar – een dubbele waarschuwing zijn voor wie dit album nog wil ontdekken. Voor wie nog moet beginnen aan Almonds solo- en Mambas-werk parafraseer ik graag Baron Hoogmoed uit de Efteling: “Geestelijke rijkdom ligt in het verschiet!” Ga vooral je eigen weg, maar dit is de volgorde die ik persoonlijk adviseer, gebaseerd op een combinatie van mijn favorieten en van wat ik het meest toegankelijkst acht:

1. The Stars We Are
2. Enchanted
3. Mother Fist
4. Absinthe
5. Chaos and a Dancing Star
6. Tenement Symphony
7. A Virgin’s Tale Vol. II
8. Fantastic Star
9. Variety

Marc and the Mambas - Untitled (1982)

poster
3,5
Naar duistere platen luisteren kan blijkbaar psychische bijwerkingen veroorzaken. Wie z'n bovenkamer op tijd en stond ventileert met luchtige deuntjes, gaat toch niet gedurende meerdere jaren schriftelijk met zichzelf communiceren, al dan niet in het volle besef dat de hele wereld vanop een veilige afstand digitaal kan meelezen. Ik hoop dat de drievoudige boodschapper hierboven mijn waarschuwing niet kwaadschiks opvat

Laat me nog wat meer natrappen, dit keer gericht onder de gordel van de verantwoordelijke(n) voor de even pretentieuze als nietszeggende titel van dit album. Door de eeuwen heen zijn er talloze titelloze kunstwerken uitgebracht – ook buiten de muziek. Maar dat er tijdens of na een creatief proces plots geen greintje inspiratie meer overschiet om een passende titel te bedenken? Onbegrijpelijk. De allereerste kunstenaar die met dit idee uitpakte, verdient nog enige lof voor de vondst. De rest krijgt van mij die spreekwoordelijke schop. Reken daar gerust de artiesten bij die uitpakten met een 'White Album' of een 'Black Album'. Whollah, daar gaan de Beatles-, Prince- én Metallica-fans. Die zijn hier op MuMe ongetwijfeld talrijker dan die ene (beledigde?) Almond-adept, mezelf even niet meegerekend. Achter jezelf moeten aanhollen is immers ook al zo’n bijwerking.

Een album vernoemen naar een liedje op de plaat getuigt mijns inziens ook niet van een overmaat aan creativiteit. Lap, ook de Bowie-fans boos. Hopelijk just for one day. Over artiesten die hun album vernoemen naar een nummer op een ander album begin ik niet – dat publiek is al genoeg dazed and confused. En ja hoor: de opener van 'Untitled' heet ... 'Untitled'. Een meerlagige gimmick van Almond & co., wellicht. Die ‘co’ bevat overigens iemand die z’n (latere) band 'The The' noemde – een duidelijke sneer naar bands met 'The' in hun naam, en eigenlijk naar alle bandnamen tout court.

‘Untitled’ – het nummer – is meerlagig als een lasagne van een luxetraiteur. Marc & The Mambas geldt als akoestische zijsprong van Soft Cell-zanger Almond, maar deze opener zet kil en ritmisch in. De strofes zijn weinig melodisch en doen denken aan de langere nummers op 'The Art of Falling Apart'. Het contrast met het refrein maakt het echter boeiend. “It’s such a shame...” is geen zonde of iets waarvoor men zich moet schamen. Het is een melodische meezinger waarvan ik ondanks de sombere tekst ga zweven. Verklaar me gerust psychisch gestoord omdat ik dit omschrijf als lichtvoetige Mozart anno 1982. Hulde aan pianiste Annie Hogan, die Almond tot begin jaren ’90 zou blijven begeleiden.

In 'Empty Eyes' klinkt Almond alsof hij geniet van vernedering en afwijzing. Het doet vermoeden dat deze song zo z’n plek zou hebben in een obscure SM-club ... al zeg ik dat als ervarings-ondeskundige. De sleazy sfeer van Soft Cell is nooit ver weg. Mits een tekstuele verwijzing naar één of andere havenstad had dit nummer niet misstaan op zijn magnum opus 'Mother Fist'.

‘Angels’ opent met een elektrische gitaar die zo zwaar door een choruspedaal is gejaagd dat ik me afvraag of een vermiste Vic ergens rondhangt op Echo Beach. Toch wordt die gitaar minder dragend en verliest het nummer richting. Of beter gezegd: het kiest géén richting. Potpourri is het resultaat – niet mijn favoriet van de plaat.

'Big Louise' opent mysterieus alsof je onzeker op weg bent naar een bestemming met de naam Twin Peaks. Maar dat wordt helaas snel de kop ingedrukt door Almonds kerkgezang. Had ik dit op cd, dan drukte ik hier op 'next' maar met de naald op de originele LP-dubbelaar ben ik voorzichtig in de omgang. In het oeuvre van Scott Walker ben ik niet thuis, maar hij moet toch songs in z'n catalogus hebben die hier gedrenkt in een amandelsausje (sorry) beter tot hun recht zouden komen.

‘Caroline Says’ is een geslaagd eerbetoon aan de fluwelen bendeleider uit NYC. Live waardeer ik Almonds interpretaties van grootmeesters als Reed en Brel enorm, maar op een album vol eigen materiaal komt het wat opvullerig over. Als hij de studio induikt voor covers, zie ik liever een volledig thematisch album en bij voorkeur van minder bekende nummers. Net daarom waardeer ik 'Absinthe' – de plaat, niet de drank - en vind ik 'Strangers in the Night' op Stardom Road een pijnlijke mismatch.

'Margaret' is een instrumentaal pianostuk van Hogan. Bij mij roept het vooral vragen op: "Waarom?", "Gaat dit over Thatcher?" en "Bestaat er een LP-zapper?" Drie keer niks, helaas.

‘If You Go Away’ wijkt meer af van het origineel dan de Reed-cover – mede door de vertaling natuurlijk. Hierdoor voelt het minder als een Brel-cover en meer als een Scott Walker-cover, de artiest waar ik niet zo in thuis ben ... En deze cover bevalt me meer dan dat liedje over dikke Louise. Principes zijn er om af en toe vanaf te wijken. Zo ervaar ik ook bij zijn latere interpretaties van ‘Jacky’ en ‘Pearly’ multi-zintuiglijk genot.

'Terrapin' begint met een wel erg laag gezongen stem ... tot ik besefte dat deze plaat op 45 toeren moet worden afgespeeld. Ik behoor tot die Floyd-fans die alles vóór 'Dark Side of the Moon' als probeersels beschouwen. Toch ben ik aardig vertrouwd met al die probeersels en ook met Barretts solo-werk zoals 'Terrapin'. Ik heb lange tijd gedacht dat dit nummer over therapie ging, begrijpelijk gezien de levensloop van deze zotskapdrager. Maar het blijkt over een soort schildpad te gaan die, zoals amfibieën betaamt, in twee werelden leeft. Goede song, goede keuze. Almond erkent hier zijn schatplichtigheid aan de arty-farty bands van eind jaren ’60 en begin jaren '70. Ik durft te wedden dat hij pakweg 'Arnold Lane' hoger waardeert dan volmaaktheden zoals 'Comfortably Numb' of 'Wish you were here'.

'Twilights and Lowlifes' is onversneden Soft Cell à la 'Art of Falling Apart', al hoor je ook akoestische percussie en een klassieke piano. Een geestig nummer dat ik liever had aangetroffen op de 33-toerenversie in plaats van dat kerkliedje en dat instrumentaaltje. Op de B-kant van de 45-toerenplaat staat nog een alternatieve versie: 'Twilights (Street Walking Soundtrack)'. Door de ellenlange intro zie en hoor ik dit als niet meer dan opvulsel, helaas.

'Untitled' - het album - had wat mij betreft dus beter een gewone 33-toerenplaat geweest onder het beproefde motto 'less is more'. De experimenten zijn vaak gewaagd maar niet altijd even geslaagd. Dit album nu als een probeersel afschilderen op weg naar zijn betere werk, vind ik dan weer te streng geoordeeld. Indien het slotnummer een woordspeling is op 'highlights and lowlights', vat dit de kwaliteit van 'Untitled' mooi samen: een album met hoogtes en laagtes. 3,5 sterren.

Marianne Faithfull - Blazing Away (1990)

poster
5,0
Toen Faithfull haar allerlaatste Marlboro aan Sinte-Maarten gaf, vond ik het hoog tijd om een plaatje van deze grande dame op te leggen. Ik herinnerde me vaag dat ik ruim twintig jaar eerder een afgeprijsde cd van haar had gekocht. Eind januari 2025 bleek dat tot mijn verbaasde ontgoocheling niet om haar magnum opus Broken English te gaan. Blazing Away bleek waarempel ook geen ’gewone’ compilatie-cd te zijn maar een live-registratie.

Bij het aanhoren van het onwennige openingsnummer in onvervalst Franglais versterkte mijn vrees dat ik het een dik uur later op één eerbetonende luisterbeurt zou houden. Twaalfwerf hoera, de overige nummers zijn stuk voor stuk parels in een studio-aanvoelende uitvoering. En live-albums heb ik het liefst als surrogaat voor Best ofs en Greatest Hits zonder te veel gejoel en improviserende musici. In die technisch volmaakte categorie kan ik ook Wily DeVille Live uit 1993 ten zeerste aanbevelen.

Zoals eerdere posts hierboven al aangeven: ”The band is just fantastic, that is really what I think". Sorry, maar in haast elke review voel ik de drang om ergens aan mijn favoriete band te refereren. Al gaan de pluimen nu volledig naar de excellerende band die Faithfull anno 1989 bijstond in één of ander heilig huisje. Zij zorgen samen met de ’leading lady’ voor een meervoudig ’oorgasme’.

Van de vele hoogtepunten moet ik zeker ’Why’d Ya Do It’ vermelden. Normaal hou ik meer van genitaal getinte beeldspraak dan van al te expliciete gangsterap-taal. Maar hier maak ik graag een uitzondering voor zinsneden als "je spuugt op m’n kut” en ”ze heeft spinnenwebben op haar doos”. La Faithfull heeft haar familienaam nooit gedragen als een kuisheidsgordel. Ze heeft wellicht meer lullen gezien dan de gemiddelde uroloog die de pensioenleeftijd nadert. Deze scheldpartij kan dus gericht zijn aan meerdere alfamannetjes, ik vermoed dat ene Mick J. ”not pleased” was toen de song uitkwam.

Maar ook muzikaal is dit ’kutlied’ een lust voor roodaanlopende oren. Net als bij ’Guilt’ zou je zweren dat Sly Dunbar en Robbie Shakespeare van de partij waren en dat Grace Jones hier de mosterd is komen halen. Na Broken English zette gitarist en co-auteur Barry Reynolds koers naar waar z’n kompasnaald wees: de Bahama’s. Daar verfijnde hij met Sly en Robbie de ijzige reggae-wave op iconische albums als Nightclubbing. Niet veel later zouden Sly en Robbie wel meewerken aan een studioalbum van Faithfull. Laten we plastisch stellen dat Grace en Marianne elkaar met mosterd ingesmeerd hebben. Ook op een album ter ere van Serge Gainsbourg nam Faithfull samen met Sly en Robbie een nummer op. Op diezelfde tribute-plaat doet ook Marc Almond een duit in het zakje. Sorry, maar in haast elke review voel ik de drang om ergens aan mijn favoriete solo-artiest te refereren.

Tot mijn verbaasde tevredenheid biedt Blazing Away het beste van Broken English met daar bovenop nog twee Stones-klassiekers. Ik was dermate weggeblazen dat ik deze liveplaat wel een keer of vier na elkaar heb afgespeeld. Nee, het doosje van deze vijfsterren-cd gaat geen spinnenwebben vergaren in m’n kast.

Monsieur Gainsbourg Revisited (2006)

poster
3,5
Rien du tout, dat is de hoeveelheid opwinding die ik doorgaans ervaar bij tribute-bands en tribute-albums. Trillend Op M’n Benen - Doe Maar Door Anderen is zo’n sof. Er zijn uitzonderingen, zoals Turalura en Elvis Belgisch. Maar de actieradius daarvan reikte in beide gevallen niet eens tot boven de Moerdijk. Het internationalere Monsieur Gainsbourg Revisited heb ik meteen na het verschijnen gekocht. Dat had natuurlijk veel te maken met ene Marc Almond, die hier laat doorschemeren dat hij ”a see-through toy” is ”that no one else can see.” Een doorzichtige dildo, dus. Initieel vond ik het jammer dat Sly en Robbie hier niet met Grace Jones collaboreren, maar madame Faithfull beschikt ook over ravissante rasta-vibraties.

Met de overige gast-artiesten heb ik minder affiniteit, maar het merendeel combineert eigenzinnigheid met respect voor het werk van mister Gainsbarre. En met dat originele werk ben ik dan weer wel vertrouwd, meer dan met dat van Brel. Hulde aan de initiatiefnemers om ook enkele op dat moment hete artiesten als Franz Ferdinand en Placebo te betrekken. Dat contrasteert mooi met de twee dames van het eerste uur: Françoise Hardy en de onvermijdelijke Jane Birkin.

Carla Bruni vormde toen een mooi ogende brug tussen actueel en gevestigd. Maar toen kort daarna de Hongaarse Napoleon deze brug betrad, raakte la Bruni voor eeuwig en één dag verbrand. Achteraf beschouwd had Vanessa Paradis misschien beter gepast op deze plaat. Maar de grootste afwezige voor mij is toch Arno, die eerder Gainsbourgs ’Elisa’ zong in duet met Birkin. Dat hij toen al het Engels had afgezworen, lijkt mij geen valabel excuus. Toi non plus?