Hier kun je zien welke berichten Caspar als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Amy Macdonald - A Curious Thing (2010)

2,0
0
geplaatst: 11 maart 2010, 19:12 uur
Het is al weer een tijdje geleden dat ik This Is the Life, van onze favoriete alternatieve folk/pop meisje-met-gitaar Amy MacDonald heb grijsgedraaid. Inmiddels heeft de zangeres na meer dan twee jaar haar nieuwe album, de ‘moeilijke tweede’, uitgebracht, A Curious Thing. En daarop valt een opmerkelijke verandering te horen, een volwassener en meer elektrische gitaargericht geluid dat ook wel aan Florence + The Machine doet denken. Die verandering zorgt aan de ene kant voor weer een nieuw fris geluid, maar tegelijkertijd mis ik de vrolijke popdeuntjes van Amy wel en ook al heeft de CD een redelijk hoog niveau, geen enkel liedje kan This Is the Life of Let’s Start a Band overtreffen.
Het eerste liedje Don’t Tell me That It’s Over is al meteen een perfect voorbeeld. De eerste single van het album begint met Kate Bush-achtige geluidjes maar al snel komt er een stevige gitaarriff overheen en even later luister je naar een lekker up-tempo nummer waarvan de drums de basis zijn maar het nummer wordt gedragen door de stem van Amy MacDonald die lekker vol klinkt op dit album. De violen en uit-de-bocht-vliegende gitaren op de achtergrond maken het nummer helemaal af. Het nummer heeft een veel grootsere sound dan haar vorige album en ik denk ook dat nummers als dit het veel beter op de festivals doen dan de akoutische nummers van haar debuut.
Een nummer als Spark heeft minder prominente drums dan de opening en dat klinkt een beetje vreemd. Alsof dit niet een nummer is van MacDonalds nieuwe CD, maar een nummer van haar debuut alleen dan elektrisch gespeeld en door het ontbreken van een duidelijke lijn verandert het liedje een beetje in een brei. Misschien had Amy’s stem nog iets meer naar voren gemixt moeten worden; die is toch het belangrijkste hier.
Na deze twee up-tempo nummers moeten er even een rustig nummer komen in de vorm van I Got No Roots. Dat begint met Amy’s stem en haar gitaar, maar dat blijft toch wel saai en gelukkig komen er later wat elektrische gitaren in die langzaam maar zeker op de voorgrond komen en het rock-gedeelte van het nummer inleiden. Rustpunt? Mooi niet! Ook de volgende nummers denderen met volle vaart en nog altijd elektrisch door: Love Love heeft een interessant ritme en is wat lichter dan de rest van het album maar mist een echt refrein of goede climax en het vrolijke An Ordinary Life bevat leuke geluidjes op de achtergrond maar heeft iets te weinig melodie. Dat is eigenlijk een kritiekpunt voor de hele CD: teveel ritme dat soms net teveel doordreint en te weinig leuke, mooie en vlotte melodielijnen in de meeste nummers.
Na Give It All Up dat met de vervormde stemmen op de achtergrond en verbogen gitaren wel interessant klinkt maar nog steeds geen duidelijke melodie heeft en een te oninteressant ritme om het liedje alsnog wat kwaliteit mee te geven is My Only One weer een beter nummer. Het begint weer eens akoustisch maar wel in mineur en Amy MacDonald zingt ook redelijk overtuigend. Heel subtiel komen er in de achtergrond elektronische geluidjes en diepe bassen op, later ook strijkers, die het liedje spannend maken en een grandiose climax lijken voor te bereiden. Helaas blijft die climax uit maar als ballad van album en bovendien een van de weinige nummers zonder die dreunende drums en elektrische gitaren is My Only One zeer geschikt.
This Pretty Face is een nummer met een vrolijk deuntje waar ook nog een keer een piano te horen valt en dus wat meer variatie biedt ten opzichte van het eenzijdige eerste gedeelte van het album en ook Troubled Soul is zeker een aardig nummer met goede percussie. Het probleem is nog steeds dat de liedjes van Amy MacDonald niet echt vorm krijgen en dus niet in je hoofd blijven hangen zoals de hoogtepunten op haar vorige album.
Maar dan knalt Next Big Thing er weer in met weliswaar weer diezelfde up-tempo drums en harde gitaren maar wat een goed nummer is dit zeg. Het lijkt qua tempo en melodie wel heel erg op This Is The Life maar dat is niet zo erg want het krikt in elk geval het niveau van dit album op. Af en toe valt het nummer even stil om daarna weer net zo bijtend als ervoor door te gaan, met hier en daar overstuurde gitaren die nooit afbreuk doen aan de pop-factor van het liedje. Precies zoiets wil ik horen als een mix tussen rock en pop of alternatief en mainstream.
What Happiness Meant To Me is een mooi nummer dat ingetogen begint maar orkestraal eindigt om het album af te sluiten. MacDonald laat nog even horen hoe mooi ze ook alweer kon zingen wat nog wel eens vergeten kon worden tussen het gitaargeweld. Pas na bijna drie minuten alleen maar zingen met pianobegeleiding komen er allerlei viooltjes en ook weer een gitaar in (en die twee instrumenten bij elkaar klinken trouwens prachtig!) en wordt het nummer orkestraal maar helemaal niet bombastisch. Het klinkt bijna als post-rock en deze kant van Amy MacDonald had ik liever ook wat meer op de rest van A Curious Thing willen zien. Het album valt nu een klein beetje tegen. Hoewel de nieuwe sound ongetwijfeld interessant is en er nog veel mooie liedjes in gemaakt kunnen worden komt die potentie nog niet helemaal tot uiting.
Bron: http://beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl/ (maandag in de radiouitzending)
Het eerste liedje Don’t Tell me That It’s Over is al meteen een perfect voorbeeld. De eerste single van het album begint met Kate Bush-achtige geluidjes maar al snel komt er een stevige gitaarriff overheen en even later luister je naar een lekker up-tempo nummer waarvan de drums de basis zijn maar het nummer wordt gedragen door de stem van Amy MacDonald die lekker vol klinkt op dit album. De violen en uit-de-bocht-vliegende gitaren op de achtergrond maken het nummer helemaal af. Het nummer heeft een veel grootsere sound dan haar vorige album en ik denk ook dat nummers als dit het veel beter op de festivals doen dan de akoutische nummers van haar debuut.
Een nummer als Spark heeft minder prominente drums dan de opening en dat klinkt een beetje vreemd. Alsof dit niet een nummer is van MacDonalds nieuwe CD, maar een nummer van haar debuut alleen dan elektrisch gespeeld en door het ontbreken van een duidelijke lijn verandert het liedje een beetje in een brei. Misschien had Amy’s stem nog iets meer naar voren gemixt moeten worden; die is toch het belangrijkste hier.
Na deze twee up-tempo nummers moeten er even een rustig nummer komen in de vorm van I Got No Roots. Dat begint met Amy’s stem en haar gitaar, maar dat blijft toch wel saai en gelukkig komen er later wat elektrische gitaren in die langzaam maar zeker op de voorgrond komen en het rock-gedeelte van het nummer inleiden. Rustpunt? Mooi niet! Ook de volgende nummers denderen met volle vaart en nog altijd elektrisch door: Love Love heeft een interessant ritme en is wat lichter dan de rest van het album maar mist een echt refrein of goede climax en het vrolijke An Ordinary Life bevat leuke geluidjes op de achtergrond maar heeft iets te weinig melodie. Dat is eigenlijk een kritiekpunt voor de hele CD: teveel ritme dat soms net teveel doordreint en te weinig leuke, mooie en vlotte melodielijnen in de meeste nummers.
Na Give It All Up dat met de vervormde stemmen op de achtergrond en verbogen gitaren wel interessant klinkt maar nog steeds geen duidelijke melodie heeft en een te oninteressant ritme om het liedje alsnog wat kwaliteit mee te geven is My Only One weer een beter nummer. Het begint weer eens akoustisch maar wel in mineur en Amy MacDonald zingt ook redelijk overtuigend. Heel subtiel komen er in de achtergrond elektronische geluidjes en diepe bassen op, later ook strijkers, die het liedje spannend maken en een grandiose climax lijken voor te bereiden. Helaas blijft die climax uit maar als ballad van album en bovendien een van de weinige nummers zonder die dreunende drums en elektrische gitaren is My Only One zeer geschikt.
This Pretty Face is een nummer met een vrolijk deuntje waar ook nog een keer een piano te horen valt en dus wat meer variatie biedt ten opzichte van het eenzijdige eerste gedeelte van het album en ook Troubled Soul is zeker een aardig nummer met goede percussie. Het probleem is nog steeds dat de liedjes van Amy MacDonald niet echt vorm krijgen en dus niet in je hoofd blijven hangen zoals de hoogtepunten op haar vorige album.
Maar dan knalt Next Big Thing er weer in met weliswaar weer diezelfde up-tempo drums en harde gitaren maar wat een goed nummer is dit zeg. Het lijkt qua tempo en melodie wel heel erg op This Is The Life maar dat is niet zo erg want het krikt in elk geval het niveau van dit album op. Af en toe valt het nummer even stil om daarna weer net zo bijtend als ervoor door te gaan, met hier en daar overstuurde gitaren die nooit afbreuk doen aan de pop-factor van het liedje. Precies zoiets wil ik horen als een mix tussen rock en pop of alternatief en mainstream.
What Happiness Meant To Me is een mooi nummer dat ingetogen begint maar orkestraal eindigt om het album af te sluiten. MacDonald laat nog even horen hoe mooi ze ook alweer kon zingen wat nog wel eens vergeten kon worden tussen het gitaargeweld. Pas na bijna drie minuten alleen maar zingen met pianobegeleiding komen er allerlei viooltjes en ook weer een gitaar in (en die twee instrumenten bij elkaar klinken trouwens prachtig!) en wordt het nummer orkestraal maar helemaal niet bombastisch. Het klinkt bijna als post-rock en deze kant van Amy MacDonald had ik liever ook wat meer op de rest van A Curious Thing willen zien. Het album valt nu een klein beetje tegen. Hoewel de nieuwe sound ongetwijfeld interessant is en er nog veel mooie liedjes in gemaakt kunnen worden komt die potentie nog niet helemaal tot uiting.
Bron: http://beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl/ (maandag in de radiouitzending)
Anna Calvi - Anna Calvi (2011)

4,5
0
geplaatst: 23 januari 2011, 22:39 uur
Rook trekt op. Woestijnzand vermengd met bloed. Langzaam verschijnt Anna Calvi, mooi en kil. Zo’n soort spaghettiwestern-gevoel geeft ‘Rider to the Sea’ , en Anna Calvi’s album had net zo goed kunnen openen met Morricone’s eigen ‘Man with a Harmonica’. Dat de muziek van Calvi doet denken aan die van Once Upon a Time in the West is niet verwonderlijk; Anna heeft haar jeugdjaren doorgebracht bij haar muziekliefhebbende Italiaanse vader en heeft zo het een en ander meegekregen.
Anna Calvi is een van de namen die de BBC tipte in de ‘Sound of 2011′-lijst die elk jaar wordt uitgebracht en steeds verrassend accuraat blijkt te zijn (ze voorspelden onder andere het succes van Lady Gaga, Franz Ferdinand en Duffy). Calvi heeft drie jaar gedaan over het maken van haar debuutalbum. Dat deed ze opgesloten in haar kelder, geïsoleerd van de buitenwereld. Anna Calvi was altijd al een verlegen kind en durfde toen ze begon met het opnemen van Anna Calvi haar stem aan niemand te laten horen Pas toen ze haar muzikale zielsverwant Mally Harpaz ontmoette, en later drummer Daniel Maiden-Wood, begon ze met haar muziek naar buiten te komen en toen ze ook de waardering kreeg van onder andere Brian Eno en Nick Cave, bij wiens Grinderman ze in het voorprogramma mocht spelen, leek haar muzikale carrière een feit.
In haar muziek is Anna Calvi alles wat ze in het dagelijkse leven niet is. Op de tien nummers van haar debuutalbum horen we geen verlegen meisje van de kunstacademie, maar een stoere en volwassen cowboyvrouw vol lust en passie. ‘When I play live I’m a different person,’ zegt Anna Calvi. ‘I feel powerful and fearless. All the things I wish I felt in everyday life.’ De meeste van Calvi’s songs gaan over liefde, maar wel het soort liefde waarbij je zoveel van iemand houdt dat je hem wil vermoorden. Het is niet voor niks dat juist Nick Cave, de meester in het maken van liefdesliedjes die het tegenovergestelde van zoetsappig zijn, Anna Calvi heeft gevraagd voor zijn voorprogramma.
Diezelfde transformatie in persoonlijkheid horen we ook terug in de muziek. Met minimale uitrusting heeft Anna Calvi haar debuutalbum geproduceerd, wat resulteert in een puur en tegelijkertijd groots geluid. Calvi ontdekte de gitaar via Jimi Hendrix, maar probeert die, beïnvloed door de klassieke muziek van Ravel en Debussy, te laten klinken als een orkest. Niet met een overdaad aan gitaareffecten, maar op dezelfde manier als de impressionistische componisten die haar inspireerden het deden; recht uit het hart. De koortjes op het album bestaan enkel uit verschillende lagen van Calvi’s stem.
Toch is Anna Calvi niet slechts een zelfverzekerde superheldin als ze ons toezingt op haar debuutalbum. Anna Calvi kent vele donkere momenten. De eerste drie jaar van haar leven lag Anna Calvi in het ziekenhuis en de eenzaamheid van die overlevingsstrijd, en van de drie jaar die ze in haar kelder doorbracht tijdens het opnemen van haar debuutalbum, klinken door in de muziek. Eenzaamheid en verlangen. Anna Calvi is een vlucht uit de werkelijkheid.
Als de sfeer met ‘Rider to the Sea’ eenmaal is gezet neemt Anna Calvi je mee op deze vlucht en wanneer alle vocale registers opengaan in de epische afsluiter ‘Love Won’t Be Leaving’ is er niks meer te merken van Calvi’s verlegenheid. Dan zijn we inmiddels al voorbij nummers als het contrastrijke countrynummer ‘No More Words’, het uitbundige ‘Desire’, muzikale wervelwind ‘Blackout’ en het donkere lofi-liedje ‘First We Kiss’. Anna Calvi heeft de verwachtingen helemaal waargemaakt.
Origineel: Beautiful Freaks
Anna Calvi is een van de namen die de BBC tipte in de ‘Sound of 2011′-lijst die elk jaar wordt uitgebracht en steeds verrassend accuraat blijkt te zijn (ze voorspelden onder andere het succes van Lady Gaga, Franz Ferdinand en Duffy). Calvi heeft drie jaar gedaan over het maken van haar debuutalbum. Dat deed ze opgesloten in haar kelder, geïsoleerd van de buitenwereld. Anna Calvi was altijd al een verlegen kind en durfde toen ze begon met het opnemen van Anna Calvi haar stem aan niemand te laten horen Pas toen ze haar muzikale zielsverwant Mally Harpaz ontmoette, en later drummer Daniel Maiden-Wood, begon ze met haar muziek naar buiten te komen en toen ze ook de waardering kreeg van onder andere Brian Eno en Nick Cave, bij wiens Grinderman ze in het voorprogramma mocht spelen, leek haar muzikale carrière een feit.
In haar muziek is Anna Calvi alles wat ze in het dagelijkse leven niet is. Op de tien nummers van haar debuutalbum horen we geen verlegen meisje van de kunstacademie, maar een stoere en volwassen cowboyvrouw vol lust en passie. ‘When I play live I’m a different person,’ zegt Anna Calvi. ‘I feel powerful and fearless. All the things I wish I felt in everyday life.’ De meeste van Calvi’s songs gaan over liefde, maar wel het soort liefde waarbij je zoveel van iemand houdt dat je hem wil vermoorden. Het is niet voor niks dat juist Nick Cave, de meester in het maken van liefdesliedjes die het tegenovergestelde van zoetsappig zijn, Anna Calvi heeft gevraagd voor zijn voorprogramma.
Diezelfde transformatie in persoonlijkheid horen we ook terug in de muziek. Met minimale uitrusting heeft Anna Calvi haar debuutalbum geproduceerd, wat resulteert in een puur en tegelijkertijd groots geluid. Calvi ontdekte de gitaar via Jimi Hendrix, maar probeert die, beïnvloed door de klassieke muziek van Ravel en Debussy, te laten klinken als een orkest. Niet met een overdaad aan gitaareffecten, maar op dezelfde manier als de impressionistische componisten die haar inspireerden het deden; recht uit het hart. De koortjes op het album bestaan enkel uit verschillende lagen van Calvi’s stem.
Toch is Anna Calvi niet slechts een zelfverzekerde superheldin als ze ons toezingt op haar debuutalbum. Anna Calvi kent vele donkere momenten. De eerste drie jaar van haar leven lag Anna Calvi in het ziekenhuis en de eenzaamheid van die overlevingsstrijd, en van de drie jaar die ze in haar kelder doorbracht tijdens het opnemen van haar debuutalbum, klinken door in de muziek. Eenzaamheid en verlangen. Anna Calvi is een vlucht uit de werkelijkheid.
Als de sfeer met ‘Rider to the Sea’ eenmaal is gezet neemt Anna Calvi je mee op deze vlucht en wanneer alle vocale registers opengaan in de epische afsluiter ‘Love Won’t Be Leaving’ is er niks meer te merken van Calvi’s verlegenheid. Dan zijn we inmiddels al voorbij nummers als het contrastrijke countrynummer ‘No More Words’, het uitbundige ‘Desire’, muzikale wervelwind ‘Blackout’ en het donkere lofi-liedje ‘First We Kiss’. Anna Calvi heeft de verwachtingen helemaal waargemaakt.
Origineel: Beautiful Freaks
CocoRosie - Grey Oceans (2010)

0
geplaatst: 13 mei 2010, 23:05 uur
Dit schreef ik voor het huisblaadje van de Concerto/Plato:
Sommigen noemen het misschien in deuntjes grossierend 'etnisch geneuzel', maar de liefhebber van fijnzinnigere indiepop (meer specifiek: freak folk) zal ook weer kunnen genieten van het nieuwste album van Coco en Rosie, de twee zusjes die wezenlijk van elkaar verschillen maar op muzikaal vlak een wonderbaarlijke samenwerking tot stand hebben gebracht. Voor hun nieuwe album Grey Oceans hebben de twee dames drie jaar uitgetrokken en het album is dan ook geïnspireerd door de vele reizen die ze in die tijd hebben gemaakt en gezien de titel zijn vooral de vele zeeën die ze zijn overgestoken bijgebleven. De muziek, die deels bestaat uit het geluid van speelgoed en andere zeldzame geluidjes, klinkt weer even vreemd als altijd en ook weer vertrouwd CocoRosie. Toch heeft de labelwijziging naar het vermaarde Sub Pop (o.a. The Shins en Death Cab for Cutie) een kleine verandering in geluid met zich meegebracht. Wat vrolijker – meer deuntjes – en toch wat etnische invloeden.
Helaas vind ik het album eigenlijk niet zo veel aan, terwijl ik Noah's Ark wél een meesterwerkje vind. Alleen Lemonade steekt met kop en schouders boven de rest uit en is een echt goed liedje, de hele CD kan ik niet uitzitten.
Sommigen noemen het misschien in deuntjes grossierend 'etnisch geneuzel', maar de liefhebber van fijnzinnigere indiepop (meer specifiek: freak folk) zal ook weer kunnen genieten van het nieuwste album van Coco en Rosie, de twee zusjes die wezenlijk van elkaar verschillen maar op muzikaal vlak een wonderbaarlijke samenwerking tot stand hebben gebracht. Voor hun nieuwe album Grey Oceans hebben de twee dames drie jaar uitgetrokken en het album is dan ook geïnspireerd door de vele reizen die ze in die tijd hebben gemaakt en gezien de titel zijn vooral de vele zeeën die ze zijn overgestoken bijgebleven. De muziek, die deels bestaat uit het geluid van speelgoed en andere zeldzame geluidjes, klinkt weer even vreemd als altijd en ook weer vertrouwd CocoRosie. Toch heeft de labelwijziging naar het vermaarde Sub Pop (o.a. The Shins en Death Cab for Cutie) een kleine verandering in geluid met zich meegebracht. Wat vrolijker – meer deuntjes – en toch wat etnische invloeden.
Helaas vind ik het album eigenlijk niet zo veel aan, terwijl ik Noah's Ark wél een meesterwerkje vind. Alleen Lemonade steekt met kop en schouders boven de rest uit en is een echt goed liedje, de hele CD kan ik niet uitzitten.
Deerhunter - Halcyon Digest (2010)

4,5
1
geplaatst: 5 oktober 2010, 20:35 uur
Russische roulette. Een ongelukkig rad van fortuin, angstaanjagend draaiend. Wachtend op de fatale kogel. Je kan je eigen lot niet ontwijken, onverbiddelijk en compromisloos. Klik. Een schot in het duister…
Deerhunter bewees zichzelf al in 2007 met de fijne indie-ambient plaat Cryptograms. Het jaar daarop bevestigde de Amerikaanse band haar kunnen met het onvolprezen Microcastle, waarop lichte shoegaze-invloeden te ontwaren waren die een aangename gitaarmuur tot stand brachten, zonder de hitpotentie uit het geluid te halen. Met dat album wist Deerhunter op te klimmen tot het establishment van de indie-rock. Halcyon Digest, hun nieuwste album, zorgt ervoor dat de groep die plaats definitief mag innemen.
Om hun naam als een van dé indie-bands van zowel het afgelopen als komende decennium waar te maken blijft Deerhunter niet hangen in een succesformule, maar levert een van hun meest veelzijdige albums af. Een album waarop ambient en shoegaze moeiteloos worden afgewisseld met garage-rock, sixties-pop en psychedelica, zonder dat de popfactor uit het oog verloren gaat.
De opener van de plaat is daarom een beetje misleidend. Earthquake is een rustig en traag nummer waarop Bradford Cox met vervormde stem over een regelmatige beat zingt en in vijf minuten naar een climax opbouwt die niet komt. Op het eerste gehoor klinkt het nummer ook niet als een Deerhunter-song maar als een liedje van Cox’ solo-project Atlas Sound. Gelukkig blijkt Earthquake slechts de spreekwoordelijke stilte voor de storm te zijn en kan Halcyon Digest daarna alsnog vorm aannemen en knallen.
Zo is er Desire Lines, het prijsnummer van dit album, dat zich in schier zeven minuten beginnend als ultiem popnummer ontpopt tot een gruizige noise-finale. Een dreigende newwave-gitaarhook zet meteen de toon waarop een melancholisch pianodeuntje al na enkele tientallen seconden het liedje een radicale koerswijziging meegeeft. Kathedralische zang, door echo overgoten, zingt een verlangend refrein dat ontroert in al zijn simpelheid. ‘Walking Free / Come with me / Far away / Every day.‘ Ook de coupletten zijn vervuld van het soort droevig terugkijken naar die lang vervlogen kinderjaren dat de literaire lichting indie-bands zo kenmerkt, met regels als ‘when you were young / and your excitement showed / but as time goes by / does it outgrow.‘ Na drie minuten verliest het nummer zijn poppy karakter en beginnen de repetatieve drumtikjes iets aggresiefs te krijgen, het gitaarlijntje dat blijft hangen iets donkere-steegjes-achtigs en terwijl de noise-knop steeds verder wordt opengedraaid ontlaadt Desire Lines als een psychedelische batterij.
Hoe anders is bijvoorbeeld Basement Scene, een van de akoestische en lofi opgenomen nummers van dit album (net als de garage-rammelrock van Don’t Cry en de daaropvolgende twee minuten powerpop Revival), dat in mijn oren refereert naar de folkbands die de afgelopen paar jaar de indie-scene zijn binnengedrongen en met dat geluid speelt en er een Deerhunter-liedje uit destilleert. Of Helicopter, dat al eerder dit jaar als download beschikbaar was gesteld. Een dromerig liedje dat wederom met een rustige beat en tinkelende pianomelodieën doorkabbelt om af en toe aan te zwellen, te versnellen, in een looping over de kop te vliegen en daarna haast onveranderd weer door te stromen. Coronado refereert aan de popmuziek van de jaren ’60, en natuurlijk ook de psychedelica uit die tijd. Het idee voor een dissonante saxofoonsolo heeft Cox van The Rolling Stones. ‘I wanted that sax on there because I was listening to the Stones’ Exile On Main Street reissue a lot…I began to see a pattern forming. Saxophones are becoming this thing. That’s why we did it early. Next year everyone’s gonna have a saxophone on their record because saxophones are just cool,‘ aldus Cox.
Op die manier schetst Deerhunter met een aantal aangename popsongs een collectie door regen uitgelopen prettige herinneringen. Daarnaar verwijst Bradford Cox in de albumtitel en de manier waarop we die herinneringen opschrijven, herschrijven en bewerken, tot een digest, een korte samenvatting, een sfeerschets, van wat we ons willen herinneren. En over het treurige daarvan. Maar to digest betekent ook verwerken, verteren. Halcyon Digest is het soort album dat de eerste paar luisterbeurten vreemd aandoet en nauwelijks doordringt, maar onderwijl wordt verteerd en bij de vierde of vijfde keer luisteren, of misschien pas de negende of tiende, plosteling vertrouwd in de oren klinkt, alsof je de melodieën nog kent van jaren geleden en nu eindelijk weer terughoort. Als een vergeeld foto-album op een herfstavond.
Deerhunter heeft zich met Halcyon Digest – materiaal voor in de top van alle jaarlijstjes – niet alleen opgewerkt tot eersterangs indiegroep maar kondigt met Halcyon Digest ook een nieuwe era nostalgia aan, het tijdperk van een collectief gedeelde nostalgie die niet teruggrijpt op een utopisch beeld van de samenleving van enkele generaties terug maar uiting geeft aan een tijdloos en universeel gevoel
Eerder geplaatst op Beautiful Freaks - alternative music pirate radio
Deerhunter bewees zichzelf al in 2007 met de fijne indie-ambient plaat Cryptograms. Het jaar daarop bevestigde de Amerikaanse band haar kunnen met het onvolprezen Microcastle, waarop lichte shoegaze-invloeden te ontwaren waren die een aangename gitaarmuur tot stand brachten, zonder de hitpotentie uit het geluid te halen. Met dat album wist Deerhunter op te klimmen tot het establishment van de indie-rock. Halcyon Digest, hun nieuwste album, zorgt ervoor dat de groep die plaats definitief mag innemen.
Om hun naam als een van dé indie-bands van zowel het afgelopen als komende decennium waar te maken blijft Deerhunter niet hangen in een succesformule, maar levert een van hun meest veelzijdige albums af. Een album waarop ambient en shoegaze moeiteloos worden afgewisseld met garage-rock, sixties-pop en psychedelica, zonder dat de popfactor uit het oog verloren gaat.
De opener van de plaat is daarom een beetje misleidend. Earthquake is een rustig en traag nummer waarop Bradford Cox met vervormde stem over een regelmatige beat zingt en in vijf minuten naar een climax opbouwt die niet komt. Op het eerste gehoor klinkt het nummer ook niet als een Deerhunter-song maar als een liedje van Cox’ solo-project Atlas Sound. Gelukkig blijkt Earthquake slechts de spreekwoordelijke stilte voor de storm te zijn en kan Halcyon Digest daarna alsnog vorm aannemen en knallen.
Zo is er Desire Lines, het prijsnummer van dit album, dat zich in schier zeven minuten beginnend als ultiem popnummer ontpopt tot een gruizige noise-finale. Een dreigende newwave-gitaarhook zet meteen de toon waarop een melancholisch pianodeuntje al na enkele tientallen seconden het liedje een radicale koerswijziging meegeeft. Kathedralische zang, door echo overgoten, zingt een verlangend refrein dat ontroert in al zijn simpelheid. ‘Walking Free / Come with me / Far away / Every day.‘ Ook de coupletten zijn vervuld van het soort droevig terugkijken naar die lang vervlogen kinderjaren dat de literaire lichting indie-bands zo kenmerkt, met regels als ‘when you were young / and your excitement showed / but as time goes by / does it outgrow.‘ Na drie minuten verliest het nummer zijn poppy karakter en beginnen de repetatieve drumtikjes iets aggresiefs te krijgen, het gitaarlijntje dat blijft hangen iets donkere-steegjes-achtigs en terwijl de noise-knop steeds verder wordt opengedraaid ontlaadt Desire Lines als een psychedelische batterij.
Hoe anders is bijvoorbeeld Basement Scene, een van de akoestische en lofi opgenomen nummers van dit album (net als de garage-rammelrock van Don’t Cry en de daaropvolgende twee minuten powerpop Revival), dat in mijn oren refereert naar de folkbands die de afgelopen paar jaar de indie-scene zijn binnengedrongen en met dat geluid speelt en er een Deerhunter-liedje uit destilleert. Of Helicopter, dat al eerder dit jaar als download beschikbaar was gesteld. Een dromerig liedje dat wederom met een rustige beat en tinkelende pianomelodieën doorkabbelt om af en toe aan te zwellen, te versnellen, in een looping over de kop te vliegen en daarna haast onveranderd weer door te stromen. Coronado refereert aan de popmuziek van de jaren ’60, en natuurlijk ook de psychedelica uit die tijd. Het idee voor een dissonante saxofoonsolo heeft Cox van The Rolling Stones. ‘I wanted that sax on there because I was listening to the Stones’ Exile On Main Street reissue a lot…I began to see a pattern forming. Saxophones are becoming this thing. That’s why we did it early. Next year everyone’s gonna have a saxophone on their record because saxophones are just cool,‘ aldus Cox.
Op die manier schetst Deerhunter met een aantal aangename popsongs een collectie door regen uitgelopen prettige herinneringen. Daarnaar verwijst Bradford Cox in de albumtitel en de manier waarop we die herinneringen opschrijven, herschrijven en bewerken, tot een digest, een korte samenvatting, een sfeerschets, van wat we ons willen herinneren. En over het treurige daarvan. Maar to digest betekent ook verwerken, verteren. Halcyon Digest is het soort album dat de eerste paar luisterbeurten vreemd aandoet en nauwelijks doordringt, maar onderwijl wordt verteerd en bij de vierde of vijfde keer luisteren, of misschien pas de negende of tiende, plosteling vertrouwd in de oren klinkt, alsof je de melodieën nog kent van jaren geleden en nu eindelijk weer terughoort. Als een vergeeld foto-album op een herfstavond.
Deerhunter heeft zich met Halcyon Digest – materiaal voor in de top van alle jaarlijstjes – niet alleen opgewerkt tot eersterangs indiegroep maar kondigt met Halcyon Digest ook een nieuwe era nostalgia aan, het tijdperk van een collectief gedeelde nostalgie die niet teruggrijpt op een utopisch beeld van de samenleving van enkele generaties terug maar uiting geeft aan een tijdloos en universeel gevoel
Eerder geplaatst op Beautiful Freaks - alternative music pirate radio
Kashmir - Trespassers (2010)

2,5
0
geplaatst: 5 maart 2010, 22:16 uur
Kashmir. Het is ook zo’n groep waar ik al een tijdje van had gehoord maar die ik pas in het licht van een nieuw album, in dit geval Trespassers ben gaan beluisteren. En dan ben ik nog niet toegekomen aan die gigantische back-catalogue met albums die ze al geproduceerd hebben. Maar dat komt nog, eerst dit.
Wat ik er nu van hoor en ook heb gelezen zal Kashmir wel altijd een groep blijven van vergelijkingen. Misschien onterecht als je het hebt over de kwaliteit, maar ook ik hoor de invloed van Radiohead, Coldplay en Keane terug in Trespassers. Gelukkig rust het album niet op de kwaliteiten van die bands maar staat Kashmir wel degelijk op eigen benen.
Dat valt natuurlijk al meteen te horen op het openingsnummer, Mouthful of Wasps. De zang doet me in dit nummer voortdurend denken aan Tom Chaplin, de zanger van Keane, en dat blijft het eigenlijk het hele album doen. Kashmir maakt echter geen slappe popmuziek als Keane, maar interessantere pop/rock. In Mouthful of Wasps is dat bijvoorbeeld te horen aan het vrolijke, lichte ritme en diverse achtergrondgeluiden.
Misschien een betere omschrijving dan een sterkere versie van Keane is de term ‘Radiohead-light’. Dat is goed te illustreren met het tweede nummer Intruder. Het lijkt op de wanhopige paniekmuziek van Radiohead, maar dan veel minder heftig, minder intens. De beat is niet zwaar en wel redelijk up-tempo. Gitaargeluiden en andere effecten blijven netjes op de achtergrond en vooral de zuivere stem van Kasper Eistrup. Die misschien net iets te weinig emotie toont en de muziek een shift geeft van ingetogen naar ingehouden.
Waar het bij Intruder nog leek alsof de band Radiohead probeerde na te doen, in Mantaray laten ze dat gedeeltelijk vallen. Beter gezegd: de Radiohead-taart heeft een flinke scheut Coldplay erbij gekregen. De muziek is in het begin aardig vrolijk en de gitaren die later inkomen en het lied toch boven pop laten ontstijgen klinken niet als Radiohead-gefreak maar gewoon als scheurende rock-gitaren. Maar al die vergelijkingen maken helemaal niet uit, het is gewoon een prachtig liedje!
De muziek blijft op de achtergrond borrelen tussen easy-listening en intelligentere rockmuziek valt al wat weg tijdens het rockende Still Boy maar komt pas echt tot een hoogtepunt op mijn favoriet van de plaat Bewildered in the City. Ook dat nummer weet zich niet echt los te maken van de gebruikelijke vergelijkingen, vooral die met de zanger van Keane. Behalve dan dat de zanger van Kashmir nu wel met emotie zingt, en dan valt pas op wat een prachtige stem hij heeft! De muzikale begeleiding blijft binnen het kader en houdt alle spanning rustig op de achtergrond maar bij een nummer waarbij zou mooi gezongen wordt is dat eerder een uitkomst dan een punt van kritiek. Waarom zouden we nog gitaren en piano’s willen horen als je we ook kunnen luisteren naar Kasper Eistrup? Het ‘refrein’ doet me wel denken aan een ander liedje, misschien Bedshaped van Keane maar het zou ook iets anders kunnen zijn. Gelukkig komen er tegen het einde toch nog wat flinke maar nooit uit-de-bocht-vliegende gitaren in om toch maar een einde aan al die vergelijkingen te maken!
Met nog wat Radiohead-gebliep opent Kashmir nog een van de beste nummers op het album, Pursuit of Misery. Dat klinkt toch heel wat dreigender met eindelijk eens wat diepere bassen, zonder de popfactor meteen te verliezen. Die raken we wel kwijt als er na een minuut ook nog eens heftige gitaren inzetten en de hemelse zang wat verzwolgen lijkt te worden. Maar tijdens het refrein met falsetto-zang verzin ik alweer een nieuwe vergelijking: Muse. Sorry Kashmir, maar jullie lijken gewoon te veel op andere bands!
Maar aan al het goede komt een einde en dat betekent dat na twee topnummers weer een minder gedeelte van de plaat begint, met Time Has Deserted Us en daarna Danger Bear. De eerste klinkt wat gladder dan de rest maar heeft dan weer niet datgene wat het liedje geschikt zou maken als single. Dus blijft het hangen in de middenmoot. Danger Bear begint rustig op de piano en lijkt dus ‘de ballad van de plaat’. Als er later ook nog strijkers inkomen wordt dat gegeven definitief bevestigd. Helaas wordt het nummer niet spannend, het bevat geen gekke melodietjes of spannende deuntjes en ook de zang blijft vlak.
Gelukkig is de afsluiter wel op een redelijk niveau. Ik zeg redelijk, want Kashmir heeft in The Indian (That Dwells Inside This Chest) niet meer alles uit de kast getrokken om de luisteraar te overtuigen dat de band toch echt geen slap aftreksel is van anderen. En dat is ook wat ik zo jammer vind aan dit album: niet dat Kashmir in alle aspecten lijkt op hiervoor genoemde bands, maar dat de liedjes gewoon tegenvallen. Alles blijft net iets te makkelijk, Kashmir zoekt wat mij betreft te weinig de grens op van wat nog luisterbaar is en wat niet en dat is juist zo wat me in bands als Radiohead aanspreekt. Ook net iets te weinig emotie, en dat is toch een gemiste kans want Eistrup kan wel met emotie zingen.
Wel mijn complimenten voor het strijkorkest op het einde, dol op dat soort plechtige afsluitingen!
Bron: Beautiful Freaks - alternative music pirate radio (Ook een liedje van in de radiouitzending maandagmiddag!)
Wat ik er nu van hoor en ook heb gelezen zal Kashmir wel altijd een groep blijven van vergelijkingen. Misschien onterecht als je het hebt over de kwaliteit, maar ook ik hoor de invloed van Radiohead, Coldplay en Keane terug in Trespassers. Gelukkig rust het album niet op de kwaliteiten van die bands maar staat Kashmir wel degelijk op eigen benen.
Dat valt natuurlijk al meteen te horen op het openingsnummer, Mouthful of Wasps. De zang doet me in dit nummer voortdurend denken aan Tom Chaplin, de zanger van Keane, en dat blijft het eigenlijk het hele album doen. Kashmir maakt echter geen slappe popmuziek als Keane, maar interessantere pop/rock. In Mouthful of Wasps is dat bijvoorbeeld te horen aan het vrolijke, lichte ritme en diverse achtergrondgeluiden.
Misschien een betere omschrijving dan een sterkere versie van Keane is de term ‘Radiohead-light’. Dat is goed te illustreren met het tweede nummer Intruder. Het lijkt op de wanhopige paniekmuziek van Radiohead, maar dan veel minder heftig, minder intens. De beat is niet zwaar en wel redelijk up-tempo. Gitaargeluiden en andere effecten blijven netjes op de achtergrond en vooral de zuivere stem van Kasper Eistrup. Die misschien net iets te weinig emotie toont en de muziek een shift geeft van ingetogen naar ingehouden.
Waar het bij Intruder nog leek alsof de band Radiohead probeerde na te doen, in Mantaray laten ze dat gedeeltelijk vallen. Beter gezegd: de Radiohead-taart heeft een flinke scheut Coldplay erbij gekregen. De muziek is in het begin aardig vrolijk en de gitaren die later inkomen en het lied toch boven pop laten ontstijgen klinken niet als Radiohead-gefreak maar gewoon als scheurende rock-gitaren. Maar al die vergelijkingen maken helemaal niet uit, het is gewoon een prachtig liedje!
De muziek blijft op de achtergrond borrelen tussen easy-listening en intelligentere rockmuziek valt al wat weg tijdens het rockende Still Boy maar komt pas echt tot een hoogtepunt op mijn favoriet van de plaat Bewildered in the City. Ook dat nummer weet zich niet echt los te maken van de gebruikelijke vergelijkingen, vooral die met de zanger van Keane. Behalve dan dat de zanger van Kashmir nu wel met emotie zingt, en dan valt pas op wat een prachtige stem hij heeft! De muzikale begeleiding blijft binnen het kader en houdt alle spanning rustig op de achtergrond maar bij een nummer waarbij zou mooi gezongen wordt is dat eerder een uitkomst dan een punt van kritiek. Waarom zouden we nog gitaren en piano’s willen horen als je we ook kunnen luisteren naar Kasper Eistrup? Het ‘refrein’ doet me wel denken aan een ander liedje, misschien Bedshaped van Keane maar het zou ook iets anders kunnen zijn. Gelukkig komen er tegen het einde toch nog wat flinke maar nooit uit-de-bocht-vliegende gitaren in om toch maar een einde aan al die vergelijkingen te maken!
Met nog wat Radiohead-gebliep opent Kashmir nog een van de beste nummers op het album, Pursuit of Misery. Dat klinkt toch heel wat dreigender met eindelijk eens wat diepere bassen, zonder de popfactor meteen te verliezen. Die raken we wel kwijt als er na een minuut ook nog eens heftige gitaren inzetten en de hemelse zang wat verzwolgen lijkt te worden. Maar tijdens het refrein met falsetto-zang verzin ik alweer een nieuwe vergelijking: Muse. Sorry Kashmir, maar jullie lijken gewoon te veel op andere bands!
Maar aan al het goede komt een einde en dat betekent dat na twee topnummers weer een minder gedeelte van de plaat begint, met Time Has Deserted Us en daarna Danger Bear. De eerste klinkt wat gladder dan de rest maar heeft dan weer niet datgene wat het liedje geschikt zou maken als single. Dus blijft het hangen in de middenmoot. Danger Bear begint rustig op de piano en lijkt dus ‘de ballad van de plaat’. Als er later ook nog strijkers inkomen wordt dat gegeven definitief bevestigd. Helaas wordt het nummer niet spannend, het bevat geen gekke melodietjes of spannende deuntjes en ook de zang blijft vlak.
Gelukkig is de afsluiter wel op een redelijk niveau. Ik zeg redelijk, want Kashmir heeft in The Indian (That Dwells Inside This Chest) niet meer alles uit de kast getrokken om de luisteraar te overtuigen dat de band toch echt geen slap aftreksel is van anderen. En dat is ook wat ik zo jammer vind aan dit album: niet dat Kashmir in alle aspecten lijkt op hiervoor genoemde bands, maar dat de liedjes gewoon tegenvallen. Alles blijft net iets te makkelijk, Kashmir zoekt wat mij betreft te weinig de grens op van wat nog luisterbaar is en wat niet en dat is juist zo wat me in bands als Radiohead aanspreekt. Ook net iets te weinig emotie, en dat is toch een gemiste kans want Eistrup kan wel met emotie zingen.
Wel mijn complimenten voor het strijkorkest op het einde, dol op dat soort plechtige afsluitingen!
Bron: Beautiful Freaks - alternative music pirate radio (Ook een liedje van in de radiouitzending maandagmiddag!)
Kate Nash - My Best Friend Is You (2010)

2,0
0
geplaatst: 23 april 2010, 21:43 uur
Enkele jaren geleden scoorde Kate Nash een paar fijne popliedjes als het vrolijke doch boze kleine meisje dat aangenaam piano speelde, hoewel soms spelen overging in slaan en zingen verandere in schreeuwen. Maar dat zorgde juist wel voor een soort waardering en het was toch een nieuw geluid en daar ben ik altijd een voorstander van. Dat was drie jaar geleden en ach, je weet het hoe het gaat met dit soort popsterretjes: ze komen en gaan. Vorig jaar was Lily Allen de grote winnares op dat gebied en ik hoop dat Marina Diamandis het stokje dit jaar gaat overnemen, en Hollywood was nu al een bescheiden hitje dus dat zou zomaar eens kunnen gebeuren. Maar goed, terug naar Kate Nash: ik denk niet dat zij de popdiva van 2010 wordt. Het geluid van haar nieuwe album My Best Friend Is You heeft nog net wat meer dan op haar debuut een alternatief randje en mijn voorspelling is dat Kate Nash verdwijnt naar de underground.
My Best Friend Is You de ‘moeilijke tweede’ van Kate Nashen dan zijn er altijd twee keuzes: voortborduren op het geluid van je debuut, met als waarschijnlijk resultaat dat de critici je album afkraken als slap aftreksel van het debuut, of een nieuwe sound ontwikkelen (in vaktermen: ‘een Kid A’tje doen’), wat ook lang niet altijd gewaardeerd zal worden. Kate Nash haar beslissing neigt toch meer naar het tweede dan naar het eerste: in plaats van het meisje achter de piano is Kate Nash nu een zangeres met achter zich een heuse band. Het album opent in de vorm van Paris al meteen als een kermis van instrumenten: strijkers, gitaren, drums, handclaps begeleiden Kate Nash met haar scherpe accent. Up-tempo waren Kate’s liedjes altijd al, maar nu zijn het ook rocknummers geworden in plaats van popliedjes. Invloeden zouden PJ Harvey, Pixies/The Breeders en Yeah Yeah Yeahs zijn geweest.
Zoals ik al zei: critici zijn regelmatig niet gecharmeerd van de nieuwe sound van een band of artiest, en sinds ik mij tot ‘de critici’ mag rekenen, kan de vraag gesteld worden: hoe bevalt mij de nieuwe sound van Kate Nash? Het antwoord is niet geheel eenzijdig. Opener Paris is een geweldig nummer en over het algemeen klinkt ze een stuk volwassener dan op haar debuut. En dat is maar goed ook, want sommige liedjes van Made of Bricks waren wel erg drammerig en meer dan eens rees mij het beeld voor ogen van de 10-jarige Kate Nash die niet naar pianoles wil en op het instrument begint te slaan, al stampend en schreeuwend. Als je het zo bekijkt is Nash’ tweede dus een hele verbetering, maar de medaille heeft ook een keerzijde: zoals meestal bij een nieuw geluid (zie MGMT bijvoorbeeld), is dat nog niet meteen zo geperfectioneerd als je als luisteraar (of criticus) zou willen en daar heeft ook Kate Nash last van. Ik vind een album met verscheidenheid aan muziekstijlen meestal geen probleem, maar wel als er eenheid ontbreekt en dat is hier het geval. Sommige liedjes zoals het openingskwartet zijn pop/rock-liedjes, vrolijk maar niet zoetsappig en ook het boze meisje klinkt door, maar nu kunnen we haar serieus nemen. De eerste single Do-Wah-Doo is dan wél weer een net iets te melig liedje en valt door de mand als een goedkope, simpele single om toch nog een mainstream-publiek te bereiken.
De meeste liedjes daarna, de tweede en dus grootste helft van het album, zijn een stuk ruiger te noemen. Hier lijkt Kate Nash definitief de rock-kant op te gaan, en ook al zou je verwachten dat de zangeres daardoor volwassener gaat klinken, het tegendeel is waar: het effect is nu dat van een popdiva die tevergeefs probeert te rocken, soms ook door te gillen en schreeuwen, en daardoor niet meer serieus genomen wordt. Dat is vooral te horen in Mansion Song, waar Kate Nash toch lichtelijk uit de bocht vliegt. Hoewel niet op alle liedjes deze beschrijving van toepassing is – zeker tegen het einde komen er weer wat rustigere liedjes – blijft de hele CD een chaotische kruisbestuiving van pop en rock, veroorzaakt door de stemmingswisselingen van de grillige Britse zangeres.
We kunnen dus concluderen dat ook Kate Nash last heeft van de zogenaamde moeilijke tweede en bovendien in een identiteitscrisis verkeert. Dat tweede is de voornaamste reden dat My Best Friend Is You toch niet helemaal aanslaat bij Caspar de criticus. Maar deze koerswijziging is toch eentje waarvoor mijn toekomstverwachtingen positief mogen worden bijgesteld. Alleen hopelijk weet Kate Nash dan wel of ze de stoere rockchick moet spelen of toch het booslieve meisje.
Eerder verschenen op:http://beautifulfreaks.nl
My Best Friend Is You de ‘moeilijke tweede’ van Kate Nashen dan zijn er altijd twee keuzes: voortborduren op het geluid van je debuut, met als waarschijnlijk resultaat dat de critici je album afkraken als slap aftreksel van het debuut, of een nieuwe sound ontwikkelen (in vaktermen: ‘een Kid A’tje doen’), wat ook lang niet altijd gewaardeerd zal worden. Kate Nash haar beslissing neigt toch meer naar het tweede dan naar het eerste: in plaats van het meisje achter de piano is Kate Nash nu een zangeres met achter zich een heuse band. Het album opent in de vorm van Paris al meteen als een kermis van instrumenten: strijkers, gitaren, drums, handclaps begeleiden Kate Nash met haar scherpe accent. Up-tempo waren Kate’s liedjes altijd al, maar nu zijn het ook rocknummers geworden in plaats van popliedjes. Invloeden zouden PJ Harvey, Pixies/The Breeders en Yeah Yeah Yeahs zijn geweest.
Zoals ik al zei: critici zijn regelmatig niet gecharmeerd van de nieuwe sound van een band of artiest, en sinds ik mij tot ‘de critici’ mag rekenen, kan de vraag gesteld worden: hoe bevalt mij de nieuwe sound van Kate Nash? Het antwoord is niet geheel eenzijdig. Opener Paris is een geweldig nummer en over het algemeen klinkt ze een stuk volwassener dan op haar debuut. En dat is maar goed ook, want sommige liedjes van Made of Bricks waren wel erg drammerig en meer dan eens rees mij het beeld voor ogen van de 10-jarige Kate Nash die niet naar pianoles wil en op het instrument begint te slaan, al stampend en schreeuwend. Als je het zo bekijkt is Nash’ tweede dus een hele verbetering, maar de medaille heeft ook een keerzijde: zoals meestal bij een nieuw geluid (zie MGMT bijvoorbeeld), is dat nog niet meteen zo geperfectioneerd als je als luisteraar (of criticus) zou willen en daar heeft ook Kate Nash last van. Ik vind een album met verscheidenheid aan muziekstijlen meestal geen probleem, maar wel als er eenheid ontbreekt en dat is hier het geval. Sommige liedjes zoals het openingskwartet zijn pop/rock-liedjes, vrolijk maar niet zoetsappig en ook het boze meisje klinkt door, maar nu kunnen we haar serieus nemen. De eerste single Do-Wah-Doo is dan wél weer een net iets te melig liedje en valt door de mand als een goedkope, simpele single om toch nog een mainstream-publiek te bereiken.
De meeste liedjes daarna, de tweede en dus grootste helft van het album, zijn een stuk ruiger te noemen. Hier lijkt Kate Nash definitief de rock-kant op te gaan, en ook al zou je verwachten dat de zangeres daardoor volwassener gaat klinken, het tegendeel is waar: het effect is nu dat van een popdiva die tevergeefs probeert te rocken, soms ook door te gillen en schreeuwen, en daardoor niet meer serieus genomen wordt. Dat is vooral te horen in Mansion Song, waar Kate Nash toch lichtelijk uit de bocht vliegt. Hoewel niet op alle liedjes deze beschrijving van toepassing is – zeker tegen het einde komen er weer wat rustigere liedjes – blijft de hele CD een chaotische kruisbestuiving van pop en rock, veroorzaakt door de stemmingswisselingen van de grillige Britse zangeres.
We kunnen dus concluderen dat ook Kate Nash last heeft van de zogenaamde moeilijke tweede en bovendien in een identiteitscrisis verkeert. Dat tweede is de voornaamste reden dat My Best Friend Is You toch niet helemaal aanslaat bij Caspar de criticus. Maar deze koerswijziging is toch eentje waarvoor mijn toekomstverwachtingen positief mogen worden bijgesteld. Alleen hopelijk weet Kate Nash dan wel of ze de stoere rockchick moet spelen of toch het booslieve meisje.
Eerder verschenen op:http://beautifulfreaks.nl
Marina & the Diamonds - The Family Jewels (2010)

4,0
0
geplaatst: 20 februari 2010, 21:48 uur
Alle Kate Nashes, Amy MacDonalds en andere vrolijke meisjes die pop/rock maken moeten oppassen, en wel voor Marina & The Diamonds. Ze is nu nog niet zo bekend, maar let op mijn woorden, want dit wordt de nieuwe hype van 2010. En als ze in 2010 geen hit scoort (met het ongelofelijk catchy Hollywood bijvoorbeeld) dan is het wel met haar volgende album in 2011 of 2012. Maar ik ben er natuurlijk altijd vroeg bij dus daarom nu al een review van haar eerste album The Family Jewels, bij de redactieleden van Beautiful Freaks nu al een hit! Dus snel luisteren voor ze alweer ‘mainstream’ is en verpest wordt door de platenmaatschappijen en MTV.
Het album begint meteen vrolijk met Are You Satisfied?, de perfecte opener voor dit album. Ultiem vrolijk, maar met een aboluut hoekig randje wat dit leuker maakt dan de vele popmeisjes op TV. Het boos-vrolijke spreekt me wel aan. Iets wat Kate Nash heeft maar dan zonder het klein-meisje-slaat-op-piano-gevoel. Oftewel, een iets volwassener geluid. Na twee powervolle minuten valt het nummer even stil zodat Marina goed kan laten horen hoe mooi ze eigenlijk wel niet kan zingen. En dat kan ze! Zeker een van de beste liedjes op de CD en bovendien een goede binnenkomer, tot de robotstemmetjes op het einde toe.
Tweede nummer Shampain valt dan toch een beetje tegen. Een iets te hoog Mika-gehalte en het is op een nare manier geproduceerd. Te hard, onsubtiel. Die drums dreinen maar door met dezelfde beat. Hoogstens het einde is wel aardig met een paar leuke geluidjes (zzzzpazpapzpr klinkt het).
Gelukkig is het volgende nummer I Am Not a Robot een stuk beter. Mooie zang van Marina Diamandis weer (daar komt de naam & The Diamonds vandaan ja), catchy piano (die niet flauw is als bij Kate Nash maar meer rockend als Florence van The Machine). Dit is wel het derde nummer wat op ongeveer tweederde opeens rustiger wordt, een rustig coupletje krijgt en vervolgens weer helemaal losbarst, wat misschien een iets te goedkoop truukje is en bij dit nummer niet werkt. Ik zou meer een steeds verder opbouwend nummer zien dat uitwerkt naar een gigantische climax. Maarja, dit hier is popmuziek dus zoiets kunnen we niet verwachten van Marina.
Girls is zo mogelijk het meest poppy liedje op de CD (na Hollywood). En weer moet ik bekennen dat Marina gewoon goed kan zingen. Heel diep en dan opeens zo’n hoge uithaal, da’s toch leuk? Dan vind ik zo’n na-na-na-na-na-refrein helemaal niet zo erg meer. Ook de intrumentatie is goed gedaan. Behalve de gebruikelijke drums/piano/gitaar ook een accordeonnetje, fluit hier en daar en interessante percussie.
Mowgli’s Road is het nummer dat als eerste single is uitgebracht. Misschien niet de beste keuze maar wel een logische. Weer een up-tempo nummer zoals eigenlijk het hele album en even hitgevoelig als de rest. Misschien een beetje hetzelfde als de rest van de liedjes en een beetje vreemd (chaotisch?) gearrangeerd. Wel leuk stemmetje zet ze tegen het einde op. Supervrolijk weer!
Na al die vrolijke hitsingles is Obsessions perfect geplaatst als rustpunt. Een up-tempo ballad is het eigenlijk. Hier is de gelijkenis met Kate Nash wel het allergrootst. Behalve dan dat deze nieuwe popdiva gewoon veel beter kan zingen.
Maar dan nu, het geweldige nummer dat als tweede single is uitgebracht en waar het allemaal om draait, het nummer dat Lady GaGa van de troon zal stoten, Hollywood. Klinkt een stuk geproduceerder dan de rest met de facers en de beats maar dat doet Marina wel goed. Ze zingt de (hollywood)sterren van de hemel en haalt prachtig uit. En wat een grappige tekst trouwens! Het nummer heeft iets totaal anders, orgineels, dan de 13-in-een-dozijn-nummers die je op TMF hoort, maar wel het hitgevoelige om die doelgroep te bereiken. ‘I’m obsessed with the mess that’s America!’ Als dit geen hit wordt weet ik het ook niet meer hoor.
Ik zou eigenlijk wel kunnen stoppen met deze review nu het geweldige Hollywood al is besproken en de andere nummers eigenlijk ook allemaal de hoogtepunten van het album waren, maar de rest is gewoon ook de moeite waard. The Outsider bijvoorbeeld heeft een ontzettend leuk refrein met dat synthje en het diepe zingen van Marina vind is net zo aantrekkelijk als Marina zelf. Hermit the Frog is dan misschien een minder opvallend nummer maar komt nog altijd boven de middenmoot die op de radio wordt gedraaid uit. ‘t Is misschien een beetje te flauw, maar wel leuk!
Oh no begint heel a-typisch met een of andere beat en handclaps maar verandert in weer een Marina-speelt-piano-en-zingt liedje. Gelukkig zitten er wat aardige synthesiser-effecten in die het refreintje wel iets heel catchy’s geven, met het soort elektronica dat ook in bijvoorbeeld Franz Ferdinands Ulysses zit. Eigenlijk zou gewoon dit hele album als single uitgebracht kunnen worden, zo leuk zijn de liedjes.
Pas nu is er een tweede rustpunt in de vorm van Rootless, dat nog altijd de Marina-sound heeft (ja, dat gebeurt natuurlijk op een liedje van Marina & The Diamonds). Soms lijkt ze qua ritme ook wel op Lily Allen en dan vooral een liedje als Not Fair of The Fear.
Numb is nog het laatste hoogtepuntje van het album. Begint rustig met wat staccato piano-accoordjes, vrij hoge zang van Marina maar krijgt daarna een theatraal tintje door het speelse viooltjes en de achtergrondvocalen met galm (en hoor ik daar een klokkenspel?). Mama mia mama mia!
Het laatste nummer Guilty is toch een beetje een niemendalletje en Numb had beter gewerkt als afsluiter denk ik. Maar da’s slechts een klein minpuntje op dit prachtige album van een aanstaande hitmachine (zodra ze ontdekt wordt door EMI of een andere platenmaatschappij). Voorlopig kan ik nog even genieten van haar liedjes en doen alsof ik de enige ben die ze kent, zonder meteen ‘mainstream’ te zijn. Blijf voorlopig nog maar lekker onontdekt Marina.
Pas op voor nieuwe popdiva Marina (& The Diamonds) - Beautiful Freaks - beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl
Het album begint meteen vrolijk met Are You Satisfied?, de perfecte opener voor dit album. Ultiem vrolijk, maar met een aboluut hoekig randje wat dit leuker maakt dan de vele popmeisjes op TV. Het boos-vrolijke spreekt me wel aan. Iets wat Kate Nash heeft maar dan zonder het klein-meisje-slaat-op-piano-gevoel. Oftewel, een iets volwassener geluid. Na twee powervolle minuten valt het nummer even stil zodat Marina goed kan laten horen hoe mooi ze eigenlijk wel niet kan zingen. En dat kan ze! Zeker een van de beste liedjes op de CD en bovendien een goede binnenkomer, tot de robotstemmetjes op het einde toe.
Tweede nummer Shampain valt dan toch een beetje tegen. Een iets te hoog Mika-gehalte en het is op een nare manier geproduceerd. Te hard, onsubtiel. Die drums dreinen maar door met dezelfde beat. Hoogstens het einde is wel aardig met een paar leuke geluidjes (zzzzpazpapzpr klinkt het).
Gelukkig is het volgende nummer I Am Not a Robot een stuk beter. Mooie zang van Marina Diamandis weer (daar komt de naam & The Diamonds vandaan ja), catchy piano (die niet flauw is als bij Kate Nash maar meer rockend als Florence van The Machine). Dit is wel het derde nummer wat op ongeveer tweederde opeens rustiger wordt, een rustig coupletje krijgt en vervolgens weer helemaal losbarst, wat misschien een iets te goedkoop truukje is en bij dit nummer niet werkt. Ik zou meer een steeds verder opbouwend nummer zien dat uitwerkt naar een gigantische climax. Maarja, dit hier is popmuziek dus zoiets kunnen we niet verwachten van Marina.
Girls is zo mogelijk het meest poppy liedje op de CD (na Hollywood). En weer moet ik bekennen dat Marina gewoon goed kan zingen. Heel diep en dan opeens zo’n hoge uithaal, da’s toch leuk? Dan vind ik zo’n na-na-na-na-na-refrein helemaal niet zo erg meer. Ook de intrumentatie is goed gedaan. Behalve de gebruikelijke drums/piano/gitaar ook een accordeonnetje, fluit hier en daar en interessante percussie.
Mowgli’s Road is het nummer dat als eerste single is uitgebracht. Misschien niet de beste keuze maar wel een logische. Weer een up-tempo nummer zoals eigenlijk het hele album en even hitgevoelig als de rest. Misschien een beetje hetzelfde als de rest van de liedjes en een beetje vreemd (chaotisch?) gearrangeerd. Wel leuk stemmetje zet ze tegen het einde op. Supervrolijk weer!
Na al die vrolijke hitsingles is Obsessions perfect geplaatst als rustpunt. Een up-tempo ballad is het eigenlijk. Hier is de gelijkenis met Kate Nash wel het allergrootst. Behalve dan dat deze nieuwe popdiva gewoon veel beter kan zingen.
Maar dan nu, het geweldige nummer dat als tweede single is uitgebracht en waar het allemaal om draait, het nummer dat Lady GaGa van de troon zal stoten, Hollywood. Klinkt een stuk geproduceerder dan de rest met de facers en de beats maar dat doet Marina wel goed. Ze zingt de (hollywood)sterren van de hemel en haalt prachtig uit. En wat een grappige tekst trouwens! Het nummer heeft iets totaal anders, orgineels, dan de 13-in-een-dozijn-nummers die je op TMF hoort, maar wel het hitgevoelige om die doelgroep te bereiken. ‘I’m obsessed with the mess that’s America!’ Als dit geen hit wordt weet ik het ook niet meer hoor.
Ik zou eigenlijk wel kunnen stoppen met deze review nu het geweldige Hollywood al is besproken en de andere nummers eigenlijk ook allemaal de hoogtepunten van het album waren, maar de rest is gewoon ook de moeite waard. The Outsider bijvoorbeeld heeft een ontzettend leuk refrein met dat synthje en het diepe zingen van Marina vind is net zo aantrekkelijk als Marina zelf. Hermit the Frog is dan misschien een minder opvallend nummer maar komt nog altijd boven de middenmoot die op de radio wordt gedraaid uit. ‘t Is misschien een beetje te flauw, maar wel leuk!
Oh no begint heel a-typisch met een of andere beat en handclaps maar verandert in weer een Marina-speelt-piano-en-zingt liedje. Gelukkig zitten er wat aardige synthesiser-effecten in die het refreintje wel iets heel catchy’s geven, met het soort elektronica dat ook in bijvoorbeeld Franz Ferdinands Ulysses zit. Eigenlijk zou gewoon dit hele album als single uitgebracht kunnen worden, zo leuk zijn de liedjes.
Pas nu is er een tweede rustpunt in de vorm van Rootless, dat nog altijd de Marina-sound heeft (ja, dat gebeurt natuurlijk op een liedje van Marina & The Diamonds). Soms lijkt ze qua ritme ook wel op Lily Allen en dan vooral een liedje als Not Fair of The Fear.
Numb is nog het laatste hoogtepuntje van het album. Begint rustig met wat staccato piano-accoordjes, vrij hoge zang van Marina maar krijgt daarna een theatraal tintje door het speelse viooltjes en de achtergrondvocalen met galm (en hoor ik daar een klokkenspel?). Mama mia mama mia!
Het laatste nummer Guilty is toch een beetje een niemendalletje en Numb had beter gewerkt als afsluiter denk ik. Maar da’s slechts een klein minpuntje op dit prachtige album van een aanstaande hitmachine (zodra ze ontdekt wordt door EMI of een andere platenmaatschappij). Voorlopig kan ik nog even genieten van haar liedjes en doen alsof ik de enige ben die ze kent, zonder meteen ‘mainstream’ te zijn. Blijf voorlopig nog maar lekker onontdekt Marina.
Pas op voor nieuwe popdiva Marina (& The Diamonds) - Beautiful Freaks - beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl
Massive Attack - Heligoland (2010)

2,5
0
geplaatst: 4 maart 2010, 22:34 uur
Heligoland: geen nieuwe Mezzazine, wel nieuwe Massive Attack
Massive Attack is een van de grote namen in het genre en voor de liefhebbers was hun nieuwe album Heligoland dan ook iets om reikhalzend naar uit te kijken, zeker omdat het alweer zeven jaar geleden was sinds hun vorige album 100th Window uitkwam. En dan doen er ook nog een hele reeks aan indrukwekkende gastartiesten mee, waaronder Guy Garvey, de zanger van Elbow en Damon Albarn, frontman van Blur en ook nog eens lid van tekenfilmband Gorillaz. Dat was voor mij een reden om behalve dit nieuwe werk meteen wat van hun oudere albums te beluisteren. En ook al is Heligoland absoluut een goed album, Massive Attack zal nooit meer op hun niveau ten tijde van Mezzanine komen.
Maar dat neemt niet weg dat Heligoland een album is vol met goede beats, interessante geluiden en bovendien leuke gastzangers. Het eerste nummer bijvoorbeeld, Pray For Rain, wordt gezongen door Tunde Adebimpe, de zanger van TV on the Radio. Het begint met een mysterieuze beat en bevat een soort spanningsopbouw die ook te horen valt bij TV on the Radio zelf, hoewel Massive Attack de climax nog wat langer weet te bewaren. Maar als halverwege de trommels opkomen en later nog veel betere ritmegeluiden, Adebimpe zijn tekst repeterend, wordt het nummer wel echt spannend. In plaats van die climax komt er echter een twist naar een woordenloos stukje zang, om daarna weer met een lome beat verder te gaan die nog altijd erg dreigend klinkt.
Zo zijn de beats van Massive Attack misschien wel het best te beschrijven: dreigend en relaxed. Telkens worden de nummers steeds verder opgebouwd maar die climax blijft vaak uit. Dat kan leuk uitpakken als je het goed kan en Massive Attack kan dat meestal, maar op sommige nummers van dit album werkt het truukje net niet helemaal.
Een nummer waarbij het absoluut wel werkt is Splitting the Atom, met zang van Horace Andy. Het nummer begint met een chille beat met handclaps en synthgeluidjes, en door de ontzagwekkend diepe stem van Horace Andy heeft het nummer wat weg van Leonard Cohen. En ondanks dat gedurende het hele nummer diezelfde beat blijft ‘beaten’ en ook de coupletten die diep gezongen worden steeds weer afgewisseld worden met hoog gezongen refreinen (zoals ook The Who al deed 40 jaar geleden) blijft het nummer spannend door alle originele geluiden die in de achtergrond zijn verstopt. Glittergeluiden en viooltjes-uit-een-doosje, vreemde stemmen en ‘computer-noise’.
Op vierde nummer Girl I Love You blijft Horace Andy gewoon nog meezingen, maar voelt niet zo loungy als dat hiervoor. De bassen in het nummer beginnen dreigend en ook de vervormde geluiden op de achtergrond geven een spannende sfeer aan het nummer mee. Het nummer wisselt een paar keer van vorm; eerst een tempowisseling en daarna opeens een instrumentatie die aandoet als blazers. En die plotselingen en tegen het einde ontsporende blazergeluiden zijn trouwens heel goed! Een beetje als Radiohead’s The Morning Bell, even spannend en chaotisch maar dan elektronisch.
Dan komt er voor het eerst een echt up-tempo nummer met zang van Martina Topley-Bird, haar tweede gastzang op dit album. Net als dat andere nummer, Babel, is Psyche een beetje een nummer dat langs je heen gaat. Het kabbelt een beetje voort en de stem van een vrouw is wel fijn als afwisseling maar die van Topley-Bird springt er nou niet meteen uit. Het nummer eindigt abrubt voor je er erg in hebt en dan begint een van de interessantste nummers op het album.
Flat of the Blade mag namelijk genieten van de zang van Guy Garvey, bekend van Elbow die twee jaar geleden zijn doorgebroken met het fenomenale The Seldom Seen Kid. Maar terug naar Massive Attack. De verwachtingen lagen hoog, maar helaas valt het nummer vies tegen. Sterker nog, het is een van de minste nummers van de hele CD. Totaal vormloos en alleen maar bliepjes en beepjes en er zit wel een beat in maar die is niet bepaald interessant te noemen. Guy Garvey heeft natuurlijk gewoon een prachtige stem maar kan die in dit nummer ook niet echt uiten, hij gaat teveel op in het geheel en blijft op het niveau van geneuzel. Een gemiste kans dus.
Gelukkig worden we daarna getrakteerd op het tweede hoogtepunt van het album, Paradise Circus, waarop dit keer Hope Sandoval de vocalen voor haar rekening neemt. Weer een vrouw dus maar in dit nummer totaal op haar plaats, met de lichte instrumentatie met losse pianotonen en een heldere beat. Haar beetje hese stem past mooi bij het geheel en neemt weliswaar niet de leiding maar valt ook niet weg. Vanaf twee minuten verandert de beat, hij krijgt wat meer bass, maar pas tegenhet einde komen er echt dreigende strijkers opzetten die het nummer als het ware uitleiden. Een climax valt het nog steeds niet te noemen, maar mooi is het wel.
Rush Minute is dan weer een vrij inwisselbaar nummer. Een vrij vervelende beat en zo klinkt de zanger ook: verveeld. Er komen dan later het nummer nog wat spannende geluiden bij, zelfs noise te noemen, maar die tillen het lied niet naar grotere hoogten.
Hoe anders is het Saturday Come Slow, waarop Damon Albarn van onder andere Blur en Gorillaz zingt. Het nummer begint al meteen met gitaren en daardoor klinkt Saturday Come Slow ook meer als een rocknummer dan als triphop/electronic, wat ik toch als positief beschouw. Zeker omdat de ‘identiteit’ van Massive Attack blijft doorschemeren door toch een beat maar ook de ritmische gitaren en het achtergrondgerommel. De uithalen van Damon Albarn zijn trouwens ook erg mooi.
De afsluiter Atlas Air duurt bijna acht minuten, een lengte die Massive Attack wel vaker heeft benaderd of overschreden, en dat belooft natuurlijk wel wat. Gelukkig begint het nummer meteen goed, dreigend en toch frisjes. De monotone moordzang heeft iets van de vroegere dEUS en over het geheel hangt een luguber, crimineel sausje. Voor je het weet is het nummer alweer halverwege en zijn er diepere bassen bij gekomen, is de beat harder gezet en vagelijk op de achtergrond is er een hoge piep te horen, vaag geluid, te horen. Nog wat mario-deuntjes, maar dan beter, versterken het nummer de daaropvolgende minuten en de zang komt ondertussen steeds meer naar voren, totdat het haast lijkt alsof de zanger de woorden in je oor fluistert. En eindelijk kunnen we de laatste twee minuten spreken van een echte Massive Attack-climax, waarbij allerlei deuntjes door elkaar worden vermengd met andere geluiden en nog steeds dezelfde beat als zeven minuten daarvoor. Een goed einde voor een toch wel mooi album, op een paar tegenvallers na.
Bron: Beautiful Freaks
Massive Attack is een van de grote namen in het genre en voor de liefhebbers was hun nieuwe album Heligoland dan ook iets om reikhalzend naar uit te kijken, zeker omdat het alweer zeven jaar geleden was sinds hun vorige album 100th Window uitkwam. En dan doen er ook nog een hele reeks aan indrukwekkende gastartiesten mee, waaronder Guy Garvey, de zanger van Elbow en Damon Albarn, frontman van Blur en ook nog eens lid van tekenfilmband Gorillaz. Dat was voor mij een reden om behalve dit nieuwe werk meteen wat van hun oudere albums te beluisteren. En ook al is Heligoland absoluut een goed album, Massive Attack zal nooit meer op hun niveau ten tijde van Mezzanine komen.
Maar dat neemt niet weg dat Heligoland een album is vol met goede beats, interessante geluiden en bovendien leuke gastzangers. Het eerste nummer bijvoorbeeld, Pray For Rain, wordt gezongen door Tunde Adebimpe, de zanger van TV on the Radio. Het begint met een mysterieuze beat en bevat een soort spanningsopbouw die ook te horen valt bij TV on the Radio zelf, hoewel Massive Attack de climax nog wat langer weet te bewaren. Maar als halverwege de trommels opkomen en later nog veel betere ritmegeluiden, Adebimpe zijn tekst repeterend, wordt het nummer wel echt spannend. In plaats van die climax komt er echter een twist naar een woordenloos stukje zang, om daarna weer met een lome beat verder te gaan die nog altijd erg dreigend klinkt.
Zo zijn de beats van Massive Attack misschien wel het best te beschrijven: dreigend en relaxed. Telkens worden de nummers steeds verder opgebouwd maar die climax blijft vaak uit. Dat kan leuk uitpakken als je het goed kan en Massive Attack kan dat meestal, maar op sommige nummers van dit album werkt het truukje net niet helemaal.
Een nummer waarbij het absoluut wel werkt is Splitting the Atom, met zang van Horace Andy. Het nummer begint met een chille beat met handclaps en synthgeluidjes, en door de ontzagwekkend diepe stem van Horace Andy heeft het nummer wat weg van Leonard Cohen. En ondanks dat gedurende het hele nummer diezelfde beat blijft ‘beaten’ en ook de coupletten die diep gezongen worden steeds weer afgewisseld worden met hoog gezongen refreinen (zoals ook The Who al deed 40 jaar geleden) blijft het nummer spannend door alle originele geluiden die in de achtergrond zijn verstopt. Glittergeluiden en viooltjes-uit-een-doosje, vreemde stemmen en ‘computer-noise’.
Op vierde nummer Girl I Love You blijft Horace Andy gewoon nog meezingen, maar voelt niet zo loungy als dat hiervoor. De bassen in het nummer beginnen dreigend en ook de vervormde geluiden op de achtergrond geven een spannende sfeer aan het nummer mee. Het nummer wisselt een paar keer van vorm; eerst een tempowisseling en daarna opeens een instrumentatie die aandoet als blazers. En die plotselingen en tegen het einde ontsporende blazergeluiden zijn trouwens heel goed! Een beetje als Radiohead’s The Morning Bell, even spannend en chaotisch maar dan elektronisch.
Dan komt er voor het eerst een echt up-tempo nummer met zang van Martina Topley-Bird, haar tweede gastzang op dit album. Net als dat andere nummer, Babel, is Psyche een beetje een nummer dat langs je heen gaat. Het kabbelt een beetje voort en de stem van een vrouw is wel fijn als afwisseling maar die van Topley-Bird springt er nou niet meteen uit. Het nummer eindigt abrubt voor je er erg in hebt en dan begint een van de interessantste nummers op het album.
Flat of the Blade mag namelijk genieten van de zang van Guy Garvey, bekend van Elbow die twee jaar geleden zijn doorgebroken met het fenomenale The Seldom Seen Kid. Maar terug naar Massive Attack. De verwachtingen lagen hoog, maar helaas valt het nummer vies tegen. Sterker nog, het is een van de minste nummers van de hele CD. Totaal vormloos en alleen maar bliepjes en beepjes en er zit wel een beat in maar die is niet bepaald interessant te noemen. Guy Garvey heeft natuurlijk gewoon een prachtige stem maar kan die in dit nummer ook niet echt uiten, hij gaat teveel op in het geheel en blijft op het niveau van geneuzel. Een gemiste kans dus.
Gelukkig worden we daarna getrakteerd op het tweede hoogtepunt van het album, Paradise Circus, waarop dit keer Hope Sandoval de vocalen voor haar rekening neemt. Weer een vrouw dus maar in dit nummer totaal op haar plaats, met de lichte instrumentatie met losse pianotonen en een heldere beat. Haar beetje hese stem past mooi bij het geheel en neemt weliswaar niet de leiding maar valt ook niet weg. Vanaf twee minuten verandert de beat, hij krijgt wat meer bass, maar pas tegenhet einde komen er echt dreigende strijkers opzetten die het nummer als het ware uitleiden. Een climax valt het nog steeds niet te noemen, maar mooi is het wel.
Rush Minute is dan weer een vrij inwisselbaar nummer. Een vrij vervelende beat en zo klinkt de zanger ook: verveeld. Er komen dan later het nummer nog wat spannende geluiden bij, zelfs noise te noemen, maar die tillen het lied niet naar grotere hoogten.
Hoe anders is het Saturday Come Slow, waarop Damon Albarn van onder andere Blur en Gorillaz zingt. Het nummer begint al meteen met gitaren en daardoor klinkt Saturday Come Slow ook meer als een rocknummer dan als triphop/electronic, wat ik toch als positief beschouw. Zeker omdat de ‘identiteit’ van Massive Attack blijft doorschemeren door toch een beat maar ook de ritmische gitaren en het achtergrondgerommel. De uithalen van Damon Albarn zijn trouwens ook erg mooi.
De afsluiter Atlas Air duurt bijna acht minuten, een lengte die Massive Attack wel vaker heeft benaderd of overschreden, en dat belooft natuurlijk wel wat. Gelukkig begint het nummer meteen goed, dreigend en toch frisjes. De monotone moordzang heeft iets van de vroegere dEUS en over het geheel hangt een luguber, crimineel sausje. Voor je het weet is het nummer alweer halverwege en zijn er diepere bassen bij gekomen, is de beat harder gezet en vagelijk op de achtergrond is er een hoge piep te horen, vaag geluid, te horen. Nog wat mario-deuntjes, maar dan beter, versterken het nummer de daaropvolgende minuten en de zang komt ondertussen steeds meer naar voren, totdat het haast lijkt alsof de zanger de woorden in je oor fluistert. En eindelijk kunnen we de laatste twee minuten spreken van een echte Massive Attack-climax, waarbij allerlei deuntjes door elkaar worden vermengd met andere geluiden en nog steeds dezelfde beat als zeven minuten daarvoor. Een goed einde voor een toch wel mooi album, op een paar tegenvallers na.
Bron: Beautiful Freaks
Muse - The Resistance (2009)

3,0
0
geplaatst: 27 september 2009, 13:41 uur
Zoals al gezegd is dit een duidelijke 'love it or hate it'-plaat. En nu ja, de mensen die hem haten kan ik snappen, maar ik love deze plaat!
The Resistance ligt duidelijk in het verlengde van Black Holes, met daarover nog een sausje absolution, van de eerste 2 platen is nauwelijks meer iets te horen. Maakt niets uit, zowel de 'oude' als de 'nieuwe' Muse vind ik erg goed!
Maar dan nu over deze plaat:
Uprising is het eerste liedje op de plaat en natuurlijk ook als eerste single een logische keuze, want dit is eigenlijk gewoon de perfecte rocksong. Lekker lopende tekst, catchy, een geweldige meezinger als refrein, het 'hey!'-gedeelte dat ook uit duizenden kelen meegebruld kan worden, wat heb je nog meer nodig?
Het volgende liedje heet The Resistance en is misschien minder poppy. Het begint met klassiek-getinte piano maar wordt als snel een echte rocksong. Het 'It could be wrong'-stuk klinkt net als de rest van het liedje hartstikke goed, dit is toch wel de topper van de CD!
Undisclosed Desires wordt hier afgekraakt door het te hoge R&B-gehalte, en toch vind ik ook dit weer een raak liedje. De subtiele geluidjes op de achtergrond zorgen dat het liedje toch weer de gladde dance-beat ontstijgt.
Het liedje dat we het eerste van deze plaat te horen kregen was United States of Eurasia, en ach ja, ook dit weer is een ontzettend bombastisch liedje met een gigantisch hoog Queen-gehalte en bovendien is Collateral Damage rechtstreeks van Chopin gekopieerd. En toch is het wat mij betreft een lekker liedje. Het couplet dat je na een paar keer draaien helemaal kan meezingen, de 'uitbarsting' bij 'there can be only one!', het Arabisch getinte stukje. En dan na al het geluidsgeweld (-SIA! -SIA! -SIA!) hartstikke droog Chopin spelen. Een grote grap? Ja, maar wel een goeie!
Guiding Light is misschien een zoet liedje, maar wel met een goede gitaarsolo en eigenlijk valt er niks slechts aan op te merken.
Het hardste liedje van de plaat is ongetwijfeld Unnatural Selection, en wat een geweldig liedje! Heeft vagelijk wat weg van System of a Down vind ik, maar sowieso een geniaal liedje. Ook hoe het telkens afgelopen lijkt te zijn maar toch nog door gaat en bijna 7 hele minuten weet te vullen!
MK Ultra begint ook leuk en weet dat het het hele liedje vol te houden. Niet heel erg speciaal maar nog altijd gewoon een goed liedje!
I Belong To You (Mon Coeur Soeuvre A ta Voix), het liedje waarop Bellamy in het Frans zingt, is bij mij uitgegroeid tot een echte favoriet. Begint hartstikke sterk met een goed ritme en krachtig gezongen. Na 2 minuten gaat het liedje over in iets wat weer tussen Queen en opera inhangt. Maar dan, als het liedje bijna afgelopen lijkt te zijn, knalt opeens die hobo(?)-solo erin, wat een geweldig moment is dat! Hoe het liedje sneller gaat, drums invallen, pianoriedel en bang!
Exogenesis vond ik de eerste paar keer een beetje saai, maar bevalt steeds beter en sommige stukken zijn eigenlijk toch wel heel erg goed, en ja, Matthew Bellamy is gewoon een geweldige zanger.
5*
The Resistance ligt duidelijk in het verlengde van Black Holes, met daarover nog een sausje absolution, van de eerste 2 platen is nauwelijks meer iets te horen. Maakt niets uit, zowel de 'oude' als de 'nieuwe' Muse vind ik erg goed!
Maar dan nu over deze plaat:
Uprising is het eerste liedje op de plaat en natuurlijk ook als eerste single een logische keuze, want dit is eigenlijk gewoon de perfecte rocksong. Lekker lopende tekst, catchy, een geweldige meezinger als refrein, het 'hey!'-gedeelte dat ook uit duizenden kelen meegebruld kan worden, wat heb je nog meer nodig?
Het volgende liedje heet The Resistance en is misschien minder poppy. Het begint met klassiek-getinte piano maar wordt als snel een echte rocksong. Het 'It could be wrong'-stuk klinkt net als de rest van het liedje hartstikke goed, dit is toch wel de topper van de CD!
Undisclosed Desires wordt hier afgekraakt door het te hoge R&B-gehalte, en toch vind ik ook dit weer een raak liedje. De subtiele geluidjes op de achtergrond zorgen dat het liedje toch weer de gladde dance-beat ontstijgt.
Het liedje dat we het eerste van deze plaat te horen kregen was United States of Eurasia, en ach ja, ook dit weer is een ontzettend bombastisch liedje met een gigantisch hoog Queen-gehalte en bovendien is Collateral Damage rechtstreeks van Chopin gekopieerd. En toch is het wat mij betreft een lekker liedje. Het couplet dat je na een paar keer draaien helemaal kan meezingen, de 'uitbarsting' bij 'there can be only one!', het Arabisch getinte stukje. En dan na al het geluidsgeweld (-SIA! -SIA! -SIA!) hartstikke droog Chopin spelen. Een grote grap? Ja, maar wel een goeie!
Guiding Light is misschien een zoet liedje, maar wel met een goede gitaarsolo en eigenlijk valt er niks slechts aan op te merken.
Het hardste liedje van de plaat is ongetwijfeld Unnatural Selection, en wat een geweldig liedje! Heeft vagelijk wat weg van System of a Down vind ik, maar sowieso een geniaal liedje. Ook hoe het telkens afgelopen lijkt te zijn maar toch nog door gaat en bijna 7 hele minuten weet te vullen!
MK Ultra begint ook leuk en weet dat het het hele liedje vol te houden. Niet heel erg speciaal maar nog altijd gewoon een goed liedje!
I Belong To You (Mon Coeur Soeuvre A ta Voix), het liedje waarop Bellamy in het Frans zingt, is bij mij uitgegroeid tot een echte favoriet. Begint hartstikke sterk met een goed ritme en krachtig gezongen. Na 2 minuten gaat het liedje over in iets wat weer tussen Queen en opera inhangt. Maar dan, als het liedje bijna afgelopen lijkt te zijn, knalt opeens die hobo(?)-solo erin, wat een geweldig moment is dat! Hoe het liedje sneller gaat, drums invallen, pianoriedel en bang!
Exogenesis vond ik de eerste paar keer een beetje saai, maar bevalt steeds beter en sommige stukken zijn eigenlijk toch wel heel erg goed, en ja, Matthew Bellamy is gewoon een geweldige zanger.
5*
PJ Harvey - Let England Shake (2011)

5,0
0
geplaatst: 17 februari 2011, 16:50 uur
"These are the words, the words are these.
death lingering, stunk,
Flies swarming everyone,
Over the whole summit peak,
Flesh quivering in the heat.
This was something else again.
I fear it cannot be explained.
The words that maketh, the words that maketh
Murder."
Hoe is het mogelijk om je, als kind van de vorige eeuw in een snel veranderd muzieklandschap, te handhaven en te vernieuwen? De inmiddels 41-jarige PJ Harvey leek zich dat goed te beseffen toen ze in 2007 een totaal andere kant van zichzelf liet horen op White Chalk. We wisten al dat Polly-Jean tekeer kon gaan (Rid of Me), neerslachtig en depressief was (Is This Desire?, To Bring You My Love), prachtige liedjes maakt (Stories from the City, Stories from the Sea) en dat ze ook weleens uit de bocht kon vliegen (Uh Huh Her). Dat ze ook nog verstilde folkliedjes kan brengen was alleen maar de zoveelste bevestiging van haar talent. Nu ze na vier jaar weer met nieuw werk is gekomen dat nog altijd fris en nieuw. En het mooiste is dat PJ na twintig jaar ook op Let England Shake nog altijd lekker zichzelf is.
Op een van de meest melancholische momenten van Let England Shake, 'England', moet ik denken aan mijn vader en hoe ik als kleine jongen met hem door de straten van Amsterdam liep die eeuwig in staat van verbouwing waren, en hoe hij me altijd vertelde dat ik nu goed moest kijken hoe de straten en gebouwen en gevels eruit zagen, omdat dat er allemaal niet meer zou zijn 'als ik groot was'. Ik ben weer acht jaar als PJ Harvey zingt: 'The country that I love / England / You leave a taste / A bitter one.' Ze zingt het met een stem vol heimwee, en ik bedenk me dat ik nooit écht heb opgelet hoe de straatjes van Amsterdam eruit zagen, dat ik de echte herinneringen kwijt ben en alleen nog maar aan de schaduw daarvan kan denken.
Let England Shake zit vol met dit soort melancholie. Ik zie Polly-Jean al door de vervallen straten lopen van de Engelse steden waar zij ooit is opgegroeid. 'Take me back to beautiful England / And the grey damp filthiness of ages / And fog rolling down behind the mountains / On the graveyards and dead sea-captains. / Let me walk through the stinking alleys / To the music of drunken beating,' mompelt ze op 'The Last Living Rose'. Haar heimwee naar vroeger heeft iets weemoedigs. Zowel tekstueel als muzikaal straalt Let England Shake een verlangen uit naar de goede oude tijd, naar 'Old England'. Het album is opgenomen in een negentiende-eeuwse kerk in het Britse kustgebied Dorset en vangt precies die sfeer, die muffe geur van verlaten gebouwen, versleten meubels en verkleurde fotoalbums.
Die persoonlijkheid die tot in de uiterste holtes van je ziel doordringt zijn we al lang gewend van PJ Harvey. De echte vernieuwendheid van Let England Shake is dat we nu meer dan ooit te maken hebben met een politieke plaat. 'This time, I've been looking out,' zegt PJ Harvey over haar nieuwe werk. Let England Shake gaat niet alleen over de vergeten plekjes van onze jeugd, maar nog veel meer over het noodlot van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog en over het eens zo grootse Verenigd Koninkrijk, nu een schim van wat het ooit was. In het furieuze 'The Glorious Land' zingt ze: 'How is our glorious country ploughed? / Not by iron ploughs / Our lands is ploughed by tanks and feet / Feet, marching.' Datzelfde nummer opent met uit-de-toon-vallend trompetgeschal dat tegendraads tegen het regelmatige marsritme van het liedje ingaat. Het beeldt in een paar seconden de slachtoffers van The Great War uit, de gevallenen in de loopgraven, de soldaten die het ritme niet meer bijhielden en in groten getale sneuvelden. Het misplaatste van de melodie schets een lugubere en verdorven sfeer van lijken en kerkhoven. Let England Shake is niet het plakboek van Polly-Jeans persoonlijke jeugdherinneringen, maar een document van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlogsmonument dat de miljoenen slachtoffers honderd jaar na dato pas eer aan kan doen.
Even later horen we Polly-Jean nog een tikkeltje bozer, bijtender, als ze naar de regeringen van Engeland en Amerika sneert: 'What is the glorious fruit of our land? / Its fruit is deformed children / What is the glorious fruit of our land? / Its fruit is orphaned children.' In mei van vorig jaar was Harvey te gast bij BBC1's Andrew Marr Show en bracht aan Marr's gasten van die dag het titelnummer van Let England Shake ten gehore. Onder die gasten was Gordon Brown, wiens partij de week daarna de Britse verkiezingen zou winnen. De cynische tekstregels 'The West's asleep / Let England shake / Weighted down with silent death' krijgen op die manier een heel andere betekenis.
Tijdens haar televisieoptreden bij de BBC speelde PJ Harvey in haar eentje een lichtelijk valse versie van het titelnummer van deze plaat, gecombineerd met de fifties-hit 'Istanbul (Not Constantinople)', maar op Let England Shake wordt ze bijgestaan door een inmiddels vaste muzikantengroep, waaronder John Parish en ex-Bad Seed Mick Harvey - die ook meezingt op het laatste nummer 'The Colour of the Earth' . Dezelfde muzikanten, maar hun pallet aan instrumenten is nog nooit zo breed geweest. De gitaargeoriënteerde PJ van de jaren '90 is bijna volledig verdwenen en in plaats daarvan horen we onder meer citers, een autoharp en saxofoons. Zelf zingt PJ Harvey het gros van de nummers in haar hogere registers, met als uiterste de onnatuurlijk hoge meisjeskoorachtige noten die ze in 'On Battleship Hill' weet te halen. Op Let England Shake zingt Polly-Jean zoekend; de juiste toon lijkt vaak pas tijdens het nummer gevonden te worden, alsof Harvey al zingende zoekt naar de manier waarop ze het nummer moet brengen. Wanneer ze in het onheilspellende lied 'All and Everyone' de regels 'As we advanced in the sun / Death was all and everyone' zingt breekt haar stem zoals ook de jongemannen aan het front ooit braken als ze werden vertrapt. De meeste songs op Let England Shake zijn live opgenomen en klinken daardoor ruw en onaf. Het zijn sfeerschetsen, losse flarden en verhalen, wat past bij de dwalende sfeer van het album. Zo klinken er op 'England' een paar eenzame blazers en horen we op de achtergrond spookachtige stemmetjes in de stijl van Björk. 'I live and die / Through England.'
Let England Shake zou op het eerste gezicht een vrolijk album kunnen lijken. De oppervlakkige luisteraar zou kunnen zeggen dat Polly-Jean het zich dit keer makkelijk heeft gemaakt en dat Let England Shake een album is met enkele aardige popliedjes. Maar de waarheid is, dat dit album misschien wel een van de zwaarste albums van PJ Harvey is, nog nooit zo bitter en cynisch verhalend over de meest gruwelijke dood. Met Let England Shake heeft Harvey ten meerderen male haar kwaliteiten als zangeres en liedjesschrijver bewezen en op het vlak van teksten een nieuw hoogtepunt bereikt. We zouden Polly-Jean Harvey tekort doen wanneer we zeggen dat ze weer vernieuwend bezig is geweest, want Let England Shake is simpelweg haar beste album tot nu toe.
Origineel verschenen op Beautiful Freaks
death lingering, stunk,
Flies swarming everyone,
Over the whole summit peak,
Flesh quivering in the heat.
This was something else again.
I fear it cannot be explained.
The words that maketh, the words that maketh
Murder."
Hoe is het mogelijk om je, als kind van de vorige eeuw in een snel veranderd muzieklandschap, te handhaven en te vernieuwen? De inmiddels 41-jarige PJ Harvey leek zich dat goed te beseffen toen ze in 2007 een totaal andere kant van zichzelf liet horen op White Chalk. We wisten al dat Polly-Jean tekeer kon gaan (Rid of Me), neerslachtig en depressief was (Is This Desire?, To Bring You My Love), prachtige liedjes maakt (Stories from the City, Stories from the Sea) en dat ze ook weleens uit de bocht kon vliegen (Uh Huh Her). Dat ze ook nog verstilde folkliedjes kan brengen was alleen maar de zoveelste bevestiging van haar talent. Nu ze na vier jaar weer met nieuw werk is gekomen dat nog altijd fris en nieuw. En het mooiste is dat PJ na twintig jaar ook op Let England Shake nog altijd lekker zichzelf is.
Op een van de meest melancholische momenten van Let England Shake, 'England', moet ik denken aan mijn vader en hoe ik als kleine jongen met hem door de straten van Amsterdam liep die eeuwig in staat van verbouwing waren, en hoe hij me altijd vertelde dat ik nu goed moest kijken hoe de straten en gebouwen en gevels eruit zagen, omdat dat er allemaal niet meer zou zijn 'als ik groot was'. Ik ben weer acht jaar als PJ Harvey zingt: 'The country that I love / England / You leave a taste / A bitter one.' Ze zingt het met een stem vol heimwee, en ik bedenk me dat ik nooit écht heb opgelet hoe de straatjes van Amsterdam eruit zagen, dat ik de echte herinneringen kwijt ben en alleen nog maar aan de schaduw daarvan kan denken.
Let England Shake zit vol met dit soort melancholie. Ik zie Polly-Jean al door de vervallen straten lopen van de Engelse steden waar zij ooit is opgegroeid. 'Take me back to beautiful England / And the grey damp filthiness of ages / And fog rolling down behind the mountains / On the graveyards and dead sea-captains. / Let me walk through the stinking alleys / To the music of drunken beating,' mompelt ze op 'The Last Living Rose'. Haar heimwee naar vroeger heeft iets weemoedigs. Zowel tekstueel als muzikaal straalt Let England Shake een verlangen uit naar de goede oude tijd, naar 'Old England'. Het album is opgenomen in een negentiende-eeuwse kerk in het Britse kustgebied Dorset en vangt precies die sfeer, die muffe geur van verlaten gebouwen, versleten meubels en verkleurde fotoalbums.
Die persoonlijkheid die tot in de uiterste holtes van je ziel doordringt zijn we al lang gewend van PJ Harvey. De echte vernieuwendheid van Let England Shake is dat we nu meer dan ooit te maken hebben met een politieke plaat. 'This time, I've been looking out,' zegt PJ Harvey over haar nieuwe werk. Let England Shake gaat niet alleen over de vergeten plekjes van onze jeugd, maar nog veel meer over het noodlot van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog en over het eens zo grootse Verenigd Koninkrijk, nu een schim van wat het ooit was. In het furieuze 'The Glorious Land' zingt ze: 'How is our glorious country ploughed? / Not by iron ploughs / Our lands is ploughed by tanks and feet / Feet, marching.' Datzelfde nummer opent met uit-de-toon-vallend trompetgeschal dat tegendraads tegen het regelmatige marsritme van het liedje ingaat. Het beeldt in een paar seconden de slachtoffers van The Great War uit, de gevallenen in de loopgraven, de soldaten die het ritme niet meer bijhielden en in groten getale sneuvelden. Het misplaatste van de melodie schets een lugubere en verdorven sfeer van lijken en kerkhoven. Let England Shake is niet het plakboek van Polly-Jeans persoonlijke jeugdherinneringen, maar een document van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlogsmonument dat de miljoenen slachtoffers honderd jaar na dato pas eer aan kan doen.
Even later horen we Polly-Jean nog een tikkeltje bozer, bijtender, als ze naar de regeringen van Engeland en Amerika sneert: 'What is the glorious fruit of our land? / Its fruit is deformed children / What is the glorious fruit of our land? / Its fruit is orphaned children.' In mei van vorig jaar was Harvey te gast bij BBC1's Andrew Marr Show en bracht aan Marr's gasten van die dag het titelnummer van Let England Shake ten gehore. Onder die gasten was Gordon Brown, wiens partij de week daarna de Britse verkiezingen zou winnen. De cynische tekstregels 'The West's asleep / Let England shake / Weighted down with silent death' krijgen op die manier een heel andere betekenis.
Tijdens haar televisieoptreden bij de BBC speelde PJ Harvey in haar eentje een lichtelijk valse versie van het titelnummer van deze plaat, gecombineerd met de fifties-hit 'Istanbul (Not Constantinople)', maar op Let England Shake wordt ze bijgestaan door een inmiddels vaste muzikantengroep, waaronder John Parish en ex-Bad Seed Mick Harvey - die ook meezingt op het laatste nummer 'The Colour of the Earth' . Dezelfde muzikanten, maar hun pallet aan instrumenten is nog nooit zo breed geweest. De gitaargeoriënteerde PJ van de jaren '90 is bijna volledig verdwenen en in plaats daarvan horen we onder meer citers, een autoharp en saxofoons. Zelf zingt PJ Harvey het gros van de nummers in haar hogere registers, met als uiterste de onnatuurlijk hoge meisjeskoorachtige noten die ze in 'On Battleship Hill' weet te halen. Op Let England Shake zingt Polly-Jean zoekend; de juiste toon lijkt vaak pas tijdens het nummer gevonden te worden, alsof Harvey al zingende zoekt naar de manier waarop ze het nummer moet brengen. Wanneer ze in het onheilspellende lied 'All and Everyone' de regels 'As we advanced in the sun / Death was all and everyone' zingt breekt haar stem zoals ook de jongemannen aan het front ooit braken als ze werden vertrapt. De meeste songs op Let England Shake zijn live opgenomen en klinken daardoor ruw en onaf. Het zijn sfeerschetsen, losse flarden en verhalen, wat past bij de dwalende sfeer van het album. Zo klinken er op 'England' een paar eenzame blazers en horen we op de achtergrond spookachtige stemmetjes in de stijl van Björk. 'I live and die / Through England.'
Let England Shake zou op het eerste gezicht een vrolijk album kunnen lijken. De oppervlakkige luisteraar zou kunnen zeggen dat Polly-Jean het zich dit keer makkelijk heeft gemaakt en dat Let England Shake een album is met enkele aardige popliedjes. Maar de waarheid is, dat dit album misschien wel een van de zwaarste albums van PJ Harvey is, nog nooit zo bitter en cynisch verhalend over de meest gruwelijke dood. Met Let England Shake heeft Harvey ten meerderen male haar kwaliteiten als zangeres en liedjesschrijver bewezen en op het vlak van teksten een nieuw hoogtepunt bereikt. We zouden Polly-Jean Harvey tekort doen wanneer we zeggen dat ze weer vernieuwend bezig is geweest, want Let England Shake is simpelweg haar beste album tot nu toe.
Origineel verschenen op Beautiful Freaks
The Cure - Disintegration (1989)

5,0
0
geplaatst: 19 juni 2010, 22:18 uur
Ik weet dat ik soms iets te enthousiast ben over muziek, maar ik overdrijf niet als ik zeg dat Disintegration van The Cure het mooiste album is dat ik ooit gehoord heb. De eerste keer al - het was tevens mijn eerste kennismaking met The Cure - werd ik overdonderd door het atmosferische geluid van het album. Groots en bombastisch, maar ondanks de volle arrangementen straalde het album een bepaalde leegte uit. Dat soort tegenstellingen raken mij en zo raakte ook Disintegration mij. Al een tijdje werd er gesproken over een remaster van het album, waarvan ik de geruchten op een afstandje volgde. En nu is hij uit, 'Disintegration Deluxe'.
Je neemt natuurlijk altijd een risico, als je het mooiste album wilt verbeteren. Het origineel was perfect - vanaf de eerste tintelende tinkelbelletjes op het begin tot de laatste harmoniumadem op het einde. 'Music to be played loud'. Zodat je het klokkenspel op het begin hoort schitteren en vervolgens overweldigd wordt als alle registers worden opgetrokken. Plainsong, de introductie van Disintegration, en meteen een van de meest typerende songs. Doffe drumslagen op de achtergrond, versterkt met zwaar basspel en dat natuurlijk onder een ware regen van synthesizer. Een heldere gitaar speelt een melodietje - de zon die tussen de regenstralen door toch wat treurig lijkt - en op de helft van het epos begint Robert Smith te zingen. Of eigenlijk te galmen. Het zijn de echo's van de wolkbreuk op de straatstenen, die opgaan in het geheel. Je zou het haast niet merken of het organische geluid valt even stil - het vliegtuig is geland, Plainsong - de allesvernietigende atoombom - afgelopen.
Het mooiste aan Plainsong vind ik de schijnbare afwezigheid van het nummer; hoe hard je het ook draait, het nummer is nooit expliciet aanwezig. Juist omdat het zo allesomvattend is. Alsof alle bestaande luchttrillingen vervangen worden door Plainsong, het nummer wordt opgenomen in de totale atmosfeer, verandert in de totale atmosfeer. Daarom is het ook zo makkelijk te verdrinken in de wonderlijke klanken van Disintegration - het album voelt zo natuurlijk. En zo groots - je kan er niet in verdrinken maar in zwemmen.
Je kan niet anders dan door Plainsong verzwolgen worden in de oceaan die Disintegration heet, en nu dit met ruw geweld is gebeurd voelt Pictures of You als het uitrusten op de golven, meedeinen op het ritme dat bewust iets scherper en scheller staat. Het staccato-gitaartje, dat onder water zo heerlijk galmt, klinkt zo heerlijk luchtig, als ware het slechts de kleine belletjes in het water. Ook hier doet The Cure weer zichtbaar moeite om de luisteraar helemaal het nummer in te trekken met een lange introductie, om pas dan Robert Smith zijn verhaal te laten vertellen. Eigenlijk het hele album lang over gefaalde liefde. Totaal zonder hoop, niet eens meer melancholisch maar desperaat vertelt Smith hoe hij zijn verloren geliefde zelfs niet meer in herinnering heeft, maar alleen nog de foto's van haar kan bekijken. 'I've been looking so long at these pictures of you /that I almost belive that they're real / I've been living so long with my pictures of you / that I almost believe that the pictures are all I can feel'. En The Cure weet het zo oprecht te brengen dat het hele lied dit gevoel van imporantie met zich meedraagt. Zoals voor Robert Smith zijn vervaagde foto's zijn hele leven zijn, zo leek Pictures of You slechts een fractie van een moment het enige belangrijke in mijn leven.
En zo weten alle liedjes op Disintegration wel iets los te maken. Het hele album blijft zwaarmoedig en zwartgallig, maar op elk nummer weet The Cure een stukje ruimte open te laten om zo het hele album uit te kunnen zitten. Juist omdat de moeite die je moet doen om helemaal meegesleurd te worden door het album maar zo klein is, val je zo snel ten prooi aan de verwoestende geluidsgolven van Disintegration. Hoger-dan-hoogtepunten zijn: het lieflijk-kleine Love Song, waarin Smith de woorden 'I will always love you' overtuigend cynisch brengt; de eerste single Lullaby, dat zich als een net om je heen werpt en het is dan ook niet verwonderlijk dat Smith opent met de regel ´I spy something beginning with s%u2026´. Spiders; Fascination Street dat de donkerste helft van het album inluidt en klinkt als een wandeling door de duisterste straten van een grote stad bij nacht in de regen en Disintegration, het meest bezwerend nummer van Disintegration dat zichzelf herhaalt als een vicieuze cirkel, en trechter naar de Tartarus. 'How the end always is%u2026'
Ik weet nu al dat ik met al deze beschrijvingen slechts een blaadje heb geplukt van de boom Disintegration, waaraan de verboden vruchten groeien. Dit album is alles, is groter dan het leven, mooier dan de liefde. En het beschrijven is als het navertellen van een verhaal, het tekenen van een boom: zoveel details ontbreken.
Hoe kan iets waar alles al perfect aan was nou nog beter worden? Dat is onmogelijk, laat de remaster van Disintegration ons horen. Die heeft alles kapotgemaakt. De boom is omgehakt en een nieuwe is geplant; deze is weliswaar jonger en nieuwer, maar wekt nooit meer dat gevoel op dat een boom kan opwekken die ouder is dan jij. Dat is precies het geval met deze remaster. Weliswaar klinkt het geluid moderner dan de versie uit 1989 en als je het 'objectief zou beoordelen' kan je constateren dat de remaster 'beter' is. Helaas werkt dat niet zo met muziek, en in ruil voor een wat helderder geluid, iets compacter en voller, maar ook vooral harder en bassiger, levert Disintegration zijn totale atmosfeer in. De kleine leegte die het origineel overliet aan de luisteraar is verdwenen, zelfs het miniscuulste gaatje is gevuld en daardoor komt te hele uitwerking van Disintegration te vervallen. De chemische reactie tussen de atmosfeer en opener komt te vervallen en Plainsong klinkt niet langer als alles wat er nog over is, maar slechts als een ´gewoon´ liedje. Dat het nummer dan een paar decibel harder kan is een schrale troost.
Ook het totaalgeluid van Disintegration lijkt te zijn aangepast. In plaats van het stroperige geheel dat het album eerst was, zijn nu alle afzonderlijke instrumenten duidelijk te onderscheiden en dat wekt een soort nuchterheid over het album heen. De stem van Robert Smith is niet langer een laatste instrument maar gewoon een stem. Vooral bij de drums en bas is deze verandering in geluid goed te horen. De drumslagen in bijvoorbeeld Pictures of You zijn geen lichte tikjes, regendruppeltjes die op je hoofd uiteenspatten, maar keiharde mokerslagen. Ze slaan het hele nummer aan diggelen.
Ik kan niet anders zeggen dan dat ik teleurgesteld ben in de remaster van het mooiste album aller tijden. Ook een prachtige live-registratie uit 1989 (ook geremasterd, maar gek genoeg kunnen de live-versies van de liedjes wel een wat vettiger geluid gebruiken) en schijfje met bonustracks die een keer wel de moeite waard zijn kunnen het falen van deze remaster niet verhullen, laat staan goedmaken. Roberth Smith wilde verbeteren wat perfect is. En is het niet terecht om dat overmoed te noemen?
Eerder verschenen op Beautiful Freaks - alternative music pirate radio / reviews - beautifulfreaks.nl
Je neemt natuurlijk altijd een risico, als je het mooiste album wilt verbeteren. Het origineel was perfect - vanaf de eerste tintelende tinkelbelletjes op het begin tot de laatste harmoniumadem op het einde. 'Music to be played loud'. Zodat je het klokkenspel op het begin hoort schitteren en vervolgens overweldigd wordt als alle registers worden opgetrokken. Plainsong, de introductie van Disintegration, en meteen een van de meest typerende songs. Doffe drumslagen op de achtergrond, versterkt met zwaar basspel en dat natuurlijk onder een ware regen van synthesizer. Een heldere gitaar speelt een melodietje - de zon die tussen de regenstralen door toch wat treurig lijkt - en op de helft van het epos begint Robert Smith te zingen. Of eigenlijk te galmen. Het zijn de echo's van de wolkbreuk op de straatstenen, die opgaan in het geheel. Je zou het haast niet merken of het organische geluid valt even stil - het vliegtuig is geland, Plainsong - de allesvernietigende atoombom - afgelopen.
Het mooiste aan Plainsong vind ik de schijnbare afwezigheid van het nummer; hoe hard je het ook draait, het nummer is nooit expliciet aanwezig. Juist omdat het zo allesomvattend is. Alsof alle bestaande luchttrillingen vervangen worden door Plainsong, het nummer wordt opgenomen in de totale atmosfeer, verandert in de totale atmosfeer. Daarom is het ook zo makkelijk te verdrinken in de wonderlijke klanken van Disintegration - het album voelt zo natuurlijk. En zo groots - je kan er niet in verdrinken maar in zwemmen.
Je kan niet anders dan door Plainsong verzwolgen worden in de oceaan die Disintegration heet, en nu dit met ruw geweld is gebeurd voelt Pictures of You als het uitrusten op de golven, meedeinen op het ritme dat bewust iets scherper en scheller staat. Het staccato-gitaartje, dat onder water zo heerlijk galmt, klinkt zo heerlijk luchtig, als ware het slechts de kleine belletjes in het water. Ook hier doet The Cure weer zichtbaar moeite om de luisteraar helemaal het nummer in te trekken met een lange introductie, om pas dan Robert Smith zijn verhaal te laten vertellen. Eigenlijk het hele album lang over gefaalde liefde. Totaal zonder hoop, niet eens meer melancholisch maar desperaat vertelt Smith hoe hij zijn verloren geliefde zelfs niet meer in herinnering heeft, maar alleen nog de foto's van haar kan bekijken. 'I've been looking so long at these pictures of you /that I almost belive that they're real / I've been living so long with my pictures of you / that I almost believe that the pictures are all I can feel'. En The Cure weet het zo oprecht te brengen dat het hele lied dit gevoel van imporantie met zich meedraagt. Zoals voor Robert Smith zijn vervaagde foto's zijn hele leven zijn, zo leek Pictures of You slechts een fractie van een moment het enige belangrijke in mijn leven.
En zo weten alle liedjes op Disintegration wel iets los te maken. Het hele album blijft zwaarmoedig en zwartgallig, maar op elk nummer weet The Cure een stukje ruimte open te laten om zo het hele album uit te kunnen zitten. Juist omdat de moeite die je moet doen om helemaal meegesleurd te worden door het album maar zo klein is, val je zo snel ten prooi aan de verwoestende geluidsgolven van Disintegration. Hoger-dan-hoogtepunten zijn: het lieflijk-kleine Love Song, waarin Smith de woorden 'I will always love you' overtuigend cynisch brengt; de eerste single Lullaby, dat zich als een net om je heen werpt en het is dan ook niet verwonderlijk dat Smith opent met de regel ´I spy something beginning with s%u2026´. Spiders; Fascination Street dat de donkerste helft van het album inluidt en klinkt als een wandeling door de duisterste straten van een grote stad bij nacht in de regen en Disintegration, het meest bezwerend nummer van Disintegration dat zichzelf herhaalt als een vicieuze cirkel, en trechter naar de Tartarus. 'How the end always is%u2026'
Ik weet nu al dat ik met al deze beschrijvingen slechts een blaadje heb geplukt van de boom Disintegration, waaraan de verboden vruchten groeien. Dit album is alles, is groter dan het leven, mooier dan de liefde. En het beschrijven is als het navertellen van een verhaal, het tekenen van een boom: zoveel details ontbreken.
Hoe kan iets waar alles al perfect aan was nou nog beter worden? Dat is onmogelijk, laat de remaster van Disintegration ons horen. Die heeft alles kapotgemaakt. De boom is omgehakt en een nieuwe is geplant; deze is weliswaar jonger en nieuwer, maar wekt nooit meer dat gevoel op dat een boom kan opwekken die ouder is dan jij. Dat is precies het geval met deze remaster. Weliswaar klinkt het geluid moderner dan de versie uit 1989 en als je het 'objectief zou beoordelen' kan je constateren dat de remaster 'beter' is. Helaas werkt dat niet zo met muziek, en in ruil voor een wat helderder geluid, iets compacter en voller, maar ook vooral harder en bassiger, levert Disintegration zijn totale atmosfeer in. De kleine leegte die het origineel overliet aan de luisteraar is verdwenen, zelfs het miniscuulste gaatje is gevuld en daardoor komt te hele uitwerking van Disintegration te vervallen. De chemische reactie tussen de atmosfeer en opener komt te vervallen en Plainsong klinkt niet langer als alles wat er nog over is, maar slechts als een ´gewoon´ liedje. Dat het nummer dan een paar decibel harder kan is een schrale troost.
Ook het totaalgeluid van Disintegration lijkt te zijn aangepast. In plaats van het stroperige geheel dat het album eerst was, zijn nu alle afzonderlijke instrumenten duidelijk te onderscheiden en dat wekt een soort nuchterheid over het album heen. De stem van Robert Smith is niet langer een laatste instrument maar gewoon een stem. Vooral bij de drums en bas is deze verandering in geluid goed te horen. De drumslagen in bijvoorbeeld Pictures of You zijn geen lichte tikjes, regendruppeltjes die op je hoofd uiteenspatten, maar keiharde mokerslagen. Ze slaan het hele nummer aan diggelen.
Ik kan niet anders zeggen dan dat ik teleurgesteld ben in de remaster van het mooiste album aller tijden. Ook een prachtige live-registratie uit 1989 (ook geremasterd, maar gek genoeg kunnen de live-versies van de liedjes wel een wat vettiger geluid gebruiken) en schijfje met bonustracks die een keer wel de moeite waard zijn kunnen het falen van deze remaster niet verhullen, laat staan goedmaken. Roberth Smith wilde verbeteren wat perfect is. En is het niet terecht om dat overmoed te noemen?
Eerder verschenen op Beautiful Freaks - alternative music pirate radio / reviews - beautifulfreaks.nl
The National - High Violet (2010)

5,0
0
geplaatst: 3 december 2010, 18:23 uur
Bijna alles wat ik in mei schreef over het jongste album van The National, het onvolprezen High Violet, sta ik nog steeds achter. Nog nooit hoorde ik zo’n subtiel album, een prachtplaat met zo veel nuances en details, een meesterwerk vol contrast en vol emoties. Ik moet oppassen dat ik niet ga overdrijven, maar dat High Violet de beste plaat van 2010 is kan ik met honderd procent zekerheid zeggen.
Misschien dat mijn enthousiasme voor het in mei uitgekomen High Violet mijn blik op de onlangs uitgebrachte expanded edition benevelt. Normaal ben ik toch wel enigszins verontwaardigd als een band een paar maanden na hun albumrelease alweer met een expanded, extended of limited edition komt, vol met matige B-sides en overbodige live-nummers om het net verkregen succes om te zetten in cijfers met veel nullen en klinkende munten. Zelfs als zo’n bonus-CD wél relevant blijkt te zijn – zoals bij Deerhunter’s Microcastle of Disintegration van The Cure – blijft het moeilijk om een licht gevoel van onvrede te verkroppen. Maar bij The National lijkt het geen enkele moeite om in te denken de groep als een soort Sinterklaas ons nog acht nummers cadeau geeft om de kerstdagen van een soundtrack te voorzien. ‘Dank u, Sinterklaasje!’ Slechts voor de objectiviteit van Beautiful Freaks heb ik geprobeerd enkele kritische kanttekeningen te plaatsen bij deze nieuwe release van The National.
Nu hoort The National’s expanded edition van High Violet duidelijk in de laatste categorie. We horen drie sterke live-tracks, een nummer dat The National al speelden in Tivoli en op Haldern Pop en een andere versie van ‘Terrible Love’, een van de sterkste tracks op het originele album.
Zoals High Violet opende met ‘Terrible Love’, zo doet ook de bonus disc dat. Maar waar het origineel letterlijk een ruwe diamant was, rauw en onaf, maar zo puur en intens, klinkt deze versie verzorgd en voller, gevuld met strijkers en een xylofoontje. Op het youtube-filmpje zien we een kijkje achter de schermen, waar de stemming vrolijk is. Doordat ‘Terrible Love’ inmiddels al in mijn geheugen gegrift stond als een duister en depressief nummer krijgt deze frivole versie een beetje een wrange nasmaak. Het melige gevoel van die paar seconden die voorafgaan aan het nummer lijken haast te suggereren dat Matt Berninger en de rest van de band het niet menen.
De blazers die ‘Wake Up Your Saints’ laten eenzelfde opgewekte stemming horen. Blijkbaar maakt geld wel gelukkig. Maar bij ‘Wake Up Your Saints’ heeft dit gevoel iets veel natuurlijkers, wat het nummer ten goede komt. We horen Berninger niet meer over vrolijke violen heen zingen hoe hij door drugs en liefdesproblemen niet meer in slaap kan vallen, maar luisteren naar een totaalplaatje dat een glimlach tevoorschijn tovert en tegelijkertijd een goed liedje is. Toch is het te hopen dat dit niet de richting is die The National op wil gaan.
Wat dat betreft klinkt ‘You Were a Kindness’ een stuk hoopvoller. Een neerslachtig nummer zoals we van The National kunnen verwachten, waarbij alles klopt. De schaarse muzikale begeleiding, de diepe stem van Berninger die in mijn verbeelding altijd uit de keel van een betraand gezicht komt en een prachtige tekst. ‘You were a kindness when I was a stranger,’ zingt Berninger en het lijkt erop dat ‘You Were a Kindness’ verdergaat waar ‘Terrible Love’ ophield. En dan heb ik het nog niet over de zorgvuldig geplaatste koortjes en het bescheiden orgel, die het nummer afmaken, het toefje slagroom in een dampende mok chocolademelk die hoort bij een koude winternacht.
Ook ‘Walk Off’ en ‘Sin-Eaters’, twee B-kantjes, de laatste afkomstig van de single ‘Bloodbuzz Ohio’ zijn sterke nummers met bijna alles wat The National zo’n geweldige band maakt. Hoewel ‘Sin-Eaters’ niet voor niks een B-side is zou ‘Walk Off’ niet misstaan hebben op High Violet zelf.
Het hoogtepunt van High Violet‘s expanded edition vinden we pas op het einde, in de vorm van drie schitterende live-tracks die allemaal op een bepaalde manier anders zijn dan het origineel. ‘Bloodbuzz Ohio’ wordt een stuk rustiger uitgevoerd met een lichte piano, nauwelijks opvallende drums en sereen en melancholisch meespelende blaasinstrumenten. Al het nerveuze dat de studio-versie had, het zenuwachtige dat Matt Berninger ook tijdens zijn optredens laat zien, lijkt te zijn verdwenen. Als ik deze uitvoering luister zie ik de band liggen in het zachte gras van hun gezamenlijke thuisplaats Ohio, zonder lasten en zorgen, een welverdiende vakantie.
‘Anyone’s Ghost’ daarentegen is live opgepompt tot een popsong met een stevig tempo. Maar ook hier is deze verandering geen achteruitgang. Ik denk dat ‘Anyone’s Ghost’ juist door deze haast punky uitvoering veel meer tot zijn recht komt, namelijk een uitstekend popnummer met hitpotentie.
Zoals het een goed album betaamt komt het prijsnummer pas op het allerlaatst. In dit geval is dat een live-opname van ‘England’, dat ook op High Violet al een van de allermooiste nummers was. Telkens verbaas ik me er weer over hoe een nummer zo melancholisch kan beginnen, groots opgezet en zowel door de orchestrale begeleiding als de tekst over engelen en kerken haast een sacraal gevoel teweegbrengend, en kan eindigen in een agressieve ontlading, een einde waarin álles wordt gegeven. ‘England’ is ook live een nummer waarbij je slechts je adem kan inhouden vanaf de eerste seconde en pas als ook de laatste piano-akkoorden langzaam uitgeklonken zijn diep kan zuchten. Het is een song die live niet alleen mooi maar ook verstikkend is. Het is ongekend hoeveel intensiteit The National weet aan te brengen in een paar minuten, hoe Matt Berninger met een schreeuw vanuit het diepste van zijn hart mensen aan het huilen kan maken van pure gelukzaligheid.
En voor één keer weet ik het zeker: dat alles, die sterke teksten, die schitterende melodieën, die prachtige orchestratie en die overweldigende intensiteit, die zijn belangrijker dan al het geld op de wereld. En dát is de reden dat The National mij alsnog op m’n knieën dwingt en dat het applaus dat we horen als ‘England’ wegvaagt klinkt als de vleugelslag van een vlinder, terwijl het minstens het volume van de meest verwoestende orkaan zou moeten hebben. Dat is de reden dat ik alleen maar kan zeggen: The National flikt ‘t weer.
Eerder verschenen op Beautiful Freaks
Misschien dat mijn enthousiasme voor het in mei uitgekomen High Violet mijn blik op de onlangs uitgebrachte expanded edition benevelt. Normaal ben ik toch wel enigszins verontwaardigd als een band een paar maanden na hun albumrelease alweer met een expanded, extended of limited edition komt, vol met matige B-sides en overbodige live-nummers om het net verkregen succes om te zetten in cijfers met veel nullen en klinkende munten. Zelfs als zo’n bonus-CD wél relevant blijkt te zijn – zoals bij Deerhunter’s Microcastle of Disintegration van The Cure – blijft het moeilijk om een licht gevoel van onvrede te verkroppen. Maar bij The National lijkt het geen enkele moeite om in te denken de groep als een soort Sinterklaas ons nog acht nummers cadeau geeft om de kerstdagen van een soundtrack te voorzien. ‘Dank u, Sinterklaasje!’ Slechts voor de objectiviteit van Beautiful Freaks heb ik geprobeerd enkele kritische kanttekeningen te plaatsen bij deze nieuwe release van The National.
Nu hoort The National’s expanded edition van High Violet duidelijk in de laatste categorie. We horen drie sterke live-tracks, een nummer dat The National al speelden in Tivoli en op Haldern Pop en een andere versie van ‘Terrible Love’, een van de sterkste tracks op het originele album.
Zoals High Violet opende met ‘Terrible Love’, zo doet ook de bonus disc dat. Maar waar het origineel letterlijk een ruwe diamant was, rauw en onaf, maar zo puur en intens, klinkt deze versie verzorgd en voller, gevuld met strijkers en een xylofoontje. Op het youtube-filmpje zien we een kijkje achter de schermen, waar de stemming vrolijk is. Doordat ‘Terrible Love’ inmiddels al in mijn geheugen gegrift stond als een duister en depressief nummer krijgt deze frivole versie een beetje een wrange nasmaak. Het melige gevoel van die paar seconden die voorafgaan aan het nummer lijken haast te suggereren dat Matt Berninger en de rest van de band het niet menen.
De blazers die ‘Wake Up Your Saints’ laten eenzelfde opgewekte stemming horen. Blijkbaar maakt geld wel gelukkig. Maar bij ‘Wake Up Your Saints’ heeft dit gevoel iets veel natuurlijkers, wat het nummer ten goede komt. We horen Berninger niet meer over vrolijke violen heen zingen hoe hij door drugs en liefdesproblemen niet meer in slaap kan vallen, maar luisteren naar een totaalplaatje dat een glimlach tevoorschijn tovert en tegelijkertijd een goed liedje is. Toch is het te hopen dat dit niet de richting is die The National op wil gaan.
Wat dat betreft klinkt ‘You Were a Kindness’ een stuk hoopvoller. Een neerslachtig nummer zoals we van The National kunnen verwachten, waarbij alles klopt. De schaarse muzikale begeleiding, de diepe stem van Berninger die in mijn verbeelding altijd uit de keel van een betraand gezicht komt en een prachtige tekst. ‘You were a kindness when I was a stranger,’ zingt Berninger en het lijkt erop dat ‘You Were a Kindness’ verdergaat waar ‘Terrible Love’ ophield. En dan heb ik het nog niet over de zorgvuldig geplaatste koortjes en het bescheiden orgel, die het nummer afmaken, het toefje slagroom in een dampende mok chocolademelk die hoort bij een koude winternacht.
Ook ‘Walk Off’ en ‘Sin-Eaters’, twee B-kantjes, de laatste afkomstig van de single ‘Bloodbuzz Ohio’ zijn sterke nummers met bijna alles wat The National zo’n geweldige band maakt. Hoewel ‘Sin-Eaters’ niet voor niks een B-side is zou ‘Walk Off’ niet misstaan hebben op High Violet zelf.
Het hoogtepunt van High Violet‘s expanded edition vinden we pas op het einde, in de vorm van drie schitterende live-tracks die allemaal op een bepaalde manier anders zijn dan het origineel. ‘Bloodbuzz Ohio’ wordt een stuk rustiger uitgevoerd met een lichte piano, nauwelijks opvallende drums en sereen en melancholisch meespelende blaasinstrumenten. Al het nerveuze dat de studio-versie had, het zenuwachtige dat Matt Berninger ook tijdens zijn optredens laat zien, lijkt te zijn verdwenen. Als ik deze uitvoering luister zie ik de band liggen in het zachte gras van hun gezamenlijke thuisplaats Ohio, zonder lasten en zorgen, een welverdiende vakantie.
‘Anyone’s Ghost’ daarentegen is live opgepompt tot een popsong met een stevig tempo. Maar ook hier is deze verandering geen achteruitgang. Ik denk dat ‘Anyone’s Ghost’ juist door deze haast punky uitvoering veel meer tot zijn recht komt, namelijk een uitstekend popnummer met hitpotentie.
Zoals het een goed album betaamt komt het prijsnummer pas op het allerlaatst. In dit geval is dat een live-opname van ‘England’, dat ook op High Violet al een van de allermooiste nummers was. Telkens verbaas ik me er weer over hoe een nummer zo melancholisch kan beginnen, groots opgezet en zowel door de orchestrale begeleiding als de tekst over engelen en kerken haast een sacraal gevoel teweegbrengend, en kan eindigen in een agressieve ontlading, een einde waarin álles wordt gegeven. ‘England’ is ook live een nummer waarbij je slechts je adem kan inhouden vanaf de eerste seconde en pas als ook de laatste piano-akkoorden langzaam uitgeklonken zijn diep kan zuchten. Het is een song die live niet alleen mooi maar ook verstikkend is. Het is ongekend hoeveel intensiteit The National weet aan te brengen in een paar minuten, hoe Matt Berninger met een schreeuw vanuit het diepste van zijn hart mensen aan het huilen kan maken van pure gelukzaligheid.
En voor één keer weet ik het zeker: dat alles, die sterke teksten, die schitterende melodieën, die prachtige orchestratie en die overweldigende intensiteit, die zijn belangrijker dan al het geld op de wereld. En dát is de reden dat The National mij alsnog op m’n knieën dwingt en dat het applaus dat we horen als ‘England’ wegvaagt klinkt als de vleugelslag van een vlinder, terwijl het minstens het volume van de meest verwoestende orkaan zou moeten hebben. Dat is de reden dat ik alleen maar kan zeggen: The National flikt ‘t weer.
Eerder verschenen op Beautiful Freaks
The Veils - Troubles of the Brain EP (2011)

3,5
0
geplaatst: 29 januari 2011, 17:52 uur
"Cure her of that.
Canst thou not minister to a mind diseased,
Pluck from the memory a rooted sorrow,
Raze out the written troubles of the brain
And with some sweet oblivious antidote
Cleanse the stuff'd bosom of that perilous stuff
Which weighs upon the heart?"
Zonder verdere uitleg refereert de titel van de Troubles of the Brain EP naar bovenstaande regels uit Shakespeare's Macbeth. De introverte Nieuw-Zeelander Finn Andrews met een immer bezwaard hart schetst op de liedjes van deze EP problemen van zijn brein en van de moderne tijd en met deze verwijzing lijkt hij impliciet uiting te willen geven aan een bepaald gevoel van wanhoop. Zijn de problemen van de moderne tijd te genezen en wie heeft het tegengif?
Het meest concrete voorbeeld vinden we in 'The Stars Came Out Once the Lights Went Out', wat ook het sterkste nummer is van deze EP. 'I'm caught between the pen and the page / Lost in the remains of the age / Daddy when you were young was it all this strange?', vraagt Andrews zich af tegen een simpele melodie en een kaal, voortstuwend ritme. Hij begint zijn grip op de hedendaagse wereld kwijt te raken en ergens heeft hij gelijk. In de regels 'I've got the doomsday app. on my iPhone screen / Honey, I've seen the truth and it's worth than it seemed' legt Finn de vinger precies op de gevoelige plek. De veelbelovende wereld van technische vooruitgang is in zijn ogen verwoorden tot het zoveelste speelgoedje van de consument, met onzinnige apps en devices met als voornaamste nut het aantonen van status.
Andrews voelt zich niet meer thuis in die wereld en om te vluchten uit die realiteit grijpt hij terug op ouderwetse kunst zoals Shakespeare. Muzikaal gezien kunnen we die vlucht vinden in een White Album-periode-Beatlesque nummer als 'Don't Let the Same Bee Sting You Twice' - het vergif van de 21e eeuw of de antidote waar Shakespeare over schreef? - een geluid dat vergeleken met de vorige albums van The Veils een stuk opgelatener klinkt. Die verandering was al ingezet met het vorige album Sun Gang en is nu alleen maar verder doorgezet. Een deel van de koerswijziging naar vrolijkere popmuziek is te wijten aan de productie van Bernard Butler, ex-gitarist van de britpopgroep Suede. Dat levert in de genoemde gevallen uitstekende popsongs op, maar een paar andere liedjes missen de diepgang die The Veils zo'n karakteristieke groep maakte. Voorbeelden zijn de ronduit overbodige bonustrack 'Iodine and Iron' en het muzikaal matige 'The Wishbone'.
In 'Us Godless Teenagers' beschrijft Andrews de doelloze generatie van de 21e eeuw. 'We've nowhere left to disappear / There's nowhere left to go around here / And so we hold each other dear'. Maar Finn heeft Finn het hier niet over de huidige tienergeneratie, maar over hun vaders, verbaasd ronddolend in een wereld die misschien niet meer de hunne is. Waarvan hij er qua leeftijd een van is. In dit licht lijkt het een wanhoopsdaad dat The Veils na negen jaar Rough Trade hebben verlaten en hun eigen label hebben opgericht, Pitch Beast Records. Niet meer gebonden aan oude afspraken, maar eigenlijk ook niet helemaal wetend wat ze nu moeten.
Die sfeer van richtingloosheid heeft een groot stempel gedrukt op de Troubles of the Brain EP. The Veils blijven hier zweven tussen eenvoudige popmuziek à la The Beatles, literaire diepgang geïnspireerd op Shakespeare en de dieptragische intensiteit van hun eigen Nux Vomica. Dat gevoel heeft Andrews in een paar songs goed weten uit te drukken, maar even zo vaak leverde het holle liedjes op. Het is nog maar de vraag waar dit stuurloze schip zal gaan stranden, maar dat deze EP een sleutelmoment is in de geschiedenis van The Veils, dat is wel duidelijk.
Origineel: Beautiful Freaks
Canst thou not minister to a mind diseased,
Pluck from the memory a rooted sorrow,
Raze out the written troubles of the brain
And with some sweet oblivious antidote
Cleanse the stuff'd bosom of that perilous stuff
Which weighs upon the heart?"
Zonder verdere uitleg refereert de titel van de Troubles of the Brain EP naar bovenstaande regels uit Shakespeare's Macbeth. De introverte Nieuw-Zeelander Finn Andrews met een immer bezwaard hart schetst op de liedjes van deze EP problemen van zijn brein en van de moderne tijd en met deze verwijzing lijkt hij impliciet uiting te willen geven aan een bepaald gevoel van wanhoop. Zijn de problemen van de moderne tijd te genezen en wie heeft het tegengif?
Het meest concrete voorbeeld vinden we in 'The Stars Came Out Once the Lights Went Out', wat ook het sterkste nummer is van deze EP. 'I'm caught between the pen and the page / Lost in the remains of the age / Daddy when you were young was it all this strange?', vraagt Andrews zich af tegen een simpele melodie en een kaal, voortstuwend ritme. Hij begint zijn grip op de hedendaagse wereld kwijt te raken en ergens heeft hij gelijk. In de regels 'I've got the doomsday app. on my iPhone screen / Honey, I've seen the truth and it's worth than it seemed' legt Finn de vinger precies op de gevoelige plek. De veelbelovende wereld van technische vooruitgang is in zijn ogen verwoorden tot het zoveelste speelgoedje van de consument, met onzinnige apps en devices met als voornaamste nut het aantonen van status.
Andrews voelt zich niet meer thuis in die wereld en om te vluchten uit die realiteit grijpt hij terug op ouderwetse kunst zoals Shakespeare. Muzikaal gezien kunnen we die vlucht vinden in een White Album-periode-Beatlesque nummer als 'Don't Let the Same Bee Sting You Twice' - het vergif van de 21e eeuw of de antidote waar Shakespeare over schreef? - een geluid dat vergeleken met de vorige albums van The Veils een stuk opgelatener klinkt. Die verandering was al ingezet met het vorige album Sun Gang en is nu alleen maar verder doorgezet. Een deel van de koerswijziging naar vrolijkere popmuziek is te wijten aan de productie van Bernard Butler, ex-gitarist van de britpopgroep Suede. Dat levert in de genoemde gevallen uitstekende popsongs op, maar een paar andere liedjes missen de diepgang die The Veils zo'n karakteristieke groep maakte. Voorbeelden zijn de ronduit overbodige bonustrack 'Iodine and Iron' en het muzikaal matige 'The Wishbone'.
In 'Us Godless Teenagers' beschrijft Andrews de doelloze generatie van de 21e eeuw. 'We've nowhere left to disappear / There's nowhere left to go around here / And so we hold each other dear'. Maar Finn heeft Finn het hier niet over de huidige tienergeneratie, maar over hun vaders, verbaasd ronddolend in een wereld die misschien niet meer de hunne is. Waarvan hij er qua leeftijd een van is. In dit licht lijkt het een wanhoopsdaad dat The Veils na negen jaar Rough Trade hebben verlaten en hun eigen label hebben opgericht, Pitch Beast Records. Niet meer gebonden aan oude afspraken, maar eigenlijk ook niet helemaal wetend wat ze nu moeten.
Die sfeer van richtingloosheid heeft een groot stempel gedrukt op de Troubles of the Brain EP. The Veils blijven hier zweven tussen eenvoudige popmuziek à la The Beatles, literaire diepgang geïnspireerd op Shakespeare en de dieptragische intensiteit van hun eigen Nux Vomica. Dat gevoel heeft Andrews in een paar songs goed weten uit te drukken, maar even zo vaak leverde het holle liedjes op. Het is nog maar de vraag waar dit stuurloze schip zal gaan stranden, maar dat deze EP een sleutelmoment is in de geschiedenis van The Veils, dat is wel duidelijk.
Origineel: Beautiful Freaks
Yeasayer - Odd Blood (2010)

4,0
0
geplaatst: 22 februari 2010, 09:09 uur
Een van de hipste bandjes van het moment is het New Yorkse Yeasayer, een van de zogenaamde Brooklyn-bands die net als Animal Collective muziek maken die New Weird America wordt genoemd en daarin Afrikaanse ritmes met psychadelische rockgeluiden en een flinke dosis elektronica met elkaar weten te mengen. Zelf noemen ze het Middle Eastern-psych-snap-gospel. En met net een nieuwe CD (Odd Blood) uit, een concert in Paradiso waar Abel en ik zeker heen gaan en bovendien een plekje in de uitzending van morgen (luisteren!) is het belangrijk dat deze band op onze blog niet vergeten wordt.
Zoals uit de beschrijving hierboven hopelijk mag blijken is Yeasayer een nogal eclectisch groepje dat allerlei vreemde stijlen met elkaar vermengd. Dat klinkt meteen door op eerste nummer The Children: een slome beat met op de achtergrond ‘experimental sounds’ en een lome, zwaar vervormde stem die daarbij zingt. Dit klinkt weird, dit klinkt nieuw. Dit klinkt leuk! ‘Wat is dit?’ denk je, en ‘hier wil ik meer van horen!’.
En dat mag! Want na een volwaardige introductie met The Children komt meteen het hoogtepunt en de single van dit album, Ambling Alp. Dat begint met geluiden van water en vogels maar dan zet er een goede beat in die inderdaad wel wat Afrikaans heeft en horen we de stem van zanger Chris Keating. Die is niet slecht hoewel niet erg bijzonder. Wat meteen opvalt is hoe vrolijk deze muziek wel niet is; helemaal geen depressieve indiemuziek zoals bijvoorbeeld The Veils. Nee, dit is overweldigend vrolijk, catchy met een hook. Van de smurfenstemmetjes halverwege wordt ik helemaal vrolijk en live moet het ook een knaller zijn!
Ook het psychedelische en het ‘flowerpower-gehalte’ valt te horen, bijvoorbeeld op het begin van Madder Red met al die spacede geluiden. Maar dan zet die diepe beat in en ondanks het minimale geluid hebben we weer te maken met een echte indiepopsong. Dat komt vast door die ‘oeh’-koortjes. Ook de wilco-achtige gitaar die rustig op de achtergrond blijft is natuurlijk iets wat we bij Beautiful Freaks helemaal te gek vinden. Dat en alle andere kleine details maken de liedjes van Yeasayer zo speciaal.
Dezelfde formule met goeie popbeats, lekkere zanglijnen en op de achtergrond aangenaam gestoorde geluiden keren eigenlijk in elk nummer van Yeasayer terug en maken het album zo goed. Het wordt namelijk nooit echt experimenteel, het blijft altijd poppy, vrolijk, ja, het plezier spat er vanaf. Maar zonder flauw of melig te worden. Eigenlijk is alles bij Yeasayer perfect gedoseerd en zo komt het dat een band met zoveel tegenstellingen toch een totaal eigen geluid weet te krijgen. Afrikaanse ritmes tegenover het New Yorkse stadsgeluid, experimentele geluiden naast popbeats en vrolijk maar toch serieus te nemen; Yeasayer is het allemaal.
Na het rustige I Remember begint ONE weer lekker wild, met dit keer echte ritmes die zo van Vampire Weekend zouden kunnen zijn en weer de perfecte Yeasayer-mix die hierboven beschreven is, inclusief de psychedelica zonder geforceerd ’60s te klinken. Wel mis ik echte uitschieters bij Yeasayer, echt vrolijke indiehitsingles als Ambling Alp. De nummers zijn wel blij maar daarin heel gematigd. En dat geld eigenlijk voor alle aspecten van de Yeasayer-sound: het had nog net iets meer gemogen. Nummers die uitmonden in een totale kakafonie van gitaargefreak, ritmes waarvan je denkt ‘wat is dít?’ (denk aan Radiohead ten tijde van Hail to the Thief) of echt uitbundige zang zoals David Bowie in Heroes gebruikt; ik denk dat Chris Keating dat zeker aankan.
Na die kritiek klinkt ook Love Me Girl weer als een geniaal liedje. Space-synths openen het nummer met geluiden die zo op The Flaming Lips’ versie van Dark Side of the Moon hadden kunnen staan (maar dan ingehoudener), mompelende stemmen en dan langzaam opkomend die bezwerende beat. Als de zang invalt verandert het nummer in gladde R&B behalve dat de ‘rythm ‘n’ beat’ van Yeasayer van een totaal andere orde zijn. Toch blijft ook dit nummer weer hangen in zijn eigen sound en de muziek is gewoon erg goed alleen had nog beter gekund.
En aangezien de sound van de band in al zijn veelzijdigheid juist weer zo eenvormig is valt er weinig meer te zeggen. Ja, ook Rome bevat weer catchy deuntjes, droge geluidjes, sterke zang naast al het andere kenmerkende, Strange Reunions klinkt al even vreemd als de opener met een naar de achtergrond gemixte stem en gewoon weer coole beats en gave geluiden en is net als het opzwepende (ik hoor zelfs My Life in the Bush of Ghosts terug maar het mond uit in geluiden die aan Bowie’s Berlijnse periode doen denken) Mondegreen met overstuurde gitaartjes een geweldig nummer.
Ook het afsluitende nummer Grizelda brengt geen verandering in de geperfectioneerde geluidsbrei van het hipste bandje van Brooklyn en zo wordt ik achtergelaten met honger naar meer van deze te gekke sound. Steeds vaker luisteren tot ik elke experimentele noot op Odd Blood kan plaatsen en het hele album heb doorgrond. Maar tegelijkertijd zal ik zelfs dan niet tevreden zijn. Hopelijk kan ik het met Odd Blood nog uit tot Yeasayer zijn derde album met een totaal andere sound vult, of overtuigt het optreden volgende maand zo erg dat ik alsnog heilig overtuigd raak van de Yeasayer geluidsmix. Voorlopig blijf ik met gemengde gevoelens die prachtige tweede van Yeasayer nog maar luisteren. Jaarlijstjesmateriaal!
Eerder gepubliceerd op: Odd Blood: De perfecte Yeasayer geluidsmix - Beautiful Freaks - beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl
Zoals uit de beschrijving hierboven hopelijk mag blijken is Yeasayer een nogal eclectisch groepje dat allerlei vreemde stijlen met elkaar vermengd. Dat klinkt meteen door op eerste nummer The Children: een slome beat met op de achtergrond ‘experimental sounds’ en een lome, zwaar vervormde stem die daarbij zingt. Dit klinkt weird, dit klinkt nieuw. Dit klinkt leuk! ‘Wat is dit?’ denk je, en ‘hier wil ik meer van horen!’.
En dat mag! Want na een volwaardige introductie met The Children komt meteen het hoogtepunt en de single van dit album, Ambling Alp. Dat begint met geluiden van water en vogels maar dan zet er een goede beat in die inderdaad wel wat Afrikaans heeft en horen we de stem van zanger Chris Keating. Die is niet slecht hoewel niet erg bijzonder. Wat meteen opvalt is hoe vrolijk deze muziek wel niet is; helemaal geen depressieve indiemuziek zoals bijvoorbeeld The Veils. Nee, dit is overweldigend vrolijk, catchy met een hook. Van de smurfenstemmetjes halverwege wordt ik helemaal vrolijk en live moet het ook een knaller zijn!
Ook het psychedelische en het ‘flowerpower-gehalte’ valt te horen, bijvoorbeeld op het begin van Madder Red met al die spacede geluiden. Maar dan zet die diepe beat in en ondanks het minimale geluid hebben we weer te maken met een echte indiepopsong. Dat komt vast door die ‘oeh’-koortjes. Ook de wilco-achtige gitaar die rustig op de achtergrond blijft is natuurlijk iets wat we bij Beautiful Freaks helemaal te gek vinden. Dat en alle andere kleine details maken de liedjes van Yeasayer zo speciaal.
Dezelfde formule met goeie popbeats, lekkere zanglijnen en op de achtergrond aangenaam gestoorde geluiden keren eigenlijk in elk nummer van Yeasayer terug en maken het album zo goed. Het wordt namelijk nooit echt experimenteel, het blijft altijd poppy, vrolijk, ja, het plezier spat er vanaf. Maar zonder flauw of melig te worden. Eigenlijk is alles bij Yeasayer perfect gedoseerd en zo komt het dat een band met zoveel tegenstellingen toch een totaal eigen geluid weet te krijgen. Afrikaanse ritmes tegenover het New Yorkse stadsgeluid, experimentele geluiden naast popbeats en vrolijk maar toch serieus te nemen; Yeasayer is het allemaal.
Na het rustige I Remember begint ONE weer lekker wild, met dit keer echte ritmes die zo van Vampire Weekend zouden kunnen zijn en weer de perfecte Yeasayer-mix die hierboven beschreven is, inclusief de psychedelica zonder geforceerd ’60s te klinken. Wel mis ik echte uitschieters bij Yeasayer, echt vrolijke indiehitsingles als Ambling Alp. De nummers zijn wel blij maar daarin heel gematigd. En dat geld eigenlijk voor alle aspecten van de Yeasayer-sound: het had nog net iets meer gemogen. Nummers die uitmonden in een totale kakafonie van gitaargefreak, ritmes waarvan je denkt ‘wat is dít?’ (denk aan Radiohead ten tijde van Hail to the Thief) of echt uitbundige zang zoals David Bowie in Heroes gebruikt; ik denk dat Chris Keating dat zeker aankan.
Na die kritiek klinkt ook Love Me Girl weer als een geniaal liedje. Space-synths openen het nummer met geluiden die zo op The Flaming Lips’ versie van Dark Side of the Moon hadden kunnen staan (maar dan ingehoudener), mompelende stemmen en dan langzaam opkomend die bezwerende beat. Als de zang invalt verandert het nummer in gladde R&B behalve dat de ‘rythm ‘n’ beat’ van Yeasayer van een totaal andere orde zijn. Toch blijft ook dit nummer weer hangen in zijn eigen sound en de muziek is gewoon erg goed alleen had nog beter gekund.
En aangezien de sound van de band in al zijn veelzijdigheid juist weer zo eenvormig is valt er weinig meer te zeggen. Ja, ook Rome bevat weer catchy deuntjes, droge geluidjes, sterke zang naast al het andere kenmerkende, Strange Reunions klinkt al even vreemd als de opener met een naar de achtergrond gemixte stem en gewoon weer coole beats en gave geluiden en is net als het opzwepende (ik hoor zelfs My Life in the Bush of Ghosts terug maar het mond uit in geluiden die aan Bowie’s Berlijnse periode doen denken) Mondegreen met overstuurde gitaartjes een geweldig nummer.
Ook het afsluitende nummer Grizelda brengt geen verandering in de geperfectioneerde geluidsbrei van het hipste bandje van Brooklyn en zo wordt ik achtergelaten met honger naar meer van deze te gekke sound. Steeds vaker luisteren tot ik elke experimentele noot op Odd Blood kan plaatsen en het hele album heb doorgrond. Maar tegelijkertijd zal ik zelfs dan niet tevreden zijn. Hopelijk kan ik het met Odd Blood nog uit tot Yeasayer zijn derde album met een totaal andere sound vult, of overtuigt het optreden volgende maand zo erg dat ik alsnog heilig overtuigd raak van de Yeasayer geluidsmix. Voorlopig blijf ik met gemengde gevoelens die prachtige tweede van Yeasayer nog maar luisteren. Jaarlijstjesmateriaal!
Eerder gepubliceerd op: Odd Blood: De perfecte Yeasayer geluidsmix - Beautiful Freaks - beautifulfreaks.burgerwaanzin.nl
