MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten hoi123 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dan Mangan - Nice, Nice, Very Nice (2009)

poster
3,5
Dan Mangan heeft met deze plaat een album afgeleverd die voor een voor muziek ongebruikelijke emotie staat. Sympathie. En dan geen sympathie a la inleving in het zingende hoofdpersoon.
Eerder een plaat die zo sympathiek overkomt dat je meteen zin hebt om beste vrienden te worden met deze vrolijke Canadees.

Waardoor het komt is nog een raadsel voor mij.
Misschien voor zijn uiterst charismatische, schorre stem. Misschien voor de niet al te diepgaande maar herkenbare en aandoenlijke teksten. Of gewoon door de heerlijke, zomerse sound die Nice, Nice, Very Nice voortbrengt.

De bombast is vaak te vinden, soms tot in het theatrale zoals in het outro van het heerlijk vrolijke Robots maar in opvolger The Indie Queens Are Waiting komt Mangan weer met een ingetogen pareltje met fijne zang. De afwisseling is dus nog een pluspunt aan dit album.

Des te vreemder is het dus dat ik deze plaat niet kan afluisteren. Zeker, het zijn allemaal prima nummers met allemaal een sympathiek sausje, maar de volle drie kwartier weet het gewoon niet te boeien. Ook komt Mangan soms met nummers die teveel voortkabbelen en daardoor de interesse definitief afnemen. ([i]You Silly Git, Et les Mots Croisés[/i) Toch is Nice, Nice, Very Nice al bij al een geslaagde verzameling van nummers geworden die toch wel meer waardering hoort te verdienen.

De Kift - Vlaskoorts (1999)

poster
5,0
Vlak buiten zo'n pittoresk Drenths dorpje dat iedereen wel kent, staat een huis.
Bewoond door een naamloze, eenzame boer. Verlaten door zijn hele familie.
Alleen zijn hond is er nog. Toevlucht zoekt hij in de drank.
Waanbeelden van wanhopigheid en dronkenschap is het gevolg.
Prachtige nummers is daar dan weer het gevolg van.

Onze hoofdpersoon loopt schreeuwend tegen voorbijgangers door het dorpje, versuft van de drank.
Gravend in het graf van zijn moeder en ruikend aan de aarde praat hij, zingt hij zacht voor zich uit.
Zijn overleden vrouw danst in de tuin en praat tegen hem.
Als hij zijn vrouw zo nog ziet, waarom de drank dan opgeven?

Tot in detail kunnen we zien wat ik hiervoor beschrijf. Zo goed wordt er hier sfeer gecreërd.

Fanfaretrompetten, gecombineerd met een punkgitaartje en spoken word.
Zo zou je De Kift kunnen beschrijven. Één van de enige Nederlandse bands die trots is op hun taal.
Ferry Heijne spreekt, ietwat plat, de mooiste dingen uit met de prachtigste teksten.
De koperblazers geven het vooroorlogse sfeertje dat de Kift zo meesterlijk kan creëren.
De punkgitaar snijdt daar ijzig doorheen en plaatst het kippenvel op plekken waar het nog niet is.

Maar het mooie, waar deze geweldige band echt in uitblinkt, is zijn fantastische teksten.
De surrealistische, poëtische maar toch vertellende teksten zijn echt meesterlijk.
Voorbeelden? Luister dit meesterlijke album van deze band zelf maar.
Vlaskoorts is namelijk één groot feest van vooroorlogse boerderijen, pratende honden, dansende doden, dreigende baspartijen, pijnlijke en snijdende gitaren en daarbovenop een dosis fanfare.
5 welverdiende sterren.

Delia Gonzalez & Gavin Russom - The Days of Mars (2005)

poster
3,5
Ik had dit album al voorbij zien komen in de stemlijsten van mensen met veel hippere muzieksmaken dan ik, en ik was van tevoren eigenlijk een beetje bang dat Delia & Gavin, zoals ze op Spotify heten, te moeilijke muziek voor me zouden maken. Blijkt niet het geval te zijn: voor een klein uur aan synthdrones is deze muziek eigenlijk best toegankelijk. Dat is wel deels te danken aan het feit dat de opener er zo heerlijk inhakt - Rise bestaat uit twaalf minuten staccato synths die je hoofd helemaal murw beuken, in de beste zin van het woord. Door deze eindeloze herhaling van tikkende synths krijgt het nummer iets heel ritmisch mee, wat vrij tof is voor een nummer zonder percussie. Bovendien krijg ik zodra in het laatste kwart van het nummer het hoofdmotief zijn kop opsteekt precies het machtige, groter-dan-ons-sterrenstelsel gevoel dat Delia en Gavin misschien het hele album oogden te bereiken.

Dit gebeurt deels. Bij de opvolger 13 Moons is spacey nog steeds één van de eerste woorden die in mijn hoofd opkomen, maar eerder als beschrijvende term dan dat ik het zelf voel. De pianomelodie die centraal staat in het nummer is misschien net wat te simpel, het geluid van de synths (blijkbaar zelf gebouwd, waarvoor respect) net wat te verouderd en de opbouw van het nummer misschien net te stuurloos. Het nummer heeft zich na de plusminus acht keer dat ik hem heb beluisterd nooit weten te ontworstelen tot boven het aangenaam-om-bij-te-studeren-niveau, en daar doe je het niet helemaal voor. Relevee op zijn beurt is een toffe soundscape waar ik me qua sfeer wel een paar keer goed in heb verloren, maar die misschien melodieus dan weer net te weinig te bieden heeft om me gegarandeerd geboeid te houden. Gelukkig kan ik weer opveren bij afsluiter Black Spring, waarin het onheilspellende geluid van de opener weer wordt geëvenaard. Het geluid van de zelfgebouwde synths is hier juist een meerwaarde, namelijk organisch genoeg om menselijk te klinken en modern genoeg om spacey te klinken. In combinatie met de enigszins duistere melodieën die uit deze apparaten komen leidt dit tot een treffende en vrij unieke sfeer: vliegen in een ruimteschip waar de alarmbellen afgaan, eindeloos door een allesverwoestende leegte zweven langzaam opdoemende verstikkende gaswolken, je kent het wel.

Misschien heb ik mezelf onverschilliger neergezet tegenover het middenstuk van dit album dan ik eigenlijk ben, dus hierbij even een rectificatie: The Days of Mars is consistent een sfeervol en uniek album. Het feit dat ik qua vergelijkingen niet verder kom dan een soort oerversie van het geluid van Holden ten tijde van The Inheritors toont óf dat, óf mijn gebrekkige muziekkennis aan. Feit blijft echter dat als ik meegesleept wil worden door de muziek die ik luister, ik precies de helft van dit album zal opzetten; de andere helft kan eventueel dienen als een aangename verbinding tussen deze twee stukken. Wel erg tof dat ze zelf hun synths hebben gebouwd.

Disco Inferno - D.I. Go Pop (1994)

poster
3,5
Absoluut een superorigineel album dit. De heren van Disco Inferno hebben op dit album met ironische titel uitbundig gebruik gemaakt van samplers, waardoor de nummers allemaal verborgen zijn achter een muur van onconventionele loops. Dat pakt soms erg vet uit: Next Year, wat mij betreft het hoogtepunt van het album, zou qua minimale compositie een rustpunt op het album kunnen zijn, ware het niet dat de lieflijke tonen van het nummer aangevallen worden door een waterval van onvriendelijke mechanische geluiden. Dat geeft het nummer uit een compleet onverwachtse hoek een vrij hevige emotionele intensiteit mee. Op andere nummers zijn de loops meer geïntegreerd in de compositie, en ook dat bevalt erg: in Starbunt staat een sample van joelende kinderen centraal, dat een ongelooflijk hypnotiserend effect op de luisteraar heeft naarmate het gejoel steeds intenser wordt. In A Crash At Every Speed moet je bij vlagen je best doen om het nummer onder de zee van dissonante geluiden te ontdekken. Het is vijf minuten van spreekwoordelijke afgaande alarmbellen, en dat kietelt een vrij specifiek plekje in mijn muzieksmaak dat niet zo vaak gekieteld wordt.

Mijn enige probleem met dit album is dat het niveau van songwriting niet altijd op hetzelfde niveau ligt als dat van de originaliteit. In Even the Sea Is Against Us laten de heren zien dat ze niet alleen erg pathetische titels kunnen schrijven, maar ook dat ze die toffe loops soms gebruiken om vrij corny songwriting te verbergen. Op opener In Sharky Water is cornyheid niet per se het probleem - eerder dat het nummer leunt op een paar riffjes die muzikaal gewoon niet zo interessant zijn. Verder is het achteraf gezien een jammere stijlkeus dat Disco Inferno ervoor heeft gekozen om zo’n typisch 90’s-galmpje op hun gitaren te zetten, want dat laat de muziek bij vlagen toch een beetje gedateerd klinken.

Toch merk ik dat ik tijdens het luisteren van dit album er ook gewoon voor kan kiezen om al deze kritiekpunten te negeren en gewoon mee te drijven in de stroom van overrompelende loops. Dat zorgt voor een luisterervaring die fijn genoeg is om dit met een ruime voldoende te beoordelen, maar iets in me baalt toch van de gedachte dat als er iets andere keuzes op het gebied van songwriting waren gemaakt, dit een absolute favoriet had kunnen worden.

Do Make Say Think - Goodbye Enemy Airship the Landlord Is Dead (2000)

poster
3,5
Hoewel het genre postrock op Musicmeter ondertussen bij velen ongeveer dezelfde status heeft gekregen als gabbermuziek, moet ik zeggen dat ik eigenlijk best wel benieuwd was toen dit album mij door Misterfool werd getipt in een zeker topic. Het genre heeft bij mij namelijk weliswaar ook enigszins aan populariteit ingeboet, maar dat is ook omdat ik gewoon al vrij lang niet de moeite gedaan heb om een nieuw album in het genre op te zoeken. Dat zou het probleem wel eens kunnen zijn met postrock: neem vijf albums met het postrockplakkertje en je bent voor een hele lange tijd verzadigd.

Een kleine angst was dan ook wel dat Do Make Say Think de gaten van het genre voor mij niet meer zou kunnen opvullen, dat de uitbarstingen niet meer zouden overtuigen en de opbouw van de nummers niet meer zou verrassen. De vrij fenomenale opener When Day Chokes the Night lijkt echter wel gemaakt te zijn voor mensen met deze angst: alle zorgen om clichématigheid worden vakkundig weggevaagd. Het gitaarloopje dat het hele nummer wordt aangehouden klinkt niet overdreven apocalyptisch, maar eerder juist door de nonchalance onheilspellend en bovendien geeft het plotselinge drumspasme het nummer een ongelooflijk verrassende lading mee. Voeg daaraan de paniekerige blazers toe aan het einde (denk aan uw plaatselijke op hol geslagen fanfare of anders aan Radiohead op hun National Anthem) en het is duidelijk dat de kritiek hier niet te vinden valt in voorspelbaarheid.

Waarin wel? Nou, aan de ene kant een beetje aan het feit dat de band naarmate het album vordert steeds nét iets minder interessante melodieën uit hun mouw schudt en de nummers daarom, ondanks hun inventieve opbouw, steeds nét wat minder overtuigen. Bovendien is de schepping van een sfeer, toch één van de factoren die postrock voor mij zo'n fijn genre maken, jammer genoeg vrij afwezig - bij tijd en wijle klinkt het geheel eerder als een (weliswaar erg geslaagde) jamsessie van een band in een muziekruimte. Daar is natuurlijk vrij weinig mis mee, maar het hier en daar voorkomende gebrek aan een duidelijke sfeer laat het album wel wat minder tot de verbeelding spreken en daardoor wordt de luisteraar dus ook minder in het geheel getrokken. Anders gezegd wordt de focus hier wat mij betreft soms iets te veel gelegd in de spannende muzikale wendingen, ten koste van mooie melodieën en sfeerschepping.

Gelukkig wordt deze formule soms zo geweldig toegepast dat mijn algehele oordeel niet laag uit kan vallen: zo is naast het openingsnummer ook het titelnummer een heerlijk paniekerige trip (inclusief de trompetjes!) die bovendien zijn overweldigende indruk in een nóg kortere speelduur weet te maken. All of This Is True daarnaast lijdt misschien onder een iets te grote dosis plechtigheid, maar weet dit ruimschoots te compenseren door een verdomd fijn orgelachtig tapijtje en de aangenaam doorratelende drumpartij.

De pareltjes zijn dus vrij makkelijk eruit te plukken bij deze postrockerd en als dit gezelschap iets minder vaak voor het jammen (wat mij betreft nog steeds één van de meest verdorven uitvindingen in de muziekgeschiedenis) was gegaan, was ik waarschijnlijk echt door alles gegrepen. Maar goed, je kan niet alles willen.

Doveman - The Acrobat (2005)

poster
3,0
Meteen nadat madmadder mij deze plaat tipte in dit topic eind november, heb ik The Acrobat vrij veel gedraaid. Is ook niet vreemd gok ik, want dit is een echte midwinterplaat (en de afgelopen anderhalve maand was zo'n fopwinter dat die niet echt uitnodigde tot winterse muziek). Doveman richt bijna al zijn chamberpopliedjes in met warme orgels, knisperende banjo's en subtiele koperblazers of strijkers. De zeldzame momenten waarop hij zich hieruit wringt zijn dan ook meteen de interessantste, zoals het jazzy Cities, waarin een wankelende pianosolo bijna twee minuten de aandacht opeist. Ook het daarop volgende Teacup valt in positieve zin op, met zijn slome, bijna triphopachtige beat en pakkende refrein. De andere liedjes zijn lekker stomende muzikale mokken met chocolademelk, maar op dezelfde manier dat je daar ook geen drie liter van weg kan drinken, begint het enigszins eenzijdige geluid van deze plaat na een tijdje ook te vervelen. Wat daarbij niet helpt is de meestal vrij simpele songwriting, de zwakke, wat zijige stem van Bartlett, en het feit dat de liedjes emotioneel vaak redelijk aan de oppervlakte blijven. Grote uitzondering op dit verhaal is afsluiter Dancing, die alle eerder genoemde ingrediënten samenbrengt in een prachtig, troostend liedje waar ik wel degelijk geen genoeg van krijgen. In dit nummer rijgt Doveman een herhalende zanglijn aan elkaar met klaaglijke strijkers, zalvende keyboardtonen en plotselinge akkoordwisselingen die allemaal evenveel kippenvel oproepen. Het laat het geluid horen waar Doveman al de hele plaat voor lijkt te gaan, maar pas hier versta ik 'm echt helemaal. Dat neemt niet weg dat de rest van dit album ook een best aangenaam tripje door de dennebomen is dat zeker 's winters nog wel eens voorbij zal komen.