MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten hoi123 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

R.E.M. - Automatic for the People (1992)

poster
1,0
Oké, ik ga proberen te verwoorden wat ik zo slecht vind aan deze cd,
het wordt moeilijk.

Ten eerste: Deze plaat vind ik ongelooooflijk gelikt klinken. Daardoor krijgt het automatisch iets saais bij me. Ik heb niks tegen softrock, vind het zelfs een zeer goed genre, maar ga dan tenminste ergens mee uit je dak! Gooi er met je stem of instrumenten wat extras tegenaan! Maar hier gebeurt dit nooit. Dat is al een gigantisch minpunt van deze plaat en geeft me zeker niet de neiging hem af te luisteren.

Reden twee: Ik weet het, een poepreden, maar toch heel belangrijk voor mij: Automatic for the People geeft voor mij het sfeertje weer van een stelletje rednecks die tussen de koeienpoep in het weiland zitten te jodelen. Heel onprettig.

Reden drie: Iedereen noemt Automatic for the People hier ongelooflijk gevoelig en melancholisch, maar hier merk ik dus echt niks van. Totaal geen gevoel of diepgang in de zang.

Reden vier: Wat deze plaat voor mij nog erg omlaag trekt is het niveau van Everybody Hurts. Sorry, maar wat een kattengejank!

Niet helemaal alles op Automatic vind ik slecht, de Instrumental en Sweetness Follows zijn nog enigszins te pruimen. Daarom 1,5*.

Radiohead - Hail to the Thief (2003)

Alternatieve titel: The Gloaming

poster
3,5
Één van Radiohead's zwakkere platen.

Ik ben al een tijdje een groot liefhebber van beide kanten van deze op Mume zwaar geprezen band.
De snerpende-gitaren-euforisch-krijsende-York-kant op The Bends en deels op OK Computer, maar evengoed en misschien wel meer van de mysterieuze, elektronische kant die geopenbaard wordt op Amnesiac en Kid A. De albums die na Kid A kwamen, inclusief deze, zijn voor mij een combinatie van deze twee kanten, die soms naar de rockkant, soms naar de elektronicakant neigen met steeds weer een klein nieuw element toegevoegd.

Hail to the Thief heeft als nieuw element het zo vervreemdend, pijnlijk en duister mogelijk klinken -net zoals Kid A, maar dan erger. Jammer genoeg lukt dit zelden en komen bijna alleen de rocknummers uit de verf. Tuurlijk, er zijn wel die momenten waarop ook de andere kant succesvol naar buiten komt
-het spastische en ronduit fantastische einde van Sit Down. Stand up om er maar eens een te noemen- maar deze worden veel te vaak overschaduwd door irritante en zwakke momenten zoals het veel te pretentieuze Myxomatosis, het bijna saaie The Gloaming en Backdrifts, een combinatie van voorgenoemden.

Ook de ballads die Yorke en kornuiten hier neerzetten komen niet erg overtuigend over.
Sail to the Moon en I Will zijn, hoewel niet echt storend, erg slaapverwekkend en smeken bijna om de skipknop, mede dankzij de hier niet bijster interessante stem van Yorke.

Blijft over de singles en enige anderen. En deze zijn fantastisch.
2+2=5, There There, A Wolf at the Door, Sit Down. Stand Up en in mindere mate Go to Sleep en Scatterbrain overtuigen wel en zetten perfect het sfeertje neer dat deze groep zo wanhopig probeert neer te zetten. De climax van There There, het refreintje van A Wolf at the Door en het openingsriffje van Go to Sleep -in ieder van deze nummers valt er iets te genieten.
Jammer genoeg tillen deze het niveau niet zo omhoog dat ik hoger dan 2,5* kan geven.

Radiohead - OK Computer (1997)

poster
4,5
Daarnet dit album weer eens opgezet, en ik kan me weer herinneren waarom dit in mijn top-10 staat. Dit album is gewoon perfect.
Het begint al bij Airbag, een bizarre gitaarriff en bijna angstaanjagende zang van Thom Yorke maakt dat er een soort van buitenaards sfeertje door het hele nummer hangt. Meteen krijg ik een heel raar, onbeschrijflijk gevoel, wat doorzet tot het einde. Dan komt de Bohemian Rapshody van Radiohead, Paranoid Android. Hier is maar één woord voor: perfect. De zang, gitaar, drums, bas versmelten tot een prachtig geheel. Ook is er heel goed gelet op de details, bijvoorbeeld de computerstem die door het ''What's this?'' bijna onhoorbaar ''I may be paranoid, but I'm not an android.'' zegt. Dan weer een buitenaards nummer, Subterannean Homesick Alien. Dit nummer blijft rustig, maar brengt weer een heel eng, schizofreen sfeertje bij me naar boven. Heel knap wat muziek met je kan doen. Maar mooier kan het altijd nog worden en het bewijs daarvan is het viereneenhalf minuut durende spektakel Exit Music For a Film. Van een depressief begin tot een bizar mooie climax, ook dit nummer is weer perfect. En dan Let Down. Tja, toch wel een minder nummer tussen een rij van topnummers. Toch is dit nummer nog goed, ook doordat het schizo-sfeertje er weer lekker door hangt. En dan komt het geweldige Karma Police, één van de toegankelijkere nummers op de plaat. Weer een heerlijk nummer. wat hierin opvalt is ook de toch wel redelijk bizarre tekst van het eerste couplet:

Karma Police, arrest this man, he talks in maths
He buzzes like a fridge, he's like a detuned radio.


En dan komt Fitter Happier. Waarschijnlijk ben ik de enige hier, maar ik vind dit nummer totaal geen filler, ik vind juist dat het hele album om dit nummer draait. Een computer die beschrijft hoe het ideale leven eruitziet. En hoor ik nou verbittering in zijn stem? Om een of andere reden krijg ik toch iedere keer weer rillingen als dit nummer voorbij komt. Mooi? Nee. Speciaal? Zeker.
Net als ik behoefte heb aan weer even stevig rocken, komt daar weer Electioneering aan. Lekker, niet heel speciaal. Maar dan komt het beste nummer van de plaat, het bizar goede Climbing Up the Walls. Angstaanjagend en prachtig. De krakende stem van Yorke, het eenvoudige drumloopje, de wanhopige oerschreeuw aan het einde, beter dan dit is bijna niet mogelijk.
Nu weer een lekker toegankelijk nummertje, No Surprises. Een mierzoet melodietje, cathy refrein, een redelijk feelgood nummer. Totdat je eens goed naar de tekst gaat luisteren, die toch redelijk deprimerend is. Lucky is ook weer een goed nummer, ook al heb ik er weinig over te zeggen, behalve dat het sfeertje weer duidelijk terugkomt. Maar The Tourist is een heel speciaal, melancholisch nummer, waar ik echt even weg ben van de wereld.
Een geweldige afsluiter.

Overigens vind ik het artwork van het boekje en de hoes ook heel mooi. Deze plaat is één van de beste die ik ken. Een hogere plek in mijn top 10 en 5*.

edit: Ik zie daarnet dat dit de derde recensie op een rij is.

Rihanna - Good Girl Gone Bad (2007)

Alternatieve titel: Good Girl Gone Bad: Reloaded

poster
Good Girl Gone Bad.

Ik moet eerlijk zijn; haar debuut heb ik niet helemaal geluisterd, maar de nummers die ik ervan ken zijn in ieder geval te pruimen. Ze waren, ondanks het veel te grote tienermeisjeslatenhuilen-gehalte, redelijk afwisselend en echte R&B. Maar het duurde niet lang, of grote boze platenmaatschappij zou komen en haar transformatie naar schreeuwerige aandachtsprostituee - de Good Girl Gone Bad - zou beginnen.

En wat er daarna is uitgekomen, maakt me toch een beetje verdrietig.
Op Good Girl Gone Bad is ze totaal veranderd. Haar lieve, schattige nummers zijn weg en vervangen door zielloze, grijze clubstampers waar ze ongeïnteresseerd doorheen jankt.
Voor de rustige nummers zijn grote, stoere rappers of zeikerige kwijleballen uitgenodigd die eens lekker het feestje, voor zover dat al mogelijk was, verder verpesten.
En om het lekker af te maken, is die walgelijke auto-tune erbij gekomen om Rihanna nog wat minder spannend te laten klinken.

Neem nou een ''ballad'' als Hate That I Love You. Als we het thema even vergeten (Ik houd van je, maar je bent onbereikbaar. Hoe origineel..) is dit nummer één en al geliktheid.
Eenmaal geopend met een zwak gitaartje dat het enige non-elektrische instrument wordt tijdens het hele nummer en bovendien de hele tijd alleen maar vier slappe akoordjes speelt, wordt het nergens ook maar een heel klein beetje spannend of vernieuwend.
Een refreintje dat bijna het hele nummer beslaat en daartussen het gezeik van glijgans Ne-Yo - waar we overigens bijna niets meer van horen - en de saaie zang van Rihanna. Maar nergens overtuigt het maar ook een beetje, want dit zou waarschijnlijk ten koste gaan van de catchyness. Het is allemaal zo gemaakt en zielloos dat ik er echt hopeloos van word.

Zielloos, dat is ook het sleutelwoord voor de hele plaat. Alles is zo gefilterd van enige spanning, enige diepgang of enige afwisseling, dat het echt zwaar op mijn zenuwen, maar geweldig op de hersentjes van 12-jarige meisjes werkt. Rihanna wordt hier puur gebruikt als lustobject met een mooie stem. En hierna zou dit niet beter worden. Of, zoals Rihanna het zelf zingt in het titelnummer: Cause once a good girl goes bad/We done forever/We gone forever.

1 ster voor het bonusnummer Disturbia, dat op een bizarre manier nog een guilty pleasure is. In ieder geval is de tekst niet zo dramatisch op dit nummer.

Robbie Basho - Visions of the Country (1978)

poster
3,0
Een frustrerende waarheid wat betreft mijn muzieksmaak waar ik al vaker op ben gestuit: ik ben regelmatig een minder grote liefhebber van pioniers binnen een genre dan van degenen die hetzelfde genre enkele decennia later nog eens verkennen. Zo vind ik post-punk nergens beter uitgevoerd dan op Turn On the Bright Lights, is Kendrick voor mij de onbetwiste koning van West Coast hiphop, en ben ik beduidend meer idolaat van de noiserock van een Daughters of Girl Band dan die van een Sonic Youth of Jesus Lizard. Ik zou willen dat het anders was, niet omdat ik dan een Correcte Muzieksmaak zou hebben, maar omdat ik oprecht respect heb voor hoe muzikanten compleet nieuwe paden betreden met hun muziek, en de creativiteit die erbij gepaard gaat. Dat neemt niet weg dat het voor mij vaak later beter wordt gedaan.

Zo ook met Robbie Basho, één van de kroonprinsen in het gebied van American primitivism (waarbinnen ik binnenkort met keizer John Fahey zal gaan maken). Als ik het internet mag geloven is zijn Visions of the Country een absolute essential binnen het genre, dat gekenmerkt wordt door zijn grotendeels instrumentale composities die hevig op virtuoos en door Indiase raga's geïnspireerd tokkelwerk leunen. De sterrenstatus van het album is wat mij betreft vanaf de opener al goed te begrijpen: Basho's muziek onderscheidt zich door zijn ongelooflijk vrije, uitbundige karakter. Mijn vroegere aanname dat tokkelwerk noodzakelijkerwijs ingetogen is, werd definitief ontkracht toen ik hier Basho over zijn al vrij intense getokkel hoorde zingen, met een extatische vibrato die nog het meest aan jodelen doet denken. Het heeft een emotionele intensiteit die velen gok ik in vervoering kan brengen. Voor mij echter struikelt zijn zang over de grens tussen bezieling en pompeusheid, op dezelfde manier dat operazang dat meestal doet.

Dit feit wordt vooral duidelijk in stukken als Rocky Mountain Raga, dat in zijn eerste minuten nogal ontroerend is als kolkende rivier aan fris getokkel en klaaglijk vioolwerk, om vervolgens onmiddelijk in - ik zeg het toch maar - kitsch te veranderen wanneer Basho zijn mond opentrekt. De nadrukkelijk door natuur en spiritualiteit geïnspireerde teksten helpen daar niet bij: ik snap oprecht hoe teksten als "Oh, you grand Rockies/Rise up forever/Rise up in praise/Towards the sun/Against the sky/Don't know why I cry" voor sommigen het ontzagwekkende gevoel ondersteunen dat het album op wil roepen, maar het klinkt voor mij toch allemaal enigszins pathetisch. In het meteen daarop volgende Variations on Easter laat Basho vervolgens meteen zien hoe, ontdaan van deze factoren, hij een prachtig instrumentaal schilderwerkje kan neerzetten. In Blue Crystal Fire bewijst hij zelfs dat ook mét zang ruimschoots binnen die eerder genoemde grens kan blijven: in wat voor mij het absolute hoogtepunt van het album is, drukt Basho alle pedalen even iets minder hard in, waardoor zijn ingetogen vibrato een indringende kwaliteit krijgt die doet denken aan een Nina Simone.

Vanaf dit punt stommelt het album weer voort, en word ik constant afwisselend in vervoering gebracht en geïrriteerd. Bij vlagen transporteert de muziek me naar mentale wandelingen door wilde landschappen zoals afgebeeld op de hoes, waarna kitscherige franjes vervolgens diezelfde landschappen weer transformeren in een Bob Ross-schilderij. Ik heb dus een beetje een lastige relatie met Visions of the Country, wat zich uit in de waarschijnlijk vijftien luisterbeurten die ik het heb gegeven voor ik het kon waarderen. Binnen hetzelfde genre vrees ik dat ik wederom dus toch meer fan ben van hoe een latere James Blackshaw het doet. In ieder geval heeft Basho me wel een goede kickstart in de oorsprong van het genre gegeven - binnenkort ga ik met John Fahey verkennen of het misschien juist eerder toch beter is gedaan.

Roosbeef - Ze Willen Wel Je Hond Aaien Maar Niet Met Je Praten (2008)

poster
1,5
Jaja..

U weet waarschijnlijk wel, ik ben ten eerste een groot liefhebber van teksten die op het eerste gezicht nergens op slaan, maar waar na lang kijken de ware gedachten achter schemert.
Neutral Milk Hotel, Interpol, Joanna Newsom, ik krijg er geen genoeg van.
Ook muzikaal vernieuwende muziek kan ik zeer waarderen.
Stiekem moet ik zelfs bekennen dat vals gezongen muziek bij mij erg goed scoort.
Waarom ik van valse stemmen houd? Makkelijk, de emotie is veel beter merk- en voelbaar.
Dus Roosbeef, een Nederlandse band die anders is dan anderen uit Nederland, met een zangeres die vals zingt, aparte teksten en idem dito voor de zangeres, dat zou ik wel moeten aanbidden!

Fout. Heel, heel erg fout.
O, wat zijn de teksten toch kunstzinnig en apart, hoor ik mensen al zingen over deze band.
Met alle respect, mijn hol. Echt, ook een liefhebber van aparte teksten moet wel merken dat op lyricaal niveau Roosbeef echt belabberd in zijn superlatief is.
Een dronken koe (kom ik nog op terug) die zingt over hoe erg ze van de zomer houdt en over haar beugel. Mij houd je niet voor de gek. Tuurlijk, er zitten wel wat stukjes tussen waar over te gniffelen valt, maar een grap is een of twee keer leuk. Bovendien zijn ze vaker om van te huilen:

En toen jij het uitgemaakt had
en toen jij het uitgemaakt had
Heb ik mijn donorkaart ingevuld
Zodat er iemand nog met mijn hart speelt


Kom op zeg.
Maar ja, dat is niet heel erg. Want teksten zijn niet het belangrijkste. Toch?
Inderdaad. Het belangrijkste is dat Roos Rebergen echt niet kan zingen.
Nee, niet zo mooi vals zingen zoals een Win Butler of Jeff Mangum dat zo goed kan, gewoon als een dronken koe. Werkt, tezamen met de vreselijke teksten, erg op mijn zenuwen.

Slechte teksten, dronken koe achter de microfoon. Is dat gerechtvaardigd voor een 1,5?
Nee, natuurlijk niet. Want ik heb nog niet gezegd dat de nummers gewoon echt niet goed gecomponeerd zijn, niet goed in elkaar zitten en soms gewoon echt niet klinken, ook instrumentaal.
Maar het belangrijkste dat ik dit cijfer geef, is gewoon het sfeertje dat rond deze plaat hangt.
Het is zo gekunsteld, zo gemaakt. Ik krijg er het gevoel van dat ik het wel goed moet vinden en eerlijk gezegd vind ik dat bijzonder onprettig. Jammer, dame en heren van Roosbeef, het is bij mij niet gelukt.

1.5 ster voor Jongen Gaat Het Leger In, wat ik verbazingwekkend genoeg soms wel fijn kan vinden.

Ryuichi Sakamoto - Thousand Knives of Ryuichi Sakamoto (1978)

poster
3,0
In het afgelopen jaar ben ik eindelijk een beetje begonnen met het ontdekken van toffe muziek van buiten Europa en Noord-Amerika, en alles wat ik (mede door aerobag) heb ontdekt uit Japan is tot nu toe erg bevallen. Over dit album daarentegen, zijn tip uit dit topic, ben ik niet schreeuwend enthousiast. Ik denk dat de beste reden om dit onder woorden te brengen ligt in een verkenning van het woord "experimenteel". Een etymoloog ben ik niet, maar voor mij heeft het woord twee betekenissen: het op een bewuste manier inzetten van onconventionele middelen (melodieën, instrumenten, structuren) om een bepaald beoogd effect te bereiken, dan wel het op een vrije manier inzetten van onconventionele middelen, om te kijken welk effect het zal bereiken.

In mijn beleving hanteert Sakamoto op dit album vooral de tweede interpretatie van het woord. Een nummer als Island of Woods, jammer genoeg van de langste speelduur van het hele album, lijkt één lange verkenning van de mogelijkheden van de destijds vrij nieuwe synths waar hij op speelde. Dat leidt helaas niet tot een zinderende luisterervaring: het nummer meandert naar links en rechts zonder ergens een treffende sfeer of emotie neer te zetten. Dit illustreert het risico van de "tweede definitie" van experimenteel, namelijk dat je als muzikant wel erg veel geluk moet hebben wil je dat je bijna willekeurig achter elkaar geplaatste noten en structuren een sterke emotionele indruk maken.

Hoewel andere nummers op het album conventioneler zijn qua melodie en structuur, lijken Sakamoto's synths ook daar vaak te dienen om een geluid te verkennen in plaats van een bepaald doel te bereiken. Een compositie als Plastic Bamboo kent een veelvoud aan geinige geluidjes en onverwachte intermezzo's, maar het motief dat de ruggengraat van het nummer vormt is simpelweg niet erg veelzeggend. Om deze reden luistert het nummer lekker weg, maar trekt het tevens nooit de aandacht. Op een vergelijkbare manier zijn ook Das Neue Japanische Elektronische Volkslied en The End of Asia voor hun tijd innovatieve experimenten, maar melodieus wat te achteloos om bij te blijven.

Blijft over de twee hoogtepunten van het album. Het openingsnummer slaagt met vlag en wimpel in datgene wat de hiervoor beschreven nummers niet wil lukken, namelijk enerzijds met losse hand de mogelijkheden van een nieuw instrument verkennen, en anderzijds sterke composities neerzetten. De zwaar aangezette percussie maakt het een bijna dansbaar stuk muziek, en het motief geeft er vooral naar het eind van het nummer toe een vrij gelukszalige lading aan mee. Grasshoppers is dan weer op een heel andere manier redelijk geweldig: het legt een sprankelend staccato pianoloopje à la Philip Glass tegenover een melancholische piano/synth-wals, met een heerlijk subtiele overgang tussen de twee stukken. De bewuste Japanse melodieuze invloeden die Sakamoto in zijn melodieën legt zijn hier van grote meerwaarde - de laatste minuut waarin het hele instrumentale scala wordt opengetrokken is op zichzelf al fijn, maar het zwierige motief steelt de show.

In het kort zijn meneer Sakamoto en ik het dus een beetje oneens over wat experimentele muziek nou moet betekenen. Dat is op zich niet erg: bekeken door zijn tijdsgeest druipt de innovatie van dit album af, en hetzelfde geldt voor het spelplezier dat blijkt uit de enthousiaste afwisseling van synths en geluiden. Desalniettemin merk ik dat mijn luisterplezier wel groter was geweest als hij de lijn van Thousand Knives en Grasshoppers had doorgezet, te weten melodie en opbouw boven het verkennen van alle hoeken van een synth.