MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten hoi123 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Television - Marquee Moon (1977)

poster
4,0
Tja, na wat schandalig lage cijefrs van mede-MuMeërs, (Een 2,5 Don, hoe durf je? )
zal ik maar eens toelichten waarom deze plaat eigenlijk gewoon een punkklassieker is.

Ja, de zang is om aan te wennen. Valt niet te ontkennen.
Maar tegelijkertijd is het, na vele luisterbeurten, toch wel een erg herkenbare en fijne stem. Bovendien houd ik wel van aparte stemmen.
Ook zijn de twee gitaren perfect door elkaar heen geweven en is de bas meer dan interessant. Maar dit is allemaal niet meer dan leuk.

Wat Marquee Moon echt goed maakt, is de stemming die het bij mij oproept.
Vrolijk, maar bij vlagen intens weemoedig en ontroerend.
Vooral het 12 minuten durende, epische titelnummer herbergt een intense schoonheid, die niet meteen te ontdekken valt.
Maar ook bijvoorbeeld Venus of Milo is een euforisch en toch ietwat weemoedig, maar vooral overtuigend en geloofwaardig liefdesliedje.
Zo heeft ieder nummer iets speciaals, door de herkenbare zang, prachtige gitaren en fascinerende structuren.

Ooit wel eens een bui gehad waarin je beseft hoe mooi het leven eigenlijk is?
Zonder reden, gewoon een plotseling besef.
Marquee Moon is de perfecte plaat voor deze bui. Stem verhoogd naar 4,5*.

Tessa Rose Jackson - Songs from the Sandbox (2013)

poster
3,0
"Echt van die tienermeisjesmuziek," zei een vriendin van me, "en daarom moet jij het even luisteren." Deze subtiele aanslag op m'n mannelijkheid zou eigenlijk moeten betekenen dat ik voor de rest van m'n leven het begrip Tessa Rose Jackson en alles wat daaromheen hangt zou moeten haten, maar het met aandoenlijke klopjes begeleide Again and Again dat eerdergenoemde vriendin me meteen daarna liet horen liet mijn natuurlijk heel erg stoere hart toch wel genoeg smelten om dezelfde middag meteen het internet af te struinen naar het album waar dit lieve meisjesstemmetje de boel uitmaakt.

Tienermeisjesmuziek? Ik snap het uiteindelijk wel goed. Mevrouw Jackson verkent namelijk de echte dieptes niet op haar debuut: in de basis valt dit album samen te vatten als twaalf liedjes die elkaar proberen af te troeven op het vlak van liefheid. En op zich is daar niet al te veel mis mee: afsluiter Where the Light Goes heeft het soort warme sfeertje waarvan je zou willen dat je jezelf er letterlijk in kon wikkelen, om volledig omgeven te zijn door die loepzuivere, vertrouwde stem en die troostende, stille gitaarpartij. Ook in de andere nummers slaagt Jackson erin om de lieflijke boventoon niet te laten vervelen of verdwijnen, met als kleine uitzondering en tegelijkertijd het summum van dit album het kleine pareltje 405 met zijn sprankelende refrein, waar het snerende, repetitieve achtergrondkoortje de vriendelijkheid misschien wegneemt, maar hetzelfde koortje het nummer ook meteen een indrukwekkende muzikale stoot van spanning meegeeft die de andere nummers missen.

Daar kom ik namelijk op mijn volgende punt: die lichtjes schorre stem van Jackson en die schattige klopjes die vaak de percussie vormen werken dan wel heel vertederend, qua muzikale "interessantheid" blinkt ze nog niet echt uit hier. Hoewel het voor mij eens in de zoveel tijd best prettig is om mezelf onder te dompelen in het sfeertje van dit album, merk ik achteraf dat behalve eerdergenoemde nummers niks echt bij is gebleven, aangezien alles wel heel erg easy listening is gehouden. Een muzikale versnelling, gezonde lading spanning of een klein scheutje rauwheid in het album verwerken hoeft die liefheid echt niet weg te nemen, maar maakt de luisterervaring wel wat enerverender; hetzelfde geldt voor de teksten, die niet in negatieve zin opvallen (wat op zich een verdienste is voor een Nederlandstalige artiest die in het Engels zingt), maar ook nergens genoeg uitblinken in poëtische zin om in mijn hoofd rond te blijven zwerven.

Een album met een paar bovengemiddeld fijne nummers en één uitblinker van formaat dus, maar als mevrouw Jackson over een paar jaartjes genoeg is doorgebroken om nog een album te kunnen maken (en dat gun ik haar zeker - niet alleen vanwege haar stem), moet ze er toch aan denken om er iets spannendere noten, iets overtuigendere uitbarstingen of iets memorabelere teksten in te proppen; dan blijft het ook voor de niet-tienermeisjes in onze samenleving interessant. En een nummer als Forgive Me, uitblinkend in zeurderigheid en tekstuele gezapigheid, moet er de volgende keer sowieso maar niet op.

The Decemberists - Picaresque (2005)

poster
4,0
Het valt misschien het duidelijkst te horen aan de tekst van het door zijn zelfspot en trompetjes heerlijke, door een opzwepende drum voortgedreven The Sporting Life: de karakters in de nummers van Picaresque zijn geen homerische helden met grenzeloos liefdesverdriet en nog wat andere clichés, nee: ieder klein vleugje in de muziek die hier gemaakt wordt doet denken aan de wat minder hippe jongetjes en meisjes van de middelbare school. De types die in de lunchpauze in de hoek van de kantine hun broodjes met kaas vergelijken en bij geschiedenis met hun vinger hoog in de lucht en bril scheef op hun neus altijd het eerste antwoord klaar hebben, zeg maar.

Zanger Colin Meloy manouvreert met zijn bijna karikaturaal benepen stem door de klunzige, maar zwierige uithalen van de violen, accordeons en nog wat ondefinieerbare instrumenten die op dit album allemaal uitgebreid aan de pas komen en creëert een bijna overal aanwezige theatrale dramatiek die niet echt serieus genomen kan worden, maar dat ook niet probeert. Tekstueel lijken Meloy en zijn vriendjes en vriendinnetjes hun op hol geslagen fantasieën uit hun geschiedenis- en literatuurboeken te mengen met de moeilijkste woorden die het woordenboek te bieden heeft (ik vraag me wel eens af of Engelsmannen zelf wel helemaal begrijpen wat er in bommerdebombastische opener The Infanta allemaal gezegd wordt).

Thema's van de nummers? Dode soldaten en de verschrikkelijke houding van de USA bijvoorbeeld, maar dan natuurlijk juist niet op een serieuze toon; nee, van alle uitgelaten nummers die dit album telt is misschien wel de meest euforische 16 Military Wives, dat in de laatste minuut een soort nationaal feest wordt, met alle toeters en bellen denkbaar. Verloren zeemannen komen voor de eerste keer langs in For My Own True Love (Lost at Sea) - het valt ook wel een beetje te lezen aan de titel - maar voor zover dit bonte, enigszins bizarre album aan clichés doet, valt dit nummer het meest onder die noemer, maar dan vooral door de corny tekst van het refrein. (Mr Postman, do you have a letter for me? A letter for me? For my own true love, lost at sea, en dat dan een paar keer? Jullie kunnen beter.)

De klappers van dit album maken me gelukkig wel weer erg blij. Naast de daarnet besproken politieke topper hebben we namelijk nog een absoluut meesterwerkje in de vorm van (nog een) zeemannenepos: het absolute toppunt van onhipheid en genialiteit The Mariner's Revenge Song, waar een hele beeldloze musical uit de kast wordt getrokken die ook muzikaal nog eens verdomd catchy is. Vanuit buiken van walvissen kunnen blijkbaar wat geweldige geluiden komen, met als wat voorbeelden van fantastische details, de pakkende drum die invalt in het tweede couplet, de maar tweemaal voorkomende klaagzang van de moeder (Find him, bind him, tie him to a pole and break his fingers to splinters, gevoeliger kan het toch niet worden?) en de volkomen willekeurige wals die plots wordt ingezet voor het een-na-laatste couplet.

Als deprimuziek-liefhebber (maar vrolijk genoeg voor deze zetting van het streepje) kan ik me er eigenlijk soms wel eens aan storen als een album uit alleen maar uitgelaten feestjes van nummers bestaat (en alleen de laatste 2 minuten en 28 seconden van dit album zouden misschien als enige muzikaal als een klein beetje ontevreden beschouwd kunnen worden), omdat het risico op emotionele inflatie dan wel erg groot wordt. Dit kan echter niet gebeuren als het enthousiasme in de muziek zo groot blijkt te zijn als hier bij de Decemberists, waar iedere noot sprankelt van de amodieuze gezelligheid, ook bij liedjes zoals We Both Go Down Together en Eli, The Barrow Boy, die niet per sé zo memorabel als de echte knallers. Vrolijkheid gegarandeerd.

The Dillinger Escape Plan - Option Paralysis (2010)

poster
2,5
Vergeet m'n vorige mening over dit album, na 6 weken intensief Option Paralysis proberen heb ik een hele andere mening over dit album ontwikkeld. De agressiviteit, chaos en de screams vind ik helemaal niet meer irritant. Sterker nog, een nummer als Good Neighbour vind ik heerlijk om mijn agressie mee af te reageren. En Farewell, Mona Lisa is eigenlijk gewoon van ongekende klasse. Ik heb mijn cijfer dan ook met een half punt verhoogd.

Waarom niet meer? Omdat er wel degelijk slechte punten zitten aan Option Paralysis. Ten eerste vind ik het nummer Widower belachelijk overgewaardeerd. Er zit zeker geen goede opbouw in, de stem van Puciato gaat me ook behoorlijk irriteren. Het enige fijne aan dat nummer is het pianostuk, een meer dan nodig rustpuntje.
Daarbij kom ik ook meteen bij m'n tweede punt van kritiek; Als het aan mij lag was Endless Endings naar het eind verplaatst, of zelfs gewoon niet op dit album gezet. Een (Voor Dillinger Escape Plan dan ) nogal standaard nummer. Het is ook het zoveelste agressieve nummer op een rij, waardoor het voor mij moeilijk is om hem af te luisteren. Laatste puntje van kritiek: Een rustnummer aan het einde is voor mij altijd welkom, maar Parasitic Twins is een heel zwak nummer met een zwakke tekst.

Toch is Option Paralysis een redelijk goed opstapje naar hardere metal. Ik ga ook de andere platen uitchecken, kijken wat ik daarvan vind.

The Heads - Everybody Knows We Got Nowhere (2000)

poster
1,5
"Verzengende psychedelische rock", zo wordt dit album hierboven aangeprezen, en als ik op het internet een beetje rondkijk lijkt deze band een kleine cultstatus te hebben vergaard om hun "hyperpsychedelica". Ik kan me vaak wel in de verte vinden in de beschrijvingen op de albumpagina, maar in dit geval heb ik me serieus afgevraagd of ik naar het foute album aan het luisteren was. Het geluid van Everybody Knows We Got Nowhere associeer ik in de verste verte niet met de kleurrijke naakte mevrouw op de hoes. Als ik het fatsoenlijk onder woorden moest brengen zou ik zeggen dat de hallucinaties die ik van deze plaat krijg eerder in de buurt komen van dat ik opgesloten ben in een menigte voor een eindeloze (maar echt, eindeloze) jamsessie van wat uitgebluste vijftigers op een lokale kermis in Waddinxveen. Zanger Paul Allen klinkt ongeveer even gepassioneerd als mijn lokale gothic-cassière, drummer Wayne Maskell doet zijn best om geen inspirerend ritme uit zijn drumstel te laten ontsnappen en dan komen nog de gitaarsolo's.

God, de gitaarsolo's. Ik sta op deze site volgens mij niet bekend om mijn voorliefde voor gitaarsolo's, en dat wordt hier nog even bevestigd: het vormeloze, ongeïnspireerde en ronduit irritante gitaargemasturbeer dat gitarist Price laat horen op Dirty Water staat vrij dichtbij het precieze tegenovergestelde van wat ik persoonlijk waardeer in muziek. Jammer genoeg bestaat dit album dan wel voor 80% uit gitaarsolo's. De andere twintig procent wordt opgevuld met melodieën die ik ben vergeten zodra ze afgelopen zijn, een compleet gebrek aan dynamiek en een holle productie die deze twee factoren benadrukt. Misschien is het oneerlijk om dit met een laag cijfer te belonen omdat het simpelweg m'n genre niet is (al waardeer ik best wat psychedelica en noiserock, wat de labels zijn waarmee dit op RYM wordt beschreven). Desalniettemin heb ik zo mijn best moeten doen om me door drie luisterbeurten van dit album heen te worstelen dat het me wel het enige correcte lijkt.

The Pop Group - Y (1979)

poster
2,0
Soms speel ik ergens in een garage nog wel eens in een bandje met wat vrienden - vroeger vaker dan nu. Het blijft een erg leuke tijdsbesteding, maar zoals bij alle tijdsbestedingen slaat de verveling na een tijdje toe en dan ga je van meligheid aankloten met gekke stemmetjes, gekke tekstjes en gekke gitaartjes. Best lachen voor tien minuten; daarna is het meestal wel genoeg en dan eten we een boterham.

Bij The Pop Group heb ik het gevoel dat ze nooit in de boterhammenfase zijn aangekomen - Y is veertig minuten lang aan opmerkelijke stemmetjes, gekke ritmes en absurde riffjes. Je zou het verfrissend kunnen noemen en origineel is het zeker, maar het enige woord dat het album echt samenvat is vermoeiend. De gekte is niet per se het probleem, aangezien bijna precies dezelfde hoeveelheid ervan een jaar eerder erg geslaagd in de nummers van verre genregenoten Pere Ubu werd - het kan dus wel. Het wringt 'm in het gebrek aan andere dingen die het album te bieden heeft: de absurditeit staat op zichzelf en gaat niet gepaard met emotionele diepgang. Een nummer als Snow Girl, waarin de titel met dissonante tweestemmigheid ongeveer veertig seconden lang wordt gescandeerd, terwijl er ondertussen met vuisten op piano's wordt geslagen en de gitaar wat willekeurige noten jengelt, is daar een goed voorbeeld van. De gekte is niet een middel om een bepaald effect bij de luisteraar te bereiken, maar de gekte is het doel en wordt op iedere mogelijke manier nagestreefd.

Dat heeft allereerst tot gevolg dat alles klinkt alsof de band maar wat aan het aankloten is; op zich mag dat natuurlijk wel, maar als daar geen interessante melodieën of, zoals ik daarnet schreef, andere emoties in de nummers tegenoverstaan blijft er wel wat weinig over. Het tweede gevolg van deze absurditeit zonder franje is dat ik als luisteraar niet meer dan een paar nummers achter elkaar verdragen zonder ronduit geïrriteerd te raken, op dezelfde manier dat je als nuchterende buitenstaander niet te lang naar een groepje giechelende stonede tieners kan luisteren als die lachen om het woord "melkpak". Dankzij het decomposeren van alle nummers zonder dat daar iets voor iets in de plaats komt heeft The Pop Group hier dus, grof gezegd, niet echt iets te bieden.

Een halve uitzondering op de regel is het ritmisch interessante openingsnummer She Is Beyond Good and Evil, dat nog een vrij overtuigende vrolijke lading over zich heen heeft; bovendien heeft het sleutelnummer We Are Time een erg goede gitaarriff. Het feit dat die dan weer volledig om zeep wordt geholpen door de krampachtig experimentele opbouw van het nummer verpest de stemming dan weer nogal, maar toch is het één van de weinige aangename melodische elementen die het album bevat.

Let wel, voor het lijkt dat ik het "dit kan ik ook"-argument gebruikt heb: waarschijnlijk is de pure bizarheid die over de luisteraar heen wordt gegoten moeilijk te reproduceren door de gemiddelde mens - de hersenkronkels zijn soms zo origineel dat enige mate van bewondering voor de heren toch niet misplaatst is. Dat neemt echter niet weg dat die hersenkronkels zó opdringerig, inhoudsloos en na een tijdje dus ronduit irritant zijn dat ik oprecht had gewild dat The Pop Group gewoon wat vaker een boterham ging eten.

The Sound - From the Lions Mouth (1981)

poster
1,5
Oké, ik ga nou eens even proberen te beschrijven waarom ik dit album zo slecht kan uitstaan.

Ten eerste ben ik al niet zo'n hele grote fan van synths, ik ken maar weinig albums waar de synths echt een goede toevoeging zijn. Maar de synths hier worden op zo'n, tja, amateuristische manier gebruikt, ik vind ze echt lelijk klinken. Ook klinken ze erg dissonant.

En dat is mijn tweede punt: Ook de zang is gewoon dissonant, past totaal niet bij de toonhoogte. Sowieso ben ik niet zo weg van de zang van Borland, ik vind zijn stem wat saai. Daardoor wordt het alleen al moeilijk om ernaar te luisteren voor mij. Ik irriteer me ook erg aan de teksten, die vind ik ook niet echt van een hoog niveau.

En ik hoor hier ook geen emotie, geen sfeer in. Het komt op mij allemaal over als een stelletje gevoelloze zombies zonder gevoel voor teksten schrijven die met een synthesizer zitten te prutsen. Ik ga hierna zeker naar wat New Wave-albums luisteren om te kijken of die me wel bevallen, misschien is New wave wel gewoon niet mijn genre. Ik heb dit album 9 hele luisterbeurten gegund, maar iedere keer moest ik me erdoorheen slepen.

Ik kan best begrijpen dat sommige mensen dit wel goed vinden, maar ik vind dit album echt niks. Jammer, maar 1,5*. Als er iemand trouwens nog wat New Wave tips heeft, hoor ik die graag.

The Steve Miller Band - Bingo! (2010)

poster
2,5
Na 17 jaar (!) maakt Steve Miller Band zijn comeback en deze comeback bevalt me zeker goed. Lekkere bluesy rocknummers waarbij het onmogelijk is om stil te blijven zitten. Dit is één van de soundtracks voor mijn zomer. Vooral Hey Yeah! is gewoon een geweldig Rock & Roll nummer zoals die gemaakt werden in de jaren 70.

Maar natuurlijk zijn er minpunten. Zo vind ik de songs niet bijster origineel. De meeste nummers bestaan uit standaard bluesloopjes die ik allanng ken. Dat is ook de reden dat ik dit album niet nummer per nummer review; De nummers lijken echt teveel op elkaar. Jammer, want vrolijk word ik er zeker van. En dat vind ik ook belangrijk. Daarom een ruime 3,5*.

The Steve Miller Band - Bingo! (2010)

poster
2,5
Na 17 jaar (!) maakt Steve Miller Band zijn comeback en deze comeback bevalt me zeker goed. Lekkere bluesy rocknummers waarbij het onmogelijk is om stil te blijven zitten. Dit is één van de soundtracks voor mijn zomer. Vooral Hey Yeah! is gewoon een geweldig Rock & Roll nummer zoals die gemaakt werden in de jaren 70.

Maar natuurlijk zijn er minpunten. Zo vind ik de songs niet bijster origineel. De meeste nummers bestaan uit standaard bluesloopjes die ik allanng ken. Dat is ook de reden dat ik dit album niet nummer per nummer review; De nummers lijken echt teveel op elkaar. Jammer, want vrolijk word ik er zeker van. En dat vind ik ook belangrijk. Daarom een ruime 3,5*.

The Strokes - Is This It (2001)

poster
4,0
Het is 2001. De garagerock en postpunk zijn ernstig ingezakt.
Dan komen The Strokes. 4 jonge New-Yorkers met een nonchalante uitstraling.
De goede oude leren jassen zijn ook van de partij.
Wie zou ooit hebben gedacht dat zij voor zo'n grote revival zouden zorgen?

Julian Casablancas bezingt het leven in de stad, met een bandje die achter hem staat te spelen. Euforisch is hij, bijna dronken maakt hij door de telefoon zijn statement. Althans, zo lijkt het.
De productie is passend bij de band, nonchalant en lo-fi.
De drumpartijen zijn redelijk eenvoudig, de gitaren zijn repetitief en Casablancas
zaagt er maar doorheen.
En toch klinkt dit album zo lekker, zo zomers en zo vrolijk. This Is It is ongecompliceerd, gewoon genieten. Gepaster kan een albumtitel niet zijn.

Pak een koud drankje en Is This It en ga buiten zitten. De zomer is nog in volle gang.

The xx - xx (2009)

poster
4,0
De eerste 3 nummers van xx zijn fenomenaal.
Intro werkt zich op een Interpol-achtige wijze onder je huid en het gitaarloopje betovert, samen met de fluisterende achtergrondzang. Een volwaardig nummer.
Vcr begint met een lief, spannend loopje dat later wordt uitgebouwd met een heerlijk jaren 80-gitaartje. De samenzang tussen de soulvolle Romy Madley-Croft en de nonchalante maar oh zo charmante Oliver Sim is fenomenaal.
Ook Crystalized heeft die geweldige samenzang en dat heerlijke gitaartje. Iets catchiër dan de twee voorgangers en nog een grote stap genietbaarder. Het refrein is een royale portie endorfine.

Deze eerste nummers geven mij het gevoel dat het eerder genoemde Interpol ook geeft.
Stedelijk, nachtelijk en eenzaam zijn de drie sleutelwoorden en The xx breidt dit gevoel uit door er wat jongs, wat speelsheid erdoorheen te mengen. Puberaal, maar op een goede manier.

Hierna wordt xx echter stukken minder. Islands is door de aparte drums en het afstandelijke sfeertje nog enigszins intrigerend en spannend, maar jammer genoeg vervallen deze jonge Londenaars hierna in een grotendeels oninteressante brij van drumcomputers en samenzang.
Uitzonderingen zijn er uiteraard wel, met als voorbeeld de fantastische outro van Infinity, maar deze zijn stuk voor stuk fragmentarisch. Desondanks luistert het allemaal prima weg, maar verder dan dit wil xx bij mij niet komen.

Them Crooked Vultures - Them Crooked Vultures (2009)

poster
3,5
Nirvana, Foo Fighters, Led Zeppelin en Queens of the Stone Age komen bijeen in één heerlijke brok energie! De rage rond deze supergroep is langs mij heen gegaan, waar ik achteraf blij mee ben, want dan had ik niet zo'n hoge verwachtingen voor dit album.

Heerlijke gitaarriffs, baslijnen die veel meer doen dan alleen ondersteunen en niet te vergeten de geweldige drums van alleskunner Dave Grohl maken hier 11 heerlijke, energetische tracks van, met als hoogtepunten de heerlijke jamsessie Elephants, waar ik de gitaren persoonlijk ook echt als getoeter van olifanten vind klinken, de 4 minuten durende brok energie New Fang en natuurlijk ook Bandoliers, wat misschien wel het beste nummer is wat Dave Grohl én Josh Homme hebben gemaakt. Ook zijn de teksten heel goed, iets dat ik niet van Josh Homme gewend ben.

Let op: daarnet zei ik 11 heerlijke, energetische nummers, maar er zijn 13 nummers. De 2 minpunten van de cd zijn het bizarre Interludes With Ludes, die voor een paar keer leuk is, maar daarna wel héél snel gaat vervelen, en Spinning In Daffodils, die ik ook na vele keren verwoed luisteren ronduit saai vind. Desondanks nog een ruime 4*.

tUnE-yArDs - Who Kill (2011)

poster
4,0
Wat een heerlijke, spannende plaat.

Who Kill is ongeveer het voorbeeld van inspiratie in muziek. Want, zoals mijn voorganger hierboven al zegt, hoe zou je Who Kill willen beschrijven? Een totaal chaotisch feest waarin iedere bestaande stijl wordt gemixt tot een fantastisch, overdonderend driekwart uurtje.

Laten we beginnen met de zang. Merrill Garbus heeft één van de beste, zo niet de beste vrouwelijke zangstem die er bestaat in muziekland. Waar ze op de geniale blauwdruk van Who Kill en opener My Country beter krijst dan een Adele ooit zal doen, komt Garbus op op-een-na-afsluiter Wolly Wolly Gong over als een fluisterende sirene die iedere gedachte in ons hoofd doet vervagen en vervangt door onbezorgd gemijmer. En de verrassing komt nog; Garbus is blank. Geen grap; al de doorleefde uithalen van haar enigszins lage stem en de soms zelfs wat Afrikaans overkomende uitspraak komen uit de keel van een blond, jong meisje. Ik zou haar stem dan ook graag willen betitelen als zwartste stem van een niet-zwart persoon.

De instrumentatie dan. Als we de voicesamples die kundig zijn verweven met het geheel even niet meetellen, valt het wel mee met de verscheidenheid aan instrumenten.
Een tribale drum(computer), een heerlijk overheersende bas en sporadisch wat heerlijke trompetten. Gitaren zijn er wel, maar komen vaker niet dan wel voor. Maar toch weet deze eigenzinnige vrouw het allemaal samen te brengen in een bombastisch, uitzinnig geheel.

Dan de nummers zelf. Het grootste deel is een feestelijke brij die zelfs de grootste zuurpruim wel euforisch de kamer moeten laten rondrennen, maar gelukkig heeft Garbus beseft dat drie kwartier daarvan toch wat teveel is. En dus zijn er nummers als het berustende, troostende en rustige Powa, dat voor mij waarschijnlijk meer troost brengt dan het merendeel van alle nummers die ik ken, of het eerder besproken Wolly Wolly Gong geschreven. Deze geven de broodnodige variatie en zorgen ervoor dat we extra springerig en euforisch worden van nummers als Gangsta, Bizness en Doorstep.

Maar toegegeven, er zijn minpunten. Inderdaad komen de meeste nummers op Who Kill qua tekst niet op een hoog niveau, al komen ze gelukkig ook weer niet op een storend niveau.
Wel storend is Riotriot, die nogal verdwaalt in zijn pretenties en ondanks de fijn neergezette sfeer meestal geskipt wordt hier. Ook afsluiter Killa (Merrill heeft vast een hekel aan de combinatie van een 'e' en een 'r') valt erg uit de toon, vooral omdat de perfecte afsluiter vlak hiervoor al langsgekomen is. Maar ondanks dat de zuurpruim in mij om een lager cijfer vraagt, geef ik Who Kill met heel veel plezier 4,5 sterren.

Tyler, the Creator - Goblin (2011)

poster
3,0
Yonkers, Tron Cat, Sandwitches en Golden zijn geniaal.

Dat moest er even uit, voordat ik begin. Tyler's flow, de beats en de teksten zijn hier zo gestoord en heerlijk als het maar kan. Neem het -positief- stompzinnige, zwaar ironische lalalaatje aan het begin van Tron Cat, waar Tyler een korte tijd later met zijn lage, logge flow de ene zieke punchline na de andere op ons afvuurt, tezamen met de zwaar onheilspellende, pijnlijke beat.
Of Yonkers, die met zijn beat die daadwerkelijk doet denken aan een bak vol krioelende insecten en letterlijk misselijkmakend is -ook positief.

Houd dus in het achterhoofd dat deze tracks van een ongelooflijk hoog niveau zijn, terwijl ik gal spuw over sommige andere gigantische minpunten van Goblin.

Want hoe groot kan het contrast met de andere nummers zijn? Tyler heeft een erg goede flow en op voorgenoemde nummers zijn ook de beats van een erg hoog niveau. Ook de lage stem van zijn geweten is vermakelijk. Maar waarom komt Tyler nou met nummers als het ronduit stompzinnige Bitch Suck Dick, dat ongeveer een schoolvoorbeeld is van de bitchaz-niggaz hiphop waar mensen aan denken als je ze ermee confronteert dat je hiphop luistert?
En heeft Tyler zelf niet door dat Window een langdradige, saaie en oninteressante lijdensweg is waar deze, weliswaar getalenteerde, 19-jarige niet eens zo goed flowt als in eerstgenoemde nummers?
AU79 is daarnaast een ronduit irritante instrumental die ook totaal buiten de toon valt bij de rest van het album en het stuk waar onze anders zo vermakelijke verlaagde stem gaat rappen in Transylvania is nog dramatischer.

Oké, toegegeven, het grootste deel van Goblin is wel geslaagd in het zo ziek mogelijk overkomen, zelfs bij de mindere tracks. Maar soms is de grenslijn tussen ziek en puberaal met vieze woordjes die je niet van je ouders mag zeggen klein. Zo heb ik hier toch nog iets te vaak het Fuck everything-fuck-fuck-gevoel waar ik eigenlijk een ongelooflijke hekel aan heb. Uiteraard geen probleem om je woorden kracht bij te zetten, maar wilt u het voortaan alstublieft iets intelligenter proberen, Tyler?

Kortom; Tyler heeft zeker potentie en vooral in eerstgenoemde nummers laat hij horen dat hij de potentie in zich heeft om een meesterwerk te maken. Maar Goblin is dat nog even niet.