MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Maiky als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Jóhann Jóhannsson - IBM 1401, A User's Manual (2006)

poster
5,0
Johann Johannsson, een interessante ontdekking. Wellicht dat zijn muziekgenre niet zo tot de verbeelding spreekt voor een grotere groep muziekliefhebbers, en dat is zonde. Met zijn twee laatste albums, IBM 1401, A User’s Manual en Fordlandia, weet hij mij te boeien met onderwerpen waar ik de laatste jaren met kritisch oog naar kijk; respectievelijk computers en auto’s.

Natuurlijk gaat Fordlandia niet direct over auto’s, maar IBM 1401 gaat wel direct over computers. Dat niet alleen, het feit dat IBM 1401 mij meer aanspreekt dan Fordlandia is dat het niet zo ambitieus is opgesteld. Hoewel Johannsson zichzelf niet overtreft qua schoonheid van het adembenemende nummer Fordlandia, boeit de elektronica-meets-klassiek mij mateloos en als één geheel, met uitzondering van Part 3, die wat nietszeggend voortkabbelt.

Het ritme van Part 1, die als een soort van metronoom de violen draagt, gaat fantastisch samen met dat wat op de voorgrond gebeurd. Part 2 is fascinerend, het doet me aan ambient denken. De PONG! zegt je op te letten, de stem die je instructies geeft bij het aansluiten van… een printer? Geen idee, geen verstand van computers, maar als Biosphere wat van zijn klanken uit Polar Sequences onder de stem zou hebben gezet, gaf dit een enorme diepte. Dit mag niet zo zijn, maar helaas is dat zeker niet. De strijken van de violen en die druppeltjes xylofoon-achtige tonen geven opeens magie en schoonheid aan de gortdroge stof die de monotone stem oprakelt. Het is, ik wil het eigenlijk niet zeggen, bijna Disney-achtig te noemen. Geen idee waar ik dat vandaan haal. Rond 6:40 komt de verlossing; je hebt hem aangesloten, en Johannsson weet de furore die je dan ervaart magisch te vangen in zijn volle klankenpallet.

Zoals gezegd blijft Part 3 wat op de oppervlakte, maar tegen het einde doet Johannsson toch iets dat opmerkelijk is. Dat angstaanjagende gekrijs. Heel eng vind ik dat, heel luguber. De sfeer veranderd ook. Ik ben weer mijn gedachten erbij. Naadloos gaat het over in Part 4, waar een hemelse, hoge vrouwenstem gelukzalig zucht. Een engeltje. Fantastisch mooi, dit heb ik nog nooit eerder gehoord. Alles wordt nog aangekleed met het geluid van – ik vergis me vast en zeker – karren die over zanderige paden rijden, of… iets dat beweegt in ieder geval. Afsluiter Part 5 bevat zelfs een zingende stem – een computer lijkt me; een stem die net zo vervormd is als de stemmen die in de top 40 zo hip aan het zingen zijn. Een tenenkrommende techniek, maar Johannsson komt er mee weg.

IBM 1401, A User’s Manuel is klassieke muziek met een snufje elektronica dat nooit op de voorgrond treedt. Anders dan een Kashiwa Daisuke, die zijn klassieke gepingel doorspekt met elektronica waardoor er haast geen fatsoenlijk klassieke noot meer uit komt (ook interessant en acceptabel, maar dan anders). Klassiek, of in ieder geval veel instrumentale muziek, is voor mij een moeilijk genre omdat het nooit mijn aandacht erbij kan houden. Johann Johannsson krijgt dit voor elkaar. Ieder nummer heeft iets interessants. Als het geen mooie melodie is, dan is het wel de hoge noten van een vrouwelijke zangeres, een koor of de kurkdroge grijze stof die de vertelstem ten gehore brengt. Dan neem ik het derde deel graag voor lief; dat is altijd goed voor een rustig achtergrondsfeertje.

Johnny Hates Jazz - Turn Back the Clock (1988)

poster
2,5
Aardige plaat dit. Shattered Dreams en vooral Turn Back the Clock doen me met weemoed terugdenken aan de tijd waarin ik uit school kwam en mijn moeder Radio 10 Gold op had staan. Simpele liedjes die, buiten bovengenoemde singels, amper blijven hangen. Slecht? Neuh, net zo goed als dat een band van hele goede huize moet komen om in mijn ogen slechte muziek te maken.

Jónsi & Alex - Riceboy Sleeps (2009)

poster
4,5
Naast de geslaagde zijprojecten van Robert Fripp (solo-debuut Exposure) en Biosphere (die met electronicaformatie Higher Intelligence Agency het overweldigend diepe Polar Frequencies maakte) is ook Jonsi van Sigur Ros erin geslaagd om met iets bijzonders te komen. Dit suggereert een bepaald fanboy gedrag, maar daar valt iets over te zeggen. De muzikale visie van Jón þor (Jónsi) Birgisson (die heb ik ge-copypaste) sluiten perfect aan bij die van mij, en daardoor is een zijproject altijd interessant. Van de man die van ieder Sigur Ros-album iets bijzonders heeft gemaakt mag ik dus veel verwachten. Al gaat hij opera doen, of metal of schlager: de cliche’s van de genres in combinatie met zijn nuzikale visie kan altijd voor iets aparts zorgen.

Het is alleen altijd goed om kritisch te blijven. En toch moet ik ook deze keer toegeven dat de kritische noten minimaal zijn bij Riceboy Sleeps, het ambient-project dat hij samen met zijn vriend opzette. En dat is mooi, want laat nou de ambient-achtige momenten van de Sigur Ros catalogus voor mij de meest interessante momenten zijn. Dit album trapt dus af met Happiness, dat inderdaad lijkt op een ruim negen minuten durende intro die zo op Takk… had kunnen staan. Golvende violen met op de achtergrond de ruis van beweging: het is Jonsi ten top. Het album begint na deze proloog met Atlas Song, waarin het kinderkoor een melodie neuriet dat in je hoofd blijft spoken. Het bijzondere is het frisse eraan. De gedempte, ietwat spookachtige stemmen worden pas op 03:08 wordt het geopenbaard, als een bloemknop die in een versnelling zijn bloem prijsgeeft.

De prachtige, bijna religieuze Boy 1904 wordt voorafgegaan met druppels op het water, mist en regenachtigheid. De piano in Indian Summer visualiseert enkele regendruppels die in het water vallen; de omslag die zich rond de vierde minuut meldt geeft de weidsheid gestalte van mist die over de bergen heen spoelt en alles onderdompelt in een sferisch landschap. Iets soortgelijks hoorde ik ook bij Godspeed You! Black Emperor. Zeer spannend. De druppels zijn daarna overgegaan in onvervalste regen; de piano is wellicht het meest regenachtige instrument dat ooit vervaardigd is.

Ja, je moet eigenlijk half ontwaken als Boy 1904 ingezet wordt. Dan ben je inmiddels een heel eind van de grond verwijderd. Zeer subtiel ingezet koor, bijna koninklijk. Het sluit zo ongeveer de eerste helft van de plaat af. All the Big Trees heeft elementen van de voorgaande nummers, maar ook hier volstaat te zeggen dat het erg spannend is. Ik merk een sfeer die zelf te vergelijken is met Sigur Ros-debuut Von. Danell in the Sea intrigeert door de herhaling, en Howl maakt als afsluiting vrij weinig indruk, doch het is niet oninteressant.

Zo bij elkaar genomen is dus vooral het eerste gedeelte interessant, hoewel het tweede ook zeker de moeite waard is. Ik hoor hier verschillende elementen in terug die ik in de andere muziek van Jonsi zo heb kunnen waarderen. Het aparte stemgeluid van Jonsi die niet zingt, maar klanken voortbrengt. De koortjes die voor een hemels sfeertje zorgen. De regenachtige sfeer. De subtiele basgitaar die, nauwelijks hoorbaar, voor een nodige verandering zorgt. Een sferische plaat met koude klanken die breed zijn uitgesmeerd over de diverse nummers. Sprookjesachtig, op de IJslandse manier.