Hier kun je zien welke berichten Maiky als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Kane - So Glad You Made It (2001)

4,0
0
geplaatst: 23 augustus 2007, 19:59 uur
Dit is het enige album van Kane dat mij heeft weten te boeien. Afgezien van de bekende nummers (vooral So Glad You Made It en Rain Down on Me, hoewel ook die best wel goed zijn) vind ik de rest erg de moeite waard. De toptracks in mijn ogen zijn Dead End, Crazy Warnings, Our Hearts Will Beat As One en Alone. Unieke nummers die ik op de andere albums mistte.
Ik heb een bloedhekel aan commerciele muziek, dat voorop, maar de uitschieters van dit album vind ik toch wel heel erg de moeite waard. Dat de grote hits van dit albums het geheel verpesten, is jammer en neemt een ster weg van mijn beoordeling. Vier sterren.
Ik heb een bloedhekel aan commerciele muziek, dat voorop, maar de uitschieters van dit album vind ik toch wel heel erg de moeite waard. Dat de grote hits van dit albums het geheel verpesten, is jammer en neemt een ster weg van mijn beoordeling. Vier sterren.
Kashiwa Daisuke - Program Music I (2007)

0
geplaatst: 15 januari 2009, 19:41 uur
Wat Japanse artiesten betreft ben ik altijd een beetje voorzichtig. Dat is voor mijn smaak iets te extravert en bombastisch. Ervan uit gaande dat mijn mening voornamelijk gebaseerd is op losse nummers die ik ooit hier en daar vandaan heb gehaald, is die niet erg te vertrouwen. Het verklaard wel de gedachte die in mijn achterhoofd bleef zitten tijdens het hele proces van ontdekken en wachten, tot het moment kwam dat de cd binnen kwam.
Het lijkt in niets op datgene wat ik associeer met Japanse (rock). Dat is begrijpelijk, want ik geloof niet dat dit rock is. Dat terzijde, dit is meer klassiek, met elektronische invloeden, maar dan op een manier die je, zoals enkelen hierboven al hebben beschreven, zelden ziet. En dat is een conclusie waar toch nog een beetje die hectische Japan-dingetjes naar voren komen. Ik krijg namelijk een sterk beeld van een hippe jonge Japanner die, gek van klassiek en barok, zelf een plaatje wil gaan maken en iets heel vernieuwend wil gaan doen: alles met de computer! Wat hem echter tegenvalt is dat die computer eigenlijk helemaal niet doet wat hij wil. Al die glitches en verschuivingen en rare trillinkjes krijgt hij er maar niet uit, hoezeer hij ook de juiste tonen aanslaat, en aan de draden en de instellingen en de elektriciteit sleutelt.
Zo na drie minuten van Stella lijkt hij grip op de zaak te krijgen, en als hij op 3:45 het even heel voorzichtig probeert schiet het ineens lekker door, om rond de 4:30 uiteindelijk wel succes te hebben. Toch met hier en daar wat foutjes, maar dat geeft dan weer niet. En dan is het ineens erg goede muziek; de pianonoten die gedragen worden door zwevende violen, dat is heerlijk. De chaos op de achtergrond blijft, maar Daisuke kenmerkt zich als een doorzetter. En dat wordt ook van de luisteraar verwacht, en hier komen we bij het punt waar ik faal. Want ik raak vermoeid, ik zoek naar hoogtepuntjes, ik wacht op hoogtepuntjes, maar ik vind ze niet. Wellicht na meerdere luisterbeurten, maar daarvoor moet je de hele cd uit zitten. En dat is nog niet aan mij besteedt. In de vriezer ermee dus, om later te herontdekken. Ik moest wel eens aan Aphex Twin denken bij Program Music I, maar ik denk dat Kashiwa Daisuke voor dit moment toch de Tommy Cooper van de muziekwereld is.
Het lijkt in niets op datgene wat ik associeer met Japanse (rock). Dat is begrijpelijk, want ik geloof niet dat dit rock is. Dat terzijde, dit is meer klassiek, met elektronische invloeden, maar dan op een manier die je, zoals enkelen hierboven al hebben beschreven, zelden ziet. En dat is een conclusie waar toch nog een beetje die hectische Japan-dingetjes naar voren komen. Ik krijg namelijk een sterk beeld van een hippe jonge Japanner die, gek van klassiek en barok, zelf een plaatje wil gaan maken en iets heel vernieuwend wil gaan doen: alles met de computer! Wat hem echter tegenvalt is dat die computer eigenlijk helemaal niet doet wat hij wil. Al die glitches en verschuivingen en rare trillinkjes krijgt hij er maar niet uit, hoezeer hij ook de juiste tonen aanslaat, en aan de draden en de instellingen en de elektriciteit sleutelt.
Zo na drie minuten van Stella lijkt hij grip op de zaak te krijgen, en als hij op 3:45 het even heel voorzichtig probeert schiet het ineens lekker door, om rond de 4:30 uiteindelijk wel succes te hebben. Toch met hier en daar wat foutjes, maar dat geeft dan weer niet. En dan is het ineens erg goede muziek; de pianonoten die gedragen worden door zwevende violen, dat is heerlijk. De chaos op de achtergrond blijft, maar Daisuke kenmerkt zich als een doorzetter. En dat wordt ook van de luisteraar verwacht, en hier komen we bij het punt waar ik faal. Want ik raak vermoeid, ik zoek naar hoogtepuntjes, ik wacht op hoogtepuntjes, maar ik vind ze niet. Wellicht na meerdere luisterbeurten, maar daarvoor moet je de hele cd uit zitten. En dat is nog niet aan mij besteedt. In de vriezer ermee dus, om later te herontdekken. Ik moest wel eens aan Aphex Twin denken bij Program Music I, maar ik denk dat Kashiwa Daisuke voor dit moment toch de Tommy Cooper van de muziekwereld is.
Kenji Kawai - Kôkaku Kidôtai (1995)
Alternatieve titel: Ghost in the Shell

4,5
0
geplaatst: 27 augustus 2007, 21:01 uur
Een uitmuntende soundtrack! Heel sfeervol, minimaal, en een perfecte begeleider van de film.
Making of a Cyborg bevat dat koortje dat je nog een aantal keer op de soundtrack terug zult vinden. Stemmig, hoewel het een beetje uit de toon valt van het geheel. Dat is geen nadeel overigens.
Ghosthack is behoorlijk minimaal, met hier en daar wat zachte ritmeslagen op de achtergrond als je heel goed luistert. Puppetmaster wat minder minimaal en heeft een sfeertje dat goed bij de uitstraling van de film past; ijskoude klanken alsof er op metaal wordt geslagen.
De montage in de film geeft me een gevoel van eenzaamheid, en de muziek bouwt hierop voort door heel klein te zijn, met ijskoude klanken, eerst dromerig, dan wat grootser (het koor), maar altijd subtiel en ingetogen.
Hoogtepunten zijn Virtual Crime, Nightstalker (is dat een Spaanse gitaar die ik hoor?), en Floating Museum. Jammer van het laatste nummer, See You Everyday (in mijn iTunes staat 'ie trouwens als To Be Or Not To Be :S). Dat ligt geheel uit de stijl van de film en soundtrack. Aan de andere kant, dat heeft dan ook wel weer wat. Neem een gezellig ouderwets plaatje, zet het onder een horrorfilm, en het is ineens luguber...
Making of a Cyborg bevat dat koortje dat je nog een aantal keer op de soundtrack terug zult vinden. Stemmig, hoewel het een beetje uit de toon valt van het geheel. Dat is geen nadeel overigens.
Ghosthack is behoorlijk minimaal, met hier en daar wat zachte ritmeslagen op de achtergrond als je heel goed luistert. Puppetmaster wat minder minimaal en heeft een sfeertje dat goed bij de uitstraling van de film past; ijskoude klanken alsof er op metaal wordt geslagen.
De montage in de film geeft me een gevoel van eenzaamheid, en de muziek bouwt hierop voort door heel klein te zijn, met ijskoude klanken, eerst dromerig, dan wat grootser (het koor), maar altijd subtiel en ingetogen.
Hoogtepunten zijn Virtual Crime, Nightstalker (is dat een Spaanse gitaar die ik hoor?), en Floating Museum. Jammer van het laatste nummer, See You Everyday (in mijn iTunes staat 'ie trouwens als To Be Or Not To Be :S). Dat ligt geheel uit de stijl van de film en soundtrack. Aan de andere kant, dat heeft dan ook wel weer wat. Neem een gezellig ouderwets plaatje, zet het onder een horrorfilm, en het is ineens luguber...
Kenji Kawai - Kôkaku Kidôtai 2: Inosensu (2004)
Alternatieve titel: Ghost in the Shell 2: Innocence

4,0
0
geplaatst: 19 oktober 2010, 00:55 uur
Toen ik een jaar of vijf geleden voor het eerst het vervolg zag op mijn toenmalig favoriete anime kreeg ik het gevoel dat het typisch een sequel was: visueel gedetailleerder, een nog minder te volgen verhaallijn en een soundtrack die met meer toeters en bellen op de oorspronkelijke soundtrack voortborduurt. Door de jaren heen ben ik dit anders gaan zien omdat ik mijn filmsmaak en mening over film in het algemeen aan het hervormen was, en op het moment dat ik hier definitief mijn weg in had gevonden besloot ik om de soundtrack een kans te geven als een op zichzelf staand iets.
Want Kawai's score voor Ghost in the Shell is de enige soundtrack die ik los van de film erg boeiend vind. Het vooroordeel dat de soundtrack voor Innocence zwakker zou zijn, was volledig uit de lucht gegrepen: Kawai slaagt er alweer in om een score af te leveren die ik los van de film kan luisteren en kan waarderen. Sterker nog: het koor in de The Ballad of the Puppets-trilogie vind ik mooier dan die op de vorige score. Niet alleen qua melodie, maar ook qua sfeer, timing en structuur. De meesterlijke vocalen klinken bijna koninklijk; dat in combinatie met de stevige drums die vol zelfvertrouwen extra kracht aan het koor geven en die lichte drone die af en toe de kop op steekt maken dit uiterst effectieve tracks. Fantastisch is ook het einde van The Ghost Awaits in the World Beyond; een herinnering aan het origineel dat perfect is getimed.
De twee jazzy liedjes zijn, zoals ik hierboven heb gelezen, een geforceerde truc om de score bij een groter publiek aan te prijzen. Desondanks vind ik het iets hebben, een absolute meerwaarde aan de toch al niet misselijke score. De sporadische, kille geluiden die ik van GitS kende zijn terug, maar niet in de interessante vorm die ik gewend was. Mijn inziens vallen de tracks Dungeon, Type 2052 "Hadaly" en Etorofu wat tegen. Of beter gezegd: ze worden wat overschaduwd door de rest.
Verder valt ook Attack the Wakabayashi op, als actietrack die ik niet op GiTS heb gehoord, en met een heerlijk vol geluid. Hoewel ik de kalme score van GitS prefereer boven de score van Innocence, ben ik tot de conclusie gekomen dat ik een meer aangeklede versie van de GitS-score niet als negatief ervaar. Eigenlijk ben ik gewoon ontzettend blij dat Kawai dit gedaan heeft. Voorlopig hou ik het op 4 sterren, die neigen naar 4,5. Binnenkort maar weer eens de film uit de kast pakken en me concentreren op de muziek.
Want Kawai's score voor Ghost in the Shell is de enige soundtrack die ik los van de film erg boeiend vind. Het vooroordeel dat de soundtrack voor Innocence zwakker zou zijn, was volledig uit de lucht gegrepen: Kawai slaagt er alweer in om een score af te leveren die ik los van de film kan luisteren en kan waarderen. Sterker nog: het koor in de The Ballad of the Puppets-trilogie vind ik mooier dan die op de vorige score. Niet alleen qua melodie, maar ook qua sfeer, timing en structuur. De meesterlijke vocalen klinken bijna koninklijk; dat in combinatie met de stevige drums die vol zelfvertrouwen extra kracht aan het koor geven en die lichte drone die af en toe de kop op steekt maken dit uiterst effectieve tracks. Fantastisch is ook het einde van The Ghost Awaits in the World Beyond; een herinnering aan het origineel dat perfect is getimed.
De twee jazzy liedjes zijn, zoals ik hierboven heb gelezen, een geforceerde truc om de score bij een groter publiek aan te prijzen. Desondanks vind ik het iets hebben, een absolute meerwaarde aan de toch al niet misselijke score. De sporadische, kille geluiden die ik van GitS kende zijn terug, maar niet in de interessante vorm die ik gewend was. Mijn inziens vallen de tracks Dungeon, Type 2052 "Hadaly" en Etorofu wat tegen. Of beter gezegd: ze worden wat overschaduwd door de rest.
Verder valt ook Attack the Wakabayashi op, als actietrack die ik niet op GiTS heb gehoord, en met een heerlijk vol geluid. Hoewel ik de kalme score van GitS prefereer boven de score van Innocence, ben ik tot de conclusie gekomen dat ik een meer aangeklede versie van de GitS-score niet als negatief ervaar. Eigenlijk ben ik gewoon ontzettend blij dat Kawai dit gedaan heeft. Voorlopig hou ik het op 4 sterren, die neigen naar 4,5. Binnenkort maar weer eens de film uit de kast pakken en me concentreren op de muziek.
King Crimson - In the Court of the Crimson King (1969)
Alternatieve titel: An Observation by King Crimson

4,5
0
geplaatst: 11 oktober 2008, 14:33 uur
In het kader van leert uw schoonfamilie begrijpen is er in huize Maiky het plan ontstaan om King Crimson maar eens compleet te beluisteren. Op gezinsbijeenkomsten, en zeker toen ik pas in de familie terecht kwam, schoten woorden te kort en werd er met superlatieven gestrooid om duidelijk te maken hoe geweldig ingenieus de muziek nu eigenlijk in elkaar stak. Kortom, King Crimson staat bij mijn schoonfamilie op een voetstuk, en om de dringende wens van mijn vriendin (en mij) om al die vreselijke gekopieerde rotcd's uit onze cd kast te donderen en ritueel te verbranden zijn we ons gaan verdiepen in het fenomeen King Crimson, en mijn gevoel om uit te vinden wat er nou zo briljant is aan (het latere werk van) King Crimson en of die lofuitingen uberhaupt terecht zijn.
En zo kan het dus zijn dat In the Court of the Crimson King sporadisch met de koptelefoon op wordt geluisterd en zodoende het eerste voor mij echt nieuwe album is sinds het samenwonen dat serieus en met kritisch oor wordt beluisterd. Eerdere momenten waarop King Crimson werd gedraaid gebeurde op een nogal hard volume, wat er mede aan bijdroeg dat alles nogal rommelig klonk. Nu ik vrijwillig en aandachtig aan het luisteren ben, merk ik hoe subtiel het eigenlijk is. Dat is niet met 21st Century Schizoid Man, dat rauw klinkt met die vervormde stem. Zoiets extraverts, daar blijven mijn emoties meestal bedaard onder, maar er hangt een dusdanig sfeertje in dat het opeens interessant is. Ik wil niet zeggen cartoonesk, hoewel hier en daar (4:52 - 5:00) wel die indruk gewekt (wil) worden, maar het hikt er tegenaan in combinatie met een jaren '50 maffia/Chicago/Al Capone sfeertje. Hoewel ik het ook weer niet jazzy wil noemen. Weet je wat? Ik noem het gewoon niets. Laat ik het bij suggesties houden. En het idee dat ik nu een vaag vermoeden heb waar Sigur Ros en Radiohead hun inspiratie op een enkel moment vandaan hebben gehaald.
I Talk to the Wind bevat ineens heldere zang plus een goede samenzang en kabbelt kalmpjes voort, als een warm bad dat je omsluit en een mooie blondine die je masseert in een kamer vol met goud/bruin/geel bloemetjesbehang. Want ja, er hangt toch een beetje een jaren '60 sfeertje. En hoor ik daar ook pre-echoes van Air, die op Moon Safari ook iets van zo'n mellotron gebruikt?
Epitaph heeft wederom een prachtige zang die in zekere zin breekbaar klinkt, droevig meer, en bevat ook het relatieve straight forward pad dat I Talk to the Wind van 21st Century Schizoid Man onderscheidt. Moonchild heeft een grootse opening die verpakt is in een heel subtiel jasje, die echter niet suggereert dat het na een kleine twee en een halve minuut overgaat in wat voor de een sfeerverhogend werkt, en voor de ander treuzelend quasi-intellectueel klinkt met al die psychedelische bliepjes en hier en daar wat verloren percussie en gitaarakkoorden. Dat lijkt meer op op een soundcheck voor de bombast van het titelnummer, dat boven alle voorgaande nummers - hoe goed ook - uitspringt dankzij de pakkende melodieen. Grote kans dat het inderdaad in je hoofd blijft hangen, en terecht, maar daar ben ik niet zo heel blij mee eigenlijk. Waar ik wel blij mee ben, is dat op 7:16 weer wat grappigs wordt gedaan dat Sigur Ros ook op het nummer Olsen Olsen hebben gedaan.
Dat soort verrassingkjes houden het leuk en spannend. Des te meer reden om dit album eens rustig te laten bezinken en op het juiste moment opwerken naar wat de beste periode van de Kings wordt genoemd; die van midden jaren '70. Tot die tijd even weer ergens anders op focussen, anders wordt het wat teveel van het goede.
En zo kan het dus zijn dat In the Court of the Crimson King sporadisch met de koptelefoon op wordt geluisterd en zodoende het eerste voor mij echt nieuwe album is sinds het samenwonen dat serieus en met kritisch oor wordt beluisterd. Eerdere momenten waarop King Crimson werd gedraaid gebeurde op een nogal hard volume, wat er mede aan bijdroeg dat alles nogal rommelig klonk. Nu ik vrijwillig en aandachtig aan het luisteren ben, merk ik hoe subtiel het eigenlijk is. Dat is niet met 21st Century Schizoid Man, dat rauw klinkt met die vervormde stem. Zoiets extraverts, daar blijven mijn emoties meestal bedaard onder, maar er hangt een dusdanig sfeertje in dat het opeens interessant is. Ik wil niet zeggen cartoonesk, hoewel hier en daar (4:52 - 5:00) wel die indruk gewekt (wil) worden, maar het hikt er tegenaan in combinatie met een jaren '50 maffia/Chicago/Al Capone sfeertje. Hoewel ik het ook weer niet jazzy wil noemen. Weet je wat? Ik noem het gewoon niets. Laat ik het bij suggesties houden. En het idee dat ik nu een vaag vermoeden heb waar Sigur Ros en Radiohead hun inspiratie op een enkel moment vandaan hebben gehaald.
I Talk to the Wind bevat ineens heldere zang plus een goede samenzang en kabbelt kalmpjes voort, als een warm bad dat je omsluit en een mooie blondine die je masseert in een kamer vol met goud/bruin/geel bloemetjesbehang. Want ja, er hangt toch een beetje een jaren '60 sfeertje. En hoor ik daar ook pre-echoes van Air, die op Moon Safari ook iets van zo'n mellotron gebruikt?
Epitaph heeft wederom een prachtige zang die in zekere zin breekbaar klinkt, droevig meer, en bevat ook het relatieve straight forward pad dat I Talk to the Wind van 21st Century Schizoid Man onderscheidt. Moonchild heeft een grootse opening die verpakt is in een heel subtiel jasje, die echter niet suggereert dat het na een kleine twee en een halve minuut overgaat in wat voor de een sfeerverhogend werkt, en voor de ander treuzelend quasi-intellectueel klinkt met al die psychedelische bliepjes en hier en daar wat verloren percussie en gitaarakkoorden. Dat lijkt meer op op een soundcheck voor de bombast van het titelnummer, dat boven alle voorgaande nummers - hoe goed ook - uitspringt dankzij de pakkende melodieen. Grote kans dat het inderdaad in je hoofd blijft hangen, en terecht, maar daar ben ik niet zo heel blij mee eigenlijk. Waar ik wel blij mee ben, is dat op 7:16 weer wat grappigs wordt gedaan dat Sigur Ros ook op het nummer Olsen Olsen hebben gedaan.
Dat soort verrassingkjes houden het leuk en spannend. Des te meer reden om dit album eens rustig te laten bezinken en op het juiste moment opwerken naar wat de beste periode van de Kings wordt genoemd; die van midden jaren '70. Tot die tijd even weer ergens anders op focussen, anders wordt het wat teveel van het goede.
King Crimson - Islands (1971)

4,0
0
geplaatst: 23 juli 2009, 21:24 uur
Verdorie. Na een enorm uitgebreide recensie slaagde internet erin mij uit te loggen van MusicMeter, zodoende het hele stukje over Islands weg te vagen in de schimmen der cyberspace. Een uur schrijfwerk en aandachtig luisteren naar de filistijnen geholpen. Maar bovenal: enkele mooie zinnen die ik niet meer op kan duikelen uit mijn geheugen voorgoed verdwenen. Laat ik het opnieuw proberen. Ditmaal in Word.
Mij zullen ze niet hebben.
De samenstelling van King Crimson ten tijden van Islands zal me een worst wezen, eerlijk gezegd. Dat is misschien opvallend te noemen, omdat het verdwijnen van een bandlid vaak een ander geluid met zich meebrengt. Nochtans kan ik mijn vinger daar nooit op leggen. Veranderingen in stijl verklaar ik altijd als een progressie die de band maakt; een ontwikkeling om alle hoeken van het muziekspectrum te ontdekken. Gewoon, omdat ze het kunnen.
Dit gezegd te hebben, zal ik niet verder uitweiden over wat mijn theorie is over de samenstelling van de band en hoe je dat terug hoort in Islands. Gewoon, omdat ik die niet heb. Wat ik wel heb, is een enorme interesse in de laatste twee nummers. Mijn voornemen om King Crimson in chronologische volgorde te luisteren heb ik op een zijspoor gezet. De opvolger van het debuut, In the Wake of Poseidon, werd om twee redenen niet aangeschaft, en dat zijn a) het voorbij komen van potentieel interessantere platen en b) wat onduidelijkheden bij het in bezit krijgen van de plaat bij wijze van cadeau. Hoewel de aanschaf door mijzelf nu hoog op de muzikale agenda staat, leg ik me neer bij Islands, die mijn aandacht wist te trekken tijdens het afspelen van de cd bij wijze van een achtergrondmuzieksessie.
Om die laatste twee nummers te begrijpen moet je de rest van de plaat ook gehoord hebben, om ze in perspectief te zetten. In die regel ligt het feit dat juist de voorgaande nummers de kwaliteit en mijn interesse in die nummers versterkt. Het voortkabbelende Formentera Lady is een prima start, met een doorgedraaide saxofoon die de jazzy sfeer erin drukt; het kabbelende ritme geeft een onderhuidse spanning met zich mee, alsof het naar een climax toewerkt. Een climax die niet komt, of tenminste, niet geheel bevredigend is. De gezellig klinkende violen die opkomen tegen het einde van het nummer geven het geheel een gevoel van kroegkameraadschap. Heel vreemd.
Sailor’s Tale begint als een onbeduidend stukje jazz, compleet met een overstuurde viool. Ik ben blij als dat rond de twee en een halve minuut is afgelopen. Die scherpe gitaar is leuk, tezamen met die lichte violen op de achtergrond. Heel leuk gedaan. Jammer als de jazz weer het nummer binnendringt, maar de zware blazer op 4:30 laat alles op z’n plek vallen. Ineens klopt het allemaal, krijgt het nummer de snelheid waar ik op aan het wachten was. Alsof je met een speedboot tussen eilanden vliegt en je met een rotvaart op een rotspartij afstevent, om alvorens met pruttelende, kabbelende motor en piepende propellers tot stilstand te komen. Het enige dat je dan nog hoort is de onheilspellende waas van schrik; de zware blazers die me even doen denken aan het gerommel van Lustmord.
The Letters begint veelbelovend, en het lijkt erop dat de jazzelementen – waar ik, zoals nu wel duidelijk zal zijn, geen fan van ben in deze vorm – verdwenen zijn. Maar toch, op 1:15 dringen die stomme zware blazers weer bruut het nummer in en is het gedaan met de rust. Zal allemaal wel onder het kopje experimenteel of kunstzinnig vallen, daar valt mee te leven. Dacht ik het eindelijk gehad te hebben, kromt de dramatische kreet “Impaled on nails of ice!” mijn tenen en schrik ik weer even wakker. Na jazz nu ook nog heavy metal invloeden, zo lijkt het wel. Niet my cup of tea. Ladies of the Road dan weer wel. Op een of andere manier doet dit nummer me denken aan het werk van The Beatles. God, waar ken ik dit toch van? Dit komt me heel bekend voor. Of klinkt dit nergens naar, en is dit gewoon de pure King Crimson? Mocht dat zo zijn, bravo: dit klinkt tijdloos en memorabel!
Voor het grootste gedeelte weet Islands me niet te overtuigen. Hoewel de melodieën prima zijn, en het slechts af en toe wat vlak en nietszeggend schijnt, weten sommige momenten je uit een droom te helpen waar je het liefst in had willen blijven. Zo niet bij het drieluk Prelude/Song of the Gulls en het titelnummer, waar ik met het schrijven mee begon. Ineens wordt alles overboord gegooid; Prelude/Song of the Gulls is je reinste klassieke muziek. En wat voor iets: sprookjesachtig, bijna Middeleeuws inderdaad. Als iets totaal anders is dan het voorgaande, dan ben ik geïnteresseerd. Ik verwerp de jazz en geef me over aan de pracht en praal die het einde te bieden heeft. Nummer vijf zet me op de felbegeerde wolk, en Islands laat me naar boven zweven. Prachtige teksten (“Gaunt granite climbs where gulls wheel and glide/Mournfully glide o'er my island/My dawn bride's veil, damp and pale/Dissolves in the sun.”) – let vooral op de “…o’er…” – en dan het refrein; “Beneath the wind turned wave/Infinite peace/Islands join hands/'Neathe heaven’s sea...” Kalm en langzaam gezongen met een bijna spirituele, religieuze inslag. Fantastisch. En dan die saxofoon. Ja, zelfs die troostende saxofoon kan dit niet meer verknallen. Alsof alles gedoemd is, en je uiteindelijk toch maar bij de pakken neer moet gaan zitten. Die saxofoon verteld je wel dat alles goed is. De tweede keer dat het refrein gezongen wordt is hemels. “Infinite peace…” Zeker weten! Vanaf 3:56, als de violen in de verte op komen zetten, is er een rust in aantocht die op omstreeks 5:20 definitief bezit van me neemt en me pas aan het einde los laat. Bij het derde refrein zweef ik op mijn kleine roze wolkje weg, naar boven, en boven, en boven. “Infinite peace…” Zucht…
En dan besef ik me opeens iets dat ik in mijn vorige versie van mijn recensie over het hoofd heb gezien. Zouden die laatste twee nummers dezelfde impact hebben als de rest van de cd ook zo goed zou zijn? Hoewel ik zeker niet wil beweren dat dit slecht is; de songteksten springen er bovenuit. Poëtisch veel te ver doorgedreven hindert me niet; het hoeft niets te betekenen voor mij. Zet een hoop mooie woorden achter elkaar, brouw er mooie zinnen mee, en je hebt me betoverd.
Maar nu ben ik dat even niet. Na drie keer het album achter elkaar gehoord te hebben, om er aandachtig naar te luisteren en er iets over te schrijven, heb ik het even gehad met roze wolkjes en sprookjes. Hopelijk heb ik toch nog een beetje succes met deze tweede schrijfpoging.
Mij zullen ze niet hebben.
De samenstelling van King Crimson ten tijden van Islands zal me een worst wezen, eerlijk gezegd. Dat is misschien opvallend te noemen, omdat het verdwijnen van een bandlid vaak een ander geluid met zich meebrengt. Nochtans kan ik mijn vinger daar nooit op leggen. Veranderingen in stijl verklaar ik altijd als een progressie die de band maakt; een ontwikkeling om alle hoeken van het muziekspectrum te ontdekken. Gewoon, omdat ze het kunnen.
Dit gezegd te hebben, zal ik niet verder uitweiden over wat mijn theorie is over de samenstelling van de band en hoe je dat terug hoort in Islands. Gewoon, omdat ik die niet heb. Wat ik wel heb, is een enorme interesse in de laatste twee nummers. Mijn voornemen om King Crimson in chronologische volgorde te luisteren heb ik op een zijspoor gezet. De opvolger van het debuut, In the Wake of Poseidon, werd om twee redenen niet aangeschaft, en dat zijn a) het voorbij komen van potentieel interessantere platen en b) wat onduidelijkheden bij het in bezit krijgen van de plaat bij wijze van cadeau. Hoewel de aanschaf door mijzelf nu hoog op de muzikale agenda staat, leg ik me neer bij Islands, die mijn aandacht wist te trekken tijdens het afspelen van de cd bij wijze van een achtergrondmuzieksessie.
Om die laatste twee nummers te begrijpen moet je de rest van de plaat ook gehoord hebben, om ze in perspectief te zetten. In die regel ligt het feit dat juist de voorgaande nummers de kwaliteit en mijn interesse in die nummers versterkt. Het voortkabbelende Formentera Lady is een prima start, met een doorgedraaide saxofoon die de jazzy sfeer erin drukt; het kabbelende ritme geeft een onderhuidse spanning met zich mee, alsof het naar een climax toewerkt. Een climax die niet komt, of tenminste, niet geheel bevredigend is. De gezellig klinkende violen die opkomen tegen het einde van het nummer geven het geheel een gevoel van kroegkameraadschap. Heel vreemd.
Sailor’s Tale begint als een onbeduidend stukje jazz, compleet met een overstuurde viool. Ik ben blij als dat rond de twee en een halve minuut is afgelopen. Die scherpe gitaar is leuk, tezamen met die lichte violen op de achtergrond. Heel leuk gedaan. Jammer als de jazz weer het nummer binnendringt, maar de zware blazer op 4:30 laat alles op z’n plek vallen. Ineens klopt het allemaal, krijgt het nummer de snelheid waar ik op aan het wachten was. Alsof je met een speedboot tussen eilanden vliegt en je met een rotvaart op een rotspartij afstevent, om alvorens met pruttelende, kabbelende motor en piepende propellers tot stilstand te komen. Het enige dat je dan nog hoort is de onheilspellende waas van schrik; de zware blazers die me even doen denken aan het gerommel van Lustmord.
The Letters begint veelbelovend, en het lijkt erop dat de jazzelementen – waar ik, zoals nu wel duidelijk zal zijn, geen fan van ben in deze vorm – verdwenen zijn. Maar toch, op 1:15 dringen die stomme zware blazers weer bruut het nummer in en is het gedaan met de rust. Zal allemaal wel onder het kopje experimenteel of kunstzinnig vallen, daar valt mee te leven. Dacht ik het eindelijk gehad te hebben, kromt de dramatische kreet “Impaled on nails of ice!” mijn tenen en schrik ik weer even wakker. Na jazz nu ook nog heavy metal invloeden, zo lijkt het wel. Niet my cup of tea. Ladies of the Road dan weer wel. Op een of andere manier doet dit nummer me denken aan het werk van The Beatles. God, waar ken ik dit toch van? Dit komt me heel bekend voor. Of klinkt dit nergens naar, en is dit gewoon de pure King Crimson? Mocht dat zo zijn, bravo: dit klinkt tijdloos en memorabel!
Voor het grootste gedeelte weet Islands me niet te overtuigen. Hoewel de melodieën prima zijn, en het slechts af en toe wat vlak en nietszeggend schijnt, weten sommige momenten je uit een droom te helpen waar je het liefst in had willen blijven. Zo niet bij het drieluk Prelude/Song of the Gulls en het titelnummer, waar ik met het schrijven mee begon. Ineens wordt alles overboord gegooid; Prelude/Song of the Gulls is je reinste klassieke muziek. En wat voor iets: sprookjesachtig, bijna Middeleeuws inderdaad. Als iets totaal anders is dan het voorgaande, dan ben ik geïnteresseerd. Ik verwerp de jazz en geef me over aan de pracht en praal die het einde te bieden heeft. Nummer vijf zet me op de felbegeerde wolk, en Islands laat me naar boven zweven. Prachtige teksten (“Gaunt granite climbs where gulls wheel and glide/Mournfully glide o'er my island/My dawn bride's veil, damp and pale/Dissolves in the sun.”) – let vooral op de “…o’er…” – en dan het refrein; “Beneath the wind turned wave/Infinite peace/Islands join hands/'Neathe heaven’s sea...” Kalm en langzaam gezongen met een bijna spirituele, religieuze inslag. Fantastisch. En dan die saxofoon. Ja, zelfs die troostende saxofoon kan dit niet meer verknallen. Alsof alles gedoemd is, en je uiteindelijk toch maar bij de pakken neer moet gaan zitten. Die saxofoon verteld je wel dat alles goed is. De tweede keer dat het refrein gezongen wordt is hemels. “Infinite peace…” Zeker weten! Vanaf 3:56, als de violen in de verte op komen zetten, is er een rust in aantocht die op omstreeks 5:20 definitief bezit van me neemt en me pas aan het einde los laat. Bij het derde refrein zweef ik op mijn kleine roze wolkje weg, naar boven, en boven, en boven. “Infinite peace…” Zucht…
En dan besef ik me opeens iets dat ik in mijn vorige versie van mijn recensie over het hoofd heb gezien. Zouden die laatste twee nummers dezelfde impact hebben als de rest van de cd ook zo goed zou zijn? Hoewel ik zeker niet wil beweren dat dit slecht is; de songteksten springen er bovenuit. Poëtisch veel te ver doorgedreven hindert me niet; het hoeft niets te betekenen voor mij. Zet een hoop mooie woorden achter elkaar, brouw er mooie zinnen mee, en je hebt me betoverd.
Maar nu ben ik dat even niet. Na drie keer het album achter elkaar gehoord te hebben, om er aandachtig naar te luisteren en er iets over te schrijven, heb ik het even gehad met roze wolkjes en sprookjes. Hopelijk heb ik toch nog een beetje succes met deze tweede schrijfpoging.
