Hier kun je zien welke berichten Maiky als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Radical Face - Ghost (2007)

4,5
0
geplaatst: 7 februari 2011, 16:31 uur
Als ik goede muziek ontdek, vraag ik me wel eens af hoe het komt dat ik juist op dat ene album ben gestuit. Is dat toeval of is dat het lot? Normaliter lees ik mij intensief in voordat ik aan een album begin – Sigur Rós uitgezonderd. Maar Ghost schafte ik aan naar aanleiding van een positieve recensie in OOR. Via iTunes en later op LP; en ik heb er geen minuut spijt van gehad.
Bij Ghost vraag ik me meer dan ooit af of toeval of lot in het spel was. Het genre folk ligt mij namelijk niet zo heel erg. En het ingetogen positieve stukje in de OOR was er een zoals zovelen; korte recensies die overwegend positief zijn. Maar onder het mom ‘ik doe eens lekker gek’ probeerde ik ‘m uit en liet me verrassen. En werkelijk, het duurde niet lang voordat Ghost mijn top 10 sierde.
Radical Face is een project van Ben Cooper, die naam maakte met de groep Electric President. Onder de naam Radical Face bracht hij in 2007 het album Ghost uit, een fijne verzameling van folkliedjes met een snufje elektronica. Het klinkt ambitieus, maar dat is het allesbehalve, maar Ghost is een conceptalbum. Het gaat niet direct over geesten, maar over de vele verhalen die een oud huis zoal kan vertellen. Ieder liedje vertelt een verhaal, vaak vertelt vanuit het perspectief van een huis, maar ook vanuit het perspectief van spoken. De sfeer is er echter niet naar; die is romantisch, nostalgisch, melancholisch en bijna gezellig te noemen. Als je niet op de teksten let komt dat enkel en alleen naar voren via het sporadisch gebruik van geluidseffecten van onder anderen krakende vloeren en wind. De plaat ademt herfst en oude huizen uit. Ik moet vaak denken aan het huis uit Gilliam’s Tideland – die muziek lijkt voor dat huis en zijn omgeving geschreven te zijn.
Wat me zo aanspreekt aan dit album is de sfeer. Het idee dat Ben Cooper dit album op heeft genomen in zijn eigen studio, thuis in een schuurtje, en bovendien helemaal alleen, komt op een of andere manier goed naar voren. Cooper is verre van een goede zanger; zijn krakerige stem kan sommige noten niet halen, en ik ben ontzettend blij dat dit zo is. Het heeft gewoon iets, iets rauws, maar ook iets toegankelijk en menselijk. De sfeer wordt ook versterkt door het prachtige artwork; Ghost is een herfstplaat pur sang.
Waar Cooper echter ook in uitblinkt zijn, zoals OOR het al stelde, gouden melodieën. Bijna ieder liedje heeft wel iets interessants, op het gebied van melodie en opbouw. Het instrumentale Asleep On a Train bevat verdwaalde pianoklanken, krakende vloeren en een lichte bedrijvigheid op de achtergrond, met die weeïge harmonica die over de golven van de nostalgie zweeft. Welcome Home, Son zal je wellicht afgelopen zomer in een reclame van Nikon voorbij hebben horen komen. Een heel aardig liedje met een mooie opklaring op 2:47. Let the River In is van een mysterieuze schoonheid; de melodie is bij vlagen erg mooi, bijna aandoenlijk. De zang van Cooper is bovendien troostend en zacht. Glory is het eerste echte pareltje van de plaat. Een ritme waar spooksoldaten in de houding marcheren en een melodie fluiten; ze lijken zo uit de Burgeroorlog onze tijd binnen gemarcheerd te zijn. Heel mooi ook hoe de piano speels met het gefluit meevliegt. Is die piano misschien een klein jongetje dat vol ontzag met de marcherende soldaten mee rent? Op 4:02 breekt het nummer helemaal open; met een gevoel van ongelooflijke vrijheid en kalmte.
The Strangest Thing is weeral een mooi liedje, dat opgevolgd wordt door het knusse Wrapped In Piano Strings. De gitaarintro past perfect in een feelgoodfilm, hoewel de tekst anders suggereert. Along the Road is werkelijk het hoogtepunt van de plaat; hier raakt Cooper een diepere laag. De zang heeft, onder het gekraak van een eeuwenoud huis, iets verontrustends; tegelijkertijd heeft het iets berustend. Op 1:51 komt, na de lang uitgesponnen intro, heel fijn percussiewerk met een wat dwalende piano. Maar wat is die piano mooi: die prachtige nuance die wordt gemaakt vanaf 2:20 is subliem. Vanaf 2:33 komt de zang weer in en wat is dat een mooie ontwikkeling. Ik wil het niet euforisch noemen, maar ik krijg sterk het idee dat ik me geen zorgen meer hoef te maken.
Haunted is een rustpunt voordat de storm begint. Winter Is Coming is van een opvallende schoonheid. Opvallend, omdat ik vaak niet te porren ben voor uptempo folknummers. Maar dit werkt uitermate goed. Het ritme is stuwend, de zang staat onder druk en er dreigt iets. De storm die je eventjes op 1:17 en 1:25 hoort heeft iets… stormachtigs. Of zoiets. Een hele mooie ontwikkeling op 3:45, een gemoedelijke, troostende en uiteindelijk comfortabele en geborgen conclusie eindigt dit uptempo pareltje. Ghost eindigt met een relatieve dip. Sleepwalking en het uitgeklede Homesick zijn over het algemeen prima liedjes die echter niet opgewassen zijn tegen de pracht van de voorgaande nummers. In zekere zin is Homesick een perfecte afsluiter, de conclusie is wat mij betreft duidelijk.
Ghost kon me niet direct interesseren. Ik had bijvoorbeeld wat tijd nodig om Winter Is Coming helemaal te doorgronden, maar het was het allemaal waard. Ghost heeft het allemaal: een heerlijke nostalgische sfeer en mooie melodieën. Een min of meer ontoegankelijk album dat absoluut de moeite van het luisteren waard is. Als ik dit hoor zou ik niets liever willen dan in een alleenstaand huis wonen, midden in een goudkleurig korenveld, zittend op de veranda in een schommelstoel. Het is bovendien vrij uniek dat een folkplaat mij zo kon boeien. Gaat dat horen!
Bij Ghost vraag ik me meer dan ooit af of toeval of lot in het spel was. Het genre folk ligt mij namelijk niet zo heel erg. En het ingetogen positieve stukje in de OOR was er een zoals zovelen; korte recensies die overwegend positief zijn. Maar onder het mom ‘ik doe eens lekker gek’ probeerde ik ‘m uit en liet me verrassen. En werkelijk, het duurde niet lang voordat Ghost mijn top 10 sierde.
Radical Face is een project van Ben Cooper, die naam maakte met de groep Electric President. Onder de naam Radical Face bracht hij in 2007 het album Ghost uit, een fijne verzameling van folkliedjes met een snufje elektronica. Het klinkt ambitieus, maar dat is het allesbehalve, maar Ghost is een conceptalbum. Het gaat niet direct over geesten, maar over de vele verhalen die een oud huis zoal kan vertellen. Ieder liedje vertelt een verhaal, vaak vertelt vanuit het perspectief van een huis, maar ook vanuit het perspectief van spoken. De sfeer is er echter niet naar; die is romantisch, nostalgisch, melancholisch en bijna gezellig te noemen. Als je niet op de teksten let komt dat enkel en alleen naar voren via het sporadisch gebruik van geluidseffecten van onder anderen krakende vloeren en wind. De plaat ademt herfst en oude huizen uit. Ik moet vaak denken aan het huis uit Gilliam’s Tideland – die muziek lijkt voor dat huis en zijn omgeving geschreven te zijn.
Wat me zo aanspreekt aan dit album is de sfeer. Het idee dat Ben Cooper dit album op heeft genomen in zijn eigen studio, thuis in een schuurtje, en bovendien helemaal alleen, komt op een of andere manier goed naar voren. Cooper is verre van een goede zanger; zijn krakerige stem kan sommige noten niet halen, en ik ben ontzettend blij dat dit zo is. Het heeft gewoon iets, iets rauws, maar ook iets toegankelijk en menselijk. De sfeer wordt ook versterkt door het prachtige artwork; Ghost is een herfstplaat pur sang.
Waar Cooper echter ook in uitblinkt zijn, zoals OOR het al stelde, gouden melodieën. Bijna ieder liedje heeft wel iets interessants, op het gebied van melodie en opbouw. Het instrumentale Asleep On a Train bevat verdwaalde pianoklanken, krakende vloeren en een lichte bedrijvigheid op de achtergrond, met die weeïge harmonica die over de golven van de nostalgie zweeft. Welcome Home, Son zal je wellicht afgelopen zomer in een reclame van Nikon voorbij hebben horen komen. Een heel aardig liedje met een mooie opklaring op 2:47. Let the River In is van een mysterieuze schoonheid; de melodie is bij vlagen erg mooi, bijna aandoenlijk. De zang van Cooper is bovendien troostend en zacht. Glory is het eerste echte pareltje van de plaat. Een ritme waar spooksoldaten in de houding marcheren en een melodie fluiten; ze lijken zo uit de Burgeroorlog onze tijd binnen gemarcheerd te zijn. Heel mooi ook hoe de piano speels met het gefluit meevliegt. Is die piano misschien een klein jongetje dat vol ontzag met de marcherende soldaten mee rent? Op 4:02 breekt het nummer helemaal open; met een gevoel van ongelooflijke vrijheid en kalmte.
The Strangest Thing is weeral een mooi liedje, dat opgevolgd wordt door het knusse Wrapped In Piano Strings. De gitaarintro past perfect in een feelgoodfilm, hoewel de tekst anders suggereert. Along the Road is werkelijk het hoogtepunt van de plaat; hier raakt Cooper een diepere laag. De zang heeft, onder het gekraak van een eeuwenoud huis, iets verontrustends; tegelijkertijd heeft het iets berustend. Op 1:51 komt, na de lang uitgesponnen intro, heel fijn percussiewerk met een wat dwalende piano. Maar wat is die piano mooi: die prachtige nuance die wordt gemaakt vanaf 2:20 is subliem. Vanaf 2:33 komt de zang weer in en wat is dat een mooie ontwikkeling. Ik wil het niet euforisch noemen, maar ik krijg sterk het idee dat ik me geen zorgen meer hoef te maken.
Haunted is een rustpunt voordat de storm begint. Winter Is Coming is van een opvallende schoonheid. Opvallend, omdat ik vaak niet te porren ben voor uptempo folknummers. Maar dit werkt uitermate goed. Het ritme is stuwend, de zang staat onder druk en er dreigt iets. De storm die je eventjes op 1:17 en 1:25 hoort heeft iets… stormachtigs. Of zoiets. Een hele mooie ontwikkeling op 3:45, een gemoedelijke, troostende en uiteindelijk comfortabele en geborgen conclusie eindigt dit uptempo pareltje. Ghost eindigt met een relatieve dip. Sleepwalking en het uitgeklede Homesick zijn over het algemeen prima liedjes die echter niet opgewassen zijn tegen de pracht van de voorgaande nummers. In zekere zin is Homesick een perfecte afsluiter, de conclusie is wat mij betreft duidelijk.
Ghost kon me niet direct interesseren. Ik had bijvoorbeeld wat tijd nodig om Winter Is Coming helemaal te doorgronden, maar het was het allemaal waard. Ghost heeft het allemaal: een heerlijke nostalgische sfeer en mooie melodieën. Een min of meer ontoegankelijk album dat absoluut de moeite van het luisteren waard is. Als ik dit hoor zou ik niets liever willen dan in een alleenstaand huis wonen, midden in een goudkleurig korenveld, zittend op de veranda in een schommelstoel. Het is bovendien vrij uniek dat een folkplaat mij zo kon boeien. Gaat dat horen!
Radical Face - The Family Tree: The Roots (2011)
Alternatieve titel: The Roots

4,0
0
geplaatst: 5 maart 2012, 20:30 uur
Toen ik de eerste noten van The Roots hoorde, wist ik het zeker. En ik bleef daarbij, als een kind dat zijn vingers in zijn oren stopt en heel hard "lalalalala ik hoor je niet!" roept. Die ontkenningsfase was er natuurlijk niet zomaar. De dichtheid aan sfeer en geslaagde melodieën op Ghost was namelijk zeer uitzonderlijk. Niet slecht, want op basis van de korte recensie in OOR probeerde ik 'm uit en groeide uiteindelijk uit tot een persoonlijke favoriet. En toen daar opvolger The Roots was, ging ik er maar lauwtjes mee om. Radical Face doet zijn ding, dat ik allemaal al gehoord heb op Ghost en dat is dat.
Natuurlijk voel je al aan dat ik toch heb toegegeven aan dit album. (Een blik op mijn beoordeling lijkt me ook duidelijk.) Want Radical Face doet precies wat 'ie op Ghost ook deed, en ik wil het eigenlijk ook niet anders. Cooper is toch een klasse apart. Met een stem die weliswaar geen talentenjacht zal winnen - en laat dáár nou juist de charme in zitten. Naturel, op een bijna vertellende manier - ik heb nooit echt het idee dat hij zingt. Een herkenbaar stemgeluid, een beetje afstandelijk maar heel, héél erg vertrouwd. Opmerkelijk en moeilijk onder woorden te brengen.
De sound van Radical Face deed me op Ghost denken aan weidse, oranje/geel gekleurde Amerikaanse landschappen, met hoog gras, tarwe en een oud, groot huis die zomaar willekeurig ergens in de leegte is neergezet. Een Tideland-achtige omgeving. Het gejaagde van Ghost hoor ik ook weer terug op The Roots, met een sterk nostalgisch tintje. Die snelle piano is nadrukkelijk aanwezig, evenals die dwingende percussie en de oeh's en aah's. De herfstige piano op Severus and Stone, bijgestaan door die statige dum-dumdum, die meeslepende melodielijnen, de twijfelende gezelligheid van Ghost Towns, het trage Kins en het eenvoudige, knusse The Moon Is Down: ik kan er allemaal wat mee. Ghost was dus geen toevalstreffer. Cooper mag wat mij betreft definitief doorgaan met dit soort pareltjes.
Natuurlijk voel je al aan dat ik toch heb toegegeven aan dit album. (Een blik op mijn beoordeling lijkt me ook duidelijk.) Want Radical Face doet precies wat 'ie op Ghost ook deed, en ik wil het eigenlijk ook niet anders. Cooper is toch een klasse apart. Met een stem die weliswaar geen talentenjacht zal winnen - en laat dáár nou juist de charme in zitten. Naturel, op een bijna vertellende manier - ik heb nooit echt het idee dat hij zingt. Een herkenbaar stemgeluid, een beetje afstandelijk maar heel, héél erg vertrouwd. Opmerkelijk en moeilijk onder woorden te brengen.
De sound van Radical Face deed me op Ghost denken aan weidse, oranje/geel gekleurde Amerikaanse landschappen, met hoog gras, tarwe en een oud, groot huis die zomaar willekeurig ergens in de leegte is neergezet. Een Tideland-achtige omgeving. Het gejaagde van Ghost hoor ik ook weer terug op The Roots, met een sterk nostalgisch tintje. Die snelle piano is nadrukkelijk aanwezig, evenals die dwingende percussie en de oeh's en aah's. De herfstige piano op Severus and Stone, bijgestaan door die statige dum-dumdum, die meeslepende melodielijnen, de twijfelende gezelligheid van Ghost Towns, het trage Kins en het eenvoudige, knusse The Moon Is Down: ik kan er allemaal wat mee. Ghost was dus geen toevalstreffer. Cooper mag wat mij betreft definitief doorgaan met dit soort pareltjes.
Radiohead - In Rainbows (2007)

4,0
0
geplaatst: 7 maart 2008, 23:01 uur
Toen ik In Rainbows wilde opzetten, zei ik tegen mijn vriendin bij voorbaat al dat dit "rare muziek" is. Na een nummer of twee beaamde ze dat.
In Rainbows is een stap vooruit op Hail to the Thief, in die zin dat ik hier het gevoel krijg met een geheel te maken te hebben in plaats van het allegaartje dat zijn voorganger is. 15 Step doet echter nog niet echt wat ik verlang. Buiten de wat buitenaards ogende effecten vind ik vooral de begintoon, die het hele nummer aanhoudt, erg onrustig, maar tegelijkertijd ook van een dergelijk extraverte soort dat het me vooral niets zegt.
Ook Bodysnatchers heeft een wat dubbele kant. Op het begin van het kan ik het niet verhelpen dat ik een groep compleet achterlijke mannen voor me zie die uitbundig hun instrumenten bespelen. Gekkenhuismuziek. Kan leuk zijn, maar in dit geval slaat Yorke voor mijn gevoel compleet de plank mis. Zijn vreselijke zang op het begin voelt geforceerd, geimproviseerd, maar ook opstandig, alsof het hem werkelijk niets kan schelen. Opzichtig kwajongensgedrag dat ik even vergeet als het nummer halverwege een heel aardige wending neemt. Yorke's laatste kreten laten vooral wanhoop en paniek horen, en hiermee lijkt er een verhaal te beginnen.
In Rainbows wordt pas echt interessant bij Nude, die een welhaast psychedelische indruk op me maakt. Ik moet hier en daar aan Kid A denken, wat op zich een goed teken is. Hier lijkt het alsof Yorke ergens vrede heeft gevonden, alsof hij de paniek die hij in het vorige nummer ervoer naast zich heeft gelegd. Bovenal hoor ik verwondering; en ook nog eens een prima uithaal die me nog weet te raken ook. Wellicht de Sail to the Moon van In Rainbows, maar dan in een wat ruwere versie.
Weird Fishes begint volledig oninteressant, met die irritante, afstandelijke, nietszeggende drumcomputer. Het wordt na enkele seconden echter wel interessant als de gitaar erbij wordt gehaald. Met een mooie opbouw en een goede snelheid lijkt In Rainbows hier pas echt te gaan leven. Halverwege lijk je te worden ondergedompeld in Yorke's geneuzel; je wordt echter uit zijn droomwereld gehaald door een plotseling gekomen moment van helderheid. Jammer, ik had graag even verder in die bedompte stroom gezeten. Dat dit echter een onvermijdelijke keuze is, blijkt uit het feit dat dit moment van helderheid uitgroeit tot een bijzonder serieuze herintreding van Yorke's sombere wereldje. Weer komt die wanhoop voorbij in die zware storm, maar ik voel tevens een uitermate sombere conclusie, waar ik graag in mee ga.
All I Need valt vooral op door de verre van subtiele, volle pianoklanken die het einde van het nummer sieren. Faust Arp is een fijne adempauze, waarin Yorke je iets probeert op te dringen door een vrij monotone woordenstroom voor te schotelen. Na het goede Reckoner komen er wat nummers die wat minder impact hebben dan hun voorgangers. Conclusie is hoe dan ook dat deze plaat mij weer in Radiohead heeft doen geloven na de zo-zo platen Amnesiac en Hail to the Thief. Het houdt het midden tussen elektronica en gitaarwerk, afgewisseld met effectief pianospel en momenten waarbij ik soms een beetje aan de fragmenten achterstevoren gedraaide stemkunsten van Sigur Ros (Nude) moet denken. De momenten waarop Yorke op zijn depressiefst is zijn de interessantste momenten van de plaat, en die worden vooral op Weird Fishes aangenaam intens. (Dat hadden ze wat mij betreft ook erg lang mogen uitspannen, maar daar is Radiohead er de band niet voor wellicht.) Een geheel eigen geluid, dat mag worden beloond met vier sterren.
In Rainbows is een stap vooruit op Hail to the Thief, in die zin dat ik hier het gevoel krijg met een geheel te maken te hebben in plaats van het allegaartje dat zijn voorganger is. 15 Step doet echter nog niet echt wat ik verlang. Buiten de wat buitenaards ogende effecten vind ik vooral de begintoon, die het hele nummer aanhoudt, erg onrustig, maar tegelijkertijd ook van een dergelijk extraverte soort dat het me vooral niets zegt.
Ook Bodysnatchers heeft een wat dubbele kant. Op het begin van het kan ik het niet verhelpen dat ik een groep compleet achterlijke mannen voor me zie die uitbundig hun instrumenten bespelen. Gekkenhuismuziek. Kan leuk zijn, maar in dit geval slaat Yorke voor mijn gevoel compleet de plank mis. Zijn vreselijke zang op het begin voelt geforceerd, geimproviseerd, maar ook opstandig, alsof het hem werkelijk niets kan schelen. Opzichtig kwajongensgedrag dat ik even vergeet als het nummer halverwege een heel aardige wending neemt. Yorke's laatste kreten laten vooral wanhoop en paniek horen, en hiermee lijkt er een verhaal te beginnen.
In Rainbows wordt pas echt interessant bij Nude, die een welhaast psychedelische indruk op me maakt. Ik moet hier en daar aan Kid A denken, wat op zich een goed teken is. Hier lijkt het alsof Yorke ergens vrede heeft gevonden, alsof hij de paniek die hij in het vorige nummer ervoer naast zich heeft gelegd. Bovenal hoor ik verwondering; en ook nog eens een prima uithaal die me nog weet te raken ook. Wellicht de Sail to the Moon van In Rainbows, maar dan in een wat ruwere versie.
Weird Fishes begint volledig oninteressant, met die irritante, afstandelijke, nietszeggende drumcomputer. Het wordt na enkele seconden echter wel interessant als de gitaar erbij wordt gehaald. Met een mooie opbouw en een goede snelheid lijkt In Rainbows hier pas echt te gaan leven. Halverwege lijk je te worden ondergedompeld in Yorke's geneuzel; je wordt echter uit zijn droomwereld gehaald door een plotseling gekomen moment van helderheid. Jammer, ik had graag even verder in die bedompte stroom gezeten. Dat dit echter een onvermijdelijke keuze is, blijkt uit het feit dat dit moment van helderheid uitgroeit tot een bijzonder serieuze herintreding van Yorke's sombere wereldje. Weer komt die wanhoop voorbij in die zware storm, maar ik voel tevens een uitermate sombere conclusie, waar ik graag in mee ga.
All I Need valt vooral op door de verre van subtiele, volle pianoklanken die het einde van het nummer sieren. Faust Arp is een fijne adempauze, waarin Yorke je iets probeert op te dringen door een vrij monotone woordenstroom voor te schotelen. Na het goede Reckoner komen er wat nummers die wat minder impact hebben dan hun voorgangers. Conclusie is hoe dan ook dat deze plaat mij weer in Radiohead heeft doen geloven na de zo-zo platen Amnesiac en Hail to the Thief. Het houdt het midden tussen elektronica en gitaarwerk, afgewisseld met effectief pianospel en momenten waarbij ik soms een beetje aan de fragmenten achterstevoren gedraaide stemkunsten van Sigur Ros (Nude) moet denken. De momenten waarop Yorke op zijn depressiefst is zijn de interessantste momenten van de plaat, en die worden vooral op Weird Fishes aangenaam intens. (Dat hadden ze wat mij betreft ook erg lang mogen uitspannen, maar daar is Radiohead er de band niet voor wellicht.) Een geheel eigen geluid, dat mag worden beloond met vier sterren.
Robert Fripp - Exposure (1979)

3,5
0
geplaatst: 4 september 2009, 21:27 uur
Zeer verrassend album inderdaad. Fripp wordt door mijn familie op een voetstuk gezet als zijnde een briljant musicus. Nu wil ik 'm niet briljant noemen, zoals ik niemand briljant noem, maar dat hij opmerkelijke muziek maakt staat inmiddels verankerd in mijn muziekbeleving.
Exposure is min of meer de uitzondering op mijn regel die stelt dat bandleden die een solo-album uitbrengen (of een samenwerking aangaan met een andere artiest) nóóit de kracht van hun grote broer kunnen benaderen. Ik vroeg aan mijn vriendin, die zichzelf heeft voorgenomen zich wat meer op het solowerk van de man te concentreren, tijdens You Burn Me Up I'm a Cigarette met enige verbazing of dit Robert Fripp was. Want dit verbaasde me; dit is oerdegelijke (in mijn optiek althans) rock'n roll die niet zou misstaan op zo'n typische jaren '60'50 prom night. Breathless is herkenbaarder; meer King Crimson dan dit kan het niet worden. Disengage trouwens ook.
North Star is wat rustiger. De zang is fantastisch; hoe de man How far/How clear/Now touch/Touch here/Now warm/Now near/Now near zingt is heerlijk. Het titelnummer vergt zo ongeveer het uiterste van Terre Roche's stem. (Ik heb altijd gedacht dat dit Deborah Harry was overigens.) Hoe zij Exposure uitschreeuwt is in mijn ogen typisch zo'n "heel raar alternatief (brrr, dat woord - Maiky!) ding dat alleen voor rare mensen bestemd is" ding. Ik vind het fijn. Haaden Two vind ik wat minder fijn, lees: iets minder interessant.
Tegen het einde doen Fripp en Peter Gabriel iets moois. Je moet je voorstellen dat je het hele album geluisterd hebt naar toch wat ontoegankelijk, extraverte muzikale "rariteiten" die niet voor iedereen zijn weggelegd. Typisch King Crimson-gitaartjes hier, een enorme speech ingekort tot drie seconden daar, en ach, nog wat ambientgeluidjes en soundscapes erbij en een titelnummer dat volgeschreeuwd wordt, dat is allemaal leuk en aardig. Maar Here Comes the Flood maakt het album voor mij zeer memorabel. Hoewel het natuurlijk zeker meespeelt, is het niet de schoonheid van het nummer zelf. Het is het feit dat zo'n rustig en degelijke 'ballad' op een album als deze staat. Alsof de wolken openbreken en de zon eindelijk schijnt. En gek genoeg breekt dit nummer niet de algehele samenhang; het album blijft consistent, ook al wordt er regelmatig naar uitersten gezocht.
Het is een hit & miss, omdat het ene nummer wat meer boeit dan het ander, maar over het algemeen beschouwd, en zeker ook objectief gezien, is dit echt de moeite van het proberen waard. Overigens ga ik erin mee dat hier de mooiste versie van Here Comes the Flood op staat. Als je 'm op de verzamelplaat van Peter Gabriel hoort, wil je heel snel weer terug naar deze versie. (Dat had ik overigens ook met de Massive Attack-versie van Games without Frontiers, maar dat terzijde).
Exposure is min of meer de uitzondering op mijn regel die stelt dat bandleden die een solo-album uitbrengen (of een samenwerking aangaan met een andere artiest) nóóit de kracht van hun grote broer kunnen benaderen. Ik vroeg aan mijn vriendin, die zichzelf heeft voorgenomen zich wat meer op het solowerk van de man te concentreren, tijdens You Burn Me Up I'm a Cigarette met enige verbazing of dit Robert Fripp was. Want dit verbaasde me; dit is oerdegelijke (in mijn optiek althans) rock'n roll die niet zou misstaan op zo'n typische jaren '60'50 prom night. Breathless is herkenbaarder; meer King Crimson dan dit kan het niet worden. Disengage trouwens ook.
North Star is wat rustiger. De zang is fantastisch; hoe de man How far/How clear/Now touch/Touch here/Now warm/Now near/Now near zingt is heerlijk. Het titelnummer vergt zo ongeveer het uiterste van Terre Roche's stem. (Ik heb altijd gedacht dat dit Deborah Harry was overigens.) Hoe zij Exposure uitschreeuwt is in mijn ogen typisch zo'n "heel raar alternatief (brrr, dat woord - Maiky!) ding dat alleen voor rare mensen bestemd is" ding. Ik vind het fijn. Haaden Two vind ik wat minder fijn, lees: iets minder interessant.
Tegen het einde doen Fripp en Peter Gabriel iets moois. Je moet je voorstellen dat je het hele album geluisterd hebt naar toch wat ontoegankelijk, extraverte muzikale "rariteiten" die niet voor iedereen zijn weggelegd. Typisch King Crimson-gitaartjes hier, een enorme speech ingekort tot drie seconden daar, en ach, nog wat ambientgeluidjes en soundscapes erbij en een titelnummer dat volgeschreeuwd wordt, dat is allemaal leuk en aardig. Maar Here Comes the Flood maakt het album voor mij zeer memorabel. Hoewel het natuurlijk zeker meespeelt, is het niet de schoonheid van het nummer zelf. Het is het feit dat zo'n rustig en degelijke 'ballad' op een album als deze staat. Alsof de wolken openbreken en de zon eindelijk schijnt. En gek genoeg breekt dit nummer niet de algehele samenhang; het album blijft consistent, ook al wordt er regelmatig naar uitersten gezocht.
Het is een hit & miss, omdat het ene nummer wat meer boeit dan het ander, maar over het algemeen beschouwd, en zeker ook objectief gezien, is dit echt de moeite van het proberen waard. Overigens ga ik erin mee dat hier de mooiste versie van Here Comes the Flood op staat. Als je 'm op de verzamelplaat van Peter Gabriel hoort, wil je heel snel weer terug naar deze versie. (Dat had ik overigens ook met de Massive Attack-versie van Games without Frontiers, maar dat terzijde).
