Hier kun je zien welke berichten Slowgaze als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Ed Sheeran - + (2011)

3,5
0
geplaatst: 24 december 2011, 17:43 uur
Laatst nog kwam ik een oud-klasgenoot tegen in de trein. Hij keek me ernstig aan en zei: "Ik zag op facebook dat je naar Ed Sheeran luistert via Spotify. Dat doe je als jongen toch niet." Natuurlijk kende hij alleen 'The A Team', dat inmiddels ook al geadopteerd is door Radio Gelderland en het risico loopt om uit te groeien tot de nieuwe 'Hey There Delilah' (voor degenen die dat nummer überhaupt nog kennen).
Natuurlijk is dat akoestische liedje wat gladjes, is de tekst wat te makkelijk en bovendien wat onzinnig (engelen gaan niet dood, die zijn al dood) en meisjesmuziek is het ook absoluut. Maakt uiteindelijk toch niet zoveel uit, want ik ben vreselijk metroseksueel, maar na een tijdje beginnen de akoestische liedjes wel wat saai te worden. 'Drunk' is mooi, evenals het behoorlijk uitgeklede 'Wake Me Up', maar 'Kiss Me' en 'Give Me Love' zijn ongeveer net zo boeiend als dat de bijhorende titels macho zijn.
Sheeran heeft echter ook een hiphopachtergrond. Soms heeft ’s mans voordracht meer weg van rappen dan zingen en ook de instrumentatie van sommige (drukkere) nummers zijn de hiphopinvloeden evident. Dit klinkt door in de twee meest interessante nummers van het album, toevallig beiden ook als single uitgebracht. ‘You Need Me’ is een voorzichtig stampende hiphoptrack met prachtpunchline “People say I’m up and coming like I’m fucking in an elevator”. ‘Lego House’ is een mooi, gevoelige ballad met subtiele hiphopdrums, stukjes gerap, een sterk refrein dat blijft hangen en pianoaanslagen die misschien naar effectbejag ruiken, maar zeker ook effectief zijn.
Dit debuut is een wat tweeslachtige plaat, maar laat wel zien dat Sheeran nog ver kan komen. Naar eigen zeggen wil hij ook weer meer de hiphopkant opgaan, dus laten we hopen dat hij zich niet teveel aantrekt van tienermeisjes en hun moeders die zo van akoestische liedjes houden. Allerlei gastrolletjes op recente hiphopplaten wijzen deze kant op; hopelijk mogen vriend als Devil en Wretch32 ook op Sheerans nieuwe meedoen, want zoals iemand terecht op youtube opmerkte: “This ginger can grime”.
Natuurlijk is dat akoestische liedje wat gladjes, is de tekst wat te makkelijk en bovendien wat onzinnig (engelen gaan niet dood, die zijn al dood) en meisjesmuziek is het ook absoluut. Maakt uiteindelijk toch niet zoveel uit, want ik ben vreselijk metroseksueel, maar na een tijdje beginnen de akoestische liedjes wel wat saai te worden. 'Drunk' is mooi, evenals het behoorlijk uitgeklede 'Wake Me Up', maar 'Kiss Me' en 'Give Me Love' zijn ongeveer net zo boeiend als dat de bijhorende titels macho zijn.
Sheeran heeft echter ook een hiphopachtergrond. Soms heeft ’s mans voordracht meer weg van rappen dan zingen en ook de instrumentatie van sommige (drukkere) nummers zijn de hiphopinvloeden evident. Dit klinkt door in de twee meest interessante nummers van het album, toevallig beiden ook als single uitgebracht. ‘You Need Me’ is een voorzichtig stampende hiphoptrack met prachtpunchline “People say I’m up and coming like I’m fucking in an elevator”. ‘Lego House’ is een mooi, gevoelige ballad met subtiele hiphopdrums, stukjes gerap, een sterk refrein dat blijft hangen en pianoaanslagen die misschien naar effectbejag ruiken, maar zeker ook effectief zijn.
Dit debuut is een wat tweeslachtige plaat, maar laat wel zien dat Sheeran nog ver kan komen. Naar eigen zeggen wil hij ook weer meer de hiphopkant opgaan, dus laten we hopen dat hij zich niet teveel aantrekt van tienermeisjes en hun moeders die zo van akoestische liedjes houden. Allerlei gastrolletjes op recente hiphopplaten wijzen deze kant op; hopelijk mogen vriend als Devil en Wretch32 ook op Sheerans nieuwe meedoen, want zoals iemand terecht op youtube opmerkte: “This ginger can grime”.
Editors - The Back Room (2005)

4,5
0
geplaatst: 1 mei 2011, 21:46 uur
Wat mij betreft nog altijd de beste Editors, een monument van een nu wave-plaat. Naast vluchtige, opwindende nummers (opener "Lights alleen al, wat een drive! Wat een urgentie!) wordt er ook aan de betere sfeerverkenningen gedaan. "Open Your Arms" is voor mij de eerste keer geweest dat ik letterlijk ademloos naar muziek luisterde, het is zo'n beklemmend prachtig moment waarop je het geluid van je eigen ademhaling, ook als je heel wat zachter ademhaalt dan pak 'em beet Darth Vader of Jeroen Brouwers, al teveel lijkt.
En opwinding, natuurlijk. Dit is de Editors-plaat met de opwindende singles, waarbij vooral "Bullets" destijds veel indruk maakte. Dat had de tweede plaat niet, die euforische gedrevenheid. Bij de derde ging het al beter: "Pappilon" was natuurlijk zo'n nummer dat men ook wel "knaller" noemt en dat zou ik ook doen, ware het niet dat ik "knaller" een lelijke term vind.
Zei ik nu wave? Naast wat verre Joy Division-invloeden ("Camera", neem die eens) en vooral Echo & The Bunnymen (kom nou, Tom is meer een Ian M. dan een Ian C. en neem dan nog dat gitaarwerk), is het geheel gekruid met wat shoegazing-elementen (gitaarmuur in het erg mooie "The Fall") en R.E.M.-esque spanningsopbouw. Nee, het geluid ademt zowel de jaren 80 alswel de betere alternatieve rock (lelijke term, wederom) van de jaren 90, maar klinkt zes jaar later ook nog helemaal "nu!". Opwinding, spanning, sfeer, droomdebuut dus. Hopelijk komt er ooit nog eentje zoals deze uit, hopelijk...
En opwinding, natuurlijk. Dit is de Editors-plaat met de opwindende singles, waarbij vooral "Bullets" destijds veel indruk maakte. Dat had de tweede plaat niet, die euforische gedrevenheid. Bij de derde ging het al beter: "Pappilon" was natuurlijk zo'n nummer dat men ook wel "knaller" noemt en dat zou ik ook doen, ware het niet dat ik "knaller" een lelijke term vind.
Zei ik nu wave? Naast wat verre Joy Division-invloeden ("Camera", neem die eens) en vooral Echo & The Bunnymen (kom nou, Tom is meer een Ian M. dan een Ian C. en neem dan nog dat gitaarwerk), is het geheel gekruid met wat shoegazing-elementen (gitaarmuur in het erg mooie "The Fall") en R.E.M.-esque spanningsopbouw. Nee, het geluid ademt zowel de jaren 80 alswel de betere alternatieve rock (lelijke term, wederom) van de jaren 90, maar klinkt zes jaar later ook nog helemaal "nu!". Opwinding, spanning, sfeer, droomdebuut dus. Hopelijk komt er ooit nog eentje zoals deze uit, hopelijk...
Eefje de Visser - De Koek (2011)

5,0
2
geplaatst: 30 januari 2011, 14:30 uur
Sinds ik haar live zag, word ik gefascineerd door Eefje, daar kan ik gewoon eerlijk over zijn. Was ze solo met akoestische gitaar nog een soort typische singer-songwriter (maar wel met bijzonder mooie nummers), die dankzij de soms prettig dominante zanglijnen het meeste weghad van Joni Mitchell. Toen ik de Hartslag EP downloadde (helaas was ie uitverkocht), werd ik wel even verrast: de elektronische drums die binnenvallen deden me vreemd aan, maar ze leken wel te kloppen. De andere twee nummers hadden dan weer een soort Suzanne Vega-dromerigheid (denk "Small Blue Thing").
Op die bewuste januari-vrijdag kwam de cd binnen en opener "Genoeg" heeft weer dat typisch dromigere dat ik verwachtte, maar er valt een dwingende ritmiek onder, wat het nummer een behoorlijke intensiteit is. Het heeft een soort zonovergoten sfeer, maar dan op een niet Beach Boys-achtige manier, meer iets donkers, iets ongemakkelijks, misschien iets richting Sparklehorse. Leuk detail: Robin Block verzorgt achtergrond op dit nummer (en nog een paar anderen), dezelfde Robin die al naam had gemaakt als dichter toen ik hem een "leuk voorprogramma" noemde, met de toevoeging "dat ie goed moest blijven oefenen" toen zijn poëzie-voordracht vóór de mijne gepland stond.
Afijn, "De stad" is dan weer verrassend, door de bijna jazzy piano en lichtelijk sardonische voordracht. En toch heb ik dit nummer live gehoord, ik hoor het aan de tekst, maar het is zo onvergelijkbaar gebracht. Mooi, mooi, mooi. Ook het titelnummer "De koek" is hier zo'n piano-nummer met een mooi losse speelstijl, maar dit keer met blazers er bij. Het schijnt dat Eefje een band heeft samengesteld met muzikanten die bijna allemaal dubbelen op blazers, dus ik kan wat dat betreft niet wachten.
"Schotland", "In het gras" of "Ik dacht na" zijn van die typische nummers die ik verwacht had, maar daarom zeker niet minder mooi zijn. Eigenlijk is de grootste verrassing de potentiële hit "Afdwaalt" dat live door zijn welhaast stream-of-consciousness gebrachte tekst wat weghad van Bob Dylan, maar hier bijna indie-disco lijkt. Het zit hem vooral in die baslijn aan het begin, maar ook de rest van het arrangement is erg onverwacht. Het lijkt me een typische Eefje-grap, een met een vrij lastige timing gezegend nummer te verpakken als meezinger. De sterke tekst van dit nummer (en dat van de anderen ook) ontdekken jullie zelf maar. Het is ondoenlijk om citaten te gaan geven, want dan ben ik nog wel even bezig.
De wat langer uitgerekte afsluiter "Verdriet" is wat mij betreft wel een van de allermooiste pareltjes hier (al is het eigenlijk allemaal prachtig): het langzame tempo, de zware drums en de donkere sfeer doen zelfs een beetje aan Nicolien & The Bad Seeds denken. En dan snap je het (ik in elk geval wel). Eefje is geen geweldige zangeres, maar wel iemand die haar teksten prachtig kan brengen. Als het album Engelstalig zou zijn, zou ze aanzienlijk meer publiek hebben omdat er mensen zijn die zich heel kinderachtig uit de buurt van dit album houden omdat ze Nederlandstalig verwarren met het levenslied, maar wel van knappe folkliedjes met een twist houden en PitchFork zou de plaat ophemelen (ook al zijn dat heel irritante ventjes). Prachtplaat, ook omdat Eefje soms net iets verder kijkt dat het meisje-met-gitaar-idioom.
Op die bewuste januari-vrijdag kwam de cd binnen en opener "Genoeg" heeft weer dat typisch dromigere dat ik verwachtte, maar er valt een dwingende ritmiek onder, wat het nummer een behoorlijke intensiteit is. Het heeft een soort zonovergoten sfeer, maar dan op een niet Beach Boys-achtige manier, meer iets donkers, iets ongemakkelijks, misschien iets richting Sparklehorse. Leuk detail: Robin Block verzorgt achtergrond op dit nummer (en nog een paar anderen), dezelfde Robin die al naam had gemaakt als dichter toen ik hem een "leuk voorprogramma" noemde, met de toevoeging "dat ie goed moest blijven oefenen" toen zijn poëzie-voordracht vóór de mijne gepland stond.
Afijn, "De stad" is dan weer verrassend, door de bijna jazzy piano en lichtelijk sardonische voordracht. En toch heb ik dit nummer live gehoord, ik hoor het aan de tekst, maar het is zo onvergelijkbaar gebracht. Mooi, mooi, mooi. Ook het titelnummer "De koek" is hier zo'n piano-nummer met een mooi losse speelstijl, maar dit keer met blazers er bij. Het schijnt dat Eefje een band heeft samengesteld met muzikanten die bijna allemaal dubbelen op blazers, dus ik kan wat dat betreft niet wachten.
"Schotland", "In het gras" of "Ik dacht na" zijn van die typische nummers die ik verwacht had, maar daarom zeker niet minder mooi zijn. Eigenlijk is de grootste verrassing de potentiële hit "Afdwaalt" dat live door zijn welhaast stream-of-consciousness gebrachte tekst wat weghad van Bob Dylan, maar hier bijna indie-disco lijkt. Het zit hem vooral in die baslijn aan het begin, maar ook de rest van het arrangement is erg onverwacht. Het lijkt me een typische Eefje-grap, een met een vrij lastige timing gezegend nummer te verpakken als meezinger. De sterke tekst van dit nummer (en dat van de anderen ook) ontdekken jullie zelf maar. Het is ondoenlijk om citaten te gaan geven, want dan ben ik nog wel even bezig.
De wat langer uitgerekte afsluiter "Verdriet" is wat mij betreft wel een van de allermooiste pareltjes hier (al is het eigenlijk allemaal prachtig): het langzame tempo, de zware drums en de donkere sfeer doen zelfs een beetje aan Nicolien & The Bad Seeds denken. En dan snap je het (ik in elk geval wel). Eefje is geen geweldige zangeres, maar wel iemand die haar teksten prachtig kan brengen. Als het album Engelstalig zou zijn, zou ze aanzienlijk meer publiek hebben omdat er mensen zijn die zich heel kinderachtig uit de buurt van dit album houden omdat ze Nederlandstalig verwarren met het levenslied, maar wel van knappe folkliedjes met een twist houden en PitchFork zou de plaat ophemelen (ook al zijn dat heel irritante ventjes). Prachtplaat, ook omdat Eefje soms net iets verder kijkt dat het meisje-met-gitaar-idioom.
Einstürzende Neubauten - ½ Mensch (1985)
Alternatieve titel: Halber Mensch

5,0
0
geplaatst: 26 november 2010, 20:36 uur
Einstürzende Neubauten; een soort grap of een serieus te nemen band? Gezien ze zich er goed van bewust zijn dat ze in de dada-traditie staan (ik verwijs u door naar Blixa's psuedonimistische achternaam), zou je anti-muziek verwachten, de punkgedachte verder uitgewerkt tot herrie pour le herrie. Niets is minder waar.
Natuurlijk, ze citeren op het latere "Let's Do It A Dada" uit Kurt Schwitters prachtige gedicht "An Anna Blume", maar de lyriek staat net zo goed in de traditie van het Duits expressionisme, Rainer Maria Rilke, Paul Celan en beeldend kunstenaar Joseph Bueys. "Sehnsucht", "Seele Brennt", hoe Romantisch wilt u het hebben? Poëzie met percussie er onder.
Het schroothoopinstrumentarium wordt ingezet omdat dat moet, niet omdat het kan. Sterker nog, na een tijdje ontwikkelen schijnbaar percussieve bergen lawaai als "Yü-Gung" en vooral "Z.N.S." zich tot dwingende, doch dansbare nummers. Vooral "Seele Brennt" kent een interessante twist: het naar neo-klassieke muziek neigende pianowerk, het hoge gegil en vooral het subtiele gespeel met stilte (ja, Neubauten is een band waarbij flirten met stilte subtiel gebeurd, ze maken het nooit te gek).
In het titelnummer blijft het dwingende, Teutoonse karakter van de muziek fier overeind, ondanks of juist dankzij het instrumentarium: alleen een koor. Alsof er een statement gemaakt wordt dat het geluid geen gimmick is (ik ben wel goed op dreef vandaag qua alliteraties). Aan de andere kant van het spectrum staat "Der Tod ist ein Dandy" (de mooiste songtitel ooit). Dit nummer wordt gedragen door het geluid van schuivende platen (letterlijk), de gedragen, Zwart-Romantische poëzie en de smerige grindbas die invalt. Keihard draaien, een nummer dat zo zwaar is als het leven zelf.
Afsluiter "Leztes Biest am Himmel" geeft veel stof tot nadenken; er lijkt geflirt te worden met Sartre's idee dat de mens is verdoemd tot vrijheid. Anderzijs lijkt het er op dat Nietzsche's Übermensch (niet te verwarren met de verkrachting door Hitler van dat idee), die ook maar naar liefde verlangt. De vleesgeworden perfectie, die eigenlijk niemand anders nodig heeft, is niets zonder tederheid: een prachtige afsluiting van een ongelofelijke plaat.
Natuurlijk, ze citeren op het latere "Let's Do It A Dada" uit Kurt Schwitters prachtige gedicht "An Anna Blume", maar de lyriek staat net zo goed in de traditie van het Duits expressionisme, Rainer Maria Rilke, Paul Celan en beeldend kunstenaar Joseph Bueys. "Sehnsucht", "Seele Brennt", hoe Romantisch wilt u het hebben? Poëzie met percussie er onder.
Het schroothoopinstrumentarium wordt ingezet omdat dat moet, niet omdat het kan. Sterker nog, na een tijdje ontwikkelen schijnbaar percussieve bergen lawaai als "Yü-Gung" en vooral "Z.N.S." zich tot dwingende, doch dansbare nummers. Vooral "Seele Brennt" kent een interessante twist: het naar neo-klassieke muziek neigende pianowerk, het hoge gegil en vooral het subtiele gespeel met stilte (ja, Neubauten is een band waarbij flirten met stilte subtiel gebeurd, ze maken het nooit te gek).
In het titelnummer blijft het dwingende, Teutoonse karakter van de muziek fier overeind, ondanks of juist dankzij het instrumentarium: alleen een koor. Alsof er een statement gemaakt wordt dat het geluid geen gimmick is (ik ben wel goed op dreef vandaag qua alliteraties). Aan de andere kant van het spectrum staat "Der Tod ist ein Dandy" (de mooiste songtitel ooit). Dit nummer wordt gedragen door het geluid van schuivende platen (letterlijk), de gedragen, Zwart-Romantische poëzie en de smerige grindbas die invalt. Keihard draaien, een nummer dat zo zwaar is als het leven zelf.
Afsluiter "Leztes Biest am Himmel" geeft veel stof tot nadenken; er lijkt geflirt te worden met Sartre's idee dat de mens is verdoemd tot vrijheid. Anderzijs lijkt het er op dat Nietzsche's Übermensch (niet te verwarren met de verkrachting door Hitler van dat idee), die ook maar naar liefde verlangt. De vleesgeworden perfectie, die eigenlijk niemand anders nodig heeft, is niets zonder tederheid: een prachtige afsluiting van een ongelofelijke plaat.
El-P - C4C (2012)
Alternatieve titel: Cancer 4 Cure

4,5
0
geplaatst: 22 augustus 2012, 21:46 uur
Zo mag ik het graag horen: EL-P’s nieuwe work C4C begint met een sample van William S. Burroughs, om daarna over te gaan op een partij drum ’n bass mét orgel, waarna het gas eventjes teruggenomen wordt en EL-P furieus begint te rappen. Het is het begin van een futuristische trip waar Marinetti trots op zou zijn. Naast dat de doordringende science fiction-sfeer is zeker het eerste deel van het album snel, hard, gewelddadig en mooier dan de Nikè van Samothrake.
De muziek steekt even chaotisch als weldoordacht in elkaar en sleept maximaal effect uit onverwachte toevoegingen. In ‘Drones Over BKLN’ wordt helder tinkelende percussie ingezet, naast het geluidsbombardement. Ook de orchestral hits (is daar een Nederlands woord voor? Iedereen die wel eens met FruityLoops heeft gewerkt, weet denk ik wel waar ik het over heb) ‘Tougher Colder Killer’ zijn een sterke vondst. Ze klinken weliswaar vrij retro t.o.v. de rest van de muziek, maar geven de muziek een onmiskenbaar hiphopgevoel. Het enige woord dat eigenlijk in me opkomt om dat gevoel te beschrijven is een soort hiphop-oempf. En die oempf wordt in veel nummers nog eens versterkt door meerdere baslijnen, flinke percussie en (kortgeknipte) en veel herhaalde vocale samples (‘You should pump this shit/Like they do in the future’; geen woord van gelogen). Dat EL-P hier bijzonder helder overheen kan rappen, zonder dat hij in zijn eigen beats verzuipt of de aandacht van hem afgeleid wordt, is dan ook een prestatie van jewelste.
C4C lijkt niet alleen voor ‘Cancer for Cure’ te staan, maar als je het hardop uitspreekt klinkt het ook als ‘See-Foresee’. Het past uitstekend bij EL-P’s teksten, want hij behandelt zijn onderwerpen vaak vanuit een science fiction- of thrillerachtige insteek. Vooral het tweede deel van het album, dat gevoelsmatig met ‘The Jig is Up’ aanvangt en waar het tempo flink omlaaggaat, neemt paranoia de overhand. ‘The Jig is Up’ is een wantrouwige ondervraging van een schijnbaar gewone vrouw die toenadering zoekt tot de ik-persoon, maar hij is van mening dat ze een spion is. Ook ‘For My Upstairs Neighbour (Mums the Word)’ verrast tekstueel erg. Het is an sich een simpel trucje, de twee verses op chronologisch achterstevoren zetten, maar het werkt uitstekend. Het nummer gaat over huiselijk geweld en leg het voor de ‘lol’ eens langs ‘The Last to Say’ van de laatste Atmosphere-plaat. Slug behandelt het onderwerp op een pijnlijk realistische, bijna naturalistische manier, terwijl EL-P z’n nummer met een zo uit een moderne detectiveserie ontleende verhoringsscène begint.
De combinatie van de krankzinnig energieke eerste deel van het album en het paranoïde, langzamere tweede deel maakt C4C erg rijk en intens. In combinatie met de sterke teksten, die stuk voor stuk een interessante insteek en thema bevatten, is het een bescheiden meesterwerk geworden. Album van het jaar vooralsnog, al lijkt het me onaannemelijk dat er dit jaar nog wat uitgebracht gaat worden dat hier overheen gaat.
De muziek steekt even chaotisch als weldoordacht in elkaar en sleept maximaal effect uit onverwachte toevoegingen. In ‘Drones Over BKLN’ wordt helder tinkelende percussie ingezet, naast het geluidsbombardement. Ook de orchestral hits (is daar een Nederlands woord voor? Iedereen die wel eens met FruityLoops heeft gewerkt, weet denk ik wel waar ik het over heb) ‘Tougher Colder Killer’ zijn een sterke vondst. Ze klinken weliswaar vrij retro t.o.v. de rest van de muziek, maar geven de muziek een onmiskenbaar hiphopgevoel. Het enige woord dat eigenlijk in me opkomt om dat gevoel te beschrijven is een soort hiphop-oempf. En die oempf wordt in veel nummers nog eens versterkt door meerdere baslijnen, flinke percussie en (kortgeknipte) en veel herhaalde vocale samples (‘You should pump this shit/Like they do in the future’; geen woord van gelogen). Dat EL-P hier bijzonder helder overheen kan rappen, zonder dat hij in zijn eigen beats verzuipt of de aandacht van hem afgeleid wordt, is dan ook een prestatie van jewelste.
C4C lijkt niet alleen voor ‘Cancer for Cure’ te staan, maar als je het hardop uitspreekt klinkt het ook als ‘See-Foresee’. Het past uitstekend bij EL-P’s teksten, want hij behandelt zijn onderwerpen vaak vanuit een science fiction- of thrillerachtige insteek. Vooral het tweede deel van het album, dat gevoelsmatig met ‘The Jig is Up’ aanvangt en waar het tempo flink omlaaggaat, neemt paranoia de overhand. ‘The Jig is Up’ is een wantrouwige ondervraging van een schijnbaar gewone vrouw die toenadering zoekt tot de ik-persoon, maar hij is van mening dat ze een spion is. Ook ‘For My Upstairs Neighbour (Mums the Word)’ verrast tekstueel erg. Het is an sich een simpel trucje, de twee verses op chronologisch achterstevoren zetten, maar het werkt uitstekend. Het nummer gaat over huiselijk geweld en leg het voor de ‘lol’ eens langs ‘The Last to Say’ van de laatste Atmosphere-plaat. Slug behandelt het onderwerp op een pijnlijk realistische, bijna naturalistische manier, terwijl EL-P z’n nummer met een zo uit een moderne detectiveserie ontleende verhoringsscène begint.
De combinatie van de krankzinnig energieke eerste deel van het album en het paranoïde, langzamere tweede deel maakt C4C erg rijk en intens. In combinatie met de sterke teksten, die stuk voor stuk een interessante insteek en thema bevatten, is het een bescheiden meesterwerk geworden. Album van het jaar vooralsnog, al lijkt het me onaannemelijk dat er dit jaar nog wat uitgebracht gaat worden dat hier overheen gaat.
Elbow - Build a Rocket Boys! (2011)

4,0
0
geplaatst: 3 april 2011, 14:28 uur
De titel alleen al, “Build a Rocket Boys!”, ontleend aan single “Lippy Kids”, mag prachtig heten. Jeugdig optimisme, vol vertrouwen de toekomst tegemoet gaan, terwijl het onzekere van de tienerjaren nog steeds in de tekst verankerd is. Ik heb zelf nooit gehoord, maar de zinsnede “The cigarette senate was everything then” is al zo sterk beeldend en roept een gevoel op dat me terug doet denken aan de rokers buiten op het plein van mijn oude middelbare school. Dit lied lijkt het sleutelnummer van de plaat te zijn door de titel te leveren en het concept van middelbare
Dit sleutelnummer is echter “Jesus is a Rochdale Girl”, dat zo mogelijk nog mooier getiteld is dan de cd zelf. Het schijnt dat dit langzame, kleine nummer met prettige elektrische piano de aanstichter van al dit moois is geweest. Niet alleen wordt het grootse van die voorganger (laten we eerlijk zijn, “The Loneliness of the Tower Crane Driver” ging net iets te ver) wat meer teruggebracht: meer “Mirrorball” dan dat eerdergenoemde nummer.
Opvallend is het wel dat er zo nadrukkelijk teruggegrepen wordt op jeugdherinneringen, want mijn eerste kennismaking met Elbow was dankzij die prachtige singles van “Leaders of the Free World”, die ik destijds nooit gekocht heb omdat ik gewoon niet veel kocht. De eerste keer dat ik dit gezelschap zag was de video van “Forget Myself”, waarna ik gelijk dacht dat om een stel vijftigers ging. 31 bleek dhr. Garvey toen ongeveer te zijn. Toch kwam ik maar niet van het idee af dat het hier om een stel doorleefde heren ging. Nu is Garvey 37 en klinkt hij nog steeds alsof hij een heel leven achter zich heeft. Dat heeft hij, een leven vol kleine, mooie momentjes die gememoreerd worden, met een ongelofelijke tederheid. Elbow is de Herman de Coninck van de muziek.
Ironisch is het dan ook dat de albumopener, “The Birds” (dat bijna net zo mooi is als “Mirrorball”) dwingend blijft herhalend dat terugkijken voor de vogels is. De band lijkt zichzelf in deze prachtopener ook sarcastisch toe te zingen met de regels “What are we going to do with you/the same tale every time”. Hoe er langzaam naar een bescheiden climax gewerkt wordt, waarbij het koortje zich als in een mantra blijft herhalen… Een prachtig emotioneel moment. Het maakt wel dat dit ook zo’n album is waarop het eerste nummer het beste nummer is, maar dat maakt niet uit want in deze nieuwe uitbreiding van het universum dat Elbow heet valt nog genoeg te ontdekken.
In “Neat Little Rows” wordt wel naar voren gekeken, naar het overlijden van de ik-persoon (Garvey, mag ik aannemen?) zelfs. Helaas is dit wel het minste liedje van het album (het hierna besproken nummer beschouw ik meer als een intermezzo). Het ouder worden neemt dan ook een plaats in op het album, zoals in de reprise van “The Birds” waarin pianostemmer John Moseley met doorleefde stem terugkijkt. Ook hij is blijkbaar een vogel, net als de rest van Elbow. Gelukkig lijkt het probleem van het verouderen hier niet tot The Cure-achtige toestanden te lijken en toont Guy zich geen Robert Smith, hoe goed die ook mag zijn.
“Open Arms” is de andere kant van de medaille die “Grace Under Pressure” heet. Het koorwerk helt nogal over naar dat nummer, maar “We’ve got open arms for broken hearts like yours” is toch wel erg andere koek dan “We still believe in love, so fuck you”. De prachtige zin “And you're not the man who fell to earth/You're the man of La Mancha” moet nog vermeld worden. Ook dat andere met opvallend koorwerk versierde liedje, “With Love” zit vol liefde. Feelgood zonder dat het Disney-sentiment wordt.
Dat lijkt het bijna te worden in afsluiter “Dear Friends”, waarin de zin “You are here are in my head, in my heart” voorkomt, het enige moment op het album dat er een cliché uit Guys mond ontsnapt. Maar het is ook deze zin die de link legt met de afsluiter van dat ene album, “Friend of Ours”. Daarin werd een overleden vriend geëerd, nu zijn de vrienden die nog leven aan de beurt om de liefde verklaard te krijgen in een subtiel, fijn liedje. Een lichtelijk dissonante gitaar, een klavecimbel en een dronken, woordloos “aaah”-koor eindigen een album dat eigenlijk een verbeelding van de essentie het leven zelf is.
Dit sleutelnummer is echter “Jesus is a Rochdale Girl”, dat zo mogelijk nog mooier getiteld is dan de cd zelf. Het schijnt dat dit langzame, kleine nummer met prettige elektrische piano de aanstichter van al dit moois is geweest. Niet alleen wordt het grootse van die voorganger (laten we eerlijk zijn, “The Loneliness of the Tower Crane Driver” ging net iets te ver) wat meer teruggebracht: meer “Mirrorball” dan dat eerdergenoemde nummer.
Opvallend is het wel dat er zo nadrukkelijk teruggegrepen wordt op jeugdherinneringen, want mijn eerste kennismaking met Elbow was dankzij die prachtige singles van “Leaders of the Free World”, die ik destijds nooit gekocht heb omdat ik gewoon niet veel kocht. De eerste keer dat ik dit gezelschap zag was de video van “Forget Myself”, waarna ik gelijk dacht dat om een stel vijftigers ging. 31 bleek dhr. Garvey toen ongeveer te zijn. Toch kwam ik maar niet van het idee af dat het hier om een stel doorleefde heren ging. Nu is Garvey 37 en klinkt hij nog steeds alsof hij een heel leven achter zich heeft. Dat heeft hij, een leven vol kleine, mooie momentjes die gememoreerd worden, met een ongelofelijke tederheid. Elbow is de Herman de Coninck van de muziek.
Ironisch is het dan ook dat de albumopener, “The Birds” (dat bijna net zo mooi is als “Mirrorball”) dwingend blijft herhalend dat terugkijken voor de vogels is. De band lijkt zichzelf in deze prachtopener ook sarcastisch toe te zingen met de regels “What are we going to do with you/the same tale every time”. Hoe er langzaam naar een bescheiden climax gewerkt wordt, waarbij het koortje zich als in een mantra blijft herhalen… Een prachtig emotioneel moment. Het maakt wel dat dit ook zo’n album is waarop het eerste nummer het beste nummer is, maar dat maakt niet uit want in deze nieuwe uitbreiding van het universum dat Elbow heet valt nog genoeg te ontdekken.
In “Neat Little Rows” wordt wel naar voren gekeken, naar het overlijden van de ik-persoon (Garvey, mag ik aannemen?) zelfs. Helaas is dit wel het minste liedje van het album (het hierna besproken nummer beschouw ik meer als een intermezzo). Het ouder worden neemt dan ook een plaats in op het album, zoals in de reprise van “The Birds” waarin pianostemmer John Moseley met doorleefde stem terugkijkt. Ook hij is blijkbaar een vogel, net als de rest van Elbow. Gelukkig lijkt het probleem van het verouderen hier niet tot The Cure-achtige toestanden te lijken en toont Guy zich geen Robert Smith, hoe goed die ook mag zijn.
“Open Arms” is de andere kant van de medaille die “Grace Under Pressure” heet. Het koorwerk helt nogal over naar dat nummer, maar “We’ve got open arms for broken hearts like yours” is toch wel erg andere koek dan “We still believe in love, so fuck you”. De prachtige zin “And you're not the man who fell to earth/You're the man of La Mancha” moet nog vermeld worden. Ook dat andere met opvallend koorwerk versierde liedje, “With Love” zit vol liefde. Feelgood zonder dat het Disney-sentiment wordt.
Dat lijkt het bijna te worden in afsluiter “Dear Friends”, waarin de zin “You are here are in my head, in my heart” voorkomt, het enige moment op het album dat er een cliché uit Guys mond ontsnapt. Maar het is ook deze zin die de link legt met de afsluiter van dat ene album, “Friend of Ours”. Daarin werd een overleden vriend geëerd, nu zijn de vrienden die nog leven aan de beurt om de liefde verklaard te krijgen in een subtiel, fijn liedje. Een lichtelijk dissonante gitaar, een klavecimbel en een dronken, woordloos “aaah”-koor eindigen een album dat eigenlijk een verbeelding van de essentie het leven zelf is.
Elbow - The Take Off and Landing of Everything (2014)

4,0
0
geplaatst: 20 april 2014, 00:07 uur
Ooit heb ik veel van Elbow gehouden. Hartstochtelijk is een groot woord, maar toch: nadat The Seldom Seen Kid uit was gekomen werd die plaat me heel dierbaar. Met de eerdere Elbow-platen (met uitzondering van het debuut) had ik dat minder, toen ik die uiteindelijk ook ontdekte. En met Build a Rocket Boys! en nu weer met The Take Off and Landing of Everything is het weer eigenlijk hetzelfde: paar wat mindere momentjes, maar net te weinig uitschieters om de plaat boven een solide vier sterren uit te laten stijgen. Constante kwaliteit dus, maar ik hoop stiekem toch weer op een Elbow-meesterwerkje. Ook dit album is dat helaas niet.
Op The Take Off and Landing of Everything is alles vlekkeloos geproduceerd, is de pseudo-gospelachtige Elbow-grootsheid weer van de partij (ook al heeft ‘New York Morning’ geen gospelkoor, dat wordt toch bijna door de koortjes gesuggereerd), en Guy Garvey vertelt weer verhalen met een lach, een traan en veel alcohol. Het valt me echter wel op hoe weinig echte uitschieters er op dit album staan. ‘The Blanket of the Night’ is toch wel de enige echte parel, al mag ‘Charge’ er ook zeker zijn. ‘Fly Boy Blue / Lunette’, ‘Honey Sun’ en ‘Colourfields’ zijn de wat zwakkere broeders, maar alsnog prima Elbow-nummers. Het is allemaal veel evenwichtiger geworden. ‘New York Morning’ mist de voetbalstadionassociaties die ‘Open Arms’ wat banaal maakte, en dat is ook fijn. ‘My Sad Captains’ is vervolgens het symfonischer opgezette nummer, met bescheiden bombast. Een Elbow-album kan blijkbaar niet zonder, en de ingetogen afsluiter ontbreekt ook niet. Het klinkt gewoon bekend, maar het klinkt ook allemaal als een klok, en daarom die vier sterren zeker waard. De brille ontbreekt echter.
Dat zit vooral in het ontbreken van een kwaliteit die de beste Elbow-nummers wel hebben: die kruipen onder je huid, en dat is op dit album maar zelden het geval. Dit album is de succesformule all over again, en dat werkt zeker, maar de finesse van een nummer als ‘Ribcage’ (van Cast of Thousands, mét gospelkoor) of ‘Every Day Now’ ontbreekt. Deze nieuwe plaat luistert fijn weg, maar is ook wat glibberig. Dat maakt dit album goed vinden heel goed mogelijk, maar hartstochtelijk van The Take Off and Landing of Everything houden, dat niet; althans, voor mij dan. Ik hoop dan ook dat Elbow op het volgende album de comfortzone verlaat en en passant weer een bescheiden meesterwerkje aflevert, want ze kunnen echt meer dan eens in de zoveel tijd een solide viersterrrenplaat uitbrengen.
Op The Take Off and Landing of Everything is alles vlekkeloos geproduceerd, is de pseudo-gospelachtige Elbow-grootsheid weer van de partij (ook al heeft ‘New York Morning’ geen gospelkoor, dat wordt toch bijna door de koortjes gesuggereerd), en Guy Garvey vertelt weer verhalen met een lach, een traan en veel alcohol. Het valt me echter wel op hoe weinig echte uitschieters er op dit album staan. ‘The Blanket of the Night’ is toch wel de enige echte parel, al mag ‘Charge’ er ook zeker zijn. ‘Fly Boy Blue / Lunette’, ‘Honey Sun’ en ‘Colourfields’ zijn de wat zwakkere broeders, maar alsnog prima Elbow-nummers. Het is allemaal veel evenwichtiger geworden. ‘New York Morning’ mist de voetbalstadionassociaties die ‘Open Arms’ wat banaal maakte, en dat is ook fijn. ‘My Sad Captains’ is vervolgens het symfonischer opgezette nummer, met bescheiden bombast. Een Elbow-album kan blijkbaar niet zonder, en de ingetogen afsluiter ontbreekt ook niet. Het klinkt gewoon bekend, maar het klinkt ook allemaal als een klok, en daarom die vier sterren zeker waard. De brille ontbreekt echter.
Dat zit vooral in het ontbreken van een kwaliteit die de beste Elbow-nummers wel hebben: die kruipen onder je huid, en dat is op dit album maar zelden het geval. Dit album is de succesformule all over again, en dat werkt zeker, maar de finesse van een nummer als ‘Ribcage’ (van Cast of Thousands, mét gospelkoor) of ‘Every Day Now’ ontbreekt. Deze nieuwe plaat luistert fijn weg, maar is ook wat glibberig. Dat maakt dit album goed vinden heel goed mogelijk, maar hartstochtelijk van The Take Off and Landing of Everything houden, dat niet; althans, voor mij dan. Ik hoop dan ook dat Elbow op het volgende album de comfortzone verlaat en en passant weer een bescheiden meesterwerkje aflevert, want ze kunnen echt meer dan eens in de zoveel tijd een solide viersterrrenplaat uitbrengen.
