Hier kun je zien welke berichten Slowgaze als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
R.E.M. - Monster (1994)

4,0
0
geplaatst: 17 januari 2012, 00:29 uur
Om even met de conclusie te beginnen: Monster is verre van een gedrocht. Het is qua geluidsbeeld dan wel het lelijke eendje in de R.E.M.-catalogus, maar vind ik het niet het misbaksel dat anderen er in zien. Afijn, laten we even terug in de tijd gaan: R.E.M. heeft na Out of Time en Automatic for the People een enorm publiek gevonden en dan is het verleidelijk om Monster als de typische ‘dit moet het publiek van ons vervreemden’-plaat te zien. Niet helemaal terecht, want het bekendste voorbeeld, Kid A toch wel, is van een aantal jaar later al. Ook de wat minder toegankelijke weg die Blur insloeg ligt een paar jaar na dit album.
Wat was dan wel het geval? Naar eigen zeggen wilden de heren een punkalbum maken, omdat ze gingen toeren en live ruigere nummers spelen erg leuk schijnt te zijn. Afijn, met Patti Smith, Iggy Pop en de Rolling Stones als lichtende voorbeelden werd dit ‘lelijke’ album opgenomen. Het begint al met het knetterende intro van ‘What’s the Frequency, Kenneth?’. Het daaropvolgende ‘Crush With Eyeliner’ is een soort Sonic Youth-light, mede door de bescheiden, maar erg sterke gastrol van Thurston Moore. Michael Stipe fungeert zelf als Bowie-achtige crooner.
Die twee liedjes zetten eigenlijk al de toon: het is een plaat vol feedback, distortion, gruis en vervorming, maar dan op een manier die weer niet té extreem is. Het My Bloody Valentine-achtige ‘Let Me In’ is wel het ‘extreemste’ nummer. Het is een vol feedback gehangen ballad, waarin na een tijdje een prachtig orgeltje binnenvalt. Binnen het oeuvre van R.E.M. kun je al direct lijntjes trekken naar ‘Star Me Kitten’ en vooral ‘Sweetness Follows’ van de voorganger. Heel gek is het dus allemaal niet; het was een vrij logische stap voor de band.
‘Strange Currencies’ is net iets teveel een echo van ‘Everybody Hurts’, maar tegelijkertijd worden in de ballads ‘Tongue’ en ‘I Don’t Sleep, I Dream’ ook soulinvloeden en erotiek geïncorporeerd. Nu is Michael Stipe ongeveer wel de laatste persoon van wie ik me kan voorstellen dat hij seks heeft. Die kale meneer met streep die vraagt of hij goed is in bed, het blijft wat apart, maar het werkt eigenlijk nog best goed.
Maar soit, dit is niet het zelfverklaarde punkalbum omdat er vier ballads op staan, maar omdat er acht rocknummers op staan, waarin er flink op de pedaaltjes gedrukt wordt. Deze nummers variëren van wel aardig (‘Circus Envy’, ‘You’) tot ijzersterk (het al eerder genoemde ‘Crush With Eyeliner’). Het leuke is ook nog dat het tekstueel allemaal niet zo nihilistisch is als in 1977; de geuite kritiek in ‘What’s the Frequency, Kenneth’ en vooral ‘King of Comedy’ snijdt houdt en de emotionele lading is soms net zo ontroerend als die op Automatic for the People.
Wat was dan wel het geval? Naar eigen zeggen wilden de heren een punkalbum maken, omdat ze gingen toeren en live ruigere nummers spelen erg leuk schijnt te zijn. Afijn, met Patti Smith, Iggy Pop en de Rolling Stones als lichtende voorbeelden werd dit ‘lelijke’ album opgenomen. Het begint al met het knetterende intro van ‘What’s the Frequency, Kenneth?’. Het daaropvolgende ‘Crush With Eyeliner’ is een soort Sonic Youth-light, mede door de bescheiden, maar erg sterke gastrol van Thurston Moore. Michael Stipe fungeert zelf als Bowie-achtige crooner.
Die twee liedjes zetten eigenlijk al de toon: het is een plaat vol feedback, distortion, gruis en vervorming, maar dan op een manier die weer niet té extreem is. Het My Bloody Valentine-achtige ‘Let Me In’ is wel het ‘extreemste’ nummer. Het is een vol feedback gehangen ballad, waarin na een tijdje een prachtig orgeltje binnenvalt. Binnen het oeuvre van R.E.M. kun je al direct lijntjes trekken naar ‘Star Me Kitten’ en vooral ‘Sweetness Follows’ van de voorganger. Heel gek is het dus allemaal niet; het was een vrij logische stap voor de band.
‘Strange Currencies’ is net iets teveel een echo van ‘Everybody Hurts’, maar tegelijkertijd worden in de ballads ‘Tongue’ en ‘I Don’t Sleep, I Dream’ ook soulinvloeden en erotiek geïncorporeerd. Nu is Michael Stipe ongeveer wel de laatste persoon van wie ik me kan voorstellen dat hij seks heeft. Die kale meneer met streep die vraagt of hij goed is in bed, het blijft wat apart, maar het werkt eigenlijk nog best goed.
Maar soit, dit is niet het zelfverklaarde punkalbum omdat er vier ballads op staan, maar omdat er acht rocknummers op staan, waarin er flink op de pedaaltjes gedrukt wordt. Deze nummers variëren van wel aardig (‘Circus Envy’, ‘You’) tot ijzersterk (het al eerder genoemde ‘Crush With Eyeliner’). Het leuke is ook nog dat het tekstueel allemaal niet zo nihilistisch is als in 1977; de geuite kritiek in ‘What’s the Frequency, Kenneth’ en vooral ‘King of Comedy’ snijdt houdt en de emotionele lading is soms net zo ontroerend als die op Automatic for the People.
Radiohead - Amnesiac (2001)

4,0
0
geplaatst: 25 februari 2012, 16:34 uur
Amnesiac is misschien wel de meest interessante Radiohead-plaat wat mij betreft. Eigenlijk ook wel de beste, omdat ik ‘m net wat consistener vind dan Kid A. Maar zoals altijd, voor mijn gevoel dan, bij een albums van Radiohead is de kwaliteit redelijk wisselvallig. Naast wat obligaat aandoende rocknummers als ‘Dollars and Cents’, ‘I Might Be Wrong’ en ‘Knives Out’ staan er ook een aantal veel interessantere en sterkere nummers op. Dit komt eigenlijk vooral door de sterke jazzinvloeden; Amnesiac staat dan ook bekend als de sterkst door jazz beïnvloedde plaat in het oeuvre van Radiohead.
De opener, ‘Pyramid Song’, ‘You and Whose Army’ (dat net begint als een Ink Spots-liedje) en vooral albumhoogtepunt en afsluiter ‘Life in a Glasshouse’ laten deze invloed zien. In laatstgenoemde nummer doen zelfs respectabele jazzmusici als Humphrey Lyttleton en Jimmy Hastings mee, die qua instrumentbeheersing de leden van Radiohead nog even een flink poepie laten ruiken.
In opener ‘Packt Like Sardines in a Crushd Tin Box’ (helaas zo’n arty-farty-rottiteltje) levert de elektronische piano een mooi fundament voor Yorke’s experimentjes met autotune. Ook dit album bevat namelijk, net als Kid A, wat probeersels. ‘Hunting Bears’ is compleet irrelevant, maar de poging tot Warp-electronica in ‘Pulk / Pull Revolving Doors’ pakt nog wel interessant uit. Helaas is de alternatieve versie van ‘Morning Bell’ weer minder geslaagd dan die op Kid A; deze versie staat me in principe meer aan, maar het begint zo plompverloren en de uitwerking valt ook wat tegen.
Dat onderstreept weer de zwakte van beide albums, Amnesiac én Kid A; het lekker alternatief en anders proberen zijn pakt zeker niet altijd even goed uit. Het is vaker gezegd, maar een compilatie van de meest interessante nummers van beide platen zou misschien wat fragmentarisch, maar wel consistenter uitpakken. Desondanks is dit nog een vrij behoorlijke Radiohead-plaat, met dank aan de jazz en elektronica.
Mijn suggestie overigens:
1. ‘Packt Like Sardines in a Crushd Tin Box’/2. ‘Idioteque’/3. ‘Pulk / Pull Revolving Doors’/ 4.‘Like Spinning Plates’/5. ‘Everything In Its Right Place’/6. ‘You And Whose Army?’/7. ‘Pyramid Song’/8. ‘The National Anthem’/9. ‘How to Disappear Completely’/10. ‘Life in a Glasshouse’
De opener, ‘Pyramid Song’, ‘You and Whose Army’ (dat net begint als een Ink Spots-liedje) en vooral albumhoogtepunt en afsluiter ‘Life in a Glasshouse’ laten deze invloed zien. In laatstgenoemde nummer doen zelfs respectabele jazzmusici als Humphrey Lyttleton en Jimmy Hastings mee, die qua instrumentbeheersing de leden van Radiohead nog even een flink poepie laten ruiken.
In opener ‘Packt Like Sardines in a Crushd Tin Box’ (helaas zo’n arty-farty-rottiteltje) levert de elektronische piano een mooi fundament voor Yorke’s experimentjes met autotune. Ook dit album bevat namelijk, net als Kid A, wat probeersels. ‘Hunting Bears’ is compleet irrelevant, maar de poging tot Warp-electronica in ‘Pulk / Pull Revolving Doors’ pakt nog wel interessant uit. Helaas is de alternatieve versie van ‘Morning Bell’ weer minder geslaagd dan die op Kid A; deze versie staat me in principe meer aan, maar het begint zo plompverloren en de uitwerking valt ook wat tegen.
Dat onderstreept weer de zwakte van beide albums, Amnesiac én Kid A; het lekker alternatief en anders proberen zijn pakt zeker niet altijd even goed uit. Het is vaker gezegd, maar een compilatie van de meest interessante nummers van beide platen zou misschien wat fragmentarisch, maar wel consistenter uitpakken. Desondanks is dit nog een vrij behoorlijke Radiohead-plaat, met dank aan de jazz en elektronica.
Mijn suggestie overigens:
1. ‘Packt Like Sardines in a Crushd Tin Box’/2. ‘Idioteque’/3. ‘Pulk / Pull Revolving Doors’/ 4.‘Like Spinning Plates’/5. ‘Everything In Its Right Place’/6. ‘You And Whose Army?’/7. ‘Pyramid Song’/8. ‘The National Anthem’/9. ‘How to Disappear Completely’/10. ‘Life in a Glasshouse’
Radiohead - In Rainbows (2007)

3,0
0
geplaatst: 29 januari 2012, 21:56 uur
Waar het zo ongeveer fout ging tussen Radiohead en mij, dat is aan te wijzen; om precies te zijn, ’t is de schuld van In Rainbows. Ik geef toe dat ik de meegeleverde stickers op een leeg cd-doosje heb geplakt, want stel je voor dat dat wat onpraktische kartonnen doosje zou scheuren! Ik zou de plaat namelijk heel, heel veel gaan draaien en dat heb ik ook gedaan: ik heb In Rainbows heel veel gedraaid. Want Radiohead op het hoesje, dat was een garantie voor spannende, experimentele muziek en dat was gaaf. Het heeft me zeker een aantal luisterbeurten gekost voordat ik over het gevoel van teleurstelling heen was. Daarna hield ik mezelf voor dat het toch een vrij sterke plaat was, ook al waren er wat minpuntjes. Anderhalve maand na verschijnen van de plaat wist ik dat ik klaar was met Radiohead.
Mijn bezwaren van toen gelden eigenlijk nog steeds. In Rainbows is een aalgladde electropopplaat waar nog wat gitaren opgezet zijn om het heel waarachtig te laten lijken, want de gitaar, dat is het Ware Instrument en Radiohead is de Ware Band. Ik overdrijf nu, maar veel nummers pakken me nog altijd niet. ‘Reckoner’ maakt nog steeds een indruk op me dat het een uitstekende bridge voor een nummer zou zijn geweest, maar in plaats van een halve minuut gaat dit bijna vijf minuten lang door. Zonde. ‘Weird Fishes/Arpeggi’ en de alleraardstige Sonic Youth-pastiche ‘Bodysnatchers’ waren dan wel weer redelijk meeslepend, maar Thom zingt daar weer zo ondermaats. Eigenlijk vind ik Videotape nog het beste nummer, waar ik ironisch genoeg vroeger dan weer weinig aan vond.
Naast de zwakke zang van Thom en het weinig memorabele van de nummers (hoe ‘House of Cards’ of ‘Faust Arp’ precies ging, geen idee meer), is ook de hele vibe rond de plaat iets wat me stoorde en nog altijd stoort. Vooruitstrevend of origineel vond ik het album niet, evenmin achtte ik het een meesterwerk. Iedereen om me heen riep van halleluja en Hosanna in de hoge, want de nieuwe Radiohead was geland. En ik heb het geprobeerd, ik heb smachtend naar het moment gewacht waarop ik mee kon doen aan het carnaval, maar dat bleek wachten op Godot.
Mijn bezwaren van toen gelden eigenlijk nog steeds. In Rainbows is een aalgladde electropopplaat waar nog wat gitaren opgezet zijn om het heel waarachtig te laten lijken, want de gitaar, dat is het Ware Instrument en Radiohead is de Ware Band. Ik overdrijf nu, maar veel nummers pakken me nog altijd niet. ‘Reckoner’ maakt nog steeds een indruk op me dat het een uitstekende bridge voor een nummer zou zijn geweest, maar in plaats van een halve minuut gaat dit bijna vijf minuten lang door. Zonde. ‘Weird Fishes/Arpeggi’ en de alleraardstige Sonic Youth-pastiche ‘Bodysnatchers’ waren dan wel weer redelijk meeslepend, maar Thom zingt daar weer zo ondermaats. Eigenlijk vind ik Videotape nog het beste nummer, waar ik ironisch genoeg vroeger dan weer weinig aan vond.
Naast de zwakke zang van Thom en het weinig memorabele van de nummers (hoe ‘House of Cards’ of ‘Faust Arp’ precies ging, geen idee meer), is ook de hele vibe rond de plaat iets wat me stoorde en nog altijd stoort. Vooruitstrevend of origineel vond ik het album niet, evenmin achtte ik het een meesterwerk. Iedereen om me heen riep van halleluja en Hosanna in de hoge, want de nieuwe Radiohead was geland. En ik heb het geprobeerd, ik heb smachtend naar het moment gewacht waarop ik mee kon doen aan het carnaval, maar dat bleek wachten op Godot.
Radiohead - OK Computer (1997)

3,5
2
geplaatst: 1 september 2011, 21:48 uur
Soms hangt er om een plaat en/of band gewoon een wat onprettige sfeer van ouwelullerigheid, eindeloos opgehemel en 'kijk, dit is verantwoord, ontzettend inventief en vernieuwd, dit moet je wel goed vinden'. U raadt het al, beste lezer, 'OK Computer' is er ook zo eentje. Zo'n album dat 'rockist! rockist!' schreeuwt, al voor je het überhaupt opgezet hebt.
Als we de cd opzetten dan blijkt het dat het tekstueel al een behoorlijk hoog 'Bløf in space'-gehalte heeft, semi-poëtisch geneuzel dus, maar dan met verwijzingen naar Orwell en Douglas Adams (wat betreft 'Paranoid Android' maakt Thom behoorlijk gebruik van het citaatrecht). Wat Thom wil communiceren, geen idee, maar het gaat vast om het zware bestaan als rockster en al dat soort dingen, maar het kan net zo goed gaan over croquet spelen met je schoonmoeder, terwijl je op een ijsbeer rijdt.
Zullen we het dan even over de muziek hebben? De o zo briljante, vernieuwde muziek? (Een jaar eerder kwam 'C'mon Kids' van The Boo Radleys uit, dat is ook een inventieve plaat. Draai maar. Echt.) Het drijft allemaal wel erg op volgestopte arrangementen, maar binnen het glimmende jasje bevindt zich zelden een echt sterk nummer. 'Let Down' is nogal een zeiknummer, 'Lucky' is behoorlijk ondermaats, 'Climbing Up the Walls' gaat nergens heen en in 'The Tourist' komt die vertraging maar niet, terwijl Thom ons wel steeds aanmaant tot 'slow down'. Het zal wel briljant zijn om dan niet te vertragen, maar ik vind van niet.
Zal ik nu even positief gaan doen? Ja, de singles zijn in orde, vooral 'No Surprises' is best wel mooi, een soort liftmuziek maar dan wel boeiend en 'Exit Music (For a Film)' is inderdaad erg sterk. Aangevuld met het prettige, rechttoe rechtaan 'Electioneering' (met koebel, bonuspunten) en het om de een of andere reden erg boeiende 'fitter happier' is ongeveer de helft van de plaat toch wel geslaagd, maar verre van briljant.
En nu ga ik weer zeuren. Misschien reageert er dan nog iemand verontwaardigd op me. Dat vind ik altijd leuk, als mensen verontwaardigd reageren op wat ik zeg. Ik denk dat ik later iemand ga worden die voor zijn beroep anderen op de kast jaagt. De andere helft van de plaat is dus ontzettend zaaddodend, beter zet je die nummers op repeat dan dat je een condoom omknoopt. 'OK Computer' is de 'The Wall' van eind jaren negentig, en dat is het eigenlijk nog steeds wel: bij vlagen geslaagd, maar zeker niet de Heilige Graal die er anderen van maken. De grijze, ouwe Pink Floyd-fans die 'The Wall' nog helemaal te groovy vinden, dat zijn de voorlopers van de in de toekomst even zo grijze 'OK Computer'-sekte, hopelijk zonder de vieze, naar zweet stinkende t-shirts.
En nu nog even 'warm aanbevolen door Maarten, categorie écht inventieve en emotionerende rockmuziek uit de jaren 90, of: als je Radiohead leuk vindt, waarom probeer je dan niet eens een echt goede cd?)': Sparklehorse - Vivadixiesubmarinetransmissionplot. The Boo Radleys - Wake Up!, C'Mon Kids. Blur - Blur, 13.
Als we de cd opzetten dan blijkt het dat het tekstueel al een behoorlijk hoog 'Bløf in space'-gehalte heeft, semi-poëtisch geneuzel dus, maar dan met verwijzingen naar Orwell en Douglas Adams (wat betreft 'Paranoid Android' maakt Thom behoorlijk gebruik van het citaatrecht). Wat Thom wil communiceren, geen idee, maar het gaat vast om het zware bestaan als rockster en al dat soort dingen, maar het kan net zo goed gaan over croquet spelen met je schoonmoeder, terwijl je op een ijsbeer rijdt.
Zullen we het dan even over de muziek hebben? De o zo briljante, vernieuwde muziek? (Een jaar eerder kwam 'C'mon Kids' van The Boo Radleys uit, dat is ook een inventieve plaat. Draai maar. Echt.) Het drijft allemaal wel erg op volgestopte arrangementen, maar binnen het glimmende jasje bevindt zich zelden een echt sterk nummer. 'Let Down' is nogal een zeiknummer, 'Lucky' is behoorlijk ondermaats, 'Climbing Up the Walls' gaat nergens heen en in 'The Tourist' komt die vertraging maar niet, terwijl Thom ons wel steeds aanmaant tot 'slow down'. Het zal wel briljant zijn om dan niet te vertragen, maar ik vind van niet.
Zal ik nu even positief gaan doen? Ja, de singles zijn in orde, vooral 'No Surprises' is best wel mooi, een soort liftmuziek maar dan wel boeiend en 'Exit Music (For a Film)' is inderdaad erg sterk. Aangevuld met het prettige, rechttoe rechtaan 'Electioneering' (met koebel, bonuspunten) en het om de een of andere reden erg boeiende 'fitter happier' is ongeveer de helft van de plaat toch wel geslaagd, maar verre van briljant.
En nu ga ik weer zeuren. Misschien reageert er dan nog iemand verontwaardigd op me. Dat vind ik altijd leuk, als mensen verontwaardigd reageren op wat ik zeg. Ik denk dat ik later iemand ga worden die voor zijn beroep anderen op de kast jaagt. De andere helft van de plaat is dus ontzettend zaaddodend, beter zet je die nummers op repeat dan dat je een condoom omknoopt. 'OK Computer' is de 'The Wall' van eind jaren negentig, en dat is het eigenlijk nog steeds wel: bij vlagen geslaagd, maar zeker niet de Heilige Graal die er anderen van maken. De grijze, ouwe Pink Floyd-fans die 'The Wall' nog helemaal te groovy vinden, dat zijn de voorlopers van de in de toekomst even zo grijze 'OK Computer'-sekte, hopelijk zonder de vieze, naar zweet stinkende t-shirts.
En nu nog even 'warm aanbevolen door Maarten, categorie écht inventieve en emotionerende rockmuziek uit de jaren 90, of: als je Radiohead leuk vindt, waarom probeer je dan niet eens een echt goede cd?)': Sparklehorse - Vivadixiesubmarinetransmissionplot. The Boo Radleys - Wake Up!, C'Mon Kids. Blur - Blur, 13.
Randy Newman - Harps and Angels (2008)

4,5
1
geplaatst: 6 mei 2011, 23:46 uur
Destijds gewoon als blinde gok gekocht: recensies noemden gekke stemmetjes, aparte figuren en Tom Waits, en die hoes is natuurlijk briljant. Echt. Mooiste hoes van 2008. Kijk de achterkant ook. Die is ook mooi. Het was mijn eerste kennismaking met het fenomeen met het Hawai-hemd en het is nog steeds mijn favoriete plaat van hem.
En ja, deze plaat beviel me absoluut. Kende niet bewust de muziek van Randy Newman, maar voor singer-songwriters ben ik sowieso te porren en wat blijkt: Randy is een van de grootste talenten binnen dat genre. Tekstueel is hij realistischer dan Bob Dylan en ironischer dan de Simpsons (die hij geregeld noemt als catalysator in zijn langzaam niet meer controversieel worden). "A Few Words in Defense Of Our Country" zoekt naar een staatshoofd dat nog slechter was dan George Bush en komt met een aantal overtuigende voorbeelden van slecht leiderschap, maar natuurlijk ligt de ironie er ontzettend dik bovenop. Randy Newman is een linkse hobby.
In het excentriek gearrangeerde en gebrachte "A Piece of the Pie" wordt die vervelende Bono aangepakt: "Bono's off to Africa, he's never around/No-one gives a shite but Jackson Browne". Randy Newman is ook realistischer dan Bono, die nog steeds Jezus speelt voor leprozen die alleen in zijn hoofd zitten. Afrika? Dat is ver weg joh, laat Bono dat maar doen, maar in Amerika is de hele zaak ook mooi klote, maar ja, Randy is de Messias niet, Randy kan er alleen liedjes over zingen.
Toch is het niet alleen (politieke) ironie wat de klok slaat: "Laugh and Be Happy" is een fijn hart onder de riem, en "Feels Like Home" en "Losing You", de twee nummers die ik eigenlijk het minst waardeer maar nu "Losing You" op de radio langskomt is het nummer me toch nog best dierbaar, zijn schaamteloos sentimenteel. Liedjes die ik, zo ik nu weet dankzij een mooi interview in de Vrij Nederland ("Ik luister al mijn leven lang naar uw muziek" werd prachtig en oprecht bezorgd beantwoord met "Ik hoop maar dat je er niets aan over gehouden hebt"), vroeger door Randy gedwarsboomd zouden zijn met een gekke titel of iets dergelijks. In "Only a Girl" doet Randy het nog wel: een liefdesliedje, maar ja, waarom houdt ze van zo iemand oud en lelijk als hij? Het moet om het geld zijn natuurlijk! Maar die twee liedjes, "Feels Like Home" en "Losing You", hier zijn ze "gewoon" (wat is gewoon bij Randy?) bijna gezongen en in de strijkers gezet. Desondanks zijn ze gewoon mooi. Mooi om het mooi zijn, het bestaat zelfs bij Randy Newman.
O, nu komt "Feels Like Home" langs. Mijn ogen worden waterig en zacht. Eigenlijk wilde ik het in deze recensie laten bij "... het bestaat zelfs bij Randy Newman", wat een veel betere uitsmijter is, maar wat een mooi liedje is het eigenlijk gewoon. Dank je, Randy.
En ja, deze plaat beviel me absoluut. Kende niet bewust de muziek van Randy Newman, maar voor singer-songwriters ben ik sowieso te porren en wat blijkt: Randy is een van de grootste talenten binnen dat genre. Tekstueel is hij realistischer dan Bob Dylan en ironischer dan de Simpsons (die hij geregeld noemt als catalysator in zijn langzaam niet meer controversieel worden). "A Few Words in Defense Of Our Country" zoekt naar een staatshoofd dat nog slechter was dan George Bush en komt met een aantal overtuigende voorbeelden van slecht leiderschap, maar natuurlijk ligt de ironie er ontzettend dik bovenop. Randy Newman is een linkse hobby.
In het excentriek gearrangeerde en gebrachte "A Piece of the Pie" wordt die vervelende Bono aangepakt: "Bono's off to Africa, he's never around/No-one gives a shite but Jackson Browne". Randy Newman is ook realistischer dan Bono, die nog steeds Jezus speelt voor leprozen die alleen in zijn hoofd zitten. Afrika? Dat is ver weg joh, laat Bono dat maar doen, maar in Amerika is de hele zaak ook mooi klote, maar ja, Randy is de Messias niet, Randy kan er alleen liedjes over zingen.
Toch is het niet alleen (politieke) ironie wat de klok slaat: "Laugh and Be Happy" is een fijn hart onder de riem, en "Feels Like Home" en "Losing You", de twee nummers die ik eigenlijk het minst waardeer maar nu "Losing You" op de radio langskomt is het nummer me toch nog best dierbaar, zijn schaamteloos sentimenteel. Liedjes die ik, zo ik nu weet dankzij een mooi interview in de Vrij Nederland ("Ik luister al mijn leven lang naar uw muziek" werd prachtig en oprecht bezorgd beantwoord met "Ik hoop maar dat je er niets aan over gehouden hebt"), vroeger door Randy gedwarsboomd zouden zijn met een gekke titel of iets dergelijks. In "Only a Girl" doet Randy het nog wel: een liefdesliedje, maar ja, waarom houdt ze van zo iemand oud en lelijk als hij? Het moet om het geld zijn natuurlijk! Maar die twee liedjes, "Feels Like Home" en "Losing You", hier zijn ze "gewoon" (wat is gewoon bij Randy?) bijna gezongen en in de strijkers gezet. Desondanks zijn ze gewoon mooi. Mooi om het mooi zijn, het bestaat zelfs bij Randy Newman.
O, nu komt "Feels Like Home" langs. Mijn ogen worden waterig en zacht. Eigenlijk wilde ik het in deze recensie laten bij "... het bestaat zelfs bij Randy Newman", wat een veel betere uitsmijter is, maar wat een mooi liedje is het eigenlijk gewoon. Dank je, Randy.
Rats on Rafts - The Moon Is Big (2011)

4,0
0
geplaatst: 21 december 2011, 13:37 uur
Het debuut van Rats on Rafts is een plaat (want tot op heden alleen op vinyl verkrijgbaar) die mag, nee, móét worden gekoesterd. Neem alleen al die prachtige hoes; zo’n album ga je toch niet op cd kopen? Afijn, als we de naald in de groef zetten, dan valt er ook genoeg te beleven. Het is dat ik er destijds niet bij was, eind jaren zeventig, anders had ik me teruggewaand in de tijd dat punk ook een uitgangspunt werd voor spannende, originele muziek, met een gevoel dat schreeuwt 'alles kan, waarom ook niet?'. Het is dan ook de tijdsgeest die opnieuw opleeft, niet zozeer het geluid van illustere voorgangers als Joy Division, dat te pas en te onpas aangehaald wordt als het om deze band gaat.
Natuurlijk zijn er referenties: de messcherpe gitaarlijnen in het titelnummer doen wat aan Echo & the Bunnymen denken, de ironisch getitelde afsluiter ‘Jazz’ heeft misschien wel wat weg van Sonic Youth, etcetera. Het gaat echter om pure opwinding, anarchistische humor (die break in het titelnummer!) en je kunt er nog perfect de Ian Curtis op dansen. Al komt het nogal verwrongen over, er is funk. Er stuitert geregeld een saxofoon mee, de koortjes werken uitstekend (afwisselend prettig melig en pseudomilitair dwingend) en ondertussen schiet de bas als een hondsdolle rat door het riool.
Naast dat het dus echt goed in orde is qua geluid, zijn ook de liedjes gewoonweg sterk. Het titelnummer en meezinger ‘God is Dead’ komen nog wel het dichtst in de buurt van 3FM-materiaal, maar daar is ook alles wel mee gezegd. Het dromerige, slaperige ‘Sleeping in Rotterdam’ klinkt vrij verstild, met reverb-zang in de beste shoegazing-traditie, maar het nummer ‘ontwaakt’ op een gegeven moment en krijgt een prettige, maar dwingende puls mee. Het zijn dit soort momenten waarop het duidelijk is dat dit een debuutalbum is dat zowel een grote belofte is, als dat die belofte gelijk schijnbaar achteloos ingelost wordt.
Natuurlijk zijn er referenties: de messcherpe gitaarlijnen in het titelnummer doen wat aan Echo & the Bunnymen denken, de ironisch getitelde afsluiter ‘Jazz’ heeft misschien wel wat weg van Sonic Youth, etcetera. Het gaat echter om pure opwinding, anarchistische humor (die break in het titelnummer!) en je kunt er nog perfect de Ian Curtis op dansen. Al komt het nogal verwrongen over, er is funk. Er stuitert geregeld een saxofoon mee, de koortjes werken uitstekend (afwisselend prettig melig en pseudomilitair dwingend) en ondertussen schiet de bas als een hondsdolle rat door het riool.
Naast dat het dus echt goed in orde is qua geluid, zijn ook de liedjes gewoonweg sterk. Het titelnummer en meezinger ‘God is Dead’ komen nog wel het dichtst in de buurt van 3FM-materiaal, maar daar is ook alles wel mee gezegd. Het dromerige, slaperige ‘Sleeping in Rotterdam’ klinkt vrij verstild, met reverb-zang in de beste shoegazing-traditie, maar het nummer ‘ontwaakt’ op een gegeven moment en krijgt een prettige, maar dwingende puls mee. Het zijn dit soort momenten waarop het duidelijk is dat dit een debuutalbum is dat zowel een grote belofte is, als dat die belofte gelijk schijnbaar achteloos ingelost wordt.
Red Hot Chili Peppers - By the Way (2002)

2,0
0
geplaatst: 11 mei 2011, 14:48 uur
Die gekke band toch ook, de leden denken dat ze Radiohead zijn. Of beter dan Radiohead. Wat duidelijk is is dat Red Hot Chili Peppers hier mikt op een soort classic rock, ballad-achtig werk met soms een een zogeheten "licht-experimentele" inslag. Het levert, niet zoals bij Radiohead, geen vreselijke pretentieus gezever op, maar net als die ene andere band komt het wel uit op een portie saai geneuzel, maar dan nog een tantje erger.
Kan ik bij Radiohead tegenwoordig al die pretenties absoluut niet meer waarderen, hier is Antonie Kijkdoos het grote euvel: wat heeft die man een slechte stem. Nu kan ik me zulke vreselijke, veel te zware Amerikaanse accenten vreselijk ergeren en dat doe ik hier dan ook. Dan komen we bij de liedjes zelf aan; over het algemeen ook behoorlijk zwak. "Cabron" is gewoon een banaal, stom cuntryliedje, "The Zephyr Song" is zeikerij voor radiostations die rockmuziek voor 65+'ers draaien, "I Could Die For You" is zo zoet dat je er cynisch van wordt.
Dan zijn er gelukkig nog wel enigzins interessante momenten. "Can't Stop" is een leuke poging om Gang of Four toegankelijk te maken voor die eerder genoemde radiostations en "This is the Place" heeft een aardig gitaargeluid en bouwt an sich wel een aardig sfeertje op, maar die zanger had dan weer niet gehoeven. "Dosed", ongeveer hetzelfde verhaal. Kan me niet schelen of dit album heel eerlijk en open is qua teksten, want ik kan daar ook niets mee. Geheel niets. Nergens boeiend, nergens schokkend, gewoon saai en bij vlagen gewoonweg pathetisch.
Rest mij te concluderen dat, samen met die vreselijk lelijke hoes, dit een album is dat aardige aanzetjes bevat, maar qua materiaal nogal te kort schiet, of gewoon te flauw en oubollig is voor woorden. Een voldoende kan ik er niet voor geven.
Kan ik bij Radiohead tegenwoordig al die pretenties absoluut niet meer waarderen, hier is Antonie Kijkdoos het grote euvel: wat heeft die man een slechte stem. Nu kan ik me zulke vreselijke, veel te zware Amerikaanse accenten vreselijk ergeren en dat doe ik hier dan ook. Dan komen we bij de liedjes zelf aan; over het algemeen ook behoorlijk zwak. "Cabron" is gewoon een banaal, stom cuntryliedje, "The Zephyr Song" is zeikerij voor radiostations die rockmuziek voor 65+'ers draaien, "I Could Die For You" is zo zoet dat je er cynisch van wordt.
Dan zijn er gelukkig nog wel enigzins interessante momenten. "Can't Stop" is een leuke poging om Gang of Four toegankelijk te maken voor die eerder genoemde radiostations en "This is the Place" heeft een aardig gitaargeluid en bouwt an sich wel een aardig sfeertje op, maar die zanger had dan weer niet gehoeven. "Dosed", ongeveer hetzelfde verhaal. Kan me niet schelen of dit album heel eerlijk en open is qua teksten, want ik kan daar ook niets mee. Geheel niets. Nergens boeiend, nergens schokkend, gewoon saai en bij vlagen gewoonweg pathetisch.
Rest mij te concluderen dat, samen met die vreselijk lelijke hoes, dit een album is dat aardige aanzetjes bevat, maar qua materiaal nogal te kort schiet, of gewoon te flauw en oubollig is voor woorden. Een voldoende kan ik er niet voor geven.
Regina Spektor - Soviet Kitsch (2003)

5,0
0
geplaatst: 1 februari 2012, 22:25 uur
Nadat ik eindelijk eens m’n eerste Regina Spektor heb gedraaid, blijkt het dus dat zo’n beetje iedereen al naar haar luisterde. Het onderstreept maar weer eens dat ik heel wat gemist heb, maar Soviet Kitsch mag regelmatig rondjes draaien in mijn cd-speler, want dat verdient Regina absoluut. Afijn, wat Regina verder doet, ik heb geen idee, maar ik zal proberen om uiteen te zetten waarom ik deze cd op zo’n frequente basis beluister en waarom dat misschien voor anderen ook wel een goed plan is.
Begeleid door piano en af en toe wat percussies of strijkers, is Soviet Kitsch vrij sober geïnstrumenteerd, maar dit legt veel meer de nadruk op Regina’s ontzettend mooie stem en de net zo mooie teksten. Wat het laatste betreft: ze is realistischer dan Leonard Cohen en Bob Dylan bij elkaar, maar ze kan tegelijkertijd soms zelfs nog net wat onverwachter en buitenissiger uit de hoek komen dan die twee. Roos Rebergen moet wel goed naar Regina Spektor geluisterd hebben, want hoe zij (vooral op haar debuut) onder de wolbolletjes semisurrealistische beelden ook vrij duidelijke verhalen te vertellen heeft, zoiets doet Regina ook, en op niveau.
Opener ‘Ode to Divorce’ begint bijvoorbeeld als een liedje over eenzaamheid, indachtig de titel vanwege een scheiding. Het refrein lijkt gewoon praktisch van aard: ‘I need your money, it'll help me/ I need your car’, maar wordt vervolgd met ‘and I need your love’, om daarna uit te komen bij de excentriek geformuleerde, maar passioneel gezongen vraag ‘So won't you help a brother out?’
‘Ghosts of Corporate Future’ is van deze opvallende werkwijze misschien wel het meest duidelijke voorbeeld. Het begin met het concrete, schijnbaar triviale beschrijven van hoe het buiten regent en een man zonder paraplu naar buiten loopt. Daarna komt tekst uit bij het pijnlijke spelletje stel je eens voor dat ‘When you come home, your children have grown/ and you never made your wife moan’. Het is overigens niet het enige dat uit de mond van de Dickensesque geest uit de titel komt. Hij lijkt soms zelfs wel het Cantervilles-spook met Oscar Wilde als souffleur.
Naast dit soort onverwachte opmerkingen valt er ook gewoon veel te lachen. ‘Poor Little Rich Boy’ schetst een amusant beeld van rijkeluiszoontjes die doen alsof ze aan de zelfkant leven en in het gedreven punknummer ‘Fight For Your Honor’ gaat haar vriendje vechten om haar eer te verdedigen. Ze zal na afloop wat ijs halen voor zijn hand, een koude steak, maar ‘But I'm a vegetarian so it's a frozen pizza pie’.
Ook komt Regina soms ronduit ontroerend uit de hoek: ‘Us’ is een klein liefdesliedje met wervelend pianospel en ‘Somedays’ is de verstilde albumafsluiter. Dit liedje neemt wat meer gas terug na tour de force ‘Chemo Limo’, maar laat het album zeker niet als een nachtkaars uitgaan.
‘Chemo Limo’ is namelijk echt buitenklasse, een nummer waar menig singer-songwriter jaloers op mag zijn. Het geeft me een soortgelijk gevoel als ‘Road to Nowhere’ van Talking Heads. In het laatstgenoemde nummer wordt de tocht richting de dood jubelend bezongen en al is de sfeer op ‘Chemo Limo’ wat minder euforisch, het heeft op eenzelfde manier iets geruststellends. Het verhaal begint met een prachtig surrealistische metafoor voor dollars, crispy Benjamin Franklin en is tegelijkertijd is het ook een felle aanklacht tegen het Amerikaanse zorgstelsel. Bovendien, zodra de limousine genoemd wordt, zie ik hem ook echt aan komen rijden. Deze afwisseling tussen echt grappige moment en echt ontroerende momenten maakt van Soviet Kitsch een rijk, boeiend album: geen kitsch, maar kunst.
Begeleid door piano en af en toe wat percussies of strijkers, is Soviet Kitsch vrij sober geïnstrumenteerd, maar dit legt veel meer de nadruk op Regina’s ontzettend mooie stem en de net zo mooie teksten. Wat het laatste betreft: ze is realistischer dan Leonard Cohen en Bob Dylan bij elkaar, maar ze kan tegelijkertijd soms zelfs nog net wat onverwachter en buitenissiger uit de hoek komen dan die twee. Roos Rebergen moet wel goed naar Regina Spektor geluisterd hebben, want hoe zij (vooral op haar debuut) onder de wolbolletjes semisurrealistische beelden ook vrij duidelijke verhalen te vertellen heeft, zoiets doet Regina ook, en op niveau.
Opener ‘Ode to Divorce’ begint bijvoorbeeld als een liedje over eenzaamheid, indachtig de titel vanwege een scheiding. Het refrein lijkt gewoon praktisch van aard: ‘I need your money, it'll help me/ I need your car’, maar wordt vervolgd met ‘and I need your love’, om daarna uit te komen bij de excentriek geformuleerde, maar passioneel gezongen vraag ‘So won't you help a brother out?’
‘Ghosts of Corporate Future’ is van deze opvallende werkwijze misschien wel het meest duidelijke voorbeeld. Het begin met het concrete, schijnbaar triviale beschrijven van hoe het buiten regent en een man zonder paraplu naar buiten loopt. Daarna komt tekst uit bij het pijnlijke spelletje stel je eens voor dat ‘When you come home, your children have grown/ and you never made your wife moan’. Het is overigens niet het enige dat uit de mond van de Dickensesque geest uit de titel komt. Hij lijkt soms zelfs wel het Cantervilles-spook met Oscar Wilde als souffleur.
Naast dit soort onverwachte opmerkingen valt er ook gewoon veel te lachen. ‘Poor Little Rich Boy’ schetst een amusant beeld van rijkeluiszoontjes die doen alsof ze aan de zelfkant leven en in het gedreven punknummer ‘Fight For Your Honor’ gaat haar vriendje vechten om haar eer te verdedigen. Ze zal na afloop wat ijs halen voor zijn hand, een koude steak, maar ‘But I'm a vegetarian so it's a frozen pizza pie’.
Ook komt Regina soms ronduit ontroerend uit de hoek: ‘Us’ is een klein liefdesliedje met wervelend pianospel en ‘Somedays’ is de verstilde albumafsluiter. Dit liedje neemt wat meer gas terug na tour de force ‘Chemo Limo’, maar laat het album zeker niet als een nachtkaars uitgaan.
‘Chemo Limo’ is namelijk echt buitenklasse, een nummer waar menig singer-songwriter jaloers op mag zijn. Het geeft me een soortgelijk gevoel als ‘Road to Nowhere’ van Talking Heads. In het laatstgenoemde nummer wordt de tocht richting de dood jubelend bezongen en al is de sfeer op ‘Chemo Limo’ wat minder euforisch, het heeft op eenzelfde manier iets geruststellends. Het verhaal begint met een prachtig surrealistische metafoor voor dollars, crispy Benjamin Franklin en is tegelijkertijd is het ook een felle aanklacht tegen het Amerikaanse zorgstelsel. Bovendien, zodra de limousine genoemd wordt, zie ik hem ook echt aan komen rijden. Deze afwisseling tussen echt grappige moment en echt ontroerende momenten maakt van Soviet Kitsch een rijk, boeiend album: geen kitsch, maar kunst.
Rhymesayers Record Store Day (2011)

4,0
0
geplaatst: 2 mei 2011, 17:42 uur
Erg fijne verzamel-EP. Ik moet eerlijk zeggen dat ik alleen van Atmosphere en P.O.S. wel wat muziek kende, maar Aesop Rock en Brother Ali alleen van naam. De rest zegt me eerlijk gezegd niets, maar dat kan nog komen. P.O.S. levert overigens het minste nummer van de cd af, een maar flauw, hoewel wel vrij rauw nummer.
Brother Ali levert een fijne bijdrage met een prettig refrein dat blijft hangen en sterk geplaatste samples over een licht stuiterende beat heen. Ook de mij geheel onbekende Evidence levert een fijne, erg donkere track af. Het gefluisterde "shadow" zorgt voor een dreigende sfeer en de biet draagt daar ook zeker aan bij.
De beste nummers zijn voor mij overigens die van Atmosphere & Aesop Rock, die bijna zo cynisch en donker is als Leonard Cohen op Songs of Love and Hate en ondanks zijn erg directe tekst iets ruw poëtisch heeft, en het nummer van Grieves die mij ook geheel onbekend was, maar als ik het zo hoor is het zeker een interessante artiest.
Wat is dat overigens voor een gitaarsample in de overigens prima track van Blueprint? Ik ken hem wel, maar ik kan er niet op komen welke het is. 't is een vrij bekende gitaarlijn volgens mij.
Brother Ali levert een fijne bijdrage met een prettig refrein dat blijft hangen en sterk geplaatste samples over een licht stuiterende beat heen. Ook de mij geheel onbekende Evidence levert een fijne, erg donkere track af. Het gefluisterde "shadow" zorgt voor een dreigende sfeer en de biet draagt daar ook zeker aan bij.
De beste nummers zijn voor mij overigens die van Atmosphere & Aesop Rock, die bijna zo cynisch en donker is als Leonard Cohen op Songs of Love and Hate en ondanks zijn erg directe tekst iets ruw poëtisch heeft, en het nummer van Grieves die mij ook geheel onbekend was, maar als ik het zo hoor is het zeker een interessante artiest.
Wat is dat overigens voor een gitaarsample in de overigens prima track van Blueprint? Ik ken hem wel, maar ik kan er niet op komen welke het is. 't is een vrij bekende gitaarlijn volgens mij.
Rickie Lee Jones - Rickie Lee Jones (1979)

4,0
1
geplaatst: 25 augustus 2012, 14:12 uur
Rickie Lee Jones is bij velen waarschijnlijk alleen bekend als ex-vriendin van Tom Waits en de zangeres die in dEUS’ ‘Hotellongue’ genoemd wordt. Ik moet toegeven dat ook dit mijn beweegredenen zijn geweest om haar titelloze debuut en Pirates aan te schaffen op een vinylmarkt en ondanks dat ik niet direct van Rickie kon houden en onze relatie wat gecompliceerd was aan het begin, is dat een verstandig besluit geweest.
Afijn, het schijnt dus dat Rickie, Tom en Chuck E. Weiss een soort heilige drie-eenheid waren en samen in een hotel woonden. Weiss maakte pas heel laat, in 1999, z’n debuut en werd door veel critici, vanwege ’s mans excentrieke benadering van de blues, uiteraard direct met Tom Waits vergeleken. Het is waarschijnlijker dat Tom en Chuck elkaar beïnvloed hebben. Tussen Chuck en Rickie zijn muzikaal gezien minder lijntjes te trekken dan tussen haar (behalve de albumopener van dit debuut dan) en Tom, maar het zou ook te makkelijk zijn om haar weg te zetten als een soort vrouwelijke Tom Waits.
In ‘Easy Money’ oreert Rickie er ook op los, met in haar stem al evenveel jazz als in de begeleiding. Wie dan direct Tom Waits roept, heeft waarschijnlijk nog nooit één van de platen van Jack Kerouac gehoord. Rickie’s teksten zijn vaak in verband gebracht met de poëzie van de Beat Generation, maar ze passen eigenlijk precies tussen Raymond Carver en Mark Twain. Het zijn sfeervolle dwarsdoorsneden uit het stadsleven, straatwijsheid wordt afgewisseld door kwetsbaarheid.
De muziek is redelijk rijk, maar uiterst effectief geïnstrumenteerd. Naast de kale pianoliedjes ‘On Saturday Afternoons in 1963’ en ‘After Hours (Twelve Bars Past Midnight)’ (prachtige titel) zijn er ook flirts met Caribische muziek en klassieke jazz en rock ’n roll terug te vinden. Het is ook interessant om te zien welke musici bijdrages hebben geleverd: Dr. John en Randy Newman zijn natuurlijk niet de minsten, maar ook Steve Gadd, Michael McDonald, Tom Scott en Neil Larsen (de huidige tour-toetsenist van Leonard Cohen) zijn van de partij. De platenmaatschappij had er waarschijnlijk het volste vertrouwen in en terecht.
Rickie Lee Jones is een mooi debuut waarop Rickie een enorme virtuositeit qua zang laat horen, eerder a la Joni Mitchell dan Beyoncé, om maar iemand te noemen. Dit heeft me wat tijd gekost, ook omdat ik Rickie eerst niet goed kon verstaan en wat me eerst behoorlijk aan dit album frustreerde. Opvolger Pirates kon ik nog minder goed hebben, maar ik ben nu druk bezig om ook met dat album vrede te sluiten. Zo af en toe begint het te kriebelen en dan mag dit debuut weer op de platenspeler. Het bleek zowaar een mooie, diverse plaat te zijn en uiteindelijk kon ik Rickie nog verstaan ook. De teksten geven het album net wat meer een bohèmienesque sfeer en dat doet de muziek veel goed. Tom Waits, dat was toch het ex-vriendje van Rickie Lee Jones?
Afijn, het schijnt dus dat Rickie, Tom en Chuck E. Weiss een soort heilige drie-eenheid waren en samen in een hotel woonden. Weiss maakte pas heel laat, in 1999, z’n debuut en werd door veel critici, vanwege ’s mans excentrieke benadering van de blues, uiteraard direct met Tom Waits vergeleken. Het is waarschijnlijker dat Tom en Chuck elkaar beïnvloed hebben. Tussen Chuck en Rickie zijn muzikaal gezien minder lijntjes te trekken dan tussen haar (behalve de albumopener van dit debuut dan) en Tom, maar het zou ook te makkelijk zijn om haar weg te zetten als een soort vrouwelijke Tom Waits.
In ‘Easy Money’ oreert Rickie er ook op los, met in haar stem al evenveel jazz als in de begeleiding. Wie dan direct Tom Waits roept, heeft waarschijnlijk nog nooit één van de platen van Jack Kerouac gehoord. Rickie’s teksten zijn vaak in verband gebracht met de poëzie van de Beat Generation, maar ze passen eigenlijk precies tussen Raymond Carver en Mark Twain. Het zijn sfeervolle dwarsdoorsneden uit het stadsleven, straatwijsheid wordt afgewisseld door kwetsbaarheid.
De muziek is redelijk rijk, maar uiterst effectief geïnstrumenteerd. Naast de kale pianoliedjes ‘On Saturday Afternoons in 1963’ en ‘After Hours (Twelve Bars Past Midnight)’ (prachtige titel) zijn er ook flirts met Caribische muziek en klassieke jazz en rock ’n roll terug te vinden. Het is ook interessant om te zien welke musici bijdrages hebben geleverd: Dr. John en Randy Newman zijn natuurlijk niet de minsten, maar ook Steve Gadd, Michael McDonald, Tom Scott en Neil Larsen (de huidige tour-toetsenist van Leonard Cohen) zijn van de partij. De platenmaatschappij had er waarschijnlijk het volste vertrouwen in en terecht.
Rickie Lee Jones is een mooi debuut waarop Rickie een enorme virtuositeit qua zang laat horen, eerder a la Joni Mitchell dan Beyoncé, om maar iemand te noemen. Dit heeft me wat tijd gekost, ook omdat ik Rickie eerst niet goed kon verstaan en wat me eerst behoorlijk aan dit album frustreerde. Opvolger Pirates kon ik nog minder goed hebben, maar ik ben nu druk bezig om ook met dat album vrede te sluiten. Zo af en toe begint het te kriebelen en dan mag dit debuut weer op de platenspeler. Het bleek zowaar een mooie, diverse plaat te zijn en uiteindelijk kon ik Rickie nog verstaan ook. De teksten geven het album net wat meer een bohèmienesque sfeer en dat doet de muziek veel goed. Tom Waits, dat was toch het ex-vriendje van Rickie Lee Jones?
Rico & A.R.T - Irie (2014)

4,0
0
geplaatst: 20 mei 2014, 11:54 uur
Rapper Rico heeft een bewogen periode achter de rug, en daar is veel van terug te horen op Irie. Zijn nonchalance met geld begon hem op te breken en hij werd ook nog eens dakloos. Toch is Irie geen zwaarmoedige, topzware emohiphopplaat geworden. Producer A.R.T. heeft het album namelijk van een opgewekt reggaegeluid voorzien.
De muziek op Irie is enigszins schatplichtig aan die van Doe Maar en Postmen; van beide bands doen overigens ook leden mee op deze plaat. De sterke afsluiter ‘Je Weet’ knipoogt natuurlijk ook duidelijk naar de Postmen-klassieker ‘U Wait’. Een belangrijke overeenkomst tussen die twee groepen en Irie is bovendien dat de zonnige reggae gepaard gaat met vaak donkere teksten. Single ‘Naaktslak’ is daar een knap voorbeeld van: zomerse begeleiding, maar een openhartige, verhalende tekst over dakloos zijn.
En dan lees je hier maar mooi verder.
De muziek op Irie is enigszins schatplichtig aan die van Doe Maar en Postmen; van beide bands doen overigens ook leden mee op deze plaat. De sterke afsluiter ‘Je Weet’ knipoogt natuurlijk ook duidelijk naar de Postmen-klassieker ‘U Wait’. Een belangrijke overeenkomst tussen die twee groepen en Irie is bovendien dat de zonnige reggae gepaard gaat met vaak donkere teksten. Single ‘Naaktslak’ is daar een knap voorbeeld van: zomerse begeleiding, maar een openhartige, verhalende tekst over dakloos zijn.
En dan lees je hier maar mooi verder.
Ro Halfhide - #MalaysiaStyle (2011)

3,5
0
geplaatst: 16 juli 2011, 18:03 uur
Ro Halfhide is bekend als drummer bij en producer van de laatste plaat van Lucky Fonz III, waarop zijn productie uitstekend klinkt. Ook heeft meneer veel voor het Amsterdam Songwriters Guild gedaan, plus de laatste No Ninja Am I, wat overigens een kutplaat was, excusez le mot.
Zijn solo-debuut (via bandcamp te downloaden) is echter van het type "Ik kan wel doen alsof ik Bob Dylan ben, maar laat ik maar zoveel genres proberen", a la de onvolprezen mede-hometaper Blimey!, dus één voor één iets aanpakken, niet dat eclectische van Beck.
Dit levert naast een heel fijn folkliedje ("Easy Away", dat best lo-fi klinkt), electropop met (dwars)fluiten op, naast nog wat reggae en country. Coherent? Nee joh, maar wel charmant. Een leuke plaat is het echter wel en hij is gratis, dus eens gek en probeer het eens uit.
Zijn solo-debuut (via bandcamp te downloaden) is echter van het type "Ik kan wel doen alsof ik Bob Dylan ben, maar laat ik maar zoveel genres proberen", a la de onvolprezen mede-hometaper Blimey!, dus één voor één iets aanpakken, niet dat eclectische van Beck.
Dit levert naast een heel fijn folkliedje ("Easy Away", dat best lo-fi klinkt), electropop met (dwars)fluiten op, naast nog wat reggae en country. Coherent? Nee joh, maar wel charmant. Een leuke plaat is het echter wel en hij is gratis, dus eens gek en probeer het eens uit.
Roosbeef - Omdat Ik Dat Wil (2011)

4,0
0
geplaatst: 2 november 2011, 15:16 uur
Waar een beetje introspectie, zelfinzicht en -diagnosticeren al niet tot kan leiden: ‘Ik weet het, ’t is geen excuus, ik ben er zelf ook bij/Maar ‘k heb ze niet in de hand, die hersens van mij’. Natuurlijk zit er een knipoog achter, of toch niet? Bestuur jij nou je hersenen of zij jou? Roos komt er ook niet uit op dit album. Het levert weer associatieve teksten op, gesponnen rond een bolletje wat je concept, idee of gevoel zou kunnen noemen. Tot zover niets nieuws, zo lijkt het.
Uit ‘Hersens’, het hierboven geciteerde sleutelnummer van het album, komt ook de albumtitel: Omdat ik dat wil. Deze titel mag ironisch genoemd worden: Roosbeef is namelijk meer dan ooit een echte band, met bandgevoel en dat valt ook te horen op de cd. Of het door het plezier van het live spelen is gekomen weet ik niet, maar de liedjes hebben een tik van de wave-molen meegekregen; zo is ‘Hersens’ een soort langzame versie van ‘Love My Way’, heeft potentiële hit ‘Pulpo’ een heerlijk rammelende gitaarriff en semi-onderkoeld gesproken intro en meer dan eens krijgen de liedjes of een vrij donker, of juist een pop-gerichter geluid mee, waarbij de teksten dan weer voor dat donkere zorgen. De andere potentiële hit, ‘Niet Uitmaken’, heeft een refrein dat goed blijft hangen, maar uit de tekst spreekt dan weer een soort tragikomisch onvermogen om een gevoel juist onder woorden te brengen: ‘Niet uitmaken/Dat is zonde’.
Dat band- en popgerichte, dat zorgt er vreemd genoeg niet voor dat dit album toegankelijker is. Het duurde een tijdje voordat alle liedjes bij mij echt goed binnenkwamen. Dit kan zijn omdat Roos’ stem minder prominent aanwezig is, wat natuurlijk weer met dat zogeheten bandgevoel te maken heeft, maar ze is vocaal ook veel minder uitgesproken dan op het debuut. Ook op gebied van teksten is het allemaal wat soberder: citaten als ‘Ik ben onder invloed van jou/Kan geen auto meer besturen, ook al had ik een rijbewijs gehad’ of ‘Toen jij het uitgemaakt had/heb ik mijn donorkaart ingevuld/zodat er toch nog iemand met mijn hart speelt’ kon ik me nog wel op Loesje-posters voorstellen, maar het is hier moeilijk zoeken naar zulke quotables. Dit wil echter niet zeggen dat het tekstueel minder goed is, integendeel.
Roos doet het met een stuk minder tekst, waardoor ze stukjes vaker herhaalt, maar komt evengoed met liedjes aanzetten waarvan je denkt ‘ik wist niet dat daar woorden voor waren, laat staan zo weinig’. Zo zit er in ‘Iets teveel wij(n)’ een geweldige sneer naar vrouwen die veel te kieskeurig zijn wat betreft mannen: ‘Je vindt de structuur van een rauwe champignon niet lekker/Ik vind dat we niet moeten trouwen’. De rest van de tekst is minder grappig, maar zeker ontroerend en rakend. Zo zijn er in de liedjes nog steeds knappe ‘woordgrapjes’ te vinden, maar het is allemaal wat melancholischer dan dat het om humor om te lachen gaat en is ‘Twijfelaar’ zelfs een fijn hart onder de riem voor onzekere mensen, waarin Roos ook heel goed heeft dat ze er waarschijnlijk niemand mee over de streep gaat trekken om ook echt te doen waar diegene zo over twijfelt, maar ze begrijpt het en ze gebruikt er precies de goede woorden voor om dat begrip duidelijk te maken.
Muzikaal is het evenwel een mooie plaat, met allerlei nieuwe toevoegingen aan het Roosbeef-geluid. ‘Sneeuw’ stampt op een vreselijk onsubtiele, maar daarom zo heerlijke manier, in ‘Schone Schijn’ zit een rondspokende mondharmonica en ‘Niet Uitmaken’ eindigt zelfs met een Jonny Greenwood-achtige gitaarsolo. ‘Nachtauto’ is misschien wel, op muzikaal vlak, het mooiste nummer van de plaat: vluchtig beluisterd gebeurt er nauwelijks wat, maar ondertussen duiken er geregeld subtiel gitaargepiel en speelse synthesizer-strijkers op, om daarna weer te verdwijnen. Soms is iets (on)gewoon mooi omdat het eenvoudigweg mooi is.
Uit ‘Hersens’, het hierboven geciteerde sleutelnummer van het album, komt ook de albumtitel: Omdat ik dat wil. Deze titel mag ironisch genoemd worden: Roosbeef is namelijk meer dan ooit een echte band, met bandgevoel en dat valt ook te horen op de cd. Of het door het plezier van het live spelen is gekomen weet ik niet, maar de liedjes hebben een tik van de wave-molen meegekregen; zo is ‘Hersens’ een soort langzame versie van ‘Love My Way’, heeft potentiële hit ‘Pulpo’ een heerlijk rammelende gitaarriff en semi-onderkoeld gesproken intro en meer dan eens krijgen de liedjes of een vrij donker, of juist een pop-gerichter geluid mee, waarbij de teksten dan weer voor dat donkere zorgen. De andere potentiële hit, ‘Niet Uitmaken’, heeft een refrein dat goed blijft hangen, maar uit de tekst spreekt dan weer een soort tragikomisch onvermogen om een gevoel juist onder woorden te brengen: ‘Niet uitmaken/Dat is zonde’.
Dat band- en popgerichte, dat zorgt er vreemd genoeg niet voor dat dit album toegankelijker is. Het duurde een tijdje voordat alle liedjes bij mij echt goed binnenkwamen. Dit kan zijn omdat Roos’ stem minder prominent aanwezig is, wat natuurlijk weer met dat zogeheten bandgevoel te maken heeft, maar ze is vocaal ook veel minder uitgesproken dan op het debuut. Ook op gebied van teksten is het allemaal wat soberder: citaten als ‘Ik ben onder invloed van jou/Kan geen auto meer besturen, ook al had ik een rijbewijs gehad’ of ‘Toen jij het uitgemaakt had/heb ik mijn donorkaart ingevuld/zodat er toch nog iemand met mijn hart speelt’ kon ik me nog wel op Loesje-posters voorstellen, maar het is hier moeilijk zoeken naar zulke quotables. Dit wil echter niet zeggen dat het tekstueel minder goed is, integendeel.
Roos doet het met een stuk minder tekst, waardoor ze stukjes vaker herhaalt, maar komt evengoed met liedjes aanzetten waarvan je denkt ‘ik wist niet dat daar woorden voor waren, laat staan zo weinig’. Zo zit er in ‘Iets teveel wij(n)’ een geweldige sneer naar vrouwen die veel te kieskeurig zijn wat betreft mannen: ‘Je vindt de structuur van een rauwe champignon niet lekker/Ik vind dat we niet moeten trouwen’. De rest van de tekst is minder grappig, maar zeker ontroerend en rakend. Zo zijn er in de liedjes nog steeds knappe ‘woordgrapjes’ te vinden, maar het is allemaal wat melancholischer dan dat het om humor om te lachen gaat en is ‘Twijfelaar’ zelfs een fijn hart onder de riem voor onzekere mensen, waarin Roos ook heel goed heeft dat ze er waarschijnlijk niemand mee over de streep gaat trekken om ook echt te doen waar diegene zo over twijfelt, maar ze begrijpt het en ze gebruikt er precies de goede woorden voor om dat begrip duidelijk te maken.
Muzikaal is het evenwel een mooie plaat, met allerlei nieuwe toevoegingen aan het Roosbeef-geluid. ‘Sneeuw’ stampt op een vreselijk onsubtiele, maar daarom zo heerlijke manier, in ‘Schone Schijn’ zit een rondspokende mondharmonica en ‘Niet Uitmaken’ eindigt zelfs met een Jonny Greenwood-achtige gitaarsolo. ‘Nachtauto’ is misschien wel, op muzikaal vlak, het mooiste nummer van de plaat: vluchtig beluisterd gebeurt er nauwelijks wat, maar ondertussen duiken er geregeld subtiel gitaargepiel en speelse synthesizer-strijkers op, om daarna weer te verdwijnen. Soms is iets (on)gewoon mooi omdat het eenvoudigweg mooi is.
Roosbeef - Ze Willen Wel Je Hond Aaien Maar Niet Met Je Praten (2008)

4,0
0
geplaatst: 19 oktober 2011, 23:04 uur
Arme Roos Reebergen. Er zijn mensen die een hekel aan haar hebben, die er over zeuren dat ze zo gemaakt grappig doet, dat ze doet alsof ze zo excentriek is. Natuurlijk, muzikaal neigt het meer dan eens naar Tom Waits, ook zo’n circusartiest, en tekstueel komt iemand als Charlotte Mutsaers wel in de buurt. Ik vond persoonlijk zelf Rachels rokje goed te lezen, maar er schijnen mensen te zijn die van die roman gillend gek worden.
In die roman speelt het rokje van de titelheldin een centrale rol. De plooien van dit rokje, dat zijn de hoofdstukken, waarin rond een klein verhaaltje een heel web van associaties, herinneringen, lijntjes naar Madame Bovary, etcetera. Op een dergelijke manier lijkt Roos ook alle kanten op te gaan, maar we kunnen alles weer terugleiden tot logische gehelen. Neem bijvoorbeeld ‘Te Heet Gewassen’, op het eerste gehoor een samenraapsel van leuke zinnetjes en taalgrapjes als ‘toen jij het uitgemaakt had/heb ik mijn donorkaart ingevuld/zodat er toch nog niemand met mijn hart speelt’, of ‘je bent geëmigreerd naar een ander hart’. Leuke zinnetjes, dat zeker, maar er zit ook nog eens een semantisch verband tussen. Zo ontpopt deze verzameling quotables zich tot een interessant liedje over liefdesverdriet.
Ook de opener ‘Onder Invloed’ bedient zich van een dergelijke structuur: een hilarische passage over loverboys, het zelfportret dat Roos schets alsof ze een ander meisje is (‘ik ben niet het meisjes van de soaps/maar ik kijk zo nu en dan’), het beeld van eindeloos wachten in de wachtkamer; ze lijken te bij de gratie van de associatie te bestaan, maar mevrouw fopt mij niet, er is wel degelijk goed over nagedacht.
Ook als Roos tekstueel wat soberder uit lijkt te pakken, althans, qua teksten, is er nog genoeg te genieten: de charmante personificatie in ‘Zomer’ (een liedje waarin de blazers na een tijdje een succesvolle staatsgreep plegen), of de weemoedige uitbeeldingen in ‘De Boerderij, deel II’, Wat ook niet te verwaarlozen valt: naast humoristisch zijn, weet Roos me ook te emotioneren en op andere emoties dan de lach in te spelen. Ongewoon, dat zeker, maar deze plaat steekt te knap in elkaar om te kunnen stellen dat het om een licht-psychotische, maniëristische nepper met een chronisch aandachtsgebrek, gaat.
In die roman speelt het rokje van de titelheldin een centrale rol. De plooien van dit rokje, dat zijn de hoofdstukken, waarin rond een klein verhaaltje een heel web van associaties, herinneringen, lijntjes naar Madame Bovary, etcetera. Op een dergelijke manier lijkt Roos ook alle kanten op te gaan, maar we kunnen alles weer terugleiden tot logische gehelen. Neem bijvoorbeeld ‘Te Heet Gewassen’, op het eerste gehoor een samenraapsel van leuke zinnetjes en taalgrapjes als ‘toen jij het uitgemaakt had/heb ik mijn donorkaart ingevuld/zodat er toch nog niemand met mijn hart speelt’, of ‘je bent geëmigreerd naar een ander hart’. Leuke zinnetjes, dat zeker, maar er zit ook nog eens een semantisch verband tussen. Zo ontpopt deze verzameling quotables zich tot een interessant liedje over liefdesverdriet.
Ook de opener ‘Onder Invloed’ bedient zich van een dergelijke structuur: een hilarische passage over loverboys, het zelfportret dat Roos schets alsof ze een ander meisje is (‘ik ben niet het meisjes van de soaps/maar ik kijk zo nu en dan’), het beeld van eindeloos wachten in de wachtkamer; ze lijken te bij de gratie van de associatie te bestaan, maar mevrouw fopt mij niet, er is wel degelijk goed over nagedacht.
Ook als Roos tekstueel wat soberder uit lijkt te pakken, althans, qua teksten, is er nog genoeg te genieten: de charmante personificatie in ‘Zomer’ (een liedje waarin de blazers na een tijdje een succesvolle staatsgreep plegen), of de weemoedige uitbeeldingen in ‘De Boerderij, deel II’, Wat ook niet te verwaarlozen valt: naast humoristisch zijn, weet Roos me ook te emotioneren en op andere emoties dan de lach in te spelen. Ongewoon, dat zeker, maar deze plaat steekt te knap in elkaar om te kunnen stellen dat het om een licht-psychotische, maniëristische nepper met een chronisch aandachtsgebrek, gaat.
Roy Santiago - At Mt. Ventoux (2008)

4,5
0
geplaatst: 10 februari 2011, 22:01 uur
Omdat ik zo stom was geweest om die cd vergeten te bestellen en hij nu alleen nog maar als gratis download beschikbaar is, gooi ik er toch maar dat hoge cijfer tegenaan, *4.5 om precies te zijn. Want wat een plaat! Elliott Smith begeleidt door Sparklehorse en The Jesus & Mary Chain aan de downers, met de geest van Syd Barrett die nog altijd rondspookt. Zoiets.
Korte liedjes ("I Took a Stranger Inside My Home" is een fijn folkliedje) die soms gewoon overgaan op noise of sfeergeluiden, terwijl ze vaak gewoon wat langer door kunnen gaan, maar daar had Roy geen zin in. Hup, einde liedje, nu is het wel genoeg geweest. Het verwijtende "T and Me" klinkt pijnlijk, alsof je je als luisteraar vereenzelvigt met de jij-persoon.
Mede door de vervormde partijen en behoorlijk drukkende sfeer is deze plaat juist zo ijzersterk: schoonheid in lelijkheid. Catharsis verdomme.
Korte liedjes ("I Took a Stranger Inside My Home" is een fijn folkliedje) die soms gewoon overgaan op noise of sfeergeluiden, terwijl ze vaak gewoon wat langer door kunnen gaan, maar daar had Roy geen zin in. Hup, einde liedje, nu is het wel genoeg geweest. Het verwijtende "T and Me" klinkt pijnlijk, alsof je je als luisteraar vereenzelvigt met de jij-persoon.
Mede door de vervormde partijen en behoorlijk drukkende sfeer is deze plaat juist zo ijzersterk: schoonheid in lelijkheid. Catharsis verdomme.
Ryan Adams - 1989 (2015)

2,0
2
geplaatst: 2 oktober 2015, 18:20 uur
Eens in de zoveel tijd duikt er een akoestische cover op van een dance- of hiphopnummer, waarin de bedoelingen van de maker heel opzichtig doorschemeren: laten zien dat je van zo’n nummer ook een ‘echt’ liedje kunt maken, met emoties en dergelijke nota bene. Milow haalde bijvoorbeeld het trucje uit met ‘Ayo Technology’ van 50 Cent. Ook in de cirkel van amateurmusici komt dit verschijnsel veel voor: ik heb akoestische versies gehoord van ‘Wake Me Up’ van Avicii, die vooral klinken als een bewijs dat je van een dancenummer ook een akoestisch liedje kunt maken. Ergerlijk vind ik het.
Ryan Adams heeft een dergelijke truc een album lang uitgehaald, door 1989 van Taylor Swift te coveren. Hij schijnt een grote fan van het origineel te zijn, en terecht, want dat is een fantastische plaat, maar zijn uitvoering neigt ontzettend naar zo’n ‘ik cover een popliedje en laat zien dat je daar best een akoestisch liedje van kunt maken’-houding. Swifts originele nummers lenen zich niet goed voor de uitvoeringen. Op Pitchfork wordt goed uitgelegd waarom: ‘Swift's 1989 songs are written for a specific kind of production—the melodies are clipped, percussive, and designed to hit with force at very specific times. They are written to be electro-pop songs, which rely more on big dynamic changes and repeating cells of melody.’ Het staccato karakter van de liedjes wordt om zeep geholpen; de ritmiek van ‘Blank Space’ is bijvoorbeeld een van de sterkste punten van het liedje. Adams maakt er vervolgens een zeikerig akoestisch nummer van, waarin hij korte stukjes tekst veel te lang blijft zingen. Zo ga je tegen het karakter van het nummer in, op een veel dieper niveau dan instrumentatie of stijl.
Een ander probleem met Adams’ uitvoering is dat zijn stem ongelooflijk jankerig klinkt. Veel covers hebben wel enige potentie (‘Welcome to New York’ doet hij redelijk, ‘Out of the Woods’ ook, maar daar gaat hij compleet de mist in met het refrein), en de esthetiek is ook best leuk. De R.E.M.-gitaarlijnen passen prima bij ‘This Love’, maar Adams’ vocale prestatie blijft ondermaats. Zijn zang is gewoon te opzichtig: ‘kijk, er zitten emoties in de liedjes, en als ik gewoon m’n jankstem opzet dan hoor je opeens dat er emoties inzitten.’ De kracht van de originele nummers is juist dat onder hun soms koele, wat gladde oppervlak juist heel veel emotie zit. Dat geeft de plaat diepgang, en juist door op de emotionele toer te gaan blijft Adams aan de oppervlakte steken.
Adams lijkt zich echt aan de nummers te vertillen. Zijn versie van ‘Style’ is ronduit waardeloos en kost hem een halve punt. Maar ook op andere nummers voelt hij niet aan wat die liedjes zo goed maakt. Hij laat de staccato ritmiek weg, hij laat mooie nuances en details weg (hoe Swift op een andere zanglijn overgaat tijdens de laatste regels van de coupletten van ‘Style’ bijvoorbeeld), en hij doet de bridge van ‘Shake It Off’ niet eens (gemiste kans, jongeman). Er zit geen vaart in, het is larmoyant, en het werkt gewoon niet goed. De covers van de langzamere nummers zijn redelijk, maar ijzersterke liedjes als ‘Blank Space’ en ‘Style’ worden door Adams log en ongedetailleerd gespeeld. Dat maakt een in potentie goed idee (ik vind Adams’ Jacksonville City Nights een prachtige plaat, en was benieuwd naar zijn Swift-covers) in de praktijk behoorlijk zwak.
Ryan Adams heeft een dergelijke truc een album lang uitgehaald, door 1989 van Taylor Swift te coveren. Hij schijnt een grote fan van het origineel te zijn, en terecht, want dat is een fantastische plaat, maar zijn uitvoering neigt ontzettend naar zo’n ‘ik cover een popliedje en laat zien dat je daar best een akoestisch liedje van kunt maken’-houding. Swifts originele nummers lenen zich niet goed voor de uitvoeringen. Op Pitchfork wordt goed uitgelegd waarom: ‘Swift's 1989 songs are written for a specific kind of production—the melodies are clipped, percussive, and designed to hit with force at very specific times. They are written to be electro-pop songs, which rely more on big dynamic changes and repeating cells of melody.’ Het staccato karakter van de liedjes wordt om zeep geholpen; de ritmiek van ‘Blank Space’ is bijvoorbeeld een van de sterkste punten van het liedje. Adams maakt er vervolgens een zeikerig akoestisch nummer van, waarin hij korte stukjes tekst veel te lang blijft zingen. Zo ga je tegen het karakter van het nummer in, op een veel dieper niveau dan instrumentatie of stijl.
Een ander probleem met Adams’ uitvoering is dat zijn stem ongelooflijk jankerig klinkt. Veel covers hebben wel enige potentie (‘Welcome to New York’ doet hij redelijk, ‘Out of the Woods’ ook, maar daar gaat hij compleet de mist in met het refrein), en de esthetiek is ook best leuk. De R.E.M.-gitaarlijnen passen prima bij ‘This Love’, maar Adams’ vocale prestatie blijft ondermaats. Zijn zang is gewoon te opzichtig: ‘kijk, er zitten emoties in de liedjes, en als ik gewoon m’n jankstem opzet dan hoor je opeens dat er emoties inzitten.’ De kracht van de originele nummers is juist dat onder hun soms koele, wat gladde oppervlak juist heel veel emotie zit. Dat geeft de plaat diepgang, en juist door op de emotionele toer te gaan blijft Adams aan de oppervlakte steken.
Adams lijkt zich echt aan de nummers te vertillen. Zijn versie van ‘Style’ is ronduit waardeloos en kost hem een halve punt. Maar ook op andere nummers voelt hij niet aan wat die liedjes zo goed maakt. Hij laat de staccato ritmiek weg, hij laat mooie nuances en details weg (hoe Swift op een andere zanglijn overgaat tijdens de laatste regels van de coupletten van ‘Style’ bijvoorbeeld), en hij doet de bridge van ‘Shake It Off’ niet eens (gemiste kans, jongeman). Er zit geen vaart in, het is larmoyant, en het werkt gewoon niet goed. De covers van de langzamere nummers zijn redelijk, maar ijzersterke liedjes als ‘Blank Space’ en ‘Style’ worden door Adams log en ongedetailleerd gespeeld. Dat maakt een in potentie goed idee (ik vind Adams’ Jacksonville City Nights een prachtige plaat, en was benieuwd naar zijn Swift-covers) in de praktijk behoorlijk zwak.
Ryan Adams & The Cardinals - Jacksonville City Nights (2005)

4,5
0
geplaatst: 6 november 2010, 14:03 uur
Mijn eerste kennismaking met Ryan Adams stemt positief. Om de een of andere reden heb ik me nooit echt in 's mans werk verdiept, ondanks mijn voorliefde voor country en punkliefhebbers vermomd als singer-songwriters. Gelukkig maar dat ik deze cd tegenkwam, want hij valt me zeker niet tegen.
Adams ontpopt zich in veel nummers tot een sterke tekstschrijver, zoals in "Dear John", waarin de tekst door merg en been gaat, of het tragische "Pa". "My Heart is Broken" is tekstueel wel erg zwak en het minste nummer van de plaat, maar Ryan heeft een aantal prachtige quoteables voor ons klaar: "And I wonder if anybody here besides me has got any decent secrets" en vooral mijn favoriet
"All my life I've been searching for forgiveness, but I can never seem to get enough". Perfecte country-lyriek, een evenwicht tussen ruig en onhandelbaar enerzijds en een enorme gevoeligheid anderzijds.
De vergelijking met Neil Young is vaker gevallen en absolute topnummers The End (dat refrein!) en Peaceful Valley zijn ontzettend intense nummers die zich zeker kunnen meten met het beste werk van Dinosaur Sr. Helaas gaat het Harvest-euvel ook een beetje op hier: de plaat is nogal inconsistent. Een aantal nummers zijn prima, maar niet veel meer dan dat. Eerder genoemde liedjes, samen met Games (die prachtig gezongen regel, precies tussen medelijden en verwijt: "You ain't but a telegram nobody's sendin'") geven me echter het gevoel dat Ryan het in zich heeft om de plaat te maken die het werk van Neil in de schaduw te stellen. (Maar dat schijnt "Heartbreaker" te zijn; ik houd mijn hart vast.)
Adams ontpopt zich in veel nummers tot een sterke tekstschrijver, zoals in "Dear John", waarin de tekst door merg en been gaat, of het tragische "Pa". "My Heart is Broken" is tekstueel wel erg zwak en het minste nummer van de plaat, maar Ryan heeft een aantal prachtige quoteables voor ons klaar: "And I wonder if anybody here besides me has got any decent secrets" en vooral mijn favoriet
"All my life I've been searching for forgiveness, but I can never seem to get enough". Perfecte country-lyriek, een evenwicht tussen ruig en onhandelbaar enerzijds en een enorme gevoeligheid anderzijds.
De vergelijking met Neil Young is vaker gevallen en absolute topnummers The End (dat refrein!) en Peaceful Valley zijn ontzettend intense nummers die zich zeker kunnen meten met het beste werk van Dinosaur Sr. Helaas gaat het Harvest-euvel ook een beetje op hier: de plaat is nogal inconsistent. Een aantal nummers zijn prima, maar niet veel meer dan dat. Eerder genoemde liedjes, samen met Games (die prachtig gezongen regel, precies tussen medelijden en verwijt: "You ain't but a telegram nobody's sendin'") geven me echter het gevoel dat Ryan het in zich heeft om de plaat te maken die het werk van Neil in de schaduw te stellen. (Maar dat schijnt "Heartbreaker" te zijn; ik houd mijn hart vast.)
