MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Slowgaze als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

L'Enfer - L'Enfer (2009)

Alternatieve titel: In a Cabin With

poster
2,0
Volgens A.F.Th. van der Heijden is de hel de plek waar alles herhaald wordt, getuige zijn roman Het leven uit een dag. Op het album van L'Enfer, dat een andere naam van Quick & Brite schijnt te zijn, wordt meer herhaald dan je lief is. Wie op het idee kwam om metal te maken met synthesizers, geen idee, maar het pakt verdomd slecht uit. De nummers gaan schijnbaar eindeloos lang door, zonder dat het ergens A) imponerend, B) pakkend, C) meeslepend of D) al het bovenstaande wordt. De vergelijking met Atari Teenage Riot is ook compleet onlogisch, want dat was niet zo'n saaie boel als dit. De hel is gewoon stomvervelend blijkbaar; dan ga ik vanaf vandaag niet meer biechten. L'enfer, c'est l'enfer.

Lana Del Rey - Ultraviolence (2014)

poster
4,0
Lieve Lana,

Het is een tijdje geleden dat ik je voor het laatst schreef. Toen was je nog Lizzy voor me, en liet ik je weten niet zo gecharmeerd te zijn van Born to Die. Ik hoop dat je me dat hebt vergeven, want ik heb Ultraviolence veel gedraaid. Niet eens in de hoop dat uiteindelijk een sterk album te gaan vinden, een soort grijsdraaiversie van het Stockholm-syndroom, nee, ik heb Ultraviolence veel gedraaid omdat ik dat een heel mooi album vind. Ja, het album is wat te lang, en je had best wat liedjes weg mogen laten (‘Sad Girl’ én ‘Pretty When You Cry’ na elkaar is echt wat te veel van het goede).

Hopelijk zijn we nu nog steeds on speaking terms, en hopelijk ook on hugging terms. Want zoals gezegd, ik ben te spreken over je laatste album; sterker nog, dat album intrigeert me. Net als Born to Die is de muziek eerder esthetiek- dan liedjesgericht. Bij het vaak gedateerd klinken jaren negentig-achtigeBorn to Die vond ik dat een probleem, en bij Ultraviolence niet. Die plaat gaat nog wat verder terug in het verleden, de jaren zestig en zeventig doet-ie mij aan denken, we waren toen beiden nog lang niet geboren, maar dat terzijde. Leuk ook dat de frontman van dat nare Black Keys een belangrijk aandeel in het album heeft gehad, en het toch een geslaagde plaat is geworden.

Maar wat ik nog het interessantst vind, of misschien vond, is dat je nu echt Lana Del Rey bent geworden. Je weet dat ik je als Lizzy Grant aantrekkelijk, behoorlijk aantrekkelijk vond. Ik heb ook eigenlijk wat voor geblondeerde meisjes met donkere wenkbrauwen, maar dat terzijde. Ik heb tijdens al die keren Ultraviolence niet meer aan Lizzy gedacht, Lana. Je bent nu net zozeer Lana Del Rey als Marshall Mathers voor mij Eminem is: een alter ego dat de burger daarachter heeft overgenomen, althans, en plein public. Je wereld ligt nu ver van me af, getuige ‘he hit me and it felt like a kiss’, ‘I’m a Brooklyn baby’, enzovoort. Maar je wereld klinkt overtuigend, wel gemaakt, dat moet ik toegeven, maar overtuigend gemaakt. Misschien ben je nu de grote popster met het zorgvuldig geboetseerde imago die je op Born to Die al had willen zijn.

Maar daar wringt de schoen misschien. De grootste (vrouwelijke) popster van het moment is niet meer die excentrieke Lady Gaga, maar Taylor Swift, die op haar lange lijst ex-vriendjes en haar hoeveelheid geld na gewoon ieders buurmeisje had kunnen zijn. Ook ik ben dol op Taylor Swift, misschien ook omdat ze zo normaal is. Ja, tegen Taylor als (zuiver platonische) vriendin zou ik op de bank aankruipen onder het tv-kijken, tegen jou niet, Lana. Dat is verder niets persoonlijks, geloof me. Het is eigenlijk ook een van de redenen waarom ik Ultraviolet zo goed vind.

Liefs,

Maarten

Laura Marling - Alas I Cannot Swim (2008)

poster
3,5
Laura Marling is een artiest die ik een warm hart toedraag en hoewel ze voor mijn gevoel nog geen album lang een echt hoog niveau vast heeft weten te houden, heb ik inmiddels toch al haar studioalbums aangeschaft. Waar ze op haar tweede en vooral haar derde album, respectievelijk A Creature I Don’t Know en Once I was an Eagle, een volwassen, eigenzinnig geluid heeft, vind ik haar op haar debuut Alas I Cannot Swim nog te gewoontjes.

Vooral de muzikale invulling is hier debet aan. Ik kan nu eenmaal weinig met up-tempofolk waarbij iemand op de cajón blijft meppen, een paar anderen op hun gitaar rammen, en er een naar ‘iedereen moet aanhaken’-sfeertje ontstaat. Helaas steekt een dergelijke esthetiek geregeld de kop op op Alas I Cannot Swim. Allerlei jonge meisjes die de volwassen singer-songwriter uit willen hangen doen tegenwoordig zoiets, en Marling doet het hier ook. Als er dan ook nog een hoedje opduikt, gelijk al in het openingsnummer, dan word ik toch wat cynisch. Dan toch liever de uitstekende tweede plaat I Speak Because I Can waar ze die indie-Cindyerigheden er voor een groot deel uitgezweet heeft (ondanks het nare zinnetje ‘there’s a mind under this hat’).

Nu komt er een cliché aan, ik waarschuw maar vast: de esthetiek staat me weliswaar niet erg aan, maar het is zeker niet slecht. De eerste helft van het album wordt evenwel nooit bijzonder en blijft vooral heel degelijk. Marling revancheert zich deels in de tweede helft. ‘Cross Your Fingers’ is weliswaar een beetje voorspelbaar in z’n uptempo-heid, maar wel heel prettig, maar vooral ‘My Manic and I’, ‘Night Terror’ (dit en het voorgenoemde liedje hebben overigens ook de sterke teksten van het hele album) en ‘The Captain in the Hourglass’ (mooie pedalsteel!) zijn fraai. Het zijn wat donkerdere, tragere nummers en die kant van Marling bevalt me op dit album het best. Dat zijn liedjes die ik ook gemakkelijk los op zou zetten. Voor een ‘hele cd’ grijp ik toch liever naar haar laatst drie albums, die ik soms ook wat onevenwichtig vind, maar toch heel geregeld draai.

Laura Marling - I Speak Because I Can (2010)

poster
4,0
Tweede album van Laura Marling dat ik heb gehoord, na Once I Was an Eagle, dat vorig jaar tot een persoonlijke favoriet uit is gegroeid. I Speak Because I Can vind ik net wat onder dat album zitten, maar het scheelt niet heel veel. Het punt is dat Once I Was an Eagle eigenzinniger, volwassener en consistenter is, maar lager dan vier sterren gaan voor deze tweede worp van Laura, nee, dat verkrijg ik niet over mijn hart.

I Speak is wat wisselvallig. 'Made by Maid' mist net te veel intensiteit en een memorabele melodielijn om als uitgekleed liedje de volledige aandacht op te eisen. In andere liedjes eist Laura die aandacht wel op, niet zelden door naar een wat drukker refrein toe te werken. In 'Alpha Shallows' (geweldige titel trouwens; hipsters dissen was in 2010 blijkbaar ook al hip) werkt dat uitstekend, met die denderende piano. 'Rambling Man' is door de wat drukkere uitvoering het albumhoogtepunt, ondanks de overduidelijke aanwezigheid van Mumford & Sons-leden.

Ook is 'Rambling Man' als antwoord op het gelijknamige en veelgecoverde liedje van Hank Williams (' I love you ba-aby, but you gotta understand / when the Lord made me / he made a ramblin man') tekstueel gewoon heel sterk. Niet alle liedjes zijn overigens tekstueel ook even interessant, maar hoe Laura in het titelnummer in de rol van een verlaten echtgenote kruipt, is toch wel memorabel, ook vanwege het refrein waarin ze prachtig concreet noemt wat ze allemaal mist. Iets schijnbaar triviaals als 'Never rode my bike down to the sea' groeit zo uit tot iets heel pijnlijks.

De productie vind ik echter soms wat aan de dunne kant, en hetzelfde geldt voor Laura's stem. Ze klinkt net wat zeurderiger dan die bijna Joni Mitchell-achtige stem die ze op Once I Was an Eagle heeft. Maakt niet uit, maar soms wordt het wat ijl. 'Goodbye England' bijvoorbeeld is een mooi, sterk Bob Dylan-achtig liedje (het doet mij sterk aan het refrein van 'Sad-Eyed Lady of the Lowlands' denken), maar de dunne productie maakt het nummer wat minder imposant dan het had kunnen zijn.

Dat zijn maar kleine minpuntjes, want wie op haar twintigste al indrukwekkende liedjes als 'Rambling Man', 'Hope in the Air', 'Blackberry Stone' en het titelnummer kan schrijven, heeft overduidelijk talent. Ze klinkt volwassen, in plaats van dat ze de oude ziel in een jong lichaam uit wil hangen, waar heel wat andere singer-songwriters van de jaren '10 last van hebben. Deze liedjes stralen een authenticiteit uit die verder gaat dan een hoedje opzetten en met een banjo gaan hannessen. Die oprechtheid zorgt voor een gouden randje.

Laura Marling - Short Movie (2015)

poster
4,0
Laura Marling is een van de weinige hedendaagse of eigenlijk (relatief) nieuwe singer-songwriters naar wie ik heel graag luister. Ze levert qua albums bovendien per saldo consequente kwaliteit. Dat wil zeggen: ze heeft tot nu toe, op haar best aardige debuut na, steeds vier sterretjes van mij gekregen, maar voor mijn gevoel heeft ze nog steeds geen mooie 9 afgeleverd, en ergens vind ik dat jammer. Op elk album (minus het debuut) staan erg sterke nummers en liedjes die me veel minder pakken.

Short Movie is wat dat betreft geen uitzondering. Verschil is dat Marling me nu wel snel weet te pakken, en dat is overigens nieuw voor me: tijdens haar vorige platen duurde het altijd even voordat ik erin zat, met Once I Was an Eagle, mijn eerste en eigenlijk nog steeds favoriete album (heeft te maken met dat de sterke versus minder interessante liedjes-wijzer daar nog het sterkste de goede kant op wijst) als goed voorbeeld van een plaat die wel even om door blijven luisteren vroeg.

Het kan aan opener 'Warrior' liggen: daarin neemt Marling goed de tijd en trekt ze me direct het album in, met een desolaat klinkend, uitgestrekt nummer. Ze heeft het nergens over een wildernis of een woestijn, maar die roept ze qua muziek direct op. Door daarna een drukker nummer als ‘False Hopes’ te laten volgen weet ze de aandacht ook goed vast te houden. De elektrische gitaar is het belangrijkste nieuwe ingrediënt op Short Movie (al was die op eerdere albums, op bijvoorbeeld ‘The Beast’ ook al wel aanwezig). Op ‘False Hopes’ en ook op een aantal andere liedjes pakt die verandering wat rockerig uit. Prima, maar daar zet ik geen Laura Marling-album voor op.

Waar ik wel op zit te wachten is een handvol heel mooie nummers (want die biedt Marling per album toch wel), en op Short Movie klinken die liedjes vaak bedwelmender dan ooit. ‘Warrior’ heb ik al genoemd, maar ook ‘Howl at the Moon’ en het titelnummer (die strijkers!) zijn echt sterk. Op ‘Short Movie’ komt toch weer een rockrandje naar boven, maar dat past hier uitstekend; ik moest weer even een beetje aan ‘The Beast’ van haar derde plaat denken.

Het jammere is wel een beetje dat Marling soms een beetje in de herhaling begint te vallen. ‘How Can I’ is een ontzettend mooi liedje, een van de mooiste van het album, maar het geluid van Once I Was an Eagle klinkt er wel ontzettend sterk in door. Dat doet me toch vrezen dat Marling misschien op een punt aan is gekomen dat ze zich niet veel verder zal gaan ontwikkelen. De geleidelijke verandering van net wat te standaard folkmeisje naar een eigenzinnige, hoogstens wat Joni Mitchell-achtige zangeres is in retrospectief toch best indrukwekkend, maar die negen zit er nog steeds niet in. Misschien moet ik er gewoon op hopen dat ze heel, heel goed wordt in wat ze doet.

Maar toch, Short Movie is uiteindelijk toch weer geslaagd. Op een wat langere termijn zou dit toch wel m’n favoriete Laura Marling kunnen worden, want ik ga deze cd weer veel draaien, zoals ik eigenlijk met alle drie vorige platen (ja, inderdaad weer minus debuut) heb gedaan. Want een groot talent is Marling zeker.

Lee Mason - Palace (2009)

poster
4,0
Ik maakte kennis met Lee Mason toen ik de Grote Prijs Theatertour bezocht, eigenlijk puur om Eefje te kunnen zien. Naast The Cosmic Carnival dat ook optrad en dat erg goed was, was vooral Lee Mason een revelatie. Na zijn set, toen het pauze was, heb ik natuurlijk snel de cd gekocht en het is zeker een bijzondere plaat.

Wat Lee Mason, een band die singer-songwritermuziek maakt (en geen funk-achtige dingen met orgeltjes, dat is iemand anders) maar geen vent maar dus een band is, moet americana-liefhebbers zeker kunnen boeien. De muziek is akoestisch maar erg dynamisch en voor het gebruik van de trompet worden er zeker pluspunten gescoord. De liedjes zijn gebaseerd op vrij elementaire folkrock, maar daar komen jazzy elementen bij (de trompet, het drumwerk soms) en in het uptempo "Pool" horen we zelfs een soort combinatie van Nick Cave en Calexico op een westernsoundtrack. Het levert een van de sterkste nummers van het album op.

Voorts zijn de andere nummers ook erg knap en mooi. Zoals gezegd zit er redelijk wat dynamiek in de nummers: een soort not-so-quiet-NOT-SO-LOUD-not-so-quiet als het ware. Er komt soms zelfs een bepaald gevoel van glorie over de nummers en dat zorgt er voor dat de muziek zeker niet te topzwaar wordt. Ondanks de nogal sombere teksten ("Het is een vrolijkerd" zei frontman Michel me over [het refrein van] "Fucking Tree") wordt het nergens echt nodig om de prozac uit de verpakking te halen. Kortom: een aanrader.

Leonard Cohen - Dear Heather (2004)

poster
4,0
Haters zullen haten en zeggen dat ik een Leonard Cohen-fanboy ben, wat ik in feite ook ben, maar "Dear Heather" is gewoon een mooi album. Punt. Commentaar op het album, ik snap het wel, maar het steekt allemaal gewoon sterk in elkaar. Een beetje grabbelton is het wel met een oude live-opname, een herbewerking van een outtake van eind jaren 70, stukken die meer naar spoken word neigen en "echte" liedjes.

Toch is het weer een interessante plaat van Leonard: "So We'll Go No More A-Roving" van Byron is sterk op muziek gezet en het nummer "Undertow" vind ik vooral door zijn stoombootsaxofoon erg boeiend. Natuurlijk zakt de plaat ook wel eens in, "Dear Heather" vind ik maar matig en "To a Teacher" is ook niet iets om wild van te worden, maar de afwisseling van tot op het bot uitgeklede jazz- en folkachtige liedjes en gesproken woordstukken blijven mij zeker boeien. Goede plaat, al snap ik dat ie net zo goed als tussendoortje beschouwd kan worden.

Leonard Cohen - Death of a Ladies' Man (1977)

poster
4,5
Death of a Ladies’ Man

“I love you, Leonard” zei Phil Spector, met zijn pistool tegen Lennie’s hoofd, waarop diens antwoord was: “I hope you do, Phil.” Bovendien gooide Dr. Phil Leonard er ook nog eens uit voordat ie zijn definitieve vocalen opgenomen had. Kijk, dat zijn de rock ’n roll-verhalen.

Tja, dat was niet zo slim van Phil. Leonards vocalen zijn daarom ook niet altijd even mooi op deze plaat, maar hij wordt wel eens overstemd door de gastzangeressen die de studio binnengesleept zijn. Maakt niet uit, Leonard en vrouwen, het is een combinatie die werkt. De arrangementen zijn dan weer bijzonder divers en gaan richting funk, chanson en jazz.

Laat ik de nummers zelf eens doorlopen. Opener True Love Leaves No Traces heeft net zo’n wonderbaarlijk mooie en tragische titel als het hele album zelf. Mooie opborrelende melodielijn, daar hou ik nou van. En Leonards tekst is uiteraard sterk, want daar is hij Leonard voor. De fanboy spreekt.

Iodine heeft slecht opgenomen vocalen, alsof Leonard door een phaser wordt gehaald. Maar de tekst is sterk en de stuiterende pre-eighties Yello – Oh Yeah drums maar dan met tamboerijn maken veel goed.

Paper Thin Hotel is het albumhoogtepunt, met zijn prachtige en tragische tekst. Leonard constateert dat hij niet jaloers is als hij zijn meisje de liefde hoort bedrijven met een andere man. Liefhebben ligt simpelweg buiten zijn macht, vertelt hij ons. Typisch zo’n tekst waarvan je niet precies weet hoe je je er bij moet voelen, maar zich wel diep in je ziel graaft om daar nooit meer weg te gaan.

In Memories toont Lennie zich een ware Walker Brother en croont hij over een orkestrale begeleiding heen. De tekst is wat minder goed, maar geeft de sfeer van de plaat aan. Er heeft altijd een sterke ondertoon van erotiek in Leonards werk gezeten, soms Freudiaans, soms expliciet, maar hier toont Leonard zich directer dan ooit, zonder veel van zijn ongeëvenaarde poëtische kracht te verliezen.

I Left a Woman Waiting is ook weer sterk, deels door Leonards gesproken woord, waar ik toch altijd een zwak voor heb. Wil je dat ik je album waardeer, praat er even wat op. Altijd fijn.

Een titel als Don’t Go Home With Your Hard-On spreekt voor zichzelf en is eigenlijk een pracht van een tegeltjeswijsheid. Het is een behoorlijk funky nummer (met vibrafoon, bonuspunten!) waarop ene Robert Zimmermann ook nog eens wat mee mag ‘zingen’. Mooi doet ie dat hoor, maar Allen Ginsberg kan er ook wat van. Ginsberg is overigens een goede poëet, maar niet zo goed als Lennie. Bob ook niet.

In Fingerprints doet Leonard country met een violist er bij. Altijd leuk, maar op zich niet gek bijzonder. Tekst is wel goed in orde en de Jerry Lee Lewis-piano is prima.

Afsluiter Death of a Ladies’ Man is heel bijzonder. In dit lange epische gedicht wordt een relatie beschreven, waarin de man de eigenschappen van de vrouw overneemt, als ultieme onderdanigheid in hun verhouding. Zo humoristisch, absurd en tragisch in één, dat kan alleen Leonard. Waarvan akte.

Prachtplaat dus.

Leonard Cohen - I'm Your Man (1988)

poster
4,0
De combinatie van (gerenommeerde) singer-songwriters en synthesizers pakte in de jaren 80 nogal eens fataal uit. Zo niet bij Leonard Cohen. De elektronische begeleiding pakt bijna nergens slecht uit, afgezien van Jazz Police, dat nogal doet denken aan Mother's Talk van Tears for Fears.

Verder maakt het me niets uit hoe Leonard begeleid wordt, het gaat uiteindelijk toch altijd om zijn stem, die van de zangeressen die af en toe opduiken en natuurlijk de teksten. Tekstueel staan hier ook wat van zijn mooiste nummers op. Het titelnummer en Everybody Knows, als aansprekende voorbeelden.

Het mooiste nummer is Leonards leven, daar bovenin de Tower of Song. "Ranzig, humoristisch, ernstig, mijn leven." Begeleid door minimale synth, drums en een heerlijk achtergrondkoortje brengt Cohen een ontroerend, diep rakend nummer.

De combinatie van hartverscheurende poëzie en een synthetische begeleiding pakt hier zelfs goed uit, op een van Leonards beste albums. Dat zie ik een Bob Dylan of Neil Young nog niet zo snel doen. *pets*

Leonard Cohen - Live in London (2009)

poster
5,0
Leonard Cohen is een held. Mijn grote held, maar ook die van vele anderen. "Thank you for keeping these songs alive", bedankt hij het publiek op deze cd. Zoals altijd, heeft deze man precies de juiste woorden voor precies het juiste gevoel. De liederen die Leonard brengt, worden door zijn fans meegedragen in zijn hart. Omdat Leonard altijd de juiste woorden voor de juiste gevoelens heeft, hoe moeilijk die emoties ook te beschrijven zijn.

Sensuele, ingetogen teksten die desondanks harder aankomen dan een vrachtwagen die je van voren schept. Soms pijnlijk direct, soms gevangen in metaforische aforismen. Impressionistisch worden er werelden geschept. Soms lichtelijk absurdistisch en vooral fatalistisch, als in het hier jammerlijk ontbrekende "Teachers". Liefdesverdriet, schuld, lijden, allerhande verslavingen en nog veel meer ellende, het liefst veroorzaakt door vrouwen, worden toegegeven, zonder enig spoor van zelfmedelijden. Alsof Leonard in bijna elke situatie kan snappen dat het soms beter is om over je eigen eer heen te stappen, als dat gewoon beter is zo.

Zijn stem is aangetast door de jaren. Zijn bariton is nog lager en dieper, het fraaie gruizige dat hij in de jaren tachtig al liet horen, is erger dan ooit. Dan hoor je dat deze man het zware leven geleefd heeft, dat hij oprecht vol zit met wijsheden en het juiste besef van hoe hij moet handelen. Dit maakt voor mij, en voor velen met mij, Leonard de grootste singer-songwriter ooit.

Het is een vreselijke anti-climax, dat geef ik toe, maar ik wil eindigen met het obligate uitkiezen van hoogtepunten van dit fenomenale concert. De tergend mooie, van liefdesverdriet overlopende nummers "In My Secret Life", "Hey, That's No Way to Say Goodbye" en "Suzanne". Het op een prachtig middernachtelijke sfeer leunende "Sisters of Mercy", met de aangrijpende regels "If your life is a leave, that the seasons tear off and condemn". Leonard de wanhopige Don Juan in "I'm Your Man". "Anthem", dat pleit voor de schoonheid in de menselijke imperfectie. De vraag naar vergeving, na een leven vol zonde in "Bird on a Wire". En vooral Leonards definitieve lied, dat zijn leven samenvat. Tragisch, deprimerend, maar met een knipoog en de nodige zelfspot, "Tower of Song". Een kathedraal, een monument, ja, een toren van een muziekstuk.
"Don't let a woman kill you, not in the Tower of Song"

Leonard Cohen - Old Ideas (2012)

poster
4,0
Bij het voor het eerst luisteren van een album van Leonard Cohen is wat mij betreft niet óf er nog echte klassiekers in zijn oeuvre op zullen staan, maar hoeveel. Cohen is nooit een erg productieve artiest geweest (voorganger Dear Heather verscheen in 2004), maar zo houdt hij de kwaliteit ook relatief hoog. Anders dan, laten we zeggen, Bob Dylan heeft hij ook nooit echt beschamend werk uitgebracht, mijns inziens.

‘Going Home’ en ‘Darkness’, ware klassiekers in de dop, zullen hoogstwaarschijnlijk een bijzondere plek in zijn toch al niet onindrukwekkende catalogus innemen, maar ook van ‘Amen’, ‘Show Me the Place’ en ‘Both Sides Now’ is het verre van onaannemelijk dat ze deze status zullen krijgen. Qua geluid zou het prima tussen de nummers op Live in London kunnen, het liefst in de buurt van werk dat van Ten New Songs komt. Op Old Ideas is het geluidsbeeld wederom het soort tot skeletten van prikkeldraad uitgeklede nachtclubmuziek van ’s mans laatste twee studioalbums, maar doet qua warmte denken aan de weelderige instrumentaties van Live in London.

Eerste nummer ‘Going Home’ is een monument van een opener, net zoals ‘Tower of Song’ een monument van een afsluiter was. Weinigen zullen het lef hebben om in de huid van Jaweh te kruipen, maar Cohen doet het in dit nummer, dat begint met de al vaak aangehaald regels ‘I’d love to speak with Leonard/He’s a sportsman and a shepherd/A lazy bastard living in a suit’. Meer citeren is verleidelijk, ach, het liefst zou ik de hele tekst hier weergeven, maar ontdek dat zelf maar. Het is net als ‘Tower of Song’ een ironische samenvatting van ’s mans carrière, zijn leven en wat het hem opgeleverd heeft: naar eigen zeggen niet gek veel.

‘Amen’ is wederom een exercitie in ironie. Het is een soort mantra met een centrale rol voor de woorden ‘Tell me again’, gevolgd door een waslijst aan zaken die Cohen gezien zijn levenservaring allang moet weten. Of spoort Cohen zijn achtergrondzangeressen aan om weer eens te vertellen over de goede, oude tijd waar hij helaas weinig herinneringen meer aan heeft? De zaken die volgen op ‘Tell me again’ kunnen afwisselend aan beide interpretaties, die elkaar natuurlijk niet uitsluiten, voldoen.

‘Show Me the Place’ heeft een tekst die moeilijk te plaatsen is. Als we de titel van ‘Going Home’ interpreteren als een terugkeer naar de hemel, dan lijkt ‘Show Me the Place’ hier ook naar te verwijzen. ‘Show me the place where the suffering began’, dat is de plek waar het om gaat. In het soms pikzwarte universum van Cohen is het niet onmogelijk om dit op te vatten als de geboorte: nadat je geboren bent begint een leven vol ellende. Zoals de Boeddhisten zeggen: de mens is veroordeeld tot reïncarnatie totdat het Nirwana bereikt is en gezien Cohens ervaringen in een Zenklooster zou dit idee niet vreemd zijn.

‘Darkness’ markeert een nieuwigheidje in Cohens oeuvre: het is een bluesnummer. Dat de tekst weer prachtig is is dan weer weinig verrassend, maar wel zo prettig: ‘I caught the darkness, baby/drinking from your cup/I asked: is this contagious?/You said: just drink it up’. Het is een van getergdheid kronkelend nummer. Al is de studioversie van dit nummer wat langzamer dan de energieke live-uitvoeringen die al een tijdje op het internet rondzwerven, de spanning blijft absoluut intact.

‘Anyhow’ is deels een vooroordeelbevestigend nummer; om precies te zijn het vooroordeel ‘het nieuwe Cohenalbum zal wel weer een gedichtenbundel met minieme soundtrack zijn’. Dit is echter het enige stuk spoken word op de cd en ik vind Cohens voordracht hier wel iets hypnotiserends hebben. Elektrische piano er onder, typische Cohentekst er over heen, ja, mij boeit het wel.

‘Crazy To Love You’ kijkt terug in de tijd, in meerdere opzichten. Old Ideas is namelijk het eerste studioalbum van Cohen sinds z’n debuut, uit 1967 alweer, waarop een nummer staat waarop Cohen zich solo op gitaar begeleidt. Het moet gezegd worden dat dat een iets minder spannend nummer oplevert dan de andere nummers van het album, of van ‘Darkness’ nog maar te zwijgen. Daarnaast heeft het gitaarspel tegen het einde toe nogal wat weg van ‘The Gypy’s Wife’, maar Cohen verwijst ook nog even naar z’n beroemde ‘Tower of Song’ in de tekst. Desondanks is het nummer goed in orde, ook dankzij de wederom sterke tekst. Er zullen zat singer-songwriters zijn die een indrukwekkendere melodie hebben geschreven dan die van dit nummer, maar die nergens ook maar dit tekstuele niveau behalen.

Het daaropvolgende ‘Come Healing’ is een soort gebed met glansrol voor damesstemmen, a la ‘If It Be Your Will’. De Webb Sisters zijn vocaal duidelijker aanwezig op het nummer dan de oude meester zelf, maar hun liefelijke stemmen maken het een erg prettig liedje, op bijna een zalvende toon.

‘Banjo’ is mijn persoonlijke favoriet. Het is een kalm bluesje met een verontrustende tekst. Het beeld van een in zee drijvende banjo als symbool voor vergankelijkheid is niet makkelijk te plaatsen, maar het kreng blijkt ook nog eens kwaadaardig te zijn en Cohen overal te achtervolgen. En toch moet Cohen blijven kijken, hij kan niet anders. Het is misschien wel het nummer waarin de dood het dreigendst op de loer ligt, of waarin het doodsbesef gestript wordt van enige hoop of verlossing.

‘Lullaby’ heeft naar mijn mening de vreemdste, of misschien is ‘abstractste’ een beter woord, tekst, maar is anderzijds illustreert het perfect Cohens stijl: ergens tussen een soort (contemporain) semi-surrealisme en klassieke Romantische thematiek en stijl. De muis die de kruimel eet, dat volg ik nog wel, maar dat de kat de korst eten en kat en muis verliefd worden op elkaar, dat is toch behoorlijk onverwacht. Dat ze daarna in tongen spreken en dat de wind dat ook doet, het is toch iets waar ik me moeilijk een voorstelling van kan maken. Het refrein is dan weer onvervalst Romantisch én romantisch. Overigens vormen de kat en de muis niet het enige vreemde paar in dit gedicht: een primitief tikkende drumcomputer en een melancholische mondharmonica gaan een onverwacht, maar fijn huwelijk aan.

‘Different Sides’ is de orgelgedreven, snellere afsluiter. Het begin met een typische hersenbreker ‘We find ourselves on both sides of a line nobody drew’ en gaat dan door op wederom typisch Cohenstramien waarin erotiek, liefde, lijden, nederigheid en religie een onlosmakelijk verbond aangaan. Verderop in het liedje is er zelfs nog even plek voor een barpianosolo.

Deze onlosmakelijk verbonden thema’s vormen sinds Cohens debuut tot aan dit, misschien wel z’n laatste, album de inhoud van ’s mans teksten. Schokkend is het niet, maar wel een mooie, nieuwe plaat die nog een aantal (erg) mooie liedjes toevoegt aan Cohens indrukwekkende oeuvre.

Leonard Cohen - Recent Songs (1979)

poster
4,5
Leonard Cohen voert het vreemdelingenlegioen aan in liedjes waarop zijn typische folkliedjes omgeven zijn met elementen uit de wereldmuziek. In opener "The Guests", één van zijn allermooiste nummers ooit. Nu ben ik er van bewust dat ik dat over zo'n beetje al zijn nummers zeg, maar hier meen ik het heel erg. Die liedjes top 10 komt er nog wel. Goddomme, wat kan een refrein hemels mooi zijn, zo mooi dat je eigenlijk niet wilt ademen omdat dat zo'n banaal geluid is tijdens dit prachtwerkje. Een tekst waarin alle wijnen vloeien (en niemand weet waarom) en alle harten zich lijken te openen; allicht heeft Leonard zich ook laten inspireren door de grote Rimbaud.

"Humbled in Love" is zo mogelijk nog mooier, zeker qua tekst. Naast de lage stem in het hamerende refrein en de lome gitaarriff, is dit tekstueel zo diep als een bodemloze put. Zoals alleen Leonard Cohen. Nee, alleen al vanwege de eerste twee nummers is deze plaat de aanschaf zeker waard. Ook "Came So Far For Beauty" met zijn cabaretesque sfeer en zijn ontroerende tekst behoort tot de hoogtepunten in Leonards oeuvre. Hierin vertelt hij het verhaal van de kunstenaar, die zijn hele leven in dienst stelde van de Kunst, daarom ontzettend vereenzaamde en tot de conclusie kwam dat die Kunst toch wel tegenviel vergeleken met de offers die hij er voor leverde. Herkenbaar voor ons allemaal, nietwaar?

Natuurlijk kent de plaat zijn mindere momenten, zo had de mariachi-bewerking van de Canadese traditional "Un Canadien Errant" wel wat beter uitgevoerd kunnen worden en verbleken een aantal liedjes, hoewel erg sterk, bij de absolute hoogtepunten van dit album. Nummers als "The Window", "The Traitor", "The Smokey Life" en "Ballad of the Absent Mare" vallen vaak net wat weg tegenover het geweld van de eerder genoemde toppers, plus het ontzettend sterke "Our Lady of Solitude" en vooral "The Gypy's Wife". Deze nummers zijn op zichzelf sterk, als ware ze geïsoleerd, maar lijken net wat minder. Toch zou menig singer-songwriter hier een moord voor doen, om zulke nummers te kunnen schrijven. De helft van de plaat is dus brilliant, de andere helft is vooral heel goed.

"Our Lady of Solitude" bevat een magisch moment in het refrein: bij de regel "And the light came from her body" zie ik telkens weer een zwevend vrouwenlichaam waar het licht uit "breekt", onlosmakelijk verbonden met Leonards latere "There's a crack in everything/that's where the light gets in", maar dan de dan precies tegenovergestelde richting waaruit het licht komt. Een heilige maagd als Suzanne, die hem toch de hele zomer lang aangeraakt heeft. Drie keer raden hoe.

"The Gypsy's Wife" is het laatste nummer dat ik uit wil lichten: wat een nummer is dat! Naast de slepende zanglijn, zigeunerachtige begeleiding en de bizar sterke tekst (ik heb er ooit een analyse van gemaakt, maar ik ben haar helaas kwijt) is dit hét nummer dat ik moet baritonnen als ik 's nachts over straat loop en ik me afvraag waar mijn zigeunervrouw is en dan moet concluderen dat ik überhaupt geen zigeunervrouw heb. Dat maakt het allemaal alleen nog maar schrijnender, maar had ik anders gewild?

Leonard Cohen - Songs of Leonard Cohen (1967)

poster
5,0
Vergeef me wederom een egodocument vermomd als recensie, maar eigenlijk heeft dit album, na mijn prachtige eerste kennismaking met de Greatest Hits, me als dichter en waarschijnlijk ook als persoon voor een essentieel deel gevormd. Het zijn liedjes die je in je hoofd en hart nestelen, om daar nooit meer uit te komen en op allerlei momenten hun kop opsteken, want zij hebben ook iets te zeggen. Ze hebben zoveel te zeggen en ik hoop maar dat ze doorgaan met praten.

Achter op de hoes staat het al:
"The lyrics are startling juxtapositions of natural speech with formal metaphor. Pain, loss, fear, guilt, loneliness, are unashamedly admitted; yet there is no trace either of self-pity or ironic posturing. The only politics are the politics of love. Ultimately, the songs are religious, in the most profound and mystical sense of the word. The intensity is large, the passion authentic."
En ja, dat wilde ik ook, dat wil ik nog steeds, maar probeer zo'n voorbeeld eens te evenaren, laat staan te overtreffen. Gelukkig maar dat ik heb kunnen proeven van het leven dat in de liedjes steekt.

Zo heeft "Sisters of Mercy" die extra laag gekregen door iets vergelijkbaars met wat Leonard in de liner-notes van zijn Greatest Hits schrijft, over hoe hij het gedicht/lied voor die twee gezusters van geneade schreef terwijl ze sliepen; toen ze wakker werden was het af. Zo kon ook ik niet slapen op het slaapmatje naast mijn bed, dat ik aan mijn logé had aangeboden. Toen ze wakker werd lag er een gedicht op haar kleren.

Maar soit, het leven kan niet altijd een mooi Leonard Cohen-moment zijn, de meeste Leonard Cohen-momenten zijn eerder somber. De wrange conclusie in "Winter Lady", ze wordt beschaafd, bijna zachtjes gezongen, maar ondertussen is het ronduit pijnlijk. Het is het equivalent van het verlangen naar een slaande ruzie, naar het elkaar verwijten toeschreeuwen, want duidelijkheid hoeft niet per se mooi te zijn, ook de lelijke duidelijkheid kan genoeg zijn. Moet ooit genoeg zijn.

In "Stories of the Street" bereikt het feestniveau sowieso een hoogtepunt als Leonard over zijn zelfmoord begint. Hij doet het ook gewoon, hij laat het woord vallen. Waar anderen moeilijk doen over zulke zaken, het scheermes tegen de keel of het pistool tegen het hoofd in eindeloze metaforen wikkelen, doet Leonard dat niet. Hij smijt het op je bord en je ziet zelf maar wat je er mee doet. Voor andere zaken in het nummer gebruikt hij dan wel weer metaforen, maar van het type dat je aanvoelt. Je hoeft het niet te snappen, als je het maar voelt.

En zo zit het met Leonard: hij laat je voelen en als je wil denken, mag je denken. Het wordt alleen geen denken pour le denken, zulken kennen we al genoeg. Er is een soort perfect evenwicht gevonden waarin de metafoor goed te doorgronden is, maar daarnaast nog veel meer lagen meebrengt, en toch wordt het geen moeilijkdoenerij en toch zit er ontzettend veel in. Vergelijk het maar met zijn tweede bundel "The Spice-Box of Earth", vol weelderige liefdeslyriek, maar waarin dood, waanzin en wreedheid telkens weer op de loer liggen: in het prachtige "Teachers", wat mij betreft één van zijn allermooiste nummers, gaat het om "Some girls wander by mistake into the mess that scalpels make". Want mooi is het allemaal niet, niet per definitie. Als het mooi is, dan is het omdat dat tijdelijk is. Achter elke vorm van pracht ligt een Tragedie met hoofdletter T.

Dan wil ik deze bespreking eindigen met "Hey That's No Way to Say Goodbye", dat onlosmakelijk verbonden is met de goede vriendin waar ik al eerder over sprak. Het klopte, Leonard had gelijk. Kijkende naar haar haar op mijn kussen was het inderdaad een slaperige gouden storm. Maanden later zou ze voor lange tijd vertrekken om op reis te gaan. Naast de "I love(d) you in the morning" kwam nu het "Now it has come to distances and both of us must try" en ik snapte eindelijk de titel: geen enkele manier van afscheid nemen is de juiste manier om afscheid te nemen.

Leonard Cohen - Songs of Love and Hate (1971)

poster
5,0
Soms moet je ergens gewoon niet vrolijk van worden. Ooit is het klaar met die "lekker vrolijke muziek" en zie je de mens als een klein hoopje uitgekleed niets. Dat doet Leonard hier ook: de typische, weelderige (liefdes)lyriek van hem is uitgekleed tot de rand van ellende en waanzin die altijd in zijn werk aanwezig is geweest.

Zo begint "Avalanche" erg stemmig en weinig opgewekt dit album: muziek om je cavia bij te wurgen, of je polsen door te snijden. Het is zwelgen in zelfmedelijden, maar dan heeft het bijna iets narcistisch. Leonard neemt hier een soort groteske vorm van martelaarschap op zich: "Jij bent de heilige vrouw, jou heb ik heilig gemáákt tenminste? Ga van je voetstuk af. Ik ben de enige die zo ongelukkig mag zijn en dat jij pijn hebt, tja, het stelt niets voor bij die van mij, het is zelfs een reflectie van mijn pijn. Ga ergens anders zielig doen."

"Last Year's Man" is een nummer dat ik al jaren met me meedraag en dat ik altijd heb gezien als een soort post-apocalyptisch nummer. Soms maakt iemand zijn eigen einde der tijden mee en de ik-persoon in "Last Year's Man" heeft dit gedaan. De tekst is zo ontzettend rijk dat ik er dingen in kan blijven ontdekken: "Some women wait for Jesus and some women wait for Cain": sommige vrouwen willen een brave, nette, maar ook wat saaie man en sommige vrouwen willen een klootzak van een vent, omdat ze dat zo spannend vinden. Hier ligt de sleutel tot mijn opvatting van het nummer: het gaat om het niet leren van je fouten. Jezus ('s mans aanwezigheid is opvallend: Leonard is joods en joden geloven dat de Verlosser nog moet komen) was de huwelijksreis, Kaïn gewoon een man, leer het nou eens verdomme. Nadat Leonard zijn tekst op heeft en het duidelijk is dat er iemand z'n wereld is vergaan, fluisteren de dames achtergrondzangeres nog wat "aahs" en "oohs", maar dat maakt alles nóg pijnlijker. Een zeldzaam deprimerend nummer, maar ik vind het Leonards mooiste lied.

Had ik het over muziek om je polsen bij door te snijden? In "Dress Rehearsal Rag" staat een verwilderde man voor de spiegel en kijkt terug op zijn (in zijn ogen) mislukte leven, al lijkt hij succes gekend te hebben ("I thought you were the Prince of all the wheels in Ivory Town"). Alle bonnetjes opgemaakt maar het mocht niet baten en die slagader in je arm, dat is je laatste bonnetje. Ga maar snel je prijs ophalen, maar wacht, dit was alleen de generale repetitie. En we kunnen nog even doorgaan met ongelukkig zijn...

"Diamonds in the Mine" past perfect bij Leonards gedichtenbundels "Flowers for Hitler" en "The Energy of Slaves". De tekst is gestript tot surrealistische slogans vol sarcasme en bijtende spot. Leonard gaat ook nog qua zang compleet over the top en doet dat glorieus: hij is een glorieus wrak van een mens, of wacht, een Glorieus Wrak, een Trots Aangespoelde Zeehond, dat is hij hier. De ironie wordt nog extra onderstreept door de vrolijke, reggae-achtige ritme en slaggitaar van het lied.

"Love Calls You By Your Name" is een eerbetoon aan de vrouw, de hoer, de heilige maagd, de Maria-substituut, de loopse teef: "The women in your scrapbook who you still praise and blame", een paradox van de verliefde man, in de beste traditie van Petrarca. Maar wacht, liet ik me echt zo meeslepen? Hinkte ik alleen een beetje of was ik echt lam? Dan kun je je eenzaamheid wel aan iedereen laten zien, maar het is een geweer dat je niet kunt richten. Je kunt er mee schieten, maar je zult geen doel raken. Nee, dan is eenzaamheid nog maar een pose. De onmacht tot het schrijven vanuit een depressie misschien?

"Famous Blue Raincoat", er is al zoveel over geschreven, maar Leonard richt zich hier aan de minnaar van zijn (ex-)vriendin. Het schijnt dat er een woord voor is: kutzwager, de man die het met een vrouw heeft gedaan waar jij het ook mee gedaan heeft. Dit verbroedert blijkbaar, want Leonard ziet in hoeveel goeds hij haar gedaan heeft. Hij heeft een deel van haar pijn weggenomen, iets dat Leonard nooit kon, maar hij vraagt zijn broeder, zijn moordenaar (zien we hier Kaïn weer terug?) vertwijfeld: "Did you ever go clear?". Deze term is ontleend aan Scientology, een religie waar Leonard ook nog kort mee heeft geflirt. Is ze echt van al haar duivels verlost en als dat zo is, is dat een goede zaak of niet?

"Sing Another Song Boys" ontaardt in een jubelend lalala-koor, maar het is jubelen met je benen in een berenklem. "They'll never ever reach the moon, at least not the one we're after": let op het verschil in onderwerp, zij zullen de maan niet bereiken, die maan waar wij achteraan zitten. Is er sprake van concurrencie, of van een kleine splintergroepering die nog wel in de hoge idealen (van het hippiedom allicht) geloven? Nee, het liedje vol idealen is oud en bitter, het stinkt en moet begraven worden.

O, en dan komt uiteindelijk nog de Grote Heilige Vrouw, Joan of Arc heet ze hier, in het gelijknamige nummer (ze kwam trouwens nog even buurten in "Last Year's Man"). Hier toont Leonard zich wederom enigzins schatplichting aan Petrarca: vuur staat natuurlijk voor verlangen, dat de vrouw (ze schijnt Nico te zijn) natuurlijk warm kan houden, maar ook kan verteren. Het heeft iets van stoerdoenerij: je wil niet van me houden, maar míjn verlangen zal jóúw einde zijn. Ondertussen vreet het vuur Leonards eigen hart op. Maar is dat zo'n probleem? Is het geen klein offer om het in de lawine kapotgevroren hart weer te ontdooien? Jawel, maar mag het een onsje minder? De laatste woorden van het album zijn al vaak genoeg geciteerd, maar ik zal het nogmaals doen: "Me, myself, I long for love and light, but must it come so cruel and oh so bright?"

"Songs of Love and Hate" is een hellegat waarin alles verbrandt wat je er in schuift.

Leonard Cohen - Ten New Songs (2001)

poster
4,5
Leonard Cohen zwerft. Dat deed hij aan het begin van zijn carrière al, gemarkeerd door de bundel 'Let Us Compare Mythologies', waarin er van de ene mythologie (judaïsme, christendom, seksualiteit, realisme, etcetera) naar de andere geslingerd wordt, in een stijl die evenzeer in dynamiek blijft; van prozaïsch naar meer poëtisch taalgebruik, met breed uitwaaierende en sterk beeldende metaforen. Op zijn debuut, het onvolprezen 'Songs of Leonard Cohen', zette hij een dergelijk concept in als het om liedteksten ging.

'Ten New Songs' is nog immer een verkenning van Cohens min of meer vaste thema’s, telt u even mee: de vleselijke lusten, al dan niet uit liefde, moeilijke relaties, spiritualiteit en religie, depressie, verslaving aan allerhande middelen (‘I fought against the bottle, but I had to do it drunk’) en een (metafysisch of relationeel) zwerversbestaan. In de opener ‘In My Secret Life’ is het al duidelijk: uit Fernweh en wroeging heeft Cohen een eigen wereld opgeroepen, waarin het treuren om een verloren geliefde niet veel meer uitmaakt, omdat in zijn fantasiewereld ze nog altijd bij elkaar zijn. Het verontrustende is dat we, de luisteraar én de verteller, niet meer precies weten waar we rondlopen, waar we de gebeurtenissen nou moeten plaatsen: in de echte wereld of in de fantasie? Zelfs in deze gedachtengesponnen realiteit lijkt de omgang met de vrouw moeilijk te zijn; wordt er onbewust naar een moeilijke relatie toe gefantaseerd en zal het verhaal uiteindelijk altijd verkeerd aflopen?

Zo wordt er verder gezworven. Geliefden worden verlaten, of verlaten, zoals in het op een gedicht van Kaváfis gebaseerde ‘Alexandra Leaving’, waarin de stad Alexandrië van de Griekse/Egyptische dichter wordt omgebogen tot een vrouw. Alles lijkt perfect te zijn: ze slaapt op je satijn, ze kust je wakker, en je weet niet waar het verkeerd ging, je twijfelt er aan of het überhaupt verkeerd ging, maar diep van binnen weet je dat het zo is. Op latere leeftijd is Cohen nog schrijnend als altijd, met een desolaat, kaal en toch stijlvol geluidsbeeld (oosters aandoende gitaarlijntjes, drumcomputers, warme toetsen, af en toe een verdwaalde saxofoon) als decor.

De teksten van Cohen zijn hier ook traditioneler, ik zou bijna willen zeggen ‘klassieker’, dan ooit. Het semi-surrealistische is er wel van af, evenals het meer directe wat in veel van zijn gedichten en liedjes steekt. Dit levert geen abstracte, moeilijk te doorgronden teksten op, maar kleine miniatuurtjes in toegankelijke taal, die evenwel ‘dichterlijk’ mag heten; meer Yeats dan Henry Miller. In ‘A Thousand Kisses Deep’ transformeert Cohen zelfs een fragment uit een gedicht van Robert Frost (‘The woods are lovely, dark and deep./But I have promises to keep,/And miles to go before I sleep,/And miles to go before I sleep.’) tot ‘And maybe I had miles to drive/And promises to keep/You ditch it all to stay alive/A thousand kisses deep’, regels die de algehele sfeer en strekking van het album goed samenvatten.

Toch is er ook plek voor liefde, tederheid en zelfs een beetje hoop. Cohen heeft vele lichamen onderzocht, bekeken en betast, maar heeft de universele landkaarten nog steeds niet uitgetekend. Het drijft hem, het drijft hem soms zelfs tot waanzin, maar al is de vrouw soms een vervloekt secreet, ze wordt altijd op een voetstuk geplaatst. ‘When the hunger for your touch rises from the hunger/You whisper you have loved enough, now let me be your lover’ is het in het magistrale albumhoogtepunt ‘You Have Loved Enough’. Er steekt nederigheid uit, oprechte nederigheid, maar evengoed berouw: de ander heeft zoveel liefgehad dat het nu eens Cohens beurt is. Is hij nalatig geweest, was hij er niet toen hij er moest zijn, hield de ander gewoon meer van hem of was ze onderdanig? Het blijft, zoals in veel teksten, toch onduidelijk; het mysterie wordt immers vergroot en niet opgelost. Wat wel duidelijk is, is de conclusie waarmee ik zal eindigen: het was onverwacht, maar met dit bij vlagen bijzonder zwartgallige, maar toch altijd dragelijke album, leverde Cohen toch nog een bescheiden meesterwerkje af.

Leonard Cohen - You Want It Darker (2016)

poster
4,0
Tja, ik ben toch wel een heel grote fan, maar ik ben minder onder de indruk dan veel anderen. Cohens dood hakte er bij mij zeker in, maar zoiets maakt voor mij een 4*-plaat nu eenmaal geen 4,5*- of 5*-werk. Van de jaren 2010-output vond ik Old Ideas toch wel een vrij behoorlijke plaat; Popular Problems vond ik dan weer tot z'n minste werk behoren door een gebrek aan echt memorabele nummers, maar heb 'm toch op een kleine 4* staan. You Want It Darker heeft een beetje hetzelfde probleem, al spreekt het sobere geluidsbeeld me hier wel veel meer aan. 'Treaty' is van het ouderwetse niveau, en zo'n tekstfragment als dat couplet over de Bijbelse slang heb ik Cohen lang niet meer horen zingen, erg fijn om hem zo weer eens te horen. Daarmee is veruit het beste nummer van de plaat wel genoemd.

Het titelnummer en 'Steer Your Way' zijn ook memorabele nummers, en de afsluiter is erg fraai. Een paar dagen geleden vroeg ik me echter af welke vijf andere nummers ook alweer op het album stonden; kon zo uit mijn hoofd niet pakweg 'On the Level' of 'It Seemd the Better Way' opnoemen. Het zijn nummers die andere artiesten jaloers zouden maken, maar die ik toch tot de onderste regionen van Cohens oeuvre zou rekenen. Die score is evenwel wat hoger dan Popular Problems, maar toch: Old Ideas had - naast een paar mindere broeders - nummers als 'The Darkness', 'Amen', 'Going Home' en 'Banjo' die ik toch veel hoger aansla dan de meeste liedjes van de laatste twee platen.

Het is ook moeilijk, zelfs voor Cohen zelf, om te tippen aan zijn fantastische werk uit de jaren zestig en zeventig. Tot en met Recent Songs was het echt elk album goed raak; 4,5*- en 5*-werk. Ten New Songs vond ik verrassend sterk, maar verder is het meeste uit de jaren tachtig, negentig en nul toch van wisselvalliger of gewoonweg iets minder niveau - en daar reken ik You Want It Darker toch ook onder. Heb toch het gevoel dat er uit de laatste drie platen een of twee echt fantastische albums samengesteld konden worden; nu moet ik het toch doen met drie goede albums waar toch meer in had gezeten.

Maar al het geklaag ten spijt: ik luister toch graag naar You Want It Darker. Het lijkt me sterk dat Cohen 'm als afscheidsplaat heeft bedoeld, want hij is al decennia beziggeweest met nummers te schrijven over dood en afscheid, en zijn dood kwam toch vrij onverwacht - niet door ziekte, maar door een val (maar afijn, zeker weten doe je als gewone sterveling niet of Cohen toch al stervende was). Dit is zeker een waardige afsluiter van zijn oeuvre.

Lightning Seeds - Jollification (1994)

poster
3,5
Op het alleraardigste Jollification brengt producer Ian Broudy (je kunt zijn naam wel eens tegengekomen zijn bij platen van Echo & The Bunnymen of The Fall), een soort lichtvoetige kruising tussen een iets warmere en minder pathetische Pet Shop Boys én een toegankelijkere versie van New Order, waarbij de vocalen en niet de muziek vooraan staan, zoals bij laatstgenoemden. Popliedjes, niet heel diepgravend of bijzonder, aangekleed met synthesizers.

Ik ben zeker niet de eerste en ook niet de laatste die The Lightning Seeds zal bekritiseren vanwege het veel te gladde gehalte van de muziek. Het glijdt allemaal veel te veel langs je op, alsof Ian de vaseline van de Pet Shop Boys heeft geleend. De meeste nummers zijn nogal zoet (ook dat stemmetje van Ian is veel te dun) en gaan eigenlijk nergens heen. "Don't ever change" maant Ian, maar als ik de aangesprokene was geweest, had ik er niet naar geluisterd.

Ondanks dat de liedjes vaak best in orde zijn en "Open Goals" gewoon perfect is, 5*-materiaal zelfs (tekst dik in orde, fijn orgeltje, mooi invallende drums en een heerlijke hook), is lijdt de plaat meestal aan zijn eigen geluid. Veertig minuten is eigenlijk wel meer dan genoeg. Als je het zo hoort, is meneer Broudy best een sympathieke vent, maar het liefst zou ik hem toeschreeuwen dat er in Afrika mensen doodgaan van de honger, er mensen mishandeld worden vanwege hun seksuele geaardheid, bankiers ons er nog steeds constant bijnaaien, er mensen naar de voedselbank moeten en racisme nog steeds niet de wereld uit is.

Linkin Park & Jay-Z - Collision Course (2004)

poster
2,5
Waarom ik deze EP ben gaan beluisteren, geen idee eigenlijk, het zal wel te maken hebben met die recent aangeschafte ceedee van dhr. Jantje-Z, maar enig jeugdsentiment m.b.t. "Numb/Encore" heeft geloof ik ook wel een rolletje gespeeld. Apart trouwens, dat ik vroeger vond dat die rappert veel te lang aan het woord was, maar nu vind ik dat die zangert van Linkin Park zijn grote mond eens dicht moet houden. Het kan verkeren.

Het vervelende is inderdaad dat Linkin Park wel gedienstig leuke instrumentale begeleiding kan verzorgen, in het synth-gedreven "Numb/Encore" zit dat zeker snor. Ik heb de originele nummers ook even opgezocht, maar "Encore" vind ik wat flauw en neigen naar carnavalsmuziek, terwijl "Numb" beter een instrumental had kunnen blijven. Want die zanger van Linkin Park, Chester Bennington schijnt het jong te heten, is én een waardeloze zanger én een waardeloze schreeuwert (want mooi schreeuwt ie niet, of hoe zeg je dat? Hij is in elk geval geen Chino Moreno.) én een ronduit kutte tekstschrijvert die puberclichés aan elkaar blijft plakken. Doe eens gek en groei op. Daarom zijn emo's en het Peter Pan-syndroom een heel, heel slechte combinatie.

De versie van "99 Problems" is exemplarisch: erg sterk nummer van Jantje-Z, maar de muzikale begeleiding is deze keer van het soort "papa en mama, ik ben heel boos op jullie en dat uit ik met een elektrieken gitaar die kabang-kabang doet". In "99 Problems" zat verdomme al een elektrieken gitaar, waarom spelen jullie dat niet na? En dan nog die Chester die schreeuwt: "Shut up when I'm talking to you!". Luister eens, jongen, met netjes vragen om even stil te zijn bereik je vaak meer en bovendien praat je helemaal niet, je schreeuwt. Dat is bepaald geen constructieve houding tijdens het oplossen van ruzies hoor.

Liquid Spirits - Music (2008)

poster
2,0
Nogal een vervelend album. Het schijnt dat het vocale werk bij Liquid Spirits voornamelijk wordt verzorgd door achtergrondzangers en -zangeressen en dat is te horen. Ze klinken anoniem en totaal niet charismatisch, net als de muziek. Dat is van die heel flauwe, heel gladde popfunk, waarin eigenlijk geen funk meer inzit. Hoe leg ik dat uit? Het is net zoiets als homeopathie, er zit nog 1% funk-extract ergens in of zo, maar dat is dus zo verdund dat het meer de suggestie is, dan dat het echt aanwezig is. Zoiets. Afijn, je kunt gewoon horen dat ze de mosterd bij Stevie Wonder hebben gehaald, en dan niet eens de juiste mosterd. En 'Higher Ground' is helaas geen cover. Het is niet zozeer slecht, het is een prima album in het genre anoniem klinkende funkpop, maar het is gewoon zo zaaddodend saai. De enige lichtpuntjes zijn de bijdrages van Leon Ware en zeker van Phonte. Phonte is gewoon een sterke mc en de achtergrondmuziek past zowaar nog wel aardig bij z'n stem. Zoek dat nummer maar op op youtube en dan kun je de cd laten liggen.

Little Simz - Lotus (2025)

poster
3,5
Mijn eerste Little Simz, want op de een of andere manier heb ik de voorgangers nooit beluisterd. Of ik dat nog daadwerkelijk ga doen is nog maar de vraag. Voor een groot deel beleef ik best plezier aan deze plaat, en er had wellicht een krappe 4* in gezeten als Little Simz de twee ronduit slechte nummers had geschrapt: 'Young' was de eerste keer al compleet niet grappig en 'Hollow' is een matige interlude die is opgerekt tot een volledig nummer. (Plus: hoe redt ze het om 'law and order' uit te spreken als 'Lauryn Order'? Ik dacht dat ze een MC met die naam aan het dissen was; goede MC-naam, dat wel.)

Verder zit het vooral muzikaal best goed in elkaar, met een paar goede uitschieters. 'Blood' is een soort gezelligere boer-zusversie van K-Dot's 'We Cry Together' en de producties zijn ook fijn, hoewel soms wat behaagziek (zo van: kijk, geen drums, zie mij eens lekker ingetogen bezig zijn). Merkwaardig is overigens wel dat 'Thief' als de soundtrack klinkt voor een spionage- of inbraakfilm, maar niet echt iets doet met de frictie tussen tekst en muziek. Was het niet interessanter geweest als Little Simz in de huid zou zijn gekropen, in plaats van hem in de tweede persoon toe te spreken?

Het album moet het ook iets meer van de muziek hebben dan de flows en de teksten. Little Simz is een heel prima rapper, maar echt heel scherp is ze ook weer niet. Het zit allemaal tamelijk aan de oppervlakte en ze wordt soms iets te prekerig, à la 'mijn producer heeft me bestolen en nu ga ik een indivuele ervaring helemaal opblazen en in de we-vorm zeggen dat we allemaal veel te materialistisch zijn'. Lotus is uiteindelijk best een fijne plaat, maar veel minder intelligent dan de makers volgens mij zouden willen.

Lou Reed - New York (1989)

poster
4,0
Ons aller Loud Reed schijnt nogal te dwepen met allerlei literaire voorbeelden, wat niet door iedereen in dank afgenomen wordt (pretentieus laten zien dat hij ook wel slim is). Nu ben ik zelf ook een grote dweper, ik hou bijvoorbeeld erg van het werk van Jack Keroauc (On the Road). Daar hebben we het bruggetje naar de Beat Generation, want de teksten op New York zijn meer dan ik ooit van hem gehoord (voor mijn gevoel?) nogal beïnvloed door die literaire stroming, waarvan ook Kerouac deel uitmaakte.

In de teksten (van literair niveau!), die hoe cliché, maar hoe waar kleine verhaaltjes zijn, behandelt Lou allerlei zaken die nu eenmaal voorkomen in een grote stad als New York. AIDS, kindermishandeling/misbruik en Vietnam-veteranen zijn maar enkele van de onderwerpen. Bovendien laat Lou tegen het einde aan de American Dream nog eens goed uit elkaar spatten; wat een lege luchtbel bleek dat te zijn.

Zo, als een boek of een film, krijgen we veertien kijken op de stad en kunnen we concluderen dat het met de mensheid flink de verkeerde kant op gaat, maar er is altijd hoop, zelfs op deze bij vlagen ongemakkelijk nihilistische plaat is er hoop. Dat er een hele buslading vertrouwen bij moet komen, lijkt een onbegonnen zaak, maar het idee is er. En dat is een idee dat blijft. Pluk het, lijkt Lou tussen de regels door naar je te sissen.

Love Through Cannibalism - Metapodestroyer (2010)

poster
Oe, die titels! Die van nummer 17!

Lucky Fonz III - Hoe Je Honing Maakt (2010)

poster
4,5
De Nits klinken door en door Nederlands, op die Engelse taal na. Nog Nederlandser klinkt eigenlijk Hoe Je Honing Maakt van Lucky Fonz III (je zegt ook niet ‘the third’, maar ‘de derde’). Sommigen kunnen hem niet uitstaan, maar zeker op dit Nederlandstalige album presenteert, Otto Wichers, ook wel de Fonz genoemd, zich als een charmante hofnar. Daarbij stapt hij met beide benen in een rijke traditie: muzikaal klinken Peter Koelewijn en Armand door, maar ook de elektrische Bob Dylan in de jaren zestig. Dan heb ik het nog niet over Boudewijn de Groot en de schandalig onderschatte Jaap Fischer gehad. Daarnaast koketteert Wichers ook met levensliedzangers, noemt hij net zo snel Dylan als Willie Alberti als belangrijkste invloed en schrijft hij vooral heel goede liedjes met heel goede teksten.

Vooral die teksten zijn eigenlijk ontzettend amusant. Wat mij betreft wordt ‘Jongens zijn net meisjes, maar dan zonder geluk’ een evergreen in de trant van ‘alles van waarde is weerloos’ of ‘En niet het afsnijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn’. Op een schijnbaar weinig subtiele manier schetst Wichers in ‘Jongens’ het beeld van een enorme sukkel, maar wel weer erg subtiel werkt hij naar een dramatische ontknoping toe. Het zijn taferelen, ook in andere liedjes, die meer dan eens aan Nescio, de vroege Remco Campert of zelfs Piet Paaltjens (‘Ze sprongen zoo moedig de wereld in,/En de wereld - trapte ze dood.’) doen denken.

Om er levensliederenterminologie op los te laten: het zijn liedjes met een lach en een traan. Ergens in een recensie, het ontschiet me even welke, las ik dat vooral ‘Boris’ en ‘Hel’ liefdesverklaringen aan de Nederlandse taal waren. Mag ik dat even corrigeren? Dertien liedjes lang verklaart de Fonz de liefde aan het Nederlands, maar bedrijft er daarna ook dampend de liefde mee.

Lucky Fonz III - Life Is Short (2007)

poster
4,5
Soms bekruipt me het gevoel dat als iemand een van mijn besprekingen heeft gelezen en hij de plaat niet kent, geen idee heeft hoe het klinkt, maar wel waar het nou allemaal over gaat. Voor diegenen zal ik eerst eens vertellen dat we te maken hebben met een folkplaat, die we ergens tussen Leonard Cohen en Bright Eyes kunnen plaatsen, dat de liedjes uitgevoerd worden op gitaar en/of piano, soms aangevuld met een zangeres of Franse hoorn, er twee opgewekte pianoliedjes op staan, een lo-fi-electropop de plaat afsluit en dat de Fonz geen mooizanger is, maar dat dat niet uitmaakt. Hebben we nu een beetje een plaatje van het geluidsbeeld? Mooi zo.

Nu ga ik weer schaamteloos mijn tekstenfetisj botvieren. Mocht je daar geen behoefte aan hebben, hou dan maar op met lezen en koop die cd. Want waarom iemand als Tom Barman bij het uitkomen van elke nieuwe dEUS-plaat een hoop plek krijgt in de OOR om zijn teksten te bespreken, het is mij een raadsel. ‘Vantage Point’, leuke plaat, maar tekstueel wel zo straight-forward dat we al aan het tekstboekje genoeg hebben, Tommeke. De nieuwe, ‘Keep You Close’ wordt-ie genoemd, heb ik nog niet gehoord, maar de tekstfragmenten die ik in de, wederom, OOR las, geven me toch weer een gevoel dat Tom al die uitleg niet hoeft te geven. De bevindingen die ik opdeed uit het schandalig korte interview dat verscheen, naar aanleiding van deze cd, zijn een stuk boeiender.

Want de Fonz, Otto Wichers staat er op z’n ID-kaart, noemt zowel de spirituel-romantische benadering van Leonard Cohen, als de aardse benadering van Seamus Heaney, die zelfs over aardkloten schrijft. Tekstueel blijkt Otto zich ook van simpel taalgebruik en eenvoudige beelden te bedienen, die evenwel wel sterk evocerend werken. Het verhaaltje is makkelijk te volgen, maar ondertussen gebeurt er genoeg achter de tekst. Zo is één van de terugkerende thema’s de zoektocht naar schoonheid. Dit wordt gevonden en leidt tot verlichting van de aardse banaliteiten, dit wordt niet gevonden en leidt tot eenzaamheid, het is misschien al gevonden maar is niet als zodanig herkend en nu is het te laat; er is voor een aantal verschillende invalshoeken gekozen.

Het kan er behoorlijk schrijnend aan toe gaan: zelden zo’n subtiele, maar daarom zo pijnlijke verwoording van het onvermogen om een overzicht van de situatie te schetsen: ‘She wore my bracelets nearly every day/You know I used to smoke her cigarrettes/and I don’t know what went wrong’. De titel van het liedje geeft aan dat er gezocht wordt naar het miraculeuze, maar de ik-persoon heeft het niet als zodanig herkend. Dat wordt pijn lijden en inderdaad, als de ik ergens wordt aangetroffen op een zwerftocht, blijkt hij vol spijtgevoelens te zitten.

Zo zit bijna elk nummer (de opgewektere pianoliedjes uitgezonderd) vol onderhuidse spanning: ‘I used to wear my rings underneath my skin’. Af en toe komt dat tot uitbarsting, zoals in het pijnlijke ‘Christmas Lights in a Cave’, waarvan de conclusie me nog geregeld zachte ogen oplevert. Ontevredenheid, masochisme, fatale onverschilligheid, verlangen dat bijna niet meer te houden is; het is allemaal niet vrolijk, deze zoektocht naar schoonheid, maar juist daarom komt Otto een heel eind.