MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Slowgaze als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Talib Kweli - Gutter Rainbows (2011)

poster
3,0
"You ain't got a verse better than my worst one" herhaalt Kweli, die ik eigenlijk alleen van enkele ijzersterke gastbijdrages bij The Roots kende, constant in "Palookas". Dan wil ik wel eens weten tegen wie hij het heeft, want de hierboven aangehaalde regels zijn ook bepaald geen sterke versregels. Gelukkig is de rest van het album, op het uiterst zwakke "Mr. International" (goedkoop kutrefrein) wel wat sterker.

De muziek hier is interessant: funky en optimistisch. Als er toch nog een regenboog in de ghetto is, is dat A) omdat het regent en de zooi kut is, B) de zon schijnt en de boel best goed is eigenlijk en C) omdat Kweli met lekker funky gitaartjes en muziek in zuurstokkleuren aankomt zetten. Dat is leuk, hoewel het meestal geen memorabele nummers oplevert.

Dat doet het flink afwijkende "Tater Tot" (is dat Duitsch of wat anders?) wel. Met een flink vervormde zanglijn, een erg ruw en donker geluid en vrij realistische samples van pistoolschoten (het is zelfs een beetje eng) werkt Talib hier tot het absolute albumhoogtepunt. Een ijzersterk nummer op een verder oerdegelijke plaat.

Talking Heads - Remain in Light (1980)

poster
4,5
‘Remain in Light’ is een klassieker. Een monument. Probeer maar eens wat over zo’n plaat te zeggen, zonder dat we het rijtje af hoeven te lopen. Dat we Afrikaanse ritmes mogen verwachten als we naar deze elpee gaan luisteren, dat weten we inmiddels. Heb ik het toch nog gezegd, maar ja, men kan er blijkbaar niet om heen.

Wat mij belangrijker lijkt in deze zoveelste recensie, dan te stellen dat we naast Afrikaanse invloeden ook te maken hebben met een flinke portie funk (zet de naald maar in de groef, dan merk je dat heus zelf wel), ook te maken hebben met een verklanking van de grote stad, de onrustige binnenkant van Byrne’s hoofd (en met hem de hoofden van velen), die binnenkant als stad, de stad als binnenkant, of hoe je het ook wilt wenden of keren. Het is de samenleving die steeds drukker wordt, de postmoderne samenleving met een duidelijk gefragmenteerd karakter (wat dat betreft is het knap dat dit album toch nog zo consistent klinkt, zowel muzikaal als qua kwaliteit) en het is vooral ook de mens die zich in zo’n tijdsgeest staande probeert te houden. Dat er een citaat uit Byrne’s rap (want in een grote stad heb je evengoed ook hiphop als funk, Afrobeat en ambient) op ‘Crosseyed and Painless’ twee keer terugkomt in ‘Bright Lights, Big City’ is in dat licht niet meer dan logisch.

Het is pure onrust wat de klok slaat en ook al lijkt het manische van de eerste nummers, via het meditieve ‘Listening Wind’, een depressieve afsluiter te krijgen in de vorm van ‘The Overload’, of het hoofd dat overloopt. Het tempo gaat naar beneden, maar dan blijkt het dat de nervositeit op de vierkante millimeter omslaat in pure Unmheimlichkeit. Een nummer als ‘Born Under Punches (The Heat Goes On)’ moet dan ook gelijk in een ander licht bekeken worden: je mag er wel op dansen, maar dat is dan vooral stoom afblazen als het te krap onder de schedeldak wordt. Of dit nu een goede plaat is voor een neuroot als ik weet ik niet, want ik word heel, heel onrustig van deze muziek, maar het geeft me daarnaast ook een geruststellend gevoel dat het blijkbaar altijd erger kan.

Taylor Swift - 1989 (2014)

poster
4,5
Toen ik van de brugklasleeftijd was, kocht ik een of twee cd’s per halfjaar (dit is een schatting, maar volgens mij klopt het wel) en luisterde die keer op keer, en zelfs als ik ze eerst niet zo goed vond, draaide ik ze tot ik ze goed vond. Toen ik rond mijn veertiende, vijftiende een grotere interesse in popmuziek kreeg, als in: ik kreeg zin om veel meer muziek te ontdekken, werden dat drie of vier cd’s per halfjaar (wederom: een schatting), die ik natuurlijk ook zo vaak draaide tot ik ze heel goed vond. Waiting for the Sirens’ Call van New Order bijvoorbeeld, dat ik nog altijd een fijn (edoch allerminst spectaculair) album vind, heb ik gewoon zo vaak gedraaid dat de plaat me zo goed valt dat ik toch dat halfje extra heb gegeven, toen ik eenmaal op MusicMeter was beland. Ik ben nog altijd iemand die rustig zijn nieuwe cd’s wil luisteren, en ze ook graag blind koopt. Zelden luister ik vooraf of de cd wat voor mij is, nee, ik koop ‘m gewoon en zie dan wel. En hoewel ik al geruime tijd veel meer muziek koop dan eerst, hou ik het graag bij twee, drie cd’s per week, zodat ik de muziek rustig kan leren kennen. Voordeel daarvan is dat ik albums ook vaak de ruimte geef om te, ik weet dat het een naar woord is, groeien.

Zo heb ik 1989 van Taylor Swift een kans gegeven. Eind vorig jaar beviel eerste single ‘Shake It Off’ me erg goed. Tweede single ‘Blank Space’ vond ik toen die uitkwam een beetje een tegenvaller, een nogal gewoontjes klinkend liedje, maar ik bleef ‘m af en toe toch opzetten. Toen begon me op te vallen wat een goed liedje het eigenlijk is: fijn refrein (die ‘I love the game!’ doet het hem), en vooral: de ritmiek van de coupletten. Na ‘Blank Space’ en ‘Shake It Off’ zo vaak te draaien werd het tijd dat ik 1989 maar eens kocht. Sommige liedjes vielen gelijk goed (‘Out Of the Woods’ is en blijft een pareltje, ‘Clean’ ook), en andere klonken ontzettend gewoontjes; ‘Style’ bijvoorbeeld. Maar 1989 bleek na catchy, goed in het gehoor liggend en vrolijkmakend ook over een zekere diepte te beschikken, over details om te ontdekken. De laatste zinnen van de coupletten van ‘Style’ bijvoorbeeld, hoe Swift daarin op een andere zanglijn overgaat, ik vind het erg mooi. De synthbas onder ‘Stay’ is ook zo’n mooi detail, dat goed samenvalt met de springerige akoestische gitaar en de hook.

Langzaam bloeiden zo alle liedjes op. ‘Wildest Dreams’ bijvoorbeeld klonk aanvankelijk als het typische soort weidse neo-eightiespop waar al zoveel van is gemaakt, maar langzaam bekroop het nummer me echt, met dank aan de brug die het nummer bijna laat kantelen, zonder dat dat aanvankelijk echt opvalt. Die combinatie van diepte, details om te blijven ontdekken, goed in het gehoor liggen en erg vrolijkmakend zijn, heeft ervoor gezorgd dat ik 1989 zo vaak heb gedraaid en nog altijd geregeld draai. Dat is niet meer ‘zo vaak draaien tot ik ‘m goed vind’, maar wel zo vaak geluisterd hebben dat ik dit album graag dat halfje meer geef.

Ook de uitstekende teksten (Swift is een aanzienlijk betere tekstschrijver dan wat tegenwoordig voor authentieke singer-songwriters door moet gaan) dragen bij aan de vreugde. Zelfspot en humoristische observaties (‘He said ‘what you heard is true but I / can’t stop thinking about you’ / and I, I said ‘I’ve been there too a few times’’) kruiden de al niet misselijke plaat. Echt niet alles is even goed, maar daar staat tegenover dat elk liedje wel een of twee details of wendingen hebben die voor net dat beetje meer zorgen. Betere ‘echte’ popplaten heb ik de afgelopen tijd niet gehoord, hetzij uit de mainstream-, hetzij uit de ‘alternatievere’ (voor zover dat adjectief wat waard is) hoek. Ik hou zelf in elk geval ontzettend van 1989.

Taylor Swift - Red (2012)

poster
4,5
Ik ga toch een halfje omhoog, want hoewel het vast niet cool is om Taylor Swift goed te vinden, is ook Red echt een uitstekende plaat. De flirts met stadionrock bevallen me minder omdat ik dat een wat vervelende muzikale richting vind; 'Starlight' vind ik om die reden het enige ondermaatse nummer, maar de Snow Patrol-flirt 'The Last Time' kan ik nog wel aardig waarderen, terwijl ik Snow Patrol best een nare groep vind.

Het probleem met Red vond ik aanvankelijk dat de plaat zo hard 'OVERGANGSPLAAT! OVERGANGSPLAAT!' roept dat ik er bijna opvliegers van kreeg. Naast countrypop staat hier stadionrock, poprock, uitstekend hitparadewerk en die overigens fenomenale flirt met dubstep. Nu voelt alleen 'I Knew You Were Trouble' nog aan als een Fremdkörper, maar wat voor eentje. (Ik had overigens aanvankelijk een hekel aan dat nummer, juist wegens dat refrein, totdat ik Red begon te draaien).

Maar waar het uiteindelijk om gaat: Taylors liedjes zijn vaak echt, echt goed. Vooral het poprockmateriaal is veel sterker dan wat soortgelijke artiesten laten zien. 'Treacherous' bijvoorbeeld is sterk opgebouwd, via de beproefde rustig-hard-rustig-formule weliswaar, maar het nummer overtuigt ontzettend. Maar het mooiste is nog wel 'All Too Well', dat ik oprecht prachtig vind, vooral dankzij de tekst.

Die teksten zijn misschien nog wel de sterkste kant van Taylor; ze onderscheidt zich op dat vlak in elk geval van vele andere artiesten. Sterker nog, ze is gewoon een uitstekende tekstschrijfster. Natuurlijk zitten de nummers soms op het randje van het clichématige, maar dan gaat dat om losse zinnen. Ze compenseert dat wel gemakkelijk met sterke sfeerschetsen, goede, verhalende nummers, fijne humor ('This morning I said we should talk about it / Cause I read you should never leave a fight unresolved / That's when you came in wearing a football helmet'), plastische details (zie wederom 'All Too Well'). Op tekstueel vlak is ze ook aanzienlijk sterker dan menig verantwoorde singer-songwriter of indieband. Op 1989 zijn die aspecten nog beter uitgewerkt, en bevalt de muziek me uiteindelijk ook meer, maar Red is hoe je het wendt of keert ook gewoon een heel behoorlijke plaat.

Taylor Swift - Speak Now (Taylor's Version) (2023)

poster
3,5
Samen met het debuut is Speak Now toch wel duidelijk m'n minst favoriete Taylor Swift: sowieso te lang, maar ook regelmatig te puberaal met die emopopinvloeden en die sprookjesteksten. Dit album wordt vaak gezien als een belangrijke stap in haar ontwikkeling, omdat ze voor de eerste keer alle nummers zelf schreef, maar ik denk dat ze toch baat had gehad bij een paar co-auteurs, die bijvoorbeeld hadden gezegd: 'Better Than Revenge', zou je dat nou wel doen? In die zin is dit echt wel de plaat van een negentienjarige en echt helemaal niet zo'n grootse prestatie. Olivia Rodrigo was op die leeftijd toch wel echt ietsjes verder.

Muzikaal ligt het voor het grootste deel ook heel erg in de lijn van de voorgangers; 'Long Live' en 'Change' van Fearless haal ik bijvoorbeeld constant door elkaar. De Taylor's Version is daardoor geen onverdeeld fijne nieuwe kennismaking, maar ik moet zeggen dat ik een paar nummers herontdekt heb. De iets te kinderachtige wraakoefening 'Dear John' kom ik moeilijk doorheen ('the girl in her dress', serieus? Tegen een meisje in een spijkerbroek mag je wel lullig zijn soms?), maar 'Enchanted', 'Haunted' en 'Last Kiss' zijn beter dan ik me herinner. Die laatste is stiekem Swifts eerste Mazzy Star-moment op plaat, vermoed ik; een kant van haar die me goed bevalt. Maar het leukst is denk ik nog wel 'Back to December'. Het moment waarop de strijkers erin knallen, daar krijg ik toch wel een brede glimlach van.

Taylor Swift - The Life of a Showgirl (2025)

poster
3,5
Waarschijnlijk word ik nu uit de Swift-maffia gegooid en krijg ik diezelfde Swift-maffia nu achter me aan, maar dit is toch wel de eerste van Taytay sinds Speak Now (en vooruit, Speak Now (Taylor's Version)) die ik niet minstens vier sterren geef. Die 3,5e ster is The Life of a Showgirl meer dan waard, al is het maar omdat-ie nog het meest een glitterversie is van evermore, mijn op twee na favoriete Swift-album. Haar hooks en melodieën zijn altijd nog veel, veel beter dan jouw favoriete indie-plaat die veel cooler is dan de hare. Maar het zijn deze keer vooral de teksten die me verhoeden om naar boven af te ronden, plus nog wat andere, misschien niet geheel muzikale redenen.

Met zo’n albumtitel en behoorlijk consequente visuele identiteit eromheen, verwacht je een conceptalbum en dat valt toch tegen. Het wat moeizame titelnummer heeft op zich een interessante tekst waarin Swift op een gegeven moment alle belangstelling heeft gekregen – en nog veel meer – dan waar ze als kind van droomde, maar de boodschap dat dat glamoureuze leven ook niet alles is, die komt niet goed aan. Want wat zijn de problemen? Swift wil een burgerlijk leven (waarom lukt dat niet?), Scooter Braun is een eikel (ook al heeft ze haar masters inmiddels terug), en iemand vindt haar een saaie Barbie.

Om met die laatste te beginnen: ‘Actually Romantic’ wordt vaak gezien als een diss-track aan het adres van Charli xcx, maar ik geloof dat dat niet helemaal het geval is. Het liedje past eerder in de reeks wat verongelijkte Swift-nummers waarin ze met een specifieke persoon lijkt af te rekenen die haar op de een of andere manier heeft gekrenkt, maar waarin het veel meer gaat om haar reputatie in bredere zin. The Life of a Showgirl laat wat dat betreft te vaak een Taylor Swift aan het woord die bepaald niet mijn favoriet is: de meta-Taylor-Swift die graag zingt over hoe het is om Taylor Swift te zijn. De tekst lijkt grappig te zijn bedoeld, maar wil maar niet echt grappig worden. Jammer, want het is verder een erg fijn nummer: alsof Olivia Rodrigo een mash-up heeft gemaakt van ‘Where Is My Mind?’ en ‘Say It Ain’t So’.

Over Rodrigo gesproken: herinneren jullie je de royalties-kwestie rondom ‘Deja Vu’ nog, lieve kijkbuiskinders? Omdat Rodrigo een stukje schreeuwt op dat nummer, moest ze Swift als coauteur opvoeren, omdat die een stukje schreeuwt op ‘Cruel Summer’. Als het inderdaad Swift zelf is geweest die hier achteraan heeft gezeten (wat ik wel vermoed), dan is dat een heel kinderachtige zet geweest. Dan had ze bovendien ook Lady Gaga en Rob Fusan als coauteur mogen opvoeren van ‘The Fate of Ophelia’, want daar zit onmiskenbaar een stukje ‘Paparazzi’ in (hoi, meta-Swift).

Liedjesschrijfcollectief The Corporation verdient ook een zak geld voor het schaamteloze jatten van ‘I Want You Back’ voor het kinderachtige ‘Wood’, misschien wel Swifts slechtste nummer sinds ‘Better Than Revenge’. Nu ben ik niet iemand die begint te schuimbekken omdat hij erachter komt dat Taylor Swift seks had (wie had dat gedacht, dat Taylor Swift seks heeft?), maar de tekst is wel heel puberaal – zeker op dit punt in haar carrière.

Wat dat betreft is het echt niet slim dat Swift in elk geval de indruk wekt dat ze Charli xcx op de korrel neemt. Haar ‘Sympathy is a Knife’ is geen Swift-diss (oké, mogelijk een beetje), maar vooral een nummer over haar eigen onzekerheden. Charli xcx durft daar de confrontatie mee aan te gaan, net zoals heel brat een fantastische botsing is tussen hedonistische dance-pop en problemen met geestelijke gezondheid. Swift zal ook heus weleens onzeker zijn, maar ze werkt eromheen. Ze gedraag zich als Cady Heron die zich inmiddels als Regina George gedraagt. (Ik drop verwijzingen voor de fijnproevers.) brat was vaak stiekem veel volwassener dan Charli xcx het liet overkomen en dat maakte dat album zo goed. The Life of a Showgirl daarentegen is veel minder volwassen dan Swift probeert uit te stralen. Het kost haar een hele halve ster.

Tears for Fears - Songs from the Big Chair (1985)

poster
3,5
"Songs from the Big Chair", ooit kernachtig door een vriend van mijn vader gerecenseerd: "Als ik zo die hoes zie, nee, dan hoeft het niet van mij." Inderdaad, dit is ook geen album dat ik op basis van de hoes gekocht heb, maar vanwege "Shout". Hoewel, ik heb hem zelf niet gekocht, ik kreeg hem van de vader van een vriend van me, die niet eens wist dat ie die elpee had. Hij maakte volgens mij ook nog een opmerking over de hoes, dus dat zal ik verder maar laten.

Altijd pijnlijk, een album dat gelijk opent met zijn beste nummer. Tears for Fears doet het een album later weer, maar "Shout"... Tja, aan "Shout" zou ik de helft van mijn recensie kunnen wijden. Had men dat ook maar met de elpee gedaan, heel kant A "Shout"! Sinds ik een halve boeddhist ben, heb ik sowieso iets met mantra's, maar o wat effectief. Ik herinner me een busreis terug uit Bonn waarbij de radio aanging, "Shout" gedraaid werd en prog-, wave- en metal-liefhebbers samen één keer vormden om het legendarische refrein mee te zinge

Maar nee, er staan meer nummers op. Wel zeven b-kantjes, de luxe! "Everybody Wants to Rule the World" (overigens flink gejat van Deep Purple's "Hold On", "I Believe" en "The Working Hour" zijn best aardig, maar missen wat. Ze zijn gewoon wat aan de slappe kant, vrees ik. Neen, dan prefereer ik het vreselijk lompe, maar daarom niet minder heerlijke "Mothers Talk" (klats!-boem!-klats! etc.) en "Broken", nog zo'n zwaar gesynthesizerde (neologisme) track. "Head Over Heels" vind ik als rustiger nummer overigens wel erg geslaagd, sterke zanglijn ook. Afsluitend met een prettig stuk ambientpop ("Listen") is dit eigenlijk best een onderhoudende plaat, maar als het een EP was geweest met "Shout" als kant A en nog wat van die goede tracks op kant B, was ik minstens zo tevreden geweest.

The Boo Radleys - C'mon Kids (1996)

poster
4,5
Schreef ik dat de vorige plaat van dit schandalig onderschatte gezelschap een perfecte psychedelische popplaat was, gemaakt door LSD-slikkers. Ik ben inmiddels, 12 jaar na dato, bij de opvolger aangekomen. LSD is niet goed voor mensen, ook niet voor Sice en consorten. Daarom klinkt dit album grimmiger, harder en nóg veel grilliger dan zijn voorganger. Of ligt dat er nou aan dat ze een minder commercieel album willen maken?

Jazeker, dat was de hype in de jaren 90; niet om kunnen gaan met commercieel succes. Begon "Wake Up!" met een heerlijk opgeruimd en ronduit perfect popliedje, is het openingsnummer hier een noisy uitbarsting, drijvend op de riff die 'geleend' is van My Bloody Valentine's "You Made Me Realise". Het titelnummer is de start van een trip die bij vlagen niet te volgen is, maar die zeker erg speciaal is.

Want in de volgende 48 minuten wordt je als luisteraar namelijk allerlei genres, geluidjes en invloeden ingetrokken en je wordt daar net zo gemakkelijk weer uitgegooid. We horen shoegazing-gitaren, IDM-beats, akoestische en behoorlijk folky passages, een kerkorgel met meerstemmige zang daarboven, een soort kinderversjeachtige passages en een industrieel hiphopnummer. Dat loopt in meer of mindere mate door elkaar heen en het valt soms gewoon niet meer te volgen of er al een nieuw nummer is begonnen. Deze helden hebben zich buiten logische regels of afgebakende hokjes geplaatst, in een wereld waarin My Bloody Valentine, Autechre, Public Enemy en oudgediende Syd Barrett trots toekijken.

The Clash - London Calling (1979)

poster
4,0
Mijn generatie, generatie Einstein schijnen we te heten (volgens een klasgenote ware wij eerder de Generatie Nix van de middelbare), had die een London Calling? En hoe reageren wij nu op dat album, als de kiem voor de Arctic Monkeys en dat indie-gerammel van tegenwoordig? In retrospectief gaat deze oude lul van 19 jaar oud terug naar de muziek die hij luisterde toen die uitkwam tussen 2007 en 2009 (respectievelijk dertig jaar na het debuut van The Clash en het verschijnen van London Calling).

Nu denk ik geregeld dat onze muziek minder politiek is geworden, dat we een stuk idealisme missen vanwege de grotere welvaart en inmiddels ook de individualisering van de samenleving. Complete apathie als het aankomt op de landelijke politiek onder het achttiende levensjaar is bepaald geen zeldzaamheid; pas als men de stemgerechtigde leeftijd bereikt wordt er nagedacht over waarop te stemmen. Maar waar zijn wij groot mee geworden? Niet met enorme werkeloosheid en no future, maar is het tijdsbeeld wel zo belangrijk?

De titel van het album stamt al uit de Tweede Wereldoorlog: de BBC Worldservice zou zichzelf in bezette landen aankondigen met de legendarische woorden “This is London calling”. Dit soort informatie heb ik overigens moeten achterhalen, het is geen parate kennis, maar het wijst er wel op dat The Clash ook niet bepaald een “right here, right now”-band was, maar dat men ook over het nodige historische besef beschikte. Verwijzen naar iconen uit de jaren ’50 als Vince Taylor, Montgomery Clift en Elvis (waarmee men zich in een lange traditie van jeugdcultuur plaatst) en naar de Spaanse Burgeroorlog (en goed zo, Joe, dat heb je goed onthouden van Lorca) verstevigen dit vermoeden nog eens.

Maar laten we naar de actualiteiten in ’79 gaan: de al eerder aangehaalde werkeloosheid, rassenconflicten en milieuzorgen, zo ver liggen ze niet meer van de 17-jarige van nu af, laat staan het ronduit beangstigende vooruitzicht dat je volwassen zal moeten worden en verantwoordelijkheden moet dragen.

Ook Lost in the Supermarket, een protest tegen de consumptiecultuur, is nog altijd actueel. Had het debuut I’m So Bored With the U.S.A. en moesten de jongeren van de Britten horen dat de VS mooi klote was, nu zijn het de Amerikanen zelf die ons dit vertellen. In 2007 verscheen het album Neon Bible van Arcade Fire, waarop het nummer Windowsill staat:
“I don't wanna live in my father's house no more
I don't wanna fight in a holy war
I don't want the salesmen knocking at my door
I don't wanna live in America no more”

Als Joe Strummer een Amerikaan in de jaren ’00 was geweest, had hij hetzelfde gezegd. Nu kan het protest tegen de ontzagwekkende invloed die de Verenigde Staten al sinds de Tweede Wereldoorlog op de wereld uitoefent, vaak uitmonden in leeg protest, maar was punk destijds altijd zo genuanceerd? Het nummer Popular Culture van dEUS bekijkt deze enorme invloed (ook van andere landen overigens) vanuit het perspectief van de Europeaan, maar de echte tendens lijkt tegenwoordig de Amerikaan, die zo zelf bored with the U.S.A. is, te zijn.

Een toch vrij politiek geladen album als “Dear Science” van TV on the Radio (’08) is destijds onthaald als een Grote Plaat, type Sign ‘o’ the Times, maar waar die perfecte schets van het tijdbeeld te vinden is, geen idee, daar zijn de teksten te abstract voor. Concrete politieke uitspraken en ideeën over de Zeitgeist zijn bij hen te vinden in de interviews. Nu lijkt het met sterk dat het over dertig jaar als meesterwerk erkend wordt, maar mocht men via dat album de Zeitgeist en de politieke situatie van de jaren ’00 proberen te achterhalen, dat gaat niet lukken.

Dat is op en met London Calling zeker niet het geval, hoewel enig historisch besef een pre is om de plaat te luisteren, maar soit, historisch besef is altijd welkom. Dat ook absoluut de muziek niet achterblijft op de boodschap mag ook geprezen worden: politieke pamfletten hebben nog nooit zo opwindend en funky geklonken als op dit album, laat staan dat ze zo tot meezingen uitnodigen.

The Cosmic Carnival - The Cosmic Carnival (2010)

poster
4,0
Sommige bands snappen het: het schrijven van een (bijna) perfect popliedje. The Cosmic Carnival komt dicht in de buurt, want wat hier gedaan wordt, mag knap heten. Deze band heeft door dat britpop niet een uitvinding van de Kaiser Chiefs is, maar dat in jaren 90 Brittania de waves rulede en daarbij stevig naar de jaren 60 geknipoogd werd.
Opener "Stop It" is wat dat betreft exemplarisch: padam-pam-koortjes en het aanstekelijk getimede meerstemmige refrein zijn blijkbaar nog niet genoeg voor deze heren en charmante dame (waarover dadelijk meer), want er worden ook nog wat blazers tegenaan gegooid.
Het tweede nummer, "Funny Man", live bijna Happy Mondays-achtig met zware drums, is hier nog steeds funky, maar subtieler. Door de meerstemmigheid levert dat een soort Marlies & Sebastian op en het refrein is gewoonweg besmettelijk en verslavend. In krap drie minuten worden daar ook nog eens blazers tegenaangegooid, een paar keer een knap afwijkende zanglijn geplaatst en komt Anne Soldaat nog even wah-wah-en. Het beste nummer op de EP, dat mag gezegd worden.
"Share the Love" doet stevig bluesy aan en doet in de verte denken aan The Zutons. Juist door de meerstemmige zang krijgt dit bijna een mantra-achtig iets. De oproep om de liefde te delen komt in elk geval hier aan: de stem van zangeres Marlies Kroon is duidelijk aanwezig en als ik dan ook nog eens aan haar denk, dan weet ik dat ik de band weer eens live moet gaan zien en de liefde te delen met Marlies, waar ze zo te horen zo naar snakt.
"Is It Wrong" is een leuk niemandalletje, dat niettemin weer knap in elkaar steekt. Hier valt niet veel van te zeggen, alleen dat het wel het minste nummer van de EP is, maar wel gewoon een prima liedje is.
De synthesizer-gedreven ballad aan het einde, "Don't Leave Me (Not Today)", doet denken aan The Lightning Seeds, voornamelijk door de zanglijn en de toetsen, maar dan dus met een fatsoenlijke zanger. De slidegitaar er in is subliem gedaan, waarbij ook geweldig pianospel de synthesizer van het begin lijkt te overstemmen, hoewel laatstgenoemde nog subtiel aanwezig is. Dan rest er hier één conclusie: knappe EP, knappe liedjes, knappe zangeres en ik wacht met spanning op hun debuutalbum.

The Game - The Documentary (2005)

poster
3,5
Heel aardig album, dit The Documentary. 'Westside Story' en 'Dreams' zijn allebei heel fijne tracks, met prima raps, dito refreintjes en vooral toffe producties. Dat niveau blijft tot ongeveer track 7 viersterrenniveau, en daarna wordt het album snel wisselvallig. De productie van 'Don't Need Your Love' is niet erg bijzonder en het refreintje gewoon jammerlijk. Eigenlijk komt er tot de ijzersterke (dat strijkersarrangement! dat refrein!) slotnummer 'Like Father, Like Son' weinig echt heel sterks meer langs, wellicht op de titeltrack na.

Die titeltrack laat ook wel een beetje het probleem met The Game zien: hij wil steeds maar weer benadrukken dat hij zijn klassiekers kent. Dat heeft natuurlijk te maken met z'n achtergrondverhaal: hij werd neergeschoten en toen hij in het ziekenhuis lag om van zijn verwondingen te herstellen, liet hij zijn broer 'alle klassieke hiphopalbums' kopen, maakt niet of van welke kust, zodat The Game die toen nog niet The Game was, laat staan Game zoals hij nu heet, die kon bestuderen om een echte rapper te worden. Was hij niet neergeschoten en had hij vanwege een blindedarmontsteking (ook heel erg hoor, daar niet van) in het ziekenhuis gelegen, was hij gewoon een nerd geweest. In de titeltrack komen er heel veel albums langs in het refrein en ik moet zeggen, de eerste keer dat ik het hoorde vond ik dat erg tof hoe dat was gedaan, en ik vind het nog steeds best charmant:

"I'm Ready To Die without a Reasonable Doubt
Smoke Chronic and hit it Doggystyle before I go out
Until they sign my Death Certificate, All Eyez On Me
I'm still at it, Illmatic, and that's The Documentary"

Maar wacht, The Game kent zijn klassiekers echt. In ‘Dreams’ begon-ie gelijk al met het namechecken van The Chronic 2001, NWA, Ready to Die, Reasonable Doubt en Doggystyle. En in veel te veel daaropvolgende nummers gaat hij even een lijstje geven van welke rappers hij allemaal ooit gehoord heeft, in plaats van echt heel intelligente verwijzingen naar hun werk in zijn eigen werk te stoppen. Dat wordt een beetje vervelend. Wat meer Comptonverhalen zouden veel toffer zijn, maar nu lijkt het net of de beste jongen gewoon de hele dag op z’n (ziekenhuis)kamertje heeft gelegen en namen van rappers en cd’s uit zijn hoofd te leren. Vergeleken met iemand als Kendrick Lamar, die ook laat horen dat hij zijn 2Pac- en Nas-klassiekers kent, maar die veel subtieler verwerkt, is The Game toch wat simplistisch.

Het leuke aan dat overdreven bewustzijn van de hiphoptraditie is evenwel de gastenlijst. Busta Rhymes mag een geweldig refrein doen op albumhoogtepunt ‘Like Father Like Son’, en Eminem, destijds ook al best een veteraan, komt langs op het prettig opgefokte ‘We Ain’t’, overigens wel met een vrij zwakke verse. Ook ‘nieuwere’ rappers als 50 Cent, die ondanks dat hij nog simpeler is dan The Game zelf, leveren gewoon prettige gastbijdrages. Dit doet me ook wat aan Kendrick Lamar denken, die later Drake én MC Eiht uit zou nodigen om mee te rappen. Een goede gastenlijst is het halve feestje, moet je maar denken.

The Documentary is in z’n geheel gewoon een prettig album, met een aantal flinke toppen en een helaas net wat groter reservoir aan niet zo heel bijzondere nummers. Zeventig minuten blijken dan net iets te veel te zijn, ook als The Game weer eens over zijn stokpaardjes begint. Er had net wat meer potentie ingezeten dan er nu uitkomt, maar ook niet gek veel. Prima rapper, prima plaat, maar niet elke pony heeft het in zich om een Pegasus te worden.

The Jesus and Mary Chain - Psychocandy (1985)

poster
4,5
The Jesus & Mary Chain is eigenlijk een soort Velvet Underground-coverband met eigen materiaal, hoogstens met een extra surf-sausje. Dit album kent dan ook een groot aantal Run Run Runs/Sister Rays/European Sons, in het kwadraat. De zang klinkt veel verveelder (maar mét flinke galm), het geluid is monotoner, er is een nog lager speltechnisch niveau en, niet geheel onbelangrijk, er is veel meer noise.

Want noise, daar houden onze fuzzhelden van. Waarom zou je je best gaan doen om allerlei ingewikkelde riffs te leren spelen, als je ook gewoon flink veel ruisende herrie uit je versterker kunt trekken? Daar is ook veel mee te doen, blijkbaar. Laat de ruis ritmisch een beetje variëren in toonhoogte en je kunt zeggen dat er enige melodie in zit. Meestal is het toch de bassist die nog wat melodie toevoegt. En dat zijn van die dum-dum melodietjes, want twee a drie akkoorden zijn meer dan genoeg.

Er zijn natuurlijk ook nog twee (wederom Velvetesque) ballads die mij eigenlijk gestolen kunnen worden. Cut Dead, Sowing Seeds… Ze halen het niveau van opener én ballad Just Like Honey helaas niet. Misschien dat veel mensen deze nummers als rustpuntjes zien, dat ze geen zin hebben in constante herrie. Zit wat in, maar ik had Cut Dead en Sowing Seeds meer dan graag ingeleverd voor debuutsingle Upside Down. Dat dit sterke staaltje tandaartsboorachtige feedback er niet op staat, stoort me wel enigszins.

Dat zijn slechts enkele minpuntjes die mij er van af houden om de volle mep te geven, maar 4,5 op de vijf sterren is ook een mooie score. Want Psychocandy, dát is nog eens een echte punkplaat. Technisch zwak, zwaar a-melodieus en heerlijk subversief. Dat zie ik, om maar eens wat te noemen, de Arctic Monkeys nog niet zo snel doen.

The Kik - Springlevend (2012)

poster
3,0
Enige zelfkennis kan The Kik niet ontzegt worden. Een meisje vroeg tijdens het optreden op Oranjepop of ze ook iets van de Bietels konden spelen, waarop de gitarist zei: 'Wat denk je nou dat we de hele tijd al aan het doen zijn?' Destijds vond ik de band alleraardigst, maar ik had er al mijn twijfels bij of ze langer dan twintig minuten konden boeien. Het optreden duurde trouwens zo'n driekwartier, maar ook debuut Springlevend onderstreept mijn vrees.

Ik trek Dave von Ravens accent niet zo. Ik kan veel hebben, zelfs Lucky Fonz III die gelukkig op komt dagen in 'Want Er Is Niemand', een soort Nederbiet-posse cut waarop ook Armand meedoet. Daar hebben we tegelijk ook het leukste nummer van de plaat te pakken. De rest, tja, het is best aardig en wel een glimlach waard, maar het is allemaal veel te lichtjes om echt goed te zijn.

Tekstueel is het soms nog best aardig, al is het zeker niet The Kinks, als we die er weer eens bij gaan halen. Toch heeft het ergens wel wat; de Nederlandsche huis-, tuin- en keukenexcentriekeling blijkt net als zijn Britse evenknieën wel interessant te zijn om te bezingen. Het heeft ergens evengoed iets oubolligs, iets waar Lucky Fonz III op z'n laatste plaat nog wel een leuke draai aan heeft gegeven, maar hier stoort het meer. En dat is gewoon heel jammer, want het concept was leuk zat.

The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024)

poster
4,0
What a time to be alive: progpop als reactie op de zoveelste postpunkheropleving - de ironie! Juist omdat ik de revival midden jaren 2000 best wel bewust heb meegemaakt, en ook hoe die ontaardde in vervelende landfill indie (wie van jullie denkt nog weleens aan de Pigeon Detectives? Ik wel, maar ik ben er niet blij mee), heb ik niet vaak meer de neiging gehad om naar Britse indie te luisteren. Toen Slowthai een hiphop/postpunkalbum zou hebben gemaakt en dat voor een groot deel gewoon landfill indie met raps was, sterkte dat me in mijn overtuigingen, al kan dat best eens ten onrechte zijn geweest. De controverse rondom The Last Dinner Party maakte mij echter toch best benieuwd naar Prelude to Ecstasy: een band die voor zover ik weet gewoon uit de middenklasse komt, maar onthaald wordt als een stel nepobabies die eigenhandig working-class-muziek de kop hebben omgedraaid. (Het is net zoiets als het dédain waarop sommige mensen die met hun handen werken, praten over kantoorpersoneel. Dat mag blijkbaar allemaal, maar andersom is de kamer - terecht - te klein. Uiteindelijk vervult iedereen gewoon zijn plaats in het geheel en is iedereen nodig. Maar ik dwaal af.)

Behalve dat dit een heel behoorlijk debuut is, een soort rockbandversie van Regina Spektor, merk ik dat ik juist die controverse heel interessant vind (heb me vandaag weer een hele tijd zitten inlezen over de Britse klassenmaatschappij toen ik me verveelde). Gelukkig zijn er heel wat mensen die erop wijzen dat er in de verwijten een bizarre ondertoon zit van 'o, heeft alleen de arbeidersklasse er dan recht op om muziek te maken?' (Veel figuren die het hardst roepen dat 'het gaat me echt puur om de muziek en niet om alles daaromheen', keren zich blijkbaar tegen muzikanten van wie de ouders wat meer verdienen dan die van henzelf.) Maar het fijnste is dat The Last Dinner Party wat intellectueler klinkt, met dat kunstacademiesfeertje en de doorwrochte nummers. Juist 'Nothing Matters' vind ik het minste nummer, met het te platte refrein dat als een soort landfill-meezinger klinkt.

Maar verder heb ik het gevoel dat het goed is dat deze band enig tegenwicht biedt aan anti-intellectuele tendensen, zowel in de muziek, als in de bredere maatschappij - ja, zeker in een jaar waarin de comeback van Oasis zo gevierd wordt. The Guardian heeft ooit een boeiend artikel gepubliceerd over de relatie tussen de klassenmaatschappij en indie, juist in de tijd dat de postpunkrevival overging in landfill indie. Bands als The Twang (denken jullie daar nog weleens aan? #2) werden geacht om een boerenlulimago hoog te houden, terwijl dat ze beperkte. Sterker nog: daarmee zet je een heel beperkt idee neer van de arbeidersklasse, alsof dat een soort bons sauvages zijn, waar populistisch rechts een deel van de werkende, middelbaar opgeleide populatie ook voor aanziet.

Er werd in dat stuk ook kritisch naar Oasis gekeken: 'There was that famous quote of Noel Gallagher saying that he never reads books. Compare that to the Manic Street Preachers - they came from a South Walian valleys tradition, an old Labour tradition of education and hard work and self improvement, which is a very strong part of working-class history, but something Oasis always rejected. Oasis are a very fundamentalist act, in their attitude to class and their attitude to music. In a way they're very reactionary.'

Toen Oasis weer bij elkaar kwam, kreeg ik zin om weer naar Blur te luisteren, maar óók naar Bloc Party. Tijdens de postpunkrevival was dat een van de bands die zich echt aan het ontwikkelen was, waardoor een conservatief luisterpubliek zich van hen afkeerde. Kele Okereke, iemand voor wie ik veel respect heb, merkte op dat Oasis 'made stupidity hip. They claim to be inspired by the Beatles but, and this so saddens me, they have failed to grasp that the Beatles were about constant change and evolution. Oasis are repetitive Luddites.'

The Last Dinner Party is voor mij een soort Blur of Bloc Party van dit tijdsgewricht: trots dat ze wat kunstzinniger en intellectueler zijn, maar het blijft ook gewoon heel fijn luisterbare muziek. In die zin is dit gewoon heel erg een band in het midden: ergens tussen donkere postpunk en lichtvoetige Abba, volop citerend uit andere muziek ('Nothing Matters' klinkt als 'Would I Lie To You' van Charles & Eddie; voor 'The Feminine Principle' is goed naar 4 Non Blondes geluisterd). Bovendien, is het zo'n probleem om in deze zware tijden toch enig escapisme te bieden? Kon je de crisis van 2008 terughoren bij The Arctic Monkeys of The Wombats, of was dat gewoon popmuziek met gitaren waar je niet te veel bij naast moest denken?

Het is wel echt problematisch dat zo'n centristische positie als van The Last Dinner Party tegenwoordig als controversieel gezien wordt (want eerlijk is eerlijk, de middenklasse betaalt tegenwoordig de rekening voor de samenleving, zolang populistisch rechts - terecht - de armeren in de samenleving wil ondersteunen, maar daar - onterecht - niet de zeer rijken voor belast). David Bowie werd en wordt toch ook door de arbeidersklasse omarmd? Punk was toch ook een beweging die verschillende klassen bij elkaar bracht? Waarom kan dat dan niet ook gewoon met The Last Dinner Party? Prelude to Ecstasy verdient het.

The Nits - Tent (1979)

poster
4,0
Tent heb ik een aantal jaar geleden samen met Joe Jacksons debuutplaat Look Sharp! op vinyl gekocht. Het zal m'n tweede of derde Joe Jackson zijn geweest en dit was mijn eerste Nits en eerlijk gezegd nog steeds m'n enige. Een interessante plaat is het zeker. Vooral de hoes van de elpee straalt de sfeer goed uit: bijzonder strak en hoekig, met een beetje fantasie een soort typografisch Mondriaanesque.

En de Nits tonen zich een soort new wave-Mondriaan op dit album. Naast de al eerder genoemde Joe Jackson zijn ook Elvis Costello en de Talking Heads wel een aardige referentie, maar Tent is veel gestileerder, minimalistischer en hoekiger. Neurotenpop is en blijft het, met ietwat pieperige stemmetjes; neem alleen al opener 'Tent', met z'n herhaalde 'Tent tent tent'.

Daarnaast is het niet alleen hoekigheid troef; sommige liedjes zijn zelfs bijna popliedjes. Ze zijn minder schetsmatig, al valt daardoor de spanning soms net iets meer weg. Op zo'n moment gaat het wat gedateerde wat tegenvallen, maar daar tegenover staat dan weer zo'n klein energiebommetje waarin alle onnodige ballast weggestreept is. Alleen 'Hook of Holland' gaat over de twee minuten heen, maar vooral het heel korte 'Take a Piece' bevalt me.

Tent is een bijzonder album; misschien niet altijd even sterk, maar over de gehele lijn goed in orde. Enerzijds is het niet moeilijk om buitenlands vergelijkingsmateriaal aan te wijzen (ik ben Kraftwerk en XTC trouwens nog vergeten), maar anderzijds hebben die artiesten ook weer niet gek veel te maken met de Nits; bij wijze van spreken overal aan relateerbaar en tegelijkertijd op geheel zichzelf staand uniek.

The Roots - How I Got Over (2010)

poster
4,5
The Roots is een band die ik erg hoog heb zitten en ik heb begrepen dat ook de pers en het publiek terecht een speciaal plekje in hun hart hebben voor dit gezeldschap. Ik dacht te menen dat ik ergens las dat "Atonement" (van "Game Theory") een goed eerbetoon was aan "mede-experimentelen Radiohead" en dat lijkt me een prima beschrijving hoe het er voor staat met The Roots (ondanks dat ik Radiohead behoorlijk overschat vind).

Mijn enige referentiepunten zijn de relaxte, jazzhiphop van "Things Fall Apart" en de eclectische genialiteit van "Phrenology" en dan is "How I Got Over" weer heel andere koek. Op meerdere punten doet het me inderdaad aan "Phrenology" denken, maar dan eentje waarbij de experimenteerdrang ingeblikt is in dienst van het liedje. Alleen het redelijke "Web 20/20" met zijn excentrieke beat vliegt net wat uit de bocht qua gekheid. Maar laten we wel zijn, o.a. Joanna Newsom en de dames van Dirty Projectors op de gastenlijst, zie ik niet veel artiesten doen.

Laat ik heb maar even niet over John L. hebben (nee, niet de Bietel), die zingt alsof ie een blanke is die denkt dat hij een soulneger is. "Doin' It Again" komt nergens echt fijn op gang maar is op zich in orde, terwijl het zo overduidelijk inspirerend bedoelde "The Fire" een bijzonder zwak refrein heeft met zijn veel te gemakkelijke rijmelarij. Beide nummers zijn op zich voldoende, maar Sjon had dus echt niet gehoeven.

Dice Raw echter, die weet hoe het moet. Door zijn zang, die soul-, gospel-, jazzy en bluesy elementen in zich verenigt, een soort pre-soul die nooit echt soul wordt (en dat is zeker geen probleem), weet een aantal nummers toch grote hoogten te stuwen. "Radio Daze" is heerlijk relaxed met zijn funky koortjes en pianopartijen, maar ook de kruising tussen hiphop en jaren 30-jazz in "Walk Alone" mag er absoluut zijn. In "Now Or Never" vangt Dice erg fijn de tijdsgeest vol optimisme, maar vooral in het titelnummer schittert hij. De versnelling gaat net iets hoger, er komt net wat meer percussie onder en wat een refrein!

Het probleem is eigenlijk een beetje dat het beste nummer van deze plaat, en wat mij betreft van heel 2010, zo fantastisch is dat de rest dat er na komt gewoon verbleekt. "Right On" heeft gewoon een perfecte beat, met erg fijn harpspel en vooral een besmettelijk refrein van folkdame Joanna Newsom. Soms kan een nummer gewoon perfect zijn.

"Hustla" is zo slecht nog niet eigenlijk en ik kan er eigenlijk wel de humor van in zien. Ik neem daarbij overigens wel aan dat het om een parodie op gangsta rap gaat. Over de nummers met John en zijn ironische achternaam heb ik het al gehad, evenals "Web 20/20". De instrumental "Tunnel Vision" doet iets verfrissends met een enigzins liftmuziekachtig geluid, jammer dat ie niet uitgebouwd is tot een volledig nummer. Nee, vanaf het openingsnummer tot en met "Right On" is deze plaat meesterlijk en alles, daarna gewoon in orde. Desondanks een welverdiende *4,5 en mijn nominatie voor "Plaat van het Jaar".

The Roots - Phrenology (2002)

poster
4,5
Vandaag schrijf ik maar eens een stukje over een album dat in korte tijd tot één van mijn favoriete albums én mijn allerfavorietste hiphop-album is geworden. Maarten op ontdekkingsreis in de wonderbaarlijke wereld van de hiphop, terwijl The Roots kijken waar de grenzen van die wereld liggen.

Vroeg ik me bij Spank Rock al af wanneer hiphop nog hiphop is, omdat daar gerapt werd over IDM-achtige electronica én punkfunk, zo gaan ?uestlove c.s. op dit albums soms nog wat verder. In beide gevallen kan ik overigens een volmondig "ja" zeggen. "Phrenology" is een synthese van van alles dat hiphop ooit is geweest en zal zijn (in 2002 dan).

Cody Chesnutt (de opvolger van Prince) doet mee met een bewerkte versie van zijn klassieker The Seed, wat ook weer een klassieker is geworden. Natuurlijk zal ik als "rocker met een interesse in hiphop die niet erg oprecht is, maar meer neigt naar aapjes kijken en antropologie" dat een geweldig nummer vinden, omdat er een gitaar in zit. Quatsch. Gitaar is net zo min een genre als rap dat is, het zijn middelen. Twee middelen die hier geweldig in worden gezet, met als resultaat een groove die zich in je hoofd nestelt en een refrein dat geweldig is om in bad te zingen.

Komt hiphop niet deels voort uit soul? Tadam, Jill Scott zingt mee op "Complexity" en de soulvolle zanglijn op "Sarcrifice" brengt dat nummer naar een hoger niveau. Gesproken woord? Amiri Baraka, "the only poet who actually scares people", heeft een uiterst sterke rol op "Something in the Way of Things (In Town)". Is hiphop geen voorzetting van talking blues en leunt het zwaar op jazz? James Blood Ulmer, de legendarische jazz/blues-gitarist met zeer avant-gardistische neigingen, die menig hiphopliefhebber niet eens van naam zal kennen, brengt de gedrogeerde ambient van "Water" naar een hoger plan met smerig gitaarwerk waar menige noiserockband een puntje aan kan zuigen.

Deze ontwikkeling loopt ook de andere kant op. Het korte, heftige hardcore punk-nummer "!!!!!!!" laat zien dat hiphop en punk veel dichter bij elkaar liggen dan menigeen denkt. Punk is de hiphop van de blanken, of andersom. Soul-zanger Musiq komt langs in "Break You Off", dat een jazzy elektrische piano kent en mooie strijkers. Nadat Musiq naar voren stapt om ook een couplet te zingen, i.p.v. steeds het refrein, muteert het ritme subtiel naar drum 'n bass. Jazeker, hebben d'n'b en hiphop geen gezamenlijke wortels in dub en reggae? Wat te denken van de techno van verborgen track "Thirsty!"? Wat nu voornamelijk door witte mannetjes wordt gemaakt, was in het begin een stroming die geïniteerd werd door Afro-Amerikanen die met synthesizers én funk in hun reet net zo zeer leunden op Kraftwerk als George Clinton. En zijn die stijve, witte ventjes van Kraftwerk niet een heel belangrijke voorloper van de hiphop?

Afijn, naast de wat meer hiphop-gerichte nummer zoals "Rolling With Heat" en het old-skool eerbetoon "Thought @ Work", die overigens allen heerlijke grooves bezitten, laten The Roots zien dat ze meer historisch besef hebben dan menigeen. "Water" is hier eigenlijk het sleutelnummer. De hiphop-gerichte track met erg sterke tekst gaat over in, ik heb het al eerder gezegd, eerst een flinke brok spacende ambient (inclusief paranoïde piano), om daarna over te gaan in een gitaarsolo van Ulmer waar je U tegen zegt. Dat ie met zijn 70 minuten wat aan de lange kant is maakt me niet eens iets uit, zo ijzersterk is dit, overigens ook in een erg mooie hoes gestoken, album.

The Veils - Sun Gangs (2009)

poster
4,0
The Veils, waarom ik er niet eerder aan begon is onbekend. Strooide Finn Andrews zelf met de namen Captain Beefheart, Lou Reed en Leonard Cohen in een interview, noemden de recensenten ook nog Nick Cave & The Bad Seeds en Tom Waits. En potverdorie, had ik ze maar eerder ontdekt.

Want ja, wat zijn er een pareltjes te vinden op het album. "It Hits Deep" wil ik gelijk als absolute (emotionele) hoogtepunt noemen, want wat een intense zang in deze prachtige pianoballade-zonder-piano. Dat zijn The Veils op hun best, als ze zo door merg en been gaan. Finn houdt zich qua zang dan wel in op het andere hoogtepunt, het titelnummer, waarin het refrein "Where I am going, you can't save me" dan wel kalm gezongen wordt, maar niettemin een uiterst pijnlijke indruk maakt.

Meer up-tempo is het messcherpe, Echo & The Bunnymen-achtige "The Letter", waaronder ook nog eens galloperende drums zijn geplaatst. Het klagende "I know I know I know" bevestigt maar weer eens dat Finn een zeurkous is en dat vooral moet blijven. Het briesend kwade protestlied "Killed By The Boom" is dan weer een soort Bob Dylan met een (zichzelf wel redelijk inhoudende) punkband als ondersteuning.

Natuurlijk moet "Larkspur" ook genoemd worden: een wat harder nummer, waarbij het gaspedaal af en toe misleidend in wordt getrapt, maar het langgerekte muziekstuk blijft over het algemeen toch wat langzaam. Het opvoeren van de intensiteit is (ook) hier het doel eigenlijk; met minimale tekst (zo'n drie regels die herhaald worden) wordt er toch een spanningsboog opgebouwd om u tegen te zeggen. Een "When the Music's Over", maar dan van de jaren '00.

Helaas, er zijn wat mindere broeders hier. Zo is "Three Sisters" niet meer dan een aardig aanzetje tot een nummer dat nog verder uitgewerkt moet worden en heeft "Scarecrow" wel een heel sterke tekst, maar gaat het als liedje ook niet helemaal leven. Het uiterst poppy en uiterst The Good, The Bad & The Queen-achtige (zeker die hamerende pianotoets) "The House She Lived In" is wel aardig, maar toch wat te lichtvoetig. En tja, na het geweld van "Larkspur" valt "Begin Again" ook wel wat weg, ook al is het los beluisterd best een mooi nummer.

Naast zes intense of gewoon zeer goede nummers bevat het album dus vier liedjes die eigenlijk een stuk minder zijn. Jammer, met wat meer focus had dit een meesterwerk kunnen zijn, maar nu is het vooral een goed album dat me benieuwd maakt naar de rest van de Veils-discografie.

The Veils - Troubles of the Brain EP (2011)

poster
3,5
Verre van slechte EP, maar het ademt wel aan alle kanten "zoethoudertje, zoethoudertje, o! het echte werk komt nog!". In elk geval vind ik "Don't Let the Same Bee Sting You Twice" een behoorlijk sterk nummer waarop The Veils wat andere Britse inspiratiebronnen aanboren. Blazers erbij, sterk refrein en het sterk naar jaren 90-britpop neigende nummer mag zeker geslaagd heten.

De andere up-tempo nummers zijn wel aardig, het monotoon voortdendere "Bloom" had wel ergens een wending kunnen gebruiken, en vrij sterk, het wederom britpopperige "The Stars Came Out Once the Lights Went Out" (The Veils hebben toch geen tik van de emopop-molen gekregen door met lange titels aan te gaan zetten?).

Daarna zijn er nog wat ingetogenere liedjes, waar een prettig lo-fi-sausje overheen is gegooid (beetje fuzzy zang, geluid, etc.). "The Wishbone" is best sterk, "Grey Lynn Park" en "Us Godless Teenagers" (ondanks de mooie titel) zijn wat minder, maar wel in orde. Hetzelfde geldt uiteindelijk voor deze EP: gewoon goed in orde, maar heel bijzonder is het ook weer niet.

Tom Robinson - Having It Both Ways (1996)

poster
3,5
Een in principe wel interessante plaat, al is het maar om die mafkees die in de pers-kit riep: "Als Bob Dylan! of Tom Waits! of Bruce Springsteen! met deze plaat aan zou komen! dan zou de wereld! op zijn kop staan!" Overdreven, uiteraard. Zeer overdreven.

Toch is het een interessant album dat o.a. gladde maar mooie jaren-80 pop, Freudiaans getinte rockabilly (Hotdog) en een Randy Newman-esque pianonummer. Hier zit hem ook af en toe het probleem: het lijkt soms net wat meer op stijltje-nadoen dan echt sterke nummers schrijven. Het dieptepunt is wat dat betreft het met The Levellers "Rum Thunderbird" (ondanks de mooie titel): het klinkt als een liedje uit een slappe comedy over de Middeleeuwen. Flauw, flauw nummer.

Toch heeft het album ook zijn sterke punten: opener "Respect Yourself" is reggae-achtig en kent mooie rap-bijdragen die niet geforceerd klinken en allesbehalve aandoen als een Ali B./Marco Borsato-truc. Hierin wordt de zelfdestructieve medemens een hart onder de riem toegestoken, dus ik ben er sowieso al blij mee. Ook de andere teksten gaan over het leren accepteren van (de zware kanten van) het leven en zulke dingen. Fijn, zo'n aai over je bol.

Overigens had albumhoogtepunt "The One" een wereldhit moeten worden. Erg mooi liefdesliedje, erg sterk nummer op een plaat die verder wel in orde is. De verborgen track moet nog wel even genoemd worden: een fijn jazzy en a-cappela liedje van ongeveer driekwart minuut waarin de pers een trap onder de reet krijgt. Hoe dat zit zoekt u verder mooi maar zelf uit, maar een mooitje is het liedje zeker.

Tom Waits - Mule Variations (1999)

poster
4,5
Tom Waits – Mule Variations

Groot zijn in Japan, dat is voor zielige classic rockbands die maar niet weten te stoppen. Daar hoeft men niet te spelen op braderieën en zijn ze nog onverminderd populair. Opener “Big in Japan”, een onvervalste punkblues waarin net zoveel de geest van Captain Beefheart als die van de Ramones in doorklinkt, zet op dat gebied vraagtekens. Deed Tom Waits in 1999 er niet meer toe? Nee, onze brombeer is anno 2009, tien jaar later, nog steeds relevant. Zijn jarenlange ervaring zorgt er ook voor dat hij nu nóg doorleefder klinkt. Bluesmannen horen nu eenmaal oud te zijn.

Waits is zo’n artiest die op zichzelf staat, in de ogen van de criticus. Niet voor niets worden nieuwe artiesten met hem vergeleken en soms door hun rauwe stem voor imitator versleten worden. Dat is niet terecht. De oplettende luisteraar met enig historisch besef, ziet in dat Waits zelf ook de mosterd bij derden vandaan haalt. Het is namelijk zo dat het beroemde geluid van zijn platen op het Island-label, is ontstaan onder de invloed van de eerder al aangehaalde Captain Beefheart. Ook blueslegende Howlin’ Wolf en jazzgrootheid Louis Armstrong behoren tot de directe invloeden. Bebop, crooner-jazz, “backwoods blues”, gospel, hoempa, industriële noise en wat allemaal nog meer, het gaat er allemaal bij Tom in en komt er net zo buitenissig weer uit. Op dit album laat hij zich toch het meeste van zijn bluesy kant zien, terwijl hij soms ook behoorlijk rechttoe rechtaan rockt en af en toe nog best funky uitpakt ook.

Het is een kwestie van smaak, maar er zullen velen zijn die deze man het liefst op z’n excentriekste horen. Die komen maar deels aan hun trekken eigenlijk. “Cold Water” is echt een typisch drinklied, met prominente plek voor koebel. In het lang uitgesponnen “Get Behind the Mule” valt vooral op door de prominente rol van bluesharpist Charlie Musselwhite. De beatpoëet in Tom staat ook nog even op in “What’s He Building In There?”. Het is een subliem stuk gesproken woord, waarin de spanning bijna om te snijden is. De tekst intrigeert en de geluidseffecten ondersteunen het verhaal. Ook het zwaar percussieve “Eyeball Kid” behoort tot de meest aparte nummers op de plaat. Met dank aan meestergitarist Marc Ribot.

De gevoelige Waits is ook nadrukkelijk aanwezig. Hij is ouder en wijzer. Hij heeft nu de nodige extra levenservaring. De drank en drugs heeft hij inmiddels afgezworen, nu heeft hij de liefde ontdekt, zo lijkt het. “House Where Nobody Lives”, “Picture in a Frame” en “Take It With Me” durven zelfs schaamteloos sentimenteel te zijn, terwijl dat niet eens stoort. Je herkent het gelijk als Tom Waits en dat geeft wel aan hoeveel muzikale gebieden deze man in zijn carrière heeft verkend. In de twee laatst genoemde, jazzy nummers ontbreken de bebop-invloeden zelfs en laat Waits zien dat hij ooit als crooner is begonnen.

Ik stelde de vraag al: doet Waits er nog toe? Die vraag zou ik zelf willen beantwoorden met een retorische vraag: doet Bob Dylan er nog toe? Neil Young? Misschien slaat Waits geen nieuwe wegen in, maar wat hij doet, is van hoge kwaliteit. Held.

Tori Amos - From the Choirgirl Hotel (1998)

poster
3,5
Sommige albums zijn net iets minder dan de som der delen. From the Choirgirl Hotel vind ik helaas ook tot die categorie behoren. Afzonderlijk zijn de nummers stuk voor stuk goed tot heel behoorlijk, maar het geheel doet te fragmentarisch, waardoor sommige nummers wat wegvallen. Dat het ene nummer weinig te maken lijkt te hebben met het andere is soms spannend, vooral als Tori’s liedjes nogal grillig zijn en qua structuren onverwacht zijn, maar vaker nog is het wat vervelend.

Uitgekledere pianoliedjes als ‘Northern Lad’ (heel lelijk te nadrukkelijk ‘fucking’ gezongen) en afsluiter ‘Pandora’s Aquarium’ (moet ik echt voor gaan zitten, anders boeit het niet, maar als ik m’n aandacht er bij kan houden, is het ook wel een heel mooi liedje) vallen vrij gemakkelijk weg tegen drukke, dwarse en ongemakkelijke nummers als ‘iieee’ en ‘Raspberry Swirl’ (overigens ook mijn favorieten). In dat laatste nummer wordt met dance geflirt en ook in andere nummers als ‘Hotel’ wordt lustig met elektronica gewerkt. Het levert soms een vrij typisch jaren 90-geluid op, alternatieve rockband gaat ook wat met synthesizers aan de gang, dat werk. Het doet soms ook vrij gedateerd aan, behalve dan in ‘Raspberry Swirl’. Dat tegen het einde ook countryachtig werk als ‘Playboy Mommy’, an sich een heel mooi liedje, langs moet komen is ook heel ongelukkig getimed.

Op haar beste momenten sleurt Tori de luisteraar haar wereld in, zo te horen een ongemakkelijke wereld. Als ze wat minder boeit, komt ze toch vooral over als een zichzelf erg kunstzinnig vindend meisje dat de piano heeft ontdekt en denkt dat iedereen haar universum vol veel te persoonlijke symboliek en gothic-achtige vast heel intrigerend vindt. Dit schept een onprettige afstand, alsof iemand haar maar achter de piano heeft gezet omdat er niemand anders geboekt kon worden.

From the Choirgirl Hotel schippert voor mijn gevoel te vaak tussen meeslepend en mooi enerzijds, en vervelend en te artyfarty anderzijds, soms zelfs binnen één liedje. Per luisterbeurt is het maar de vraag of het me boeit of niet. M’n favorieten blijven altijd overeind staan, maar met de rest weet ik het gewoon nooit. Die Tori toch, ik kan gewoon niet veel van haar op aan. Zo’n vrouw met wie je met grote regelmaat intiem wil zijn, maar met wie je ook voor geen geld wilt samenwonen.

Tracy Chapman - New Beginning (1995)

poster
3,5
Tracy Chapman wordt bedankt. Haar album ‘New Beginnings’ wijst mij er eens op dat ik eigenlijk ontzettend bevooroordeeld ben. Bevooroordeeld? Wat heet: ik ben een racist en een seksist. Zo, dat is er uit.

Maar waarom wijst mevrouw Chapman mij daar haarfijn op? Dat heeft alles te maken met dat dit eigenlijk gewoon een blanke folkplaat is, waar artiesten als Neil Young en Bob Dylan duidelijk model voor gestaan hebben. Mannen nota bene. Witte mannen. Tracy, dat –man in haar achternaam is wat storend in de context van deze bespreking, mag dan wel een stem a la Nina Simone hebben, maar verder is het akoestische gitaar hier, orgeltje daar, en de witte folkplaat is klaar. Op zich is dat niet zo’n probleem: hoeveel blanken zijn er niet aan de gang gegaan met soul, hiphop, blues, etcetera, terwijl we dat als zwarte muziek zien? Waarom mag een gekleurde medemens dan niet aan de slag met folk?

Ik kom er zelf niet uit, zoals zoveel dingen waar ik niet uitkom als ik er over na ga denken. In dit licht bezien is mijn verplichte Bijbellectuur van de laatste tijd ook niet erg gezond voor me. Als je er over na gaat denken waarom het zo lang duurt eer iedereen in Exodus eens kinderen krijgt, dan kom je daar ook gewoon niet meer uit. Wilden ze eerst carrière maken? Ik weet het niet. Evenzeer weet ik niet waarom ik het vreemd vind dat Tracy Chapman, een gekleurde vrouw, geen teksten zingt over hoe zwaar het is om als gekleurde vrouw in de Verenigde Staten te leven, wat, zoals we allemaal weten, een vrees’lijk seksistische en racistische samenleving is. Maar duw ik nou juist Tracy in een hokje? Ben ik nu de racist en de seksist omdat ik verwacht dat Tracy het over zulke vraagstukken zal gaan hebben? Ik kom er niet uit als ik er over nadenk en dat maakt het luisteren naar New Beginnings een lastige luisterervaring.

Typhoon - Lobi da Basi (2014)

poster
4,0
Dit gaat niet de eerste recensie worden waarin Lobi da basi níét vergeleken wordt met Typhoons debuut Tussen lucht en licht (2007). Dat album groeide uit tot een echte nederhopklassieker. Zoals hij het zelf in ‘Glenn 1984’ samenvat: zijn debuut is voor een generatie wat klassieker Binnenlandse funk van Extince voor hem was. Typhoon weet dat hij zelf de lat hoog heeft gelegd en de verwachtingen hooggespannen zijn. Op Lobi da basi lost hij die gemakkelijk in en laat horen dat hij bovendien ook is gegroeid.

Lees de rest van mijn recensie hier.

Typhoon - Tussen Licht en Lucht (2007)

poster
4,5
Bij de eerste keer luisteren is het al duidelijk: “Tussen Licht en Lucht” is een grote plaat, of nee, een Grote Plaat. Irving Layton zou trots zijn op de manier waarop Typhoon een snijvlak tussen het persoonlijke en het universele weet te vinden, wat niet per se identificatie oplevert, want Typhoon zet zijn eigen persoonlijke belevenissen weinig ambigu neer: hij heeft een sterke persoonlijkheid en is uitermate uitgesproken. Hoe dit egodocument uitermate veel zegt over onze tijdsgeest is dan ook opvallend. Zo sluiten tekst en muziek perfect op elkaar aan in “Wind Waait”: de bizarre kermismuziek lijkt precies weer te geven dat we in tijden van gekte aanbeland zijn, terwijl Sticks wat moeilijk op gang komt, maar uiteindelijk de eigen psyche met een scalpel onder het vergrootglas ontleedt, ondanks dat hij naar eigen zeggen een binnenvetter is. Maar vandaag is hij met Typhoon op stap en dan gaan we graven, met een pen zo gezellig als een pistool.

In weerwil van de titel is het op deze plaat namelijk niet erg luchtig of licht. Natuurlijk ontkomt Typhoon zo ook niet aan bepaalde clichés als zware, slepende drums en tingelende piano’s, maar dit stoort niet: die typische elementen worden bijvoorbeeld erg indrukwekkend gebruikt in “Zo Niet Mij”, een schreeuw voor “iedereen die emotioneel onder druk ligt”. Typhoon mag dan wel bezig met zichzelf neerzetten als iemand die niet veel mensen om zich heen moet hebben en maling heeft aan nutteloos geklets, tot op het ascetische af, maar desondanks steeds lijntjes legt naar anderen; vooral familie, vrienden en zijn geliefde, maar ook geeft hij een stem aan degenen die zich emotioneel onderdrukt voelen. Zo werkt hij geregeld vanuit zichzelf richting het universele(re), terwijl hij behendig de oude val van lekker ambigu allerlei dingen niet invullen, zodat iedereen wel zijn eigen interpretatie er aan kan hangen, weet te ontwijken.

Vaak wordt deze duidelijk getalenteerde tekstschrijver filosoof of poëet genoemd, vanwege het niet altijd direct begrijpelijke van zijn teksten. Het knappe is eigenlijk dat de juist wat onduidelijkere passages goed afgewisseld worden met vrij directe gedeeltes, net zoals de verschuiving van persoonlijk naar universeel en weer terug, of zelfs het verschil tussen het dromerige gevoelsmens en de denker die zijn materie het liefst systematisch zou willen behandelen. Deze denker moet uiteindelijk concluderen dat je met je rationalisme heus wel een eind komt, maar je ontdekt zo open plekken in je filosofie, die alleen gedicht kunnen worden met de juiste dosis emotie. Zo probeert Typhoon bijna een uur lang de balans te vinden tussen de uitersten die zijn persoon vormen, maar je zou bijna willen zeggen dat het maar gelukkig is dat hem dat niet lukt, zolang het maar zulke mooie en indrukwekkende muziek oplevert.

Typhoon & New Cool Collective - Chocolade (2009)

poster
4,0
Eerlijk is eerlijk, ik heb hiervoor nooit iets van New Cool Collective gehoord, maar dat begint tijd te worden dat ik hen ook aan de nodige grondige luisterbeurten ga onderwerpen. Hoe ze Typhoon hier bijstaan, dat mag geprezen worden. Blazersaanvallen op de gereviseerde versie van ‘Bumayé’, moddervette en toch mescherpe surfgitaarsolo’s, zinderende spanningsbogen, alles wordt uit de kast getrokken op een manier dat zelfs een schijnbaar onstopbare spraakwaterval als Typhoon soms een beetje achterblijft.

Maakt verder niet uit, alleen de teksten komen wat minder goed binnen bij mij, zeker vergeleken met prachtdebuut Tussen Licht en Lucht. Dit is ook gewoon een wat lichtere, luchtigere EP. Om er maar een cliché bij te halen: je kunt horen dat de muzikanten zelf erg vee plezier hebben. ‘Bumayé’ en ‘Licht Uit’ zijn energiebommetjes, ‘A de Na Oso’ een meeslepend nummer met sterke gastrol van O-Dog; van het studiogedeelte valt alleen de titeltrack ‘Chocolade’ een beetje tegen. Het is een heerlijke groove, dat wel hoor, maar helaas valt het net wat minder spectaculair uit dan je op basis van de combinatie New Cool Collective en Fakkelbrigade zou verwachten. Sowieso levert Stickert hier een van z’n allerzwakste verses af: zodra hij begint over Geen Stijl en anderen gaat beschuldigen van een gebrek aan stijl, wordt het al heel snel duidelijk dat hij hier ook bepaald geen stijl heeft.

Daarna komt het livegedeelte. ‘3Luik’ klinkt wat moeizaam eerst, vooral omdat de geluidskwaliteit achterblijft t.o.v. het studiogedeelte. Typhoon is een stuk slordiger hier, maar dat heeft ook wel wat; zijn enthousiasme werkt toch wel aanstekelijk. Gelukkig maar dat ‘Naamval’ vol onderhuidse spanning zit, met een bescheiden climax die toch niet onbevredigend is. Ook ‘Brand Los’ is gewoon goed uitgevoerd, vol blazers en weer zo’n fijne gitaarsolo tijdens het drum ’n bass-gedeelte. Eigenlijk daarom is het doodzonde dat aan het einde het begin van ‘Los Zand’ gehoord kan worden, maar dat nummer helemaal ontbreekt op de verder prima EP.