MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten HugovdBos als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Kant Freud Kafka - Onírico (2017)

poster
4,5
Kant Freud Kafka is het project van de Spaanse drummer, zanger en componist Javi Herrera. Met een naam die ontleend is aan drie filosofen, maar tevens als grap is gekozen, verwacht je minimaal een album dat rijk is aan instrumentatie en complex genoeg is om niet zomaar even te doorgronden. Dit is dan ook precies wat Javi met de opvolger van het in 2014 verschenen No Tengas Miedo probeert te bewerkstelligen. De eerste ideeën voor het album ontwikkelde hij al eind jaren 80, maar deze ideeën werden de laatste paar jaar pas verder uitgewerkt. Met Onírico verkent hij de droomwereld in zowel haar schoonheid als gevaren.

Net als op het eerste album springt het gebruik van vele instrumentatie naar voren bij aanvang van het album. Van klassieke passages op de piano, folkse klanken van de dulcimer en bouzouki tot aan het tropische van de tapdans. Dit alles wordt vermengt met een flink staaltje progressive rock, te horen in de drumrolls, gitaarsolo’s en toetspartijen. De gastmuzikanten die meespelen zijn allen talentrijk in de uitoefening van bepaald instrument. Zowel in de productie als muzikaal en tekstueel staat dit album als een huis. De droomwereld komt volledig tot leven in de verschillende muzikale passages en de gevoelens die naar de oppervlakte worden gebracht. Honderden jaren aan muziekgeschiedenis vliegen aan ons voorbij wanneer we de steeds weer wisselende akkoordenschema’s en instrumentatie horen. Van onheilspellende nachtmerries tot aan overweldigende sprookjeswerelden, met de rijkheid aan klanken kan elke fantasie worden ontworpen. De harmonieën, details en contrasten maken het album met elke luisterbeurt tot een ware belevenis. Javi Herrera had er een crowdfundingcampagne voor nodig, maar hij laat horen dat het investeren van geld in zijn projecten het meer dan waard is. Op prog gebied behoort Onírico tot de meest verfijnde werken uit 2017.

4,5*

Afkomstig van mijn site Platendraaier.

Katatonia - The Fall of Hearts (2016)

poster
4,0
In 1991 begonnen Jonas Renkse and Anders Nyström de band Katatonia als duo. Hun voorliefde voor de death metal bracht hen bijeen, resulterend in twee albums binnen dit genre. Stemproblemen voor Renkse was echter de reden dat de band een muzikale omslag maakte naar de heavy metal en aan het einde van de zero’s zelfs naar de progressive rock. De kwaliteit van hun muziek is echter gedurende al die jaren constant gebleven, te horen in hun atmosferische klanken, gedreven zangpartijen en zowel de zware als subtiele gitaarriffs.

Het zijn de kleine muzikale nuances die The Fall of Hearts tot een bijzonder fraai album maken. Deze verschillen zitten vooral in de gelaagdheid van hun muziek, van het donkere Takeover naar het muzikaal intrigerende Old Heart Falls. Emoties overwoekeren de donkere dagen van het bestaan in het schitterende Decima, sfeervol en licht qua toonzetting. Met de vernieuwde lineup (drummer Daniel Moilanen en gitarist Roger Öjersson) voeren ze een aantal nieuwe paden in, waarin vooral de schoonheid van de klanken centraal staat. Renkse’s warme stemgeluid voert onderwerpen als verlies, verandering en verlangen naar hogere regionen. De drumpartijen op The Night Subscriber voeren je mee naar loodzware gitaarriffs, maar ook hier zijn de subtiele klanken nog steeds aanwezig. Dit gegeven maakt dat de nummers op het album erg dicht bij elkaar staan en een constante kwaliteit garanderen.

De diepgang van de muzieklandschappen en de wil om veranderingen door te voeren in de muziek maken van The Fall of Hearts een krachtige ontdekkingstocht en maken Katatonia na 25 jaar nog steeds relevant.

4*

Afkomstig van mijn site Platendraaier.

Kevin Morby - City Music (2017)

poster
4,0
De jaren van de de psychedelische klanken van Kevin Morby’s band Woods liggen inmiddels al enkele jaren achter ons (hij verliet de band in 2013). Zijn solocarrière begint echter steeds meer vorm te krijgen sinds hij vier jaar geleden zijn debuut Harlem River uitbracht. In 2016 verscheen nog het veelgeprezen album Singing Saw, waar de strijkers ondersteuning gaven aan de door gitaren en breekbare zang aangehaalde sfeer. Zijn vierde album City Music kan als tegenhanger van het voorgaande album worden gezien. Waar op Singing Saw de intimiteit lag in het leven op het platteland wordt op City Music de stedelijke gebieden van zijn jaren in New York verkent. Van Bob Dylan en Joni Mitchell naar Lou Reed en Patti Smith, van het zachte en kwetsbare naar het ruige en verontrustende. De overeenkomst is dat de eenzaamheid opnieuw een groot onderdeel uitmaakt van het verhalende. Het album werd aan de andere kant van het land opgenomen in de Panoramic Studios, met uitzicht op de Atlantische oceaan. Tijdens de nachtelijke sessies ontstond samen met zijn band de muzikale toonzetting van het geheel, ondersteund door de stadse verhalen van Kevin Morby.

Come to Me Now opent in de meest eenzame dood die een mens kan wensen. Ver weggezonken in het stadse leven komt het verhaal van de gestorven eenling George Bell tot leven. De donkere klanken van percussie en orgel openen de donkere wereld van The Velvet Underground en Joy Division, omhult door de tragische dood van een man in een huis in New York City. Het stedelijke leven wordt door de mensenstromen in werking gezet, terwijl even verderop andere personen in alle eenzaamheid wegzinken in hun bestaan. De zon wordt ingeruild voor de maan, het felle licht kan niet meer worden verdragen. Het zijn de klanken van het eeuwenoude orgel waarmee Kevin Morby de onderhuidse spanning opwekt, tot de metaalklanken van Justin Sullivan langzaam aan afzwakken. Richard Swift’s gezegende producerkwaliteiten worden ook kenbaar gemaakt op het schitterende Crybaby. De strakke sound en herhalende gitaarklanken kennen overeenkomsten met de muziek van Kurt Vile. Wanneer Morby zijn zang oprekt begeven we ons in het leven buiten de samenleving. Ongezien in de drukke straten van de Amerikaanse metropolen en uitgeput door de wereldse problemen. Het zijn de gedachten die Morby omringde toen hij het nummer in 2013 met drummer Justin Sullivan schreef. De ineenstorting van deze persoon wordt gebracht in de energieke combinatie van de aangeslagen en hese zang, de herhalende pianoklanken en het oplopende volume van de drums. 1234 kan eenvoudig worden gezien als een ode aan de punk rock dagen van de Ramones (‘Joey, Johnny, Dee Dee , Tommy’), de herkenbare structuur wordt vanaf het eerste moment in werking gezet. Tevens bevat het nummer een referentie naar Jim Carroll’s People Who Died, één van Morby’s favoriete nummers. Het is een korte onderbreking van het album, waar de grap niet geheel recht doet aan het verhalende.

Dat het album sterk door zijn muzikale helden is beïnvloed wordt maar eens te meer duidelijk op Aboard My Train. Niet alleen Bod Dylan’s Forever Young wordt aangehaald, maar ook Lou Reed’s aanwezigheid is voelbaar. Van het rustige drumritme van Sullivan wordt er overgestapt naar de pianoklanken van Richard Swift. Het nummer is vooral een reis door Morby’s leven, van zijn kindertijd en de verschillende steden waar hij in zijn leven verliefd op werd. De ruige gitaarklanken brengen de overgang naar alle filmbeelden die aan hem voorbij flitsen, een ode aan alle plaatsen en personen waar hij ooit een vriendschapsband mee opbouwde. Een zeer verfijnd kunststukje. De muzikale diversiteit van het album wordt hoorbaar wanneer de soulvolle klanken van de blues het gehoor binnendringen. Samen met Richard Swift op de drums brengt Kevin zijn zang zeer dichtbij, ondersteund door de harmonieuze achtergrondzang van Richard. Opnieuw is het gevoel van eenzaamheid bepalend voor zijn tekstuele uitingen. Op een groot plein downtown New York voelt de hoofdpersoon zich verlaten en vloeien de tranen rijkelijk in de melodieuze gitaarklanken. Het zijn de referenties waardoor het allemaal soms iets te veel van het goede wordt op het album. Zo verwijst het 40 seconden durende Flannery naar Flannery O’Connor’s boek The Violent Bear It Away, waar een kind de naderende lichten van een stad aanziet voor een groot vuur. Gelukkig vormt dit korte verhaal ingesproken door Meg Baird de introductie van de titeltrack. City Music werd ooit ingespeeld op de banjo, maar het verhaal komt met een voltallige band pas echt tot leven. Television’s Marquee Moon herleeft in de harmonieuze werking tussen Morby’s gitaarspel en dat van Meg Duffy. Het gevoel van de eenzame tochten door de drukke straten van een metropool worden deze keer dan ook volledig in werking gezet door de muziek. Het is een nummer waarin de stadse klanken uit de voorbij flitsende barretjes, muziekpodia en drukke concerthallen samengaan met de drukke verkeersstromen van ronkende motoren en piepende banden. De gitaarriff breekt halverwege het nummer door naar het versnelde ritme van de drums, de jamsessie wordt opgerekt tot een kleine zeven minuten. Meeslepend en indringend tegelijk.

Vanaf de titeltrack glijdt het album in sneltreinvaart door in een ode aan de Velvet Underground en Lou Reed. Vanuit de torenhoge wolkenkrabbers aanschouwt het personage in Tin Can het passeren van mensen en auto’s in de drukke straten. Het stadse gevoel wordt deze keer van een meer zonnige klank voorzien, al blijft het gevoel een vreemdeling te zijn overheersen (‘I’m no one but a face just a stranger in a stranger place’). De vervreemde klanken worden door de gitaren ontwikkeld, waarnaast de piano als ondersteunende factor dient. De tropische klanken van de drums verscherpen de klanken en besluit Morby tenslotte met ‘But I don’t mind’ dat het helemaal niet erg is om je af en toe wat vreemd te voelen in zo’n miljoenenstad. Caught in My Eye is een cover van de Amerikaanse punkband The Germs. Het rauwe randje is er vanaf gehaald en de akoestische gitaarklanken brengen de wonderschone teksten beter naar voren. Morby klinkt aangeslagen en weet de emotionele inslag te vergroten door het effectieve gebruik van zijn stemgeluid. Meg Baird’s hoge vocalen zorgen samen met de exotische klanken voor de diepe ontroering. Na elke onderbreking wordt er weer teruggegrepen naar de hoofdlijn van het album, het personage dat zich bevindt in de grote stad. In Night Time wordt het stadse aanzicht bij nacht bekeken uit het appartementje hoog in de wolkenkrabber. De pracht zit ditmaal weer verwerkt in de samenhang tussen de diverse instrumenten die hoorbaar zijn. Van de korte aanrakingen op de piano, de roffelende drums tot aan de ruwe gitaarklanken. De band weet als geheel het gevoel van het leven in een drukke stad tot leven te wekken. Het nummer sluit af met de hoofdpersoon al luisterend naar Bob Dylan’s Sad-Eyed Lady of the Lowlands. In Pearly Gates worden de hemelse poorten geopend naar het hiernamaals. De gitaarriff benadrukt de kracht van de muziek wanneer de hoofdpersoon zich voor de poorten bevindt. De dochters van Richard Swift brengen de gospel tot leven in St. John The Divine, een gotische kathedraal in New York. De keyboardklanken en drums vermengen zich klakkeloos in de energieke ondergrond van het basspel. Al wachtend voor de poorten wordt je favoriete muziek ten gehore gebracht, voordat het leven na de dood zijn aanvang neemt. Downtown’s Lights is niet alleen het slotstuk van het album, maar kan ook worden gezien als een nummer waarin iemand aan het einde van zijn/haar leven staat. Samen met basgitarist Meg Duffy en drummer Justin Sullivan brengt Morby zijn kwetsbare stem in de emotionele ondertoon. Het naderende einde voert de hoofdpersoon langs de beelden uit het verleden en het geloof in meer dan dit leven alleen. Het langzame ritme kruipt voort wanneer de emoties worden aangewakkerd en de laatste klanken het gehoor binnendringen, ‘I watch the tide flying like a sparrow, I Watch the lights dying off like dominoes’.

In City Music voert Kevin Morby je met veel muzikale diversiteit mee door de stedelijke gebieden van de Amerikaanse staten. Op effectieve wijze wordt de eenzaamheid van de hoofdpersoon verwerkt in de muzikale samenhang, van de wonderschone klanken van de akoestische gitaar tot aan de donkere tonen van het orgel. Daarnaast staat het album bol van de muzikale verwijzingen naar de muziek van de Velvet Underground en met name Lou Reed. Bij vlagen voeren de terugkoppelingen je te vaak terug naar het verleden, maar nergens doet dit echter af aan het overkoepelende verhaal in de grote stad. Of het nou de nachtelijke lichten in een metropool zijn of de manier waarop je in alle eenzaamheid door de drukke straten van New York slentert, Morby geeft je het gevoel deel uit te maken van het verhaal. En juist dit verhaal geeft de groei aan van hem als muzikant, het verwerken van elk hoofdstuk in het tekstuele en muzikale.

4*

Afkomstig van mijn site Platendraaier.

King Crimson - Red (1974)

poster
5,0
Als pionier van de progressive rock zorgde de Engelse band King Crimson er eind jaren 60 voor dat de snelle ontwikkelingen en de intensiteit van de rock muziek werden samengebracht in een meer complexe muziekstijl. De band kwam voort uit het in 1967 ontstane trio van de gebroeders Gills (drums en bas) en gitarist Robert Fripp. De laatstgenoemde zou er in de volgende jaren persoonlijk voor zorgen dat de improviserende speelstijl zich tot een diepzinnig geheel zou ontwikkelen, waarbij de maatsoorten en melodiestructuren een steeds belangrijkere rol zouden gaan spelen. In de line-up die de band uiteindelijk definitief op de kaart ging zetten werden toetsenist en houtblazer Ian McDonald, zanger Greg Lake (later bekend van Emerson, Lake and Palmer) en toetsenist en tekstschrijver Peter Sinfield toegevoegd. In deze samenstelling verschenen ze in 1968 onder de naam King Crimson ten tonele, refererend naar de monarchen onder wiens macht er veel bloedvergieten waren en onrust onder de bevolking elke dag aan de orde was. Nog geen jaar later traden ze in Hyde park te Londen op, voor een menigte van 500.000 personen. In oktober van dat jaar verscheen hun iconische debuutalbum In The Court Of The Crimson King, een meesterwerk waarin de schizofrene klanken en langgerekte instrumentale partijen een diepe indruk zouden achterlaten in de muziekwereld.

De invloedrijke muziek van de band zou in de jaren na het debuut uitgroeien tot een veelzijdige mix van rock, jazz en folk. De onderlinge spanningen zorgden er echter voor dat de bandwijzigingen zich in rap tempo zouden opvolgen. Constante factor bleek de excentriekeling en perfectionist Robert Fripp, die met zijn gitaarpartijen een sleutelrol speelde in de indringende en fragiele kracht van hun muziek. Op albumgebied bleven de topstukken echter snel na elkaar volgen, van het innovatieve Lizard (1970), via het epische Larks’ Tongues in Aspic (1973) tot aan het duistere Starless and Bible Black (1974). Met de in 2017 overleden zanger John Wetton en percussionist Bill Bruford bleef de line-up vanaf Larks’ Tongues in Aspic echter behouden en werden de gesmeden composities steeds feller en aangrijpender. Op commercieel gebied bleven de albums het goed doen en alle werken wisten dan ook tot de top 30 door te stromen van de Engelse charts. Daar zou echter verandering in komen wanneer de band in juli 1974 de studio zou induiken voor het werken aan een nieuwe plaat. Violist David Cross voelde zich ongemakkelijk bij de ontwikkeling naar de luide en indringende stijl van de muziek en de onderlinge spanningen zorgden er uit eindelijk voor dat hij aan het einde van de zomertoer uit de band werd gezet.

Het overgebleven trio Fripp, Wetton en Bruford begon samen met enkele gastbijdrages van oud-leden Ian McDonald and Mel Collins aan de opnames voor het album Red. Niet zoals voorheen werd de muziek voortgedreven door de akoestische passages en lange melodieuze stukken, maar de lijn naar ruiger gitaarwerk en en fellere drums werd voortgezet. Nog voordat het album officieel werd uitgebracht besloot Robert Fripp de band op te heffen, het meesterbrein was moe gestreden. Fripp had het gevoel dat de muzikale vooruitgang afnam en ergerde zich ondanks zijn afgunst voor de commercie aan het weinige commerciële succes dat de band hem gaf. Hoewel Red slechts een 45e plaats in de Engelse albumlijsten zou behalen groeide het album in de jaren daarna uit tot één van de belangrijkste albums uit de progressive rock. Het is een albumklassieker met slechts 5 nummer, waar de kwaliteit van afdruipt en tevens de muzikale verandering laat horen die de band door de jaren heen heeft gemaakt.

De instrumentale titeltrack Red wordt in gang gezet door de hevige ontwrichte gitaarriffs van Fripp en Wetton. Het nummer zet de verandering van de band vast in klank en maatstructuur. De complexiteit ligt in het gebruik van slechts enkele instrumentatie, waarmee een zeer geslepen en klankrijk geheel ontstaat. De constante tempowisselingen en het duistere sfeertje vormen een indringend geheel, van de diepe klanken van de cello van gastmuzikant Mark Charig tot aan de felle inslagen van de drums van Bruford. Het is het indringende palet waar later een band als Tool veel van zijn intensiteit vandaan heeft gehaald. De muziek van het nummer is niet zozeer sneller of heviger dan er half jaren 70 te vinden was, maar de onderhuidse spanning en verbondenheid tussen de bandleden is constant voelbaar.

De gelijkenis met het album In the The Court Of The Crimson King is merkbaar wanneer er na een zwaar beladen opener wordt overgestapt naar een gedeeltelijke ballad. Fallen Angel ontwikkeld zich vanaf de donkere klanken van gitaren en strijkers naar een aangrijpend verhaal over een jongen die zich aansluit bij de Hells Angels. De vocale kwaliteiten van John Wetton zijn voelbaar in zijn heldere en emotionele zangpartijen. Robert Fripp toont nog eenmaal zijn kwaliteit op de akoestische gitaar, alvorens deze aan de wilgen te hangen. De toenemende intensiteit wordt in werking gezet door het oboe fluitspel van Robin Miller, waarna de mellotron en elektrische gitaren een complex muzikaal schouwspel creëren. Het is de felheid die we van eerdere werken van de band kennen, maar hier steeds verder van de begaanbare paden af lijkt te raken. De hoofdpersoon is inmiddels om het leven gekomen in een gevecht in New York, zijn broer achterlatend in hevige ontroering. Het is deze tragiek die zich meester maakt over de muziek, wanneer de klanken van de oboe terugkeren zijn de emoties al hoog opgelopen. Opnieuw doet een wisseling in tempo en maatsoort het geheel tot hogere regionen stuwen, van de aangrijpende klanken van de cornet van Mark Charig tot aan de drumpartijen van Bill Bruford.

Voor het derde nummer One More Red Nightmare schreef zanger John Wetton zelf de teksten en bevinden we ons midden in de nachtmerrie van een neerstortend vliegtuig. De muzikale weg van de albumopener wordt voortgezet in de ontwrichte gitaarriffs en de scherpe klanken van de cymbals van Bruford’s drumstel. De nachtmerrie begint wanneer de hoofdpersoon zich hoog boven de grond bevindt in een vliegtuig van PanAm airways, de vergezichten zijn adembenemend, maar het plezier wordt bruut verstoord door het begin van een angstvallige aanval van turbulentie. De muziekpartijen bewegen zich klakkeloos mee met het verhaal, met jazzy invloeden afkomstig van het saxofoonspel van oud-bandlid Ian McDonald. Het vervreemde klankspel doet zich aan in het hevige gebruik van percussie en de onderliggende gitaar- en baspartijen. Fripp toont zijn klasse in de steeds wisselende innovatieve gitaarlijnen, waarin de groove door handgeklap behouden in blijft. Wanneer het vliegtuig naar beneden stort wordt de intensiteit groter, maar net voor het moment van inslag ontwaakt de hoofdpersoon uit de boze droom.

Pas echt bizar wordt de toonzetting op het instrumentale Providence. David Cross opent het nummer in alle rust met zijn emotioneel beladen gitaarspel, waarbij de onderliggende spanning met het basspel van Wetton wordt vergroot. De live opname vernoemd naar het optreden in het Palace Theater te Providence (VS) ontwikkeld zich tot het meest experimentele nummer van het album, vergelijkbaar met Moonchild van hun eerste album. De angsten ontwikkelen zich gestaag in de indringende klanken van aanhalen op de gitaar en het improviserende drumspel. Het is het ultieme voorafje aan wat komen gaat, meesterlijk verpakt in de meeslependheid die van King Crimson kennen.

Het slotstuk Starless werd door zanger John Wetton geschreven voor het voorgaande album Starless and Bible Black, maar wegens onvrede van Fripp en Bruford over de gekozen richting werd het nummer niet op het album geplaatst. Een totaal vernieuwde versie werd echter kort daarna opgenomen en kan zich meten met het beste wat de band gedurende de jaren heeft voortgebracht. De sfeer van het nummer wordt in werking gezet door het radio drama van Dylan Thomas waaraan de titel zijn naam dankt, maar gaat inhoudelijk over het einde van een vriendschap. Het nummer opent zich in de melodieuze macht van de mellotron, waarna de elektrische gitaar van Fripp de schoonheid onderstreept. Percussionist Bruford speelt op gepaste manier in op het verhaal, met verfijnde klanken van de percussie. John Wetton is op de top van zijn kunnen wanneer hij met zijn warme zang de vriendschap tot een einde brengt. De emotionele kracht neemt toe wanneer Ian McDonald op zijn saxofoon de verschillende melodielagen aan elkaar verbindt. Daarna volgt misschien wel het hoogtepunt van hoe spanning zich geleidelijk door een nummer heen kan opbouwen. John Wetton’s basspel is indringend en wordt in de herhaling van een steeds diepere betekenis voorzien. Wanneer de percussie aansluit in de vorm van bellen en klokken neemt de angstige toonzetting toe. Fripp bouwt ondertussen aan een ritme dat zich steeds herhaalt, maar in kracht toeneemt. Wanneer het volledige drumstel wordt benut neemt de spanning alsmaar toe. De grauwheid van het nummer voert je naar volledige onmacht en duwt je de afgrond van het bestaan in. Na de ultieme climax volgt een moment van bezinning wanneer Mel Collins met zijn saxofoon naar de kant van de free jazz opgaat. Wat volgt is een schizofreen patroon waarin alle instrumenten door elkaar heen lopen, totdat vlak voor het einde de mellotron en cello je terugvoeren naar de beginmelodie. De totale uitputtingsslag komt ten einde en wat door 21st Century Schizoid Man in werking is gezet wordt op Starless afgesloten.

Red is de laatste krachtinspanning van een band die op het punt van breken staat. Een breekbaarheid die de band tot grote hoogtes stuwt in de complexiteit van elk nummer. Het power trio Fripp, Wetton, Bruford slaagt erin innoverende krachtexplosies af te wisselen met aangrijpende melodielijnen, altijd verbonden door de signatuur van de band zelf. Hoewel het album bol staat van de onderliggende spanningen blijft de schoonheid op elk moment behouden, van de instrumentale en experimentele stukken tot aan het brengen van de zangstukken en bijpassende muzieklagen. De ontwikkeling die Robert Fripp gedurende slechts 5 jaar heeft doorgemaakt is indrukwekkend te noemen, zijn creativiteit en techniek zijn subliem. Toch is de drie-eenheid duidelijk voelbaar, John Wetton laat niet alleen horen een goede zanger te zijn, maar ook een geweldige bassist. Bill Bruford is de man die op het album het gebruik van percussie een nieuwe invulling geeft, altijd verbonden met de gitaarpartijen om hem heen. Red behoort hiermee tot de absolute topstukken uit de progressive rock, van begin tot eind voert het album je mee naar hoogtepunten. Hoewel het album het einde van deze line-up van King Crimson betekende, zou de band in 1981 glorieus terugkeren met een nieuwe reeks aan meesterlijke albums en hoogstaande muzikanten.

5* (10)

Afkomstig van Platendraaier.

Kurt Vile - b'lieve i'm goin down... (2015)

poster
4,0
Na zijn avontuur met The War on Drugs besloot de Amerikaanse muzikant Kurt Vile zijn eigen weg te gaan. Het leverde hem een vijftal albums op, waarbij zijn kracht als tekstschrijver steeds beter zichtbaar werd. Op zijn zesde album B’lieve I’m Goin Down… zoekt hij zijn muzikale weg in het gebruik van de piano en banjo. Daarmee begeeft hij zich meer in de donkere sferen van zijn album Smoke Ring for My Halo. Opnames in onder andere de woestijn van de Joshua Tree en jamsessies met de Malinese band Tinariwen hebben het album hierbij vormgegeven.

Pretty Pimpin voert zich als openingsnummer de folkmuziek in. Het nummer gaat in op de onzekerheden van de mens. Staande voor zijn spiegel ziet hij de man die ooit was, maar niet meer herkent. Het constante verlies van het bewustzijn brengt hem keer op keer terug naar de gedachten wie hij daadwerkelijk is. Nieuwkomer Kyle Spence slaagt erin de drums onderliggend te houden aan de klanken van de mellotron, keyboards en gitaren. I’m an Outlaw stapt met de klanken van de banjo de wereld van de innerlijke kracht binnen. De eenzaamheid vertaalt zich in de het vaste drumritme en de snijdende confrontatie met zichzelf. Dust Bunnies concentreert zich meer op het gebruik van de piano en het orgel. Met referenties naar Wonderful World van Sam Cook zoekt hij zijn weg in de moeizame wereld en het in stand houden van relaties.

You think you’re tired, put your face in my place
We swap faces and I see you’re tired
It’s hard to think with a squashed brain and
Let’s hope that don’t leave a permanent stain

De klanken van Kurt’s gitaar vormen de donkere ondergrond waarop That’s Life, tho (almost hate to say) tot groei komt. De armoede en het harde leven zorgen ervoor dat de bloei niet komt opzetten. Via dalen en pieken ontga je het leven niet, hoe geliefd je ook bent. Wheelhouse, volgens Kurt zijn beste nummer ooit geschreven, is een zoektocht naar de zin van het leven en de eenzaamheid die hierin een rol speelt. De woestijnlandschappen blijven behouden met de doorlopende gitaarriff. De ondersteunende keyboardklanken houden de zandstorm in bedwang en openen de weg naar je eigen tempel.

There’s a desert down below the earth’s core
A hidden staircase in the house that you reside in
A little something from the cupboard over there
A little medicine, it’s a medication situation

Life Like This weet met zijn piano een herhalende melodie te ontwikkelen, waarop de muzieklagen steeds meer vorm krijgen. Het leven lijkt een doorlopende cyclus te worden van herhaling en de vraag wie je bent doemt steeds vaker op. Kurt zoekt de randjes van de afgrond op, om uiteindelijk aan de oppervlakte te blijven. All in a Daze Work brengt een korte terugblik naar zijn voorgaande album teweeg. Het tokkelen op de gitaar brengt hem dieper in een roes van verwarring. Na het instrumentale onderonsje zijn de pianoklanken van Lost my Head there een frisse binnenkomer. De eenvoud van het nummer vertaalt zich in de funky gedachten die binnenkomen bij Kurt. Even was hij de connectie verloren, maar halverwege het nummer herpakt hij zich. De synths en keyboards zorgen voor een dromerige laag van geluiden.

I was buggin’ out ’bout a couple-two-three things
Picked up my microphone and started to sing
I was feeling worse than the words come out
Fell on some keys, and this song walked outta me


Op Stand Inside pakt hij zijn rustgevende muzikale stijl weer op. De liefde zet Kurt aan het denken. Hij probeert een belangrijk persoon in zijn leven vast te houden, maar weet de juiste woorden niet te vinden. Bad Omens is het korte muzikale nummer van het album. De piano en gitaren zwepen de drums op en begeven zich aan de donkere kant van het verhaal. Kidding Around doet zich vrolijker aan dan de werkelijkheid. Verborgen in illusies zoekt het brein naar een uitweg. De grap die hij maakt is de treurnis van het leven en de weg naar je innerlijke zelf. Het klankenpalet van piano en akoestische gitaar zorgt voor een muzikale en ontspannende verdieping. Wild Imagination doet nog het meest de toenadering zoeken met zijn muzikale held Neil Young. De gitaarklanken verbinden zijn onzekerheid en de afwezigheid van liefde met elkaar. Al de personen die zijn leven passeerden, maar niet meer dan een afbeelding aan de muur achterlieten. De gevoelens en herinneringen beginnen op te komen, al lijkt tijd de belangrijkste spelbreker.

I’m looking at you
But it’s only a picture so I take that back
But it ain’t really a picture
It’s just an image on a screen


Kurt Vile zoekt op B’lieve I’m Goin Down… naar zijn eigen werkelijkheid en de gevoelens die hem hierbij omringen. Zijn muzikale weg blijft behouden, al speelt de piano op het album een grotere rol dan voorheen. Zijn donkere humor beweegt door in de zin van het leven en het onderhouden van relaties. Kurt weet zich op te werpen als een belangrijke muzikant van zijn tijd, gedreven in de stijl van de jaren zeventig, maar met een lach naar wat de huidige maatschappij teweeg brengt.

4*

Afkomstig van Platendraaier.