Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Hardcore Superstar - Bad Sneakers and a Pina Colada (2001)

3,5
0
geplaatst: 7 september 2019, 20:45 uur
Hoewel dit album op deze site niet als oudste van Hardcore Superstar staat, kan je ergens toch wel stellen dat Bad Sneakers and a Pina Colada (toffe titel, overigens, geïnspireerd door een song van Steely Dan) het debuut is van de Zweedse formatie. Frontman Joakim Jocke Berg en de zijnen brengen een keur aan songs met invloeden uit sleaze-, glam-, hard- & punkrock, en gieten daar een vette scheut rock 'n roll overheen.
Vooral tijdens de eerste helft van de plaat (tot en met het uitstekende Someone Special) levert dat spektakel op; daarna komt de klad er helaas een beetje in, maar met So Deep Inside kent het album alsnog een sterke apotheose.
Een puntje van kritiek is dat de productie van (met name) de drums nogal vlak is, waardoor het klinkt alsof men op een blikken of tinnen vuilnisvat aan het rammen is. Daartegenover staan echter het spelplezier en de soms spetterende gitaarriffs en -solo's, die veel goed maken.
3,5 sterren
Vooral tijdens de eerste helft van de plaat (tot en met het uitstekende Someone Special) levert dat spektakel op; daarna komt de klad er helaas een beetje in, maar met So Deep Inside kent het album alsnog een sterke apotheose.
Een puntje van kritiek is dat de productie van (met name) de drums nogal vlak is, waardoor het klinkt alsof men op een blikken of tinnen vuilnisvat aan het rammen is. Daartegenover staan echter het spelplezier en de soms spetterende gitaarriffs en -solo's, die veel goed maken.
3,5 sterren
Hardcore Superstar - HCSS (2015)

3,0
0
geplaatst: 22 september 2019, 19:42 uur
Goeie, zij het wat minder consistente plaat als de voorgander, dit HCSS. Is de titel niet al te origineel, dan is de muziek dat zeker ook niet. De band haalt wel uit een heel aantal genres behoorlijk wat invloeden. Zo kunnen o.a. de namen Guns N' Roses, Mötley Crüe, Hanoi Rocks en de landgenoten van Backyard Babies worden aangehaald. Namen die allemaal zo ongeveer in dezelfde hoek te situeren vallen.
Aangenaam om naar te luisteren is het zeer zeker, maar een nummer als Fly had van mij niet gehoeven; een incidentele ballad van hen mag al 'ns tegen de zes minuten aan schuren, maar het werk van de langere adem is in de regel niet de specialiteit van Hardcore Superstar. Het nummer klinkt mij dan ook wat flets in de oren.
Als de rock 'n roll de boventoon voert (het hoeft niet eens altijd serieus te zijn), voelen de Zweden zich duidelijk in hun sas, en dat levert ook het meeste vuurwerk én de beste songs op. Touch the Sky is daarvan het beste voorbeeld op dit album, Party 'Til I'm Gone misschien wel het geinigste.
Al bij al weer een geslaagd album dus, van Hardcore Superstar. Ze hebben vorig jaar nog een nieuw album uitgebracht, dus blijven ze ook lekker bezig.
3 sterren
Aangenaam om naar te luisteren is het zeer zeker, maar een nummer als Fly had van mij niet gehoeven; een incidentele ballad van hen mag al 'ns tegen de zes minuten aan schuren, maar het werk van de langere adem is in de regel niet de specialiteit van Hardcore Superstar. Het nummer klinkt mij dan ook wat flets in de oren.
Als de rock 'n roll de boventoon voert (het hoeft niet eens altijd serieus te zijn), voelen de Zweden zich duidelijk in hun sas, en dat levert ook het meeste vuurwerk én de beste songs op. Touch the Sky is daarvan het beste voorbeeld op dit album, Party 'Til I'm Gone misschien wel het geinigste.
Al bij al weer een geslaagd album dus, van Hardcore Superstar. Ze hebben vorig jaar nog een nieuw album uitgebracht, dus blijven ze ook lekker bezig.
3 sterren
Harmonium - Les Cinq Saisons (1975)
Alternatieve titel: Si On Avait Besoin d'une Cinquième Saison

4,5
1
geplaatst: 7 juni 2012, 11:25 uur
Harmonium was een Canadese folkband, die ook elementen uit jazz en progressieve muziek haalde. Je zou het dus kunnen beschrijven als progfolkjazz, maar daar ben je weinig mee, natuurlijk. Het collectief bracht slechts drie albums uit, en ‘Si On Avait Besoin d’une Cinquième Saison’ is vooralsnog de enige die ik ken. Maar hij klinkt wel als een klassieker.
De hoes is erg kleurrijk en divers, wat terugkomt in de muziek. Vijf nummers, vijf seizoenen. Er zijn toch maar vier seizoenen? zal u zeggen. Welja, Harmonium heeft er gewoon een vijfde bij verzonnen. Soms is die drang er, om meer te kunnen verklaren dan verklaarbaar is. De Oude Grieken beweerden dat alles was opgemaakt uit vier elementen: water, vuur, lucht en aarde. Maar omdat er verschillende dingen waren die niet te verklaren waren op basis van deze vier elementen, kwam men met een vijfde: phlogiston. Het bestaan daarvan werd uiteindelijk ontkracht door de Fransman Lavoisier.
De eerste song representeert de lente. ‘Vert’. Alles is groen, een weelderige omgeving in volle bloei. De song is vrolijk, maar niet compleet uitgelaten; alles moet nog op gang komen. De natuur ontwaakt, en het licht van de zon schenkt leven. Met ‘Dixie’ hebben we een zomers nummer, in de stijl van de dixieland muziek. De zon staat hoog aan de hemel en maakt lange dagen, optimisme bestijgt de troon. Vrolijkheid en geluk worden gecreëerd door de warmte en het licht.
‘Depuis l’Automne’ luidt de herfst in. De sfeer wordt weemoediger, de zang klinkt al eens wat klageriger. Nostalgie klinkt door in de prachtige samenzang. Was het nog maar zomer.. nu alles in verval raakt. De bladeren vallen van de bomen, nadat ze eerst bruin zijn geworden. De laatste oprispingen worden geuit in de vorm van een tegenstribbelende klarinet. Alle lof voor Pierre Daigneault, verantwoordelijk voor het fluit- en klarinetspel op deze plaat. Hij doet dat werkelijk voortreffelijk over de gehele lijn. Een klassiek aandoende outro sluit het nummer af.
De winter volgt op de herfst, en dat gebeurt op dit album met ‘En Pleine Face’. Een pagina wordt omgedraaid, zoals de openingslijn luidt. Dit is een ingetogen nummer, doch niet depressief of kil klinkend. Ik hoor er eerder het verlangen, de hoop naar een nieuwe lente in. De cyclus wordt vervolmaakt, en men kan weer opnieuw beginnen, met een schone lei. “C’est moi qui est tombé en pleine face”…
Met natuurgeluiden wordt ‘Histoire Sans Paroles’ ingeluid. Het vijfde seizoen, la cinquième saison. Imaginair, uiteraard, maar laat dit net het allermooiste seizoen zijn. De schitterende apotheose, waarin alles terugkomt. Het leidmotief dat men in het begin hoort (op fluit, merci monsieur Daigneault!), komt helemaal op het einde nog eens terug, en kent zelfs een nog intensere opmaat. Daartussen gebeurt er ook heel wat (het nummer duurt namelijk zo’n 17 minuten!). Na de klassiek aandoende intro (die ook wat epiek in zich herbergt), valt de piano in. Even later de akoestische gitaar. Een mystiek klinkend stuk passeert. Een heel speciaal instrument, één van de vroegste instrumenten zelfs, waar meerdere klassieke componisten gebruik van hebben gemaakt, wordt hier ook bespeeld. Het gaat over de ondes-Martenot, en dat instrument wordt bespeeld door Marie Bernard. ‘Histoire Sans Paroles’ is de perfecte synthese; als men een extra seizoen zou nodig hebben, zou dit een geschikte kandidaat zijn, op muzikaal vlak.
Harmonium speelt (ze hebben hun naam niet gestolen) erg harmonisch, haast als een orkest, zo gedisciplineerd. Maar aan de andere kant toch ook weer opvallend los en ongedwongen, alsof ze het gewoon uit hun mouw schudden, die knappe melodieën. Vooral het piano- en klarinetspel doen me denken aan jazzmuziek, terwijl de akoestische gitaar het folkelement vertegenwoordigt. De zang zit er een beetje tussenin, met uit beide takken invloeden. De soms complexe composities (zoals dat slotnummer) geven het geheel een progressief tintje. In 1975 was dit redelijk vooruitstrevende muziek, neem ik aan. Het belangrijkste is dat ‘Si On Avait Besoin d’une Cinquième Saison’ zijn houdbaarheidsdatum nog lang niet overschreden heeft, en me ook na 12 luisterbeurten nog steeds in zijn greep heeft. Van begin tot eind.
4,5 sterren
De hoes is erg kleurrijk en divers, wat terugkomt in de muziek. Vijf nummers, vijf seizoenen. Er zijn toch maar vier seizoenen? zal u zeggen. Welja, Harmonium heeft er gewoon een vijfde bij verzonnen. Soms is die drang er, om meer te kunnen verklaren dan verklaarbaar is. De Oude Grieken beweerden dat alles was opgemaakt uit vier elementen: water, vuur, lucht en aarde. Maar omdat er verschillende dingen waren die niet te verklaren waren op basis van deze vier elementen, kwam men met een vijfde: phlogiston. Het bestaan daarvan werd uiteindelijk ontkracht door de Fransman Lavoisier.
De eerste song representeert de lente. ‘Vert’. Alles is groen, een weelderige omgeving in volle bloei. De song is vrolijk, maar niet compleet uitgelaten; alles moet nog op gang komen. De natuur ontwaakt, en het licht van de zon schenkt leven. Met ‘Dixie’ hebben we een zomers nummer, in de stijl van de dixieland muziek. De zon staat hoog aan de hemel en maakt lange dagen, optimisme bestijgt de troon. Vrolijkheid en geluk worden gecreëerd door de warmte en het licht.
‘Depuis l’Automne’ luidt de herfst in. De sfeer wordt weemoediger, de zang klinkt al eens wat klageriger. Nostalgie klinkt door in de prachtige samenzang. Was het nog maar zomer.. nu alles in verval raakt. De bladeren vallen van de bomen, nadat ze eerst bruin zijn geworden. De laatste oprispingen worden geuit in de vorm van een tegenstribbelende klarinet. Alle lof voor Pierre Daigneault, verantwoordelijk voor het fluit- en klarinetspel op deze plaat. Hij doet dat werkelijk voortreffelijk over de gehele lijn. Een klassiek aandoende outro sluit het nummer af.
De winter volgt op de herfst, en dat gebeurt op dit album met ‘En Pleine Face’. Een pagina wordt omgedraaid, zoals de openingslijn luidt. Dit is een ingetogen nummer, doch niet depressief of kil klinkend. Ik hoor er eerder het verlangen, de hoop naar een nieuwe lente in. De cyclus wordt vervolmaakt, en men kan weer opnieuw beginnen, met een schone lei. “C’est moi qui est tombé en pleine face”…
Met natuurgeluiden wordt ‘Histoire Sans Paroles’ ingeluid. Het vijfde seizoen, la cinquième saison. Imaginair, uiteraard, maar laat dit net het allermooiste seizoen zijn. De schitterende apotheose, waarin alles terugkomt. Het leidmotief dat men in het begin hoort (op fluit, merci monsieur Daigneault!), komt helemaal op het einde nog eens terug, en kent zelfs een nog intensere opmaat. Daartussen gebeurt er ook heel wat (het nummer duurt namelijk zo’n 17 minuten!). Na de klassiek aandoende intro (die ook wat epiek in zich herbergt), valt de piano in. Even later de akoestische gitaar. Een mystiek klinkend stuk passeert. Een heel speciaal instrument, één van de vroegste instrumenten zelfs, waar meerdere klassieke componisten gebruik van hebben gemaakt, wordt hier ook bespeeld. Het gaat over de ondes-Martenot, en dat instrument wordt bespeeld door Marie Bernard. ‘Histoire Sans Paroles’ is de perfecte synthese; als men een extra seizoen zou nodig hebben, zou dit een geschikte kandidaat zijn, op muzikaal vlak.
Harmonium speelt (ze hebben hun naam niet gestolen) erg harmonisch, haast als een orkest, zo gedisciplineerd. Maar aan de andere kant toch ook weer opvallend los en ongedwongen, alsof ze het gewoon uit hun mouw schudden, die knappe melodieën. Vooral het piano- en klarinetspel doen me denken aan jazzmuziek, terwijl de akoestische gitaar het folkelement vertegenwoordigt. De zang zit er een beetje tussenin, met uit beide takken invloeden. De soms complexe composities (zoals dat slotnummer) geven het geheel een progressief tintje. In 1975 was dit redelijk vooruitstrevende muziek, neem ik aan. Het belangrijkste is dat ‘Si On Avait Besoin d’une Cinquième Saison’ zijn houdbaarheidsdatum nog lang niet overschreden heeft, en me ook na 12 luisterbeurten nog steeds in zijn greep heeft. Van begin tot eind.
4,5 sterren
Her Name is Calla - The Quiet Lamb (2010)

3,5
0
geplaatst: 6 januari 2011, 19:01 uur
‘The Quiet Lamb’ van Her Name Is Calla is een plaat die ik vooral ontdekte door de link die aERo legde met Revere. ‘Hey! Selim’ van die band beviel me namelijk erg goed, dus dacht ik; dan ga ik deze ook maar eens proberen.
De plaat opent met ‘Moss Giant’. Ijzingwekkende sfeer, illuster pianospel, de toon wordt meteen gezet. Vreemde geluiden op de achtergrond trekken de aandacht, maar er blijft genoeg ruimte voor dat spaarzame pianospel, zeer mooie opener dus. Dan gaat de plaat verder met ‘A Blood Promise’. Dat nummer kent een erg rustig begin met gitaar, na een minuut valt de zang in, en we horen ook een fluitje. Het is de zang die wel wat doet denken aan Revere. Alleen, waar je bij Revere nog iets van opgetogenheid, hoop kon bespeuren, is dat hier helemaal niet het geval. aERo heeft het dan ook goed gezien in zijn stukje. Her Name Is Calla is het donkere, sinistere zusje.
Wat eens te meer wordt bewezen in ‘Pour Some More Oil’. Treurige gitaarlijn, zwaarmoedige blazers, hopeloos neuriën. Desolate strijkers, maar dit is zo’n band waarbij strijkers altijd desolaat klinken. De zang doet af en toe zelfs klagerig aan (de naam Thom Yorke is niet veraf), maar zeker te pruimen. Al moet ik zeggen; tot nu toe haalt Revere het ruimschoots. Over ‘Interval 1’ valt niets te zeggen, dat is een mooi intermezzo, meer niet.
Het volgende nummer is ‘Condor And River’, een kluif van maar liefst 17 minuten! Maar wat voor een nummer, geweldig. Godspeed You! Black Emperor (of Godspeed You Black Emperor!) komt om de hoek loeren. Het is lang geleden dat ik nog eens een nummer heb gehoord dat zo dicht bij de uitgesponnen genialiteit van het werk van die band komt. ‘Condor And River’ is wel een lange zit. Het duurt best even voordat die uitbarsting er komt, maar de opbouw is wel erg mooi. Het stelt je geduld op de proef; als je dit nummer overleeft, dan weet je dat je een geduldig mens bent. Wanneer de drums invallen, wordt het allemaal wat levendiger, minder ijl, en komt het langzaam op gang. Na zes en halve minuut volgt dan die monumentale uitbarsting waarop je de hele tijd zat te wachten. Wel, het is het dubbel en dik waard. Het rustige stuk daarna is ook overdonderend mooi. Betoverend maar simpel pianospel, opzettende blazers, en die archetypische stem van zanger Tom Morris. Fantastische combinatie, Her Name Is Calla op hun best.
Met ‘Long Grass’ begint een rustiger gedeelte van de plaat. Dit nummer en ‘Homecoming’ kunnen me wat minder bekoren. Die oosterse invloeden die aERo erin hoort, hoor ik ook wel terug. Daardoor krijgt het nummer iets mysterieus. ‘Homecoming’ is het kortste nummer (korter nog dan de beide intervallen), en had van mij niet gemoeten. Het klinkt wel mooi, maar het is m’n ding niet zo. Waar ‘Long Grass’ een beetje oosters klinkt, klinkt het spel in ‘Homecoming’ eerder Meso-Amerikaans. De zang flirt zo nu en dan met de grens van het valse, wat z’n charmes wel heeft, maar mij in het bijzonder niet echt treft.
‘Thief’ vind ik dan weer wel een erg mooi nummer. Het kent een erg trage aanvang, met die duister klinkende percussie die steeds meer komt opzetten. Het is een enorm slepende song, maar ook meeslepend. Het prachtige vioolspel zit daar zeker voor iets tussen. ‘Interval 2’ is weer een mooi intermezzo, veel meer niet. “Taking, but not giving”. Dat is zo’n beetje de essentie van wat een dief doet.
Het sluitstuk van deze plaat is een trilogie. Het eerste deel is ‘The Union: I Worship A Golden Sun’, dat echoënd binnen komt rollen, en vooruit gestuwd wordt door de drums. De zang klinkt hier wat anders, meer snerpend, vind ik, snedig. Het einde gaat door en merg een been; kippenvel krijg je ervan. Het tweede deel is ‘The Union: Recidivist’, en sluit logischerwijs aan op het vorige nummer. Vibrerende gitaarklanken vermengd met melancholische strijkers. Fluitgeluiden doemen op uit het niets, en verheffen zich tot meer dan enkel achtergrondgeluiden. Na 4 minuten worden er enkele mokerslagen afgeleverd op het drumstel. Het nummer wordt wat nerveuzer, warriger. Het nummer hervindt de rust van in de aanvang niet meer, en eindigt na 8 minuten. Een eeuwige instrumental, zo leek het wel. Het derde deel in de trilogie is ‘The Union: Into The West’. Voor een laatste keer zet men nog eens alles op alles: strijkers, blazers, stomende drums, het is allemaal aanwezig. Het wordt erg bombastisch, de Morris moet al erg hard zijn best doen om er bovenuit te komen.
Na het beluisteren van deze plaat, zit ik eigenlijk met hetzelfde als aERo; ik denk dat de plaat nog wat moet rijpen, en hopelijk, na vele luisterbeurten, komt deze dan beter tot zijn recht. Hopelijk.
3,5 sterren
De plaat opent met ‘Moss Giant’. Ijzingwekkende sfeer, illuster pianospel, de toon wordt meteen gezet. Vreemde geluiden op de achtergrond trekken de aandacht, maar er blijft genoeg ruimte voor dat spaarzame pianospel, zeer mooie opener dus. Dan gaat de plaat verder met ‘A Blood Promise’. Dat nummer kent een erg rustig begin met gitaar, na een minuut valt de zang in, en we horen ook een fluitje. Het is de zang die wel wat doet denken aan Revere. Alleen, waar je bij Revere nog iets van opgetogenheid, hoop kon bespeuren, is dat hier helemaal niet het geval. aERo heeft het dan ook goed gezien in zijn stukje. Her Name Is Calla is het donkere, sinistere zusje.
Wat eens te meer wordt bewezen in ‘Pour Some More Oil’. Treurige gitaarlijn, zwaarmoedige blazers, hopeloos neuriën. Desolate strijkers, maar dit is zo’n band waarbij strijkers altijd desolaat klinken. De zang doet af en toe zelfs klagerig aan (de naam Thom Yorke is niet veraf), maar zeker te pruimen. Al moet ik zeggen; tot nu toe haalt Revere het ruimschoots. Over ‘Interval 1’ valt niets te zeggen, dat is een mooi intermezzo, meer niet.
Het volgende nummer is ‘Condor And River’, een kluif van maar liefst 17 minuten! Maar wat voor een nummer, geweldig. Godspeed You! Black Emperor (of Godspeed You Black Emperor!) komt om de hoek loeren. Het is lang geleden dat ik nog eens een nummer heb gehoord dat zo dicht bij de uitgesponnen genialiteit van het werk van die band komt. ‘Condor And River’ is wel een lange zit. Het duurt best even voordat die uitbarsting er komt, maar de opbouw is wel erg mooi. Het stelt je geduld op de proef; als je dit nummer overleeft, dan weet je dat je een geduldig mens bent. Wanneer de drums invallen, wordt het allemaal wat levendiger, minder ijl, en komt het langzaam op gang. Na zes en halve minuut volgt dan die monumentale uitbarsting waarop je de hele tijd zat te wachten. Wel, het is het dubbel en dik waard. Het rustige stuk daarna is ook overdonderend mooi. Betoverend maar simpel pianospel, opzettende blazers, en die archetypische stem van zanger Tom Morris. Fantastische combinatie, Her Name Is Calla op hun best.
Met ‘Long Grass’ begint een rustiger gedeelte van de plaat. Dit nummer en ‘Homecoming’ kunnen me wat minder bekoren. Die oosterse invloeden die aERo erin hoort, hoor ik ook wel terug. Daardoor krijgt het nummer iets mysterieus. ‘Homecoming’ is het kortste nummer (korter nog dan de beide intervallen), en had van mij niet gemoeten. Het klinkt wel mooi, maar het is m’n ding niet zo. Waar ‘Long Grass’ een beetje oosters klinkt, klinkt het spel in ‘Homecoming’ eerder Meso-Amerikaans. De zang flirt zo nu en dan met de grens van het valse, wat z’n charmes wel heeft, maar mij in het bijzonder niet echt treft.
‘Thief’ vind ik dan weer wel een erg mooi nummer. Het kent een erg trage aanvang, met die duister klinkende percussie die steeds meer komt opzetten. Het is een enorm slepende song, maar ook meeslepend. Het prachtige vioolspel zit daar zeker voor iets tussen. ‘Interval 2’ is weer een mooi intermezzo, veel meer niet. “Taking, but not giving”. Dat is zo’n beetje de essentie van wat een dief doet.
Het sluitstuk van deze plaat is een trilogie. Het eerste deel is ‘The Union: I Worship A Golden Sun’, dat echoënd binnen komt rollen, en vooruit gestuwd wordt door de drums. De zang klinkt hier wat anders, meer snerpend, vind ik, snedig. Het einde gaat door en merg een been; kippenvel krijg je ervan. Het tweede deel is ‘The Union: Recidivist’, en sluit logischerwijs aan op het vorige nummer. Vibrerende gitaarklanken vermengd met melancholische strijkers. Fluitgeluiden doemen op uit het niets, en verheffen zich tot meer dan enkel achtergrondgeluiden. Na 4 minuten worden er enkele mokerslagen afgeleverd op het drumstel. Het nummer wordt wat nerveuzer, warriger. Het nummer hervindt de rust van in de aanvang niet meer, en eindigt na 8 minuten. Een eeuwige instrumental, zo leek het wel. Het derde deel in de trilogie is ‘The Union: Into The West’. Voor een laatste keer zet men nog eens alles op alles: strijkers, blazers, stomende drums, het is allemaal aanwezig. Het wordt erg bombastisch, de Morris moet al erg hard zijn best doen om er bovenuit te komen.
Na het beluisteren van deze plaat, zit ik eigenlijk met hetzelfde als aERo; ik denk dat de plaat nog wat moet rijpen, en hopelijk, na vele luisterbeurten, komt deze dan beter tot zijn recht. Hopelijk.
3,5 sterren
Horace Tapscott Quintet - The Giant Is Awakened (1969)

4,0
4
geplaatst: 27 september 2021, 20:19 uur
Mooi bericht hierboven van Soledad, heel erg veel heb ik daar niet aan toe te voegen. Horace Tapscott is een wat illustere figuur in de jazzscene, en lijkt in geen enkel hoekje echt thuis te horen. Het titelstuk is grandioos, met een heerlijke ritmesectie op de achtergrond, maar vooral Tapscott zelf achter zijn piano, en een energieke Arthur Blythe op de sax. For Fats is een aardig stukje, maar vooral als eerbetoon de moeite waard.
The Dark Tree is op een bizarre manier erg dansbaar, met ritmische gedeeltes die dan weer plotsklaps in stukken worden gescheurd door dissonant spel dat sterk neigt naar improvisatie. En bij de afsluiter moet ook ik wat aan Mingus denken, vooral omdat de illusie wordt gecreëerd dat dit niet georkestreerd is, terwijl dat daadwerkelijk wél het geval is. De rol die de ritmesectie daarin speelt, is van groot belang, en Tapscott helpt bassist en drummer nog door mee op de kar te springen.
Ik denk trouwens dat Blythe iets ouder dan 18 geweest zal zijn ten tijde van de opnames, want volgens mij is ie geboren in 1940?
Hoe dan ook, dat maakt allemaal geen donder uit. Wat telt, is de muziek, en die is toch wel flink de moeite. Tapscott was overigens geen enorme fan van de hele muziekbusiness, hij was zo'n creatieveling die liefst alle touwtjes in handen hield, en werd in dat opzicht meer dan eens tegengewerkt. Dat kan zijn (relatief) bescheiden output in de studio natuurlijk wel verklaren. Maar wat een componist! Zeker het titelstuk kan zich bij de waarlijk grote composities uit de jaren '60 (en dat zijn er wel wat) scharen.
4 sterren
The Dark Tree is op een bizarre manier erg dansbaar, met ritmische gedeeltes die dan weer plotsklaps in stukken worden gescheurd door dissonant spel dat sterk neigt naar improvisatie. En bij de afsluiter moet ook ik wat aan Mingus denken, vooral omdat de illusie wordt gecreëerd dat dit niet georkestreerd is, terwijl dat daadwerkelijk wél het geval is. De rol die de ritmesectie daarin speelt, is van groot belang, en Tapscott helpt bassist en drummer nog door mee op de kar te springen.
Ik denk trouwens dat Blythe iets ouder dan 18 geweest zal zijn ten tijde van de opnames, want volgens mij is ie geboren in 1940?
Hoe dan ook, dat maakt allemaal geen donder uit. Wat telt, is de muziek, en die is toch wel flink de moeite. Tapscott was overigens geen enorme fan van de hele muziekbusiness, hij was zo'n creatieveling die liefst alle touwtjes in handen hield, en werd in dat opzicht meer dan eens tegengewerkt. Dat kan zijn (relatief) bescheiden output in de studio natuurlijk wel verklaren. Maar wat een componist! Zeker het titelstuk kan zich bij de waarlijk grote composities uit de jaren '60 (en dat zijn er wel wat) scharen.
4 sterren
Horse Feathers - Thistled Spring (2010)

4,0
0
geplaatst: 6 mei 2010, 19:44 uur
Inmiddels ben ik, na lang tobben, tot een cijfer gekomen voor deze plaat. De vrees was vooral of 'Thistled Spring' ook na veel luisterbeurten nog kon overtuigen, en jawel, het overtuigt me nog altijd van zijn pracht.
Het begint allemaal met het openingsnummer, een droef, ietwat melancholisch nummer gedragen door de piano, opgesmukt met klassieke strijkers, en een mooi stemgeluid.
Op 'Starving Robins' wordt overgeschakeld op de banjo (denk ik). De klassieke strijkers en stemgeluid blijven echter nadrukkelijk aanwezig. Het nummer kabbelt rustig voort, er komt nog wat percussie bij kijken, en voor je 't beseft, is het nummer alweer gedaan.
Het derde nummer op deze plaat is 'Belly Of June', en heeft een ietwat meer optimistische ondertoon, je hoort het ook in het stemgeluid van Justin Ringle, sterke man bij Horse Feathers. Als ik me niet vergis, hoor ik in deze song ook een gitaar binnenglippen, beheerst bespeeld door Ringle.
'Cascades' is en blijft één van m'n favorieten op deze plaat. Het drijft op een rustgevend ritme, maar blijft tegelijkertijd toch iets onrustig hebben, wat vooral te maken heeft met de uitgekiende, sobere percussie. Ringle klinkt ook als een gebroken man, en op de achtergrond horen we Catherine Odell wat backing vocals verzorgen. De viool vind ik hier ook erg geslaagd, die geeft het nummer na drie minuten een korte versnelling mee. En vergis ik mij, of hoor ik daar ook een scheutje cello?
'This Bed' wordt ook weer getypeerd door van die huilende strijkers, en ook accordeon, die het een nostalgisch kleurtje geeft.
'The Drought', nog zo'n nummer dat je overrompelt met melancholie. Persoonlijk vind ik hier de beste zanglijnen in terug, en ook de combinatie met de verschillende instrumenten die hier worden ingezet, zoals banjo en viool, is erg fraai. Mooie samenzang ook met Nathan Crockett.
'Vernonia Blues' heeft een iets sneller tempo dan de nummers hiervoor, maar het blijft al bij al toch vrij rustige muziek om lekker bij weg te dromen, en in die dromen rond te lopen op een brede laan vol gevallen, verbruinde bladeren, met een muts om je oren te beschermen tegen de eerste nazomerse kou.
'As A Ghost' en 'The Widower' zijn beide ook meer dan behoorlijke nummers, en blijven ook wel hangen. Fraai geïnstrumenteerde nummers, mooie teksten ook, zoals eigenlijk het hele album.
En zo komen we reeds aan bij het afsluitende 'Heaven's No Place', en dat is een erg mooi nummer geworden. Ringle zingt, fluistert bijna, en plots klinkt hij een dan weer een stuk venijniger dan een paar seconden ervoor. Maar wat deze song vooral zo leuk maakt, is de geweldige compositie die ie in feite is. Het gebruik van glockenspiel geeft het voor mij trouwens een surrealistisch tintje.
'Thistled Spring' kan ik eenieder aanraden die van klassiek gearrangeerde folksongs houdt. Pluspunten zijn onder andere Ringle's uitmuntende stem, en het gevoel waarmee dit album je achterlaat; jawel, melancholie.
4 sterren
Het begint allemaal met het openingsnummer, een droef, ietwat melancholisch nummer gedragen door de piano, opgesmukt met klassieke strijkers, en een mooi stemgeluid.
Op 'Starving Robins' wordt overgeschakeld op de banjo (denk ik). De klassieke strijkers en stemgeluid blijven echter nadrukkelijk aanwezig. Het nummer kabbelt rustig voort, er komt nog wat percussie bij kijken, en voor je 't beseft, is het nummer alweer gedaan.
Het derde nummer op deze plaat is 'Belly Of June', en heeft een ietwat meer optimistische ondertoon, je hoort het ook in het stemgeluid van Justin Ringle, sterke man bij Horse Feathers. Als ik me niet vergis, hoor ik in deze song ook een gitaar binnenglippen, beheerst bespeeld door Ringle.
'Cascades' is en blijft één van m'n favorieten op deze plaat. Het drijft op een rustgevend ritme, maar blijft tegelijkertijd toch iets onrustig hebben, wat vooral te maken heeft met de uitgekiende, sobere percussie. Ringle klinkt ook als een gebroken man, en op de achtergrond horen we Catherine Odell wat backing vocals verzorgen. De viool vind ik hier ook erg geslaagd, die geeft het nummer na drie minuten een korte versnelling mee. En vergis ik mij, of hoor ik daar ook een scheutje cello?
'This Bed' wordt ook weer getypeerd door van die huilende strijkers, en ook accordeon, die het een nostalgisch kleurtje geeft.
'The Drought', nog zo'n nummer dat je overrompelt met melancholie. Persoonlijk vind ik hier de beste zanglijnen in terug, en ook de combinatie met de verschillende instrumenten die hier worden ingezet, zoals banjo en viool, is erg fraai. Mooie samenzang ook met Nathan Crockett.
'Vernonia Blues' heeft een iets sneller tempo dan de nummers hiervoor, maar het blijft al bij al toch vrij rustige muziek om lekker bij weg te dromen, en in die dromen rond te lopen op een brede laan vol gevallen, verbruinde bladeren, met een muts om je oren te beschermen tegen de eerste nazomerse kou.
'As A Ghost' en 'The Widower' zijn beide ook meer dan behoorlijke nummers, en blijven ook wel hangen. Fraai geïnstrumenteerde nummers, mooie teksten ook, zoals eigenlijk het hele album.
En zo komen we reeds aan bij het afsluitende 'Heaven's No Place', en dat is een erg mooi nummer geworden. Ringle zingt, fluistert bijna, en plots klinkt hij een dan weer een stuk venijniger dan een paar seconden ervoor. Maar wat deze song vooral zo leuk maakt, is de geweldige compositie die ie in feite is. Het gebruik van glockenspiel geeft het voor mij trouwens een surrealistisch tintje.
'Thistled Spring' kan ik eenieder aanraden die van klassiek gearrangeerde folksongs houdt. Pluspunten zijn onder andere Ringle's uitmuntende stem, en het gevoel waarmee dit album je achterlaat; jawel, melancholie.
4 sterren
Hypnosia - Extreme Hatred (2000)

3,0
0
geplaatst: 28 februari 2012, 19:02 uur
Hypnosia trakteert ons hier op een kort maar krachtig album. De Zweden lassen amper rustpauzes in, de muziek moet het logischerwijze vooral hebben van zijn snelheid en energie. Van zijn drive. En dat lukt aardig, ik ga er tijdens sommige passages helemaal in mee, doch niet altijd. Ik hoor wel enkele gitaarsolo's die meer dan de moeite waard zijn, eigenlijk is het gitaarwerk tout court van stevige kwaliteit.
De drummer is ook een beest, maar dat is meestal het geval bij dit soort muziek. Je zou het dus niets bijzonders kunnen noemen, en dat is dan ook zo, naar mijn mening. Een goeie drummer, maar geen wereldklasse. Het pleit wel voor hem dat hij af en toe wat rustiger aan lijkt te doen, dat zorgt voor de nodige variatie. De vocalen zijn degelijk, storen me geenszins, maar leveren ook niet die toegevoegde waarde die je van vocalen verwacht. Ze raken me eigenlijk nergens.
Ik ondervind dat de plaat na een paar luisterbeurten wat gaat vervelen, en lang niet meer zo fris en energiek klinkt als tijdens de eerste keer luisteren. Dat wil niet zeggen dat het een slechte plaat is of zo, neen, een voldoende zit er zeer zeker in. Maar meer ook niet, helaas.
3 sterren
De drummer is ook een beest, maar dat is meestal het geval bij dit soort muziek. Je zou het dus niets bijzonders kunnen noemen, en dat is dan ook zo, naar mijn mening. Een goeie drummer, maar geen wereldklasse. Het pleit wel voor hem dat hij af en toe wat rustiger aan lijkt te doen, dat zorgt voor de nodige variatie. De vocalen zijn degelijk, storen me geenszins, maar leveren ook niet die toegevoegde waarde die je van vocalen verwacht. Ze raken me eigenlijk nergens.
Ik ondervind dat de plaat na een paar luisterbeurten wat gaat vervelen, en lang niet meer zo fris en energiek klinkt als tijdens de eerste keer luisteren. Dat wil niet zeggen dat het een slechte plaat is of zo, neen, een voldoende zit er zeer zeker in. Maar meer ook niet, helaas.
3 sterren
