MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Carpe Noctem - In Terra Profugus (2013)

poster
3,5
Debuutplaat van dit IJslandse vijftal, dat de luisteraar vooral trakteert op helse black metal. Alles ademt die beklemmende sfeer uit, maar wat mij betreft is dit het "net niet". Net niet dwingend genoeg om me voor de volledige speelduur eraan vast te kluisteren. Net niet zwaar en bruut genoeg om me echt te overrompelen.

In 2005 werd deze band geformeerd, om een goeie 8 jaar later pas met een eerste langspeler op de proppen te komen. Tijd genoeg, dus. Bovendien wordt dat debuut uitgebracht via het bejubelde Code666, dat zich gaandeweg heeft gespecialiseerd in black metal, vooral als er, zoals bij dit album het geval is, nogal wat invloeden uit het occulte en esoterische in zitten verwerkt. 'Om' van het Roemeense Negurã Bunget werd via dit label uitgebracht, en dan heb je bij mij toch al wat krediet.

Dit jaar al eerder een release op dit label beluisterd, namelijk 'Dustwalker' van Fen. En 'In Terra Profugus' van Carpe Noctem (een beetje een potsierlijke bandnaam) kampt met dezelfde problemen, hierboven eerder aangehaald.

Wil ik daarmee zeggen dat dit slecht is? Welneen, zelfs niet matig. De songs zitten vernuftig in elkaar, met een goeie balans tussen tempo en sfeer. Bovendien is het album gezegend met een uitermate indringende hoestekening, die eenzelfde geheimzinnigheid uitstraalt als de muziek. Het gitaarwerk durft bovendien al eens bijzonder straf uit de hoek te komen (luister vooral naar de afsluiter, wat mij betreft zeker het beste nummer).

3,5 sterren

Cecil Taylor - Conquistador! (1968)

poster
4,0
Geen meesterwerk zoals Unit Structures dat is (voor mij althans), maar beide suites kennen een erg sterke opbouw, met uiteraard een glansrol voor het frivole, herkenbare pianospel van Taylor himself. Het zoemende geluid dat Lyons uit z'n sax weet te persen, is ook intrigerend, en geeft de plaat een eigenaardig sfeertje mee; alsof er een vlieg of wesp ergens door het zwerk zweeft, en je 'm niet te pakken krijgt. Werkt op de heupen, jazeker, maar het kat-en-muisspel is bovenal erg spannend!

Bill Dixon lijkt wat lijziger te spelen, maar freakt er ook geregeld ongeregeld op los, vooral in het tweede stuk. Cyrille is bij momenten onnavolgbaar achter de drumkit, en het basspel valt dan nog het minst op, maar wanneer dit naar de voorgrond treedt, zakt het tempo wat, wordt de sfeer nog wat donkerder (alsof er onheil in de lucht hangt) en doet de eerstvolgende neerslag (lees: invallen sax, trompet, piano of al het voorgaande) extra deugd. Een versterker, dus!

Een warrige uitleg, je le sais. Maar dat past er ook wel bij, vind ik. Want probeer je gedachten bij dit soort misschien maar eens te ontwarren, terwijl Taylor en co ze vakkundig in de knoop blijven leggen.

4 sterren

Charlie Mingus - Blues & Roots (1960)

poster
4,5
Charles Mingus was één van de eerste jazzartiesten waarvan ik iets beluisterde. Je had natuurlijk ook Miles Davis en John Coltrane, twee absolute giganten. Maar Mingus mag toch ook zeker niet onderschat worden. Neem nu bijvoorbeeld dit album; een bijzondere plaat, dat is wel het minste wat je erover kan vertellen. Swingende gekte in combinatie met intense ingetogenheid. Ik heb het lijstje met meespelende artiesten eens opgezocht, en ik ken er, naast Mingus dan, slechts één: Jackie McLean. En dat is dan vooral van naam. Ik ben jazzliefhebber in een vroeg stadium, en dus geen jazzkenner. Maar wat ik hoor op ‘Blues & Roots’, dat is toch van een erg hoog niveau.

‘Moanin’’ is mijn absolute favoriet op deze plaat. Prachtig pianospel, de saxofonisten werkelijk in topvorm, en Mingus natuurlijk ook, met z’n bass. De muziek is gecomponeerd voor buitenaardse wezens, lijkt het wel; je hebt tien paar oren nodig om dit allemaal te bevatten. Maar dat is wel meer het geval met jazz, denk ik dan. Toen ik dit plaatje voor de eerste keer beluisterde, kon ik het natuurlijk nog niet allemaal vatten. Na drie keer werd mij al heel wat meer duidelijk dat Mingus een erg goede componist is. En na vijf keer luisteren was Mingus in mijn ogen reeds een genie.

Dit schrijft Mingus volgens Wikipedia over het album:

“This record is unusual—it presents only one part of my musical world, the blues. A year ago, Nesuhi Ertegün suggested that I record an entire blues album in the style of Haitian Fight Song (in Atlantic LP 1260), because some people, particularly critics, were saying I didn't swing enough. He wanted to give them a barrage of soul music: churchy, blues, swinging, earthy. I thought it over. I was born swinging and clapped my hands in church as a little boy, but I've grown up and I like to do things other than just swing. But blues can do more than just swing. So I agreed.”

Dit stukje tekst vat de plaat eigenlijk vrij goed samen. Net als de titel trouwens, die heel goed gekozen is. Het is blues, ja. Maar het swingt. Tegelijkertijd werkt het erg op je gemoed. Die aanhef van ‘Tensions’ bijvoorbeeld, die weegt echt op mij. En toch kan ik niet stoppen met bewegen; mijn ledematen laten zich meedrijven met de aanstekelijkheid van deze song (niet enkel van deze song, trouwens), en ik geef ze hun zin; maar in mijn hoofd spookt een heel andere soort emotie rond. Die tweeledigheid, dat vind ik persoonlijk erg fraai aan deze plaat. Dat vind ik persoonlijk erg fraai aan jazz tout court.

‘My Jelly Roll Soul’ geeft me een heel warm gevoel, alsof ik in één of andere Parijse club voor me uit zit te staren, naar een film noir, met een glas whisky in de hand, om af en toe van te nippen. Half beneveld door de whisky en de rook die in de club de atmosfeer overheerst, begrijp je geen jota van de film. Je ogen pikken, je handen trillen. Maar je weet dat het mooi is. Het is een gevoel, je kan het niet uitleggen of zo, je wéét het gewoon. ‘E’s Flat Ah’s Flat Too’ is van geheel andere orde, veel drukker. Maar even mooi, op een heel andere manier. Een verhit eindsalvo van Mingus. Alsof hij je nog één keer wil raken, maar dan recht tussen je ogen. Koel en meedogenloos, tot de warme kogel binnendringt. Het is een kwestie van besef, volgens mij.

Charles Mingus is een begenadigd man, en slaagt in iets waar maar weinigen in slagen. Hij zalft en pijnigt tegelijkertijd.

4,5 sterren

Chet Baker - Chet (1959)

poster
4,5
Hoewel Chet Baker een erg mooie (gave) stem had, ben ik meer fan van 's mans trompetspel. Fijn dus dat dit album volledig instrumentaal is. En als ik dan merk dat er geen strijkersarrangementen zijn opgenomen, maar dit een moody plaat vol fraaie jazzballads betreft, word ik helemaal blij.

Ergens begrijp ik de kritiek van Barney Rubble wel. De meest spannende, uitdagende muziek is dit zeer zeker niet. De sfeerschepping is echter vrij subliem te noemen - althans, voor mij bereikt deze plaat zijn effect welhaast maximaal. Ik kan heerlijk ontwaken, maar evengoed gezellig indommelen met Chet's melancholische trompetspel op de achtergrond, en een geweldige band (de ritmesectie van Miles Davis destijds doet hier mee, en ook o.a. fluitist Herbie Mann, pianist Bill Evans en op een paar tracks gitarist Kenny Burrell) steunt hem in de rug.

Dit album, opgenomen rond de jaarwisseling 1958-1959, bestaat uit 9 zogenaamde standards, waarvan Alone Together meteen op weergaloze wijs de oortjes binnenstroomt, en een eigen compositie, het lange Early Morning Mood (what's in a name?). Al heb ik me laten vertellen dat die eigen compositie enkel als bonustrack op de latere CD-uitgave terug te vinden is.

Mijn waardering voor het werk van Chet Baker schommelt nogal van plaat tot plaat, maar deze reken ik toch tot zijn juweeltjes. Dankzij een geweldige band, een excellente songkeuze maar toch vooral het prachtige trompetspel van Chet, dat zoveel emoties oproept dat het echt wat met een mens doet. Geen plaat voor elke dag, maar als ik 'm dan 'ns beluister, is het steeds weer achteroverleunen en intens genieten.

4,5 sterren

Chuck Berry - ..Berry Is on Top (1959)

poster
4,0
Ook ruim 5 jaar na mijn eerdere bericht sta ik nog steeds volledig achter mijn mening. Meer zelfs, ik kan deze nu kracht bijzetten met een score. Verhip!

Dat Chuck Berry één van de meest invloedrijke rock 'n roll-artiesten is, zal niemand ontkennen. Veel artiesten die na hem kwamen, zijn schatplichtig aan z'n vinnige gitaar en dwingend swingende ritmes, waaronder ook mijn grote held Bob Dylan.

Dit album is wellicht zijn bekendste exploot, met onverwoestbare klassiekers als 'Maybellene', 'Johnny B. Goode' en 'Roll Over Beethoven'. Daarnaast staan echter vooral vooraan de plaat enkele wat minder bekende, maar evenzeer briljante songs. 'Almost Grown' en 'Carol' vormen een flitsend duo annex schitterende aanzet, verder blijven ook 'Little Queenie' en 'Sweet Little Rock 'N' Roller' me bij.

De plaat wordt vrij rustig afgesloten, met het wat minzame 'Hey Pedro' en het (jawel) bluesy en Hawaiiaans klinkende 'Blues for Hawaiians'. De enige smet op dit album is voor mij 'Jo Jo Gunne'; dat nummer vind ik wat flets.

Maar bon, voor dit plaatje, met net geen halfuur eerder van korte adem, heb ik met gemak 4 sterren veil.

4 sterren

Cocoon - Where the Oceans End (2010)

poster
3,5
Tijd om eens iets te schrijven bij dit plaatje.

Plaatje is wel het goeie woord, het is allemaal klein en lief. Niets pretentie of wat dan ook, gewoon simpele pop/folkmuziek. Het duurt ook niet lang, zo'n 36 minuutjes neemt het slechts in beslag van je tijd. Zo bestaan er veel plaatjes, en daarvan spreekt een aanzienlijk percentage me waarschijnlijk niet aan. Maar dit, dit spreekt me wel aan.

Cocoon is een bandje uit Frankrijk, dat nummers in het Engels brengt. Dat pleit al voor hen, dat de Franse trots opzij wordt gezet, en men kiest voor het Engels, dat ik gepaster vind voor dit soort albums. Vocaal is het allemaal in orde; de samenzang klinkt me zalig in de oren bij momenten; instrumentaal is het ook heel goed. Akoestische gitaar, of piano, de strijkers en blazers om de hoek, en drums en bas om zo'n beetje voor de grondlaag te zorgen. Uiterst effectief, en toch vrij spaarzaam, mooi gedaan!

Het beste nummer is voor mij 'Dolphins'; dat werkt erg aanstekelijk, en is gewoon een heel goed nummer. Andere sterkhouders zijn 'Baby Seal', Sushi' en 'Cathedral'. Het enige punt van kritiek is dat het soms wat dreigt te verzanden en te simpel gaat klinken; 'Superpowers' is daar een voorbeeld van, al neurie ik dat nummer ook gewoon mee, hoor.

'Where The Oceans End' is wel in m'n achting gedaald de afgelopen weken. Zo dacht ik bij de eerste 5 luisterbeurten dat dit misschien wel top-10 materiaal was. Nu, na zo'n 20 luisterbeurten, krijgt dit plaatje zelfs geen 4 sterren, wat niet wil zeggen dat ik het slecht vind. Integendeel, uiterst stemmig plaatje, zoals ik eind oktober wist te melden!

3,5 sterren

CocoRosie - Grey Oceans (2010)

poster
3,5
Fijn, ietwat excentriek album van CocoRosie.

'Trinity's Crying' opent meer dan degelijk, leuke song.

'Smokey Taboo' is iets experimenteler, en ook wat bruter vind ik van sound.

'Hopscotch' begint als een kinderliedje, maar ontaardt dan en wordt duister, met tussendoor toch nog eens het riedeltje van in het begin. Knap vind ik het contrast dat in dit nummer gelegd wordt tussen de onschuld en de duisternis.

'Undertaker' is een nummer met een eigenaardig randje. Die zang, die donkere instrumentatie, de onderhuidse spanning, ... Dit nummer bewijst toch wel dat dit meer avant-gardemuziek is dan popmuziek.

'Grey Oceans' is dan weer een lieflijk nummertje, gedragen door een hemelse (in mijn ogen dan toch) stem, een piano waar de melancholie van af druipt, en wat strijkers die om de hoek komen loeren. Pracht, in al z'n eenvoud.

Het begin van 'R.I.P. Burn Face' doet me enorm denken aan Jonsi, die eerder dit jaar met zijn debuutalbum (als we z'n samenwerking met partner Alex buiten beschouwing laten) naar buiten kwam. De stem in de eerste plaats, maar ook de belletjes.

‘The Moon Asked The Crow’ doet me bekend aan, instrumentaal dan, maar als je daar de zang aan toevoegt, dan bekom je sowieso een uniek geheel. Het klinkt ook iets toegankelijker dan de meeste songs op deze plaat.

Een glaasje limonade gaat er bij mij altijd in, al verkies ik als levensgenieter eerder een biertje, maar dit ‘Lemonade’ mag er zeer zeker wezen, ik durf zelfs verder te gaan en het m’n favoriet nummer op deze plaat te noemen. Waarom? De instrumentatie in de eerste plaats, maar ook het briljante refrein, dat toch verrassend en verfrissend te noemen is in deze op het eerste gehoor donkere song.

Zoals reeds opgemerkt door Aero in zijn overigens zeer goede recensie, wordt er in ‘Gallows’ een kat op z’n staart getrapt. Waarom? Ik zou het niet weten, maar het past wel bij wat erna volgt (we horen die kat trouwens nog wel ‘ns passeren gedurende het nummer, samen met andere “gekke” geluidjes). Erg bizar nummer, en het roept een hallucinant sfeertje op. In de helft van het nummer gekomen krijg je de indruk dat je al een hele plaat aan ’t luisteren bent naar dit nummer, zo tergend traag gaat het voorbij, en dat is zeker geen verwijt!

‘Fairy Paradise’ is meer geschoold op electronica, heb ik de indruk, en ligt me niet echt.

We nemen afscheid van CocoRosie met ‘Here I Come’, dat ook mij (net als Aero) deed denken aan ‘Amazing Grace’. Wat dat betreft dus niet het meest inventieve, originele, creatieve werk op deze plaat, maar wat deert het? Leuke afsluiter wel, en het heeft ook genoeg eigen smoelwerk om het juk van ‘Amazing Grace’ grotendeels van zich af te werpen.

Zo, dit was mijn eerste kennismaking met CocoRosie, en dat is me erg bevallen, moet ik zeggen. Snel een glaasje limonade drinken, de kat van de buren op z’n staart trappen en de CD van Jonsi opzetten!

3,5 sterren

Coldplay - Mylo Xyloto (2011)

poster
1,5
Ik weet nog goed met welk nummer ik Coldplay ontdekte. Dat was namelijk ‘Yellow’, dat op hun debuutplaat staat, en nu nog altijd één van mijn favoriete Coldplay-nummers is. De rest van het werk volgde snel (toen ik ze leerde kennen hadden ze al twee platen uit), en toen ‘X & Y’ uitkwam, was ik nog niet zo intens met muziek bezig, met andere woorden; ik pikte het vooral op dankzij radio en televisie. Daarna ben ik wel begonnen met de platen in hun geheel te beluisteren, en dan bleek dat ‘X & Y’ een grote stap achteruit was. ‘Viva La Vida or Death and All His Friends’ was weer een klein stapje vooruit naar mijn mening, met de geweldige festivalkraker ‘Viva La Vida’. En nu is er dus de vijfde langspeler van de Britten, ‘Mylo Xyloto’.

Hoge verwachtingen had ik niet, en de nummers die ik eerder kende (‘Every Teardrop Is a Waterfall’; ‘Major Minus’), vond ik behoorlijk zwakke, radiovriendelijke meuk. Nu ik het album toch al een aantal keer heb beluisterd, moet ik zeggen dat het niet allemaal slecht is, maar Coldplay verzuipt toch meer en meer in “oh-oh-oh”-refreinen en dergelijke. Daarmee halen ze makkelijker de hitlijsten, maar dat maakt hen in mijn ogen een pak minder interessant. Ik wil die gasten niet afbreken, want talent hebben ze zeer zeker, maar ze wenden het verkeerde talent aan. Al kan je, als je naar hun succes kijkt, moeilijk zeggen dat ze slecht bezig zijn. Ze zijn in ieder geval bezig sloten geld te verdienen; uiteindelijk bewandelt eenieder zijn levenspad op z’n eigen manier.

Over de teksten kan ik kort zijn; ze stellen niet veel voor. Ook de poging om ‘Mylo Xyloto’ over te laten komen als een conceptalbum (met de thematiek erachter, en de drie instrumentale niemendalletjes), is geen algeheel succes. Het voelt namelijk helemaal niet aan als één geheel, eerder als 11 singles en 3 adempauzes.

Maar goed, er staan dus ook nog enkele goeie dingen op, hoor. Talent vergaat niet zomaar. ‘Charlie Brown’ vind ik een erg leuk nummer. En ach, ‘Paradise’ is ook zo slecht nog niet. Minder geslaagde songs zijn ‘Princess of China’, een samenwerking met Rihanna (geen verrassing in mijn geval, ik heb helemaal niks met Rihanna) en (heb ik al eerder gezegd) ‘Every Teardrop Is a Waterfall’. Laatstgenoemd nummer vind ik echt tenenkrommend slecht; de enige manier om nog duidelijker uit te schreeuwen dat je een hit wil scoren, is door er een zware basbeat onder te zetten.

De andere nummers zijn bijna allemaal van hetzelfde laken een pak, en natuurlijk mag de traditionele “trage” niet ontbreken, maar het nummer in kwestie (‘Us Against the World’) is slechts een schim van zijn broertjes, genre ‘The Scientist’ en ‘Lost’. Ook ‘U.F.O.’ (het andere rustige nummer) is op zich niet zo slecht, maar stelt al bij al niet zo veel voor, laat staan dat het eerder werk zou overtreffen.

Zo is ‘Mylo Xyloto’ eigenlijk precies geworden wat ik ervan verwacht had; een matige plaat, met nummers die zoveel mogelijk gericht zijn op de wensen van het grote publiek, en dus een voortzetting van de koers die zij aan het varen zijn. Ik sluit niet uit dat ik enkele nummers binnen een paar maanden nog wel eens een keertje zal draaien, maar de meeste zal ik dan al lang vergeten zijn.

1,5 sterren

Comets on Fire - Field Recordings from the Sun (2002)

poster
4,5
Ben Chasny is vooral bekend van Six Organs of Admittance, maar hij heeft met deze band zijn beste werk afgeleverd tot nu toe wat mij betreft (al moet je dat enigszins nuanceren; ik ken niet al z’n werk). Maar een plaat die ‘Field Recordings from the Sun’ wil overtreffen, zal bijzonder sterk uit de hoek moeten komen. Deze plaat is melodieus, chaotisch, een schone warboel. Maar wat zit ik hier eigenlijk te lullen, Chasny is er pas later bij gekomen, al heeft hij wel bijdrages geleverd aan deze plaat, als ik me niet vergis. Dus kan dit inderdaad zijn beste werk zijn.

De band werd opgericht door gitarist en vocalist Ethan Miller en bassist Ben Flashman. Hun debuut werd uitgebracht op het label van Jello Biafra, een naam die punkliefhebbers met goeie smaak wel bekend in de oren moet klinken; frontman van Dead Kennedys, één van de beste punkbands ooit naar mijn mening. Een subtiel teken is dat, want Comets on Fire en Dead Kennedys hebben één ding gemeen; geniale gekte.

Op deze plaat, die ik de beste vind van de band, experimenteert men met alledaagse geluiden (zoals het geluid van een springveer), haalt men vette riffs uit de kast met wortels in de bluesrock (‘Return to Heaven’) en speelt de zang een belangrijkere rol dan de teksten. Het gaat er niet om wat er gezongen wordt, het gaat erom hoe het gezongen wordt. De vocalen zijn als het ware een extra instrument, een extra dimensie. Ze maken het geheel nog grootser, best wel speciaal.

Vreemde eend tussen al dit onverantwoord geweld is ‘The Unicorn’. De eenhoorn is sowieso een dier dat uniek is in zijn soort. Dit nummer drijft op akoestische gitaar, kalm, beheerst bespeeld. Naar het einde toe komt de galm weer opzetten, die ook kenmerkend is voor het hele album. Deze galm geeft de plaat een rommelig karakter, maar zorgt er ook voor dat heel wat dingen op hun plaats vallen. Alles heeft een functie, al zou je dat na twee luisterbeurten niet zeggen.

Voor veel mensen zal dit dan ook even door de zure appel bijten zijn. Ik zou eerlijk gezegd niet weten of dit een groeiplaat is of niet, ik was er meteen helemaal weg van. Er was iets wat me enorm aantrok, de energie, de georganiseerde chaos, de glorieuze gekte, het frivole spelplezier, misschien wel een unieke melange van dit alles. Verder kan ik ook nog hun twee laatste albums nog van harte aanbevelen. Jammer dat deze band al sinds 2006 niets meer van zich heeft laten horen.

4,5 sterren

Compact Disk Dummies - Neon Fever Dream (2020)

poster
3,5
Gezellig plaatje van deze sympathieke knullen, die een jaar geleden nog als huisband hebben gefungeerd in de satirische talkshow De Ideale Wereld. Een frisse mix van pop- en rockmuziek, met een flinke scheut electro, en vooral erg dansbaar en aanstekelijk. Toch klinkt elk nummer op zijn manier ook een tikje eigenwijs, wat het interessant maakt voor de luisteraar.

Deze veelbelovende band heeft toch al een mooie ontwikkeling doorgemaakt sinds ze doorbraken dankzij de winst in HUMO's Rock Rally in 2012. Ga zo door, jongens!

3,5 sterren

Corrosion of Conformity - No Cross No Crown (2018)

poster
3,5
Dit is één van die vele bands die ik wel ken, maar waar ik nooit echt aandachtig naar geluisterd heb. Ik was er dan ook niet van op de hoogte dat deze band al een meer dan behoorlijke staat van dienst heeft (in meerdere gedaanten, weliswaar). Dit jaar kwamen ze met een nieuw album waarover ik al heel wat positieve feedback heb gelezen, dus heb ik 'm ook ruim de kans gegeven.

Dat is me bevallen, durf ik te zeggen. Hoewel dit voor mij geen volledig schot in de roos is, kan No Cross No Crown me prima behagen. Het album opent rustig, maar breekt daarna meteen door de dijken met het tweetal The Luddite - Cast the First Stone; een nijdig koppel. Iets verderop valt ook Wolf Named Crow erg in de smaak, maar m'n favoriet staat op plaatkant 2: E.L.M.

Deze song is begiftigd met een riff die net dat tikkeltje extra heeft, iets wat ik erg moeilijk in woorden kan vatten. Het klopt gewoon. De heerlijke groove die ik ook in andere songs op dit album hoor, is hier dan nog 'ns in overvloed aanwezig. Dat de tweede helft van No Cross No Crown dan al wat minder is, is de band vergeven dankzij zo'n kanjer.

Toch had men hier en daar een song kunnen schrappen. Zo steekt de titelsong wel erg bleek af tegenover E.L.M., en geraakt de klad er wat in bij songs als afsluiter Son and Daughter. Doch: nog steeds prima, hoor!

Kortom: een aangename kennismaking met de band (al had ik al wel wat losse nummers gehoord).

3,5 sterren

Cuby+Blizzards - Groeten Uit Grollo (1967)

Alternatieve titel: With Regards from Grollo

poster
3,0
Goeie plaat. Een erg ongedwongen sfeertje ademt het geheel uit, de zanger heeft een stem die uit het goeie hout gesneden is, en instrumentaal zit het al helemaal in orde. Het weet me nooit echt te overdonderen, maar dit is toch wel zo ongeveer de definitie van "een lekker plaatje". Bekendste lid is ongetwijfeld Herman Brood, die vaak op een zwierige manier de piano bespeelt.

'Groeten uit Grollo' dus. Grolloo, een plaatsje in het Drentse. Daar komen de stichtende leden vandaan, heb ik gelezen. Dat zijn Harry Muskee (die vorig jaar overleed) en Eelco Gelling. Muskee is de stem van de band; zijn vertolking valt misschien nog het best te beschrijven als vrijzinnig. Hij heeft dat rauwe van de blues in z'n stem, al kan hij qua hetgeen hij teweegbrengt bij mij toch niet tippen aan iemand als Howlin' Wolf of Robert Johnson. Gelling is de gitarist, die echter niet overheersend speelt. Hij stelt zichzelf en zijn spel geheel in functie van de muziek.

Opvallender vind ik dan de rol van Brood als pianist; hij is een soort katalysator, heb ik de indruk, de man die de boel draaiende houdt, er de schwung inhoudt. Daar is zo'n piano natuurlijk geschikt voor, zeker wanneer je 'm op die manier bespeelt. 'So Many Roads' is een mooi voorbeeld van de rol die Brood speelt; hij bepaalt het tempo van de song als het ware.

In de tijd dat dit album werd uitgebracht, tourde deze band ook met onder andere Van Morrison. Daarom misschien dat zij een nummer hebben gecoverd dat ook door Morrison werd opgenomen, met zijn band Them. Het gaat uiteraard om 'Baby Please Don't Go', een nummer dat bij iedereen wel een belletje zal doen rinkelen, zeker als je 't te horen krijgt, want het klinkt o zo herkenbaar. Een van die songs die voor eeuwig in je geheugen gegrift blijven staan. In deze versie echter niet; ik vind het een beetje een tamme versie, je kan er veel meer mee doen. Misschien hadden ze het nummer er gewoonweg niet moeten opzetten, maar het plaatje haalt nu nog maar net het halfuur. Wat ik niet erg vind, trouwens.

Neen, de blues is gemaakt om een halfuurtje weg te kwijnen, terug bij je positieven te komen en het leven voort te zetten, tot de volgende "blues" in aantocht is. Draggin' down the days. Mijn conclusie is dan ook dat dit een geschikte plaat is, maar net dat tikkeltje extra ontbeert om een echt goeie plaat te zijn. Nu is het gewoon een goeie plaat, niet meer of niet minder.

3 sterren

Cult of Luna - Salvation (2004)

poster
4,5
De meeste muziek die ik nu apprecieer heb ik pas later leren kennen. Daarmee wil ik zeggen, jaren na de release. Daar zitten ongelooflijk oude platen tussen (zie top 10), maar ook meer recente platen, van bands en artiesten die ik heb leren kennen aan de hand van nieuwe releases, die me lagen, waardoor ik in hun discografie ben geduikeld. Zo’n band is Cult of Luna min of meer, al is het reeds van 2008 geleden dat ze nog eens een nieuwe plaat uitbrachten. Dat was het erg sterke ‘Eternal Kingdom’. Maar mijn focus ligt in dit stuk op, en dat laat zich al raden, ‘Salvation’, de derde plaat van deze Zweedse sludgers. De verlossing.

En als een verlossing klinkt het na een paar minuten al in ‘Echoes’. Een dwingende intro, en na enkele minuten barst het nummer helemaal open. Meteen één van de absolute prijsnummers, maar zo zijn er wel meer. De tekst is ook erg goed; over het “holle” karakter van de mens: “Empty men without regrets; leaning against each others shoulders” en “The only thing worse than evil, is apathy”.

‘Vague Illusions’ moet in lengte nauwelijks onderdoen voor de epische opener, en qua kwaliteit ook al niet. Waar het me in de eerste song nog niet zo ongelooflijk opviel, komt hier echter één van dé succeselementen voor het eerst echt bovendrijven; de drums. Het spel van Thomas Hedlund (bij zo’n prestatie past wel een naamsvermelding) is werkelijk fantastisch gebalanceerd, iets wat steeds meer tot uiting komt na verloop van tijd, trouwens. Van de lyrics gaat iets hopeloos uit, vind ik: “Waiting here for you, to save me”, klinkt het. “Waiting here, for salvation” had er van mij zomaar achteraan gekund
.
Het middenstuk van ‘Vague Illusions’ brengt de storm even tot rust, de keyboardspeler speelt daar vaak een belangrijke rol in. De gitaar komt er weer bij, met zo’n typische opbouwende riff waarvan je gewoon weet dat ie zal ontluiken in alle pracht der brute emotionaliteit. De drums spelen ook weer een magnifieke rol; die kerel weet echt wat hij moet doen om de sfeerzetting te perfectioneren, en zijn timing is haast onevenaarbaar. De strot wordt weer opengezet:

“As the night breathes out the hars hand cold morning;
A smoke screen has surrounded the funeral mourners;
They march in the wake of broken promises;
This time they know we all fall into the rhythm so slow.”

Het klinkt als poëzie, en dat is geen rariteit bij dit soort muziek (die vaak door intelligente muzikanten wordt gemaakt, en niet door “breinloze herriemakers”, zoals ze door volkomen leken wel eens beschouwd worden), maar het klinkt bij Cult of Luna niet gekunsteld, of overdreven emotioneel of depressief. De toon is precies goed.

‘Leave Me Here’ zet in, en de riff die in het begin sporadisch te horen is, barst bijna van geladenheid. Het rustpuntje na anderhalve minuut is, hoewel het geweld me allerminst stoort, altijd welgekomen; omwille van de schoonheid. We horen zowaar wat cleane vocalen, al beperken die zich tot achtergrondgeluiden. De constante, hypnotiserende riff wordt abrupt afgebroken. Instrumentaal vind ik het niet één van de beste nummers op de plaat, maar de tekst maakt eigenlijk veel goed; daarin wordt, zonder er al te veel woorden aan vuil te maken, eigenlijk, een mooie schets gemaakt van wat vertrouwen is; het is iets dat, wanneer je jezelf blootgeeft, maar al te vaak wordt geschonden. Een lijn die je op heel wat vlakken kan doortrekken (ook naar de economie toe, of politiek).

De opening van ‘Waiting for You’ is zeer mooi, en heeft wel wat weg van gemoedelijke jazz; let ook vooral eens op het sobere doch geniale drumspel. Die intro duurt tamelijk lang (en dit is één van de weinige gevallen waarin ik dan zeg: gelukkig!), en gaat na ruim drie minuten over in een variant, ook erg rustig. Men neemt zijn tijd, en dat is enkel toe te juichen. Na vijf en halve minuut komt er al wat meer wind opzetten; de instrumentatie wordt heftiger; de gitaren snijdender. Een half minuutje later wordt nog een paar versnellingen hoger geschakeld. Maar daar gaat het ‘m in feite niet om; de genialiteit van dit album bevindt zich vooral binnen de opbouw van de nummers. Er wordt telkens weer genoeg tijd voor uitgetrokken, zonder echter het geheel te gaan stretchen (nodeloos uitrekken). ‘Waiting for You’; een sludgeklassieker, zonder meer. In de uitlopers van dit nummer kan je trouwens ook horen waar de Italiaanse metalband Ufomammut de mosterd deels heeft gehaald, meen ik te mogen zeggen. Sommige nummers worden trouwens afgesloten met spoken word, waarin in dit nummer bijvoorbeeld wordt verwezen naar de voorlaatste song.

Maar we moeten alweer voortdenderen, op de trein. Die trein is echter helemaal niet stuurloos, zoals de titel luidt, maar nog steeds stevig op de rails; op ‘Adrift’ wordt het epische geweld weer genadeloos van stal gehaald; één van m’n favoriete nummers binnen het genre toch wel. De mens is verloren, de utopie zal er nooit komen; de tekst is niet bepaald een sprookje. Het tussenstuk laat weer wat ruimte voor de drummer om zijn talent in de kijker te zetten; en dat doet hij fantastisch. Daarna begint er een heeeeeeeeeeeeerlijke riff. Zo’n riff die je eraan doet herinneren waarom je ook alweer naar deze muziek luistert. De drummer doet ook nog even een flinke duit in het zakje, de epische storm barst nog een keer los. “I tumbled down the road that bears his name; here he dwells, here he prospers and pushes us towards the end.”; in de hel wacht enkel pijn, wanhoop en angst.

‘White Cell’ is het kortste nummer, en er gaan stemmen op dat dit nummer er niet echt tussen past, maar het is zeker geen zwak nummer, en doet niets af aan de sfeer. En tekstueel is het nummer wel degelijk van belang, het is de eenwording van het door wanhoop getroffen ik-personage en de antagonist: ‘You and I merge, we become one”. De natuurkrachten worden aangeroepen, het kwellende schuldgevoel ebt weg.

Nu, cleane vocalen komen niet veel voor op deze plaat, maar aan het eind van ‘Crossing Over’ nemen ze heel even een prominente plaats in; maar dat zorgt wel meteen voor één van de meest magische momenten van heel het album. ‘Crossing Over’ kent een rustige aanvang, het gitaarspel lijkt soms zelfs wat rootsinvloeden te hebben, die perfect passen bij de sfeer van dit album. Na de samensmelting klinkt een verrotte grafstem. Een laatste moment van twijfel. Die twijfel lijkt ook even de bovenhand te nemen: “Nothing on this side ties me”. Maar na goed 4 minuten begint het prachtstuk waar ik het daarnet over had. Bijzonder sfeervol, het heeft gaandeweg een speciaal plekje in mijn hart veroverd, ook omdat de setting dat toelaat. De opbouw van dat stukje muziek is weergaloos, met de drummer alweer in een glansrolletje, al mag hier de gitaarsectie de meeste pluimen op de hoed steken (en misschien ook wel de producer). Maar bovenal; de componisten, natuurlijk. De gitaren beginnen te snijden na een tijdje, en ebben niet meer weg, maar blijven aandoenlijk klagen; maar dit is een klaagzang die niet ergert of zo, neen, het klinkt… verlossend. Het geniale concept in alle glorie, zet zich voort. De cleane vocalen vermengd met achtergrondgebrul, zij het ingehouden. ‘Crossing Over’ slaat de brug naar de afsluiter.

Die begint met de ritmesectie in een hoofdrol: drums en bas. Een jazzy gevoel bekruipt me weer, niet geheel onlogisch uiteraard. De gitaar smokkelt zich er bijzonder handig tussen, en laat zich steeds een beetje meer opmerken. Na pakweg 2 en halve minuut is het onherroepelijk gedaan met het voorspel; de vocalen bulderen weer door de speakers, de gitaren geven alles wat ze hebben, de drummer slaat het laatste restje verloren zweet uit zijn tere lijf. Uiteindelijk komt het tot de grote climax op tekstueel vlak; “What you see is just a shell of me”. In functie van zelfbescherming sluiten we ons af van de buitenwereld, en, zoals het zo fraai wordt gebulderd, “to escape the suffering we keep our emotions at a distance; so far away that our skin becomes our fortress”. De tekst klinkt ook wat optimistischer; een paar songs geleden klonk het nog “leave me here”, nu klinkt het als “leave with me”.

Maar Cult of Luna zou Cult of Luna niet zijn als er een happy ending was. Het ik-personage en zijn antagonist zijn wel samengekomen, maar enkel met als gevolg dat ze samen de dieperik ingaan. En iets zegt me dat het ik-personage dit al lang op voorhand wist, maar niet alleen wilde gaan; de bijtende eenzaamheid valt klaarblijkelijk zwaarder op de maag dan drukkende aanwezigheid. Er schemert ook iets van de uitdrukking: “Als je valt, neem je vijanden dan mee” doorheen. Ik kan helemaal naast de kwestie zitten, maar de songtitel past erg mooi achter de regel “This is when we fall down”. Het spoken word op het einde verraadt ook wel wat over het concept, al is dat voor iedereen anders, hoogstwaarschijnlijk: “Deliver me from guilt; grant me salvation’ luidt de allerlaatste regel.

‘Salvation’ is een album dat je na het beluisteren ervan nooit meer links kan laten liggen. Daarvoor is de emotionele impact te groot, en het brute geweld te confronterend. De geluidstormen gaan op de juiste momenten liggen, de drummer heeft een groot aandeel in het succes van dit album, de teksten zijn van een hoog niveau. Minpunten kan ik nauwelijks aantonen, wanneer dit album nog wat meer kan weken in mijn ziel, zit het allerhoogste cijfer er zeker in.

4,5 sterren

Cult of Luna - The Raging River (2021)

poster
3,5
Sterke EP van Cult of Luna (ja, een EP; voor een band als Cult of Luna is een kleine 40 minuten uiteraard wat minnetjes om van een langspeler te spreken), maar het klinkt toch allemaal wat vrijblijvender dan eerder werk. Dat zal ergens wel logisch zijn, natuurlijk. Dit is namelijk geen uitgekiend uitgewerkte plaat zoals een Salvation of Somewhere Along the Highway, of hun recentste worp A Dawn to Fear uit 2019, die ik ook ijzersterk vind.

De opener is behoorlijk conventioneel - classic Cult of Luna, zou je zelfs al kunnen aanhalen. Steengoed, natuurlijk, maar nergens verrassend. Het tweede nummer klinkt dan toch wat dwarser, maar kleurt uiteindelijk ook niet al te veel buiten de lijntjes. Inside of a Dream is vervolgens een kort nummer dat ingezongen werd door Mark Lanegan. Mooi hoor, maar het klinkt helemaal niet als een Cult of Luna-nummer, maar gewoon als een Lanegan-song. De band slaagt er daar dus niet echt in een eigen toets mee te geven, wat ik jammer vind.

De twee afsluitende nummers, goed voor ruim 20 minuten, zijn dan weer een waar plezier voor de sludge- en post-oortjes. Alsof de Zweden nog snel even wilden duidelijk maken wie de heersers zijn. Dat doen ze met brio, maar ik moet toegeven dit vooral lekker te vinden als snack, terwijl ik met spanning wacht op alweer een nieuwe, spetterende en verrukkelijke hoofdschotel.

3,5 sterren

Cult of Luna - Vertikal (2013)

poster
4,0
Ik geloof dat mijn eerste kennismaking met Cult of Luna het nummer ‘Echoes’ was, van ‘Salvation’. Ik was meteen verkocht. Sindsdien alle albums van de band opgezocht, en hoewel ik enkel ‘Salvation’ heb beoordeeld en besproken, hebben de Zweden in mijn optiek nog geen enkele misstap begaan. Hun nieuwe plaat, ‘Vertikal’, riep dan ook vrij hoge verwachtingen in mij op. Of deze ingelost zouden worden, was bang afwachten.

‘I: The Weapon’ werd alvast een tijdje voor de officiële release op het wereldwijde web losgelaten, ‘In Awe Of’ volgde even later. Beide nummers hadden die typische Cult of Lunatrekjes; een loodzwaar karakter, indrukwekkende oerschreeuwen, het voorspelde vrij veel goeds. De track ‘Vicarious Redemption’ boezemde me, met z’n lengte van bijna 20 minuten, nog een beetje angst in – “Gaat dit niet teveel van het goede zijn?” – en met een concept is het ook altijd afwachten hoe dit gaat uitdraaien. Is de uitwerking interessant genoeg? Zijn er voldoende originele invalshoeken? Gaat dit de kwaliteit niet in de weg lopen?

Kortom, ik was een vat vol vragen, die eerste weken van januari. Al mijn concentratie was gericht op deze plaat, die één van de releases van het jaar zou worden. Toen ik de plaat voor het eerst hoorde, was ik dan ook vrij ontgoocheld.

Enkele sonische schokken en filmisch intro blazen de plaat op gang. Ik kon er aanvankelijk niet veel mee, vond het zelfs saai. ‘Vicarious Redemption’, wat het kroonjuweel van de plaat moest zijn, vond ik een gevoelig stuk te lang, de spanningsboog werd geregeld slap. Het duo ‘The Sweep’/’Synchronicity’ klonk dan weer kil en mechanisch, nummers die ik liever skipte dan ze keer op keer te moeten horen. Gemengde gevoelens hadden me in hun greep.

Nu, dat is geweest, zoals op te maken viel uit de verleden tijd die ik in de vorige alinea heb gebruikt. ‘Vertikal’ is wel degelijk een erg sterke plaat; alleen komt dit blijkbaar pas na heel wat luisterbeurten aan de oppervlakte. Het besef, de notie van bepaalde dingen, het blijft een vreemd gegeven; opeens is ze daar. De opener vind ik nu erg dreigend, en past bij de kille hoes en zet meteen de toon voor de rest van het album.

‘Vicarious Redemption’ had weliswaar niet veel langer moeten duren, maar ik heb nu wel het gevoel dat alles perfect zit, zowel tempo als variatie als de lengte. Niets langdradigheid meer, ik heb de afgelopen weken de song regelmatig beluisterd terwijl ik een lang stuk weg affietste, op weg naar het werk, en het voelde alsof ik even in de ‘Metropolis’ van Fritz Lang vertoefde; het is allemaal zo benauwend, deze muziek. Mocht ik al niet licht claustrofobisch zijn, ik zou het er spontaan van worden.

Zoals op elke plaat van Cult of Luna ben ik erg gecharmeerd van de drums. Op ‘Vicarious Redemption’ is er weer sprake van eenzelfde uitgebalanceerde perfectie (of het leunt er toch verdomd dicht tegenaan!), en ook de gitaren (die uit de voegen tredende gitaarkolk in het tweede gedeelte van de song!) leveren eersteklas werk af.

‘The Sweep’ en ‘Synchronicity’ blijf ik de minste nummers vinden. ‘The Sweep’ borduurt een beetje voort op de intro, ‘Synchronicity’ is het nummer dat het meeste van eerder Cult of Luna werk afwijkt. Noem me een saaie piet, maar het is zo dat ik de heren het liefst van al hoor. ‘Mute Departure’ is dan weer een bulderende gigant die alles dik en dubbel goedmaakt. Luidkeels meebrullen met Johannes Persson is dan geen zeldzaamheid.

Wat betreft het concept, ‘Vertikal’ kent enkele vette tekstuele knipogen naar de film ‘Metropolis’ uit 1927 van Fritz Lang. De film is ook gewoon nog steeds maatschappelijk relevant; de strijd van de armen versus de rijken zal eeuwig blijven voortduren; er zal altijd een kleine klasse rijken en een grote klasse armen zijn. Maar in beide klassen is het gevaar erg groot om als grijze muis op te gaan in de massa. “Numbness strikes like fever”, klinkt het in ‘In Awe Of’. En de lyrics van de afsluiter, het clean gezongen repetitieve ‘Passing Through’, lijken wel het lijflied van een iemand die tegen wil en dank een Einzelgänger is geworden.

‘Vertikal’ is een knappe plaat voor knappe mensen. Maar je hoeft heus niet intelligent te zijn om dit album te beluisteren, en er van te kunnen genieten. Hoewel de mannen van Cult of Luna weer met verschillende lagen werken, en de bevrediging na het ontdekken van weer een nieuwe laag, kan de bovenste laag al behoorlijk goed smaken. Bij mij was dit weliswaar niet het geval, maar de brute passages vliegen ons weer om de oren, en kunnen zo goed als elke metalliefhebber bekoren volgens mij. Cult of Luna heeft jammer genoeg geen nieuw meesterwerk afgeleverd, maar doet z’n reputatie nog steeds eer aan; de eerste zwakke plaat van hen moet ik nog horen.

4 sterren