MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Vampire Weekend - Contra (2010)

poster
3,5
Deze ‘Contra’ van Vampire Weekend is één van de eerste releases van dit jaar die ik te horen krijg. Hun veelgeprezen debuut ken ik jammer genoeg niet, maar daar zal in de nabije toekomst hopelijk verandering komen.

‘Contra’ gaat van start met het vrolijk aanvoelende ‘Horchata’. Mooie vocalen op dit nummer, maar het is zo’n nummer van dertien-in-een-dozijn. Toch kan ik niet ontkennen dat er ergens wel een eigen geluid schuilt.

Het tweede nummer, ‘White Sky’ zet de positieve trend voort, namelijk het ontwikkelen van een eigen, voor dit album unieke, geluid. Vooral de vocalen dragen hier hun steentje aan bij. Voor dit nummer in ieder geval niets dan lof.

‘Holiday’ is het derde en kortste nummer op deze plaat. Weer springt de stem van de zanger eruit. Het is een wederom vrolijke compositie, met goed bij de mood passende lyrics.

Het vierde nummer op deze plaat is ‘California English’, wat rijker geïnstrumenteerd, en dit nummer spreekt me zeker aan. Aan het einde van deze song nog wat ge-oh-oh-oh!, in navolging van de succesformule van onder andere ‘Viva La Vida’ van Coldplay.

‘Taxi Cab’ klinkt net iets anders als de voorgaande nummers, minder vrolijk, naar mijn mening. Maar het is wel weer een oerdegelijk nummer, met een mooie tekst. De zang is ook meer ingetogen op dit nummer, en dat is zeker geen minpunt.

‘Run’ is weer wat anders. Ik vind het een erg bizar nummer, en toch zit de opbouw erg goed ineen. Mooi geïnstrumenteerd ook weer.

‘Cousins’ klinkt van de eerste seconde meteen goed. Een perfecte mix van gekte en opbeurendheid eigenlijk. Ik begin meer en meer te denken dat dit een zomerplaat is, geen winterplaat.

Het achtste nummer van ‘Contra’ is ‘Giving Up The Gun’, en het is weer een toonbeeld van degelijkheid. Die combinatie van gitaarmuziek en elektro-invloeden ligt me wel, dat heb ik reeds ondervonden bij bands als Archive. Heel goeie song, meer dan degelijk opbouwend, groeiend en groeiend naar een hoogtepunt.

‘Diplomat’s Son’, het langste nummer van deze plaat (zo’n 6 minuten) is een nummer met heel wat reggae-invloeden. Dit nummer kan me echter het minst bekoren van de hele plaat. Het duurt me te lang, en na een paar minuten wordt het reeds vervelend. En dat is jammer, want tot voor dit nummer was deze plaat heel erg degelijk. Ook het tussenstuk, dat nogal plots en uit het niets komt opgedoken, doet me niet veel. Later wordt dit nog eens gedaan, maar het klinkt gewoon alsof je een bonusronde mag spelen in een oud Nintendo-spelletje als SuperMario.

En dan zijn we aanbeland bij het slot van dit album, een begeesterend slot, een beklijvend slot, maar vooral een ontroerend mooi slot. ‘I Think U Are A Contra’ is de titel van dit prachtwerkje. De zang komt uit de diepte, is zeemzoet. Bovendien heeft dit nummer de mooiste tekst op het hele album. Het is als het slotoffensief in een voetbalmatch van de ploeg die op achterstand staat. Soms maakt men gelijk, soms niet. Vampire Weekend doet zelfs meer, het scoort nog eens in de extra time, en wint.

3.5 sterren

Van Morrison - Born to Sing: No Plan B (2012)

poster
4,0
Je hebt van die artiesten die je leert kennen aan de hand van één nummer, waarna je je eerder toevallig in hun muziek gaat verdiepen, en met platen tevoorschijn komt waar je uiteindelijk verliefd op wordt. Menig MuMe-user zal bij het lezen van deze opening en het zien van mijn naam meteen denken aan Bob Dylan, maar dit stukje is gewijd aan de nieuwe plaat van een andere held van mij. Hij staat op een lager voetstuk, maar toch, een held. De man met de achttienkaraatsstem. Van Morrison.

Van the man heeft nog steeds dat unieke stemgeluid, dat uit zijn keel lijkt te ontsnappen als een half mirakel. Op ‘Born to Sing: No Plan B’ laat hij dit weer maar ‘ns horen, en dit is zelfs, na slappe plaatjes, weer een bijzonder, verrassend sterk album geworden. In een uur pakt hij de luisteraar in, stijgt ver uit boven de o zo grijze middelmaat, en laat horen waarom hij zo’n gevierd artiest is. Morrison, de Ier met een strot als een tweetrapsraket; weinigen ontsnappen aan diens vizier.

‘Born to Sing: No Plan B’ roept de liefde van Morrison voor de oude genres op. Jazz, blues, folk. En soul, want een stem als die van Morrison bestrijkt zo’n brede oppervlakte, dat het eigenlijk niet in te delen is. De instrumentatie bevindt zich echter wel vooral binnen dat kader. De coole, subtiele pianotoetsen op de swingende opener en logische single bewijzen dat. De saxofoon is een instrument dat Morrison dicht bij z’n hart bewaart. Hij bespeelt het graag, en onomatopeet ook graag (als ik dit zelfstandig naamwoord even mag omzetten in een werkwoord). De liefde voor muziek en het plezier dat de beste man er nog steeds in heeft; het ligt er dicht op. Wat me ook opvalt, is de centrale plek voor het thema “Geld” in de liedjes. In de opener is er al een verwijzing (“Money doesn’t make you fullfilled; money’s just to pay the bills”), verder op de plaat wordt het steeds directer.

Morrison bestrijkt echter ook nog andere facetten. Op het eerste gehoor schrijft hij simpele teksten, maar er zit toch altijd meer achter. Aan de luisteraar om die interessante zoektocht tot een goed einde te brengen.

‘Going Down to Monte Carlo’, de eerste van twee wereldsongs op dit album. De feel zit helemaal goed. Morrison (en zijn muzikanten, natuurlijk) mengt op meesterlijke wijze blues en jazz door elkaar, en maakt er zijn eigen voortreffelijke sausje van. Dat Morrison zich nog steeds verbaast over de kleinburgerlijkheid van mensen, al kent hij Sartre, geeft aan dat hij een nobele inborst heeft. Ook mooi is dat hij zijn stem wederom als instrument gebruikt, en dit doet hij dus echt goed; oké, je kan zeggen, dit hoeft niet, maar mijns inziens draagt het bij aan de authenticiteit van de plaat. En het past ook gewoon erg goed bij het karakter; het is een warme plaat, die als goed alternatief zou kunnen dienen voor Tom Waits’ ‘Closing Time’, hoewel ik die nog een stuk hoger inschat.

Wat de albumcover betreft, ben ik het trouwens eens met de meerderheid; die is niet bepaald om aan te zien. Een albumcover is altijd een mooie extra, en ik let er ook wel op, maar bovenal is het de muziek waar het om draait.

De titelsong (vooruit: halve titelsong ) is een derde sterk nummer op rij, en neigt wat meer naar de opener; het nummer swingt lekker, en Morrison weet waarover hij het heeft, wanneer hij zingt “Passion’s everything; when you were born to sing”. De instrumentatie is misschien iets minder dwingend dan in de vorige nummers, maar dat hoeft ook niet; dit nummer swingt wel degelijk, maar dan erg laidback. Niets hoeft, een ode aan het zingen.

Het wat lauwe ‘End of the Rainbow’ luidt een iets minder middenstuk in, met verder ook nog ‘Close Enough for Jazz’, op zich wel lekker, maar toch wat te gewoon, en ‘Mystic of the East’, om één of andere, niet aanwijsbare reden niet meteen mijn favoriete song. “The money issue” komt wel weer piepen in ‘End of the Rainbow’, o.a. de mythische pot vol goud aan het eind van de regenboog wordt naar voren gebracht. Ach, het nummer is gewoon rustiger en stiller dan de rest, daarom valt het niet echt op, denk ik. Een groeiertje, want ondanks de lauwheid kan ik het zeker wel waarderen. En de term “een iets minder middenstuk” is zeker geen aanfluiting, als het zulk een plaat betreft. Dat is nog steeds beter dan middelmatig.

‘Close Enough for Jazz’ is leuk, maar het maakt ook meteen duidelijk dat er iets ontbreekt (behalve aan het eind): Van’s zang. Een statement zou je er ook in kunnen zien. Ik zie er vooral een artiest en zijn muzikanten die pret hebben in. ‘Mystic of the East’ kent een aanzet alsof het een echte oldie betreft, maar dan een iets te stroperig aangedikte oldie. Morrison maakt het nog wel goed (onder meer door het indrukwekkende stukje “Deep in the heart of down…”, maar desalniettemin één van de mindere liedjes.

Dit wordt echter ruimschoots goedgemaakt door ‘Retreat and View’. Meteen van in het begin weet je dat het helemaal goed zit, met die mooie intro, verzorgd door Morrison zelf op sax. Verder speelt hij ook nog elektrische gitaar, wat piano en heeft hij de plaat mee geproducet. Mooi dat hij zoveel nog zelf doet, er zijn er niet veel meer die het op zijn leeftijd nog zouden kunnen. Ondanks zijn 67 lentes toont Morrison zich in de swingende tracks nog steeds een jong veulen; in dit nummer klinkt hij wat ouder, laat zijn stem heerlijk doorleefd “moanen”, als een echte blueszanger, en bovendien ben ik hier wel uiterst gecharmeerd door de instrumentale interpellaties. De heerlijke outro van ongeveer 2 minuten levert hiervan het schoonste bewijs. In dit stukje wordt Morrison’s stem voor één keer eens niet gemist door mij.

Dan komt de song waar ik heel lang mee overhoop heb gelegen. Het is wat excentrieker en minder straight forward dan de overige songs, maar uiteindelijk is er bij mij toch een licht opgegaan, en inmiddels kan ik de song prima appreciëren. Het is geen masterclass, maar het is een aardige poging om eens “anders” te doen. De blues vormt de basis, terwijl de jazz voor enige frivoliteitjes en opsmuk zorgt. Van zingt echter op een andere manier, en het nummer kent enkele rare kronkels, waarvan ik nergens anders op de plaat hun gelijke hoor. Dat is dan ook de voornaamste reden voor het feit dat ik van deze song pas als laatste de cocon wist te doorprikken. “Where’s God?” vraagt Morrison zich luidkeels af. Hij heeft in deze song het devies “If in God we trust” verbasterd tot “If in money we trust”, en hiervan het hoofdthema van de song gemaakt. En eigenlijk ook enige thema, want voor het overige klinken veelal dezelfde woorden. Het is een soort mantra, waaruit blijkt dat Morrison geld geen waardig substituut voor God vindt. Dat hij geen hoge pet opheeft wat betreft kapitalisme en materialisme, wordt wel duidelijk als je deze plaat beluisterd, en de teksten erbij neemt.

Na dit gewaagde, maar toch tot twijfelen aanzettende nummer komt dan eindelijk wereldsong nummer 2, ‘Pagan Heart’. Fantastische blues, om demonen mee uit te drijven, zo straf. Een song die niet had misstaan op ‘Tempest’, Dylan’s meest recente. Meer zelfs, deze song had gewoon geschitterd op die plaat. Dat doet ie uiteraard ook op ‘Born to Sing: No Plan B’. De instrumentatie volgt bluesschema’s, en staat vooral in dienst van Morrison’s stem. Dit komt hem heel goed uit. Het nummer, en dan ook de tekst, ademt iets mystieks; er wordt gewag gemaakt van “the holy wood”, en “Arcadian groves”, een verwijzing naar de Oude Grieken?

‘Close Enough for Jazz’ staat trouwens, als mijn informatie juist is, op ‘Too Long for Exile’, een plaat van Morrison uit 1993, maar dan zonder de coda met vocalen. Interessant weetje, voor als je in een bar zit, en weer eens niets te vertellen hebt, kan je daar mee komen.

Terug naar de orde van de dag; we zijn ondertussen alweer bij de afsluiter aanbeland. Het album gaat flink vooruit, geen nadeel, want zo kan je al niet zeggen dat dit zich tergend traag en vervelend voorttrekt. ‘Educating Archie’ is een nummer dat een hele generatie aanspreekt, maar Morrison heeft een geniale zet gedaan; hij spreekt in de eerste plaats, door middel van de titel, één welbepaald iemand aan, waardoor dit niet belerend gaat klinken. Het is persoonlijk, denkt men dan, en zo klinkt de tekst niet als een preek. Erg leuk gedaan. Op deze track laat Morrison z’n elektrische gitaar nog een keer wat meer op de voorgrond treden; dit gaat mooi samen met de blazers en het orgeltje. Tekstueel is dit een aanklacht op allerlei gronden: Morrison beseft dat de samenleving op een kritisch keerpunt staat, en ik deel die mening. De beschaving heeft de top bereikt, en van nu gaat het weer bergaf. Dat is duidelijk te merken, en ook logisch, want de mens is in wezen een zelfzuchtig en brutaal dier. Een soort die het in zich heeft zichzelf te vernietigen, al verschillende keren op het punt heeft gestaan dat daadwerkelijk te doen, en het in de toekomst ook wel klaargespeeld zal krijgen. ‘Educating Archie’ is dus niet enkel een aanklacht, het is een waarschuwing; er zijn zoveel tekenen aan de wand, dat ze moeilijk te missen zijn, en toch ziet het merendeel van de samenleving ze niet. We zullen allemaal doodgaan.

Met deze zwartgallige gedachte eindigt mijn betoog bij deze toch wel over het algemeen goedgemutste plaat. Muzikaal, zeker. Vocaal, ook. Tekstueel liggen de accenten enigszins anders. Het is geen conceptplaat, geen protestplaat, geen pretentieus gedoe; dit is gewoon heerlijk genieten van één van de beste zangers van de wereld.

4 sterren

Vattnet Viskar - Sky Swallower (2013)

poster
4,0
“Propulsive and brutal, yet ambient and expansive… a clear and visceral climax that merits comparisons ranging from Godspeed to Neurosis to Swans to Agalloch.”

Dat is de mening van Stereogum, een website waarop onder andere nieuwe albumreleases onder de loep worden genomen, over deze eerste volwaardige plaat van Vattnet Viskar, een vierkoppig ensemble uit de Verenigde Staten, dat, zoals de bovenstaande omschrijving van Stereogum, en vooral ook de genoemde bands, zich vooral toelegt op het scheppen van een duistere sfeer. Dit jaar mogen we alvast niet klagen wat betreft de kwaliteit van hetgeen met name enkele Amerikaanse metalbands hebben uitgebracht, met Deafheaven als kroonjuweel. Vattnet Viskar moet echter niet bepaald ver achterblijven; ‘Sky Swallower’ is een monumentale, gevarieerde plaat geworden, en goed geolied geheel ook.

In 2012 brachten deze mannen al een EP op de markt, self-titled. Ik heb, na het beluisteren van de EP, dit album gewoon blind aangeschaft, want die EP is echt indrukwekkend. Bij nader inzien, in essentie misschien nog wel indrukwekkender dan de langspeler. Ik zeg “in essentie”, omdat ‘Sky Swallower’ natuurlijk wel enkele pluspunten kent ten opzichte van de EP; ten eerste is dit helemaal een afgewerkt product, waar de EP meer een probeersel is. Ten tweede is ‘Sky Swallower’ gekenmerkt door een zekere constante doorheen het album, waar op het eerste gehoor maar moeilijk doorheen te komen is, maar eens het kwartje valt, heb je hier ook echt enorm veel aan. Ik betrap me er, na plusminus 15 luisterbeurten, nog steeds op dat, met de ogen strak gesloten, de songs tegen mijn netvlies projecteer, en een huiveringwekkende film te zien krijg.

Er bestaat een zekere balans tussen hard en stil, en die is hier duidelijk terug te vinden. Vattnet Viskar is een band die als geen ander kan spelen met die twee uitersten; ze trekken de luisteraar langzaam naar zich toe, met een soms minutenlange, en dus zeer geduldige opbouw (voorbeeld bij uitstek: het ontzettend sfeervolle ‘Fog of Apathy’), om je dan genadeloos weg te katapulteren, het ijle in. In dat opzicht zijn ook de drie kortere nummers o zo typerend voor deze band; het zijn zeer goed gebouwde bruggen, over de breed uitgesmeerde modderpoelen die van de andere songs eilandjes maken. Enkel de oversteek van opener ‘New Alchemy’ en ‘Fog of Apathy’ lijkt op het eerste gezicht geen brug nodig te hebben, al zit die gewoon in het tweede nummer ingemetseld. Maar dat heb ik hierboven reeds vermeld.

Dat dit met veel gevoel is geconstrueerd, valt duidelijk te horen in ‘Monarch’; omdat ‘Fog of Apathy’ en ‘Breath of the Almighty’ enkele genuanceerde verschillen in geluidskleur vertonen, is dit korte stukje (een dikke minuut) welgekomen, en vanuit een bepaalde optiek zelfs noodzakelijk. ‘Breath of the Almighty’ is in wezen een spiegelbeeld van ‘Fog of Apathy’ (de eerste minuten zijn meteen behoorlijk hard, daarna volgt de rust, het instrumentale mijmeren), en ‘Monarch’ is het spiegelglas. Ook voor dat rustigere tweede deel wordt de nodige tijd genomen, om er dan nog een furieuze laatste minuut aan te breien. “Cut deep! Watch the signal rise! Collapse under the weight! Of silence!’

‘Ascend’ is dan weer een stukje muziek dat hardop lijkt te dromen, en als in een trance binnen dezelfde grenzen blijft, tegen de stille melancholie aan schurend. ‘Mythos’ haalt ons dan weer abrupt uit die droom weg, zowel instrumentaal als tekstueel. Nijdige gitaren, die lijken tegen te spartelen tegen de halfslaap; nijdige woorden ook, over het nodeloze vechten tegen de bierkaai. De ik-persoon loopt tegen een muur aan, beseft dat voor de volle 100%, en loopt er, nog met een wrang gevoel terugdenkend aan de vorige bikkelharde confrontatie (“Why waste my breath; prolonging the myth of hope?”) alweer tegenaan. En hoe sterk de woorden ook mogen klinken; dit nummer kent zijn beste momenten als het er volledig instrumentaal aan toe gaat. De heerlijkheid zit ‘m ook voor een stuk in de herhaling; bepaalde stukjes worden alsmaar herhaald, waardoor het nummer iets intrigerend krijgt. En ook hier is de timing perfect; net voordat het wat te lang zou gaan duren, worden de accenten verlegd, en wordt er toegewerkt naar een climax (of anticlimax).

Na een korte onderbreking (ik vind ‘As I Stared into the Sky’ persoonlijk een veel interessantere onderbreking dan het gemiddelde reclameblok) zet de band slotsong ‘Apex’ in. De vocalen van Nicholas Thornbury zijn ook hier (al had ik het nog niet eerder vermeld) krachtig en onrustwekkend; alsof hij daadwerkelijk één of andere sinistere preker is. De teksten liegen er dan ook niet om. In het tweede deel van de song zit ik wel te wachten op een soort van climax, die er dan niet komt. Misschien niet enorm bevredigend, maar ook zeker niet gangbaar; het strijkt tegen de haren in, en dat mag ik wel. Zo kent dit korte, maar op verscheidene vlakken intense album een apart einde, geheel in overeenstemming met zijn karakter.

De cover art is ook de moeite waard, en ik maak met plezier wat “reclame” voor de kunstenaar, Bryan Proteau. Hij heeft een sobere doch intense stijl, wat ook tot uiting komt in de achterkant van de hoes, een mooie tekening van een gigantische vrouw, gebaseerd op “The Giant” van de Spaanse kunstenaar Francisco de Goya.

4 sterren

Vengeful Spectre - Vengeful Spectre (2020)

Alternatieve titel: 殞煞 Vengeful Spectre

poster
4,5
Deze band kwam ik toevallig tegen tijdens één van mijn vele omzwervingen op het wereldwijde web. Ik was via een andere band (weet niet meer welke) op Metal-Archives bij Vengeful Spectre, een illuster gezelschap uit de provincie Guangdong, terechtgekomen. Gierende black metal met folk-invloeden uit China? Dat moet toch echt de eerste keer zijn dat ik het tegenkwam. Leve de mondialisering (al laat ik dat in het huidige, door de COVID-epidemie geteisterde tijdsklimaat, maar niet te luid roepen)!

Meer dan één luisterbeurt had ik niet nodig; ik was gelijk verkocht. Eigenlijk trekt de hoes al meteen de aandacht op treffende wijze: we zien een eenzame, verwaaide strijder, die vermoeid een wapperende vlag vasthoudt temidden een hoop lijken (medestanders, vijanden? Ik heb er het raden naar). Het is nacht, en de volle maan zorgt voor een naargeestige belichting van de scene, die verder bestaat uit restanten van gebouwen (eentje staat nog zo goed als recht, maar de schade is aanzienlijk). Roofvogels zwermen in de lucht rond, op zoek naar een makkelijk verdiend maal.

The Eastern Folk Black Metal Swordsmen: zo noemt de band zichzelf. Een beschrijving die de lading perfect dekt, als je het mij vraagt. Dit debuutalbum, waarvan Wailing Wrath reeds eind 2019 als single werd uitgebracht, is goed voor 36 minuten pure magie. Het merendeel van die minuten bestaat uit loeiend harde, intense black metal; misschien niet echt vernieuwend, maar wel ontzettend goed uitgevoerd. De lugubere krijsvocalen zorgen daarenboven voor een flinke dosis extra naargeestigheid. Er zitten echter ook rustpunten in de songs; vooral als intro en outro bedoeld, en dan worden er vaak traditionele oosterse instrumenten gebruikt. Het sfeertje van oorlog, dood en verderf gedijt er alleen maar beter in.

Het is echter de combinatie tussen beide factoren die voor mij de doorslag geeft dit album tot nu toe de topper van 2020 te vinden, en het beste voorbeeld daarvan is wellicht het reeds eerder aangehaalde Wailing Wrath. Wat een episch beest; 8 minuten lang word je om de oren geslagen met fantastisch, gevarieerd riffwerk, oorverdovende drumsalvo's, vocalen die mijn ingewanden binnenstebuiten keren en die prachtige symbiose van alle voorgaande elementen met oosterse instrumenten. Samen met [i[Rainy Day Carnage[/i] (en bruggetje Hermit één van de knapste kwartiertjes black metal die ik al heb gehoord.

Ik heb dit album ondertussen toch al een keer of vijftien gehoord, en ben er nog even gek op als bij de grote ontdekking. Deze heren ga ik dan ook met argusogen blijven volgen!

4,5 sterren

Viet Cong - Viet Cong (2015)

poster
4,0
Behoorlijk goeie plaat. Wat zeg ik, noem het gerust straf spul. De mannen van Viet Cong weten me in oproer te brengen, en dat is al heel wat.

Het begint schoorvoetend, met 'Newspaper Spoons', dat een beetje het midden houdt tussen gekunsteldheid en felheid. Over 'Pointless Experience' zijn al enkele grapjes gemaakt (waarbij men handig gebruik maakt van de titel), en ik kan er wel inkomen, maar vind het verder gewoon een degelijke song. Maar dan, en dat ben ik met de meerderheid hier wel eens, begint het pas echt.

Vooral de laatste drie songs vind ik fantastisch. Op 'Continental Shelf' klinkt de zanger eindelijk als een soort Paul Banks die men kwaad heeft gekregen, waarbij hij zijn stem bij vlagen hemels in de rondte laat weergalmen. Zet dat af tegen de fijne, vinnige instrumentatie, en je hebt een killer van een song. 'Silhouettes' is zo mogelijk nog straffer, en blijkt uiteindelijk pas de opmaat voor de ambitieuze, lange afsluiter, 'Death'. Een passende titel voor een slotsong; de cyclus is dan weer rond. Bovendien past het ook goed bij de bandnaam, door sommigen een beetje misplaatst bevonden, heb ik gelezen. Nou, niets mis mee wat mij betreft!

Vooral de versnelling in de tweede helft van 'Death', die pas wordt ingezet na een rekken dat in feite geen rekken is, vind ik geweldig. En zo heeft dit album wel meer van die momenten, die een hotspot in mijn concentratielijn veroorzaken. Vooralsnog de beste van 2015, al is het, toegegeven, nog vroeg dag.

4 sterren

Villagers - {Awayland} (2013)

poster
4,0
Toen ‘Becoming a Jackal’ in 2010 uitkwam, en ik er de eerste paar luisterbeurten had opzitten, stond ik paf. Jawel, er was een referentiekader, die andere Conor (Oberst, Bright Eyes) kwam nadrukkelijk om de hoek loeren, maar toch was er iets unieks aan de liedjes van Villagers, iets waar ik nu niet meteen mijn vinger op kon leggen. Toen eind 2012 de vooruitgestuurd single ‘The Waves’ van opvolger ‘{Awayland}’ hier voor het eerst uit de boxen schalde, was ik verrast. Of dat aangenaam of onaangenaam was, wist ik toen nog niet zo zeker.

‘The Waves’ is een single die komaf leek te maken met alles wat op de debuutplaat werd gepresenteerd. Fors invloeden uit electro-hoeken, bliepjes hier, echo’s daar. O’ Brien had het roer helemaal omgegooid, leek wel. Nu ik de nieuwe plaat zo’n tien keer heb gehoord, kan ik dit wel enigszins nuanceren. De experimenten met electro lijken zich grotendeels te beperken tot die single, al is het scala waaruit O’ Brien en co songs hebben gecreëerd gevoelig breder geworden. Gelukkig kan dit alles nog door één deur, en is er geen wrange nasmaak te bespeuren bij mij als luisteraar.

De afwisseling is een stuk groter dan op ‘Becoming a Jackal’. Van het sobere, kleine ‘My Lighthouse’ gaat het over het in al zijn facetten groots klinkende ‘Earthly Pleasure’ (dat me aan Sufjan Stevens doet denken, trouwens) naar ‘The Waves’, dat een majestueuze opbouw kent, om een fenomenale climax te bereiken. Terwijl ik de single an sich niet zo bijzonder vond, vielen de stukjes van de puzzel meteen op hun plaats toen ik de plaat voor het eerst beluisterde. Het is nog steeds geen song die ik zomaar eens ga beluisteren, buiten albumverband bedoel ik dan, maar het past gewoon perfect tussen de andere songs. Een grote pluim op de songschrijvershoed van O’ Brien.

‘Judgement Call’ doet me vaag denken aan de latere dEUS, terwijl ‘Nothing Arrived’ vintage Villagers is (vooral dat pianootje doet het ‘m), en misschien wel hun meest poppy nummer tot nog toe. “I waited for something, and something died; so I waited for nothing, and nothing arrived”, zingt O’ Brien, ons hiermee er op wijzend dat, als je niets verwacht, je ook niets kan verliezen. ‘The Bell’ begint kalm, zwelt al vrij snel aan (met blazers en enkele zware piano-aanslagen), en het refrein van O’ Brien doet me zelfs denken aan Motorpsycho. Verdulleme.

De titeltrack is een bijzonder fraai instrumentaaltje, waar ik niets slechts over kan bedenken (hoeft ook niet), en dat zelfs erg goed past op het album. Een sferisch landschap wordt daar gecreëerd. ‘Passing a Message’ is ook best een vet nummer, lekker tegendraadse drums en baslijntjes die er dik op liggen. Het is de song waar ik het langst m’n twijfels bij had, maar ik ben ‘m gaandeweg leren appreciëren. Tekstueel is het ook één van de betere nummers, de poëet in O’ Brien komt naar boven.

‘Grateful Song’ klinkt sacraal, God speelt dan ook een centrale rol in de tekst. ‘In a Newfound Land You Are Free’ is dan weer een lieflijk liedje van een ouder voor z’n pasgeboren baby. Leven is lijden, is het motto. Daartegenover staat vrijheid. Vrijheid om te lijden. Eenieder heeft zijn kruis te dragen, een thema dat ook in de afsluiten nog naar voren treedt. “And when you’re looking up for who you lack; that old black dog is on your back; and if you tame it, you can get it to sit; so don’t mind it”. Iedereen draagt zijn eigen lading shit uit het verleden met zich mee, en wat je daarmee doet, dat is je eigen zaak. Er zijn verschillende manieren waarop je ermee kan omgaan, O’ Brien toont met dit nummer slechts ééntje. Hij zegt er wel bij dat je er niet altijd zelf voor kiest om die shit op je nek te halen:

“You’re a rhythm composer;
easy for you;
you’re a rhythm composer;
but in actuality;
only the rhythm composes you”

Een bizarre outro (een ezel die driftig staat te balken, weet ik veel) doet deze plaat uitgeleide. Ik hou nog steeds meer van de charme van ‘Becoming a Jackal’, maar ik moet per luisterbeurt meer gaan toegeven dat het totaalplaatje van ‘{Awayland}’ nog net iets beter is.

4 sterren

Villagers - Becoming a Jackal (2010)

poster
4,0
Met een huilende viool en koel pianospel wordt 'I Saw The Dead' ingezet, de eerste langspeelplaat van Villagers, met frontman Conor O' Brien. 'O' Brien, Ierse naam, Villagers zijn dan ook Ieren. Ieren, dan denken de meesten onder ons misschien meteen aan U2, maar daar gelijkt de muziek van deze band van de verste verte nog niet op. 'Becoming A Jackal' is een plaat vol prachtige, sfeervolle nummers, en het opmerkelijke is dat songwriter O' Brien zijn soms gitzwarte teksten in een lieflijk badje heeft ondergedompeld.

Laat die openingstrack bij uitzondering nog vrij morbide klinken, dan klinkt het titelnummer al wat opgewekter. Als je de tekst erbij neemt, dan merk je dat het wat minder rozegeur en maneschijn is. Lines als 'And each time they found fresh meat to chew; I would turn away and return to you'; 'Lending me your ears while I'm selling you my fears' en het fraaie refrein ('I was a dreamer; staring at windows; out onto the main street; cos that's where the dream goes') zijn pakkend en verontrustend tegelijk.

'Ship Of Promises' vind ik het minste nummer op de plaat, maar toch zeker te genieten, gemaakt met oog voor detail (het belletje dat bij de zin 'As the captain calls everyone in' luidt).

‘The Meaning of the Ritual’ vind ik dan weer één van de beste nummers op deze plaat. De sacrale ingang van het nummer die leidt naar de eerste strofe, prachtig gewoon. De minimale ondersteuning van de akoestische gitaar doen O’ Brien met zijn intrigerende teksten gelijken op een rondtrekkende, middeleeuwse bard. En met ‘My love is selfish, and I bet that yours is too’ schrijft de beste man toch wel een universele waarheid neer, zeker? In tegenstelling tot ‘Ship of Promises’ een donker nummer.

‘Home’ klinkt een stuk opgewekter, met dat frivole, quasi willekeurige pianogetokkel en het achtergrondgezang ‘Can you call me when we’re almost halfway’. O’ Brien vertelt in deze song o.a. over een heilige en een slang (bijbelse verwijzing, iemand?) en een meisje dat haar familie veracht, maar toch onvoorwaardelijk volgt. Intrigerende verhalen, met een duister randje, dat het extra interessant maakt.

‘That Day’ blijft me vooralsnog niet echt bij, maar lijkt me een fijn popliedje, met een scherpe tekst.

‘The Pact (I’ll be Your Fever’ klinkt speels en onschuldig, maar zoals we al weten, is dat slechts schijn. O’ Brien lijkt er een sport van te maken, mensen op het verkeerde been zetten. Ik ken veel mensen die op een nummer als dit happy zouden meezingen, zonder te beseffen wat ze zingen. De tekst lijkt zo overdreven, dat het op mij ironisch overkomt in ieder geval. Verder wel een mooie melodie etcetera.

Frisse pianoklanken geven ‘Set The Tigers Free’ meer cachet, en dat is goed, anders denk ik dat dit nummer niet genoeg pit zou hebben, en ook flink in magie zou inboeten. Ook deze tekst herbergt weer enkele fraaie strofes, zoals bijvoorbeeld ‘And all at once I step outside into the wind and rain; I let it wash my weary eyes and see you do the same’.

De laatste drie nummers zijn naar mijn mening van een ongelooflijk niveau. ’27 Strangers’ vertelt het verhaal van een man (als we aannemen dat O’ Brien uit eigen ervaringen put), die te laat thuis komt, en het hele verhaal doet aan zijn ‘dearest one’ hoe het komt dat ie te laat is (een speling van het lot dus eigenlijk), en dat de mogelijkheid bestaat dat het de volgende dag opnieuw gebeurt. Prachtige song over de soms idiote situaties waarin mensen terechtkomen, en ook op andere vlakken, zoals bijvoorbeeld het bedwelmend mooie achtergrondgehuil, zal ik het noemen, en de sobere instrumentatie.

Dan hebben we ‘Pieces’, een nummer waarvan ik de indruk heb dat O’ Brien het beschouwt als zijn paradepaardje. Dit nummer is niet zozeer tekstueel, maar instrumentaal werkelijk overdonderend, alles klopt aan die song, tot het wolvengehuil aan toe, dat het een waanzinnig kantje geeft. Het nummer gaat volgens mij over een gebroken man, omdat hij ervaart dat hij niets goed kan doen voor zijn geliefde. Daarom ook dat waanzinnige gehuil, meen ik, uit pure wanhoop. Naar het einde van de song toe gaat Villagers helemaal uit de bol, met drukke instrumenten, om af te sluiten met een simpel pianoriedeltje (geniaal!).

‘To Be Counted Among Men’, de laatste song op deze plaat. Het is er eentje die het belang van het uitzitten van een plaat bewijst: wat een nummer! Ook in dit nummer meen ik bijbelse invloeden te vinden. Je hebt natuurlijk het vraagstuk ‘Heaven/Hell’, maar ook dit komt me erg bijbels voor: She says, look at this town, son; take a good look around, son; why should anyone here be saved?’ Het zou kunnen slaan op de tweelingsteden Sodom en Gomorra, maar mijn kennis omtrent de Bijbel is niet echt groot, moet ik bekennen. Wat mij betreft het beste nummer op deze plaat; heldere zang, beheerst akoestisch gitaargetokkel, een ietwat bevreemdende sfeer die wordt gecreëerd door de toegevoegde instrumenten, en vooral een tekst om duimen en vingers bij af te likken.

‘Becoming A Jackal’ zal nog vele malen opgelegd worden, hier bij mij thuis, of op vakantie, of waar dan ook, en misschien ga ik hem in de toekomst nog wat meer waarderen, zodat er nog een halfje bij kan. De teksten van O’ Brien bieden talloze interpretatiemogelijkheden, de enige die echt weet waarover het allemaal gaat, is de beste man zelf.

4 sterren

Villagers - Darling Arithmetic (2015)

poster
4,0
Toen ik 2010 het debuut van Villagers beluisterde, was ik gelijk verkocht. Een tikkeltje eigenzinnig, die Conor O’Brien, met als resultaat een aantal zeer interessante en gewoon goede songs. De opvolger vond ik net wat minder, maar nog steeds goed voor 4 sterren; die was iets meer gefocust op de band. En vorig jaar kwam de derde uit, die weer de aandacht vestigt op O’Brien zelf, en in het bijzonder zijn geaardheid. En dat levert alweer een mooi album op.

Opener ‘Courage’ is een mooie liefdessong, die erover gaat dat je soms de moed moet kunnen opbrengen om bepaalde dingen te kunnen verwezenlijken. De tekst is voor interpretatie vatbaar, natuurlijk, de muziek is dat iets minder; rustig en beheerst, pas naar het einde lichtjes escalerend. Ik vind het zelf meteen de beste song van de plaat.

De gehele eerste helft van de plaat (tot en met ‘The Soul Serene’) is ijzersterk. ‘Everything I Am Is Yours’ heeft een bepaalde soort cool over zich heen hangen, waar je gemoed van opwarmt. Ik weet het, het klinkt vreemd. “Left my demons at the door; so what you’re opening it for?” vraagt O’Brien zich af. Om meteen daarna zelf de conclusie te trekken: “I guess they’ll help you understand; Everything I am”.

‘Dawning on Me’ begint een beetje iel, en bloeit na een minuutje plots open, alsof de winter wordt ingeruild voor de welkome lente. De song bij uitstek om gezellig bij in te dommelen, en daar bedoel ik heus niets slechts mee. ‘Hot Scary Summer’ brengt dan wel iets meer schot in de zaak, met vooral een briljante tekst, die een inkijk geeft in de ziel en gevoelens van O’Brien. Hij spreekt openlijk over het homo-zijn, over homofobie en over het soms gedwongen spelen van een rol (“We got good at pretending; and then pretending got us good”). En dat allemaal onder spaarzame begeleiding van een gitaar, wat backing vocals en backing vogels.

De hoes van ‘Darling Arithmetic’ is wazig; het had het resultaat van wat geklieder van een kleuter kunnen zijn, maar ook een beroemd abstract schilderij. Op de voorgrond lijkt een figuur met een saxofoon – of iets anders in z’n handen – te staan; op de achtergrond gunt een fletse zon het landschap niet veel licht. Achter het personage lijkt een huis te staan, maar het zou gelijk iets heel anders kunnen zijn. Het is hinken op twee gedachten, angst hebben om het dwaalspoor te kiezen dat door het donkere bos leidt, en zo voelt de muziek op dit album ook wel aan. ‘The Soul Serene’ klinkt namelijk op het eerste gehoor best vrolijk, maar als je wat beter luistert, hoor je de inwendige tristesse wel terug.

Het titelnummer is daarin iets eenduidiger, en kan makkelijk bestempeld worden als de blauwdruk van het album (vandaar ook het titelnummer, neem ik aan). De combinatie tussen de aarzelende gitaar- en pianoklanken en het stemgeluid van O’Brien doet een soort weemoed ontstaan die me wat aan heimwee doet denken. Heimwee naar betere tijden, maar dan wel in de wetenschap dat je die betere tijden wel degelijk hebt beleefd.

Aan die hoopvolle premisse wordt met ‘Little Bigot’ een vervolg gebreid, een nummer dat hier wel de vreemde eend in de bijt is. Op zichzelf een prima nummer, maar ik vind het in deze context niet echt passen. ‘No One to Blame’ en afsluiter ‘So Naive’ ademen dan weer wel de geest van het album, en zorgen voor een degelijk sluitstuk waar ik weliswaar niet zo intens van kan genieten als van de eerste vijf nummers, maar dat is zeker geen schande.

Villagers’ derde is wederom een goeie plaat geworden, en het valt me op dat ik weerom hetzelfde cijfer zal uitdelen als aan de twee voorgangers. Is Villagers een vier-sterren-band? Ik vermoed van wel.

4 sterren

Voivod - Target Earth (2013)

poster
3,5
en goeie albumtitel en een kleurrijke, warrige en ietwat futuristische hoes; meer hebben de Canadezen van Voivod niet nodig om de luisteraars nieuwsgierig te maken. Ze kunnen, na vele jaren, inmiddels rekenen op een hondstrouwe achterban, en zijn zoals menige band ook onderhevig geweest aan personeelswissels, zullen we het maar noemen. Zo stierf gitarist Denis D'Amour helaas aan kanker, alweer een aantal jaar geleden. Voor het overige is dit een sterke line-up, met Daniel Mongrain als waardige vervanger, en zanger Snake die zijn rauwe stem (geen grunt! verfrissend) aanwendt.

Het album begint meteen erg goed, met de titeltrack, en het halfkomische 'Kluskap O'Kom' (beginnend met het manische gehijg), dat ritmisch zeker een dikke pluim verdiend (ook Don Cappuccino verdient die, met zijn fraaie drumcover).

'Empathy for the Enemy' is een track die wat minder blijft hangen, maar dit wordt meteen goed gemaakt door 'Mechanical Mind' en 'Warchaic', twee epische dreunen, die bol staan van het technisch vernuft, ouderwetsch gebeuk en verrassende wendingen. 'Resistance' en 'Kaleidos' zijn nog twee stevige nummers, waarin vooral de zang van Snake de show steelt; hij produceert het soort geluid dat ik op z'n zachtst gezegd wel weet te appreciëren.

Een hoge score dringt zich op, zou je zeggen. Het is dan ook erg jammer dat de laatste drie nummers niet het niveau halen van de rest. 'Corps Etranger' irriteert me een beetje qua zanglijnen, 'Artefact' is een nummertje genre 'Empathy for the Enemy', maar nog twee treetjes lager; niet bijster interessant, naar mijn mening. En afsluiter 'Defiance' mag dan wel kort maar krachtig zijn; in de wetenschap dat dit Voivod is, en het wel degelijk een zeer goeie aanzet voor een knoert van een song is, mag je van de Canadezen meer verwachten. Maar ach, ik verkies deze drie minder geslaagde nummers nog steeds boven het verzamelde werk van landgenoot Bryan Adams.

3,5 sterren

Von Lmo - Cosmic Interception (1994)

poster
3,0
Het "Review-Album van de Week" topic heeft een doorstart gekregen, en is ook meteen omgedoopt in "Review'Album van de Maand", en de bezieler van die doorstart, Ataloona, mocht als eerste een suggestie doen. Dat is deze 'Cosmic Interception' geworden van Von Lmo. De man achter Von Lmo is Frankie Cavallo, en naar ik Ataloona's voortreffelijke review geloven mag, is het een speciaal geval. Dat laat zich ook horen in de muziek.

'Cosmic Interception' is een aparte plaat, met een eigen geluid ook, vind ik. Een plaat die mensen ongelooflijk kan aantrekken, maar ook mijlenver kan afstoten. 'Radio World' was mijn eerste kennismaking met het album, en dat vond ik meteen een erg sterk nummer; aanstekelijke melodie, een schreeuwerige stem waar je toch wat aan moet wennen, maar die eigenlijk niet echt storend is, en de grote troef; saxofoonspel.

De saxofoon is de rode draad doorheen dit album, een beetje de bepalende factor. Dominerend, zonder zich op te dringen. Al kan ik prima begrijpen dat sommigen onder ons zich eraan storen. Ik kan er uitstekend mee leven, als het gepaard gaat met een goeie song, of geslaagde experimentatiedrift. In het geval van 'Radio World' kunnen we spreken over een onverdeeld succes, maar helaas is dat niet altijd het geval.

De opener bijvoorbeeld, vind ik nogal aan de saaie kant. Dat is ook een probleem, het is veelal repetitieve muziek, en die herhaling gaat soms wel tegenstaan. Een eerste luisterbeurt laat dat horen, tenminste. Na een paar extra luisterbeurten begon ik meer acht te slaan op de details, die onbestaanbaar leken bij de eerste luisterbeurt. 'Shake, Rattle & Roll' klinkt bijvoorbeeld aanvankelijk als onuitstaanbaar gefreak, maar ik ga steeds meer waarderen.

De twee mixes van het openingsnummer (die hier niet staan vermeld als bonustracks) zijn niet echt het vermelden waard, vind ik. Al moeten ze ook niet onderdoen voor die opener, maar die vind ik vrij zwak. En zo is dit een plaat die de hoogtes afwisseld met de laagtes. Een plaat waarvan ik perfect kan aannemen dat Ataloona er van houdt, en dat Don C. er gek van wordt. Nu ik eraan denk; de zang doet me soms vaagweg denken aan Jello Biafra van Dead Kennedys. Vreemde associatie misschien.

Dat Cavallo beweert dat hij van een andere planeet komt, in de gevangenis heeft gezeten en door bijna niemand gekend is, maakt van hem nog geen miskend genie. Het metalen, haast machinale geluid van het album, de aparte zang en het soms interessante gefreak zorgen er wel voor dat 'Cosmic Interception' geen album is van dertien in een dozijn; een goeie tip van Ataloona, en ik had wel verwacht dat hij met iets dergelijks zou komen. Een voldoende is zeker op zijn plaats.

3 sterren