MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Teeth of Lions Rule the Divine - Rampton (2002)

poster
4,0
Teeth of Lions Rule the Divine (de naam van de band werd ontleend aan het tweede nummer op het album Earth 2 van Earth) is een project van Stephen O'Malley en Greg Anderson van Sun O))), Lee Dorrian (frontman van Cathedral en zanger op de eerste twee albums van Napalm Death) en multi-instrumentalist Justin Greaves (die later bekend zou worden met zijn project Crippled Black Phoenix), die het drumstel bemande.

Het nummer waar de band naar is vernoemd, duurt 27 minuten en 4 seconden. De trage opener van dit album duurt maar liefst 29 minuten en 26 seconden, ontzettend lang dus. De intro, die me erg het gevoel geeft van een soort soundcheck voor een concert (de dreigende drones op de achtergrond, de drummer die met razend geduld welgemikt zijn drumstel beroert), duurt al ettelijke minuten. Daarna ontplooit zich een log beest van een nummer, waar sfeer de boventoon voert. Dat doen die jongens van Sun O))) toch wel meesterlijk, moet ik toegeven, en die rauwe vocalen van Dorrian dragen daar ook toe bij.

New Pants and Shirt staat er dan met zijn (amper!) 7 minuten tussen als een niemendalletje, en maakt op mij ook het minste indruk van de plaat. De sfeer wordt consistent aangehouden, maar memorabel is het allemaal niet. Geef mij dan maar de afsluiter! The Smiler is de titel van het nummer, maar vrolijk klinkt het allemaal niet. Dit is heerlijk trage doom, het riffwerk van O'Malley is werkelijk fenomenaal. De vocalen van Dorrian komen hier ook het best over; het meest getergd.

Het bleef bij deze ene plaat voor Teeth of Lions Rule the Divine. O'Malley maakte ook deel uit van het illustere gezelschap genaamd Khanate. Daarmee kan je dit album ook wel vergelijken, al vind ik Khanate nog een pak smeriger, onheilspellender en meer onrustwekkend klinken. Toch wel een meer dan behoorlijke plaat!

4 sterren

The Adicts - Rise and Shine (2002)

poster
3,5
Kijk, ik vind het fijn als een band na tien jaar met een album komt dat gewoon beter is dan het vorige. The Adicts hebben dat met 'Rise and Shine' gedaan. Het opzet lijkt ambitieus, maar is het niet. The Adicts hebben hun stijl gewoon wat verknipt en verkapt en verhapstukt tot elk liedje zijn eigen ding kon doen. Daar zijn ze met verve in geslaagd.

Favorieten zijn het jolige 'Madhatter', 'Popcorn', korte maar bijzonder toffe intermezzo 'I Want to Marry a Lighthouse Keeper' en het retrospectieve 'We Look Back'.

Compositorisch gezien misschien hun beste plaat, maar ik blijf de voorkeur gunnen aan het heerlijk snedige debuut.

3,5 sterren

The Adicts - Songs of Praise (1981)

poster
4,0
Zeer fijn album van The Adicts, een band die zijn bestaan grotendeels dankt aan de roman 'A Clockwork Orange' van Anthony Burgess. Ik heb enkele uurtjes geleden de verfilming van Stanley Kubrick nog 'ns gezien, en moest meteen denken aan deze band, waarvan ik de muziek een jaartje of 8 geregeld beluisterde.

En ook nu blijft dit moeiteloos overeind. Van de opener 'England' over hoogvliegers als 'Mary Whitehouse', 'Get Adicted', 'Viva La Revolution' en 'Numbers' gaat het in één rechte lijn naar het titelnummer. 16 haltes in nog geen 40 minuten, bijna Ramones-tempo dus.

In mijn jonge jaren (lees: 16 tot 19) luisterde ik heel veel van punk. Veel van die bands ben ik nu compleet vergeten, of vind ik toch niet meer zo fantastisch. Gelukkig is er ook wel één en ander blijven hangen, zoals Ramones, Dead Kennedys en The Casualties. En dus ook The Adicts. Niet zo rock 'n roll als Ramones, niet zo rauw als Dead Kennedys en niet zo bruut als The Casualties, maar ook heel erg goed. Op een andere manier.

4 sterren voor dit uitstekende debuut!

The Antlers - Burst Apart (2011)

poster
2,5
‘Hospice’ was de grote doorbraak voor The Antlers, en met ‘Burst Apart’ hebben ze bevestigd. In de ogen van de meeste mensen toch, blijkbaar, gezien de vrij hoge score die de palat toch krijgt hier op MuMe (schommelt rond de 4 sterren op moment van schrijven). ‘Hospice’ is een loodzware plaat, die je op verschillende manieren kan interpreteren, alleen niet op een licht verteerbare manier. Erg moeilijk dus, om een opvolger te maken. Peter Silberman en de zijnen hebben een poging gedaan, en voor mij is die slechts half geslaagd.

Ja, de toon is lichter dan op ‘Hospice’. Dat kon ook moeilijk anders. Nog eens zo’n plaat, dat overleef je toch niet? ‘Burst Apart’ is een aangename popplaat geworden, met leuke deuntjes. De klik is er echter niet gekomen, en ik schat de kans dat die ooit nog zou komen relatief klein in. Er staat zeker kwalitatief sterk materiaal op, zoals het slotnummer en het prachtige ‘French Exit’. Maar ik blijf na het beluisteren van deze plaat met een soort van onvoldaan gevoel zitten. Telkens weer.

De nummers op ‘Burst Apart’ klinken soms onaf, alsof er eigenlijk nog aan gesleuteld moet worden. Het duidelijkst is dat bij ‘Tiptoe’. Een kort nummer, en het klinkt gewoon onaf. Het is meer een idee dan een song, heb ik de indruk. Ook heeft de band een iets minder uniek geluid nu, vind ik. ‘Parentheses’ is bijvoorbeeld duidelijk ontleend aan Radiohead (heeft ongeveer iedereen hier al opgemerkt). Het enige verschil is dat dit minder beklijvend is. En ik vond de laatste van Radiohead al niet zo geweldig.

Het is niet makkelijk, om vrolijk over te komen na zo’n zieluitstorting als ‘Hospice’. Ze proberen het wel, daar niet van. Maar het klinkt geforceerd. ‘Every Night My Teeth Are Falling Out’ heeft zo’n sound (al is het tekstueel niet al te positief); ik geloof er gewoon niet in. Dat mankeert aan deze plaat; zij weet mij te weinig te overtuigen, kan mij slechts bij vlagen over de streep trekken. ‘No Widows’ is ook zo’n gevalletje; gevarieerd nummer, met een O.M.D.-riedeltje, een slepend deel, een dreigend deel, misschien een paar beklijvende seconden. Ik vind het vooral een saai nummer, jammer genoeg. Met de nadruk op jammer genoeg, want ik had het ook liever anders gezien.

Natuurlijk staan er ook mooie dingen op deze plaat, zoals eerder al vermeld. ‘Rolled Together’ vind ik best mooi, de aanzwellende blazers trekken de hele song omhoog. ‘Hounds’ vind ik ook een mooie sfeerschets, bij momenten bezwerend en lichtjes spelend met electronica. ‘Corsicana’ is heerlijk rustig, en ‘Putting the Dog to Sleep’ is mijn persoonlijke favoriet, dus het einde van het album vind ik wel goed. Jammer genoeg wordt dit niveau niet gehaald in het begin (met uitzondering van ‘French Exit’, dus).

Een lichte teleurstelling toch, deze nieuwe van The Antlers. Ik keek er in zekere zin naar uit. Een sof is het niet geworden, want hier en daar is wel een lichtpuntje te vinden, maar ‘Burst Apart’ komt nog niet tot aan de enkels van ‘Hospice’.

2,5 sterren

The Beatles - 1 (2000)

Alternatieve titel: One

poster
4,5
Schitterende verzamelaar, al was de geluidskwaliteit van de eerste uitgave in 2000, als ik de berichten hier mag geloven, niet al te best. Gelukkig kreeg deze in 2015 een remaster, en ik moet zeggen dat het fantastisch klinkt!

Ik beluister niet al te vaak verzamelalbums, maar werd op deze compilatie attent gemaakt door niemand minder als Marc Didden, die in deze woelige tijden voor enig houvast zorgt dankzij zijn wekelijkse rubriek tjingeltjangel in HUMO, waarin hij uiterst enthousiast en geestdriftig chronologisch door de geschiedenis van de moderne (pop)muziek wervelt. Een absolute aanrader om te lezen!

In het stukje van deze week ging het over The Beatles, en deze verzamelaar in het bijzonder werd aangeprezen. Meer zelfs, de heer Didden nam de moeite om elke tracktitel op papier te zetten. Mede dankzij zijn enthousiasme ben ik ondertussen aan de laatste noten van Let It Be toegekomen, en heb ik er een schitterende reis door enkele van de beste hits van deze band opzitten.

Natuurlijk ontbreekt er wel het nodige, in vergelijking met mijn eigen fictieve greatest hits, maar van The Beatles kan je een compilatie van 100 nummers samenstellen en dan nóg songs vergeten. Daarom ben ik ook meer een fan van studio-albums, maar dit is toch wel één van de betere compilaties die ik ken!

4,5 sterren

The Besnard Lakes - The Besnard Lakes Are the Roaring Night (2010)

poster
3,0
The Besnard Lakes zijn gevestigd in Montréal, Canada en aan het hoofd staat een getrouwd paar. Het doet je denken aan een andere Canadese band, Arcade Fire. De muziek zelf doet soms ook wel denken aan Arcade Fire, maar dan toch wat slapper naar mijn mening. De plaat opent met het tweeluik 'Like The Ocean, Like The Innocent'. Wat me opvalt is dat het nogal drukke muziek is, met een vol geluid. Best een goed nummer trouwens, die opener.

Wanneer 'Chicago Train' inzet, merk je meteen het contrast met het vorige nummer. Hoe druk dat was, hoe rustig en at ease dit nummer begint. Dit is trouwens één van die momenten dat het me erg aan Arcade Fire doet denken.. Die stem in combinatie met de zwaarmoedige strijkers.. Mooi nummer, dat wel, m'n favoriet op deze plaat.

Het volgende nummer heet 'Albatross'. Heb ik niet zoveel mee, eerlijk gezegd.

Dan maar snel naar het volgende nummer, 'Glass Printer'? Om eerlijk te zijn vind ik dat nummer ook maar niets. Hoe komt dit nu? Wel, ten eerste vind ik het iets te druk, te veel gedoe, zonder écht naar een climax toe te werken. Dat is nu niet noodzakelijk, maar zulke details maken wel het onderscheid tussen sterke songs en degelijke songs. En degelijk is het nog wel, hoor.

Hierna krijgen we weer een tweeluik: 'Land of Living Skies'. Dit tweeluik is opgebouwd volgens hetzelfde principe als de opener: kort, instrumentaal introotje, om een sfeer neer te zetten misschien, gevolgd door een langer tweede deel, in dit geval een goed nummer.

Een recensie op de site van digg over deze plaat heeft als titel ‘Faux Zeppelin en Pink Fraud’. Dat is toch een beetje hard, vind ik. De invloeden zijn er zeker (de sfeerzetting van Pink Floyd, de gitaren van Led Zeppelin), maar zo erg vind ik het toch niet. ik bedoel, het is geen smaakloze karikatuur van één van deze legendarische bands. Maar inderdaad, wat The Besnard Lakes hier doen, dat deden zowel Pink Floyd als Led Zeppelin beter. Maar goed, nu weet u waarom ik moeilijkheden heb met een titel als ‘And This Is What We Call Progress’.

Het langste nummer van de plaat is ‘Light Up The Night’, en ook één van de (goed gekozen titel dus) lichtpuntjes. Mooie sfeerzetting, misschien wat sloom, maar het klinkt oprechter dan andere, heftigere nummers. Dit nummer drijft op een spanningsveer, en nu doen de leden van The Besnard Lakes tenminste wat ze moeten doen; het nummer ruim vier minuten laten drijven, om vervolgens toch wat vaart te maken (dat had van mij zelfs niet gemoeten). Het is misschien omdat er enig geduld voor de dag wordt gelegd, dat de snerpende gitaren en hardere drums beter aanvoelen. Volgende keer dus meer van dit!

Afsluiter ‘The Lonely Moan’ zou me niet eens de moeite waard lijken om te vermelden, als het nummer niet een bepaalde aantrekkingskracht in zich zou herbergen. Ik ben dan ook benieuwd wat ik hiervan vind nadat ik het enkele maanden niet meer heb opgelegd.

3 sterren

The Big Moon - Walking Like We Do (2020)

poster
3,5
Mooie plaat, inderdaad. Deze sympathieke band, bestaande uit vier dames uit Londen, brengt met Walking Like We Do een fris, geïnspireerd klinkende opvolger voor het in 2017 verschenen Love in the 4th Dimension. In de tussentijd heeft de band, naast het opnemen van de nieuwe liedjes uiteraard, o.a. getoerd met Pixies. Dat zal hen, wat hun live-performance betreft, zeker geen windeieren hebben gelegd. Ik verwacht dan ook dat ze live wat steviger uit de hoek durven komen, want als ik toch een puntje van kritiek mag geven, is dat het soms wat dof klinkt.

Toch is het niet al te gepolijst. Sommige songs doen me bijvoorbeeld wat aan First Aid Kit denken (vooral een aantal zanglijnen, zoals in Waves). Toch klinkt het wat rauwer, en daar ben ik niet rouwig om.

De dames doen eigenlijk alles meer dan behoorlijk, van de uitgekiende instrumentatie tot de vaak wat ironische teksten waar behoorlijk wat humor in schuilgaat. Zelfspot en -ironie lijkt hen sowieso niet vreemd te zijn.

Na een frisse opener is Your Light meteen een hoogtepuntje, met die fraaie climax richting het einde van de song. Dog Eat Dog heeft daarna een aanstekelijk ritme en relevante tekst; Why is een popsong die aanzet tot meezingen. Daarna is het even wachten op een volgend hoogtepunt, met Holy Roller. Het album weet vervolgens fraai af te sluiten met het uitbundige A Hundred Ways to Land (waarin de albumtitel te horen is, trouwens), en mijn stiekeme favoriet ADHD, met een even simpel als doeltreffend refrein:

"Is it really you or is it me;
Or is it ADHD?
ADHD, is it you or is it me?
I don't have to think;
I know."


3,5 sterren

The Black Box Revelation - Silver Threats (2010)

poster
4,0
De tweede van Black Box Revelation is er wederom eentje om in te lijsten. Het verschil met hun debuut zit 'm vooral in het feit dat ze hier meer hebben gefocust op een eigen geluid, al komt bij het nummer 'Do I Want To' de naam White Stripes toch weer erg opzetten, en las ik hier ook al ergens de naam Oasis bij het nummer 'Sleep While Moving', wat ik na beluistering dien te bevestigen.

Beginnen doen we met 'High On A Wire'; je wordt meteen wakker geschud door dit energiek nummer, één van de beste nummers op dit album, één van de beste nummers uit hun nog prille discografie. Heel erg aanstekelijk, zowel strofe als reffrein; klasse.

'Where Has All This Mess Begun' beschrijft Jan Pasternoster als het beste nummer dat hij tot nu toe al heeft geschreven. Daarin kan ik hem niet bijtreden, al blijt het uiteraard een erg goed nummer, heel rauw en donker.

Het derde nummer dan, 'Run Wild', een geweldig kick-in-the-facenummer, als ik het zo mag benoemen. Ik kan het niet genoeg herhalen; wat een energie herbergt dit nummer, net een nietsontziende wervelwind door de bossen van Dendermonde (als daar al bossen zijn überhaupt).

'5 o' clock Turn Back The Time' en 'You Better Get In Touch With The Devil' halen het niveau van hun voorgangers dan weer niet; het zijn vrij ordinaire rocksongs, die geen echte meerwaarde geven aan deze plaat.

Dan komen we aan bij 'Do I Know You', het hoogtepunt van razernij, een hoos geweld, bruut lawaai, maar o zo aanstekelijk, en o zo'n sterk nummer. Alles klopt; de strofes, het reffrein, de gitaarsolo, om nog maar te zwijgen van het brilliante drumspel van Dries Van Dijck, die toch over gans het album meer dan een eervolle vermelding verdient.

Als na stilte de storm komt, geldt het tegenovergestelde ook, moeten de heren gedacht hebben, want ‘Sleep While Moving’ is een nummer dat de luisteraar een kans geeft om adem te halen, en de vergelijking met Oasis is niet veraf, dat klopt. Meer dan degelijk nummer.

‘Our Town Has Changed For Years Now’ is ook een vrij rustig nummer, en hell I like it! De heren kunnen dus meer dan alleen raggen op die gitaar en mokeren op die drumvellen. Een aangename verrassing, dit nummer, niets dan lof.

‘Love Licks’ nog zo’n geweldig nummer, het mag allemaal weer wat vettiger, en dat is ook aan de tekst te horen. Paternoster laat zich helemaal gaan, met die rauwe, asgrauwe stem van hem. M’n absolute favoriet na één luisterbeurt, en nu staat ie nog altijd erg hoog aangeschreven.

‘You Got Me On My Knees’, het tiende nummer, is een beetje een voorbode voor wat nog komen moet; het nummer springt er niet uit, maar bezorgt de jongens ook geen schaamrood op de wangen. Ik zou het situeren in de grijze middenmoot. Doch wat er na komt, ‘Here Come The Kick’ is een ander paar mouwen. Ruim 9 minuten lang wordt de luisteraar verwend met allerlei geluiden, ontsproten uit de gitaar van Paternoster, en het wordt hoe verder de song vordert, hoe ongelooflijker, tot de climax bereikt is, waarna stilaan wordt afgebouwd. Ik heb in HUMO gelezen dat het nummer vergeleken wordt met ‘Like A Hurricane’ van Neil Young, maar helaas pindakaas; dat zou teveel eer zijn. Toch blies dit nummer me zowat van m’n sokken, ik had het echt niet verwacht na tien vrij korte nummers (met uitzondering van ‘Where Has All This Mess Begun’, misschien een verborgen indicatie?).

Ik ga dit album niet vergelijken met ‘Set Your Head On Fire’, omdat dat niet eerlijk is, niet tegenover ‘Set Your Head On Fire’, dat als debuut altijd wel één of andere invloed heeft, maar ook niet tegenover ‘Silver Threats’ dat hoge verwachtingen schepte, net door de klasse van het debuut. Wel kan ik zeggen dat dit album nog in de lijn ligt van de voorganger, al zijn er wel degelijk vorderingen geboekt, naar een eigen geluid gestreefd, etc. ik ga dit album dus niet hoger inschatten dan het debuut, maar minder zou ik het zeker niet noemen.

4 sterren

The Black Keys - Brothers (2010)

poster
3,5
Bluesfans aller landen, verenigt u, en luister vooral naar deze plaat! The Black Keys zijn er met 'Brothers' in geslaagd een meer dan behoorlijke, maar vooral fantastisch geproduceerde plaat uit te brengen, vol vette songs die (de meeste toch) vrijwel perfect ineen steken.

Vooral de instrumentatie op deze plaat is geweldig. Op het geschikte moment wordt er uitgepakt met het geschikte instrument, luister maar eens naar de cover 'Never Gonna Give You Up', die gewoonweg fantastisch wordt uitgevoerd!

Aanstekelijk spul ook, deze songs. 'Everlasting Light', 'Next Girl', 'Tighten Up', ... ik kan ze vrijwel allemaal gaan opnoemen.

Ik vind het wel jammer dat Danger Mouse slechts voor één track als producer wordt ingezet, namelijk 'Tighten Up'. Mijn favoriet nummer op deze plaat, hier wordt de compromis tussen blues, soul en rock & roll het best gevonden. Van mij had ie nog wel meer tracks mogen produceren, maar Dan Auerbach en Patrick Carney wilden meer het heft in handen nemen blijkbaar..

De 'electro'-toevoegingen vind ik hier zeer goed gedaan, dragen bij tot de sfeerzetting, passen heel goed bij het gitaarwerk en benadrukken het spelplezier van deze twee kerels.

Echt zwakke nummers staan hier niet op, ik las ergens in een eerdere post dat de plaat wat inkakt na 'Ten Cent Pistol'; nu vind ik de eerste helft van de plaat ook wel de beste, maar songs als 'I'm Not The One', 'Unknown Brother' of de fantastische cover ('k zal het nog maar eens zeggen) van 'Never Gonna Give You Up' kan men bezwaarlijk opvullertjes noemen. De rustige afsluiter 'These Days' had wel wat korter gemogen.

Al wat me nu nog rest, is te zeggen dat ik hoop dat ze volgend jaar alweer met een nieuwe plaat komen, en hopelijk wordt het weer zo'n plaatje als dit!

4 sterren

The Black Keys - El Camino (2011)

poster
3,5
Tweede goeie plaat van The Black Keys in twee jaar. Het steekt goed in mekaar, makkelijk in het gehoor liggende riffs, extreem meezingbare refreintjes, en dan heb je ook nog eens die geniale videoclip van opener 'Lonely Boy'. Voorganger 'Brothers' had ik aanvankelijk op 4 sterren staan, enkele weken geleden heb ik die met een halfje omlaag gehaald. Bij 'El Camino' zou het zomaar de andere kant op kunnen gaan.

Elf sprankelende poprocksongs staan hierop, de één al catchier dan de ander. Dat leidt ook een beetje tot een onevenwicht; ik ben bijvoorbeeld gek op die opener, terwijl er ook nummers opstaan die me heel wat minder weten te bekoren. 'Nova Baby' bijvoorbeeld. Maar goed, mochten de eerste vier songs als EP zijn uitgebracht, dan was het waarschijnlijk één van de beste EP's geweest die ik ooit heb gehoord. Het niveau is erg hoog tot en met 'Little Black Submarines'.

Maar het is dus een langspeler geworden, en deze klinkt ook alweer een stukje minder bluesy dan de voorganger. Al is het er nog altijd in terug te horen (al is het maar de geweldige zang van Auerbach). The Black Keys zijn in relatief korte tijd erg populair geworden, een beetje zoals Kings of Leon. Het grote verschil is dat ik dit tweetal heel wat beter vind dan die Followillfamilie.

Saaie muziek is het zeker niet. Er valt altijd wel wat te beleven met het duo Auerbach-Carney. Je kan ze enkel verwijten dat ze nu wel heel nadrukkelijk het grote publiek opzoeken, maar ze doen het tenminste op een smaakvolle, kwalitatieve manier. En het blijft natuurlijk hun kostwinning, en ik gun het ze, die populariteit. Liever dit soort bands dan het zoveelste popsterretje.

3,5 sterren

The Black Keys - Turn Blue (2014)

poster
3,5
Deze plaat van The Black Keys is beter dan ik in eerste instantie had verwacht. Single 'Weight of Love' liet niet bepaald het allerbeste verhopen, maar is dan toch een bescheiden groeier gebleken. Dit nummer doet me gek genoeg denken aan de muziek van Sioen voor de Belgische TV-serie 'Marsman'. In al zijn uitwaaieren een aardige song.

De stroming waar de hoes iets te duidelijk naar solliciteert, hoor je ook terug in de elf songs die op 'Turn Blue' staan. Psychedelica. Duidelijke invloeden van bepaalde bands uit het verleden zijn niet te horen, maar laten we het er op houden dat het duo goed heeft geluisterd, en zijn eigen draai aan het totaalplaatje heeft gegeven. Het extra pigment is deze keer een scheut soul en een snufje funk, gekenmerkt door het charismatische stemgeluid van Auerbach en het fijne drumwerk van Carney.

Een aantal nummers klinken me net dat tikkeltje te easy, zoals 'Fever', en dat werpt een lichte smet op het volbloed pop-karakter dat deze plaat bezit. Dat het aanslaat, zullen de verkoopcijfers ongetwijfeld bewijzen, en The Black Keys vind ik één van die hypes die niet geheel onterecht is. Ze maken, met hun tweetjes, gewoon erg fijne muziek, en de productie is ook altijd goed, bij elke plaat een beetje cleaner, heb ik de indruk. Maar of dat erg is? Neen, ik denk het niet.

Favorieten zijn dan toch de opener, het titelnummer, en de geweldige tandem 'Year in Review'-'Bullet in the Brain'. Ook de afsluiten mag er, in al zijn catchiness, zeker zijn.

3,5 sterren

The Bony King of Nowhere - Eleonore (2011)

Alternatieve titel: Les Géants

poster
3,5
‘Alas My Love’ was enkele jaren geleden een op z’n minst verrassend debuut voor deze Bram Vanparys, AKA The Bony King Of Nowhere. Een plaat die ik de laatste tijd weer wat meer placht te draaien, omdat hij recentelijk met een opvolger op de proppen is gekomen. ‘Eleonore’ heet die plaat, en ze gaat een beetje voort op het elan van het debuut, maar ergens ook weer niet. Waar ‘Alas My Love’ mistiger klonk, als gemaakt op de top van een besneeuwde berg, klinkt ‘Eleonore’ meer down to earth.

Een naam die met de stem van Vanparys geassocieerd wordt, is Thom Yorke. Nou, het lijkt er soms wel gevaarlijk op, maar qua sfeer maakt deze man toch geheel andere muziek. Meer in de trant van een Nick Drake, of (om het in België te zoeken) Isbells. Of Fleet Foxes, de naam die mij op sommige songs toch wel erg voor de geest springt. Zoals op opener ‘Sleeping Miners’. Die samenzang vraagt er natuurlijk wel om, en dat folky gitaarspel al helemaal. Mooie opener, zeker wel. ‘Girl From The Play’ zet het zangtalent van Vanparys in de verf, bijgestaan door spaarzaam getokkel op zowel gitaar als piano als drums. De zang is meeslepend en doet wat nostalgisch aan.

‘The Garden’ begint erg klein en lieflijk, met ingehouden zang. Tekstueel is het allemaal erg fraai, maar mis ik af en toe toch een randje, wat het nog interessanter zou kunnen maken. Wanneer Vanparys dan “Today I leave it all behind” zingt, rijzen de haren op mijn armen wel ten berge. ‘Going Home’ begint herkenbaar, ik heb de indruk dat ik al eerder een nummer heb beluisterd dat ongeveer zo begint, maar ik kan er niet meteen opkomen. Alles blijft spaarzaam, en dat komt ’s mans muziek misschien ook wel ten goede. Af en toe kan het wat saai worden, en dreig je de draad kwijt te spelen, maar dan is er toch weer zo’n flits die je doet ontwaken.

‘Hear Them Calling’ is ietwat zwieriger, zorgt voor wat leven in de brouwerij. Zowaar een bescheiden gitaarsolo (als ik het al zo mag noemen). Voor de rest vind ik het geen hoogvlieger, maar wel degelijk, zoals het merendeel op deze plaat. ‘The Poet’ vind ik wel erg mooi, niet alleen qua songstructuur, maar ook (en vooral) qua tekst. Het nummer heeft zijn titel niet gestolen, Vanparys toont zich bij vlagen een poëet. Zijn zang is ook enorm meeslepend op dit nummer, en ja, een beetje Thom Yorke-achtig, maar wat geeft het. Hij heeft voor mij genoeg eigen geluid, om het hem te vergeven.

De titelsong dan. De stem van Vanparys wordt prachtig bijgestaan door de backing vocals, erg lieflijk allemaal. Het meisje waarover hij het heeft, zal erg opgetogen zijn als zij weet dat dit voor haar bestemd is (en ik ga ervan uit dat Eleonore een soort schuilnaam is, die ook nog eens erg poëtisch klinkt, de warme ziel). “But will you stay, if I tell you, Eleonore; what you see is what you get, Eleonore?”. Erg fraai allemaal. Dit nummer herbergt ook weer een stuk dat erg aan Fleet Foxes doet denken. Op het einde, in de laatste minuut, met die samenzang en meteen daarna dat halfverloren gitaartje. Prachtig, je waant je op een moeras, en de sfeer van het debuut komt ook weer eventjes piepen.

Die sfeer zet zich deels door in het spookachtige ‘Some Are Fearful’. Vooral het refrein is begeesterend, dit is toch weer één van zijn sterkste songs. De song doet me een beetje denken aan dichte bossen waar de huilende wind heerst. Terwijl het eigenlijk, zoals heel de plaat, vrij ingetogen is, is er toch duidelijk dat verontrustende element in zijn muziek terug te horen. Het laatste nummer, ‘Mother’, duurt me wat te lang. Bovendien klinkt dat gitaargetokkel me wat te bekend, en ook niet bijster origineel in de oren. Wat niet wegneemt dat het lekker wegluistert, natuurlijk. Tekstueel levert het ook weer een boeiend verhaal op, en dat zou in de toekomst wel eens een steeds grotere troef kunnen worden van The Bony King Of Nowhere.

Een dik halfuur rustige folkmuziek, met mooie verhalen, meer moet dat soms niet zijn. Bram Vanparys zorgt ervoor onder zijn trouwens spitsvondige alter ego The Bony King Of Nowhere, en als het van hem afhangt, dan komt er dit jaar nog een derde plaat. In een interview met HUMO heeft hij meegegeven dat hij in 2013 al aan zijn vijfde of zesde plaat zou willen zitten, en niet aan zijn derde. Laten we het hopen!

3,5 sterren

The Boxer Rebellion - The Cold Still (2011)

poster
4,0
The Boxer Rebellion is een band die ik nooit echt heb gevolgd. De interesse was er wel, maar het kwam er nooit van. Een tijdje geleden stuurde een vriend een link door van een ouder nummer van de band (ik weet niet meer wat de titel was), en dat klonk erg goed. Nu er een nieuwe plaat van hen uit zou komen, ging ik het toch maar eens proberen. En dat is uitermate positief uitgevallen.

Opener ‘No Harm’ raakt meteen de juiste snaar. Aanvankelijk is het even wennen aan de stem van de zanger, maar eens je daarover bent, ontwaar je toch dat deze band een goed gevoel voor melodie heeft. En na verloop van tijd wordt die zang zelfs een kracht; zoals dat in het geval van Win Butler ook zo is, bij Arcade Fire. Die naam lees ik hier trouwens wel eens, als vergelijkingsmateriaal, maar daar hoor ik toch niet zoveel van terug. Dan eerder een vleugje The National. Ook dat heerlijke drumwerk.

‘Step Out Of The Car’ is een heel ander nummer, vind ik. Vinniger en gevatter. Meer herkenbaar, en toegankelijker, een ideaal popnummer, eigenlijk. Tekstueel is het niet allemaal even geweldig, maar als je goed luistert, ontdek je toch van die mooie regels. Al ligt de klemtoon toch vooral op het instrumentale, denk ik. ‘Locked In The Basement’ is het volgende nummer, en dat ligt qua zang weer wat dichter bij de opener. De zanger klinkt ijler, alsof hij van op een wolk de menigte toespreekt.

‘Cause For Alarm’ is dan weer niet zo’n memorabel nummer, maar ach, ik heb al veel slechter gehoord. Het pianospel vind ik een goede toevoeging op dit nummer, het past perfect. Het “dum-dum-dum”-stukje doet ook erg aan The National denken, de zanger lijkt daar net een Matt Berninger light. Het raakt wel, maar het is geen voltreffer. Het volgende nummer, dat is echter wel een voltreffer. Een wat meer ingetogen nummer, en daar lijken deze heren nog het beste in. Mooie melodie, de zang die er prima bij past, en drums en basgitaar die zich braafjes op de achtergrond houden, maar toch heerlijk aanwezig zijn. Als de piano dan invalt rond de 3 minuten, en het geluid een beetje aanzwelt, voel je dat er nog een bruisende finale gaat aankomen, en The Boxer Rebellion laat z’n luisteraars niet in de steek. Er wordt een verrassende gitaarlijn ingezet, de drummer heeft sein gekregen om terug wat heftiger te gaan spelen. Daarna wordt het nummer op rustige manier beëindigd.

‘Organ Song’ opent met, jawel, een orgel. Een nummer dat aangenaam in het gehoor ligt, en niet al te moeilijk is. Het is een nummer waarop ik maar moeilijk kan stil blijven zitten, vooral dankzij het stuwende drumritme. ‘Memo’ is ook zo’n erg leuk popnummer, maar weet niet helemaal te beklijven. Op zich geen verkeerd nummer, maar één van de mindere.

‘Both Sides Are Even’ vind ik nu niet meer het beste nummer, maar dankzij deze song ben ik wel blijven luisteren naar deze plaat. De eerste luisterbeurten was het voor mij soms echt harken om erdoor te raken (misschien een beetje overdreven), maar dan kwam deze song, en dan kwam het grotendeels toch nog helemaal goed. Ook afsluiter ‘Doubt’ is zo’n voortrekker; prachtig nummer, en in tegenstelling tot ‘Both Sides Are Even’ blijf ik dat een geweldig mooi nummer vinden. Erg ontroerend, terwijl ‘Both Sides Are Even’ na enige keren luisteren toch een beetje gekunsteld gaat klinken. Maar ik kan wel begrijpen dat deze song de meeste mensen kan bekoren.

‘The Runner’ is ook zo’n nummertje genre ‘Memo’; wel goed, niet geweldig. Al is de bescheiden versnelling in het nummer wel verrassend, en dat kan ik wel waarderen. Als het dit was, zou ik 3,5 sterren geven. Doch het beste nummer komt op ’t eind; ‘Doubt’ is, zoals ik al eerder heb gezegd, mijn onbetwiste favoriet. Intro met spaarzaam gitaarspel, dan komt de zang daar bij, beklijvend, zorgt voor rillingen. De zanger drijft zijn stem soms tot het uiterste, maar overschrijdt de grens van het aanvaardbare niet. Misschien een beetje cliché dat het nummer nog wat uit de voegen barst in het tweede deel, maar het luistert zo lekker weg, meneer!

Mijn eerste kennismaking met The Boxer Rebellion, uiterst aangenaam. Grootste troeven zijn het drumspel en de zang (al is die niet altijd even beklijvend). Dankzij de laatste song een sterretje extra.

4 sterren

The Brave Little Abacus - Just Got Back from the Discomfort—We're Alright (2010)

poster
4,0
Dit album werd mij een aantal maanden geleden getipt door Cervantes, en groot was mijn verbazing dat het nog niet op MusicMeter stond (evenals het debuut), terwijl de band op RYM toch een bescheiden cultstatus lijkt te hebben bereikt. The Brave Little Abacus bracht tussen 2007 en 2012 twee langspeelplaten uit, in eigen beheer, die zich vooral ophouden in de emo-hoek. Toch doet men daarmee de plaat tekort, want dit is veel meer dan dat. We gaan dus op exploratie!

De albumhoes wist me meteen te intrigeren. Een grofkorrelige, amateuristisch genomen foto van een man wiens gezicht in een pijnlijke plooi wordt gehouden (is dit bezieler Adam Demirjian?), met op de achtergrond een verlaten tankstation, zo lijkt het wel. Het beeld ziet er wat desolaat en knullig uit, en wekt eerlijk gezegd mijn interesse én sympathie.

Opener Pile! No Pile! Pile (meteen de eerste intrigerende titel in een hele reeks) is zonder meer schitterend, met erg intense, wat snerpende vocalen die me enigszins aan Billy Corgan van Smashing Pumpkins doen denken. De trompetjes zijn ook een erg sfeervolle toevoeging. Please Don't Cry, They Stopped Hours Ago. heeft dan weer een elektronische vibe, en klinkt wat rommelig. Ietwat ontnuchterend na die opener, eerlijk gezegd. Het tweede deel van de song is een pak rustiger; dat gemoedelijke sfeertje en de schelle, emotionele zang klinken verrassend compatibel. In de laatste minuut worden we getrakteerd op een ultieme uitbarsting.

De overgang naar het volgende nummer, Boy's Theme, is naadloos. Dit lijkt me vooral een sfeerschets te zijn, maar dan wel een erg fraaie. Rust primeert, en dat mag al 'ns. A Highway Got Paved Over My Future, I Drive It Getting to School. is, ondanks zijn dramatische titel en opvallend hyperactief intro, een wat onopvallender nummer, en haalt niet de intensiteit van de beste songs op dit album. Slecht klinkt het echter allerminst; een wat grijze track, maar prima op z'n plek hier!

The Blah Blah Blahs begint met wat bliepjes, maar mondt uit in een stevige song met een knappe tekst over palaveren om het palaveren, lijkt het wel. "It's these ideas that waste all my time!", luidt de wat nihilistische boodschap, en daar zit zeker iets in. Het outro gaat verrassend genoeg meer in de richting van ambient. Sfeer is absoluut nog steeds één van de sleutelwoorden.

Can't Run Away is het langste nummer van de plaat en begint rustig, maar de onderhuidse spanning is werkelijk te snijden. De snerpende stemmen vertellen een verhaal dat eerder lijkt te bestaan uit een reeks losse impressies, maar toch ook coherent overkomt. De lotgevallen van een onzekere tiener/jongvolwassene, met alles wat er bij komt kijken, inclusief verlatingsangst ("Unlike running water, can't run away"; mooie uitdrukking!). De laatste twee minuten vormen een (wat te) lange ambient-outro.

Hoewel er niet meteen inspiratie leek te zijn voor een titel (dit nummer zou voortbouwen op het titelloze nummer dat op hun eerdere split met ene Matt Aspinwall stond; ik weet het, klinkt allemaal nogal obscuur), was die er duidelijk wel voor de tekst, die zelfs wat filosofische trekjes vertoont: erg boeiend om te bestuderen. instrumentaal is het ook erg in orde, de trompetjes komen ook weer aan bod en vormen, ik val in herhaling, écht een geslaagde additie. Aubade (Morning Love Song) duurt amper 2 minuten, maar is wellicht m'n persoonlijke favoriet. De bridge ("In the morning I'll be fine") is wondermooi, en maakt me vrolijk en droevig tegelijk. Het outro klinkt ook wat escapistisch ("Let me bathe amidst my ignorance..."), en verwijst ook naar een eerder nummer op de plaat. Everything's connected...

It's Not What You Think It Is is niet wat je denkt dat het is (grapje), maar wel weer een wat onopvallender tussennummer. Solide blijft het zeker wel, deze band wist gewoon een hoog niveau te halen en vast te houden. De song die hierop volgt, is een fraai, kleinschalig instrumentaaltje, vooral in functie van de sfeerzetting, denk ik. Het klinkt wat rommelig, maar daardoor net charmant. Wat opgaat voor het hele album, trouwens.

Bug-Infested Floorboards—Can We Please Just Leave This Place, Now. (weer zo'n geweldige titel!) is naar verluidt geïnspireerd door een verhuis van een vriend van Demirjian, waar hij zelf een handje toestak. Lekker overstuurd nummer, zowel qua zang als instrumentatie, met ook wel wat rustpunten en en fraaie rol voor de accordeon, als ik me niet vergis. En dan zijn we reeds bij de afsluiter gearriveerd, met een toffe Pink Floyd-referentie in de tekst. Het nummer begint wat onderkoeld, maar de spanning wordt op knappe wijze stelselmatig opgebouwd.

Wat is nu mijn conclusie betreffende deze plaat? Wel, ik vind het een plaat met heel wat troeven. Het cultgehalte van de band, de intensiteit van de zanger, het vernuftige web van teksten die constant naar elkaar lijken te verwijzen, de rijke en creatieve, dynamische instrumentatie: ja, ik kan wel begrijpen dat dit een RYM-underground-classic is!

4 sterren

The Casualties - Under Attack (2006)

poster
3,5
Hm, ik ga er toch een halfje bij doen! Ik was destijds wat streng in mijn oordeel, vrees ik. Het mag dan allemaal wat helderder klinken, maar wat songschrijverij betreft zit dit behoorlijk goed in elkaar; een pak minder amateuristisch dan in de begindagen, in ieder geval!

Net als op voorganger 'On the Front Line' zit er een lijn in dit album, een soort rode draad die zichzelf moeilijk laat blootleggen, en daardoor terecht de indruk wekt dat er wat meer onder het oppervlak schuilt..

Stukken beter dan de meeste andere punkbands, schreef ik in mijn vorige bericht. Daar blijf ik, zeker wat street punk betreft, vol achter staan. De meest recente albums moet ik nog zo'n beetje ontdekken, ik ben zeker nieuwsgierig naar de sound van die platen. 'Under Attack' is echter een sterk, consistent album. Er wordt net onder het halfuur afgeklokt, in de beste traditie van mede-stadsgenoten Ramones. En hoewel dit wel een ander soort punk is, zijn The Casualties fervente fans van Ramones, die zo ongeveer elke punkband moeten hebben beïnvloed.

3,5 sterren

The Clash - From Here to Eternity (1999)

Alternatieve titel: The Clash Live

poster
4,0
Erg tof live-document van The Clash, bestaande uit opnames van 1978 tot en met 1982. We krijgen hier onverwoestbare klassiekers als London Calling, Career Opportunities, Guns of Brixton en Straight to Hell te horen. Op ongeveer de helft van de songs is Topper Headon op de drums te horen, maar na zijn gedwongen afscheid in mei 1982 (het liep wat uit de hand met zijn drugsgebruik) van de band werd hij vervangen door Terry Chimes, die vooral on tour depanneerde, want toen The Clash - na ook al het afscheid van Mick Jones, en eigenlijk ook een beetje Paul Simonon - zijn laatste, illustere studio-album Cut the Crap uitbracht, zat er alweer iemand anders achter de kit; een drumcomputer, zowaar!

Laten we de crap nu maar cutten: The Clash is een erg belangrijke band gebleken, en zeker hun debuut, London Calling en Sandinista! kunnen als essentieel beschouwd worden in de vroege Britse punkscene. De band speelde ook graag met andere genres; zo staken ze hun liefde voor ska en reggae nooit onder stoelen of banken. Bewijs op dit album wordt geleverd door de toffe cover Armagideon Time van The Skatalites, en bijvoorbeeld hun eigen Train in Vain lijkt me ook erg geïnspireerd door ska. Een andere cover is het bekende I Fought the Law, geschreven door Sonny Curtis van Buddy Holly's Crickets.

Voor het overige enkel eigen werk, en dat is voor het merendeel geweldig. Alles was tijdens de opnames van deze songs nog koek en ei tussen Strummer, Jones en Simonon, en die chemie is wel terug te horen in de uitvoering van de songs, die met veel energie en plezier gebracht lijken te worden.

4 sterren

The Delines - The Imperial (2019)

poster
4,0
Van deze band had ik nog nooit eerder gehoord, maar de commentaren die ik voor de release van de plaat al las, gaven me wel een indicatie dat dit wel ‘ns wat voor mij zou kunnen zijn. En dat blijkt helemaal de waarheid te zijn.

The Delines hebben met The Imperial een bijzonder fraaie plaat gemaakt, die het vooral moet hebben van de aangrijpende, verhalende teksten van Willy Vlautin (ook bekend van Richmond Fontaine, en die naam deed wel een belletje rinkelen) en de doorleefde stem van Amy Boone, die de teksten treffend voordraagt, niet zelden met een flinke scheut melancholie.

De teksten van Vlautin handelen vaak over de gewone man/vrouw en diens issues. Liefdesperikelen steken ook geregeld de kop op. In Eddie and Polly, over de liefde van een jong koppel en alle besognes die daarbij komen kijken, is een mooi voorbeeld van hoe Vlautin, met veel gevoel en geloofwaardigheid, verhaalt. Hoewel de song qua begeleiding monter klinkt, up-tempo zou je zelfs kunnen zeggen, en Boone niet bepaald terneergeslagen klinkt, kent het verhaal geen happy end, een contrast dat wel vaker gebruikt wordt, en dus niet bijster origineel is, maar mits op deze wijze uitgevoerd, enorm kan raken. Dit nummer steekt er wat mij betreft dan ook bovenuit.

Andere sterkhouders zijn de opener (min of meer hetzelfde trucje als in Eddie and Polly, maar als het werkt, dan werkt het!), Holly the Hustle (een bijzonder confronterende vertelling over het trieste leven van een meisje) en het uitermate melancholisch aandoende He Don’t Burn for Me. Maar eerlijk waar: kaf vind ik tussen het koren alhier niet terug.

Als er dan toch wat op deze plaat kan worden aangemerkt, gaat het misschien de muzikale ondersteuning aan. Die blijft veelal braaf op de achtergrond; er mochten wel ‘ns wat hoekjes af geveild worden. Maar de combinatie van Amy Boone’s stem en Vlautin’s teksten overheersen in feite overvloedig, dus storend is het zeker niet. Op een aantal songs zorgt het er zelfs voor dat het effect op de luisteraar net wordt versterkt. Zo sluit elke plaatkant (twee kanten, elk vijf songs) af met een zeer sereen nummer dat van haast alle franje gestript is, en herleid tot de puurheid.

Want dat is uiteindelijk wel de essentie van deze band, denk ik: de puurheid van de muziek. Ik hoor een groep die er volledig in gelooft, met een zangeres die de teksten meent, en deze met veel overtuiging brengt. En dan zou ik mijn betoog graag afsluiten met een tekstfragment uit Eddie and Polly, dat mijns inziens veel zegt over de thematiek van deze plaat:

”Desperately in love
Desperate, and in love”

4 sterren

The Divine Comedy - Bang Goes the Knighthood (2010)

poster
3,5
En ik ben weer een ontdekking rijker dit jaar. Neil Hannon en zijn Divine Comedy, voor mij tot even terug onbekend. Maar ik ben blij dat ik ze nu WEL ken. Popmuziek zoals die zelden nog gemaakt wordt!

'Bang Goes The Knighthood' is een toch wel afwisselende plaat, naar mijn mening. Ook staat ze bol van de ironie (ik heb hier gelezen dat dit wel eigen is aan Hannon), en daar hou ik wel van.

Zo vertelt 'The Complete Banker' op lacherige manier het verhaal van de financiële crisis, maar het doet je toch ook nadenken. Treffende tekst, mooie omkadering.

Andere hoogtepunten voor mij zijn de titeltrack, over hoe lang het duurt om tot ridder te worden geslagen, en hoe je in één flits door de tabloids kan worden weggevaagd. Ook hier weer die heerlijke ironie; verder het heerlijke relaxete 'Neapolitan Girl' en opener 'Down In The Street Below', een song die wederom uitpakt met sterke lyrics.

Andere songs om te vermelden zijn het zomerse, luchtige 'Island Life' (mooi refrein ook met die vrouwenstem), en 'Can You Stand Upon One Leg', waarmee Hannon voor mij bewijst een cabaretier te zijn, maar, zoals uit de andere nummers blijkt, een cabaretier met een uiterst scherpe tong. Toch is dit nummer een verademing, heerlijk speels en bij vlagen clownesk.

Zijn de andere songs het vermelden niet waard misschien? Oh jawel, zeker, maar ik ga het hierbij laten.

Ligt dit in de lijn van vorig werk of niet? Indien ja, dan heeft The Divine Comedy er een fan bij.

3,5 sterren

The Gaslight Anthem - American Slang (2010)

poster
2,5
Het melodietje van 'The Diamond Church Street Choir' doet wel erg denken aan 'The Passenger' van Iggy Pop. Bovendien klinkt het reffrein als een minderwaardige Bruce Springsteen-parodie. Niet echt origineel dus..

Er staan wel meer nummers op die aan Springsteen doen denken, zoals 'The Queen Of Lower Chelsea', en dat komt uiteraard ook wel een beetje door de stem van de zanger.

Ik heb met dit album een beetje hetzelfde probleem als met de nieuwe van Against Me!; het klinkt allemaal wel erg aanstekelijk ('Boxer', 'American Slang', allemaal van die catchy, poppy riffs), maar kwalitatief vind ik het zeker niet hoogstaand. 't is wel lekker om eens op te leggen natuurlijk.

Het kopieergehalte ligt ook vrij hoog naar mijn mening: ik heb al Bruce Springsteen en 'The Passenger' van Iggy genoemd, maar luister 'ns naar het begin van 'Old Haunts': horen we daar niets dat wel erg gelijkt op de riff van 'Holiday' van Green Day? Mij lijkt het er in ieder geval wel op.

Hebben we ook nog iets positiefs op te merken? Jazeker. Zo vermoed ik dat deze band wel degelijk potentieel heeft (wat ze naar 't schijnt al hebben bewezen met de voorgangers, maar die ken ik jammer genoeg (nog) niet). En dat ze mooie, originele muziek kunnen maken, blijkt uit de afsluiter 'We Did It When We Were Young'. Maar zoals één zwaluw nog geen lente maakt, maakt één heel sterk nummer nog geen sterke plaat.

2,5 sterren

The Low Anthem - Smart Flesh (2011)

poster
4,0
The Low Anthem heb ik in 2009 ontdekt. In HUMO had ik een zeer lovende recensie gelezen over ‘Oh My God, Charlie Darwin’, en ik ben ‘m meteen gaan kopen. Een blinde maar weloverwogen gok, zeg maar. Maar, wat belangrijker is, een juiste gok. Ik koop niet veel platen van bands die ik van haar noch pluim ken, maar deze band wilde ik wel een kans geven. Blij dat ik dat gedaan heb.

Sinds die aankoop ben ik ook wat in het verleden gaan graven, en heb ik ‘What The Crow Brings’ ontdekt, ook een prachtige plaat. De verwachtingen voor deze nieuwe plaat, ‘Smart Flesh’, waren dan ook hooggespannen. En, ik moet zeggen, die verwachtingen worden ten dele toch ingelost.

The Low Anthem bestaat uit enkele Multi-instrumentalisten, wat zich vertaalt in een gebruik van verscheidene ongebruikelijke instrumenten, zoals een zingende zaag en een mondharp. Een groot deel van de plaat werd opgenomen in een verlaten pastasausfabriek, wat de eigenzinnigheid van de band wel aantoont, zou ik denken. Opener ‘Ghost Woman Blues’ werd geschreven door George Carter, een onbekende bluesmuzikant uit de jaren ’20. Als ik dat nummer zo beluister, dan begrijp ik niet dat de beste man onbekend is gebleven; het is namelijk een prachtig nummer (qua tekst), en de instrumentale invulling van The Low Anthem mag er ook wezen.

‘Smart Flesh’ is een vrij divers album geworden. Er wordt minder gas gegeven dan op de voorganger, en er wordt meer aandacht geschonken aan andere genres, zoals duidelijk blijkt uit de heerlijke countrysleper ‘Apothecary Love’. Mooi en meeslepend, had niet misstaan op het eveneens wat ingetogener ‘What The Crow Brings’. Het contrast met ‘Boeing 737’ is dan ook groot: dat is een stamper van jewelste, over brandende torens en de Franse koorddanser Philippe Petit. Dit is mijn favoriet nummer op de plaat, jammer dat het nog geen drie minuten duurt, dus. De naam Arcade Fire duikt op, dankzij het pompende karakter van de song, en de stuwende blazers. Venijnig nummer.

‘Love And Altar’ is uitblazen. Een song waar ik eerlijk gezegd niet zoveel mee heb, het eerste minpuntje misschien. Al kan je van minpuntjes bijna niet spreken bij een band als The Low Anthem. ‘Matter Of Time’ is ook erg ingetogen, maar in tegenstelling tot het vorige nummer, vind ik dit wel erg mooi. Met name de passages met harmonica zijn vertederend mooi. Een uitdrukking die trouwens ook treffend past bij het instrumentale pareltje ‘Wire’. De titel is erg goed gekozen, met weer een verwijzing naar Philippe Petit, en tegelijk vormt het nummer ook gewoon een draad van het ene nummer naar het andere. Het is een overgangsnummer, maar wat voor één! Duidelijk geïnspireerd door klassieke muziek, overdonderend klarinetspel, wat me ook al zo positief opviel op bijvoorbeeld ‘Ticket Taker’ van de vorige plaat. Een song waarbij je heerlijk kan wegdromen, zonder dat het te catalogiseren valt als achtergrondmuziek; daarvoor is het simpelweg te mooi.

De vorige plaat bracht deze band al in verband met namen als Tom Waits, Bob Dylan en Fleet Foxes. Doe er nog maar eentje bij. Op ‘Burn’ zou je bij een eerste beluistering zweren dat Leonard Cohen een gastrolletje heeft toebedeeld gekregen op deze plaat. Wat helemaal niet zo is, de zanger klinkt gewoon erg Cohen. Niet zozeer qua stemgeluid, vooral qua frasering. Die obscure manier van pratend zingen, die Cohen tot in de puntjes beheerst, wordt hier toch vrij dicht benaderd. De zingende zaag wordt ook van stal gehaald, wat voor een soort van bibbersfeer zorgt. De manier waarop Ben Knox Miller zingt: “while the world’s drifting further away”, is verkillend.

‘Hey, All You Hippies!’ is aan de beurt, en er wordt nog eens een versnelling hoger geschakeld. Dat hadden ze bij nader inzien toch net wat meer mogen doen, het kost hen een halfje. Dit is één van de beste nummers, heerlijk sfeertje, een nummer dat het goed gaat doen op festivals, net als ‘Boeing 737’. Die twee nummers kan men indelen in de categorie main stage. De andere nummers zijn meer geschikt voor bescheidener, donkere zaaltjes. De song past perfect bij het gedachtegoed van de hippies, met het subtiele verschil dat het tekstueel de hippies terechtwijst; zij hebben hun moment gehad, tijd voor iets anders.

‘I’ll Take Out Your Ashes’ legt het tempo wederom een pak lager, maar spreekt me wel aan. Op de achtergrond horen we stemmen, wat in combinatie met het aandoenlijke, rustgevende banjospel voor een geslaagd effect zorgt. ‘Goden Cattle’ begint met piano, en Jocie Adams mag eens meezingen (op de achtergrond). Mooie samenzang, maar geen topper, deze song. Wel een mooi, meeslepend refrein. De piano klinkt alsof er wat sleet op gekomen is, de klarinet weet wederom te ontroeren (wat een prachtig instrument, toch!).

Afsluiter is de titeltrack, die misschien net wat te lang duurt, maar al bij al erg mooi is. Men neemt geruim de tijd om het nummer in gang te trekken, en de systematische toevoeging van instrumenten is verkwikkend. Dit nummer zou ik een groeier durven noemen; een eerste beluistering laat nog niet al te veel los, maar naarmate je het nummer meer gaat beluisteren, wordt het alsmaar beter. De sfeer kan getypeerd worden als een kruising tussen melancholie en morbiditeit, een melange van kleurrijk en grijs. Enfin, het is erg moeilijk om een sticker op de muziek van The Low Anthem te plakken, en dat vind ik een pluspunt. het is duidelijk dat zij beïnvloed worden door een rist artiesten, maar tegelijkertijd komt deze muziek op mij over als iets unieks, wat ik nooit eerder gehoord heb. Misschien komt dit door de diversiteit? In ieder geval, The Low Anthem bevestigt naar mijn mening, en een glorieuze toekomst ligt in het verschiet.

4 sterren

The Monochrome Set - Love Zombies (1980)

poster
3,5
Een puike plaat, deze Love Zombies van The Monochrome Set. De heren nemen zichzelf duidelijk niet serieus, getuige in eerste instantie de albumhoes, maar ook de soms lachwekkende teksten (zoals dat geïmproviseerde Frans in R.S.V.P.: "Pas de deux, cordon bleu" ) en het steeds frivole spel.

Dat laatste doet me een beetje denken aan ska-bands als The Specials en Madness, maar ook een punkband als The Adicts (ook Brits, opgericht in de tweede helft van de jaren '70 en op het toppunt in de jaren '80). Het zou me niet verbazen mochten zij aandachtig hebben geluisterd naar The Monochrome Set in de beginjaren. Hetzelfde zou ik kunnen stellen over Toy Dolls, overigens, al is dat pretpunk hor catégorie.

Evenzeer hoor ik de invloeden van bands als The Kinks en The Doors, maar deze markante band is toch vooral zichzelf. En bovenal weten ze ook gewoon hoe een goeie song moet klinken, getuige o.a. Karma Suture en The Weird, Wild and Wonderful World of Tony Potts.

3,5 sterren

The Mountain Goats - All Eternals Deck (2011)

poster
3,5
De zoveelste ontdekking van een band waar ik vreemd genoeg nog nooit van had gehoord. The Mountain Goats is vooral John Darnielle, maar het is wel degelijk een band, bestaande uit drie vaste leden (naast Darnielle ook nog Peter Hughes en Jon Wurster) en een handvol anderen, zoals John Vanderslice. En, zoals op hun site te lezen is, “a litany of drummers we stole from our opening bands”.

Op deze pagina heb ik toch al één en ander gelezen over Darnielle, veelal positieve dingen, en dat komt er voor mij deels ook wel uit, vooral op het vlak van de teksten. Die zijn gewoon erg goed, en elk nummer bevat wel een paar uitstekende lines. Muzikaal vind ik het net wat minder interessant, niet elk nummer blijft in m’n hoofd hangen. Wat niet wil zeggen dat dit saaie muziek is. Integendeel, het is dankzij de karakteristieke stem van Darnielle dat er ook nummers zijn die wel blijven hangen. En dat is een zegen, want zoals eerder gezegd, de teksten zijn vaak om van te smullen.

Ik ga niet elk nummer bespreken (dat doe ik al zo vaak in mijn stukjes, even iets anders proberen), ik licht er de (naar mijn mening) beste uit. Zo kunnen we bijvoorbeeld niet om ‘Damn These Vampires’ draaien; een prachtige opener. De suspense zit precies goed in dat nummer, en tekstueel is het ook een pareltje, vooral het refrein: “Crawl till dawn; on my hands and knees; God damn these bite marks; deep in my arteries; crawl till dawn; on my hands and knees; God damn these vampires; for what they’ve done to me”.

Een andere topper is het ingetogen ‘Age of Kings’. De titel doet sprookjesachtig aan, en de muziek eigenlijk ook wel een beetje. Er zit zelfs een georkestreerd stuk in, dat een bepaalde sfeer oproept, zoals in sprookjes. Ook ‘The Autopsy Garland’ is erg goed, met een paar snedige zinnen, zoals “Fat rich men love their twelve-years-olds; Deco cuff links and cognac by the glass”. Daarna is het toch wel eventjes wachten op een volgend nummer dat echt sterk is, het zijn veelal doorsnee nummers, voor mijn gevoel. Of neen, het duo ‘Prowl Great Cain’-‘Sourdoire Valley Song’ vind ik eerlijk gezegd ook erg sterk, en de songs hangen in zekere zin ook wel wat aan elkaar. Het eerste heeft een vrij donkere teint qua tekst, en ik vind het muzikaal gezien ook één van de meest interessante nummers op de plaat. De tegenstelling opgewekte instrumentatie-donkere tekst wordt tegenwoordig erg veel toegepast, maar ik vind het in dit geval origineel en heel goed gedaan, en dat is het voornaamste. Bovendien weet Darnielle als geen ander hoe hij de luisteraar moet benaderen. “Prowl through empty fields, great Cain”. Meer moet ik niet zeggen, zeker?

‘Sourdoire Valley Song’ klinkt wat opgewekter, en gaat over het leven van Neanderthalers (Sourdoire Valley is in Frankrijk, en de grot van La-Chappelle-aux-Saints is daar gelegen, een vindplaats van deze soortgenoot van de homo sapiens. Darnielle bewijst dat hij zijn geschiedenis kent, met de zin “Half a World away from the Olduvai Gorge”. Dat is een gebied in Afrika, dat soms wel eens “the cradle of mankind” genoemd wordt. Vooral de eerste strofe toont een erg accurate beschrijving van de primitieve levensstijl: “Bang the small rocks on the big ones; til the small ones are Sharp and clean; catch something, kill something; new blade cuts real keen”. Nu kan de luisteraar zich afvragen of Darnielle deze levenswijze wil verheerlijken of niet. Er valt iets voor te zeggen, persoonlijk zou ik niet meteen zonder mijn PC en muziekinstallatie etc. kunnen leven, maar dat komt natuurlijk vooral door het feit dat ik die dingen ken. Neanderthalers kenden het niet, en haalden gewoon elke dag het beste uit hun leven.

Dat zijn volgens mij de beste nummers op de plaat, maar dat wil niet zeggen dat de andere nummers zwak zijn. Er staan een paar songs op die ik niet zo geslaagd vind (zo is ‘Estate Sale Sign’ niet meteen mijn ding, en vind ik ‘Outer Scorpion Squadron’ een tikkie saai). Maar overall bekeken is het een meer dan degelijke plaat, met enkele uitschieters, en vooral een lading aan goede songs, en (de sterkhouder van dit album) erg goeie teksten. Tot slot dus nog enkele memorabele fragmenten:

“See that young man, who dwells inside his body like an uninvited guest.” (‘Birth of Serpents’)

“Set your sights on good fortune, concentrate;
Pull down the hammer, try to hold the gun straight” (‘For Charles Bronson’)

3,5 sterren

The Mountain Goats - Songs for Pierre Chuvin (2020)

poster
3,5
Het was niet de bedoeling dat deze plaat zou klinken zoals ze nu klinkt; Darnielle was namelijk van plan met zijn vaste bandmaats de studio in te duiken. Het beruchte virus dat momenteel de wereld teistert, heeft daar echter anders over beslist, waardoor we Darnielle op Songs for Pierre Chuvin horen zoals in het prille begin van zijn carrière: een lofi-opnamegeluid, minimalistische begeleiding en die karakteristieke stem.

Het plaatje duurt nog geen halfuur, maar dat deert allerminst. Darnielle nam thuis elke avond een nieuwe song op, in tijdelijke isolatie, met de records waarmee hij ook zijn allereerste songs opnam. Dat zorgt voor een charmant, knus resultaat dat erg makkelijk wegluistert. Alle franjes zijn weggestript; wat overblijft, zijn de songs in al hun puurheid. Darnielle bewijst hiermee eens te meer dat hij een straffe songschrijver is.

Hoe hij op dit onderwerp komt (Pierre Chuvin is een Franse historicus die in 1990 het boek A Chronicle of the Last Pagans uitbracht, over de opkomst van het Christendom en de daarmee gepaard gaande ondergang van veel heidense rituelen) zal me worst wezen; wellicht heeft hij het boek ooit gelezen en is erdoor gefascineerd geraakt. Het heeft in elk geval 10 mooie liedjes opgeleverd, en als je de teksten er 'ns op naslaat, kan je opvallende parallellen trekken met de actualiteit.

3,5 sterren

The National - High Violet (2010)

poster
4,5
Bijna 900 berichten, waarvan 10 als mening gemarkeerd, staan al bij het nieuwe album van The National. Eventjes eerlijk wezen, iets toevoegen dat jullie nog niet wisten, dat zal ik niet kunnen doen. Ik kan wel zeggen dat ik de plaat erg weet te waarderen, en regelmatig draai. Genieten is dat.

'High Violet' is op de eerste plaats een geheel, en geen verzameling van losse songs naar mijn mening. Zo kan ik niet meteen een favoriet nummer opnoemen, omdat ze allemaal hun rol spelen in dit prachtige landschap dat The National schept. 'Runaway' bijvoorbeeld, klinkt als enkel nummer helemaal niet meer zo magisch als op de plaat zelf, als in het geheel. Staan er dan helemaal geen radiogenieke songs op? Jawel hoor, ik tel er een tweetal, 'Anyone's Ghost' en 'Lemonworld', dat zijn volgens mij nummers die het op de radio niet onaardig kunnen doen.

De succesvolle ingrediënten van The National kennen we eigenlijk al van 'Boxer', en ook al van daarvoor. De stem van Matt Berninger is zeker een pluspunt voor mij, zwaar, melancholisch, droefgeestig. Het accurate drumwerk mag er ook zeker zijn, en natuurlijk datgene wat er wordt uitgevoerd met viool, cello, blazers, weet ik wat nog allemaal.. Ik heb de indruk dat het allemaal wat grootser is dan op 'Boxer', en dat de instrumentatie beter is uitgewerkt. Zo is afsluiter 'Vanderlyle Crybaby Geeks' op het eerste gehoor een simpel, nogal makkelijk aandoend nummertje, maar het is toch allemaal heel erg fraai qua opbouw.

Tekstueel hebben we natuurlijk ook niet te klagen, ik heb altijd een voorliefde gehad voor de enigmatische teksten van Berninger. Verschillende thema's worden aangesneden. In 'Sorrow' vecht Berninger tegen al het verdriet in de wereld, 'Afraid Of Everyone' is een titel die zichzelf toch een beetje verklaart, en in 'Conversation 16' ontpopt Berninger zich als hersenvretende, kwaadaardige leugenaar (vrije interpretatie ).

Misschien nog een greep in de fraaiste momenten op deze plaat - de allerfraaiste dan, want het zijn er nogal veel!

“I gave my heart to the army; the only sentimental thing I could think of” (Lemonworld)

“Don’t be bitter Anna; I know how you think
You’re waiting for Radio City to sink
You’ll find commiseration in everyone’s eyes
The storm will suck the pretty girls into the sky” (Little Faith)

“What makes you think I’m enjoying being lead to the flood?” (Runaway)

“Try to be nice stay the night with the sinners
Try to be nice stay the night with the sinners
Try to be nice cos we’re desperate to entertain” (England)

“…” (…)

Ik waardeer deze plaat iets meer dan ‘Boxer’, maar toch blijft ‘Sad Songs For Dirty Lovers’ m’n favoriet, omdat die heerlijk rauw en, …, tja, dirty is.

4,5 sterren

The National - Trouble Will Find Me (2013)

poster
4,0
Dat The National – twee broers, twee broers, één zanger – één van de meest succesvolle bands van de laatste jaren is, en dan zeker in het alternatieve circuit (lees, in dit geval: Studio Brussel voor de Belgen), is geen geheim. Maar, je weet hoe dat gaat met populariteit. Een bandje, een zanger of zangeres is al gauw populair bij het grote publiek als het wat oppervlakkig en makkelijk klinkt. De werkende mens ontspant zich graag, blaast graag stoom af, en welke uitlaatklep is daar nu beter voor dan alcohol en eenvoudige feestmuziek? Juist ja, de muziek van De Romeo’s.

The National bewijst echter dat het ook anders kan. De muziek die deze mannen maken, is op de grens tussen de makkelijkere en moeilijkere muziek te vinden. Muzikaal is het allemaal vrij toegankelijk, maar het zijn de schitterende, diepgaande teksten van Matt Berninger – ongetwijfeld geschreven tussen het kraken van twee flessen rode wijn door – die de nummers naar een heel ander, en hoger, plan tillen.

Natuurlijk zijn de 13 nummers die op ‘Trouble Will Find Me’, zoals de nieuwe plaat getiteld is, ook muzikaal meer dan de moeite. De productie is niet aalglad, maar ook niet gruizig. De grijze zone daartussen wordt erg goed benut door de broertjes Dessner, die zich erg knap van deze taak kweten. Een heel scala aan gastartiesten passeert in de 55 minuten tussen de begintonen van het plechtige ‘I Should Live in Salt’ en de heilzame afsluiter ‘Hard to Find’ de revue. Enkele markante namen: Sufjan Stevens (ook al op ‘High Violet’ te horen), die piano, synths en drummachine hanteerde. Annie Clark en Sharon Van Etten (die soms bekoorlijk mooi op de achtergrond te horen zijn). Nico Muhly, de bij vlagen briljante arrangeur die we van onder andere Antony & the Johnsons kennen. En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan.

Om maar aan te tonen dat deze plaat, bovenop de totaalsom van de vijf bandleden, nog ‘ns zoveel extra kwaliteit in huis heeft. Na de zeer goed ontvangen voorgangers ‘Boxer’ en ‘High Violet’ (hun doorbraak bij het grote publiek), vreesde ik aanvankelijk voor een terugval, of op z’n minst een knieval voor de commerciële radio. Maar dat blijkt dus niet het geval te zijn. Het vijftal doet nog steeds waar zij momenteel de beste in zijn; een geest geven aan songs. De sfeer die rond de nummers hangt, is gevarieerd; nu eens beklemmend intiem, dan weer gracieus, nog een andere keer uitbundig. ‘Demons’ was het eerste nummer dat ik hoorde; ik was er meteen weg van. Nu behoort het niet eens meer tot mijn favorieten op dit album. ‘Don’t Swallow the Cap’ is dan weer het omgekeerde verhaal. Dat nummer, dat doet denken aan Joy Division, en waar Berninger zijn keel verrassend openzet en zelfs z’n falsetto bovenhaalt (ik wist niet eens dat deze brombeer daarover beschikte), kon me in eerste instantie slechts matig boeien. Maar nu kan ik het blijven beluisteren; stuk draaien zit er voor het eerst nog niet in.

‘Sea of Love’ was dan het derde nummer dat mijn oren bereikte. De poppy sound verraste me wel; en zo zijn die eerste 3 nummers die ik had gehoord, geheel verschillend van elkaar. Ik wist toen al dat het wel snor zat met het album, en dan zeker de variatie. Maar het is ook belangrijk om een soort eenheid, een soort rode draad in de plaat te stoppen. En, hoewel ik die rode draad nooit kan benoemen, voel ik dit bij de eerdere platen. En ook ‘Trouble Will Find Me’ lijkt één overkoepelend gevoel uit te ademen. En ook ditmaal kan ik het absoluut niet benoemen.

The National schreef ondertussen een nummer voor de bekroonde serie Game of Thrones, en in de videoclip van ‘Sea of Love’ lijkt het alsof Peter Dinklage (de dwerg Thryion in die serie) een verschijning maakt. Maar ik denk niet dat hij het is. Toch is het een erg goeie clip, al volg ik dat hele clipgebeuren niet zo. Maar af en toe slaagt er toch eentje er in om mijn aandacht op te eisen. Zeer aangename, ludieke, vreemd genoeg zelfs hartverwarmende clip.

De albumhoes is intrigerend, en toch wel wat mooier dan die van ‘High Violet’, naar mijn mening. Een interessant beeld, vooral; men heeft een inkeping gemaakt in een spiegel, groot genoeg voor een hoofd, maar niet voor een heel lichaam. Het hoofd wordt erdoor gestoken, en kan zichzelf bewonderen in de spiegel. Maar het ziet zijn lichaam niet, en voelt zich dus stuurloos. En hulpeloos. Het is gedoemd om te blijven liggen, tot het wordt opgeslokt door de duisternis. “If I stay here, trouble will find me”, klinkt het in ‘Sea of Love’. Ziedaar mijn eigen interpretatie voor wat betreft de hoes.

Tot slot haal ik nog enkele uitblinkers uit het totaalpakket, en leg deze onder mijn loep. De eerste die ik bekijk, is mijn absolute favoriet; ‘Pink Rabbits’. Alleen het begin van de song – deemoedige pianoklanken, die op je af komen gehuppeld als een gewond konijntje – maakt de aanschaf de moeite waard. En het wordt alleen maar mooier. Een “pink rabbit” is naar het schijnt een soort drankje met Nesquik en tequila (kan toch niet goed zijn?), maar dat is van minder belang, in feite. ‘Pink Rabbits’ is een schrijnend relaas over een teloorgegane liefde, en hoe de verteller toch wanhopig blijft geloven in het waanbeeld van de onverzettelijke liefde (“Am I the one you think about, when you’re sitting in your fainting chair drinking pink rabbits?”). Uiteindelijk komt de ontnuchtering, maar die gaat gepaard met een schokkende conclusie (“You said it would be painless, a needle in a doll; you said it would be painless; it wasn’t that at all”). Liefde doet zeer. Ook wordt er gerefereerd naar het album ‘Bona Drag’ van Morrissey.

‘Humiliation’ is het ‘Runaway’ van ‘Trouble Will Find Me’. Dezelfde machtige sound, die beter tot z’n recht komt als je het album in z’n geheel luistert. Als op zichzelf staand nummer klopt het plaatje gewoon net niet, en dat heb ik ook met ‘Runaway’. Voor de rest zijn het totaal verschillende nummers natuurlijk, en toegegeven; ‘Runaway’ is nog net wat indrukwekkender. ‘Humiliation’ is wel de enige song die boven de 5 minuten klokt, zij het maar net.

Het eerder aangehaalde ‘Don’t Swallow the Cap’ is een trein die non-stop op je af komt gedenderd. Deze song bruist van het leven, en de verwijzingen naar albums van Nirvana (‘Nevermind’) en The Beatles (‘Let It Be’) zijn ook mooi meegenomen. ‘Fireproof’ is ook één van de beste nummers op de plaat, met onder andere de fantastische zinsnede “Jennifer, you are not the only reason; my head is boiling and my hands are freezing”. Dit is één van de simpelste teksten van Berninger op dit album, de ik-persoon kijkt op naar zijn Jennifer, die zelfs tegen vuur bestand lijkt te zijn. Een meisje in een ijzeren corso. Aan de andere kant kan ik me ook inbeelden dat deze sterkte ook z’n nadelen heeft. De ivoren toren kan zo hoog worden dat je alle voeling met de werkelijkheid verliest, en dat de innige band tussen twee personen uiteindelijk knapt. Jaloezie en afgunst zijn niet fraai, maar een te immense bewondering is evenmin wenselijk. Het draait ‘m vooral om evenwicht. Yin en yang, dat soort dingen.

‘Trouble Will Find Me’ is niet de klapper die ik in gedachten had, maar wel een mooie volgende stap in het inmiddels toch al behoorlijk machtige oeuvre van The National. Vergis u niet; dit album is wel degelijk meer dan een voetnoot in de carrière van de band, hoewel deze altijd wel in de schaduw zal staan van zijn voorgangers. Tot een volgende plaat, misschien. Dan staat die in de schaduw van ‘Trouble Will Find Me’, wie weet. Maar daar gaan we nog niet aan denken, dat is toekomstmuziek. Ik leg gewoon deze plaat nog ‘ns op, en geniet er voor de zoveelste keer met volle teugen van.

4 sterren

The Ocean - Precambrian (2007)

poster
4,5
'Precambrian' van The Ocean is een speciale plaat. Dat zou je nochtans niet zeggen, als je de CD1 van dit dubbelalbum hebt beluisterd. Death metal, wat sludge-invloeden er handig in verwerkt. De 5 songs komen bijzonder hard aan, dat wel, maar zich onderscheiden doen de mannen van The Ocean hiermee vooralsnog niet. Dat speciale karakter van deze plaat is te danken aan CD2.

Met zulk een intro zeg ik in weinig woorden waar het 'm eigenlijk om draait. Maar er speelt uiteraard meer. 'Precambrian' is een conceptplaat, zoals hier al veel te lezen stond, en de liefhebbers en archeologen ongetwijfeld bekend in de oren klinkt. De titel zegt het al; deze plaat draait rond het Precambrian, het geologische tijdperk waarin de Aarde gevormd werd. Deze periode stond niet in het teken van de bandnaam, het was het tijdperk der supercontinenten. Het leven dat zich echter volop begon te ontwikkelen, bevond zich wel in de oceaan. Maar dit is allemaal na te lezen in de betere encyclopedie, natuurlijk.

De muziek, dat is de kern. 'Precambrian' is een brute, directe plaat, met een Janusgezicht. The Ocean weet de balans in het midden te houden tussen agressieve gitaar- en drummuren, en bloedstollend mooie stukjes met invloeden uit de klassieke muziek. Het is niet de bombast van een Paganini, of van landgenoot Wagner, neen, het gaat om uiterst beheerste stukjes, soms erg zacht, dan weer de uitbarsting of opbouw perfect ondersteunend. 'Rhyacian' en diens intro 'Siderian' zijn daar geweldige voorbeelden van. 'Siderian' geeft de aanzet, 'Rhyacian' maakt het weergaloos af.

'Siderian' (met erg mooi, nostalgisch saxofoonspel, trouwens) komt ook precies op de juiste moment; wanneer je zowat murw geslagen in een hoek ligt, bijna K.O., komen die zachte tonen als een hemelse zalf binnen; het lijkt van dat moment wel of er een andere plaat begint. Er zijn zeker nog ronduit brute stukken, daar zijn ze in geen enkel deel van het Precambrium spaarzaam op. Op het eerste zicht is de indeling niet logisch, en CD1 kan je dus ook prima als EP luisteren, CD2 als een op zichzelf staande plaat; de intro lijkt dan plots bijzonder weldoordacht.

Wat me ook opvalt, zijn de vele verschillende vocalisten. Dit hoor je ook duidelijk in de songs terug, waardoor ze niet snel gaan vervelen. Niet elke song is even briljant, maar een slecht nummer vind ik niet terug, verre van. De variatie is erg groot, de uniciteit… uniek. Ik kan het niet meteen op gelijke voet stellen met een ander album, ook niet van de band zelf. ‘Aeolian’ is meer zoals CD1, ‘Fluxion’ neigt meer naar CD2. Dit is gewoon de perfecte synthese, The Ocean aan de top van hun kunnen.

‘Precambrian’ is tot op heden één van mijn favoriete platen in de metalwereld. The Ocean combineert hier razende death metal met postmetal, en heeft rondom het concept een voortreffelijke plaat opgebouwd. De teksten zijn ook nog ‘ns erg interessant, en het is zoals MDV al schreef in zijn stuk:

MDV schreef:
Maar ik kan het beter niet over aparte nummers hebben. Voor mij draait Precambrian meer om het grote plaatje, het geheel dat alle nummers vormen, volgens mij is het ook niet anders bedoeld.


4,5 sterren

The Rave-Ups - The Book of Your Regrets (1988)

poster
3,0
The Rave-Ups is een vijfkoppige band uit de Verenigde Staten, die in het tweede deel van de jaren ’80 en 1990 een aantal albums uitbrachten. De muziek klinkt enorm Amerikaans, met vooral Bruce Springsteen als grote inspiratiebron, zo lijkt het mij.

The Book of Your Regrets is de tweede worp van dit gezelschap, en in goed 40 minuten word je als luisteraar meegenomen op een tocht door de VS, met teksten die verhalen over gewone mensen, en de sleur die niet zelden in hun leven is terug te vinden. Opener Freedom Bound zet meteen een aanstekelijke toon, Sue & Sonny gaat over een jong koppel dat gaat trouwen, en langzaam verzandt in die reeds eerder aangehaalde sleur van het leven.

Please Take Her (She’s Mine) klinkt wat zachtgekookt; het eerste echt goede nummer vind ik Mickey of Alphabet City, met een mooi banjoriedeltje van Terry Wilson, de multi-instrumentalist van de bende, aan het eind. De tekst spreekt me ook wel aan, hoewel ik de gehele tekst niet heb gevonden, dus zal het (voorlopig) bij flarden blijven. Maar het is vooral de sfeer die wordt gecreëerd die de song veel geloofwaardigheid en kracht gunnen. Da ’s een mooie prestatie.

If Fun Was Not gaat dan weer de andere kant van het spectrum op, en klinkt vooral als een wat middle of the road-popsong die ook in een cabaretvoorstelling als zoethoudertje niet had misstaan. Niet slecht dus, maar het doet me niet al te veel. Knockin’ at Your Door duurt nog geen twee minuten, en haalt het tempo naar beneden. Toch vind ik het niet zo erg, dat er wat gas wordt teruggenomen, want vooral in de meer uptempo-songs stoort het drumwerk me geregeld. Zolang het spaarzaam blijft, hoor je me hier niet klagen, maar als de drummer wat meer van zich laat horen op de voorgrond, voegt het een dof, dreinerig geluid toe aan de songs, wat ten koste gaat van de inherente kwaliteit die de meeste songs volgens mij wel hebben. When the End Comes Before is daar wat mij betreft een goed voorbeeld van. Een prima popsong, maar het drumwerk stoort me toch wel behoorlijk. Hoe dat precies komt, kan ik niet haarfijn uitleggen, het is meer een gevoel.

De volgende vier songs zijn degelijke nummers, maar blijven me niet echt bij. Het sobere, afsluitende nummer Blue Carrot kwam als verrassend konijn uit de hoge hoed, en is echt een positieve verrassing. Eerst en vooral treedt de drummer niet al te nadrukkelijk op de voorgrond, maar beperkt hij zich tot een sobere rol in de marge. Maar vooral is dit een heel goeie song die me pas voor het eerst op dit album helemaal weet te grijpen.

The Book of Your Regrets mag er wezen, maar steekt z’n kop niet bepaald boven het maaiveld uit. Het verhaal van de band is ook symbolisch voor heel veel vergelijkbare bands: in het begin niet al te serieus, een paar keer van bezetting veranderen (sterke man Podrasky bleef wel tot het eind aan het roer), een aantal degelijke platen uitbrengen die helaas niet het nodige succes oogsten, een occasioneel hitje op de Amerikaanse radio, en daarna langzaam richting split en vergetelheid. De bands die een soortgelijk parcours hebben afgelegd, wil ik niet de kost geven. Maar ik heb deze tip gekregen van chartsmaster, en ben daar wel dankbaar voor. Het is zeker geen topplaat, maar ook geen zwak album; een voldoende kan er dus zeer zeker van af!

3 sterren

The Rolling Stones - A Bigger Bang (2005)

poster
3,0
‘Rough Justice’ is de ideale opener voor een Stones-plaat in de 21ste eeuw. Het rockt lekker en spreekt het jongere publiek volgens mij toch wel aan.

‘Let Me Down Slow’ is een ietwat zachter nummer, maar daarom niet minder goed. Integendeel, het is een erg aangenaam nummer om te beluisteren.

‘It Won’t Take Long’ is een wat simplistische rocksong, jammer genoeg niet van het niveau van andere ietwat simplistische rocksongs van de Stones. Van mij moest dit nummer niet op de plaat staan, maar toch kan men niet ontkennen dat het lekker klinkt. Maar van een groep als de Stones verwacht je toch altijd dat tikkeltje meer.

Jazz, daaraan dacht ik toen ik ‘Rain Fall Down’ voor het eerst hoorde. Het nummer heeft een laidback-sfeertje, maar dat begint op den duur toch een beetje de keel uit te hangen. Één van de minder nummers op het album, vind ik.

Hoogtepunt één: ‘Streets Of Love’. Volgens mij het enige nummer op dit album dat zich enigszins kan spiegelen met vroeger werk zoals op ‘Tattoo You’ en ‘Let It Bleed’ (al is dat misschien overdreven). Ontroerende lyrics, knappe opbouw en Jagger die er al z’n gevoel in legt.

‘Back Of My Hand’ had er van mij dan weer helemaal niet op gemoeten, beduidend minder dan ‘Streets Of Love’. Het klinkt qua ritme een beetje country, maar niet genoeg om een countrysong te worden genoemd.

‘She Saw Me Coming’ is in mijn ogen een vervolgstuk op ‘Rough Justice’ maar toch net ietsje minder. Daarom had ik dit nummer ook van de plaat gelaten. Het klinkt echter wel lekker en het zou niet misstaan als bonustrack op een volgend compilatiealbum, bijvoorbeeld.

Hoogtepunt twee: ‘Biggest Mistake’. Weer een wat rustiger nummer, met veel gevoel gezongen door Jagger. (let: het “Whoooo Whooo…”). De rustigere nummers op deze plaat kunnen me het meest bekoren.

Hoogtepunt drie: ‘This Place Is Empty’. Gezongen door Keith Richards, en erg goed ook. Doet me een beetje denken aan’ Losing My Touch’, dat op ‘Fourty Licks’ staat, en aangezien dat ook een erg goed nummer is… Ik hou van Richards’ zang.

‘Oh No, Not You Again’ is een erg lekkere rocksong waarin Jagger nog eens agressief uit de hoek komt. (“Oh no, not you again; fucking up my life; it was bad the First time; I can’t stand it twice”).

‘Dangerous Beauty’ is een twijfelgeval, maar krijgt van mij tot nog toe het voordeel van de twijfel, vooral vanwege de lyrics dan.

Hoogtepunt vier: ‘Laugh, I Nearly Died’, voor mij de beste en meest overtuigende zangprestatie van heel de plaat. In dit stadium van zijn carrière denk ik niet dat Jagger veel beter zou kunnen.

‘Sweet Neo Con’, de oorspronkelijke werktitel van dit album, heb ik ooit in HUMO gelezen. Ik vind het een vrij eigenaardige song, in contrast met de andere nummers op ‘A Bigger Bang’, maar het ligt me niet echt, en ik ben zeer blij dat dit niet de definitieve titel is geworden.

‘Look What The Cat Dragged In’ is wat mij betreft het zwakste nummer van dit album. De rif is zowat gestolen van ‘Suicide Blonde’ van INXS, en het is toch al erg gesteld als je al riffs gaat stelen van een band als INXS (niets persoonlijk tegen INXS, maar dat is toch van een ander allooi als Rolling Stones, me dunkt).

‘Driving Too Fast’ is weer zo’n song die er voor mij niet op had hoeven staan, het klinkt allemaal wel goed maar toch niet erg origineel. Laten we eerlijk wezen, er staan toch heel wat betere songs op deze plaat.

‘Infamy’, het slotstuk van dit album. Meestal is het laatste nummer van een album ofwel een majestueus epos of één van de beste nummers die het album dragen; ofwel een draak van een song, puur opvulsel. ‘Infamy’ is geen van beiden. Het behoort niet tot de sterkste nummers van ‘A Bigger Bang’, doch ook niet tot de slechtste nummers. Je zal er geen tranen van in je oren krijgen, je zal je oren er ook niet mee kwetsen. Het is middelmatig nummer, het laat je een beetje onverschillig achter.

Conclusie: Met ‘A Bigger Bang’ hebben de Stones een plaat afgeleverd die naar mijn immer bescheiden mening een klein halfuurtje te lang duurt. Maar ach, in het tijdperk van de CD, is de maat niet langer een halfuur voor een plaat, maar dat neigt eerder naar het uur. Daarom ook dat deze plaat niet het niveau van pakweg ‘Tattoo You’ haalt. Maar als je de plaat reduceert tot negen nummers (‘Rough Justice’; ‘Let Me Down Slow’; ‘Streets Of Love’; ‘Biggest Mistake’; ‘This Place Is Empty’; ‘Oh No, Not You Again’; ‘Dangerous Beauty’; ‘Laugh, I Nearly Died’; ‘Infamy’) zou het een zeer sterke plaat zijn, die zeker 4.5 sterren verdient. Maar nu houd ik het op 3.5 sterren.

The Rolling Stones - Bridges to Bremen (2019)

poster
4,0
Dit concert maakt deel uit van de tour Bridges to Babylon, die The Stones inzetten rond de release van de gelijknamige studioplaat eind september 1997, en die zo'n jaar in beslag nam. Het concert in Bremen vond plaats op 2 september 1998, en was één van de laatste optredens uit de tour. We horen dan ook een band die uitermate goed functioneert en samenspeelt (dit geldt zowel voor de vaste leden als tourmuzikanten). Ook worden er nogal wat songs gespeeld van de (destijds) nieuwe studioplaat, en enkele daarvan bevallen me wel in deze live-versie!

Zo worden Saint of Me in Out of Control hier weergaloos opgevoerd, en scoort ook Flip the Switch niet slecht. Verder krijgen we nog enkele minder bekende (en gespeelde) songs van The Stones, en met name Memory Motel (afkomstig van het album Black and Blue uit 1976) is erg sterk gebracht.

Naast die minder bekende songs vinden we ook een cover terug van Like a Rolling Stone, de overbekende song van Bob Dylan (die tijdens de twee shows in Brazilië tijdens deze tour trouwens als opener fungeerde, en daar ook met The Stones zijn hit bracht, als ik me niet vergis), al hoor ik 'm liever door Dylan zelf ten beste gebracht worden. En natuurlijk mogen een hele resem hits van de charismatische Britten zelf niet ontbreken! Aan het begin van het concert klinken The Stones nog niet volledig overtuigend (zie ook de review van west, die het terecht over een mat Gimme Shelter heeft), maar dat wordt meer dan goedgemaakt, door het heerlijke Miss You in een lange versie (gevolgd door de voorstelling van de band), en grof geschat het laatste kwartier (te beginnen met Sympathy for the Devil), waarin het niveau torenhoog is.

4 sterren

The Roots - undun (2011)

poster
4,0
Hip-hop is niet bepaald mijn genre. Toch heb ik er de laatste jaren genoeg moois in kunnen ontdekken. Het begon met de wat oudere platen, zoals 'Illmatic' en 'Enter the Wu-Tang (36 Chambers)'. Daarna kwam Atmosphere aan de beurt, omdat ik nieuwsgierig was naar de nummer 1 van Robijn van den Aker. En sinds 'How I Got Over' ben ik aanbeland bij The Roots. Laatstgenoemde plaat is alleen maar beter geworden sinds de eerste luisterbeurt, en staat nu te blinken op 4,5 sterren. Ik heb een vermoeden dat het met 'undun' ook wel eens het geval zou kunnen zijn; voorlopig vind ik die toch net wat minder.

Minder is niet echt een geschikte term, want 'undun' is nog steeds kwaliteit van de bovenste plank. ?uestlove is een fantastische producer én drummer; Black Thought een MC buiten categorie. Op 'undun' wordt het verhaal verteld van Redford Stephens, waarvan de naam is gebaseerd op 'Redford (For Yia-Yia & Pappou)' van Sufjan Stevens. De fameuze Redford-suite (aan het eind van het album, wat dus eigenlijk het begin is) bestaat uit dat nummer van Stevens, aangevuld met drie eigen interpretaties van The Roots; dit resulteert in een magnifieke 5 minuten. Vooral 'Will to Power (3rd Movement)' vind ik geniaal; geweldig chaotisch drumwerk, pianospel en strijkers. De andere twee deeltjes zijn veel meer filmisch van karakter.

Het eind van het album, wat dus eigenlijk het begin is. Jawel, het verhaal van Redford Stevens wordt dus achterstevoren afgespeeld, altijd interessant. Daarom ook die albumtitel. Verder ga ik niet zoveel ingaan op het concept; daarvoor weten de nummers me te vaak op zichzelf te plezieren. De teksten zijn natuurlijk weer erg sterk, een line als "Niggas learn math just to understand the crack price" doet me bijvoorbeeld enorm denken aan de geniale HBO-serie 'The Wire'. De instrumentatie is erg goed, de subtiele details zijn zo goed als volmaakt. Pianoloopje hier, invallende strijkers daar..

Wat ik wel een beetje jammer vind; we horen veel gastartiesten. Nu ga ik niet beweren dat Dice Raw, Big K.R.I.T. en consorten zwakke MC's zijn, maar naar mijn mening worden ze gewoon volkomen weggeblazen door Black Thought. Dat zijn dan wel pluimen op de hoed van laatstgenoemde, maar ik had hem toch liever wat meer gehoord; hij heeft een soort rust, kalmte als een waas over zich heen hangen. 'I Remember' wordt niet vaak genoemd hier, maar dat vind ik toch gewoonweg het sterkste nummer. Drie verses van Black Thought, in combinatie met een chorus gezongen door een vrouw. Dat gaat enorm goed samen.

Om deze schamele mening af te sluiten, kan ik zeggen dat ik op langere termijn verwacht om deze nog een halfje extra toe te bedelen. Ik heb zo'n gevoel dat deze dezelfde weg opgaat als 'How I Got Over', maar daar zijn we nu nog niet aan toe. Laten we binnen een jaartje nog eens kijken.

4 sterren