Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Damien Jurado - Maraqopa (2012)

4,5
0
geplaatst: 5 april 2012, 20:24 uur
“Zijn zang is verre van loepzuiver. Het is muziek die, op enkele uitzonderingen na, de veilige weg neemt, en geen kronkelpaadjes inslaat. De teksten zijn niet van hoog niveau, vrij simpel ook. Jeetje, wat is dit toch een monotone, vlakke, voorspelbare plaat.”
Het zijn commentaren die je zou kunnen lezen bij het nieuwe album van Damien Jurado, getiteld ‘Maraqopa’, feit. Het zou geheel onterechte kritiek zijn, tweede feit. ‘Maraqopa’ is namelijk een pareltje. En ja, in die kritiek kan dan wel een grond van waarheid schuilen, voor mij is het pure klasse wat Jurado hier doet. Nog een pak beter dan zijn vorige, ‘Saint Bartlett’, en die was al zo goed. Misschien wel z’n beste tot nu toe. En dat met een stem die verre van loepzuiver is. Waar hebben we dat nog gehoord?
Misschien moet ik beginnen met een geringe teleurstelling; de CD en z’n verpakking. Ik heb ‘m vorige week nog gekocht, en had gehoopt dat er op z’n minst toch een boekje bijzat. Ik heb ‘m wel niet besteld of zo, gewoon weggeplukt uit de rekken van een muziekwinkel in Antwerpen. De hoes is wel opvallend; op het eerste zicht herken je daar helemaal geen gezicht in, maar als je drie keer goed kijkt, zie je het wel klaar en duidelijk. Het oog bedriegt het brein, of beter, het brein bedrieg het oog.
‘Maraqopa’, het fictieve land waar je kan zijn wat je wil. Of je nu de kletsende regen wil zijn, of wil genieten van ongebreidelde vrijheid, of wil afzien als stof op de grond. ‘Maraqopa’ herbergt al deze verschillende gevoelens, en heeft ze in een prachtige vorm gegoten. Verschillende genres passeren de revue, zij het nooit indringender dan invloeden, omdat Jurado er altijd weer duidelijk zijn eigen stijl op nahoudt. Deze nieuwe is wederom een mooie aanvulling op zijn al indrukwekkend oeuvre, maar is vooral, meer nog dan dat, een hoogtepunt voor de singer-songwriter.
Het begint al meteen geweldig met opener ‘Nothing Is the News’, dat de uitzondering op de regel vormt op deze plaat. Hier hoor je namelijk meer dan louter invloeden, Jurado pikt de psychedelische rocksound uit de jaren ’70 op, en creëert er een eigen geluid mee. Net als de opener van ‘Saint Bartlett’ is dit weer een vreemde eend in de bijt, maar wel een bijzonder fraaie eend. De song bestaat vooral uit heerlijk zwevend gitaarwerk en luchte drums. De zang van Jurado wordt versterkt door echo’s en andere geluidseffecten treden ook wel op. Dit alles geeft het nummer een bevreemdend sfeertje, maar dat werkt prima, wat zeg ik, uitstekend! Heerlijk nummer, ook om gewoon met de ogen dicht een eind weg te mijmeren. Een song met een dubbele functionaliteit; hij kan, als je jezelf er echt op focust, bijzonder spannend zijn, maar je kan er ook, zoals ik daarnet al aangaf, heerlijk op wegdromen, ontspannen, gewoon aan niets denken.
Het contrast met nummertje twee is dan ook erg groot. ‘Life Away from the Garden’ zet lieflijk in op piano, en wanneer Jurado zijn (overigens erg mooie) tekst begint te zingen, wordt hij geruggesteund door een kinderkoor. Op de hoes staat dat zij “the Swift Family Singers” heten, ik neem aan dat ze gelinkt zijn aan Richard Swift, de man die dit album geproducet heeft. Ook de titeltrack is rustig, en heeft wat bossa nova invloeden (het geluid dat je op de achtergrond hoort). In de titeltrack is ook het meest duidelijk waar dit album in principe over gaat, de thematiek dus. Maar ik heb het daarstraks al kort gehad over die thematiek (een niet echt subtiel hintje gegeven), en na de bespreking van de nummers kom ik er wel op terug. Een glansrol is weggelegd voor de piano op dit nummer; die komt op onverwachte momenten opeens binnenvallen, spaarzaam en sprankelend. Tikje melancholisch ook, dat past wel bij de song.
‘This Time Next Year’ begint met wat gitaargetokkel, waarna Jurado invalt met een aanstekelijke onomatopee. De song blijft de gehele lengte hangen in hetzelfde tempo, al zijn er altijd wel details te ontdekken. Een lekkere drumroffel, wat verloren geraakt klinkende en verlegen blazers, een gitaarecho. Jurado zingt wel eens op het randje, maar dat deed Neil Young ook, en net als zijn voorbeeld komt Jurado er mee weg. ‘Reel to Reel’ kent een apart begin, het is een soort fade in, zoals in de filmwereld. Uiteraard zonder beeld, maar het gaat me om het geluid; dat stijgt stilletjes op uit het niets, en creëert zo een song op zich. En een erg fraaie ook nog. Ook hier weer details genoeg te ontdekken in een op het eerste gehoor simpel liedje. Het spookachtige geluidje dat je hoort als het volume wat wordt opgeschroefd, bijvoorbeeld.
En dan moet het beste zelfs nog komen. Van de laatste vijf nummers vind ik er maar liefst drie van wereldklasse. ‘Working Titles’ is er eentje van. Van kleine, simpele liedjes een speciale luisterervaring maken door het subtiel invoegen van details, Jurado kan het als geen ander. ‘Working Titles’ heeft in het begin niet veel meer nodig dan een akoestische gitaar en het iele stemgeluid van Jurado, maar gaandeweg komen er meer elementen tevoorschijn, en wordt er een uitzonderlijke cocktail gebrouwen. Tekstueel is dit ook van het allerhoogste niveau; in de laatste “gewone” strofe heeft hij het volgende te zeggen: “You wrote about my on every new record; I’ll show up in the title of your song; I only hope somebody requests it.” Ik heb er geen idee van of dit nu volledig autobiografisch is, ik ken de artieste in kwestie in ieder geval niet. Ook fraai aan de song is dat je een keer of drie op het verkeerde been wordt gezet. Dat geeft ook zoveel toegevoegde waarde. Na de strofe met de door mij aangehaalde quote denk je een eerste keer dat de song gedaan is. Neen dus. Daarna komt dat moment nog twee keer. Zulke fratsen weet ik steeds te waarderen.
‘Everyone a Star’ is opgesmukt met wat elektrische gitaarecho’s, strings en nu en dan een heerlijke galm achter de stem van Jurado bij het zingen van de titel. Voor het overige is het ook weer een klein liedje dat stiekem heel groots is. De muziek van Jurado brengt heel wat teweeg bij mij, en in combinatie met de teksten staat op deze plaat wel meer dan één voltreffer. Zo ook ‘So On, Nevada’, waarop ik Jurado opvallend intens vind zingen. Snediger, gevatter, krachtiger. Zijn stem trekt me echt mee in zijn troosteloze wereld, en die zweem van hoop op een betere wereld (Maraqopa) is er ook in terug te horen. Instrumentaal kent het ook weer exact de juiste inkleuring, niet te hard en niet te zacht.
Als er dan toch een woordje van kritiek moet vallen, dan is het in verband met het voorlaatste nummer, ‘Museum of Flight’. Jurado balanceert wel meer op het randje van het zeemzoete, ja zelfs melige, maar hij gaat er meestal net niet over. Dat doet hij in dit nummer mijns inziens wel. Ik heb het dan vooral over één bepaalde passage, namelijk de passage na een minuut of twee. Het gaat om de toetsen die dan langskomen (ik kan er om één of andere reden niet zo gauw een naam op plakken..); het enige moment op de plaat dat me niet echt zint. Ach, geen drama dus.
Afsluiter ‘Mountains Still Asleep’ is dan weer een absoluut hoogtepunt, op alle vlakken. Instrumentaal zit het simpel in elkaar, met een dromerig klinkend gitaartje dat wat naar de country zweeft, wat nonchalant pianospel en sterke zang, die me wat aan Neil Young doet denken. Dit nummer had trouwens niet misstaan op bijvoorbeeld ‘After the Gold Rush’, of als één van de rustiger nummers op ‘Zuma’. Weergaloos vind ik het, en al zou ik daar helemaal alleen instaan, ik blijf het weergaloos vinden. Zo kent dit album de ideale afsluiter; stoppen op een hoogtepunt.
Hoewel dat geldt voor dit album, hoop ik niet dat dit geldt voor de carrière van Jurado. Van mij mag de beste man nog veel albums maken, bij hem ben je vrijwel altijd zeker van een zekere kwaliteit, en met ‘Maraqopa’ heeft hij zichzelf lichtelijk overtroffen. Ook op tekstueel vlak is dit van torenhoog niveau, zijn stijl is een mix van directheid en vage impressies. Impressionistisch realisme, om het met een kunstterm te zeggen, en dat mag dan tegendraads klinken in theorie, in praktijk is het meer dan overtuigend. Niet alles, maar toch veel staat in het teken van Maraqopa, de utopie die Jurado in gedachten heeft. De eerste strofe van ‘Life Away from the Garden’ geeft treffend weer waar het fout is gegaan:
“There was a time;
When we were golden;
Like the sun;
We were lights in the world;
Then we strayed;
Away from the garden.”
Juist ja, in the very beginning. Nu is een utopie geen bijster originele invalshoek meer, met alle boeken en nog veel meer dat men al heeft gepubliceerd over dit onderwerp, maar als je het zo mooi kan brengen als Jurado, is het je vergeven. Ook de pijn van een verloren gegane liefde, als sneeuw voor de zon gesmolten hoop en goedkope leugens komen hierin voor, wat het hoofdpersonage nog meer doet smachten naar zo’n utopie, naar Maraqopa. Enkele mooie passages over deze onderwerpen:
“Leaving the room saying you would come back;
And I believed you.” (‘So On, Nevada’)
“What’s it like, for you in Washington?”
I’ve only seen photos, of Washington.” (‘Working Titles’)
“Don’t let go;
I need you to hang around;
I’m so broke;
And foolishly in love.” (‘Museum of Flight’)
Waar Jurado ook ongelooflijk sterk in is, is het zich plastisch uitdrukken, het scheppen van levensechte beelden en het spelen met metaforen. Zo zingt hij in ‘Mountains Still Asleep’ dat de liefde een verblindende zon is, en dat we allemaal liedjes zijn die nog gezongen moeten worden; in ‘Everyone a Star’ komen we passages tegen zoals “Asleep for days inside the blue”, “A welcome sign outside my mind” en “I’m too in tune to change the dial”. Dit is absoluut een sterk punt van Jurado, en daar maakt hij optimaal gebruik van.
‘Maraqopa’ is een geweldig album. Een conclusie moet soms niet lang zijn om genoeg te zeggen.
4,5 sterren
Het zijn commentaren die je zou kunnen lezen bij het nieuwe album van Damien Jurado, getiteld ‘Maraqopa’, feit. Het zou geheel onterechte kritiek zijn, tweede feit. ‘Maraqopa’ is namelijk een pareltje. En ja, in die kritiek kan dan wel een grond van waarheid schuilen, voor mij is het pure klasse wat Jurado hier doet. Nog een pak beter dan zijn vorige, ‘Saint Bartlett’, en die was al zo goed. Misschien wel z’n beste tot nu toe. En dat met een stem die verre van loepzuiver is. Waar hebben we dat nog gehoord?
Misschien moet ik beginnen met een geringe teleurstelling; de CD en z’n verpakking. Ik heb ‘m vorige week nog gekocht, en had gehoopt dat er op z’n minst toch een boekje bijzat. Ik heb ‘m wel niet besteld of zo, gewoon weggeplukt uit de rekken van een muziekwinkel in Antwerpen. De hoes is wel opvallend; op het eerste zicht herken je daar helemaal geen gezicht in, maar als je drie keer goed kijkt, zie je het wel klaar en duidelijk. Het oog bedriegt het brein, of beter, het brein bedrieg het oog.
‘Maraqopa’, het fictieve land waar je kan zijn wat je wil. Of je nu de kletsende regen wil zijn, of wil genieten van ongebreidelde vrijheid, of wil afzien als stof op de grond. ‘Maraqopa’ herbergt al deze verschillende gevoelens, en heeft ze in een prachtige vorm gegoten. Verschillende genres passeren de revue, zij het nooit indringender dan invloeden, omdat Jurado er altijd weer duidelijk zijn eigen stijl op nahoudt. Deze nieuwe is wederom een mooie aanvulling op zijn al indrukwekkend oeuvre, maar is vooral, meer nog dan dat, een hoogtepunt voor de singer-songwriter.
Het begint al meteen geweldig met opener ‘Nothing Is the News’, dat de uitzondering op de regel vormt op deze plaat. Hier hoor je namelijk meer dan louter invloeden, Jurado pikt de psychedelische rocksound uit de jaren ’70 op, en creëert er een eigen geluid mee. Net als de opener van ‘Saint Bartlett’ is dit weer een vreemde eend in de bijt, maar wel een bijzonder fraaie eend. De song bestaat vooral uit heerlijk zwevend gitaarwerk en luchte drums. De zang van Jurado wordt versterkt door echo’s en andere geluidseffecten treden ook wel op. Dit alles geeft het nummer een bevreemdend sfeertje, maar dat werkt prima, wat zeg ik, uitstekend! Heerlijk nummer, ook om gewoon met de ogen dicht een eind weg te mijmeren. Een song met een dubbele functionaliteit; hij kan, als je jezelf er echt op focust, bijzonder spannend zijn, maar je kan er ook, zoals ik daarnet al aangaf, heerlijk op wegdromen, ontspannen, gewoon aan niets denken.
Het contrast met nummertje twee is dan ook erg groot. ‘Life Away from the Garden’ zet lieflijk in op piano, en wanneer Jurado zijn (overigens erg mooie) tekst begint te zingen, wordt hij geruggesteund door een kinderkoor. Op de hoes staat dat zij “the Swift Family Singers” heten, ik neem aan dat ze gelinkt zijn aan Richard Swift, de man die dit album geproducet heeft. Ook de titeltrack is rustig, en heeft wat bossa nova invloeden (het geluid dat je op de achtergrond hoort). In de titeltrack is ook het meest duidelijk waar dit album in principe over gaat, de thematiek dus. Maar ik heb het daarstraks al kort gehad over die thematiek (een niet echt subtiel hintje gegeven), en na de bespreking van de nummers kom ik er wel op terug. Een glansrol is weggelegd voor de piano op dit nummer; die komt op onverwachte momenten opeens binnenvallen, spaarzaam en sprankelend. Tikje melancholisch ook, dat past wel bij de song.
‘This Time Next Year’ begint met wat gitaargetokkel, waarna Jurado invalt met een aanstekelijke onomatopee. De song blijft de gehele lengte hangen in hetzelfde tempo, al zijn er altijd wel details te ontdekken. Een lekkere drumroffel, wat verloren geraakt klinkende en verlegen blazers, een gitaarecho. Jurado zingt wel eens op het randje, maar dat deed Neil Young ook, en net als zijn voorbeeld komt Jurado er mee weg. ‘Reel to Reel’ kent een apart begin, het is een soort fade in, zoals in de filmwereld. Uiteraard zonder beeld, maar het gaat me om het geluid; dat stijgt stilletjes op uit het niets, en creëert zo een song op zich. En een erg fraaie ook nog. Ook hier weer details genoeg te ontdekken in een op het eerste gehoor simpel liedje. Het spookachtige geluidje dat je hoort als het volume wat wordt opgeschroefd, bijvoorbeeld.
En dan moet het beste zelfs nog komen. Van de laatste vijf nummers vind ik er maar liefst drie van wereldklasse. ‘Working Titles’ is er eentje van. Van kleine, simpele liedjes een speciale luisterervaring maken door het subtiel invoegen van details, Jurado kan het als geen ander. ‘Working Titles’ heeft in het begin niet veel meer nodig dan een akoestische gitaar en het iele stemgeluid van Jurado, maar gaandeweg komen er meer elementen tevoorschijn, en wordt er een uitzonderlijke cocktail gebrouwen. Tekstueel is dit ook van het allerhoogste niveau; in de laatste “gewone” strofe heeft hij het volgende te zeggen: “You wrote about my on every new record; I’ll show up in the title of your song; I only hope somebody requests it.” Ik heb er geen idee van of dit nu volledig autobiografisch is, ik ken de artieste in kwestie in ieder geval niet. Ook fraai aan de song is dat je een keer of drie op het verkeerde been wordt gezet. Dat geeft ook zoveel toegevoegde waarde. Na de strofe met de door mij aangehaalde quote denk je een eerste keer dat de song gedaan is. Neen dus. Daarna komt dat moment nog twee keer. Zulke fratsen weet ik steeds te waarderen.
‘Everyone a Star’ is opgesmukt met wat elektrische gitaarecho’s, strings en nu en dan een heerlijke galm achter de stem van Jurado bij het zingen van de titel. Voor het overige is het ook weer een klein liedje dat stiekem heel groots is. De muziek van Jurado brengt heel wat teweeg bij mij, en in combinatie met de teksten staat op deze plaat wel meer dan één voltreffer. Zo ook ‘So On, Nevada’, waarop ik Jurado opvallend intens vind zingen. Snediger, gevatter, krachtiger. Zijn stem trekt me echt mee in zijn troosteloze wereld, en die zweem van hoop op een betere wereld (Maraqopa) is er ook in terug te horen. Instrumentaal kent het ook weer exact de juiste inkleuring, niet te hard en niet te zacht.
Als er dan toch een woordje van kritiek moet vallen, dan is het in verband met het voorlaatste nummer, ‘Museum of Flight’. Jurado balanceert wel meer op het randje van het zeemzoete, ja zelfs melige, maar hij gaat er meestal net niet over. Dat doet hij in dit nummer mijns inziens wel. Ik heb het dan vooral over één bepaalde passage, namelijk de passage na een minuut of twee. Het gaat om de toetsen die dan langskomen (ik kan er om één of andere reden niet zo gauw een naam op plakken..); het enige moment op de plaat dat me niet echt zint. Ach, geen drama dus.
Afsluiter ‘Mountains Still Asleep’ is dan weer een absoluut hoogtepunt, op alle vlakken. Instrumentaal zit het simpel in elkaar, met een dromerig klinkend gitaartje dat wat naar de country zweeft, wat nonchalant pianospel en sterke zang, die me wat aan Neil Young doet denken. Dit nummer had trouwens niet misstaan op bijvoorbeeld ‘After the Gold Rush’, of als één van de rustiger nummers op ‘Zuma’. Weergaloos vind ik het, en al zou ik daar helemaal alleen instaan, ik blijf het weergaloos vinden. Zo kent dit album de ideale afsluiter; stoppen op een hoogtepunt.
Hoewel dat geldt voor dit album, hoop ik niet dat dit geldt voor de carrière van Jurado. Van mij mag de beste man nog veel albums maken, bij hem ben je vrijwel altijd zeker van een zekere kwaliteit, en met ‘Maraqopa’ heeft hij zichzelf lichtelijk overtroffen. Ook op tekstueel vlak is dit van torenhoog niveau, zijn stijl is een mix van directheid en vage impressies. Impressionistisch realisme, om het met een kunstterm te zeggen, en dat mag dan tegendraads klinken in theorie, in praktijk is het meer dan overtuigend. Niet alles, maar toch veel staat in het teken van Maraqopa, de utopie die Jurado in gedachten heeft. De eerste strofe van ‘Life Away from the Garden’ geeft treffend weer waar het fout is gegaan:
“There was a time;
When we were golden;
Like the sun;
We were lights in the world;
Then we strayed;
Away from the garden.”
Juist ja, in the very beginning. Nu is een utopie geen bijster originele invalshoek meer, met alle boeken en nog veel meer dat men al heeft gepubliceerd over dit onderwerp, maar als je het zo mooi kan brengen als Jurado, is het je vergeven. Ook de pijn van een verloren gegane liefde, als sneeuw voor de zon gesmolten hoop en goedkope leugens komen hierin voor, wat het hoofdpersonage nog meer doet smachten naar zo’n utopie, naar Maraqopa. Enkele mooie passages over deze onderwerpen:
“Leaving the room saying you would come back;
And I believed you.” (‘So On, Nevada’)
“What’s it like, for you in Washington?”
I’ve only seen photos, of Washington.” (‘Working Titles’)
“Don’t let go;
I need you to hang around;
I’m so broke;
And foolishly in love.” (‘Museum of Flight’)
Waar Jurado ook ongelooflijk sterk in is, is het zich plastisch uitdrukken, het scheppen van levensechte beelden en het spelen met metaforen. Zo zingt hij in ‘Mountains Still Asleep’ dat de liefde een verblindende zon is, en dat we allemaal liedjes zijn die nog gezongen moeten worden; in ‘Everyone a Star’ komen we passages tegen zoals “Asleep for days inside the blue”, “A welcome sign outside my mind” en “I’m too in tune to change the dial”. Dit is absoluut een sterk punt van Jurado, en daar maakt hij optimaal gebruik van.
‘Maraqopa’ is een geweldig album. Een conclusie moet soms niet lang zijn om genoeg te zeggen.
4,5 sterren
Damien Jurado - Saint Bartlett (2010)

4,0
0
geplaatst: 6 juli 2010, 10:58 uur
Na een paar luisterbeurten was ik erg onder de indruk van dit album, en heb ik maar wat eerder werk opgezocht van deze artiest. Inmiddels is het enthousiasme ietwat getemperd, maar desalniettemin blijft het een erg fijne plaat.
Opener 'Cloudy Shoes' blijft een favoriet van mij, mooi hoe zijn eigen stem van een echo wordt voorzien, en ook op instrumentaal vlak een sterk nummer. Het zet ook aan tot meezingen.
'Arkansas' is ook een vrij vrolijk nummer, althans zo klinkt het, tekstueel is het allemaal iets minder vrolijk. Wel mooie lyrics (I Don't recall the last time we spoke; you said it's my fault; I still don't believe you; oh-oh-oh-oh, Arkansas).
Het derde nummer op deze plaat is getiteld 'Rachel & Cali', het is een rustiger nummer dan de vorige twee, somberder ook, en soberder. Maar zeker niet slechter, ook deze song vind ik geweldig.
'Throwing Your Voice' is ook wel een goed nummer, maar toch minder dan de eerste drie. Het pakt me allemaal wat minder, en dat is toch hetgene waar deze muziek het moet van hebben, het moet je naar de keel grijpen.
'Wallingford' is wel erg Neil Young, zowel qua stem als qua gitaargeluid. Bovendien hoor ik liever de echte Neil Young
'Pear' is een nummer van nog geen 2 minuten, en blijft niet helemaal hangen. Een beetje jammer, want als Jurado er meer tijd in had gestoken, had het best een goed nummer kunnen zijn.
En dan krijg je plots een prachtsong als 'Kansas City'. Daar word je toch echt 4 minuten stil van. Prachtige tekst, ingetogen muziek, beste nummer op deze plaat, en misschien wel één van de beste songs die ik tot nu toe dit jaar al heb gehoord.
'Harborview' en 'Kalama' zijn 2 middenmotors wat mij betreft, ze springen er niet uit, maar zijn ook niet slecht; gewoon degelijke kwaliteit.
'The Falling Snow' is een mooi nummer, en 'Beacon Hill' blijft toch ook erg fraai in mijn ogen. Dat nummer grijpt me wel naar de keel, omdat het zo lieflijk is, en zo klein.
Afsluiter 'With Lightning In Your Hands' is degelijk, maar meer ook niet. Wel hoor ik een knipoog naar Jurado's vorige plaat, ik dacht dat hij ergens 'Caught in the Trees' zong, maar ik kan me vergissen..
Saint Bartlett is dus een leuke plaat om zomaar eens op te zetten, en bracht me na de eerste luisterbeurten zelfs een beetje in vervoering, maar qua houdbaarheid is het bij mij net ietsje minder.
3,5 sterren
Opener 'Cloudy Shoes' blijft een favoriet van mij, mooi hoe zijn eigen stem van een echo wordt voorzien, en ook op instrumentaal vlak een sterk nummer. Het zet ook aan tot meezingen.
'Arkansas' is ook een vrij vrolijk nummer, althans zo klinkt het, tekstueel is het allemaal iets minder vrolijk. Wel mooie lyrics (I Don't recall the last time we spoke; you said it's my fault; I still don't believe you; oh-oh-oh-oh, Arkansas).
Het derde nummer op deze plaat is getiteld 'Rachel & Cali', het is een rustiger nummer dan de vorige twee, somberder ook, en soberder. Maar zeker niet slechter, ook deze song vind ik geweldig.
'Throwing Your Voice' is ook wel een goed nummer, maar toch minder dan de eerste drie. Het pakt me allemaal wat minder, en dat is toch hetgene waar deze muziek het moet van hebben, het moet je naar de keel grijpen.
'Wallingford' is wel erg Neil Young, zowel qua stem als qua gitaargeluid. Bovendien hoor ik liever de echte Neil Young

'Pear' is een nummer van nog geen 2 minuten, en blijft niet helemaal hangen. Een beetje jammer, want als Jurado er meer tijd in had gestoken, had het best een goed nummer kunnen zijn.
En dan krijg je plots een prachtsong als 'Kansas City'. Daar word je toch echt 4 minuten stil van. Prachtige tekst, ingetogen muziek, beste nummer op deze plaat, en misschien wel één van de beste songs die ik tot nu toe dit jaar al heb gehoord.
'Harborview' en 'Kalama' zijn 2 middenmotors wat mij betreft, ze springen er niet uit, maar zijn ook niet slecht; gewoon degelijke kwaliteit.
'The Falling Snow' is een mooi nummer, en 'Beacon Hill' blijft toch ook erg fraai in mijn ogen. Dat nummer grijpt me wel naar de keel, omdat het zo lieflijk is, en zo klein.
Afsluiter 'With Lightning In Your Hands' is degelijk, maar meer ook niet. Wel hoor ik een knipoog naar Jurado's vorige plaat, ik dacht dat hij ergens 'Caught in the Trees' zong, maar ik kan me vergissen..
Saint Bartlett is dus een leuke plaat om zomaar eens op te zetten, en bracht me na de eerste luisterbeurten zelfs een beetje in vervoering, maar qua houdbaarheid is het bij mij net ietsje minder.
3,5 sterren
Damien Jurado - What's New, Tomboy? (2020)

3,0
0
geplaatst: 19 mei 2020, 11:46 uur
Na In the Shape of a Storm, dat vorig jaar uitkwam, is dit het tweede album op rij dat onder het halfuur klokt van deze Amerikaanse singer-songwriter. Het verlies van producer en boezemvriend Richard Swift laat zijn sporen nog steeds na; in de vorm van Ochoa brengt Jurado een fraai eerbetoon aan Swift.
De draad terug oppikken na het verlies van een naaste kan erg moeilijk zijn, en Jurado lijkt daar nu mee te worstelen. De rijke arrangementen van zijn laatste platen met Swift aan de knoppen zijn hier afwezig, al is deze plaat wat meer opgesmukt dan diens voorganger, die helemaal terugging tot de essentie, en bij mij ook feller binnenkwam op die manier. Begrijp me niet verkeerd, ik mag erg graag luisteren naar deze man, die ook hier weer enkele pareltjes laat horen (Birds Tricked Into the Trees, Alice Hyatt, The End of the Road), maar het merendeel van de songs klinkt me wat inspiratieloos in de oren, alsof het vat stilaan af is, wat geen schande zou zijn.
Ik geloof rotsvast dat Jurado nog enkele straffe platen in zich heeft, maar ook dat hij deze periode even nodig heeft om te rouwen en te herbronnen, wat hij op erg introspectieve wijze doet. Jurado is ook nog maar 47 jaar, dus hopelijk ligt er nog een lang leven voor hem in 't verschiet, met voorspoed in zijn eigen leven, en nog een aantal mooie albums. Helaas was het zijn vriend Richard Swift niet gegund.
3 sterren
De draad terug oppikken na het verlies van een naaste kan erg moeilijk zijn, en Jurado lijkt daar nu mee te worstelen. De rijke arrangementen van zijn laatste platen met Swift aan de knoppen zijn hier afwezig, al is deze plaat wat meer opgesmukt dan diens voorganger, die helemaal terugging tot de essentie, en bij mij ook feller binnenkwam op die manier. Begrijp me niet verkeerd, ik mag erg graag luisteren naar deze man, die ook hier weer enkele pareltjes laat horen (Birds Tricked Into the Trees, Alice Hyatt, The End of the Road), maar het merendeel van de songs klinkt me wat inspiratieloos in de oren, alsof het vat stilaan af is, wat geen schande zou zijn.
Ik geloof rotsvast dat Jurado nog enkele straffe platen in zich heeft, maar ook dat hij deze periode even nodig heeft om te rouwen en te herbronnen, wat hij op erg introspectieve wijze doet. Jurado is ook nog maar 47 jaar, dus hopelijk ligt er nog een lang leven voor hem in 't verschiet, met voorspoed in zijn eigen leven, en nog een aantal mooie albums. Helaas was het zijn vriend Richard Swift niet gegund.
3 sterren
Daniel Knox - Won't You Take Me with You (2021)

4,0
0
geplaatst: 2 februari 2021, 20:15 uur
Won't You Take Me With You was, enkele weken geleden, mijn eerste, uiterst aangename kennismaking met Daniel Knox. De man heeft een stem als een klok, en zet die op diverse fronten in. Zijn discografie ziet er ondertussen al behoorlijk divers en kleurrijk uit; vorig jaar bracht hij bijvoorbeeld een Twin Peaks-coverplaat en een plaat met interpretaties van kinderliedjes uit de Amerikaanse show Mister Rogers' Neighborhood.
Dat Knox een smakelijk gevoel voor humor heeft, en dit moeiteloos met enig drama weet te verweven, bewijst hij meteen in opener King of the Ball. Je reinste cabaret, met een erg spitante songtekst. Vinegar Hill is vervolgens heerlijk moody en chill, met in het slot een mooie saxofoonsolo.
Met Fall Apart wordt een erg fraaie, aandoenlijke pianoballade ingezet, waarvan het refrein me opvallend genoeg aan Foxygen doet denken - maar dan meer ingehouden. Het is op dit soort nummers dat Knox's stem het best tot z'n recht komt, vind ik. Iets wat hij meteen daarna temeer bewijst op Fool in the Heart, mijns inziens het hoogtepunt van de plaat. Dat nummer kent een geweldig intrigerende tekst. Knox laat in zijn lyrics ruimte voor interpretatie, maar dikt het drama wel bewust wat aan, en met zinssneden als "Remember what's mine; A smack in the mouth; Like the real thing; Hear my voice far away sing; Fool in the Heart." wakkert hij het vuur erg rijkelijk aan.
En zo valt over elk nummer op de plaat wel wat te vertellen. Voor mij is het vooral het eerste deel van de plaat die het 'm doet, en daar hoort ook Girl from Carbondale zeker nog bij. Dankzij het lieflijke pianospel en de weeïge strijkers op de achtergrond, maar vooral het trieste verhaal dat Knox vertelt.
Look at Me is het langste nummer van de plaat, en hoewel het zorgt voor wat (verrassende) variatie, is het nummer me wat te lang. Het gebruik van de drones is wel erg goed gevonden, en het spookachtige sfeertje dat neergezet wordt, is effectief. De laatste drie nummers vallen me net wat minder op, maar dat kan er ook mee te maken hebben dat die songs daarvoor zo sterk zijn. Dat stemt me mild in mijn oordeel.
4 sterren
Dat Knox een smakelijk gevoel voor humor heeft, en dit moeiteloos met enig drama weet te verweven, bewijst hij meteen in opener King of the Ball. Je reinste cabaret, met een erg spitante songtekst. Vinegar Hill is vervolgens heerlijk moody en chill, met in het slot een mooie saxofoonsolo.
Met Fall Apart wordt een erg fraaie, aandoenlijke pianoballade ingezet, waarvan het refrein me opvallend genoeg aan Foxygen doet denken - maar dan meer ingehouden. Het is op dit soort nummers dat Knox's stem het best tot z'n recht komt, vind ik. Iets wat hij meteen daarna temeer bewijst op Fool in the Heart, mijns inziens het hoogtepunt van de plaat. Dat nummer kent een geweldig intrigerende tekst. Knox laat in zijn lyrics ruimte voor interpretatie, maar dikt het drama wel bewust wat aan, en met zinssneden als "Remember what's mine; A smack in the mouth; Like the real thing; Hear my voice far away sing; Fool in the Heart." wakkert hij het vuur erg rijkelijk aan.
En zo valt over elk nummer op de plaat wel wat te vertellen. Voor mij is het vooral het eerste deel van de plaat die het 'm doet, en daar hoort ook Girl from Carbondale zeker nog bij. Dankzij het lieflijke pianospel en de weeïge strijkers op de achtergrond, maar vooral het trieste verhaal dat Knox vertelt.
Look at Me is het langste nummer van de plaat, en hoewel het zorgt voor wat (verrassende) variatie, is het nummer me wat te lang. Het gebruik van de drones is wel erg goed gevonden, en het spookachtige sfeertje dat neergezet wordt, is effectief. De laatste drie nummers vallen me net wat minder op, maar dat kan er ook mee te maken hebben dat die songs daarvoor zo sterk zijn. Dat stemt me mild in mijn oordeel.
4 sterren
Daniel Knox - You Are My Friend: The Songs of Mister Rogers (2020)

3,5
0
geplaatst: 21 januari 2021, 14:44 uur
Op dit plaatje brengt Daniel Knox een ode aan het Amerikaanse (educatieve) kinderprogramma Mister Rogers' Neighborhood, dat liep van 1962 tot 2001 (host Fred Rogers overleed in 2002). Knox werd geboren in 1980, dus zal hij er wellicht ook wel wat mee opgegroeid zijn.
Hij brengt de liedjes met zijn typische bariton, een zweem van humor steeds aanwezig in de vocalen. Het hoogtepunt is het aandoenlijke Sometimes I Wonder If I'm a Mistake, een fraai duet met Kit Shields. Met zekerheid kan ik niet zeggen, maar dit klinkt als een COVID-geïnspireerd product, verwezenlijkt tijdens de lockdown. Ik kan me uiteraard vergissen, Knox bracht eerder dat jaar (nog voordat het virus globaal uitbrak) een plaat uit met Twin Peaks-songs; misschien is het gewoon zijn dada, dit soort projecten.
Ik ben er geenszins rouwig om, want dit klinkt gewoon allemaal mooi en lief, en bevalt me wat beter dan de Twin Peaks-plaat (al kan dat er ook mee te maken hebben dat ik een Twin Peaks-liefhebber ben, en de neiging heb gerelateerd materiaal in vergelijking met het origineel ga beoordelen).
Nu, deze plaat is in ieder geval een uitstekend middel om meer te beluisteren van Fred Rogers, want zijn teksten zijn verrassend gelaagd voor zogenaamde kinderliedjes. Dat mag ik wel.
3,5 sterren
Hij brengt de liedjes met zijn typische bariton, een zweem van humor steeds aanwezig in de vocalen. Het hoogtepunt is het aandoenlijke Sometimes I Wonder If I'm a Mistake, een fraai duet met Kit Shields. Met zekerheid kan ik niet zeggen, maar dit klinkt als een COVID-geïnspireerd product, verwezenlijkt tijdens de lockdown. Ik kan me uiteraard vergissen, Knox bracht eerder dat jaar (nog voordat het virus globaal uitbrak) een plaat uit met Twin Peaks-songs; misschien is het gewoon zijn dada, dit soort projecten.
Ik ben er geenszins rouwig om, want dit klinkt gewoon allemaal mooi en lief, en bevalt me wat beter dan de Twin Peaks-plaat (al kan dat er ook mee te maken hebben dat ik een Twin Peaks-liefhebber ben, en de neiging heb gerelateerd materiaal in vergelijking met het origineel ga beoordelen).
Nu, deze plaat is in ieder geval een uitstekend middel om meer te beluisteren van Fred Rogers, want zijn teksten zijn verrassend gelaagd voor zogenaamde kinderliedjes. Dat mag ik wel.
3,5 sterren
Daniël Lohues - Hout Moet (2011)

4,0
0
geplaatst: 7 november 2011, 19:47 uur
Dat Daniël Lohues een steengoed liedjesschrijver uit het Drentse is, dat wist ik al wel. ‘Allennig IV’ wist me vorig jaar te betoveren in al z’n eenvoud en onschuld, dat sympathieke taaltje ook! Dat hij akoestische gitaar en piano afwisselt om zichzelf te begeleiden in liedjes die invloeden vertonen uit de folk-, de bluegrass-, country-, roots- en blueshoek, wist ik ook al. Wat leert het nieuwe album, ‘Hoet Moet’, ons dan? Eigenlijk niets nieuws, maar Lohues is de artiest bij uitstek die van mij nooit hoeft te veranderen.
De teksten kan ik nooit helemaal ontcijferen, vrees ik, maar de essentie krijg ik wel altijd mee. Een belangrijk thema op deze plaat is de speciale band die de mens in de loop der tijden met de natuurkrachten heeft ontwikkeld. Neem ‘Holt Veur Op ’t Vuur’. De mens heeft altijd al behoefte gehad aan warmte (één van de belangrijkste ontdekkingen aller tijden is het vuur, natuurlijk), en deze song staat daar voor. Een tikkeltje venijn, met dat fluitje en een wat heviger zingende Lohues. “Dus op zuuk naor holt, wan anders wordt het kolt..”
Verder heeft Lohues het ook over de kleine kantjes en probleempjes van mensen. Wat er aan hen knaagt. Hoe je wordt beloond na een voorbeeldig leven (‘Bij de Hemel in de Rij’), hoe je heimwee kan hebben naar je arme thuisland (‘Tesknie Za Domem’) en over de ideale wereld (‘As Iederien Nou Zo Was Zoas Wij Mussen Wezen’). De mooiste boodschap echter horen we in ‘Aordig Doen Tegen Mensen die Niet Aordig Doen’. Tja, de titel zegt het eigenlijk zelf al. Alsof Lohues zo nu en dan zijn huis eens uitkomt om volop malafide bankdirecteurs te knuffelen. Mooi, mooi, ontroerend.
En als al die mooie boodschappen ook nog eens in uiterst fraaie tassen verpakt worden, dan klopt het plaatje helemaal. ‘Hout Moet’ is op de eerste plaats een verzameling erg mooie songs, en Lohues blijft bij z’n roots, en dat geeft de man ook zo’n hoge aaibaarheidsfactor. Ik bedoel, probeer maar eens om ‘m niet sympathiek te vinden, en je komt er gegarandeerd bekaaid van af.
Enige smet vind ik dan nog ‘Prachtig Mooie Dag’, wat toch net iets te naïef en simpel klinkt, maar het liedje duurt nog geen 3 minuten, dus dat is geen ramp. Als Daniël Lohues aan dit tempo dit soort kwalitatief hoogstaande songs blijft produceren, kan ik niet anders dan enorm respect voor hem hebben. Met ‘Aordig Doen…’, ‘Herinnerings’ en ‘Tesknie Za Domem’ heeft Lohues wat mij betreft weer minstens drie klassiekers geschreven, en het levert ‘m weer een hoge score op.
4 sterren
De teksten kan ik nooit helemaal ontcijferen, vrees ik, maar de essentie krijg ik wel altijd mee. Een belangrijk thema op deze plaat is de speciale band die de mens in de loop der tijden met de natuurkrachten heeft ontwikkeld. Neem ‘Holt Veur Op ’t Vuur’. De mens heeft altijd al behoefte gehad aan warmte (één van de belangrijkste ontdekkingen aller tijden is het vuur, natuurlijk), en deze song staat daar voor. Een tikkeltje venijn, met dat fluitje en een wat heviger zingende Lohues. “Dus op zuuk naor holt, wan anders wordt het kolt..”
Verder heeft Lohues het ook over de kleine kantjes en probleempjes van mensen. Wat er aan hen knaagt. Hoe je wordt beloond na een voorbeeldig leven (‘Bij de Hemel in de Rij’), hoe je heimwee kan hebben naar je arme thuisland (‘Tesknie Za Domem’) en over de ideale wereld (‘As Iederien Nou Zo Was Zoas Wij Mussen Wezen’). De mooiste boodschap echter horen we in ‘Aordig Doen Tegen Mensen die Niet Aordig Doen’. Tja, de titel zegt het eigenlijk zelf al. Alsof Lohues zo nu en dan zijn huis eens uitkomt om volop malafide bankdirecteurs te knuffelen. Mooi, mooi, ontroerend.
En als al die mooie boodschappen ook nog eens in uiterst fraaie tassen verpakt worden, dan klopt het plaatje helemaal. ‘Hout Moet’ is op de eerste plaats een verzameling erg mooie songs, en Lohues blijft bij z’n roots, en dat geeft de man ook zo’n hoge aaibaarheidsfactor. Ik bedoel, probeer maar eens om ‘m niet sympathiek te vinden, en je komt er gegarandeerd bekaaid van af.
Enige smet vind ik dan nog ‘Prachtig Mooie Dag’, wat toch net iets te naïef en simpel klinkt, maar het liedje duurt nog geen 3 minuten, dus dat is geen ramp. Als Daniël Lohues aan dit tempo dit soort kwalitatief hoogstaande songs blijft produceren, kan ik niet anders dan enorm respect voor hem hebben. Met ‘Aordig Doen…’, ‘Herinnerings’ en ‘Tesknie Za Domem’ heeft Lohues wat mij betreft weer minstens drie klassiekers geschreven, en het levert ‘m weer een hoge score op.
4 sterren
Dark Dark Dark - Who Needs Who (2012)

4,0
0
geplaatst: 26 december 2012, 20:46 uur
Een sobere doch smaakvolle hoes, en enkele lovende woorden; meer heeft een mens soms niet nodig om een goeie plaat te ontdekken. En dat is ‘Who Needs Who’ van Dark Dark Dark ontegensprekelijk; een goede plaat. Alleen al het titelnummer, met bijzonder fraaie kleurschakeringen, is meer dan de moeite waard. De melancholisch klinkende pianotoetsen, de aanzwellende blazers, de innemende stem van Nona Marie Invie, en daarbovenop ook nog ‘ns de goeie teksten. Bovendien zitten er ook nog enkele verrassende twisten in het titelnummer.
‘Tell Me’ begint met een stukje dat me doet denken aan een nummer van Villagers (al kan ik er nou niet meteen de vinger op leggen), en ontwikkelt zich gaandeweg in groots pathos, à la Lana del Rey, maar dan minstens twee klassen beter. Invie kijkt in de song mijmerend terug naar een mooie herinnering, zodat deze niet verloren gaat. Een zweem van spijt klinkt door in haar stem, verlangen ook.
‘Last Time I Saw Joe’ is wat zenuwachtiger van aard, met hortend pianospel en drumgeroffel. De blazers vervullen andermaal een belangrijke rol; de spanning is soms te snijden in dit nummer. Ik weet niet wie Joe is, maar dat hij één en ander heeft losgemaakt bij Invie, lijkt me duidelijk. Het nummer krijgt gaandeweg iets weg van Feist of PJ Harvey, maar nooit meer dan een vage afdruk. Met ‘Patsy Cline’ wordt het gaspedaal weer wat met rust gelaten, en zakken we heerlijk in. Af en toe krijgt het een klezmerachtige feel, met accordeon, en die piano, altijd weer die piano. Ook bespeeld door Nona Marie Invie trouwens, toch wel de spilfiguur. Het nummer gaat over vergane liefde, en dat je die niet mag vergeten.
‘Without You’ begint als een zigeunertune (accordeon speelt weer een grote rol), en dan hoor je de volgende prachtige regels:
“Without you I am a river, my love;
And without you, I’ll lose what’s good to the sea;
Without you I am a river, my love;
Wandering aimlessly…”
Deze vier regels zeggen het wat mij betreft helemaal: een treffende metafoor voor verlorenheid, en wat de kostprijs is. ‘How It Went Down’ en ‘Hear Me’ zorgen voor een bescheiden inzakmomentje (met daartussen dan toch nog het sterke, naar het einde toe aanzwellende ‘It’s a Secret’), naar mijn mening, maar echt zwak of gezapig wordt het nooit. Maar dit wordt dan weer goedgemaakt door de laatste twee songs, waarvan vooral de afsluiter bijzonder de moeite waard is.
‘Meet in the Dark’ is zo’n nummer met een gouden refrein, dat herkenbaar is, en doel treft. ‘The Great Mistake’ eigenlijk ook wel, maar aan dat nummer is zo goed als alles puur goud. Van de vrije, jazzy intro over de aandoenlijke verzen tot het refrein, dat mijn hart treft. De schuld is makkelijk bij een ander gelegd, maar moet je bovenal eerst bij jezelf zoeken. Het nummer heeft iets ongrijpbaars, als een nevel die voor je ogen zweeft, maar die je maar niet kan beetpakken. Tegelijk is het de ideale afsluiter, want de toon waar het gehele album naar wordt toegewerkt, wordt hier tot in de perfectie gecreëerd. Een mengeling van nostalgie, openheid, eerlijkheid. Een verlangen naar een tijdmachine om terug te gaan in het verleden en fouten recht te zetten, wonden te helen. Maar ik draaf weer door, en laat mijn eigen creatieve brein het overnemen van de objectiviteit. Muziek is subjectief..
Met de twee beste nummers aan kop en staart, en geen misselijke dingen daartussen, durf ik deze plaat geslaagd noemen. Het is zelfs meer dan dat; Dark Dark Dark heeft een klein pareltje afgeleverd.
4 sterren
‘Tell Me’ begint met een stukje dat me doet denken aan een nummer van Villagers (al kan ik er nou niet meteen de vinger op leggen), en ontwikkelt zich gaandeweg in groots pathos, à la Lana del Rey, maar dan minstens twee klassen beter. Invie kijkt in de song mijmerend terug naar een mooie herinnering, zodat deze niet verloren gaat. Een zweem van spijt klinkt door in haar stem, verlangen ook.
‘Last Time I Saw Joe’ is wat zenuwachtiger van aard, met hortend pianospel en drumgeroffel. De blazers vervullen andermaal een belangrijke rol; de spanning is soms te snijden in dit nummer. Ik weet niet wie Joe is, maar dat hij één en ander heeft losgemaakt bij Invie, lijkt me duidelijk. Het nummer krijgt gaandeweg iets weg van Feist of PJ Harvey, maar nooit meer dan een vage afdruk. Met ‘Patsy Cline’ wordt het gaspedaal weer wat met rust gelaten, en zakken we heerlijk in. Af en toe krijgt het een klezmerachtige feel, met accordeon, en die piano, altijd weer die piano. Ook bespeeld door Nona Marie Invie trouwens, toch wel de spilfiguur. Het nummer gaat over vergane liefde, en dat je die niet mag vergeten.
‘Without You’ begint als een zigeunertune (accordeon speelt weer een grote rol), en dan hoor je de volgende prachtige regels:
“Without you I am a river, my love;
And without you, I’ll lose what’s good to the sea;
Without you I am a river, my love;
Wandering aimlessly…”
Deze vier regels zeggen het wat mij betreft helemaal: een treffende metafoor voor verlorenheid, en wat de kostprijs is. ‘How It Went Down’ en ‘Hear Me’ zorgen voor een bescheiden inzakmomentje (met daartussen dan toch nog het sterke, naar het einde toe aanzwellende ‘It’s a Secret’), naar mijn mening, maar echt zwak of gezapig wordt het nooit. Maar dit wordt dan weer goedgemaakt door de laatste twee songs, waarvan vooral de afsluiter bijzonder de moeite waard is.
‘Meet in the Dark’ is zo’n nummer met een gouden refrein, dat herkenbaar is, en doel treft. ‘The Great Mistake’ eigenlijk ook wel, maar aan dat nummer is zo goed als alles puur goud. Van de vrije, jazzy intro over de aandoenlijke verzen tot het refrein, dat mijn hart treft. De schuld is makkelijk bij een ander gelegd, maar moet je bovenal eerst bij jezelf zoeken. Het nummer heeft iets ongrijpbaars, als een nevel die voor je ogen zweeft, maar die je maar niet kan beetpakken. Tegelijk is het de ideale afsluiter, want de toon waar het gehele album naar wordt toegewerkt, wordt hier tot in de perfectie gecreëerd. Een mengeling van nostalgie, openheid, eerlijkheid. Een verlangen naar een tijdmachine om terug te gaan in het verleden en fouten recht te zetten, wonden te helen. Maar ik draaf weer door, en laat mijn eigen creatieve brein het overnemen van de objectiviteit. Muziek is subjectief..
Met de twee beste nummers aan kop en staart, en geen misselijke dingen daartussen, durf ik deze plaat geslaagd noemen. Het is zelfs meer dan dat; Dark Dark Dark heeft een klein pareltje afgeleverd.
4 sterren
David Bowie - David Bowie (1967)

3,0
0
geplaatst: 22 juli 2021, 21:01 uur
Eindelijk is het er 'ns van gekomen. Na een hele stapel platen van Bowie ben ik nu ook aan zijn debuut aanbeland, wellicht altijd wel wat afgeschrikt door het lage gemiddelde alhier (al is dat, hoewel steeds een soort van gids, niet altijd een goeie graadmeter). Het is in ieder geval en aparte plaat, waarop Bowie meteen laat horen dat hij niet de zoveelste singer-songwriter is/was.
Het theatrale aspect overheerst op dit album, in die mate dat het hier en daar wat karikaturaal wordt en geforceerd gaat klinken. Op latere platen, zou hij ook personages introduceren en performances neerzetten, maar daar zit toch meer coherentie in; dit lijken me een aantal losse ideeën die Bowie had (hij was toen nog erg jong, natuurlijk), wat resulteerde in dit album.
Slecht kan ik het niet vinden. Een aantal songs, zoals Rubber Band, We Are Hungry Men en When I Live My Dream zijn gewoon goed en origineel, en afsluiter Please Mr. Gravedigger springt ook wel in het oor, natuurlijk. Een verkouden Bowie, onheilspellend en macaber klinkend. Gewaagd, maar geslaagd!
Daartegenover staan ook minder gelukte experimenten, en zo voelt de plaat nog het meest aan; als een experiment. Dan moet ik zeggen dat het, voor mij, geen onverdeeld succes is. Maar ik kan het wel pruimen, en er nu en dan zelfs van genieten.
3 sterren
Het theatrale aspect overheerst op dit album, in die mate dat het hier en daar wat karikaturaal wordt en geforceerd gaat klinken. Op latere platen, zou hij ook personages introduceren en performances neerzetten, maar daar zit toch meer coherentie in; dit lijken me een aantal losse ideeën die Bowie had (hij was toen nog erg jong, natuurlijk), wat resulteerde in dit album.
Slecht kan ik het niet vinden. Een aantal songs, zoals Rubber Band, We Are Hungry Men en When I Live My Dream zijn gewoon goed en origineel, en afsluiter Please Mr. Gravedigger springt ook wel in het oor, natuurlijk. Een verkouden Bowie, onheilspellend en macaber klinkend. Gewaagd, maar geslaagd!
Daartegenover staan ook minder gelukte experimenten, en zo voelt de plaat nog het meest aan; als een experiment. Dan moet ik zeggen dat het, voor mij, geen onverdeeld succes is. Maar ik kan het wel pruimen, en er nu en dan zelfs van genieten.
3 sterren
David Gray - Foundling (2010)

4,0
0
geplaatst: 31 oktober 2010, 20:27 uur
Een kennis van mij raadde me enkele maanden geleden David Gray aan. “Echt iets voor jou!”, zei die kennis. Ik besloot om dat advies in acht te nemen, en ben dan maar begonnen met ‘Foundling’, de meest recente van David Gray. En, inderdaad, het is iets voor mij.
Volgens mij is dit plaatje trouwens iets voor veel mensen. In de eerste plaats omdat het materiaal op ‘Foundling’ kwalitatief van hoogstaand niveau is. Ten tweede, omdat het geen moeilijke muziek is. De traditionele instrumenten komen aan bod, af en toe wat strijkers, een saxofoon of blazers erbij om het geheel op te smukken, zonder veel boe of ba, geen onnodige experimentjes dus, of uitstapjes waar je door de bomen het bos niet meer ziet. Ik mag graag al eens luisteren naar progrock, jazz of andere vrij ontoegankelijke muziek, maar dit gaat er af en toe ook in als zoete koek. Af en toe. Ten derde, David Gray heeft een fantastische stem, puur en onberispelijk, van tijd tot tijd ook wat korrelig, maar dat maakt het gevoel dat je tijdens de beluistering van ’s mans songs ervaart, des te echter en intenser.
De bonusnummers, daar zal ik het even kort over hebben vooraleer over de 11 reguliere nummers een boompje op te zetten. De bonusnummers halen het niveau niet van de reguliere nummers, maar dat is zeker geen schande. De twee laatste nummers (‘More To Me Now’ buiten beschouwing gelaten, want dat ken ik niet) klinken me iets te poppy en makkelijk, maar er staat toch nog wat schoons op, zoals de sfeervolle instrumental ‘Morning Theme’ en ‘Fixative’.
De plaat opent luchtig en poppy, met ‘Only The Wine’. Geen mis nummer, maar nu niet meteen speciaal. Gewoon een lekkere opener. Daarna komt voor mij het echte werk, met enkele prachtige nummers op een rij. Het eerste in de rij is het titelnummer (‘Foundling’). Prachtig nummer, zet aan tot meezingen, erg mooie tekst ook. David Gray zei over dit album, dat hij het gewoon moest maken, omdat het als een weeskindje (foundling) voor z’n deur lag. ’t Zal wel een metafoor wezen, zeker? Althans, die versie heb ik gehoord. Daarna komt ‘Forgetting’, zonder twijfel één van de beste nummers van dit jaar. Dat simpele pianospel, de met melancholie bestoven stem van Gray, en dan komen er nog wat strijkers bij, die alle haren op m’n armen doen verrijzen. Ik krijg er de rillingen van, zo mooi.
‘Gossamer Thread’ is ook alweer een mooi nummer, met een prachtige melodie. Gray zingt weer geweldig. ‘The Old Chair’ is ook een lichtpuntje. Prachtig nummer, het laat me achter met een soort van verweesd gevoel..
Daarna is het allemaal wat minder, met nog één absolute uitschieter: ‘Holding On’, en één kleinere uitschieter, die toch vermeld dient te worden: de meeslepende afsluiter ‘Davey Jones’ Locker’. De andere nummers zijn zeker genietbaar, maar eigenlijk niet meer dan dat.
David Gray, een man die al enkele platen op z’n CV heeft staan, ontdek ik. Ik ben er nog lang niet klaar mee.
4 sterren
Volgens mij is dit plaatje trouwens iets voor veel mensen. In de eerste plaats omdat het materiaal op ‘Foundling’ kwalitatief van hoogstaand niveau is. Ten tweede, omdat het geen moeilijke muziek is. De traditionele instrumenten komen aan bod, af en toe wat strijkers, een saxofoon of blazers erbij om het geheel op te smukken, zonder veel boe of ba, geen onnodige experimentjes dus, of uitstapjes waar je door de bomen het bos niet meer ziet. Ik mag graag al eens luisteren naar progrock, jazz of andere vrij ontoegankelijke muziek, maar dit gaat er af en toe ook in als zoete koek. Af en toe. Ten derde, David Gray heeft een fantastische stem, puur en onberispelijk, van tijd tot tijd ook wat korrelig, maar dat maakt het gevoel dat je tijdens de beluistering van ’s mans songs ervaart, des te echter en intenser.
De bonusnummers, daar zal ik het even kort over hebben vooraleer over de 11 reguliere nummers een boompje op te zetten. De bonusnummers halen het niveau niet van de reguliere nummers, maar dat is zeker geen schande. De twee laatste nummers (‘More To Me Now’ buiten beschouwing gelaten, want dat ken ik niet) klinken me iets te poppy en makkelijk, maar er staat toch nog wat schoons op, zoals de sfeervolle instrumental ‘Morning Theme’ en ‘Fixative’.
De plaat opent luchtig en poppy, met ‘Only The Wine’. Geen mis nummer, maar nu niet meteen speciaal. Gewoon een lekkere opener. Daarna komt voor mij het echte werk, met enkele prachtige nummers op een rij. Het eerste in de rij is het titelnummer (‘Foundling’). Prachtig nummer, zet aan tot meezingen, erg mooie tekst ook. David Gray zei over dit album, dat hij het gewoon moest maken, omdat het als een weeskindje (foundling) voor z’n deur lag. ’t Zal wel een metafoor wezen, zeker? Althans, die versie heb ik gehoord. Daarna komt ‘Forgetting’, zonder twijfel één van de beste nummers van dit jaar. Dat simpele pianospel, de met melancholie bestoven stem van Gray, en dan komen er nog wat strijkers bij, die alle haren op m’n armen doen verrijzen. Ik krijg er de rillingen van, zo mooi.
‘Gossamer Thread’ is ook alweer een mooi nummer, met een prachtige melodie. Gray zingt weer geweldig. ‘The Old Chair’ is ook een lichtpuntje. Prachtig nummer, het laat me achter met een soort van verweesd gevoel..
Daarna is het allemaal wat minder, met nog één absolute uitschieter: ‘Holding On’, en één kleinere uitschieter, die toch vermeld dient te worden: de meeslepende afsluiter ‘Davey Jones’ Locker’. De andere nummers zijn zeker genietbaar, maar eigenlijk niet meer dan dat.
David Gray, een man die al enkele platen op z’n CV heeft staan, ontdek ik. Ik ben er nog lang niet klaar mee.
4 sterren
David Wiffen - At the Bunkhouse Coffeehouse, Vancouver, B.C. (1965)

3,5
0
geplaatst: 11 december 2022, 19:15 uur
Fraaie "early recordings" van David Wiffen toen ie nog een prille twintiger was en werd uitgenodigd om op treden in de Bunkhouse Coffehouse in Vancouver. In vergelijking met zijn officiële debuut klinkt Wiffen nog wat onervaren en probeert ie allerhande stijlen uit, lijkt het wel, maar het talent en de mooie, gave stem zijn onmiskenbaar aanwezig.
Wiffen brengt een keur aan liedjes, het ene al wat bekender dan het andere, en doet in zijn folkgedaante denken aan de jongens die destijds in Greenwich Village rondwaarden zoals Dave Van Ronk en Bob Dylan (wiens Don't Think Twice hier een fijne cover krijgt), maar ook country-, blues- en soul-invloeden zijn aanwezig - Wiffen had er absoluut de stem voor.
Four Strong Winds is een toffe opener (song van Ian Tyson van het sixtieskoppel Ian & Sylvia), al haalt ie het niet bij de rijkere versie van Neil Young - een beetje te beschroomd of zo. Since I Fell for You is een mooi liefdesliedje, Courtin' in the Kitchen belicht de wat minder serieuze kant van Wiffen. Blue is dan weer een lofzang op een ouwe, trouwe viervoeter. De twee laatste songs van het album zijn misschien wel de mooiste.
En zo gaat een halfuurtje snel voorbij, natuurlijk. Nog niet van het niveau van zijn twee jaren '70-platen, maar alreeds een veelbelovende voorbode!
3,5 sterren
Wiffen brengt een keur aan liedjes, het ene al wat bekender dan het andere, en doet in zijn folkgedaante denken aan de jongens die destijds in Greenwich Village rondwaarden zoals Dave Van Ronk en Bob Dylan (wiens Don't Think Twice hier een fijne cover krijgt), maar ook country-, blues- en soul-invloeden zijn aanwezig - Wiffen had er absoluut de stem voor.
Four Strong Winds is een toffe opener (song van Ian Tyson van het sixtieskoppel Ian & Sylvia), al haalt ie het niet bij de rijkere versie van Neil Young - een beetje te beschroomd of zo. Since I Fell for You is een mooi liefdesliedje, Courtin' in the Kitchen belicht de wat minder serieuze kant van Wiffen. Blue is dan weer een lofzang op een ouwe, trouwe viervoeter. De twee laatste songs van het album zijn misschien wel de mooiste.
En zo gaat een halfuurtje snel voorbij, natuurlijk. Nog niet van het niveau van zijn twee jaren '70-platen, maar alreeds een veelbelovende voorbode!
3,5 sterren
David Wiffen - Coast to Coast Fever (1973)

4,0
0
geplaatst: 25 januari 2023, 20:00 uur
Dit is de opvolger van het titelloze debuut uit 1971 van de getalenteerde muzikant David Wiffen, tevens helaas zijn zwanenzang. Wiffen legt hier wat meer de focus op folk; de country-invloeden zijn nog steeds aanwezig, maar worden ietwat naar de achtergrond verschoven. Net als de voorganger is dit wel weer een fraai document uit begin jaren '70, van één van die talloze singer-songwriters uit de tijd.
Ik hoor in de nummers op dit album (niet allemaal) echo's van Joni Mitchell, vooral qua vocale inkleuring en intonatie. Ook denk ik dat bijvoorbeeld een artieste als Laura Marling goed naar songs als Smoke Rings geluisterd heeft - zou zijn fan zijn?
Skybound Station is een dromerige, gelukzalig klinkende opener. Wat deels in de tekst weerklinkt, vind ik, want ook al is die niet zo optimistisch gestemd, ik herken er wel een soort van fatalisme, berusting in het lot, in terug. Hetzelfde kan overigens over wel meer songs gezegd worden, zoals de bitterzoete titelsong.
Up on the Hillside is een wat vrolijker klinkend deuntje, van de hand van landgenoot Bruce Cockburn (al werd Wiffen geboren in Engeland en verhuisde hij pas op zijn zestiende naar Canada), die aan deze plaat meewerkte als producer en ook enkele instrumenten inspeelde. Zo staan er nog twee covers op deze plaat: het aandoenlijke White Lines (hoe overtuigend brengt Wiffen dit zeg!) en het wat naar Randy Newman neigende You Need a New Lover Now.
Lucifer's Blues is zompige blues met conga en saxofoon in de begeleiding. Een onrustig, zweterig sfeertje wordt gecreëerd rond de sterke tekst van Wiffen; het klinkt ook een beetje alsof Bob Dylan zich aan Sympathy for the Devil van de Stones waagt. De aanhef van elke strofe van Climb the Stairs doet me grappig genoeg dan weer denken aan A Whiter Shade of Pale van Procol Harum ("We skipped the light fandango"), maar verder is ook dit weer zo'n fijne, doorleefde song waarin Wiffen zijn stem het werk laat doen.
Dat laatste kan ook gezegd worden over de afsluiter van dit plaat, met de achteraf bekeken nogal zwaarbeladen titel Full Circle. Wiffen begeestert en betovert, zijn diepe bariton stem klinkt geruststellend, iets waar heden ten dage de Ier Adrian Crowley bijvoorbeeld ook aardig in slaagt. Een song die slaat en zalft, want de uitwerking tijdens het luisteren mag dan nog zo heilzaam aanvoelen, als je echt naar de tekst luistert wordt je in een zwaarmoedig, melancholiek bad ondergedompeld. En dan kan ik nu, in het moment, enkel zielsgelukkig zijn dat die minzame jongen zo'n mooie muziek heeft uitgebracht.
4 sterren
Ik hoor in de nummers op dit album (niet allemaal) echo's van Joni Mitchell, vooral qua vocale inkleuring en intonatie. Ook denk ik dat bijvoorbeeld een artieste als Laura Marling goed naar songs als Smoke Rings geluisterd heeft - zou zijn fan zijn?
Skybound Station is een dromerige, gelukzalig klinkende opener. Wat deels in de tekst weerklinkt, vind ik, want ook al is die niet zo optimistisch gestemd, ik herken er wel een soort van fatalisme, berusting in het lot, in terug. Hetzelfde kan overigens over wel meer songs gezegd worden, zoals de bitterzoete titelsong.
Up on the Hillside is een wat vrolijker klinkend deuntje, van de hand van landgenoot Bruce Cockburn (al werd Wiffen geboren in Engeland en verhuisde hij pas op zijn zestiende naar Canada), die aan deze plaat meewerkte als producer en ook enkele instrumenten inspeelde. Zo staan er nog twee covers op deze plaat: het aandoenlijke White Lines (hoe overtuigend brengt Wiffen dit zeg!) en het wat naar Randy Newman neigende You Need a New Lover Now.
Lucifer's Blues is zompige blues met conga en saxofoon in de begeleiding. Een onrustig, zweterig sfeertje wordt gecreëerd rond de sterke tekst van Wiffen; het klinkt ook een beetje alsof Bob Dylan zich aan Sympathy for the Devil van de Stones waagt. De aanhef van elke strofe van Climb the Stairs doet me grappig genoeg dan weer denken aan A Whiter Shade of Pale van Procol Harum ("We skipped the light fandango"), maar verder is ook dit weer zo'n fijne, doorleefde song waarin Wiffen zijn stem het werk laat doen.
Dat laatste kan ook gezegd worden over de afsluiter van dit plaat, met de achteraf bekeken nogal zwaarbeladen titel Full Circle. Wiffen begeestert en betovert, zijn diepe bariton stem klinkt geruststellend, iets waar heden ten dage de Ier Adrian Crowley bijvoorbeeld ook aardig in slaagt. Een song die slaat en zalft, want de uitwerking tijdens het luisteren mag dan nog zo heilzaam aanvoelen, als je echt naar de tekst luistert wordt je in een zwaarmoedig, melancholiek bad ondergedompeld. En dan kan ik nu, in het moment, enkel zielsgelukkig zijn dat die minzame jongen zo'n mooie muziek heeft uitgebracht.
4 sterren
David Wiffen - David Wiffen (1971)

4,5
3
geplaatst: 7 januari 2023, 19:44 uur
Fijne plaat van David Wiffen, een wat vergeten muzikant en liedjesschrijver uit de jaren '60 en '70 (zoals er wel meer zijn natuurlijk). Dit solodebuut (ik reken de live-opnames uit 1965 nu even niet mee) bevat voor het merendeel eigen nummers, en de mate waarin Wiffen erkenning kreeg doordat anderen zijn songs coverden, is al een indicatie voor de appreciatie vanuit de muziekgemeenschap, maar volgens mij toch ook van de kwaliteit van zijn songs.
Twee van die songs werden reeds voor de release van deze plaat uitgebracht door anderen: Driving Wheel door Tom Rush, More Often Than Not door Jerry Jeff Walker. Met enig gevoel voor fantasie zou je het verwanten kunnen noemen; ook Rush en Walker schreven eigen materiaal (al bestond de 1970-plaat van Rush waarop dit nummer staat uitsluitend uit (folk)covers), en moesten het hebben van hun karakteristieke stemgeluid en vaak intimistische sound.
Wiffen staat bij mij echter nog een trapje hoger, vooral omdat hij met zijn bariton de songs echt naar een hoger niveau weet te stuwen. Het klinkt allemaal erg mooi, maar niet opgepoetst of zo; oprechte emoties. Daarnaast is het intimistische karakter van deze plaat een pluspunt, en worden er op fraaie, smaakvolle wijze country-invloeden in verwerkt (heus niet elk liedje).
Jammer genoeg zou zijn ster snel tanen, zoals dat voor menig artiest nu eenmaal het geval is. Het succes bleef uit in vergelijking met andere artiesten, Wiffen ontwikkelde een nogal destructieve relatie met de fles (de beste man is nog wel onder ons en leeft ondertussen al een hele tijd alcoholvrij, dacht ik) en hij stopte met opnemen en optreden. Erg jammer, maar niet elk talent ontplooit zich ten volle natuurlijk, en Wiffen zocht dan maar zijn heil als chauffeur (wat enigszins ironisch kan klinken gezien zijn alcoholmisbruik).
Maar goed, de muziek dus. Wiffen zingt hier grotendeels met zijn kenmerkende bariton, al wisselt hij soms over naar ietwat hogere regionen. Het is echter zijn bariton die me het meest aanspreekt en heel wat warmte aan de liedjes toevoegt, zoals in de opener, die me meteen op een prettige manier het album in trekt. De warme stem van Wiffen werkt geweldig, maakt de sfeer aangenaam en gezellig, het werkt simpelweg uitnodigend – de tekst van het nummer is ook erg optimistisch gestemd, er spreekt hoop en liefde uit.
Dromerigheid is ook een element dat ik in hoge mate in dit plaatje, dat net geen halfuur in beslag neemt, ontdek. Daar zit die bariton van Wiffen voor iets tussen, maar ook de muzikale omlijsting. Vooral wanneer de country-invloeden naar voor komen (pedal steel!), zoals op het stemmige maar toch ook weemoedig klinkende I’ve Got My Ticket word ik helemaal meegevoerd in Wiffen’s droomwereld, waar het leven wat makkelijker te verdragen lijkt als in de realiteit.
Luchtigheid is ook niet uit den boze bij Wiffen. Het pianoriedeltje in What Alot of Woman is stemt me meteen in een vrolijke bui, de tekst houdt het midden tussen gepoch en zelfspot. Het korte Blues Was the Name of the Song kan ook gerust onder die noemer worden geschaard. Niet de beste songs op de plaat, maar ze zorgen wel voor ademruimte.
Wiffen is echter op z’n best als die dromerige weemoed de boventoon voert. Hoe betoverend mooi klinkt niet het soulvolle Since I Fell for You? Hoe besmettelijk het poëtische verlangen in prijsnummer Driving Wheel? Hoe de arrangementen van Mention My Name in Passing nét goed zitten, en niet overhellen naar feeërieke pathos?
In het pakkende slotnummer komt dat alles nog ‘ns samen: de dromerige manier van zingen, de smaakvolle muzikale omkadering, de scherpe lyrics. Vooral de laatste strofe (oké, er volgt er eigenlijk nog één, maar die wordt na twee regels afgekapt) hakt er stevig in:
”Ah so pass the bottle, now give it here
There’s so many reasons to drink it dry
Ease my pain and likely kill me
Hey, have another here to go.
And you will believe that it happens more often than not
Here’s to all the bottles that I’ve drunk in my time
Whatever they were.”
Een noodkreet om hulp van een door het leven getekende alcoholverslaafde. Wiffen zou zijn strubbelingen uiteindelijk wel te boven komen, maar een veelbelovende carrière werd wel gefnuikt, deels door de drank. Gelukkig heeft hij ons wel dit prachtplaatje nagelaten.
4,5 sterren
Twee van die songs werden reeds voor de release van deze plaat uitgebracht door anderen: Driving Wheel door Tom Rush, More Often Than Not door Jerry Jeff Walker. Met enig gevoel voor fantasie zou je het verwanten kunnen noemen; ook Rush en Walker schreven eigen materiaal (al bestond de 1970-plaat van Rush waarop dit nummer staat uitsluitend uit (folk)covers), en moesten het hebben van hun karakteristieke stemgeluid en vaak intimistische sound.
Wiffen staat bij mij echter nog een trapje hoger, vooral omdat hij met zijn bariton de songs echt naar een hoger niveau weet te stuwen. Het klinkt allemaal erg mooi, maar niet opgepoetst of zo; oprechte emoties. Daarnaast is het intimistische karakter van deze plaat een pluspunt, en worden er op fraaie, smaakvolle wijze country-invloeden in verwerkt (heus niet elk liedje).
Jammer genoeg zou zijn ster snel tanen, zoals dat voor menig artiest nu eenmaal het geval is. Het succes bleef uit in vergelijking met andere artiesten, Wiffen ontwikkelde een nogal destructieve relatie met de fles (de beste man is nog wel onder ons en leeft ondertussen al een hele tijd alcoholvrij, dacht ik) en hij stopte met opnemen en optreden. Erg jammer, maar niet elk talent ontplooit zich ten volle natuurlijk, en Wiffen zocht dan maar zijn heil als chauffeur (wat enigszins ironisch kan klinken gezien zijn alcoholmisbruik).
Maar goed, de muziek dus. Wiffen zingt hier grotendeels met zijn kenmerkende bariton, al wisselt hij soms over naar ietwat hogere regionen. Het is echter zijn bariton die me het meest aanspreekt en heel wat warmte aan de liedjes toevoegt, zoals in de opener, die me meteen op een prettige manier het album in trekt. De warme stem van Wiffen werkt geweldig, maakt de sfeer aangenaam en gezellig, het werkt simpelweg uitnodigend – de tekst van het nummer is ook erg optimistisch gestemd, er spreekt hoop en liefde uit.
Dromerigheid is ook een element dat ik in hoge mate in dit plaatje, dat net geen halfuur in beslag neemt, ontdek. Daar zit die bariton van Wiffen voor iets tussen, maar ook de muzikale omlijsting. Vooral wanneer de country-invloeden naar voor komen (pedal steel!), zoals op het stemmige maar toch ook weemoedig klinkende I’ve Got My Ticket word ik helemaal meegevoerd in Wiffen’s droomwereld, waar het leven wat makkelijker te verdragen lijkt als in de realiteit.
Luchtigheid is ook niet uit den boze bij Wiffen. Het pianoriedeltje in What Alot of Woman is stemt me meteen in een vrolijke bui, de tekst houdt het midden tussen gepoch en zelfspot. Het korte Blues Was the Name of the Song kan ook gerust onder die noemer worden geschaard. Niet de beste songs op de plaat, maar ze zorgen wel voor ademruimte.
Wiffen is echter op z’n best als die dromerige weemoed de boventoon voert. Hoe betoverend mooi klinkt niet het soulvolle Since I Fell for You? Hoe besmettelijk het poëtische verlangen in prijsnummer Driving Wheel? Hoe de arrangementen van Mention My Name in Passing nét goed zitten, en niet overhellen naar feeërieke pathos?
In het pakkende slotnummer komt dat alles nog ‘ns samen: de dromerige manier van zingen, de smaakvolle muzikale omkadering, de scherpe lyrics. Vooral de laatste strofe (oké, er volgt er eigenlijk nog één, maar die wordt na twee regels afgekapt) hakt er stevig in:
”Ah so pass the bottle, now give it here
There’s so many reasons to drink it dry
Ease my pain and likely kill me
Hey, have another here to go.
And you will believe that it happens more often than not
Here’s to all the bottles that I’ve drunk in my time
Whatever they were.”
Een noodkreet om hulp van een door het leven getekende alcoholverslaafde. Wiffen zou zijn strubbelingen uiteindelijk wel te boven komen, maar een veelbelovende carrière werd wel gefnuikt, deels door de drank. Gelukkig heeft hij ons wel dit prachtplaatje nagelaten.
4,5 sterren
Dawn - Slaughtersun (Crown of the Triarchy) (1998)

4,5
0
geplaatst: 27 mei 2012, 09:03 uur
Dawn is een band die ik, voor de verandering, eens niet ontdekte dankzij MusicMeter. Welneen, toen ik de toplijsten van RateYourMusic afstruinde, kwam ik deze band, en in het bijzonder dit album tegen. Omdat ik nog nooit van gehoord had, zocht ik de albumpagina op MusicMeter op, maar die bestond niet! Logisch vervolg: de toevoeging van het album, en het debuut heb ik er dan ook maar bij gedaan, alsmede een EP’tje. Dat is ook meteen het hele oeuvre van de Zweedse black metalband. ’t Ruikt een beetje naar een cultband, gebonden aan een bepaald tijdsscharnier. En dat is dan misschien wel zo, maar met ‘Slaughtersun (Crown of the Triarchy)’ hebben ze wel een meesterwerkje afgeleverd, een ruwe diamant van formaat.
Ik zal eerst mijn licht werpen op de hoes. Die beeldt, zoals bij de andere twee werkjes van Dawn ook het geval is, een erg fraai natuurbeeld uit. Een ondergaande zon, die reflecteert op het wateroppervlak, en daarmee prachtige kleurschakeringen en effecten oproept. Je zou zeggen, deze hoes hoort bij een sfeervol, ietwat loom album. Maar dat klopt dus helemaal niet. ‘Slaughtersun’ is bruut, agressief, strak, woedend, furieus, enfin, alle krachtige adjectieven die je maar kan bedenken.
Openingstrack ‘The Knell and the World’ opent nog met een rustig, echoënd stukje, maar barst vrij snel los met een apocalyptisch aandoende gitaarriff, allesvernietigende drums en rauwe vocalen die bol staan van de agressie. En zo raast dit nummer een negental minuten door, als een tornado. Woesj! Alles weggeblazen, vooral ikzelf.
Met die opener stopt het nog niet, want ook ‘Falcula’ is meer dan de moeite. Wederom een razend nummer, een pauze om op adem te komen komt er in principe enkel met het intermezzo ‘To Achieve the Ancestral Powers’, dat op zijn beurt dan weer de opmaat is voor ‘Ride the Wings of Pestilence’, ook al zo’n knaller van jewelste. Wel is dit geen albumpie dat zich makkelijk laat beluisteren; je moet er echt voor in de mood zijn, en goedgemutst zal je er niet gauw van worden. Wel heb ik opgemerkt dat enkele nummers op het album echte adrenalinestoten zijn; mijn energielevel lijkt erdoor te gaan stijgen. Dit heb ik wel meer met metal; ‘Astral Blood’ van Wolves in the Throne Room’ is daar een voorbeeld van, of iets van het laatste album van Woods of Desolation. Maar het is vrij straf dat het op deze plaat niet bij één zo’n nummer blijft, maar dat er meerdere zijn. Ook de uitmuntende afsluiter (dat refrein!) behoort tot dat groepje.
‘Slaughtersun (Crown of the Triarchy)’ is, en dat is eigenlijk mijn enige echte bemerking, een beetje een monotone plaat. Net doordat het altijd maar zo hard en onverbiddelijk blijft beuken. Daarom zal het album waarschijnlijk nooit doorstoten naar mijn top 10 (al weet je nooit). In mijn topic “De metalen twijfels van AOVV” valt deze dan ook als eerste af. Het is ook de minst bekende uit het hele rijtje, maar dat heeft er niets mee te maken. Ik hoop dat er nog een heleboel mensen dit zullen ontdekken, en uiteindelijk ook appreciëren. De kritiek die Niels uit op het album kan ik wel begrijpen, en hij zal ook niet de laatste zijn die er zo over denkt. Dit is dan ook mijn inzending voor Metal Album van de Week.
4,5 sterren
Ik zal eerst mijn licht werpen op de hoes. Die beeldt, zoals bij de andere twee werkjes van Dawn ook het geval is, een erg fraai natuurbeeld uit. Een ondergaande zon, die reflecteert op het wateroppervlak, en daarmee prachtige kleurschakeringen en effecten oproept. Je zou zeggen, deze hoes hoort bij een sfeervol, ietwat loom album. Maar dat klopt dus helemaal niet. ‘Slaughtersun’ is bruut, agressief, strak, woedend, furieus, enfin, alle krachtige adjectieven die je maar kan bedenken.
Openingstrack ‘The Knell and the World’ opent nog met een rustig, echoënd stukje, maar barst vrij snel los met een apocalyptisch aandoende gitaarriff, allesvernietigende drums en rauwe vocalen die bol staan van de agressie. En zo raast dit nummer een negental minuten door, als een tornado. Woesj! Alles weggeblazen, vooral ikzelf.
Met die opener stopt het nog niet, want ook ‘Falcula’ is meer dan de moeite. Wederom een razend nummer, een pauze om op adem te komen komt er in principe enkel met het intermezzo ‘To Achieve the Ancestral Powers’, dat op zijn beurt dan weer de opmaat is voor ‘Ride the Wings of Pestilence’, ook al zo’n knaller van jewelste. Wel is dit geen albumpie dat zich makkelijk laat beluisteren; je moet er echt voor in de mood zijn, en goedgemutst zal je er niet gauw van worden. Wel heb ik opgemerkt dat enkele nummers op het album echte adrenalinestoten zijn; mijn energielevel lijkt erdoor te gaan stijgen. Dit heb ik wel meer met metal; ‘Astral Blood’ van Wolves in the Throne Room’ is daar een voorbeeld van, of iets van het laatste album van Woods of Desolation. Maar het is vrij straf dat het op deze plaat niet bij één zo’n nummer blijft, maar dat er meerdere zijn. Ook de uitmuntende afsluiter (dat refrein!) behoort tot dat groepje.
‘Slaughtersun (Crown of the Triarchy)’ is, en dat is eigenlijk mijn enige echte bemerking, een beetje een monotone plaat. Net doordat het altijd maar zo hard en onverbiddelijk blijft beuken. Daarom zal het album waarschijnlijk nooit doorstoten naar mijn top 10 (al weet je nooit). In mijn topic “De metalen twijfels van AOVV” valt deze dan ook als eerste af. Het is ook de minst bekende uit het hele rijtje, maar dat heeft er niets mee te maken. Ik hoop dat er nog een heleboel mensen dit zullen ontdekken, en uiteindelijk ook appreciëren. De kritiek die Niels uit op het album kan ik wel begrijpen, en hij zal ook niet de laatste zijn die er zo over denkt. Dit is dan ook mijn inzending voor Metal Album van de Week.
4,5 sterren
De Kift - Brik (2011)

4,5
0
geplaatst: 22 mei 2011, 19:58 uur
De Kift is een excentrieke Nederlandse band die ik leerde kennen dankzij het nummer ‘Hoofdkaas’, van de gelijknamige plaat. Dit nummer beviel mij meteen uitstekend, en zette me aan tot het beluisteren van ‘Vlaskoorts’, een fraaie, eigenzinnige plaat die slechts moeilijk te doorgronden valt. Dan is de nieuwe plaat van De Kift toch wat toegankelijker; prettig aanstekelijk zelfs!
Zo valt ‘Drie Wegen’ meteen met de deur in huis. Springerig gitaartje, de spreker (ik vind hem eerder een spreker dan een zanger, wat niet erg is, want zo komt ie enorm overtuigend over) die in mysterieuze, halfpoëtische zinnen het verhaal doet van de keuzes waarvoor men staat in het leven. Kiezen we de asfaltweg, de klinkerweg of de landweg? Erg aanstekelijk nummer, met een niet meteen duidelijke boodschap, het lijkt het handelsmerk te zijn van De Kift op deze plaat.
Want ook het volgende nummer klinkt erg leuk en toegankelijk, behalve op tekstueel vlak dan. Voor het overige wel wat minder goed dan die opener, maar dat wordt weer goed gemaakt door ‘Melk en Hooi’, dat daarop volgt. De tekst is markant, af en toe ook grappig op een serieuze manier (“Chauffeur, u hebt een goed karakter. U hebt een auto, maar u weet niet waar u naar toe zult gaan. Wij staan er slechter voor. Wij hebben geen auto, maar we weten wel waar we naar toe moeten. U de benzine, wij de ideeën! Laten we gaan.”).
“The land of milk and honey”, zoals de zegswijze gaat, wordt bij De Kift dus het land van melk en honing. Subtiel verschil. ‘Admiraal B’ is het volgende nummer, en wordt voortgestuwd door een stekelig ritme en dreigende blazers. Het muzikale aspect doet me vaagweg denken aan de titeltrack van de Amerikaanse serie Dexter, over een seriemoordenaar die bij de politie werkt als bloedanalist. Als je dat in je achterhoofd houdt, en de tekst erbij neemt, blijkt dat die gedachtegang nog hout snijdt ook! “Vliegen met messen als veren”…
‘Giele Blommen’ is een rustpuntje, dat begint met een korte rinkelprelude (verwijzing naar het vorige nummer, meesterlijk!), en vervolgens een vrouwenstem die een (voor mij althans) slechts gedeeltelijk te begrijpen verhaal vertelt in het Fries (ik denk toch dat het Fries is, mooie taal overigens). Het tussenstukje op viool is trouwens ook wonderschoon. Daarna begint Ferry Heijne zijn versie te vertellen. Twee versies van hetzelfde verhaal, oftewel hoe verschillende interpretaties van dezelfde gebeurtenis voor misverstanden kunnen zorgen.
Dan het nummer dat ik reeds eerder had gehoord. ‘Berenice’. Enkel op de titel afgaand dacht ik dat het woord stond voor “enorm leuk” of iets dergelijks, maar als ik de tekst erbij neem, lijkt het een middeleeuwse deerne, die leeft in de moderne tijd. De tekst is echt enorm sterk hier, vind ik. Muzikaal is het niet het beste nummer op de plaat, maar wel zeer degelijk, licht opzwepend. Dit stukje tekst wil ik u niet onthouden:
“Als u haar tegenkomt,
En langs een afgelegen straathoek sluipen ziet,
Spuug dan geen vuiligheid of vloek
In het gezicht van deze vrouw
Die godin Honger in de winterkou
Gedwongen heeft haar rokken op te tillen.”
‘Het Land’ begint met een heerlijk rustig ritme, wat een groot contrast oproept met het vorige nummer. Het is het soort ritme waarvan je uit pure relaxedheid mee gaat neuriën. Het volgende nummer is ‘Carburateur’. Het begint met een vreemde intro, doet een beetje aan Tom Waits denken. De strijkers en blazers worden prachtig bij elkaar samengevoegd, waarna Heijne weer één van die opmerkelijke teksten begint te declameren. In zijn stem hoor je perfect de sfeer die bij de woorden past die hij uitspreekt. Getergd, licht ironisch. Zwaarmoedig nummer toch wel.
In ‘Luchtgeest’ klinkt het alvast een stuk zonniger. Al wordt dat wel verwoordt in termen die met regen te maken hebben. De muziek klinkt in ieder geval wat minder somber dan op voorgaande nummers, er worden ook wat Franse woordjes gezongen. Jawel, gezongen, want nu is het een keer eens niet declameren wat de klok slaat. Erg mooi, dat contrast tussen regen en zon dat hier geschept wordt. De muzikale ondersteuning doet denken aan een exotisch toeristenoord; de tekst aan ondergelopen, Franse steegjes naast de Seine.
‘Woestijnnachten’ opent dan weer wel conform de titel, met een oosters riedeltje. Op tekstueel vlak is dit gewoon een bijzonder fraaie beschrijving van een vrouwengezicht. Ik verbaas me er telkens weer over wat men allemaal kan zien in één gezicht. De vers over haar tanden, bijvoorbeeld:
“Haar tanden waren minaretten in Turkse
Sterrenacht, golven overspoelden haar wangen
Waarachter in diepe duisternis piramides
Wachtten op voorbijschuivende kamelen.”
Geweldig nummer, zeg! De strijkers spelen ook weer een prominente rol, en wat mag ik die instrumenten toch graag horen in combinatie met dit soort eigenzinnigheid. ‘Kweade Tongen’ brengt de Friese taal weer naar de voorgrond. De manier waarop het nummer wordt ingeleid, doet me wederom denken aan Tom Waits. En ook aan sommige jazzplaten die ik al beluisterd heb. De zang klinkt prachtig, en enorm meeslepend gecombineerd met de muziek, maar ik begrijp er weer af en toe maar een half woord van. Wat ik eruit kan opmaken, is dat de vrouw in kwestie zich erom kan verkneukelen dat haar geliefde (of ex-geliefde?) haar overal zoekt, en dat dit een moeilijke tocht is, vol obstakels. Ik zeg maar wat, er zal ongetwijfeld niets van kloppen..
‘Claxon’ wordt weer ingezet met blazers, en daar is Ferry Heijne weer, en daar is ‘Admiraal B’ weer! De link wordt gelegd met dat nummer: “Nu kan ik vliegen met messen als veren. Hoor maar, ik rinkel, ik rinkel!”. Dat is niet de enkele link die gelegd wordt, ook ‘Melk en Hooi’ wordt herdacht: Monteurs sjokten op blote voeten door de straten met hun steeksleutels en dotten poetskatoen… We werden ingehaald en gesneden door woeste chauffeurs, grijnzend achter hun stuurwiel.”
‘Herfst en Tuberoazen’ is, net als ‘Giele Blommen’ een nummer dat een vers in het Fries combineert met een vers in het Algemeen Nederlands. Het is een toost op de neergang en de eenzaamheid. Op de bitterheid van het leven. Het nummer wordt begeleidt door donkere strijkers en een relaxed gitaartje.
‘Filet de Perche’ begint rustig, maar breekt dan helemaal open als een soort van knotsgekke kermissong. “Op het podium speelde een uitzinnig orkest”, zegt Heijne. Heeft hij het nu over z’n eigen band, die inderdaad het beste van zichzelf geeft? Je zou door daarover na te denken bijna vergeten naar de uitstekende tekst te luisteren, die jammer genoeg een beetje wordt overschaduwd door het naar aandacht schreeuwend refrein. Lijkt me een leuk restaurant, waarover het hier gaat. Het nummer eindigt zoals het begonnen was; rustig en nostalgisch aandoend. Een lichtgevende herinnering uit een schimmig verleden..
De titelsong mag deze plaat afsluiten, en doet dat op gepaste wijze. Admiraal B wordt, hoewel zijn naam niet uitdrukkelijk genoemd wordt, nog één keer opgevoerd, eens de heerser over een brik, nu gerokt, met zwarte ogen en een dolkvormige baard. In de laatste vers van deze plaat wordt het bestaan van Admiraal B dan ontkend, met als belangrijkste motivatie dat mensen liegen. De laatste regels zijn misschien wel het mooist van allemaal:
“Wel is er die afgebladderde veranda,
Is er het gietijzeren hek met daarachter de weg…
IJs drijft in het schaaltje, aan het naburige tafeltje zit iemand
Met bloeddoorlopen stierenogen,
En er waart angst rond, angst…"
In vijf regels vat Heijne de plaat eigenlijk zo goed als perfect samen; het maakt niet uit welke weg je kiest, angst en onzekerheid zal altijd je deel zijn, en om jezelf sterk te houden, klamp je je amechtig vast aan vage herinneringen. Lichtgevende herinneringen uit een schimmig verleden..
En zo heb ik weer een stuk geschreven dat veel langer is uitgevallen dan mijn oorspronkelijke bedoeling was. Maar dit is dan ook een plaat waar heel wat over te zeggen valt, en geloof me, ik had nog heel wat meer kunnen bespreken. Doch ik heb er de (voor mij, althans) meest boeiende stukken uitgehaald en proberen op mijn eigen manier die zo goed mogelijk te interpreteren. Ik zal de bal ongetwijfeld enkele keren misgeslagen hebben, maar dat vind ik op zich niet zo erg; het was mijn bedoeling om een mening te formuleren over deze plaat, waar ik iets aan heb, en hopelijk ook anderen iets aan hebben. Voor de rest is het bij deze band sowieso gissen naar hun beweegredenen, vermoed ik..
4,5 sterren
Zo valt ‘Drie Wegen’ meteen met de deur in huis. Springerig gitaartje, de spreker (ik vind hem eerder een spreker dan een zanger, wat niet erg is, want zo komt ie enorm overtuigend over) die in mysterieuze, halfpoëtische zinnen het verhaal doet van de keuzes waarvoor men staat in het leven. Kiezen we de asfaltweg, de klinkerweg of de landweg? Erg aanstekelijk nummer, met een niet meteen duidelijke boodschap, het lijkt het handelsmerk te zijn van De Kift op deze plaat.
Want ook het volgende nummer klinkt erg leuk en toegankelijk, behalve op tekstueel vlak dan. Voor het overige wel wat minder goed dan die opener, maar dat wordt weer goed gemaakt door ‘Melk en Hooi’, dat daarop volgt. De tekst is markant, af en toe ook grappig op een serieuze manier (“Chauffeur, u hebt een goed karakter. U hebt een auto, maar u weet niet waar u naar toe zult gaan. Wij staan er slechter voor. Wij hebben geen auto, maar we weten wel waar we naar toe moeten. U de benzine, wij de ideeën! Laten we gaan.”).
“The land of milk and honey”, zoals de zegswijze gaat, wordt bij De Kift dus het land van melk en honing. Subtiel verschil. ‘Admiraal B’ is het volgende nummer, en wordt voortgestuwd door een stekelig ritme en dreigende blazers. Het muzikale aspect doet me vaagweg denken aan de titeltrack van de Amerikaanse serie Dexter, over een seriemoordenaar die bij de politie werkt als bloedanalist. Als je dat in je achterhoofd houdt, en de tekst erbij neemt, blijkt dat die gedachtegang nog hout snijdt ook! “Vliegen met messen als veren”…
‘Giele Blommen’ is een rustpuntje, dat begint met een korte rinkelprelude (verwijzing naar het vorige nummer, meesterlijk!), en vervolgens een vrouwenstem die een (voor mij althans) slechts gedeeltelijk te begrijpen verhaal vertelt in het Fries (ik denk toch dat het Fries is, mooie taal overigens). Het tussenstukje op viool is trouwens ook wonderschoon. Daarna begint Ferry Heijne zijn versie te vertellen. Twee versies van hetzelfde verhaal, oftewel hoe verschillende interpretaties van dezelfde gebeurtenis voor misverstanden kunnen zorgen.
Dan het nummer dat ik reeds eerder had gehoord. ‘Berenice’. Enkel op de titel afgaand dacht ik dat het woord stond voor “enorm leuk” of iets dergelijks, maar als ik de tekst erbij neem, lijkt het een middeleeuwse deerne, die leeft in de moderne tijd. De tekst is echt enorm sterk hier, vind ik. Muzikaal is het niet het beste nummer op de plaat, maar wel zeer degelijk, licht opzwepend. Dit stukje tekst wil ik u niet onthouden:
“Als u haar tegenkomt,
En langs een afgelegen straathoek sluipen ziet,
Spuug dan geen vuiligheid of vloek
In het gezicht van deze vrouw
Die godin Honger in de winterkou
Gedwongen heeft haar rokken op te tillen.”
‘Het Land’ begint met een heerlijk rustig ritme, wat een groot contrast oproept met het vorige nummer. Het is het soort ritme waarvan je uit pure relaxedheid mee gaat neuriën. Het volgende nummer is ‘Carburateur’. Het begint met een vreemde intro, doet een beetje aan Tom Waits denken. De strijkers en blazers worden prachtig bij elkaar samengevoegd, waarna Heijne weer één van die opmerkelijke teksten begint te declameren. In zijn stem hoor je perfect de sfeer die bij de woorden past die hij uitspreekt. Getergd, licht ironisch. Zwaarmoedig nummer toch wel.
In ‘Luchtgeest’ klinkt het alvast een stuk zonniger. Al wordt dat wel verwoordt in termen die met regen te maken hebben. De muziek klinkt in ieder geval wat minder somber dan op voorgaande nummers, er worden ook wat Franse woordjes gezongen. Jawel, gezongen, want nu is het een keer eens niet declameren wat de klok slaat. Erg mooi, dat contrast tussen regen en zon dat hier geschept wordt. De muzikale ondersteuning doet denken aan een exotisch toeristenoord; de tekst aan ondergelopen, Franse steegjes naast de Seine.
‘Woestijnnachten’ opent dan weer wel conform de titel, met een oosters riedeltje. Op tekstueel vlak is dit gewoon een bijzonder fraaie beschrijving van een vrouwengezicht. Ik verbaas me er telkens weer over wat men allemaal kan zien in één gezicht. De vers over haar tanden, bijvoorbeeld:
“Haar tanden waren minaretten in Turkse
Sterrenacht, golven overspoelden haar wangen
Waarachter in diepe duisternis piramides
Wachtten op voorbijschuivende kamelen.”
Geweldig nummer, zeg! De strijkers spelen ook weer een prominente rol, en wat mag ik die instrumenten toch graag horen in combinatie met dit soort eigenzinnigheid. ‘Kweade Tongen’ brengt de Friese taal weer naar de voorgrond. De manier waarop het nummer wordt ingeleid, doet me wederom denken aan Tom Waits. En ook aan sommige jazzplaten die ik al beluisterd heb. De zang klinkt prachtig, en enorm meeslepend gecombineerd met de muziek, maar ik begrijp er weer af en toe maar een half woord van. Wat ik eruit kan opmaken, is dat de vrouw in kwestie zich erom kan verkneukelen dat haar geliefde (of ex-geliefde?) haar overal zoekt, en dat dit een moeilijke tocht is, vol obstakels. Ik zeg maar wat, er zal ongetwijfeld niets van kloppen..
‘Claxon’ wordt weer ingezet met blazers, en daar is Ferry Heijne weer, en daar is ‘Admiraal B’ weer! De link wordt gelegd met dat nummer: “Nu kan ik vliegen met messen als veren. Hoor maar, ik rinkel, ik rinkel!”. Dat is niet de enkele link die gelegd wordt, ook ‘Melk en Hooi’ wordt herdacht: Monteurs sjokten op blote voeten door de straten met hun steeksleutels en dotten poetskatoen… We werden ingehaald en gesneden door woeste chauffeurs, grijnzend achter hun stuurwiel.”
‘Herfst en Tuberoazen’ is, net als ‘Giele Blommen’ een nummer dat een vers in het Fries combineert met een vers in het Algemeen Nederlands. Het is een toost op de neergang en de eenzaamheid. Op de bitterheid van het leven. Het nummer wordt begeleidt door donkere strijkers en een relaxed gitaartje.
‘Filet de Perche’ begint rustig, maar breekt dan helemaal open als een soort van knotsgekke kermissong. “Op het podium speelde een uitzinnig orkest”, zegt Heijne. Heeft hij het nu over z’n eigen band, die inderdaad het beste van zichzelf geeft? Je zou door daarover na te denken bijna vergeten naar de uitstekende tekst te luisteren, die jammer genoeg een beetje wordt overschaduwd door het naar aandacht schreeuwend refrein. Lijkt me een leuk restaurant, waarover het hier gaat. Het nummer eindigt zoals het begonnen was; rustig en nostalgisch aandoend. Een lichtgevende herinnering uit een schimmig verleden..
De titelsong mag deze plaat afsluiten, en doet dat op gepaste wijze. Admiraal B wordt, hoewel zijn naam niet uitdrukkelijk genoemd wordt, nog één keer opgevoerd, eens de heerser over een brik, nu gerokt, met zwarte ogen en een dolkvormige baard. In de laatste vers van deze plaat wordt het bestaan van Admiraal B dan ontkend, met als belangrijkste motivatie dat mensen liegen. De laatste regels zijn misschien wel het mooist van allemaal:
“Wel is er die afgebladderde veranda,
Is er het gietijzeren hek met daarachter de weg…
IJs drijft in het schaaltje, aan het naburige tafeltje zit iemand
Met bloeddoorlopen stierenogen,
En er waart angst rond, angst…"
In vijf regels vat Heijne de plaat eigenlijk zo goed als perfect samen; het maakt niet uit welke weg je kiest, angst en onzekerheid zal altijd je deel zijn, en om jezelf sterk te houden, klamp je je amechtig vast aan vage herinneringen. Lichtgevende herinneringen uit een schimmig verleden..
En zo heb ik weer een stuk geschreven dat veel langer is uitgevallen dan mijn oorspronkelijke bedoeling was. Maar dit is dan ook een plaat waar heel wat over te zeggen valt, en geloof me, ik had nog heel wat meer kunnen bespreken. Doch ik heb er de (voor mij, althans) meest boeiende stukken uitgehaald en proberen op mijn eigen manier die zo goed mogelijk te interpreteren. Ik zal de bal ongetwijfeld enkele keren misgeslagen hebben, maar dat vind ik op zich niet zo erg; het was mijn bedoeling om een mening te formuleren over deze plaat, waar ik iets aan heb, en hopelijk ook anderen iets aan hebben. Voor de rest is het bij deze band sowieso gissen naar hun beweegredenen, vermoed ik..
4,5 sterren
Deafheaven - 10 Years Gone (2020)

4,5
2
geplaatst: 12 december 2020, 19:39 uur
De huidige pandemie heeft ons allen in een maalstroom met focus op de aardedonkere bodem gebracht, maar af en toe ontwaar je een lichtpuntje in de duisternis, iets goed wat uit de hele misère voortkomt. 10 Years Gone is absoluut één van die producten.
Dat Deafheaven een band is met een arendsoog voor detail, is algemeen geweten. De Amerikanen steken heel wat energie, toewijding en tijd in hun muziek, wat tot nu toe heeft geresulteerd tot 4 straffe platen, gaand van "geweldig" tot "ronduit verbluffend". Dat ze nu hun beoogde tourset (of toch een deel daarvan, op z'n minst) live in de studio hebben opgenomen en uitgebracht, daar was ik al erg blij om vooraleer ik een noot had gehoord. De tracklist leert ons namelijk dat dit een eerlijke greep is uit het oeuvre van de band. Maar liefst drie van de acht songs komen van Sunbather, dat klopt, maar dat is dan ook hun opus magnum.
De andere tracks zijn afkomstig van de EP Libertine Dissolves (het kort maar krachtige Daedalus), langspeeldebuut Roads to Judah (verrassend genoeg geen Violet, wel Language Games!), New Bermuda (het mooie Baby Blue) en Ordinary Corrupt Human Love, hun meest recente worp. Van die plaat ook een verrassende keuze, vind ik, maar Glint pakt heel erg goed uit in deze uitvoering. Ik vind 'm dubbel zo mooi als de reguliere versie!
De plaat trapt overigens af met From the Kettle Onto the Coil, dat niet op een reguliere release terug te vinden is, maar gewoon één van hun strafste, meest intense songs is. Samen met de Sunbather-tracks scheert deze song enorm hoge toppen in een toch al fel opgeschoten, overweldigend prachtig woud!
4,5 sterren
Dat Deafheaven een band is met een arendsoog voor detail, is algemeen geweten. De Amerikanen steken heel wat energie, toewijding en tijd in hun muziek, wat tot nu toe heeft geresulteerd tot 4 straffe platen, gaand van "geweldig" tot "ronduit verbluffend". Dat ze nu hun beoogde tourset (of toch een deel daarvan, op z'n minst) live in de studio hebben opgenomen en uitgebracht, daar was ik al erg blij om vooraleer ik een noot had gehoord. De tracklist leert ons namelijk dat dit een eerlijke greep is uit het oeuvre van de band. Maar liefst drie van de acht songs komen van Sunbather, dat klopt, maar dat is dan ook hun opus magnum.
De andere tracks zijn afkomstig van de EP Libertine Dissolves (het kort maar krachtige Daedalus), langspeeldebuut Roads to Judah (verrassend genoeg geen Violet, wel Language Games!), New Bermuda (het mooie Baby Blue) en Ordinary Corrupt Human Love, hun meest recente worp. Van die plaat ook een verrassende keuze, vind ik, maar Glint pakt heel erg goed uit in deze uitvoering. Ik vind 'm dubbel zo mooi als de reguliere versie!
De plaat trapt overigens af met From the Kettle Onto the Coil, dat niet op een reguliere release terug te vinden is, maar gewoon één van hun strafste, meest intense songs is. Samen met de Sunbather-tracks scheert deze song enorm hoge toppen in een toch al fel opgeschoten, overweldigend prachtig woud!
4,5 sterren
Deafheaven - Infinite Granite (2021)

3,5
2
geplaatst: 22 november 2021, 11:19 uur
Ik ben deze plaat nog eens aan het beluisteren, en het blijft lastig hier een quotering op te plakken. Bij de eerste beluistering was ik razend enthousiast, maar ik voel dat het enthousiasme stelselmatig getemperd raakt. Hiervoor heb ik Diorama van møl beluisterd, en dan is er toch wel een duidelijk contrast aanwezig. Akkoord, møl zoekt het meer in de (black) metal-uithoeken van het muzikale universum, terwijl Deafheaven daar net steeds verder van verwijderd is geraakt. Maar qua songmateriaal is møl gewoon interessanter op dit moment, en de dynamiek en beleving ligt daar ook op een hoger niveau. Tot zover de (misschien lichtjes misplaatste, geef ik grif toe) vergelijking.
De vergelijking met Shelter die Don Cappuccino reeds maakt in zijn zoals steeds genuanceerde, diepgaande mening, snijdt best hout. Ik moet toegeven dat ik die plaat de minste van Alcest vind, wat hier ook opgaat, denk ik. Wat Alcest wel doet, is op een geweldige wijze hard en zacht met elkaar verweven, met die heerlijk dromerige laag daar steevast bovenop gedrapeerd. En hoe overrompelend de eerste indruk ook was, dat blijk ik hier grotendeels te missen. Teveel tracks vervagen nogal snel, verliezen hun glans na een paar keer luisteren.
Vind ik het daarom een slechte plaat? Neen, zeker niet! Deafheaven is een pad ingeslagen, en probeert dat verder te bewandelen, ondanks het in handen hebben van een succesformule. Dat vergt moed, en dat mag ik wel. En, bovendien, hebben deze heren talent genoeg om ook hier wat moois te laten horen. Zo is In Blur een verdomd knappe track, Great Mass of Color aanstekelijk én zwaarwichtig, en afsluiter Mombasa een knetterende finale, waar vooral het zwaardere werk aan het eind me weet te begeesteren. Maar toch ook een beetje met nostalgie bedruipt. Gelukkig heb ik Sunbather ook gewoon in huis, kan ik die lekker nog eens draaien, toch?
3,5 sterren
De vergelijking met Shelter die Don Cappuccino reeds maakt in zijn zoals steeds genuanceerde, diepgaande mening, snijdt best hout. Ik moet toegeven dat ik die plaat de minste van Alcest vind, wat hier ook opgaat, denk ik. Wat Alcest wel doet, is op een geweldige wijze hard en zacht met elkaar verweven, met die heerlijk dromerige laag daar steevast bovenop gedrapeerd. En hoe overrompelend de eerste indruk ook was, dat blijk ik hier grotendeels te missen. Teveel tracks vervagen nogal snel, verliezen hun glans na een paar keer luisteren.
Vind ik het daarom een slechte plaat? Neen, zeker niet! Deafheaven is een pad ingeslagen, en probeert dat verder te bewandelen, ondanks het in handen hebben van een succesformule. Dat vergt moed, en dat mag ik wel. En, bovendien, hebben deze heren talent genoeg om ook hier wat moois te laten horen. Zo is In Blur een verdomd knappe track, Great Mass of Color aanstekelijk én zwaarwichtig, en afsluiter Mombasa een knetterende finale, waar vooral het zwaardere werk aan het eind me weet te begeesteren. Maar toch ook een beetje met nostalgie bedruipt. Gelukkig heb ik Sunbather ook gewoon in huis, kan ik die lekker nog eens draaien, toch?
3,5 sterren
Deafheaven - Sunbather (2013)

4,5
0
geplaatst: 18 juli 2013, 20:51 uur
Deafheaven is een band die, net als Light Bearer, of misschien zelfs nog meer, op MuMe aan het uitgroeien is tot een cultband binnen de metalmuziek van langere adem. Een constatering, en ik kon er natuurlijk ook niet langer omheen; het nummer ‘Violet’ van debuut ‘Roads to Judah’ kwam voor op de lijst van onze eigen alternatieve metalladder, en is in mijn persoonlijke lijst in de finale uiteindelijk op een tweede plaats gestrand. Na ‘Primum Movens’ van, jawel, Light Bearer.
Een flink koppel meppen tegen m’n kop wilde ik mezelf geven, toen ik ‘Violet’ eenmaal een paar keer had beluisterd. Waarom kende ik deze fantastische, sfeervolle muziek niet? Snel het debuut gaan luisteren, en bij één keer is het niet gebleven. Erg sterk ook dat je al zo’n knoert van een song weet te componeren, en dat op nog maar het debuut. Het beloofde ontzettend veel voor de toekomst van de Amerikaanse band, maar anderzijds is het aartsmoeilijk om de torenhoge verwachtingen in te lossen, en zou het niet de eerste band zijn die door de mand valt.
Niets van dat alles; ‘Sunbather’, de tweede worp van Deafheaven is nog een klasse hoger in te schatten dan het debuut. De unieke, eigenwijze versmelting tussen verschillende subgenres is nog beter uitgewerkt. De felle vocalen, waarmee zanger George Clarke trouwens behoorlijk spaarzaam is, hebben des te meer het gewenste effect, namelijk dat van de meest ingrijpende soort; elke keer wanneer Clarke zijn strot wagenwijd opentrekt, wordt er een contrast getekend. De riffs van de lead gitaar zorgen namelijk voor een louterend, zelfs zomers gevoel. Er hangt een zekere hang naar nostalgie in de lucht, de riffs zijn niet “all black”.
De hoes is ontworpen door Nick Steinhardt, gitarist van Touché Amoré, de post-hardcore band. Van die band heb ik nog niet al te veel gehoord, maar ook in de muziek van Deafheaven hoor je veel emotionaliteit en inleving. Intensiteit, dat vooral. En dus wel een vermelding waard. De hoes is erg opvallend, en de band zal door een hele hoop mensen die zich bestempelen als metalliefhebbers, verguisd worden. Omwille van de overheersende kleur, omwille van de albumtitel. Mocht pakweg Darkthrone met een album komen dat de titel ‘Sunbather’ droeg, ze zouden weggehoond worden. Het pleit voor George Clarke en Kerry McKoy dat zij hier glansrijk mee wegkomen in mijn ogen. Het bewijst eens te meer de eigenzinnigheid, en ook de grensoverschrijdende ambities. ‘Sunbather’ bevat zeker elementen uit de black metal subcultuur, maar ook invloeden uit shoegaze, postrock en de muziek van Touché Amoré en consorten zijn hierin terug te horen.
Bovenal is ‘Sunbather’ natuurlijk een album dat naar mijn beleving vrij uniek is in zijn soort. Zelden heeft zo’n harde plaat zo’n breed spectrum aan gevoelens in mij losgemaakt. Razernij, woede en doodsangsten; maar ook hoop, geluk en ongeremdheid. Dit heeft George Clarke te zeggen over de albumtitel:
"A wealthy, beautiful, perfect existence that is naturally unattainable and the struggles of having to deal with that reality because of your own faults, relationship troubles, family troubles, death, et cetera."
Ofwel Clarke’s idee van perfectie, niet meteen de gangbare filosofie.
‘Sunbather’ is goed voor een uur luistergenot, verdeeld in 7 tracks; 4 lange, overheersend harde nummers en 3 afwisselende intermezzo’s, die zeker hun toegevoegde waarde hebben. Zo vloeit de fantastische opener ‘Dream House’ (dat nummer kruipt echt onder de huid) enkel en alleen naadloos over in het titelnummer dankzij verbindingsstuk ‘Irresistible’, een rustig repetitief interludium. Laaat je echter niet vangen aan die herhaling; als je wat beter luistert, hoor je de subtiele veranderingen. Details, maar zo blijf je toch op het puntje van je stoel zitten.
Het tweede tussenstuk, ‘Please Remember’, is met z’n 6 en halve minuut langer dan de gemiddelde song, en is vooral erg bijzonder. Omdat Neige op impressionante wijze de eerste helft van de song vult met spoken word, ondersteund door een griezelig mechanisch geroezemoes op de achtergrond. Omdat de tweede helft zo héérlijk laid-back is, en toch de spanning niet verwaarloost. ‘Windows’ doet me vooral denken aan de apocalyptische spoken words waarmee Godspeed You! Black Emperor in het verleden zo graag uitpakte. In het Engels hebben ze een term voor: street preacher. Ik kan het me levendig voorstellen; een bedelaarstype, met een warrige, grijzende baard en een besmeurde truckerscap op z’n kop. Tot de zool versleten schoenen aan zijn voeten, één smerige teen komt piepen. Een kartonnen bord met als opschrift “The world is dying!” of “Where’s your prophet?” in grote witte letters. “The gospel is the power of God”, klinkt er in door. Een boodschap van hoop. Van de genade Gods. Een ironisch smaakje kan ik niet wegspoelen, als je weet wat voor strontpoel de wereld soms is.
En dat zijn dan nog de tussenstukken; dan weet je het wel. Ik noem de stijl die Deafheaven op de lange nummers hanteert nog het liefst de missing link tussen Wolves in the Throne Room en Alcest. Dat dromerige van Neige en zijn kompanen hoor je er duidelijk in terug. In de opener valt zelfs onderstaande dialoog op te tekenen:
“I’m dying.”
-“Is it blissful?”
“It’s like a dream.”
-“I want to dream.”
Simpel, maar o zo treffend. Als je dan toch moet sterven, dat het dan maar zo onecht mogelijk aanvoelt.
De tekstuele concepten zijn ook zeer interessant, en als je er wat dieper op ingaat, atypisch voor metal. Nu, het gaat natuurlijk voornamelijk over pijn en lijden, algehele miserie dus, maar er klinken ook een hoop dingen in door die de drang naar het tegenovergestelde uitdrukken. De titelsong is eigenlijk zelfs een liefdesgedicht. Met een morbide inslag, dat wel, maar toch; een liefdesgedicht. Dat doet me dan weer een beetje denken aan de doomband My Dying Bride. Over the top gaan de heren van Deafheaven echter nooit.
‘Vertigo’ neemt bijna een kwartier in beslag, en de nieuwe drummer Daniel Tracy laat horen dat hij een aanwinst is. Zijn krachtige, energieke stijl blijft het nummer maar voortstuwen, tot in de laatste minuten de storm wat gaat liggen, waardoor de overgang naar ‘Windows’ ook weer niet zo bruusk is. Afsluiter ‘The Pecan Tree’ is na verloop van tijd misschien wel uitgegroeid tot mijn favoriet, niet in het minst dankzij de afwisseling van inventieve, warme riffs. Het doet me ook wel wat denken aan ‘The Earth Is Not a Cold Dead Place’ van Explosions in the Sky, het draagt eenzelfde inwendige snik in zich. De song zet aan als een razende wervelwind, maar wordt gaandeweg milder. Het rustige gitaarwerk in het midden van de song bereikt ongeveer hetzelfde effect als ’s werelds meest deemoedige strijkkwartet. Als het geheel daarna weer uit z’n voegen barst, komt er een gevoel van zaligheid over mij. Ik doe dan telkens m’n ogen dicht, er tekent zich een sip glimlachje om mijn lippen, en ik begrijp plots glashelder wat er bedoelt wordt met de dialoog in ‘Dream House’; voor dierbaren loop je door het vuur. Ik wil ook dromen.. Empathie houdt het leven in stand.
‘The Pecan Tree’ is een knap staaltje zelfanalyse, met een verwoestende conclusie;
“I am my father’s son;
I am no one;
I cannot love;
It’s in my blood.”
De appel valt nooit ver van de boom. Of, in dit geval, de pecannoot. En zo heeft het hele concept een grote impact op mij. Zwart en wit richten mekaar niet ten gronde, maar houden elkaar recht.
‘Sunbather’ is een bescheiden hype op MuMe, en ik sluit me er graag bij aan. Ook in recensentenwereld is men bijna unaniem lovend; de rol van Deafheaven om metal voor eens en voor altijd uit z’n niche-omgeving weg te leiden, is nog lang niet uitgespeeld. Het is hoopvol dat er nu al ruim 80 mensen hebben gestemd op dit album, en dat het gemiddelde nog steeds hoog ligt. Van mij mag de kaap van de 100 stemmen gerust gerond worden. Ik gooi er mijn hoge ogen alvast bovenop.
4,5 sterren
Een flink koppel meppen tegen m’n kop wilde ik mezelf geven, toen ik ‘Violet’ eenmaal een paar keer had beluisterd. Waarom kende ik deze fantastische, sfeervolle muziek niet? Snel het debuut gaan luisteren, en bij één keer is het niet gebleven. Erg sterk ook dat je al zo’n knoert van een song weet te componeren, en dat op nog maar het debuut. Het beloofde ontzettend veel voor de toekomst van de Amerikaanse band, maar anderzijds is het aartsmoeilijk om de torenhoge verwachtingen in te lossen, en zou het niet de eerste band zijn die door de mand valt.
Niets van dat alles; ‘Sunbather’, de tweede worp van Deafheaven is nog een klasse hoger in te schatten dan het debuut. De unieke, eigenwijze versmelting tussen verschillende subgenres is nog beter uitgewerkt. De felle vocalen, waarmee zanger George Clarke trouwens behoorlijk spaarzaam is, hebben des te meer het gewenste effect, namelijk dat van de meest ingrijpende soort; elke keer wanneer Clarke zijn strot wagenwijd opentrekt, wordt er een contrast getekend. De riffs van de lead gitaar zorgen namelijk voor een louterend, zelfs zomers gevoel. Er hangt een zekere hang naar nostalgie in de lucht, de riffs zijn niet “all black”.
De hoes is ontworpen door Nick Steinhardt, gitarist van Touché Amoré, de post-hardcore band. Van die band heb ik nog niet al te veel gehoord, maar ook in de muziek van Deafheaven hoor je veel emotionaliteit en inleving. Intensiteit, dat vooral. En dus wel een vermelding waard. De hoes is erg opvallend, en de band zal door een hele hoop mensen die zich bestempelen als metalliefhebbers, verguisd worden. Omwille van de overheersende kleur, omwille van de albumtitel. Mocht pakweg Darkthrone met een album komen dat de titel ‘Sunbather’ droeg, ze zouden weggehoond worden. Het pleit voor George Clarke en Kerry McKoy dat zij hier glansrijk mee wegkomen in mijn ogen. Het bewijst eens te meer de eigenzinnigheid, en ook de grensoverschrijdende ambities. ‘Sunbather’ bevat zeker elementen uit de black metal subcultuur, maar ook invloeden uit shoegaze, postrock en de muziek van Touché Amoré en consorten zijn hierin terug te horen.
Bovenal is ‘Sunbather’ natuurlijk een album dat naar mijn beleving vrij uniek is in zijn soort. Zelden heeft zo’n harde plaat zo’n breed spectrum aan gevoelens in mij losgemaakt. Razernij, woede en doodsangsten; maar ook hoop, geluk en ongeremdheid. Dit heeft George Clarke te zeggen over de albumtitel:
"A wealthy, beautiful, perfect existence that is naturally unattainable and the struggles of having to deal with that reality because of your own faults, relationship troubles, family troubles, death, et cetera."
Ofwel Clarke’s idee van perfectie, niet meteen de gangbare filosofie.
‘Sunbather’ is goed voor een uur luistergenot, verdeeld in 7 tracks; 4 lange, overheersend harde nummers en 3 afwisselende intermezzo’s, die zeker hun toegevoegde waarde hebben. Zo vloeit de fantastische opener ‘Dream House’ (dat nummer kruipt echt onder de huid) enkel en alleen naadloos over in het titelnummer dankzij verbindingsstuk ‘Irresistible’, een rustig repetitief interludium. Laaat je echter niet vangen aan die herhaling; als je wat beter luistert, hoor je de subtiele veranderingen. Details, maar zo blijf je toch op het puntje van je stoel zitten.
Het tweede tussenstuk, ‘Please Remember’, is met z’n 6 en halve minuut langer dan de gemiddelde song, en is vooral erg bijzonder. Omdat Neige op impressionante wijze de eerste helft van de song vult met spoken word, ondersteund door een griezelig mechanisch geroezemoes op de achtergrond. Omdat de tweede helft zo héérlijk laid-back is, en toch de spanning niet verwaarloost. ‘Windows’ doet me vooral denken aan de apocalyptische spoken words waarmee Godspeed You! Black Emperor in het verleden zo graag uitpakte. In het Engels hebben ze een term voor: street preacher. Ik kan het me levendig voorstellen; een bedelaarstype, met een warrige, grijzende baard en een besmeurde truckerscap op z’n kop. Tot de zool versleten schoenen aan zijn voeten, één smerige teen komt piepen. Een kartonnen bord met als opschrift “The world is dying!” of “Where’s your prophet?” in grote witte letters. “The gospel is the power of God”, klinkt er in door. Een boodschap van hoop. Van de genade Gods. Een ironisch smaakje kan ik niet wegspoelen, als je weet wat voor strontpoel de wereld soms is.
En dat zijn dan nog de tussenstukken; dan weet je het wel. Ik noem de stijl die Deafheaven op de lange nummers hanteert nog het liefst de missing link tussen Wolves in the Throne Room en Alcest. Dat dromerige van Neige en zijn kompanen hoor je er duidelijk in terug. In de opener valt zelfs onderstaande dialoog op te tekenen:
“I’m dying.”
-“Is it blissful?”
“It’s like a dream.”
-“I want to dream.”
Simpel, maar o zo treffend. Als je dan toch moet sterven, dat het dan maar zo onecht mogelijk aanvoelt.
De tekstuele concepten zijn ook zeer interessant, en als je er wat dieper op ingaat, atypisch voor metal. Nu, het gaat natuurlijk voornamelijk over pijn en lijden, algehele miserie dus, maar er klinken ook een hoop dingen in door die de drang naar het tegenovergestelde uitdrukken. De titelsong is eigenlijk zelfs een liefdesgedicht. Met een morbide inslag, dat wel, maar toch; een liefdesgedicht. Dat doet me dan weer een beetje denken aan de doomband My Dying Bride. Over the top gaan de heren van Deafheaven echter nooit.
‘Vertigo’ neemt bijna een kwartier in beslag, en de nieuwe drummer Daniel Tracy laat horen dat hij een aanwinst is. Zijn krachtige, energieke stijl blijft het nummer maar voortstuwen, tot in de laatste minuten de storm wat gaat liggen, waardoor de overgang naar ‘Windows’ ook weer niet zo bruusk is. Afsluiter ‘The Pecan Tree’ is na verloop van tijd misschien wel uitgegroeid tot mijn favoriet, niet in het minst dankzij de afwisseling van inventieve, warme riffs. Het doet me ook wel wat denken aan ‘The Earth Is Not a Cold Dead Place’ van Explosions in the Sky, het draagt eenzelfde inwendige snik in zich. De song zet aan als een razende wervelwind, maar wordt gaandeweg milder. Het rustige gitaarwerk in het midden van de song bereikt ongeveer hetzelfde effect als ’s werelds meest deemoedige strijkkwartet. Als het geheel daarna weer uit z’n voegen barst, komt er een gevoel van zaligheid over mij. Ik doe dan telkens m’n ogen dicht, er tekent zich een sip glimlachje om mijn lippen, en ik begrijp plots glashelder wat er bedoelt wordt met de dialoog in ‘Dream House’; voor dierbaren loop je door het vuur. Ik wil ook dromen.. Empathie houdt het leven in stand.
‘The Pecan Tree’ is een knap staaltje zelfanalyse, met een verwoestende conclusie;
“I am my father’s son;
I am no one;
I cannot love;
It’s in my blood.”
De appel valt nooit ver van de boom. Of, in dit geval, de pecannoot. En zo heeft het hele concept een grote impact op mij. Zwart en wit richten mekaar niet ten gronde, maar houden elkaar recht.
‘Sunbather’ is een bescheiden hype op MuMe, en ik sluit me er graag bij aan. Ook in recensentenwereld is men bijna unaniem lovend; de rol van Deafheaven om metal voor eens en voor altijd uit z’n niche-omgeving weg te leiden, is nog lang niet uitgespeeld. Het is hoopvol dat er nu al ruim 80 mensen hebben gestemd op dit album, en dat het gemiddelde nog steeds hoog ligt. Van mij mag de kaap van de 100 stemmen gerust gerond worden. Ik gooi er mijn hoge ogen alvast bovenop.
4,5 sterren
Death Cab for Cutie - Codes and Keys (2011)

3,5
0
geplaatst: 15 september 2011, 19:25 uur
Voor deze plaat uitkwam, kende ik toch al enkele albums van Death Cab for Cutie. ‘Transatlanticism’ en ‘Plans’ zijn daarvan erg sterk, terwijl ‘Narrow Stairs’ toch wat minder is. Dat album kan me niet altijd evenzeer boeien, en wordt zelfs op een bepaalde moment saai. Tijd om terug te keren naar een hoger niveau dus, en ‘Codes And Keys’ maakt dat wat mij betreft toch wel gedeeltelijk waar.
Het album bestaat uit 11 nummers, veelal aanstekelijke pop, maar dan van het soort dat we niet in de vuilnisbak moeten kieperen, maar van moeten genieten. Aan de zang is niet veel veranderd, die is nog altijd even goed, Benjamin Gibbard blijft gewoon zichzelf natuurlijk. Wat me wel opvalt, zijn de frisse baslijntjes die hier en daar het album extra kleur geven. Ook occasionele strijkersarrangementen, zoals in de fraaie titelsong, kan ik wel smaken.
In al zijn klaarblijkelijke eenvoud vind ik dit na meerdere luisterbeurten toch een vrij gevarieerde plaat, met voor elke liefhebber van popmuziek wel wat wils. Aanstekelijk refreintje hier, emotionele zanglijn daar, frisse gitaarpartijen ook. Ondanks de aanwezigheid van enkele zwakkere broeders (‘Some Boys’ en ‘Portable Television’ zijn dat toch voor mij) is dit een consistent album, dat afwisselend weet te charmeren en te amuseren. Het grootse meesterwerk waarop eenieder zit te wachten, is dit niet geworden, maar wat mij betreft is het een mooie aanwinst in de toch al fraaie discografie van deze Amerikaanse band.
De beste nummers bevinden zich in het middenstuk (‘Doors Unlocked And Open’; ‘Unobstructed Views’) en aan het eind (‘Underneath the Sycamore’; ‘St. Peter’s Cathedral’). Vooral ‘Unobstructed Views’ vind ik magistraal, met dat prachtige pianospel. Erg mooi, het raakt me net op de juiste plek. ‘You Are A Tourist’, dat me aan Broken Social Scene doet denken, heeft de pech om tussen de twee beste nummers geprangd te zitten naar mijn mening, maar is an sich gewoon een erg goeie popsong. ‘Doors Unlocked And Open’ is vooral cool; en dat komt voor een groot deel door de vette basgitaar. Ook is het verrassend dat het refrein plots op de proppen komt, dat verwachtte ik helemaal niet.
Het schijnbare niemendalletje ‘Stay Young, Go Dancing’ is een waardige afsluiter, met een mooie boodschap. Tekstueel zijn de nummers ook sterk, maar ik vind alle albums die ik van de band ken, op tekstueel vlak zeker de moeite. Na het wat mindere ‘Narrow Stairs’ is dit dus een stap in de goede richting, al vind ik het ook net wat minder dan ‘Transatlanticism’ en ‘Plans’. Maar er staan genoeg nummers op die de moeite waard zijn, dus beluisteren maar!
3,5 sterren
Het album bestaat uit 11 nummers, veelal aanstekelijke pop, maar dan van het soort dat we niet in de vuilnisbak moeten kieperen, maar van moeten genieten. Aan de zang is niet veel veranderd, die is nog altijd even goed, Benjamin Gibbard blijft gewoon zichzelf natuurlijk. Wat me wel opvalt, zijn de frisse baslijntjes die hier en daar het album extra kleur geven. Ook occasionele strijkersarrangementen, zoals in de fraaie titelsong, kan ik wel smaken.
In al zijn klaarblijkelijke eenvoud vind ik dit na meerdere luisterbeurten toch een vrij gevarieerde plaat, met voor elke liefhebber van popmuziek wel wat wils. Aanstekelijk refreintje hier, emotionele zanglijn daar, frisse gitaarpartijen ook. Ondanks de aanwezigheid van enkele zwakkere broeders (‘Some Boys’ en ‘Portable Television’ zijn dat toch voor mij) is dit een consistent album, dat afwisselend weet te charmeren en te amuseren. Het grootse meesterwerk waarop eenieder zit te wachten, is dit niet geworden, maar wat mij betreft is het een mooie aanwinst in de toch al fraaie discografie van deze Amerikaanse band.
De beste nummers bevinden zich in het middenstuk (‘Doors Unlocked And Open’; ‘Unobstructed Views’) en aan het eind (‘Underneath the Sycamore’; ‘St. Peter’s Cathedral’). Vooral ‘Unobstructed Views’ vind ik magistraal, met dat prachtige pianospel. Erg mooi, het raakt me net op de juiste plek. ‘You Are A Tourist’, dat me aan Broken Social Scene doet denken, heeft de pech om tussen de twee beste nummers geprangd te zitten naar mijn mening, maar is an sich gewoon een erg goeie popsong. ‘Doors Unlocked And Open’ is vooral cool; en dat komt voor een groot deel door de vette basgitaar. Ook is het verrassend dat het refrein plots op de proppen komt, dat verwachtte ik helemaal niet.
Het schijnbare niemendalletje ‘Stay Young, Go Dancing’ is een waardige afsluiter, met een mooie boodschap. Tekstueel zijn de nummers ook sterk, maar ik vind alle albums die ik van de band ken, op tekstueel vlak zeker de moeite. Na het wat mindere ‘Narrow Stairs’ is dit dus een stap in de goede richting, al vind ik het ook net wat minder dan ‘Transatlanticism’ en ‘Plans’. Maar er staan genoeg nummers op die de moeite waard zijn, dus beluisteren maar!
3,5 sterren
Deathspell Omega - Diabolus Absconditus (2011)

4,0
0
geplaatst: 5 januari 2012, 23:14 uur
'Diabolus Absconditus', de EP die Deathspell Omega vorig jaar uitbracht. De EP bestaat uit één nummer, en stond al op een compilatie (meer info: zie het stukje van Edwynn). Als mijn Latijn me niet in de steek laat, luidt de titel in het Nederlands 'Verborgen Duivel', en dat zou logisch zijn, want de duivel gaat nu eenmaal gepaard met black metal. Deathspell Omega is black metal, en dan nog eens van de hoogste plank. Lang onbewust genegeerd, deze band (weinig tijd, vergeetachtigheid...), maar de laaiend enthousiaste stukjes van Edwynn bij de platen van Deathspell Omega maakten me toch nieuwsgierig, Edwynn's muzieksmaak waardeer ik zeer.
En kom zeker niet van een kale reis terug, nadat ik deze band dan eindelijk ontdekte. Ze hebben natuurlijk nog veel meer geproduceerd dan enkel dit EP'tje, maar laten we het toch over de EP hebben. In het begin van het nummer hoor je mysterieus Frans gekonkel (hoe kan ik het anders noemen, gefluister?), dat zet meteen de toon. Even later begint het nummer pas echt, wat ons 20 minuten aan heersende black metal oplevert. Geniaal? Neen, dat nu ook weer niet; laten we het houden op ijzersterk, dat is toch ook al een term om trots op te zijn.
Als er iets is waar Deathspell Omega goed in is, dan is het de sfeerzetting. Deathspell Omega zorgt voor een unieke sfeer, die doordringt tot in het diepste (en zwartste) van je ziel. In iedereen zit wel een duivel verborgen, denk ik, en dit nummer doet een uiterste poging om die duivel uit zijn schulp te lokken. De zanger heeft een rauw stemgeluid, dat erg goed past bij de obscure, illustere, duistere sfeer van het nummer. Meanderende gitaarlijnen doen m'n hoofd rondtollen; de drummer ramt er niet zomaar op los (al mept ie soms flink op z'n drumstel), maar welgemikte slagen zorgen voor subtiliteit. Dat soort details verheffen Deathspell Omega boven de massa.
Ondanks zijn korte duur en EP-wezen, is dit één van de beste black metalplaten van het jaar 2011 voor mij. Van degene die ik beluisterd heb, natuurlijk. Ik ga me dan ook volledig storten op de langspelers van Deathspell Omega, en ik weet nu al zeker dat ik ze erg goed ga vinden.
4 sterren
En kom zeker niet van een kale reis terug, nadat ik deze band dan eindelijk ontdekte. Ze hebben natuurlijk nog veel meer geproduceerd dan enkel dit EP'tje, maar laten we het toch over de EP hebben. In het begin van het nummer hoor je mysterieus Frans gekonkel (hoe kan ik het anders noemen, gefluister?), dat zet meteen de toon. Even later begint het nummer pas echt, wat ons 20 minuten aan heersende black metal oplevert. Geniaal? Neen, dat nu ook weer niet; laten we het houden op ijzersterk, dat is toch ook al een term om trots op te zijn.
Als er iets is waar Deathspell Omega goed in is, dan is het de sfeerzetting. Deathspell Omega zorgt voor een unieke sfeer, die doordringt tot in het diepste (en zwartste) van je ziel. In iedereen zit wel een duivel verborgen, denk ik, en dit nummer doet een uiterste poging om die duivel uit zijn schulp te lokken. De zanger heeft een rauw stemgeluid, dat erg goed past bij de obscure, illustere, duistere sfeer van het nummer. Meanderende gitaarlijnen doen m'n hoofd rondtollen; de drummer ramt er niet zomaar op los (al mept ie soms flink op z'n drumstel), maar welgemikte slagen zorgen voor subtiliteit. Dat soort details verheffen Deathspell Omega boven de massa.
Ondanks zijn korte duur en EP-wezen, is dit één van de beste black metalplaten van het jaar 2011 voor mij. Van degene die ik beluisterd heb, natuurlijk. Ik ga me dan ook volledig storten op de langspelers van Deathspell Omega, en ik weet nu al zeker dat ik ze erg goed ga vinden.
4 sterren
Deerhunter - Halcyon Digest (2010)

3,5
0
geplaatst: 6 december 2010, 20:31 uur
Deerhunter heeft dit jaar een nieuwe plaat uitgebracht, getiteld 'Halcyon Digest'. Het is de tweede die ik van Bradford Cox en de zijnen beluister, na het fraaie 'Microcastle/Weird Era Continued'. Dat plaatje vind ik toch nog wat beter dan deze, al is dit zeker geen slechte. Maar toch ook niet dé grootse plaat van Deerhunter. Die moeten ze wat mij betreft nog maken.
'Earthquake' is een slepend, tergend traag, maar tegelijk ook spannend nummer, dat bol staat van dreiging. Deze opener is meteen zware kost, maar fans van het luchtere genre moeten zich niet laten afschrikken, want de volgende twee nummers, 'Don't Cry' en 'Revival' klinken luchtig, zeer luchtig. De songs nemen ons mee terug naar het verleden, het is sixtiespop op z'n Deerhunters.
Na deze vijf minuutjes wordt het weer wat diepzinniger, met 'Sailing'. Het is, net als 'Earthquake', een slepend nummer. Met opborrelend water, zo lijkt het wel.
Het contrast met 'Memory Boy' is wederom groot. Dat nummer hakt er vrolijk op in, en ligt meer in de lijn van 'Don't Cry' en 'Revival'. Ik zing het nummer mee ("It's not a house anymore"), en voel zelfs de neiging om te dansen. Dit is wel lekker catchy, maar het heeft toch nog iets anders, wat ik niet zo goed kan plaatsen.
Dan is er 'Desire Lines', een wat langer nummer. Dankzij de stem van Cox klinkt dit nummer niet te zoet. Waarheid wordt er wel gesproken in dit nummer ("Whatever goes up; must come down"). Na een tweede maal het reffrein, krijgen de instrumenten een wat vrijere rol, en daar wordt de song pas echt interessant. Er zitten een paar fraaie stukken in. Sterk nummer, zonder meer!
'The Basement Scene' klinkt ook gewoon alsof het in een kelder is opgenomen. Het klinkt oud, muf, maar wordt deels recht gehouden door de kwaliteit van het nummer, en de tekst ("It could be the death of me; knowing that my friends will not remember me; I wanna get old"). Toch een minder nummer, wat mij betreft.
'Helicopter' stelt me gerust; de plaat was dus niet aan het inkakken. Ik weet niet waar het nummer exact over gaat, de tekst is wel erg mooi, en muzikaal is het er ook voor gemaakt. Optimistisch klinkt het in ieder geval niet: "Take my hand and pray with me; my final days in company; the devil now has come for me; and helicopters circling te scene..." (de hele tekst zou ik hier kunnen quoten, maar dat doe ik niet, dat zou toch wat overdreven zijn). Aan het eind is Cox wel van één ding overtuigd: "Now they are through with me" zingt hij, elke keer weer, om dan te zwijgen en de muziek zijn zegje te laten doen, in een mooie outro. De song sterft langzaam weg, om plaats te ruimen voor de volgende.
'Fountain Stairs' klinkt weer wat poppier. Als ik het goed heb, hoor ik zelfs wat saxofoon, mooi!
'Coronado' opent met koel pianogetokkel, waar dan instrument per instrument bij komt. Fraai qua opbouw, zeker! Ook hier horen we weer de saxofoon.
Het laatste nummer, 'We Would Have Laughed', duurt het langst. Ruim 7 minuten lang. De opbouw van dit nummer zit zeker goed. Het repetitieve zorgt voor een wat bezwerende sfeer, de drums klinken lekker droog, en Cox' stem blijkt toch weer één van de grote troeven. Met een andere zanger zou deze plaat volgens mij niet zo sterk zijn. Tekstueel is het ook weer allemaal goed. Als je ouder wordt, verveel je je, en zoek je nieuwe uitlaatpijpen. Een goudzoeker zal uiteindelijk zo op geld belust worden, dat hij je land opkoopt, om nog meer goud te kunnen delven. Verwarring troef ook. Een voorbeeldje: "I lived on a table, I don't know where to go; I know my friends would; I know where my friends are now; I lived on farm, yeah, I never lived on a farm; where did my friends go?".
Het nummer wordt na ongeveer 7 en halve minuut abrupt afgebroken; het is eens iets anders dan het slotnummer langzaam te laten wegfaden, maar ach. Al bij al is dit een verdienstelijke plaat, nog niet het meesterwerk dat in deze talentvolle band schuilt, maar een verdienstelijke plaat. Meer niet, maar minder ook niet.
3,5 sterren
'Earthquake' is een slepend, tergend traag, maar tegelijk ook spannend nummer, dat bol staat van dreiging. Deze opener is meteen zware kost, maar fans van het luchtere genre moeten zich niet laten afschrikken, want de volgende twee nummers, 'Don't Cry' en 'Revival' klinken luchtig, zeer luchtig. De songs nemen ons mee terug naar het verleden, het is sixtiespop op z'n Deerhunters.
Na deze vijf minuutjes wordt het weer wat diepzinniger, met 'Sailing'. Het is, net als 'Earthquake', een slepend nummer. Met opborrelend water, zo lijkt het wel.
Het contrast met 'Memory Boy' is wederom groot. Dat nummer hakt er vrolijk op in, en ligt meer in de lijn van 'Don't Cry' en 'Revival'. Ik zing het nummer mee ("It's not a house anymore"), en voel zelfs de neiging om te dansen. Dit is wel lekker catchy, maar het heeft toch nog iets anders, wat ik niet zo goed kan plaatsen.
Dan is er 'Desire Lines', een wat langer nummer. Dankzij de stem van Cox klinkt dit nummer niet te zoet. Waarheid wordt er wel gesproken in dit nummer ("Whatever goes up; must come down"). Na een tweede maal het reffrein, krijgen de instrumenten een wat vrijere rol, en daar wordt de song pas echt interessant. Er zitten een paar fraaie stukken in. Sterk nummer, zonder meer!
'The Basement Scene' klinkt ook gewoon alsof het in een kelder is opgenomen. Het klinkt oud, muf, maar wordt deels recht gehouden door de kwaliteit van het nummer, en de tekst ("It could be the death of me; knowing that my friends will not remember me; I wanna get old"). Toch een minder nummer, wat mij betreft.
'Helicopter' stelt me gerust; de plaat was dus niet aan het inkakken. Ik weet niet waar het nummer exact over gaat, de tekst is wel erg mooi, en muzikaal is het er ook voor gemaakt. Optimistisch klinkt het in ieder geval niet: "Take my hand and pray with me; my final days in company; the devil now has come for me; and helicopters circling te scene..." (de hele tekst zou ik hier kunnen quoten, maar dat doe ik niet, dat zou toch wat overdreven zijn). Aan het eind is Cox wel van één ding overtuigd: "Now they are through with me" zingt hij, elke keer weer, om dan te zwijgen en de muziek zijn zegje te laten doen, in een mooie outro. De song sterft langzaam weg, om plaats te ruimen voor de volgende.
'Fountain Stairs' klinkt weer wat poppier. Als ik het goed heb, hoor ik zelfs wat saxofoon, mooi!

'Coronado' opent met koel pianogetokkel, waar dan instrument per instrument bij komt. Fraai qua opbouw, zeker! Ook hier horen we weer de saxofoon.
Het laatste nummer, 'We Would Have Laughed', duurt het langst. Ruim 7 minuten lang. De opbouw van dit nummer zit zeker goed. Het repetitieve zorgt voor een wat bezwerende sfeer, de drums klinken lekker droog, en Cox' stem blijkt toch weer één van de grote troeven. Met een andere zanger zou deze plaat volgens mij niet zo sterk zijn. Tekstueel is het ook weer allemaal goed. Als je ouder wordt, verveel je je, en zoek je nieuwe uitlaatpijpen. Een goudzoeker zal uiteindelijk zo op geld belust worden, dat hij je land opkoopt, om nog meer goud te kunnen delven. Verwarring troef ook. Een voorbeeldje: "I lived on a table, I don't know where to go; I know my friends would; I know where my friends are now; I lived on farm, yeah, I never lived on a farm; where did my friends go?".
Het nummer wordt na ongeveer 7 en halve minuut abrupt afgebroken; het is eens iets anders dan het slotnummer langzaam te laten wegfaden, maar ach. Al bij al is dit een verdienstelijke plaat, nog niet het meesterwerk dat in deze talentvolle band schuilt, maar een verdienstelijke plaat. Meer niet, maar minder ook niet.
3,5 sterren
Demoniac - So It Goes (2021)

4,5
3
geplaatst: 9 december 2021, 20:06 uur
Dit zal vast één van mijn vaakst gedraaide albums uit 2021 zijn. De Chileense thrash metalband Demoniac bracht in het begin van het jaar met So It Goes meteen kwaliteit van de bovenste plank, bovendien voorzien van heel wat originaliteit. En het werkt nog ook.
Op de albumhoes zien we een schimmige, spookachtige figuur met een gigantische zeis. Ik dacht eerst dat het licht achter zijn hoofd een soort gewei of verkapt aureool was, maar ik denk nu dat het eerder de maan zal zijn. Hoe dan ook, geslaagde cover, die de aandacht opeist!
Dat doet de muziek zeer zeker ook, hoewel ik moet zeggen dat de afsluiter zo fenomenaal is (ik heb 'm ook maar meteen opgenomen in mijn metal top 100!) dat de eerste vier tracks, die samen niet zoveel langer duren, wat in de schaduw blijven staan. Gelukkig komen die vier tracks eerst, als een soort opmaak richting de thrash-hemel. Logisch ook dat zo'n pièce de résistance steevast aan het eind pas komt.
Thrash is een genre dat ik over het algemeen wel weet te waarderen, maar vooral speciaal wordt wanneer er andere invloeden in opborrelen. In de basis is dit bruut en onvoorwaardelijk, het soort geweld waarop bands als Kreator een patent hebben. Het spelen met dynamiek maakt echter dat de plaat echt blijft hangen en alhier dus regelmatig op repeat is gezet. Net als een band als Vektor geeft Demoniac zijn geheel eigen draai aan het geheel. Zo krijgt de klarinet een erg prominente rol toebedeeld op rustpunt Extraviado, met lange, melancholische uithalen, ondersteund door een doorleefd klinkende basgitaar. De gitaren zwijgen even, wat de stilte des te schoner maakt.
Maar goed, voor mij draait het 'm vooral om dat titelnummer, wellicht het beste dat ik - zeker in de metal - dit jaar al heb gehoord. Het getuigt van uitmuntend schrijverschap, veel zin voor muzikaliteit en een fors stel ballen om dit te durven. Ik zou hier kunnen herhalen wat ik in mijn metal top 100 al schreef, maar goed.. Laat ik het er nu op houden dat dit een haast perfecte symbiose is tussen brute agressie en experimenteerdrift.
4,5 sterren
Op de albumhoes zien we een schimmige, spookachtige figuur met een gigantische zeis. Ik dacht eerst dat het licht achter zijn hoofd een soort gewei of verkapt aureool was, maar ik denk nu dat het eerder de maan zal zijn. Hoe dan ook, geslaagde cover, die de aandacht opeist!
Dat doet de muziek zeer zeker ook, hoewel ik moet zeggen dat de afsluiter zo fenomenaal is (ik heb 'm ook maar meteen opgenomen in mijn metal top 100!) dat de eerste vier tracks, die samen niet zoveel langer duren, wat in de schaduw blijven staan. Gelukkig komen die vier tracks eerst, als een soort opmaak richting de thrash-hemel. Logisch ook dat zo'n pièce de résistance steevast aan het eind pas komt.
Thrash is een genre dat ik over het algemeen wel weet te waarderen, maar vooral speciaal wordt wanneer er andere invloeden in opborrelen. In de basis is dit bruut en onvoorwaardelijk, het soort geweld waarop bands als Kreator een patent hebben. Het spelen met dynamiek maakt echter dat de plaat echt blijft hangen en alhier dus regelmatig op repeat is gezet. Net als een band als Vektor geeft Demoniac zijn geheel eigen draai aan het geheel. Zo krijgt de klarinet een erg prominente rol toebedeeld op rustpunt Extraviado, met lange, melancholische uithalen, ondersteund door een doorleefd klinkende basgitaar. De gitaren zwijgen even, wat de stilte des te schoner maakt.
Maar goed, voor mij draait het 'm vooral om dat titelnummer, wellicht het beste dat ik - zeker in de metal - dit jaar al heb gehoord. Het getuigt van uitmuntend schrijverschap, veel zin voor muzikaliteit en een fors stel ballen om dit te durven. Ik zou hier kunnen herhalen wat ik in mijn metal top 100 al schreef, maar goed.. Laat ik het er nu op houden dat dit een haast perfecte symbiose is tussen brute agressie en experimenteerdrift.
4,5 sterren
dEUS - Keep You Close (2011)

3,5
0
geplaatst: 28 november 2011, 20:25 uur
'Keep You Close' is toch alweer de zesde studioplaat van dEUS, de Antwerpse band rond Tom Barman. De band heeft al heel wat gedaanteverwisselingen doorgemaakt (dat kwam doordat er oude leden gingen en nieuwe leden kwamen), doch de basis is vrijwel altijd hetzelfde gebleven: kwaliteitsvolle muziek produceren, met de vaak sterke teksten van Tom Barman in de schijnwerpers. Ook op deze plaat is er helemaal niets mis met die teksten, die bij vlagen zelfs voortreffelijk zijn. Alleen weet de muzikale omkadering me wat minder aan te spreken. De eerste drie platen vind ik geweldig, origineel, intens en af en toe een beetje gek. Hier klinkt dEUS meer als een geroutineerde band, en niet als een bende jonkies.
Nu klonken ze op hun vorige twee platen ook al niet meer als jongelingen, maar op 'Keep You Close' hebben ze wat mij betreft die nieuwe richting geperfectioneerd. Daarom vind ik deze plaat ook sterker dan 'Pocket Revolution' en 'Vantage Point'. Barman zei in een interview dat hij de voeling met het publiek kwijt was; ziedaar de titel.
Barman kijkt ook terug op zijn jonge tijd: "You were young, you had time on your hands; and I was a rollercoaster of the kind; that needs to ride so high; to dive so low; all the time I had to keep you close", klinkt het in de titeltrack, en daarmee wil Barman volgens mij zeggen dat hij vroeger een echt woelwater was, maar nu toch de constante in zijn leven heeft gevonden, en een beetje rust.
dEUS is natuurlijk niet alleen Barman. dEUS is nooit alleen Barman geweest. In de begindagen was er Stef Kamil Karlens, en met hem in de rangen maakten ze die prachtige debuutplaat. Ook Rudy Trouvé was toen nog van de partij; in 1996 stapten ze uit de band, hun vervangers waren Danny Mommens (bekend van Vive La Fête) en Craig Ward. Met die jongens blikte Barman 'The Ideal Crash' in, dEUS' mooiste naar mijn mening. In 2004 kwam Mauro Pawlowski, de nieuwe rechterhand van Barman. Hij heeft zijn eigen stijl, en is een erg goed en geïnspireerd gitarist en songschrijver.
En dan hebben we nog Klaas Janszoons, de enige die het al die tijd heeft volgehouden naast Barman. Hij mag zijn ding doen, en doet dat vooral op de achtergrond, bescheiden maar efficiënt. Ook andere artiesten leveren hun bijdrage; zo zingt Greg Dulli van The Afghan Whigs mee op twee tracks, en ook Tim Vanhamel zingt mee, op het magnifieke 'Ghosts'.
9 songs, goed voor net geen drie kwartier; een ideale speelduur dus voor een plaat. Een mengeling van catchy maar rake songstructuren, zoals op 'Constant Now' en 'Twice', en wat excentrieker werk, zoals de afsluiter en mijn favoriet 'Ghosts'. De magie is weg, maar puur vakmanschap is daarvoor in de plaats gekomen, en laten we eerlijk blijven; het moet volgens mij al vreemd uitdraaien mocht dEUS ooit met een slechte plaat aan komen zetten.
3,5 sterren
Nu klonken ze op hun vorige twee platen ook al niet meer als jongelingen, maar op 'Keep You Close' hebben ze wat mij betreft die nieuwe richting geperfectioneerd. Daarom vind ik deze plaat ook sterker dan 'Pocket Revolution' en 'Vantage Point'. Barman zei in een interview dat hij de voeling met het publiek kwijt was; ziedaar de titel.
Barman kijkt ook terug op zijn jonge tijd: "You were young, you had time on your hands; and I was a rollercoaster of the kind; that needs to ride so high; to dive so low; all the time I had to keep you close", klinkt het in de titeltrack, en daarmee wil Barman volgens mij zeggen dat hij vroeger een echt woelwater was, maar nu toch de constante in zijn leven heeft gevonden, en een beetje rust.
dEUS is natuurlijk niet alleen Barman. dEUS is nooit alleen Barman geweest. In de begindagen was er Stef Kamil Karlens, en met hem in de rangen maakten ze die prachtige debuutplaat. Ook Rudy Trouvé was toen nog van de partij; in 1996 stapten ze uit de band, hun vervangers waren Danny Mommens (bekend van Vive La Fête) en Craig Ward. Met die jongens blikte Barman 'The Ideal Crash' in, dEUS' mooiste naar mijn mening. In 2004 kwam Mauro Pawlowski, de nieuwe rechterhand van Barman. Hij heeft zijn eigen stijl, en is een erg goed en geïnspireerd gitarist en songschrijver.
En dan hebben we nog Klaas Janszoons, de enige die het al die tijd heeft volgehouden naast Barman. Hij mag zijn ding doen, en doet dat vooral op de achtergrond, bescheiden maar efficiënt. Ook andere artiesten leveren hun bijdrage; zo zingt Greg Dulli van The Afghan Whigs mee op twee tracks, en ook Tim Vanhamel zingt mee, op het magnifieke 'Ghosts'.
9 songs, goed voor net geen drie kwartier; een ideale speelduur dus voor een plaat. Een mengeling van catchy maar rake songstructuren, zoals op 'Constant Now' en 'Twice', en wat excentrieker werk, zoals de afsluiter en mijn favoriet 'Ghosts'. De magie is weg, maar puur vakmanschap is daarvoor in de plaats gekomen, en laten we eerlijk blijven; het moet volgens mij al vreemd uitdraaien mocht dEUS ooit met een slechte plaat aan komen zetten.
3,5 sterren
Devendra Banhart - Mala (2013)

3,5
0
geplaatst: 17 april 2013, 19:46 uur
Muziek blijft toch een leuk medium om jezelf en de wereld te leren kennen en te gaan exploreren. Het staat nooit stil, en er is in het verleden ook al zoveel gemaakt, dat je gewoon nieuwe dingen blijft ontdekken. Ik dacht eind 2012 dat ik nu wel een beetje bij was, in mijn naïef-romantische beeld van de dingen, maar dat blijkt dus weer niet zo. Tot mijn heugenis, blijkt wederom.
Ook in 2013 gaat de ontdekkingsreis lustig verder, en ik laat me gewoon meedrijven. Devendra Banhart, een naam die wel een belletje deed rinkelen, maar waar ik om één of andere reden nooit aan toe was gekomen, kwam dit jaar opzetten met een nieuwe plaat, getiteld ‘Mala’ (afgeleid van “mal”, wat slecht betekent, maar ook nog wel, door middel van subtiliteiten, lichtjes afwijkende betekenis). En dat die plaat dan paradoxaal genoeg niet slecht klinkt, is mooi meegenomen.
Banhart heeft een experimenteel hart voor muziek. Hij wil blijkbaar ver van de gebaande wegen blijven, door een mengelmoes van stijlen nonchalant in een blender te gooien, en er op creatieve wijs mee aan de slag te gaan. Leukste voorbeeld hiervan is ‘Your Fine Petting Duck’, dat begint als een dialoog tussen een voormalig koppeltje, dat niet onder stoelen onder banken steekt dat beiden nog steeds naar elkaar hunkeren. Ondanks alle miserie. De vrouwenstem wordt hier op eigenzinnige manier vertolkt door Banhart’s vriendin, de Servische ontwerpster Ana Kras. Zij zingt regelmatig op het randje, maar altijd op een charmante manier, die haar wat extra krediet van de luisteraar (van mij althans) oplevert. Het nummer mondt uit in foute disco, en er wordt plots in het Duits gezongen. Knettergek, dus.
Al zou dat al bij al meevallen, en ‘Your Fine Petting Duck’ is ook met voorsprong de meest excentrieke song op het album. Wat niet wil zeggen dat het voor de rest slappe hap is, en al helemaal niet saai. Bij wijlen tovert Banhart prachtige melodietjes tevoorschijn, en zijn stem dartelt er altijd zo lieflijk omheen. ‘Daniel’ wordt vergeleken met het betere werk van ene Elliott Smith, en dat is niet geheel onterecht. Een goeie tekst ook, en een fan van Suede krijgt altijd een bonuspuntje.
‘Für Hildegard von Bingen’ maakt qua inhoud dan weer een vreemde bocht. Hoewel. Eén van de eerste klassieke componistes die het helemaal maakt in de DJ- en VJ-wereld; ik zie er wel enig verband in. Met ‘Mi Negrita’ en ‘Mala’ staan er ook twee Spaanstalige songs op, en zo zitten we onderhand al aan drie verschillende talen op een plaatje van een goeie 40 minuten. Banhart is een taalfreak, zeg maar.
Maar het meest pakkend vind ik nog – en dat kan vreemd klinken – ‘The Ballad of Keenan Milton’, een instrumentaaltje van een goeie 2 minuten. De spaarzaamheid na het eclectische ‘Your Fine Petting Duck’ treft me opvallend genoeg; het verschil in contrast kan als mogelijke dader aangewezen worden.
Met ‘Won’t You Come Over’ heeft Banhart, als ik de meningen van mensen die er meer van af weten mag geloven, één van zijn meest poppy songs geschreven. Het nummer is aanstekelijk, maar het werkt ook echt. Meezingen behoort tot de mogelijkheden, mee neuriën is alvast onvermijdelijk. De feel good die dit nummer wegdraagt staat haaks tegenover de sombere ondertoon in de tekst. Ik lees er onzekerheid in. Nou ja, in ieder geval is dit niet het enige voorbeeld dat je kan aanhalen op dit album. En ik ben er zeker van dat dit op vorige albums ook het geval was. Maar nu spreek ik reeds als een kenner, en dat ben ik natuurlijk niet.
Devendra Banhart heeft met ‘Mala’ alvast mijn interesse gewekt, en uiteindelijk, na meerdere luisterbeurten, ook dik verdiend. Zijn eerdere werk zou freakier zijn, en daar ben ik ook erg benieuwd naar. Alweer een zieltje gewonnen!
3,5 sterren
Ook in 2013 gaat de ontdekkingsreis lustig verder, en ik laat me gewoon meedrijven. Devendra Banhart, een naam die wel een belletje deed rinkelen, maar waar ik om één of andere reden nooit aan toe was gekomen, kwam dit jaar opzetten met een nieuwe plaat, getiteld ‘Mala’ (afgeleid van “mal”, wat slecht betekent, maar ook nog wel, door middel van subtiliteiten, lichtjes afwijkende betekenis). En dat die plaat dan paradoxaal genoeg niet slecht klinkt, is mooi meegenomen.
Banhart heeft een experimenteel hart voor muziek. Hij wil blijkbaar ver van de gebaande wegen blijven, door een mengelmoes van stijlen nonchalant in een blender te gooien, en er op creatieve wijs mee aan de slag te gaan. Leukste voorbeeld hiervan is ‘Your Fine Petting Duck’, dat begint als een dialoog tussen een voormalig koppeltje, dat niet onder stoelen onder banken steekt dat beiden nog steeds naar elkaar hunkeren. Ondanks alle miserie. De vrouwenstem wordt hier op eigenzinnige manier vertolkt door Banhart’s vriendin, de Servische ontwerpster Ana Kras. Zij zingt regelmatig op het randje, maar altijd op een charmante manier, die haar wat extra krediet van de luisteraar (van mij althans) oplevert. Het nummer mondt uit in foute disco, en er wordt plots in het Duits gezongen. Knettergek, dus.
Al zou dat al bij al meevallen, en ‘Your Fine Petting Duck’ is ook met voorsprong de meest excentrieke song op het album. Wat niet wil zeggen dat het voor de rest slappe hap is, en al helemaal niet saai. Bij wijlen tovert Banhart prachtige melodietjes tevoorschijn, en zijn stem dartelt er altijd zo lieflijk omheen. ‘Daniel’ wordt vergeleken met het betere werk van ene Elliott Smith, en dat is niet geheel onterecht. Een goeie tekst ook, en een fan van Suede krijgt altijd een bonuspuntje.
‘Für Hildegard von Bingen’ maakt qua inhoud dan weer een vreemde bocht. Hoewel. Eén van de eerste klassieke componistes die het helemaal maakt in de DJ- en VJ-wereld; ik zie er wel enig verband in. Met ‘Mi Negrita’ en ‘Mala’ staan er ook twee Spaanstalige songs op, en zo zitten we onderhand al aan drie verschillende talen op een plaatje van een goeie 40 minuten. Banhart is een taalfreak, zeg maar.
Maar het meest pakkend vind ik nog – en dat kan vreemd klinken – ‘The Ballad of Keenan Milton’, een instrumentaaltje van een goeie 2 minuten. De spaarzaamheid na het eclectische ‘Your Fine Petting Duck’ treft me opvallend genoeg; het verschil in contrast kan als mogelijke dader aangewezen worden.
Met ‘Won’t You Come Over’ heeft Banhart, als ik de meningen van mensen die er meer van af weten mag geloven, één van zijn meest poppy songs geschreven. Het nummer is aanstekelijk, maar het werkt ook echt. Meezingen behoort tot de mogelijkheden, mee neuriën is alvast onvermijdelijk. De feel good die dit nummer wegdraagt staat haaks tegenover de sombere ondertoon in de tekst. Ik lees er onzekerheid in. Nou ja, in ieder geval is dit niet het enige voorbeeld dat je kan aanhalen op dit album. En ik ben er zeker van dat dit op vorige albums ook het geval was. Maar nu spreek ik reeds als een kenner, en dat ben ik natuurlijk niet.
Devendra Banhart heeft met ‘Mala’ alvast mijn interesse gewekt, en uiteindelijk, na meerdere luisterbeurten, ook dik verdiend. Zijn eerdere werk zou freakier zijn, en daar ben ik ook erg benieuwd naar. Alweer een zieltje gewonnen!
3,5 sterren
DeWolff - Orchards / Lupine (2011)

4,0
0
geplaatst: 29 april 2011, 19:08 uur
Erg mooie plaat is dit. Er zit genoeg afwisseling in de songs; het wordt eigenlijk nooit saai. Toch een opmerkelijke prestatie van deze drie jonge Nederlanders, want de muziek die ze spelen leunt aan tegen de late sixties-early seventies blues/psychedelische rock van The Doors, Led Zeppelin, noem maar op. Een ontgonnen genre, dat echter al decennia ergens in een hoekje ligt. DeWolff vestigt de aandacht op die grote groepen van weleer, en brengt hiermee toch wel een meer dan degelijk eerbetoon. Qua originaliteit is het misschien niet geweldig, maar de leden van DeWolff weten hoe ze muziek moeten maken. 'Pick Your Bones Out Of The Water' doet me sterk denken aan Deep Purple, een soortgelijke drive hebben ze in die song gesmokkeld. De prijsnummers zijn opener 'Diamonds', dat meteen flink rockt; 'Everything Everywhere', met een geweldige gitaarsolo en 'The Pistol', het langste nummer van de plaat.
De manier waarop ze spelen, klinkt ook gewoon zo vertrouwd dat je dit wel goed moet vinden. Dat heeft natuurlijk te maken met nostalgie, veel mensen die jong waren in de sixties/seventies, zullen dit geweldig voelen, omdat het hen doet terugdenken aan die prachtige tijd. Ik ben 21 jaar, dus voor mij gaat die vlieger niet op. Maar toch klinkt het gewoon zo vertrouwd. Misschien ook omdat ik fan ben van The Doors, en andere bands van toen die dit soort muziek maakten, ook wel kan waarderen. Maar je gaat je bijna op je gemak voelen door de manier waarop ze spelen. Virtuoos zonder pretentieus te worden. Zoals 'The Pistol' zich ontwikkelt, dat durf ik vrij geniaal te noemen! Een psychedelische draaikolk waar je zonder pardon mee wordt ingezogen.
Tekstueel weet ik het niet zo goed, niet echt op gelet. Ga ik een volgende keer misschien wel eens doen, maar bij dit soort muziek is het vooral de muziek die me interesseert. Al moet ik daarbij de kanttekening maken dat de grote dichter Jim Morrison de uitzondering op de regel is, maar goed. Morrison was dan ook op heel veel vlakken een uitzondering op de regel.
Geweldige plaat dus! Welverdiende 4 sterren.
De manier waarop ze spelen, klinkt ook gewoon zo vertrouwd dat je dit wel goed moet vinden. Dat heeft natuurlijk te maken met nostalgie, veel mensen die jong waren in de sixties/seventies, zullen dit geweldig voelen, omdat het hen doet terugdenken aan die prachtige tijd. Ik ben 21 jaar, dus voor mij gaat die vlieger niet op. Maar toch klinkt het gewoon zo vertrouwd. Misschien ook omdat ik fan ben van The Doors, en andere bands van toen die dit soort muziek maakten, ook wel kan waarderen. Maar je gaat je bijna op je gemak voelen door de manier waarop ze spelen. Virtuoos zonder pretentieus te worden. Zoals 'The Pistol' zich ontwikkelt, dat durf ik vrij geniaal te noemen! Een psychedelische draaikolk waar je zonder pardon mee wordt ingezogen.
Tekstueel weet ik het niet zo goed, niet echt op gelet. Ga ik een volgende keer misschien wel eens doen, maar bij dit soort muziek is het vooral de muziek die me interesseert. Al moet ik daarbij de kanttekening maken dat de grote dichter Jim Morrison de uitzondering op de regel is, maar goed. Morrison was dan ook op heel veel vlakken een uitzondering op de regel.
Geweldige plaat dus! Welverdiende 4 sterren.
DeWolff - Tascam Tapes (2020)

3,5
0
geplaatst: 28 januari 2020, 20:51 uur
Groove, funk, rock 'n roll en een likje gekheid; enkele sleutelwoorden die de nieuwe plaat van DeWolff adequaat beschrijven, naar mijn mening. Het is een korte plaat geworden; twaalf songs worden erdoor gejaagd in een dik halfuur. Dat zijn we niet meteen gewoon van de Limburgers.
Aanstekelijk is de single It Ain't Easy als de pest, maar ook andere songs als Let It Fly en Blood Meridian I & II blijven op een prettige manier hangen, met van die eigenzinnige weerhaken. Het korte Awesomeness of Love is op een coole manier soulvol te noemen; Love Is Such a Waste doet me in de verte dan weer wat aan Captain Beefheart denken.
Dit album zag ik aanvankelijk als een tussendoortje van DeWolff, maar ik merk toch elke keer weer dat ik danig zit te genieten als ik 'm beluister. Een meer dan fijne additie dus, aan dat stilaan fraaie oeuvre van de band.
3,5 sterren
PS: de videoclip van It Ain't Easy is overigens schitterend.
Aanstekelijk is de single It Ain't Easy als de pest, maar ook andere songs als Let It Fly en Blood Meridian I & II blijven op een prettige manier hangen, met van die eigenzinnige weerhaken. Het korte Awesomeness of Love is op een coole manier soulvol te noemen; Love Is Such a Waste doet me in de verte dan weer wat aan Captain Beefheart denken.
Dit album zag ik aanvankelijk als een tussendoortje van DeWolff, maar ik merk toch elke keer weer dat ik danig zit te genieten als ik 'm beluister. Een meer dan fijne additie dus, aan dat stilaan fraaie oeuvre van de band.
3,5 sterren
PS: de videoclip van It Ain't Easy is overigens schitterend.
Dhidalah - Sensoria (2022)

3,5
1
geplaatst: 21 januari 2023, 09:24 uur
Fijne plaat van het Japanse gezelschap Dhidalah, ontdekt dankzij EvilDrSmith in het "Maak kennis met metal anno 2022"-topic, die daar de opener plaatste.
Die opener lijkt duidelijk schatplichtig te zijn aan de Noorse gigant Motorpsycho, maar wordt wel bijzonder fel en nijdig gebracht. Voor mij meteen het hoogtepunt, een kleine 10 minuten intens genieten!
Invader Summer is wat zweveriger van aard, maar glipt vooral door de mazen van het net mijner aandacht, en het derde stuk is een prelude die de juiste atmosfeer opzet richting het klapstuk.
Dat klapstuk heet Black Shrine en neemt met ruim 20 minuten de B-kant in beslag. Alle ingrediënten daarin mooi terug, we horen zowel nijdige stonerpassages als psychedelica en spacerock. Knapste gedeelte vond ik dan het tragere tussenstuk, met een donkere, jazzy groove en soort van bluesy, psychedelische improvisatie die steeds wat indringender van sfeer werd. Dat had van mij gerust 20 minuten mogen duren, want de "steviger" passages kwamen voor mij niet helemaal uit de verf. Desalniettemin: prima!
3,5 sterren
Die opener lijkt duidelijk schatplichtig te zijn aan de Noorse gigant Motorpsycho, maar wordt wel bijzonder fel en nijdig gebracht. Voor mij meteen het hoogtepunt, een kleine 10 minuten intens genieten!
Invader Summer is wat zweveriger van aard, maar glipt vooral door de mazen van het net mijner aandacht, en het derde stuk is een prelude die de juiste atmosfeer opzet richting het klapstuk.
Dat klapstuk heet Black Shrine en neemt met ruim 20 minuten de B-kant in beslag. Alle ingrediënten daarin mooi terug, we horen zowel nijdige stonerpassages als psychedelica en spacerock. Knapste gedeelte vond ik dan het tragere tussenstuk, met een donkere, jazzy groove en soort van bluesy, psychedelische improvisatie die steeds wat indringender van sfeer werd. Dat had van mij gerust 20 minuten mogen duren, want de "steviger" passages kwamen voor mij niet helemaal uit de verf. Desalniettemin: prima!
3,5 sterren
Die Apokalyptischen Reiter - The Divine Horsemen (2021)

4,0
1
geplaatst: 10 juli 2021, 20:21 uur
In 1995 werd deze band opgericht in Weimar, Duitsland (je weet wel, van de gelijknamige republiek tijdens het Interbellum), dus dachten de heren vorige herfst: "Zullen we 'ns de studio induiken, spontaan en met het vizier op improvisatie, teneinde een jubileumplaat uit te brengen? Is eens iets anders dan een suffe compilatie!"
Uiteindelijk trokken ze zich een volledig weekend terug in de studio, wat resulteerde in zomaar eventjes 500 minuten muziek. Daar er geen voorbereiding aan te pas was gekomen, kwam het grotendeels op improvisatie aan, en in de kleine 80 minuten die de band uit deze sessies heeft gedistilleerd, is dat ook wel duidelijk te horen. Al bedoel ik dat heus niet negatief.
Van deze band had ik eerder enkel wat losse nummers gehoord, dus dit was in feite mijn vuurdoop. En die is behoorlijk goed bevallen, want ik hoor allerhande invloeden uit diverse subgenres van het metalwereldje. Thrash en death zijn toonaangevend, maar hier en daar hoor ik wel wat black en doom voorbij komen, en in de langere tracks (die me het best bevallen!) zelfs wat psychedelica.
Dat dit geen vloeiend geheel vormt, mag geen verrassing heten, maar het stoort me niet als dusdanig. Dit is een aardige kluif, maar als je er eens lekker voor gaat zitten, loont het wel de moeite; een boeiende reis door heden en verleden van Die Apokalyptischen Reiter, lijkt het wel, als ik me zo inlees (inluisteren komt heus later wel). Een passend jubileum!
4 sterren
Uiteindelijk trokken ze zich een volledig weekend terug in de studio, wat resulteerde in zomaar eventjes 500 minuten muziek. Daar er geen voorbereiding aan te pas was gekomen, kwam het grotendeels op improvisatie aan, en in de kleine 80 minuten die de band uit deze sessies heeft gedistilleerd, is dat ook wel duidelijk te horen. Al bedoel ik dat heus niet negatief.
Van deze band had ik eerder enkel wat losse nummers gehoord, dus dit was in feite mijn vuurdoop. En die is behoorlijk goed bevallen, want ik hoor allerhande invloeden uit diverse subgenres van het metalwereldje. Thrash en death zijn toonaangevend, maar hier en daar hoor ik wel wat black en doom voorbij komen, en in de langere tracks (die me het best bevallen!) zelfs wat psychedelica.
Dat dit geen vloeiend geheel vormt, mag geen verrassing heten, maar het stoort me niet als dusdanig. Dit is een aardige kluif, maar als je er eens lekker voor gaat zitten, loont het wel de moeite; een boeiende reis door heden en verleden van Die Apokalyptischen Reiter, lijkt het wel, als ik me zo inlees (inluisteren komt heus later wel). Een passend jubileum!
4 sterren
Dinosaur Jr. - I Bet on Sky (2012)

3,5
0
geplaatst: 1 november 2012, 18:55 uur
Ik heb dit album aangekocht nadat ik het fantastische 'Watch the Corners' had grijgedraaid, en het album al een eerste keer in z'n geheel had beluisterd. Dat sloeg zowat in als een bom, maar ik zat ook in een Dinosaur Jr.-periode, waarin ik alle platen van hen heb gedraaid. Ik moest er wel eentje kopen, en omdat deze net uit was, en ik deze ook het meest tegenkwam, heb ik deze maar aangeschaft. Er moet er eentje de eerste zijn, en er zullen nog wel enkele platen volgen. Mascis en co. hebben al verschillende ijzersterke albums uitgebracht, dit 'I Bet on Sky' leek daar op eerste gehoor netjes tussen te passen. Nu heeft het toch wat van z'n glorie verloren.
Jawel, de single 'Watch the Corners' vind ik nog steeds één van de beste songs van het jaar, en de opener en afsluiter zijn ook beide erg mooi, met van die kenmerkende gitaarsolo's, maar daartussen is het een beetje povertjes wat we voorgeschoteld krijgen. Al druk ik me misschien wat te streng uit; het merendeel van die songs is nog steeds goed. 'Almost Fare' is al meteen een forse trede naar beneden in vergelijking met de eerste twee nummers (grungy zang), 'Stick a Toe in' nog best te doen, maar soms overdreven pathetisch, daardoor wordt het wat melig.
Na het wat flauwe ‘Rude’ volgt dan weer een fraai nummer; ‘I Know It Oh So Well’, waarbij nog maar ‘ns opvalt dat de grootste troef die Dinosaur Jr. heeft het gitaarspel is, met name de gitaarsolo’s. Enkele prachtige solo’s staan op dit album, die in ‘Watch the Corners’ leunt wat mij betreft zelfs aan tegen perfectie. In mijn subjectieve leefwereld dan. Ook in ‘I Know It Oh So Well’ zit weer zo’n mooi staaltje gesoleer, dat meestal op het gemoed werkt.
Met ‘Pierce the Morning Rain’, ‘What Was That’ en ‘Recognition’ volgen daarna drie nummers die wel prima zijn, maar ook niet meer dan dat, en ook niet bijzonder veel in mij oproepen. Met de afsluiter is dat enigszins anders; ‘See It on Your Side’ heeft iets episch in zijn gitaarlijnen verscholen zitten, en de zang van Mascis is effectief; beetje loom zoals altijd, maar toch doeltreffend. Het nummer wentelt zich op een fantastische manier naar boven en boven en boven, met heerlijk snijdend gitaarwerk. Topkwaliteit!
En zo is ‘I Bet on Sky’ een beetje een wisselvallige plaat geworden, met hoogtes en laagtes. Maar de hoogtes zijn in het voordeel; zij zijn extremer, en krijgen de blanco stemmen van de middelmatigheid ook nog. Slechte plaat is het dus zeker niet, maar de eerste slechte van Dinosaur Jr. moet ik nog horen.
3,5 sterren
Jawel, de single 'Watch the Corners' vind ik nog steeds één van de beste songs van het jaar, en de opener en afsluiter zijn ook beide erg mooi, met van die kenmerkende gitaarsolo's, maar daartussen is het een beetje povertjes wat we voorgeschoteld krijgen. Al druk ik me misschien wat te streng uit; het merendeel van die songs is nog steeds goed. 'Almost Fare' is al meteen een forse trede naar beneden in vergelijking met de eerste twee nummers (grungy zang), 'Stick a Toe in' nog best te doen, maar soms overdreven pathetisch, daardoor wordt het wat melig.
Na het wat flauwe ‘Rude’ volgt dan weer een fraai nummer; ‘I Know It Oh So Well’, waarbij nog maar ‘ns opvalt dat de grootste troef die Dinosaur Jr. heeft het gitaarspel is, met name de gitaarsolo’s. Enkele prachtige solo’s staan op dit album, die in ‘Watch the Corners’ leunt wat mij betreft zelfs aan tegen perfectie. In mijn subjectieve leefwereld dan. Ook in ‘I Know It Oh So Well’ zit weer zo’n mooi staaltje gesoleer, dat meestal op het gemoed werkt.
Met ‘Pierce the Morning Rain’, ‘What Was That’ en ‘Recognition’ volgen daarna drie nummers die wel prima zijn, maar ook niet meer dan dat, en ook niet bijzonder veel in mij oproepen. Met de afsluiter is dat enigszins anders; ‘See It on Your Side’ heeft iets episch in zijn gitaarlijnen verscholen zitten, en de zang van Mascis is effectief; beetje loom zoals altijd, maar toch doeltreffend. Het nummer wentelt zich op een fantastische manier naar boven en boven en boven, met heerlijk snijdend gitaarwerk. Topkwaliteit!
En zo is ‘I Bet on Sky’ een beetje een wisselvallige plaat geworden, met hoogtes en laagtes. Maar de hoogtes zijn in het voordeel; zij zijn extremer, en krijgen de blanco stemmen van de middelmatigheid ook nog. Slechte plaat is het dus zeker niet, maar de eerste slechte van Dinosaur Jr. moet ik nog horen.
3,5 sterren
Dire Straits - Making Movies (1980)

3,5
0
geplaatst: 12 oktober 2009, 20:15 uur
'Making Movies' is wederom een leuke plaat van Dire Straits, met sterke nummers als 'Tunnel Of Love' en 'Romeo & Juliet'. Toch heb ik het gevoel dat het album een beetje inzakt naarmate het einde nadert. 'Skateaway' is een oerdegelijk nummer, dat wel, maar met deze drie nummers heb je het een beetje gehad, vind ik.
‘Expresso Love’, het vierde nummer op de plaat, is nog wel goed, maar het mist dat tikkeltje extra dat voorgaande nummers wel hebben. ‘Hand In Hand’ begint al een beetje afgezaagd te klinken. ‘Solid Rock’ is zelfs ondermaats voor een band als Dire Straits.
Toch nog een laatste lichtpuntje: de vreemdste song van allemaal, ‘Les Boys’, is experimenteel, maar wel goed. Zo wordt dit album toch nog afgesloten met een positieve noot.
3.5 sterren
‘Expresso Love’, het vierde nummer op de plaat, is nog wel goed, maar het mist dat tikkeltje extra dat voorgaande nummers wel hebben. ‘Hand In Hand’ begint al een beetje afgezaagd te klinken. ‘Solid Rock’ is zelfs ondermaats voor een band als Dire Straits.
Toch nog een laatste lichtpuntje: de vreemdste song van allemaal, ‘Les Boys’, is experimenteel, maar wel goed. Zo wordt dit album toch nog afgesloten met een positieve noot.
3.5 sterren
Djevel - Dodssanger (2011)

4,0
0
geplaatst: 3 november 2011, 19:03 uur
Djevel is één van de vele Noorse bands die opkomen in de black metalscene. Met ‘Dodssanger’ hebben ze nu hun debuut afgeleverd, en het is een heerlijke, nostalgische trip van ruim 3 kwartier geworden, die volgens een recensent van goddeau doet denken aan Dissection, Burzum, Emperor en Dark Throne. Ik zou het niet weten, ik heb van die bands nog niet veel beluisterd, en zeker niet van de vorige eeuw. Van Burzum ken ik wel de laatste twee platen, en van Emperor’s Ihsahn ken ik het geweldige ‘After’. Maar goed, Djevel dus.
Djevel is het geesteskind van ene T. Ciekals (obscuur klinkende naam, trouwens); althans, hij wordt aangegeven als componist van de songs op deze plaat. De man die met zijn stem voor de nodige ijzingwekkende schreeuwen zorgt, is waarschijnlijk een wat bekendere naam voor metalliefhebbers; het is namelijk Hjelvik van Kvelertak. Dat hij zich hier van zijn meest grimmige kant laat horen, valt ook te lezen in het hoesboekje dat bij de plaat hoort. “C. Hjelvik: Grimm dodsstemme”
Over de hoes gesproken, die is erg knap. Een soort mix van grijs, zwart en wit geven me de illusie dat het met van die waskrijtjes is ingekleurd (je kent ze wel), en de bokkenkop verwijst uiteraard naar Satan, één van de geliefkoosde onderwerpen van dit soort bands. Als je het boekje dan openslaat, krijg je duistere tekeningen te zien, en in een hanenpotengeschrift staat er Noorse tekst bij. Ik ken geen Noors, maar dat hoef je ook niet echt te kennen om je te kunnen indenken waar de teksten zoal over handelen. Satanisme, occultisme, hekserij, moord, duiveluitdrijving. In het midden van het boekje staat een wazige foto van de drie groepsleden, waarvan de middelste het donkerst is. Die heeft een lang, bot mes vast. De aandachtige luisteraar zal het scherpen van de messen aan het begin van opener ‘Ingen Vei Tilbake’ wel opgemerkt hebben.
Die opener is een soort intro voor de eerste echte song, ‘Djevelheim’. Gestoeld op een demonische gitaarriff, gaat het maar door en door, bijzonder intens allemaal. Wanneer Hjelvik zijn ding doet, klopt het plaatje al helemaal; een beklemmende sfeer wordt neergezet, de luisteraar wordt weggeblazen, naar de diepste krochten van de hel. Dat je zo’n song kan schrijven, die dat effect heeft, is al knap, maar dat heel de plaat dat doet? Bijzonder sterk.
De gitaarlijnen zijn het meest memorabel op deze plaat, en ook het meest overheersend. Wat me vooral opvalt, is dat ze erg krachtig en luid zijn ingespeeld, en daardoor ronduit angstaanjagend klinken. Ik heb dit jaar nog maar één keer een gitaargeluid gehoord dat zo hels klonk, en dat was op ‘Parasignosis’ van de Canadese band Mitochondrion. Als ik de goddeau-recensent mag geloven, moet ik dringend eens op zoek naar materiaal van Emperor, Dissection en andere legendarische Noorse black metalbands.
Het drumwerk klinkt erg strak en vooral intens en bruut. Het treedt niet zo prominent op de voorgrond als het gitaarwerk, maar zoals bij zoveel platen is een goeie drummer met goeie drumpatronen erg belangrijk. Deze drummer mept er danig op los, maar weet soms ook te “zwijgen”. Dan heb ik het over introotjes en dergelijke, waarin enkel gitaar weerklinkt. Want dat blijft het belangrijkste instrument op ‘Dodssanger’.
Ruim drie kwartier lang weet Djevel te overtuigen, zonder steken te laten vallen. Het enige wat ik kan opmerken, is dat het misschien wat teveel van hetzelfde is, maar dat vind ik niet echt een probleem, op voorwaarde dat dit soort kwaliteit voor je voeten wordt geworpen. Ik ben erg tevreden dat ik ‘Dodssanger’ in huis heb gehaald, hoe dan ook één van de betere metalplaten van het jaar tot nu toe, en qua intensiteit moet het enkel ‘Torn Beyond Reason’ van Woods of Desolation laten voorgaan, wat mij betreft.
4 sterren
Djevel is het geesteskind van ene T. Ciekals (obscuur klinkende naam, trouwens); althans, hij wordt aangegeven als componist van de songs op deze plaat. De man die met zijn stem voor de nodige ijzingwekkende schreeuwen zorgt, is waarschijnlijk een wat bekendere naam voor metalliefhebbers; het is namelijk Hjelvik van Kvelertak. Dat hij zich hier van zijn meest grimmige kant laat horen, valt ook te lezen in het hoesboekje dat bij de plaat hoort. “C. Hjelvik: Grimm dodsstemme”
Over de hoes gesproken, die is erg knap. Een soort mix van grijs, zwart en wit geven me de illusie dat het met van die waskrijtjes is ingekleurd (je kent ze wel), en de bokkenkop verwijst uiteraard naar Satan, één van de geliefkoosde onderwerpen van dit soort bands. Als je het boekje dan openslaat, krijg je duistere tekeningen te zien, en in een hanenpotengeschrift staat er Noorse tekst bij. Ik ken geen Noors, maar dat hoef je ook niet echt te kennen om je te kunnen indenken waar de teksten zoal over handelen. Satanisme, occultisme, hekserij, moord, duiveluitdrijving. In het midden van het boekje staat een wazige foto van de drie groepsleden, waarvan de middelste het donkerst is. Die heeft een lang, bot mes vast. De aandachtige luisteraar zal het scherpen van de messen aan het begin van opener ‘Ingen Vei Tilbake’ wel opgemerkt hebben.
Die opener is een soort intro voor de eerste echte song, ‘Djevelheim’. Gestoeld op een demonische gitaarriff, gaat het maar door en door, bijzonder intens allemaal. Wanneer Hjelvik zijn ding doet, klopt het plaatje al helemaal; een beklemmende sfeer wordt neergezet, de luisteraar wordt weggeblazen, naar de diepste krochten van de hel. Dat je zo’n song kan schrijven, die dat effect heeft, is al knap, maar dat heel de plaat dat doet? Bijzonder sterk.
De gitaarlijnen zijn het meest memorabel op deze plaat, en ook het meest overheersend. Wat me vooral opvalt, is dat ze erg krachtig en luid zijn ingespeeld, en daardoor ronduit angstaanjagend klinken. Ik heb dit jaar nog maar één keer een gitaargeluid gehoord dat zo hels klonk, en dat was op ‘Parasignosis’ van de Canadese band Mitochondrion. Als ik de goddeau-recensent mag geloven, moet ik dringend eens op zoek naar materiaal van Emperor, Dissection en andere legendarische Noorse black metalbands.
Het drumwerk klinkt erg strak en vooral intens en bruut. Het treedt niet zo prominent op de voorgrond als het gitaarwerk, maar zoals bij zoveel platen is een goeie drummer met goeie drumpatronen erg belangrijk. Deze drummer mept er danig op los, maar weet soms ook te “zwijgen”. Dan heb ik het over introotjes en dergelijke, waarin enkel gitaar weerklinkt. Want dat blijft het belangrijkste instrument op ‘Dodssanger’.
Ruim drie kwartier lang weet Djevel te overtuigen, zonder steken te laten vallen. Het enige wat ik kan opmerken, is dat het misschien wat teveel van hetzelfde is, maar dat vind ik niet echt een probleem, op voorwaarde dat dit soort kwaliteit voor je voeten wordt geworpen. Ik ben erg tevreden dat ik ‘Dodssanger’ in huis heb gehaald, hoe dan ook één van de betere metalplaten van het jaar tot nu toe, en qua intensiteit moet het enkel ‘Torn Beyond Reason’ van Woods of Desolation laten voorgaan, wat mij betreft.
4 sterren
