Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Panopticon - Collapse (2009)

3,5
0
geplaatst: 12 december 2011, 20:33 uur
Een eerste luisterbeurt overviel me een beetje, enkele weken geleden. Ik was hier wel degelijk van onder de indruk, en al klonk het drumgeluid niet goed, er zat genoeg variatie en creativiteit in om dat te vergeven en vergeten. Nu zijn we ongeveer een maand en een paar luisterbeurten verder, en is m'n enthousiasme enigszins getemperd, maar in tegenstelling tot wizard en jasper1991 vind ik dit geen slechte plaat.
Panopticon is een eenmansproject van de Amerikaan Austin Lunn, lees ik op de artiestenpagina van Panopticon op LastFM. 'Collapse' is de tweede plaat van Panopticon (genoemd naar het album van Isis?), en dit jaar is trouwens de nieuwe verschenen, niet eens zo lang geleden (in november, dacht ik). Ik heb 'm ingestuurd om toe te voegen, nu alleen nog wachten op bevestiging. 'Collapse' maakt me in ieder geval hongerig en benieuwd genoeg om die nieuwe plaat ook tot mij te nemen. Een dikke drie kwartier wordt er naar mijn mening erg creatief omgesprongen met allerlei instrumenten en natuurgeluiden, en dat gaat er bij mij wel in.
'Collapse' bestaat uit 4 nummers, en in het begin van het eerste nummer is de invloed van Godspeed You Black Emperor! al meteen duidelijk; een spoken word, political stuff. Lunn geeft verder ook aan enorm geïnspireerd te zijn door folkmuziek, en uiteraard ook black metal. Een naam die hij zelf ook opgeeft, maar mij wat onduidelijker lijkt te associëren met deze muziek, is die van Tom Waits. Die hoor ik er in ieder geval niet in terug.
Het drumgeluid blijft enorm storend. Elke keer als het opkomt lijkt het alle andere geluiden weg te dringen, en dat levert bijna nooit een meerwaarde op. Wanneer de drums weggelaten worden (zoals in het sfeervolle 'Idavoll'), kan ik er heel wat beter mee leven, met dit plaatje. Al doet de riedel in 'Idavoll' wel ongelooflijk veel denken aan een riff van Iron Maiden. Opzet?
Om tot een conclusie te komen: 'Collapse' is een gewaagde plaat, die niet altijd even goed uitpakt, maar Austin Lunn krijgt van mij pluspunten omdat hij hier toch maar mooi zijn zin doordrijft, en eigenlijk iets creëert dat soms echt weet te beklijven, en onder m'n huid weet te kruipen. De minder goeie passages nemen we er dan maar bij.
3,5 sterren
Panopticon is een eenmansproject van de Amerikaan Austin Lunn, lees ik op de artiestenpagina van Panopticon op LastFM. 'Collapse' is de tweede plaat van Panopticon (genoemd naar het album van Isis?), en dit jaar is trouwens de nieuwe verschenen, niet eens zo lang geleden (in november, dacht ik). Ik heb 'm ingestuurd om toe te voegen, nu alleen nog wachten op bevestiging. 'Collapse' maakt me in ieder geval hongerig en benieuwd genoeg om die nieuwe plaat ook tot mij te nemen. Een dikke drie kwartier wordt er naar mijn mening erg creatief omgesprongen met allerlei instrumenten en natuurgeluiden, en dat gaat er bij mij wel in.
'Collapse' bestaat uit 4 nummers, en in het begin van het eerste nummer is de invloed van Godspeed You Black Emperor! al meteen duidelijk; een spoken word, political stuff. Lunn geeft verder ook aan enorm geïnspireerd te zijn door folkmuziek, en uiteraard ook black metal. Een naam die hij zelf ook opgeeft, maar mij wat onduidelijker lijkt te associëren met deze muziek, is die van Tom Waits. Die hoor ik er in ieder geval niet in terug.
Het drumgeluid blijft enorm storend. Elke keer als het opkomt lijkt het alle andere geluiden weg te dringen, en dat levert bijna nooit een meerwaarde op. Wanneer de drums weggelaten worden (zoals in het sfeervolle 'Idavoll'), kan ik er heel wat beter mee leven, met dit plaatje. Al doet de riedel in 'Idavoll' wel ongelooflijk veel denken aan een riff van Iron Maiden. Opzet?
Om tot een conclusie te komen: 'Collapse' is een gewaagde plaat, die niet altijd even goed uitpakt, maar Austin Lunn krijgt van mij pluspunten omdat hij hier toch maar mooi zijn zin doordrijft, en eigenlijk iets creëert dat soms echt weet te beklijven, en onder m'n huid weet te kruipen. De minder goeie passages nemen we er dan maar bij.
3,5 sterren
Paradox - Heresy (1989)

4,0
3
geplaatst: 5 november 2022, 21:24 uur
Toeval of niet? Gisteren zag ik de recente Poolse film Hellhole, over een geheimzinnige kloosterorde met enkele duistere geheimen, en daar doet de wat angstaanjagende maar ontzettend vette albumcover van Heresy, Paradox’ tweede langspeler, erg aan denken. Nu heb ik dit pittige plaatje de laatste weken ook wel meermaals beluisterd, dus denk ik dat we de allereerste zin in dit betoog niet-affirmatief kunnen beantwoorden.
Paradox is een Duitse thrashband uit de jaren ’80. Zij betraden destijds de voetstappen van bands als Kreator, Sodom en Destruction, met ook heel wat invloeden van over de Atlantische Oceaan natuurlijk; Metallica, Exodus en Anthrax voorop. Daarmee is de kous echter niet af, want ook naar subgenres als speed metal (wat is het nummer Pray for the Godz of Wrath anders dan een moddervette knipoog richting het iconische Agent Steel?) en heavy metal (deze stroming werd wel ‘ns NWoGTM, New Wave of German Thrash Metal, genoemd, en dan is de parallel met NWoBHM snel getrokken – in met name het riffwerk van Paradox herken ik het signatuur van de galopperende Maiden-ritmes uit de beginjaren) is lustig geluisterd, heb ik het vermoeden. Bovendien lijkt een nummer als Mystery, van het debuut, ook wat oosterse invloeden in het riffwerk te hebben.
Daarnaast bedient de band zich hier en daar, vooral op hun geweldige tweede plaat, van akoestische accenten. Het zorgt voor een geslaagde mengeling van nietsontziende agressie en een ontwikkeld gevoel voor sfeerschepping. Een belangrijk individu voor deze band was, en is nog steeds, zanger-gitarist Charly Steinhauer. Samen met drummer Axel Blaha richtte hij de band in 1986 op, en het zijn dan ook zijn, in hoedanigheid als frontman, snedige gitaarsolo’s en dragende leadvocals die maken dat die vroege platen de tand des tijds moeiteloos hebben doorstaan. Bovendien durft de stem van Steinhauer al ‘ns de hoogte in te schieten, een beetje à la John Cyriis (al mag Steinhauer, eerlijk toegegeven, diens veters niet eens strikken). Het zorgt voor een fijn contrast, als de aandacht dan eens even verslapt, ben je gelijk klaarwakker gegild.
Dit album begint meteen ijzersterk. Het titelnummer kent een akoestisch intro dat wat mystiek aandoet en de toon meteen zet. Ook The Burning kent zo’n mystiek klinkend akoestisch intro, en ook dat is natuurlijk geen toeval; Heresy is namelijk een conceptalbum over de op- en neergang van de Katharen (of Albigenzen), een factie die zich pertinent afscheurde van het dominante Rooms-Katholieke geloof. In het bijzonder wordt er ook ingegaan op de reactie van de Kerk (die zich weer ‘ns van haar meest onfrisse kant liet zien). Je zou in feite de lijn kunnen doortrekken naar het heden, want ook nu worden wereldwijd (en heus niet enkel om religieuze redenen) minderheden onder de voet gelopen. Dat maakt dit album brandend actueel.
Naarmate het aantal luisterbeurten van dit album is gegroeid, is me steeds duidelijker geworden waar de band op inzet: pakkende melodieën en zanglijnen waardoor de songs blijven hangen; sfeer, techniek én metier. Minder dan tijdgenoten als Kreator, waar agressie de ultieme troefkaart was, gaat Paradox voor die sneltrein: zo’n lompe, zware kolos die tegen kruissnelheid komt aangevlogen en alles op z’n weg naar de vernieling raast. Neen, Paradox zet dus meer in op sfeer, en laat technische bevlogenheid horen (luister bijvoorbeeld eens naar het soleerwerk in pakweg de titeltrack of Crusaders Revenge).
De teksten zijn bij momenten behoorlijk heftig, al heb ik ze niet in detail bestudeerd; ik geloof het allemaal wel (pun not intended). Heb wel één en ander opgezocht over de kwestie, en zoals eerder gezegd is het geen periode om trots op te zijn als mensheid in zijn geheel, vind ik. In de zanglijnen van Steinhauer herken ik soms een jonge James Hetfield, zeker als Steinhauer op zijn venijnigst tekeergaat, maar uiteindelijk mag Steinhauer er prima van zichzelf wezen. De band heeft eigenlijk overall genoeg eigen- en frisheid om in positieve zin op te vallen; iets wat destijds ook wel gebeurd is.
Nog even wat uitweiden over het sfeertje dat bijvoorbeeld dankzij de akoestische intro’s van enkele nummers wordt gecreëerd: sinister, dreigend zich met z’n weerhaken net onder de huid vast te pinnen. Het zorgt er in ieder geval voor dat je aandachtig aan het luisteren bent, en als de track vervolgens stevig en bevlogen openspat, werkt dat erg goed. Evengoed zijn er tracks die meteen furieus uit de startblokken schieten. Het is de fijne afwisseling die ervoor zorgt dat de plaat geen minuut saai wordt.
Na die pioniersjaren werd het in de jaren ’90 akelig stil rond de band, waar de grotere acts lustig bleven verder doen (met wisselende resultaten), tot er in 2000 een derde album verscheen. Daarna was het weer 8 jaar wachten, maar sindsdien komt de band toch met enige regelmatig opnieuw op de proppen met nieuw werk. Deze albums bleven tamelijk onderbelicht (ik heb ze zelf ook nooit beluisterd), maar in 2021 kwam Steinhauer voor een heuse opvolger van zijn succesalbum; een dubbelaar met de titel Heresy II. Deze heb ik ook nog niet beluisterd, en zo’n dubbelaar is wellicht van het goede teveel, maar door mijn uiterst aangename kennismaking met debuut Product of Imagination en deze Heresy moest ik dat misschien toch maar ‘ns doen.
4 sterren
Paradox is een Duitse thrashband uit de jaren ’80. Zij betraden destijds de voetstappen van bands als Kreator, Sodom en Destruction, met ook heel wat invloeden van over de Atlantische Oceaan natuurlijk; Metallica, Exodus en Anthrax voorop. Daarmee is de kous echter niet af, want ook naar subgenres als speed metal (wat is het nummer Pray for the Godz of Wrath anders dan een moddervette knipoog richting het iconische Agent Steel?) en heavy metal (deze stroming werd wel ‘ns NWoGTM, New Wave of German Thrash Metal, genoemd, en dan is de parallel met NWoBHM snel getrokken – in met name het riffwerk van Paradox herken ik het signatuur van de galopperende Maiden-ritmes uit de beginjaren) is lustig geluisterd, heb ik het vermoeden. Bovendien lijkt een nummer als Mystery, van het debuut, ook wat oosterse invloeden in het riffwerk te hebben.
Daarnaast bedient de band zich hier en daar, vooral op hun geweldige tweede plaat, van akoestische accenten. Het zorgt voor een geslaagde mengeling van nietsontziende agressie en een ontwikkeld gevoel voor sfeerschepping. Een belangrijk individu voor deze band was, en is nog steeds, zanger-gitarist Charly Steinhauer. Samen met drummer Axel Blaha richtte hij de band in 1986 op, en het zijn dan ook zijn, in hoedanigheid als frontman, snedige gitaarsolo’s en dragende leadvocals die maken dat die vroege platen de tand des tijds moeiteloos hebben doorstaan. Bovendien durft de stem van Steinhauer al ‘ns de hoogte in te schieten, een beetje à la John Cyriis (al mag Steinhauer, eerlijk toegegeven, diens veters niet eens strikken). Het zorgt voor een fijn contrast, als de aandacht dan eens even verslapt, ben je gelijk klaarwakker gegild.
Dit album begint meteen ijzersterk. Het titelnummer kent een akoestisch intro dat wat mystiek aandoet en de toon meteen zet. Ook The Burning kent zo’n mystiek klinkend akoestisch intro, en ook dat is natuurlijk geen toeval; Heresy is namelijk een conceptalbum over de op- en neergang van de Katharen (of Albigenzen), een factie die zich pertinent afscheurde van het dominante Rooms-Katholieke geloof. In het bijzonder wordt er ook ingegaan op de reactie van de Kerk (die zich weer ‘ns van haar meest onfrisse kant liet zien). Je zou in feite de lijn kunnen doortrekken naar het heden, want ook nu worden wereldwijd (en heus niet enkel om religieuze redenen) minderheden onder de voet gelopen. Dat maakt dit album brandend actueel.
Naarmate het aantal luisterbeurten van dit album is gegroeid, is me steeds duidelijker geworden waar de band op inzet: pakkende melodieën en zanglijnen waardoor de songs blijven hangen; sfeer, techniek én metier. Minder dan tijdgenoten als Kreator, waar agressie de ultieme troefkaart was, gaat Paradox voor die sneltrein: zo’n lompe, zware kolos die tegen kruissnelheid komt aangevlogen en alles op z’n weg naar de vernieling raast. Neen, Paradox zet dus meer in op sfeer, en laat technische bevlogenheid horen (luister bijvoorbeeld eens naar het soleerwerk in pakweg de titeltrack of Crusaders Revenge).
De teksten zijn bij momenten behoorlijk heftig, al heb ik ze niet in detail bestudeerd; ik geloof het allemaal wel (pun not intended). Heb wel één en ander opgezocht over de kwestie, en zoals eerder gezegd is het geen periode om trots op te zijn als mensheid in zijn geheel, vind ik. In de zanglijnen van Steinhauer herken ik soms een jonge James Hetfield, zeker als Steinhauer op zijn venijnigst tekeergaat, maar uiteindelijk mag Steinhauer er prima van zichzelf wezen. De band heeft eigenlijk overall genoeg eigen- en frisheid om in positieve zin op te vallen; iets wat destijds ook wel gebeurd is.
Nog even wat uitweiden over het sfeertje dat bijvoorbeeld dankzij de akoestische intro’s van enkele nummers wordt gecreëerd: sinister, dreigend zich met z’n weerhaken net onder de huid vast te pinnen. Het zorgt er in ieder geval voor dat je aandachtig aan het luisteren bent, en als de track vervolgens stevig en bevlogen openspat, werkt dat erg goed. Evengoed zijn er tracks die meteen furieus uit de startblokken schieten. Het is de fijne afwisseling die ervoor zorgt dat de plaat geen minuut saai wordt.
Na die pioniersjaren werd het in de jaren ’90 akelig stil rond de band, waar de grotere acts lustig bleven verder doen (met wisselende resultaten), tot er in 2000 een derde album verscheen. Daarna was het weer 8 jaar wachten, maar sindsdien komt de band toch met enige regelmatig opnieuw op de proppen met nieuw werk. Deze albums bleven tamelijk onderbelicht (ik heb ze zelf ook nooit beluisterd), maar in 2021 kwam Steinhauer voor een heuse opvolger van zijn succesalbum; een dubbelaar met de titel Heresy II. Deze heb ik ook nog niet beluisterd, en zo’n dubbelaar is wellicht van het goede teveel, maar door mijn uiterst aangename kennismaking met debuut Product of Imagination en deze Heresy moest ik dat misschien toch maar ‘ns doen.
4 sterren
Paul McCartney - Kisses on the Bottom (2012)

2,5
0
geplaatst: 20 februari 2012, 11:16 uur
Ook ik vind het een verrassende plaat van McCartney. Ik had er al één en ander over gelezen, maar toen ik het eerste nummer dan beluisterde, had ik niet verwacht dat het zo zou klinken. McCartney beschikt nog steeds over een erg goeie stem, al straalt er niet veel kracht van uit. Een echte crooner pur sang is McCartney dan ook niet, maar ik vind het een leuk project, 14 jazzliedjes een eigen twist proberen geven.
Het zijn - voor mij althans - behoorlijk onbekende nummers, met misschien een paar uitzonderingen. Wat me ook opvalt, zijn de nogal spaarzame instrumentaties, alles klinkt erg relaxed en laid back, alsof er helemaal niets hoeft gebeuren. McCartney heeft zijn status mee, natuurlijk, hij moet niets meer bewijzen, dat heeft hij in het verleden al ruimschoots gedaan. Dat zorgt er voor dat hij zo'n beetje kan doen waar ie zin in heeft, en blijkbaar had ie zin om een plaat als deze te maken.
Betekent dat dan dat ik het een goeie plaat vind? Niet echt nee. Op punten krijgt dit plaatje wel een (zij het erg krappe) voldoende, maar in mijn gevoel is het toch wat ondermaats. Ik vind het allemaal vrij futloos klinken, niet energiek. Vergelijk het eens met andere crooners, zoals Frank Sinatra en (toch wel) kameleon Tom Waits: zij stralen veel meer energie uit, waardoor het aanstekelijk klinkt en me hernieuwde kracht geeft. Hier word ik een beetje apathisch van, al is daar niets mis mee, in essentie. Maar als ik een klein uurtje rust wil, leg ik wel iets anders op.
2,5 sterren
Het zijn - voor mij althans - behoorlijk onbekende nummers, met misschien een paar uitzonderingen. Wat me ook opvalt, zijn de nogal spaarzame instrumentaties, alles klinkt erg relaxed en laid back, alsof er helemaal niets hoeft gebeuren. McCartney heeft zijn status mee, natuurlijk, hij moet niets meer bewijzen, dat heeft hij in het verleden al ruimschoots gedaan. Dat zorgt er voor dat hij zo'n beetje kan doen waar ie zin in heeft, en blijkbaar had ie zin om een plaat als deze te maken.
Betekent dat dan dat ik het een goeie plaat vind? Niet echt nee. Op punten krijgt dit plaatje wel een (zij het erg krappe) voldoende, maar in mijn gevoel is het toch wat ondermaats. Ik vind het allemaal vrij futloos klinken, niet energiek. Vergelijk het eens met andere crooners, zoals Frank Sinatra en (toch wel) kameleon Tom Waits: zij stralen veel meer energie uit, waardoor het aanstekelijk klinkt en me hernieuwde kracht geeft. Hier word ik een beetje apathisch van, al is daar niets mis mee, in essentie. Maar als ik een klein uurtje rust wil, leg ik wel iets anders op.
2,5 sterren
Paul Siebel - Woodsmoke and Oranges (1970)

4,0
1
geplaatst: 12 februari 2024, 20:19 uur
Jasper schreef:
Ik vind dit Nashville Skyine zeker overtreffen. Ik begrijp de vergelijking wel, Woodsmoke and Oranges is alleen veel constanter wat mij betreft.
Ik vind dit Nashville Skyine zeker overtreffen. Ik begrijp de vergelijking wel, Woodsmoke and Oranges is alleen veel constanter wat mij betreft.
Daar ben ik het mee eens, al wil dat ook weer niet zoveel zeggen: Nashville Skyline vind ik Dylan's minste uit de sixties (al wil dat op zijn beurt dan óók weer niet zoveel zeggen).
De vergelijking gaat in zekere zin op, al speelde David Bromberg bij mijn weten niet mee op Dylan's countryplaat. Siebel klinkt hier qua stemgeluid erg als Dylan, maar dan de Dylan van zijn vroege folkplaten - op Nashville Skyline klonk hij meer als een gezalfde, gearriveerde bard uit Tennessee - Siebel weet er wel wat meer pit in te steken, op een jolige manier.
Maar genoeg over Dylan, deze fraaie countryplaat is in feite all about Paul Siebel. De uit Buffalo, New York afkomstige jongmens (een plaats die qua naam country uitstraalt, qua geografische ligging iets minder) banjerde na zijn legertijd in het tweede deel van de sixties door de koffiehuizen in Greenwich Village, alwaar hij optrad. Na een tijdje werd zijn talent opgemerkt door een wakkere jongen bij Elektra Records, en na het horen van een aantal songs die hij met z'n vriend Bromberg had geschreven gingen ze overstag: Siebel mocht een platencontract tekenen, en in 1970 kwam dit veelbelovende debuut uit.
Siebel was een zogenaamde singer-songwriter, en dan wel een rasechte. Hij schreef alle teksten zelf - over outlaws, sociale (wan)toestanden, het leven van de modale mens - en was daarin, wat mij betreft, niet zuinig op het spuien van volkse wijsheden. In het brengen van die markante teksten liet hij zich op instrumentaal vlak (hij speelde zelf 12-string & akoestische gitaar) bijstaan door o.a. Bromberg (dobro, gitaar), Gary White (bas) en James Madison (drums), die de kern van de plaat vormen. Incidenteel zorgen pedal steel, viool, piano/orgel en harmonica voor fraaie franjes.
Sterkhouders op dit album zijn de pittige, met humor doorspekte single Miss Cherry Lane, het verhalende, aangrijpende The Ballad of Honest Sam, het van flower powerwijsheden vergeven The Came the Children, de soldatensmart van Bride 1945 en de wat jolige honky tonk van Any Day Woman waar Siebel scherp voor de pinnen komt met zinsneden als "You just preserver her when you serve her a little tenderness".
De grote constante van dit album wordt gevormd door de sterke teksten, de verhalende kracht van Siebel's zielenroerselen. Ik hoor een gevoelige, betrokken ziel door dit alles schemeren, een wat naïeve dromer, wat allicht ook ten grondslag heeft gelegen van het feit dat het na 2 platen over en out was met zijn carrière. Na dit debuut kwam Siebel vrij snel met opvolger Jack-Knife Gypsy, waarop heel wat meer muzikanten hun duit in het zakje deden, maar opvallend genoeg enkel Gary White als original overbleef.
Die tweede plaat heeft dan ook een wat rijkere sound, iets meer op de luisteraar en minder op de song/tekst zelf gericht, lijkt het wel (If I Could Stay heeft zelfs Lennon-allures). Een poging tot doorbraak, vermoed ik. Een doorbraak die er niet kwam, een lot dat talloze artiesten te beurt viel. En Siebel, als gevoelige, dromerige ziel, nam dat zwaar op. Raakte verslaafd aan drugs (en drank). Viel ten prooi aan een depressie, kwam op de rand van de afgrond terecht. En wist zichzelf weer bijeen te rapen. Hij leefde uiteindelijk nog een lang, en hopelijk gelukkig, leven. En stierf aan longfibrose, op zijn 84ste.
Hoe dan ook, Siebel is een artiest die het waard is te bespreken. Want ondanks zijn beperkte culturele erfenis wordt hij al decennia vereerd in de muziekwereld (vooral country- en folkgeoriënteerde lieden dan). Door zijn maatje Bromberg natuurlijk, maar ook door Kris Kristofferson die hem aanhaalde in het intro van zijn song The Pilgrim als een belangrijke invloed. En door talloze muzikanten die hem coverden, waaronder Waylon Jennings, Linda Ronstadt, Jerry Jeff Walker, Leo Kottke, Bonnie Raitt en Emmylou Harris. En de door mij felbejubelde Kate Wolf niet te vergeten!
4 sterren voor deze / 3,5 sterren voor Jack-Knife Gypsy
Paul Siebel with David Bromberg & Gary White - Live! (1980)

3,5
1
geplaatst: 14 februari 2024, 19:46 uur
Ik schreef eerder bij het debuut van Siebel dat hij het na 2 platen gedesillusioneerd en gedeprimeerd voor bekeken hield wat de muziekindustrie betrof. En dat is zo, als je louter naar zijn studio-output kijkt. Maar in 1978, na enkele jaren ver weg van de schijnwerpers, liet hij zich door zijn oude vrienden David Bromberg en Gary White verleiden tot een optreden in McCabe's Guitar Shop, een muziekwinkel in Santa Monica, California. Of het een eenmalig iets betrof, daar heb ik het raden naar, maar buiten deze in 1978 opgenomen en in 1980 uitgebrachte rariteit is er qua live-werk van Siebel niets bekend. Dat maakt dit dus wel degelijk tot een te koesteren kleinood.
Te meer: de kwaliteit. Siebel klinkt hier nog steeds als early folk-Dylan en begint het optreden met een aantal covers, waaronder Jimmie Rodgers' I'm in the Jailhouse Now en Hank Williams' I'm So Lonesome I Could Cry. Yep, het betere werk dus, en de intimistische uitvoering van Siebel en kornuiten draagt daar enkel aan bij.
Naar het einde toe krijgen we enkele eigen nummers, waaronder zijn allicht bekendste song Louise (al was het vooral de versie van Linda Ronstadt uit 1970 die beroemdheid verwierf) en Honest Sam, één van favoriete Siebelnummers. Dit live-album sluit qua sfeer meer aan bij het debuut dan bij de opvolger - ook daar was Bromberg een belangrijke drijvende kracht.
3,5 sterren
Te meer: de kwaliteit. Siebel klinkt hier nog steeds als early folk-Dylan en begint het optreden met een aantal covers, waaronder Jimmie Rodgers' I'm in the Jailhouse Now en Hank Williams' I'm So Lonesome I Could Cry. Yep, het betere werk dus, en de intimistische uitvoering van Siebel en kornuiten draagt daar enkel aan bij.
Naar het einde toe krijgen we enkele eigen nummers, waaronder zijn allicht bekendste song Louise (al was het vooral de versie van Linda Ronstadt uit 1970 die beroemdheid verwierf) en Honest Sam, één van favoriete Siebelnummers. Dit live-album sluit qua sfeer meer aan bij het debuut dan bij de opvolger - ook daar was Bromberg een belangrijke drijvende kracht.
3,5 sterren
Pauwel De Meyer - Hideaway (2013)

3,5
0
geplaatst: 11 maart 2013, 20:13 uur
Jammer dat dit niet wordt opgepikt. Ik zie De Meyer toch wel als een man met een toekomst. Zijn manier van werken doet me ergens wel denken aan de eerste plaat van Perfume Genius (het lo-fi gedeelte, niet het dramatische, dit is veel meer mellow), en met 'Hideaway' weet Pauwel De Meyer me erg te charmeren. Twee jaar geleden bracht hij al eerder een EP uit, heb ik gemerkt, maar die heb ik (nog) niet beluisterd. Vooralsnog kom ik nog ruim toe met de relatieve rust die 'Hideaway' aanreikt.
De zang van De Meyer echoot mooi, vind ik. Je kan het plaatje perfect afspelen in een grote zaal, maar ook in mijn eigen kleine kamertje werkt het prima. Vaak hoor ik een dubbel geluid in de nummers terug. De treurig opzettende strijkers in 'Woods', bijvoorbeeld, bieden soelaas en zetten een schijnbaar hermetisch afgesloten deur op een kier. 'Two Feet on the Ground' ademt tegelijkertijd de poppy benadering van folk van een James Vincent McMorrow en het etherische van Bon Iver. En zo zijn er nog wel wat dingen op te merken.
Maar 'Hideaway' is vooral ook als plaat een mooi geheel, en meer dan enkel de som der delen. De Meyer werkt op zijn eigen tempo naar een langspeler toe, en ik gun hem van harte alle tijd. Zolang het knappe staaltjes van zijn kunnen oplevert als dit, ben ik tevree.
'Do You Remember' doet, met piano in de hoofdrol, nog het meest denken aan Perfume Genius. Een ander aanknopingspunt is trouwens Conor Oberst van Bright Eyes, al is de zang van laatstgenoemde toch een pak intenser en stouter. De Meyer moet het hebben van zijn mooie timbre, en raakt toch wel. Korte, simpele liedjes, het handelsmerk van wel meerdere lo-fi artiesten. Enfin, die langspeler mag toch zo snel mogelijk komen, voor mijn part!
3,5 sterren
De zang van De Meyer echoot mooi, vind ik. Je kan het plaatje perfect afspelen in een grote zaal, maar ook in mijn eigen kleine kamertje werkt het prima. Vaak hoor ik een dubbel geluid in de nummers terug. De treurig opzettende strijkers in 'Woods', bijvoorbeeld, bieden soelaas en zetten een schijnbaar hermetisch afgesloten deur op een kier. 'Two Feet on the Ground' ademt tegelijkertijd de poppy benadering van folk van een James Vincent McMorrow en het etherische van Bon Iver. En zo zijn er nog wel wat dingen op te merken.
Maar 'Hideaway' is vooral ook als plaat een mooi geheel, en meer dan enkel de som der delen. De Meyer werkt op zijn eigen tempo naar een langspeler toe, en ik gun hem van harte alle tijd. Zolang het knappe staaltjes van zijn kunnen oplevert als dit, ben ik tevree.
'Do You Remember' doet, met piano in de hoofdrol, nog het meest denken aan Perfume Genius. Een ander aanknopingspunt is trouwens Conor Oberst van Bright Eyes, al is de zang van laatstgenoemde toch een pak intenser en stouter. De Meyer moet het hebben van zijn mooie timbre, en raakt toch wel. Korte, simpele liedjes, het handelsmerk van wel meerdere lo-fi artiesten. Enfin, die langspeler mag toch zo snel mogelijk komen, voor mijn part!
3,5 sterren
Pavement - Crooked Rain, Crooked Rain (1994)

4,0
0
geplaatst: 29 februari 2012, 23:29 uur
Vorig jaar herinnerde Stephen Malkmus me er met zijn nieuwe plaat aan dat hij vroeger met een toonaangevende band enkele klassiekers heeft gemaakt. Pavement is de naam van die band, en misschien wel de beste plaat die ze hebben ingeblikt, is ‘Crooked Rain, Crooked Rain’. Mede dankzij het Super-tip-topper topic kwam ik weer in contact met deze plaat. Ik had ‘m natuurlijk al eens eerder beluisterd, maar het leek me een mooie gelegenheid om het helemaal te herontdekken.
‘Crooked Rain, Crooked Rain’ bestaat uit 12 songs, gaande van redelijk tot ronduit briljant. Drie songs steken er wat mij betreft bovenuit: het aanstekelijke, vrolijk klinkende ‘Cut Your Hair’; de perfecte poprocksong ‘Range Life’ en de ideale wat rommelige afsluiter ‘Fillmore Jive’. Die drie songs zijn behoorlijk representatief voor de sound van Pavement; op het eerste gehoor onverzorgde, aan alle kanten rammelende poprock, die na een vijftal luisterbeurten pas helemaal tot bloei komt.
Die bloei is voor een groot deel te danken aan de teksten. Bijna elke song is geschreven door Malkmus (alleen ‘Hit the Plane Down’ niet, die heeft Scott Kannberg volgens mij geschreven), en de teksten zijn toch vrij gelaagd en vooral fraaie beschrijvingen van een half vergeten wereld. Je moet niet alles even serieus nemen; ‘Cut Your Hair’ neemt bijvoorbeeld een loopje met de meningen over “langharig tuig”. Je moest er netjes uit zien. “Advertising looks and chops a must; no big hair!”
‘5-4 = Unity’ doet me een beetje denken aan een symbiose tussen ‘Because’ van The Beatles en ‘Golden Brown’ van The Stranglers (de instrumentale delen, want het is een instrumental). Ik beschouw het dan ook als een tussenstukje, bedoeld als hommage aan verloren gegane helden. ‘Gold Soundz’ is ook een erg fijne single, niets moeilijks aan, gewoon een erg lekker nummer.
‘Range Life’ heeft in korte tijd een favorietenstatus ingenomen, en dan bedoel ik niet alleen wat betreft deze plaat. Ik draai het nummer de laatste tijd erg vaak (onlangs op de fiets heb ik het zelfs vijf keer na elkaar afgespeeld), en ik heb gelezen dat het indertijd aardig wat controverse uitlokte; Billy Corgan van Smashing Pumpkins was not amused, al zei Malkmus naderhand dat men zijn woorden verkeerd heeft geïnterpreteerd. Mijn mening? De line waar het over gaat (“Out on tour with the Smashing Pumpkins; nature kids, they don’t have no function; I don’t understand what they mean; and I could really give a fuck.”), is wat mij betreft duidelijk; Smashing Pumpkins maakten moeilijke, hoogdravende muziek, terwijl de jongens van Pavement het zo simpel en amateuristisch mogelijk wilden houden.
En die semi-amateuristische sound (de rommelige sound, waar ik het al over had, en doe daar de soms overslaande stem van Malkmus ook maar bij) maakt dit net tot zulk een charmant plaatje. Malkmus klinkt soms als een soort Kurt Cobain light (als hij, al gebeurt dat helemaal niet vaak, gaat schreeuwen), maar die ligt me een stuk minder zwaar op de maag, eerlijk gezegd. Ik kan het allemaal makkelijk behappen, ook die afsluiter, ja. Dat vind ik, zoals eerder gezegd, zelfs één van de sterkste nummers!
Een sterk begin van de plaat (het kwartet ‘Silence Kit’, ‘Elevate Me Later’, ‘Stop Breathin’, ‘Cut Your Hair’), twee sterke singles (‘Gold Soundz’, ‘Range Life’) en een monumentale afsluiter (‘Fillmore Jive’) maken van ‘Crooked Rain, Crooked Rain’ toch wel een ijzersterke plaat. Een groeiplaat ook wel een beetje, dus als het je niet meteen iets doet, geef vooral de moed niet op! Malkmus wordt door sommigen beschouwd als een genie, en ondanks het feit dat ik zelf zo ver niet wil gaan, vind ik hem toch een sterke songwriter. Straffe plaat.
4 sterren
‘Crooked Rain, Crooked Rain’ bestaat uit 12 songs, gaande van redelijk tot ronduit briljant. Drie songs steken er wat mij betreft bovenuit: het aanstekelijke, vrolijk klinkende ‘Cut Your Hair’; de perfecte poprocksong ‘Range Life’ en de ideale wat rommelige afsluiter ‘Fillmore Jive’. Die drie songs zijn behoorlijk representatief voor de sound van Pavement; op het eerste gehoor onverzorgde, aan alle kanten rammelende poprock, die na een vijftal luisterbeurten pas helemaal tot bloei komt.
Die bloei is voor een groot deel te danken aan de teksten. Bijna elke song is geschreven door Malkmus (alleen ‘Hit the Plane Down’ niet, die heeft Scott Kannberg volgens mij geschreven), en de teksten zijn toch vrij gelaagd en vooral fraaie beschrijvingen van een half vergeten wereld. Je moet niet alles even serieus nemen; ‘Cut Your Hair’ neemt bijvoorbeeld een loopje met de meningen over “langharig tuig”. Je moest er netjes uit zien. “Advertising looks and chops a must; no big hair!”
‘5-4 = Unity’ doet me een beetje denken aan een symbiose tussen ‘Because’ van The Beatles en ‘Golden Brown’ van The Stranglers (de instrumentale delen, want het is een instrumental). Ik beschouw het dan ook als een tussenstukje, bedoeld als hommage aan verloren gegane helden. ‘Gold Soundz’ is ook een erg fijne single, niets moeilijks aan, gewoon een erg lekker nummer.
‘Range Life’ heeft in korte tijd een favorietenstatus ingenomen, en dan bedoel ik niet alleen wat betreft deze plaat. Ik draai het nummer de laatste tijd erg vaak (onlangs op de fiets heb ik het zelfs vijf keer na elkaar afgespeeld), en ik heb gelezen dat het indertijd aardig wat controverse uitlokte; Billy Corgan van Smashing Pumpkins was not amused, al zei Malkmus naderhand dat men zijn woorden verkeerd heeft geïnterpreteerd. Mijn mening? De line waar het over gaat (“Out on tour with the Smashing Pumpkins; nature kids, they don’t have no function; I don’t understand what they mean; and I could really give a fuck.”), is wat mij betreft duidelijk; Smashing Pumpkins maakten moeilijke, hoogdravende muziek, terwijl de jongens van Pavement het zo simpel en amateuristisch mogelijk wilden houden.
En die semi-amateuristische sound (de rommelige sound, waar ik het al over had, en doe daar de soms overslaande stem van Malkmus ook maar bij) maakt dit net tot zulk een charmant plaatje. Malkmus klinkt soms als een soort Kurt Cobain light (als hij, al gebeurt dat helemaal niet vaak, gaat schreeuwen), maar die ligt me een stuk minder zwaar op de maag, eerlijk gezegd. Ik kan het allemaal makkelijk behappen, ook die afsluiter, ja. Dat vind ik, zoals eerder gezegd, zelfs één van de sterkste nummers!
Een sterk begin van de plaat (het kwartet ‘Silence Kit’, ‘Elevate Me Later’, ‘Stop Breathin’, ‘Cut Your Hair’), twee sterke singles (‘Gold Soundz’, ‘Range Life’) en een monumentale afsluiter (‘Fillmore Jive’) maken van ‘Crooked Rain, Crooked Rain’ toch wel een ijzersterke plaat. Een groeiplaat ook wel een beetje, dus als het je niet meteen iets doet, geef vooral de moed niet op! Malkmus wordt door sommigen beschouwd als een genie, en ondanks het feit dat ik zelf zo ver niet wil gaan, vind ik hem toch een sterke songwriter. Straffe plaat.
4 sterren
Pavo Pavo - Mystery Hour (2019)

4,0
2
geplaatst: 9 februari 2019, 13:38 uur
Welaan dan.
Pavo Pavo is een band uit de VS met Eliza Bagg en Oliver Hill als spilfiguren. De twee vormden jaren een koppel maar gingen recent uit elkaar (tijdens het schrijven aan de plaat), en dat hoor je wel terug in de teksten.
De titelsong is misschien wel het mooiste nummer dat ik in 2019 al heb gehoord (het is begin februari, dus veel stelt dat statement nog niet voor), met spookachtig mooie vocalen van Eliza Bagg en de prachtige zinssnede "I'm designed to be unsatisfied". De melodie is verslavend en de samenzang met Oliver Hill snijdt door je heen.
Dit is voor mij meteen het hoogtepunt van de plaat (hoewel ik her en der lees dat Check the Weather wordt gezien als de beste song), maar dat wil niet zeggen dat de koek op is. Mon Cheri klinkt speelser en heeft ook wel wat weg van een niemendalletje, maar heeft ook wel iets aantrekkelijks. Easy is dan weer wat trager, majestueuzer, en gedragen door Bagg's feeërieke, lieflijke vocalen, die ook etherisch aandoen en me zodoende meenemen naar hogere sferen.
100 Years is een melodieuze song die traag op gang komt, maar dan plots in een stroomversnelling terechtkomt, en even plots weer wat tandjes terugschakelt. Die variatie en grilligheid hoor je in heel wat nummer terugkomen. Check the Weather heeft dat eerlijk gezegd wat minder, en is gewoon een meer dan prima popsong.
Close to Your Ego klinkt, alweer, lieflijk. De tekst is wel wat nijdiger, lijkt me. The Other Half begint met een mysterieuze interlude die meteen je aandacht vat, en klinkt vervolgens als een slaapmutsje. Na een dikke minuut krijg je een soort dubbel refrein dat je opwekt uit een mooie droom. In dit nummer lijken Bagg en Hill met elkaar te praten over hun relatie en hun breuk, maar een poging om de brokken te lijmen doen ze niet echt. De song sluit af zoals deze werd geopend, overigens. Een beetje curieus.
Around, Pt. 1 & Around, Pt. 2 lijken eigenlijk alleen in titel op elkaar, want het zijn twee op zichzelf staande songs. Het eerste doet - vooral in het makkelijk mee te neuriën refrein - erg denken aan Beach Boys, maar evenveel aan Beach House. Een kreupel klinkende gitaarsolo zorgt voor wat verstrooiing, maar 't blijft toch vooral pure pracht en verwondering wat de klok slaat. Het tweede deel begint erg melancholisch en had de soundtrack kunnen zijn van de slotscène in een pakkende zomeravondfilm aan het strand. In het tweede deel lijkt Oliver Hill door de vocoder wat flarden te zingen, wat me een wat wrang gevoel geeft met betrekking tot dit nummer. Er knaagt nu wat aan de afwerking, vind ik.
Dat wordt vervolgens meer dan goedgemaakt door het machtige Statue Is a Man Inside, dat uitblinkt in veelzijdigheid en een mysterieuze aantrekkingskracht op me uitoefent. Ik hoor hier de dream pop van Beach House en aanverwanten weer in terugkomen, maar evenzeer de pop uit de jaren '60, de folk-revival en zelfs een toefje prog (maar da 's mijn eigen gevoel, natuurlijk
). Enfin, mijn punt is dat ik dit erg goed vind, en nog vele malen ga draaien samen met de titelsong!
Het album wordt afgesloten met Goldenrod, waarin Eliza Bagg neemt de vocalen voor haar rekening, en die vocalen zijn een beetje vervormd. De song klinkt daardoor alsof de jongens van Fleet Foxes aan de hallucinogene middelen hebben gezeten. Een fraaie afsluiter dus, maar toch nog een kritische noot: het nummer had wat korter gemogen.
Maar ach, als dat het ergst is, laat het dan duidelijk zijn dat dit een erg goeie, afwisselende plaat is. Qua eclectisch vermogen in de popmuziek moest ik trouwens denken aan Hang, de laatste plaat van Foxygen, hoewel die een pak extraverter is. Die band komt in april ook weer met nieuw werk. En zo hebben we altijd het nodige luistervoer.
4 sterren
Pavo Pavo is een band uit de VS met Eliza Bagg en Oliver Hill als spilfiguren. De twee vormden jaren een koppel maar gingen recent uit elkaar (tijdens het schrijven aan de plaat), en dat hoor je wel terug in de teksten.
De titelsong is misschien wel het mooiste nummer dat ik in 2019 al heb gehoord (het is begin februari, dus veel stelt dat statement nog niet voor), met spookachtig mooie vocalen van Eliza Bagg en de prachtige zinssnede "I'm designed to be unsatisfied". De melodie is verslavend en de samenzang met Oliver Hill snijdt door je heen.
Dit is voor mij meteen het hoogtepunt van de plaat (hoewel ik her en der lees dat Check the Weather wordt gezien als de beste song), maar dat wil niet zeggen dat de koek op is. Mon Cheri klinkt speelser en heeft ook wel wat weg van een niemendalletje, maar heeft ook wel iets aantrekkelijks. Easy is dan weer wat trager, majestueuzer, en gedragen door Bagg's feeërieke, lieflijke vocalen, die ook etherisch aandoen en me zodoende meenemen naar hogere sferen.
100 Years is een melodieuze song die traag op gang komt, maar dan plots in een stroomversnelling terechtkomt, en even plots weer wat tandjes terugschakelt. Die variatie en grilligheid hoor je in heel wat nummer terugkomen. Check the Weather heeft dat eerlijk gezegd wat minder, en is gewoon een meer dan prima popsong.
Close to Your Ego klinkt, alweer, lieflijk. De tekst is wel wat nijdiger, lijkt me. The Other Half begint met een mysterieuze interlude die meteen je aandacht vat, en klinkt vervolgens als een slaapmutsje. Na een dikke minuut krijg je een soort dubbel refrein dat je opwekt uit een mooie droom. In dit nummer lijken Bagg en Hill met elkaar te praten over hun relatie en hun breuk, maar een poging om de brokken te lijmen doen ze niet echt. De song sluit af zoals deze werd geopend, overigens. Een beetje curieus.
Around, Pt. 1 & Around, Pt. 2 lijken eigenlijk alleen in titel op elkaar, want het zijn twee op zichzelf staande songs. Het eerste doet - vooral in het makkelijk mee te neuriën refrein - erg denken aan Beach Boys, maar evenveel aan Beach House. Een kreupel klinkende gitaarsolo zorgt voor wat verstrooiing, maar 't blijft toch vooral pure pracht en verwondering wat de klok slaat. Het tweede deel begint erg melancholisch en had de soundtrack kunnen zijn van de slotscène in een pakkende zomeravondfilm aan het strand. In het tweede deel lijkt Oliver Hill door de vocoder wat flarden te zingen, wat me een wat wrang gevoel geeft met betrekking tot dit nummer. Er knaagt nu wat aan de afwerking, vind ik.
Dat wordt vervolgens meer dan goedgemaakt door het machtige Statue Is a Man Inside, dat uitblinkt in veelzijdigheid en een mysterieuze aantrekkingskracht op me uitoefent. Ik hoor hier de dream pop van Beach House en aanverwanten weer in terugkomen, maar evenzeer de pop uit de jaren '60, de folk-revival en zelfs een toefje prog (maar da 's mijn eigen gevoel, natuurlijk
). Enfin, mijn punt is dat ik dit erg goed vind, en nog vele malen ga draaien samen met de titelsong!Het album wordt afgesloten met Goldenrod, waarin Eliza Bagg neemt de vocalen voor haar rekening, en die vocalen zijn een beetje vervormd. De song klinkt daardoor alsof de jongens van Fleet Foxes aan de hallucinogene middelen hebben gezeten. Een fraaie afsluiter dus, maar toch nog een kritische noot: het nummer had wat korter gemogen.
Maar ach, als dat het ergst is, laat het dan duidelijk zijn dat dit een erg goeie, afwisselende plaat is. Qua eclectisch vermogen in de popmuziek moest ik trouwens denken aan Hang, de laatste plaat van Foxygen, hoewel die een pak extraverter is. Die band komt in april ook weer met nieuw werk. En zo hebben we altijd het nodige luistervoer.
4 sterren
Perfume Genius - Learning (2010)

4,0
0
geplaatst: 14 augustus 2010, 18:21 uur
Deze 'Learning' van Perfume Genius kreeg in HUMO 4 een zeer positieve recentie, geschreven door afscheid nement TTT-baas Charlie Poel. Het maakte me nieuwsgierig; want alhoewel ik me soms helemaal niet kan vinden in de HUMO-recensies, wilde ik toch 'ns luisteren of die lovenswaardige woorden gerechtvaardigd zijn. Mijn mening daaromtrent: ze zijn deels gerechtvaardigd.
Het album duurt nog geen 30 minuten, maar zit er wel dichtbij. Daarom vind ik het aanvaardbaar dat het onder LP's wordt geklasseerd. De nummers laten zich in 2 categorieën indelen; enerzijds de sober gearrangeerde, trieste songs, waarin Mike Hadreas (het Perfume Genius, zoals hij door zijn moeder werd genoemd, naar 't schijnt) zijn bittere, zwartgallige verhalen vertolkt, slechts begeleid door begeesterend pianospel (met hier en daar wat strijkers). Deze categorie ligt me zeker wel; het is de andere waarmee ik wat last heb, namelijk 'Gay Angels' en 'No Problem'. Deze nummers zorgen wel voor afwisseling, maar dat vind ik niet nodig op een plaat met zo'n korte speelduur, waarvan de nummers bovendien van grote kwaliteit zijn. Deze twee nummers lijken een beetje gestolen van een band als Sigur Ros. Het klinkt allemaal wel mooi, en het draagt bij tot de melancholie van de nummers, maar ik had het toch liever niet op deze plaat gehoord.
Over de andere nummers inderdaad niets dan goeds. Het titelnummer en 'Mr. Peterson' kennen zelfs een aanstekelijk pianoritme, al is het tekstueel al somberheid dat de klok slaat. De stem van Hadreas past erg goed bij dit soort muziek; luister maar 'ns naar 'Look Out, Look Out' (vooral het refrein), en het weergaloze 'Mr. Peterson', m'n favoriet op deze plaat, over een pedofiel die door z'n slachtoffer toch een 'prettig' hiernamaals wordt gegund.
Het kortste nummer is getiteld 'You Won't B Here', en de onheilspellende tekst ('You might not get, what you were promised; You might be hollow, after all of the deaths; But you are hurting, everyone you touch; And they won't be here tomorrow') is van een erg hoog niveau; het grijpt me bij de keel, en laat me niet snel los. Iets soortgelijks heb ik met andere nummers op deze plaat; de eerste drie nummers behoren zelfs tot het beste dat ik dit jaar al heb mogen beluisteren!
Een minpunt is dus, zoals ik hiervoor reeds heb aangehaald, die twee anderssoortige songs, maar zo'n groot euvel is het nu ook weer niet. After all, het zijn toch twee nummers die goed in elkaar zitten, en voor de nodige melancholie zorgen (zoals ook Sigur Ros dat wel beter kan, eerlijk gezegd, maar die composities zijn nu eenmaal een stuk ingewikkelder dan dit). Laten we dus zeggen dat dit een heel goeie plaat is!
'When' is een prachtig nummertje, blijkbaar heeft ie hier een gedicht van Sharon Olds herwerkt.
Afsluiter is 'Never Did', en tekstueel is dit wel erg minimaal natuurlijk; maar hoe beknopt ook, hoe weinig er ook wordt gezegd, het stemt tot nadenken.
'It's all a part of his plan
It's all in his hands'
'But I never asked for it
But I never did'
'It's all a part of his plan
It's all in his hands'
'In the basement
In it'
Ik weet niet zeker over wie dit gaat, maar God de Almachtige behoort zeker tot de mogelijkheden. Op het einde van de song dacht ik even dat hij "Het ruikt hier naar Douwe Egberts" op de piano ging spelen (ik weet niet of die reclame in Nederland bekend is), en met een (gok ik) applaus vol zelfspot wordt de plaat, en 's mans ongeluk en tristesse, afgesloten.
Veel woorden, om in essentie eigenlijk weinig te zeggen: dit is een prachtplaat, en heeft nog groeipotentieel.
4 sterren
Het album duurt nog geen 30 minuten, maar zit er wel dichtbij. Daarom vind ik het aanvaardbaar dat het onder LP's wordt geklasseerd. De nummers laten zich in 2 categorieën indelen; enerzijds de sober gearrangeerde, trieste songs, waarin Mike Hadreas (het Perfume Genius, zoals hij door zijn moeder werd genoemd, naar 't schijnt) zijn bittere, zwartgallige verhalen vertolkt, slechts begeleid door begeesterend pianospel (met hier en daar wat strijkers). Deze categorie ligt me zeker wel; het is de andere waarmee ik wat last heb, namelijk 'Gay Angels' en 'No Problem'. Deze nummers zorgen wel voor afwisseling, maar dat vind ik niet nodig op een plaat met zo'n korte speelduur, waarvan de nummers bovendien van grote kwaliteit zijn. Deze twee nummers lijken een beetje gestolen van een band als Sigur Ros. Het klinkt allemaal wel mooi, en het draagt bij tot de melancholie van de nummers, maar ik had het toch liever niet op deze plaat gehoord.
Over de andere nummers inderdaad niets dan goeds. Het titelnummer en 'Mr. Peterson' kennen zelfs een aanstekelijk pianoritme, al is het tekstueel al somberheid dat de klok slaat. De stem van Hadreas past erg goed bij dit soort muziek; luister maar 'ns naar 'Look Out, Look Out' (vooral het refrein), en het weergaloze 'Mr. Peterson', m'n favoriet op deze plaat, over een pedofiel die door z'n slachtoffer toch een 'prettig' hiernamaals wordt gegund.
Het kortste nummer is getiteld 'You Won't B Here', en de onheilspellende tekst ('You might not get, what you were promised; You might be hollow, after all of the deaths; But you are hurting, everyone you touch; And they won't be here tomorrow') is van een erg hoog niveau; het grijpt me bij de keel, en laat me niet snel los. Iets soortgelijks heb ik met andere nummers op deze plaat; de eerste drie nummers behoren zelfs tot het beste dat ik dit jaar al heb mogen beluisteren!
Een minpunt is dus, zoals ik hiervoor reeds heb aangehaald, die twee anderssoortige songs, maar zo'n groot euvel is het nu ook weer niet. After all, het zijn toch twee nummers die goed in elkaar zitten, en voor de nodige melancholie zorgen (zoals ook Sigur Ros dat wel beter kan, eerlijk gezegd, maar die composities zijn nu eenmaal een stuk ingewikkelder dan dit). Laten we dus zeggen dat dit een heel goeie plaat is!
'When' is een prachtig nummertje, blijkbaar heeft ie hier een gedicht van Sharon Olds herwerkt.
Afsluiter is 'Never Did', en tekstueel is dit wel erg minimaal natuurlijk; maar hoe beknopt ook, hoe weinig er ook wordt gezegd, het stemt tot nadenken.
'It's all a part of his plan
It's all in his hands'
'But I never asked for it
But I never did'
'It's all a part of his plan
It's all in his hands'
'In the basement
In it'
Ik weet niet zeker over wie dit gaat, maar God de Almachtige behoort zeker tot de mogelijkheden. Op het einde van de song dacht ik even dat hij "Het ruikt hier naar Douwe Egberts" op de piano ging spelen (ik weet niet of die reclame in Nederland bekend is), en met een (gok ik) applaus vol zelfspot wordt de plaat, en 's mans ongeluk en tristesse, afgesloten.
Veel woorden, om in essentie eigenlijk weinig te zeggen: dit is een prachtplaat, en heeft nog groeipotentieel.
4 sterren
Perfume Genius - Put Your Back N 2 It (2012)

3,5
0
geplaatst: 21 april 2012, 10:47 uur
Met een zuchtje begint Mike Hadreas aan zijn 32 minuten durende uitbarsting van gekweldheid. ‘Awol Marine’ is de opener, helemaal naar de traditie van het debuut. Piano, beetje achtergrondruis, aandoenlijke zang. Het is een opmaat voor ‘Normal Song’, die zich bedient van akoestische gitaar in plaats van piano, al komt die in het midden van de song wel opduiken. Mooie tekst ook, er zit iets in over verlatingsangst, maar vooral vertrouwen in mijn ogen. “No memory; no matter how sad; no violence; no matter how bad; can darken the heart; or tear it apart”.
De kracht en pracht zit ‘m in de kleinheid van de nummers. ‘No Tear’ duurt bijvoorbeeld nog geen twee minuten, maar weet de luisteraar wel te verwelkomen, te omarmen en voorzichtig los te laten. Opmerkelijk: enkele drumsalvo’s. Een verschil met het debuut, dat zo goed als helemaal op Hadreas’ piano steunde. En het zal niet de laatste keer zijn. In ‘17’ zijn zelfs enkele strijkers te horen op de achtergrond. Toch blijft het geluid vooral lo-fi, zoals op ‘Learning’.
Het grote verschil met dat debuut is trouwens dat hier geen uitschieter opstaat. Zo blijven ‘Mr. Peterson’, ‘Learning’ en ‘Lookout, Lookout’ me na twee jaar nog altijd bij, vers in het geheugen. Terwijl het toch niet bepaald hapklare popmuziek is. Dat heb ik hier veel minder, dat buikgevoel. Wel is het niveau iets constanter; Perfume Genius, want zo luidt natuurlijk de artiestennaam van Hadreas, gebruikt meer instrumenten in zijn composities, terwijl toch dezelfde elementen de kern blijven; piano, stem en getormenteerde, soms schaamteloos blootgevende teksten. Vol provocatie ook. Zo vallen er in ‘Take Me Home’ verschillende dubbelzinnigheden op te merken: “I run my mouth like a fool”; “I work the corner of an endless grid”.
Soms dreigt de verveling wel toe te slaan. ‘Dirge’ klinkt wel heel eentonig, maar toch. Uiteindelijk moet je alweer concluderen dat het een mooie, oprecht klinkende song is. Daar is Hadreas toch wel goed in; als je hem één ding absoluut niet kan verwijten, is het dat hij niet oprecht zou klinken. Ik heb nu al een paar interviews met hem gelezen, en telkens weer komt hij over als iemand die niet bepaalde de gedroomde kindertijd heeft gehad. Zelftwijfel, verwarring, depressies, zelfmoordneigingen. Het resultaat had een stuk minder fraai kunnen zijn dan deze twee platen tot nog toe, bedoel ik maar.
‘Dark Parts’ is het mooiste nummer op de plaat, vind ik. Sterke melodie (met een mooie wending ongeveer in het midden van de song), en een erg goeie tekst. “I will take the dark part; of your heart into my heart” zingt Hadreas ter besluit. Wat wil hij ermee zeggen? Volgens mij wil hij de last van iemand anders z’n schouders halen, en zelf dragen, omdat hij toch al gebukt gaat onder een heleboel dingen. Het leven van een ander aangenamer maken, omdat je zelf dat klein beetje meer miserie toch al lang niet meer voelt. Dat is naastenliefde, beste mensen.
‘All Waters’ is, zoals Maarten (Slowgaze voor de vrienden) het al zegt in zijn stuk, begiftigd met mooie metaforen, en een interessante zwenk qua thematiek. Van ongebreidelde liefde naar hokjesdenken. Aanklacht tegen homofobie, inderdaad. ‘Hood’ gaat daar aardig op voort; “Ik ben niet wie je denkt dat ik ben”, lijkt Hadreas te bedoelen met zijn woorden, waarmee hij trouwens altijd spaarzaam mee omgaat; je zal hem nooit betrappen op een teveel aan woorden. Qua muziek is het wel een afwijkend nummer, in die zin dat het gewoonweg om een volbloed popsong gaat! Er is nog altijd “een hoek af”, maar toch. Dit is een stuk toegankelijker dan zijn andere nummers, terwijl de tekst toch ook weer zo confronterend is.
De titelsong, die me erg doet denken aan chattaal, drijft dan weer op een rustig pianootje en wat achtergrondgeluid (zo meen ik ergens, een fractie van een seconde, een piepende deur te horen). De tekst bestaat uit slechts zes regels, maar lijkt een wanhopige liefdesverklaring. “There is still grace in this; let me be the one to turn you on”. Ook directheid kan ontwapenend zijn.
‘Floating Spit’ klinkt zoals de titel doet vermoeden; de laatste verontwaardiging moet worden uitgespuwd, en ‘Sister Song’ klinkt als een kinderliedje, zo’n nummer dat je zingt om je kleine spruit in slaap te wiegen. Deze twee nummers zijn niet de beste van het album, maar toch ook weer prima, en eigenlijk staat hier niets op dat niet prima is. Ook geen enkel uitmuntend nummer, al komen ‘Dark Parts’, ‘No Tear’ en ‘Take Me Home’ aardig in de buurt.
Deze tweede plaat van Perfume Genius slaat iets minder in als een bom dan debuut ‘Learning’, maar dat is ergens ook wel normaal; er zit geen radicale verandering van sound in, de hoofdingrediënten blijven hetzelfde. Simpel pianospel, weemoedige zang en oprechte teksten.
3,5 sterren
De kracht en pracht zit ‘m in de kleinheid van de nummers. ‘No Tear’ duurt bijvoorbeeld nog geen twee minuten, maar weet de luisteraar wel te verwelkomen, te omarmen en voorzichtig los te laten. Opmerkelijk: enkele drumsalvo’s. Een verschil met het debuut, dat zo goed als helemaal op Hadreas’ piano steunde. En het zal niet de laatste keer zijn. In ‘17’ zijn zelfs enkele strijkers te horen op de achtergrond. Toch blijft het geluid vooral lo-fi, zoals op ‘Learning’.
Het grote verschil met dat debuut is trouwens dat hier geen uitschieter opstaat. Zo blijven ‘Mr. Peterson’, ‘Learning’ en ‘Lookout, Lookout’ me na twee jaar nog altijd bij, vers in het geheugen. Terwijl het toch niet bepaald hapklare popmuziek is. Dat heb ik hier veel minder, dat buikgevoel. Wel is het niveau iets constanter; Perfume Genius, want zo luidt natuurlijk de artiestennaam van Hadreas, gebruikt meer instrumenten in zijn composities, terwijl toch dezelfde elementen de kern blijven; piano, stem en getormenteerde, soms schaamteloos blootgevende teksten. Vol provocatie ook. Zo vallen er in ‘Take Me Home’ verschillende dubbelzinnigheden op te merken: “I run my mouth like a fool”; “I work the corner of an endless grid”.
Soms dreigt de verveling wel toe te slaan. ‘Dirge’ klinkt wel heel eentonig, maar toch. Uiteindelijk moet je alweer concluderen dat het een mooie, oprecht klinkende song is. Daar is Hadreas toch wel goed in; als je hem één ding absoluut niet kan verwijten, is het dat hij niet oprecht zou klinken. Ik heb nu al een paar interviews met hem gelezen, en telkens weer komt hij over als iemand die niet bepaalde de gedroomde kindertijd heeft gehad. Zelftwijfel, verwarring, depressies, zelfmoordneigingen. Het resultaat had een stuk minder fraai kunnen zijn dan deze twee platen tot nog toe, bedoel ik maar.
‘Dark Parts’ is het mooiste nummer op de plaat, vind ik. Sterke melodie (met een mooie wending ongeveer in het midden van de song), en een erg goeie tekst. “I will take the dark part; of your heart into my heart” zingt Hadreas ter besluit. Wat wil hij ermee zeggen? Volgens mij wil hij de last van iemand anders z’n schouders halen, en zelf dragen, omdat hij toch al gebukt gaat onder een heleboel dingen. Het leven van een ander aangenamer maken, omdat je zelf dat klein beetje meer miserie toch al lang niet meer voelt. Dat is naastenliefde, beste mensen.
‘All Waters’ is, zoals Maarten (Slowgaze voor de vrienden) het al zegt in zijn stuk, begiftigd met mooie metaforen, en een interessante zwenk qua thematiek. Van ongebreidelde liefde naar hokjesdenken. Aanklacht tegen homofobie, inderdaad. ‘Hood’ gaat daar aardig op voort; “Ik ben niet wie je denkt dat ik ben”, lijkt Hadreas te bedoelen met zijn woorden, waarmee hij trouwens altijd spaarzaam mee omgaat; je zal hem nooit betrappen op een teveel aan woorden. Qua muziek is het wel een afwijkend nummer, in die zin dat het gewoonweg om een volbloed popsong gaat! Er is nog altijd “een hoek af”, maar toch. Dit is een stuk toegankelijker dan zijn andere nummers, terwijl de tekst toch ook weer zo confronterend is.
De titelsong, die me erg doet denken aan chattaal, drijft dan weer op een rustig pianootje en wat achtergrondgeluid (zo meen ik ergens, een fractie van een seconde, een piepende deur te horen). De tekst bestaat uit slechts zes regels, maar lijkt een wanhopige liefdesverklaring. “There is still grace in this; let me be the one to turn you on”. Ook directheid kan ontwapenend zijn.
‘Floating Spit’ klinkt zoals de titel doet vermoeden; de laatste verontwaardiging moet worden uitgespuwd, en ‘Sister Song’ klinkt als een kinderliedje, zo’n nummer dat je zingt om je kleine spruit in slaap te wiegen. Deze twee nummers zijn niet de beste van het album, maar toch ook weer prima, en eigenlijk staat hier niets op dat niet prima is. Ook geen enkel uitmuntend nummer, al komen ‘Dark Parts’, ‘No Tear’ en ‘Take Me Home’ aardig in de buurt.
Deze tweede plaat van Perfume Genius slaat iets minder in als een bom dan debuut ‘Learning’, maar dat is ergens ook wel normaal; er zit geen radicale verandering van sound in, de hoofdingrediënten blijven hetzelfde. Simpel pianospel, weemoedige zang en oprechte teksten.
3,5 sterren
Peste Noire - Peste Noire (2013)

4,0
0
geplaatst: 11 januari 2014, 19:06 uur
Na tig keren draaien, en de oudere werkjes nog eens te hebben opgesnord, kan ik voor wat betreft Peste Noire, slechts bij één conclusie uitkomen: dat het verdomd deugd doet om zo’n collectief aan te treffen in een deel van de muziekwereld dat zichzelf over het algemeen toch wel aardig serieus neemt. Famine, het genie achter dit project (zo mag ik het wel noemen, vermoed ik), zet namelijk al enkele platen de meest fantastische karikatuur van black metal neer die ik ken.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de muziek doet aardig middeleeuws aan. Die indruk is te danken aan de soms verrassende gitaarriffs die Famine afvuurt, de zanglijnen (vooral met Audrey Sylvain, ook bekend van Amesoeurs) en uiteraard het “accordeon” van Ardraos. Ook enkele andere instrumenten, zoals de lituus (trompet die al werd bespeeld in het oude Rome) en de carnyx (koperen blaasinstrument). En dan komt er af en toe nog eens een folky fluitje tussen, als intermezzo.
Want rustpunten zijn er genoeg, in de danteske draaikolk die Famine (volledig: La Sale Famine de Valfunde) creëert. De dynamiek tussen zijn cleane vocalen en de engelenzang van Audrey Sylvain werkt zeer goed; maar de wisselwerking tussen die engelenzang en het schijnbaar organen uitkotsende gegorgel van Famine evenzeer. Het is gedurfd, provocerend, bij vlagen geniaal. ‘Peste Noire’ is een bijzonder goed gesmeed geheel.
Het album opent met een eigenzinnig intro, dat meteen een onheilspellende sfeer neerzet. De tekst “Nous avons à l’heure actuelle un rachat à effectuer” blijft hangen bij mij. ‘Démonarque’ opent met ziedende black metal; de gitaar- en drumsalvo’s vliegen je om de oren. Even later lijkt het alsof iemand die jarenlang sigaretten heeft gerookt alle teer uit zijn lichaam staat te spuwen; althans, zo klinkt het gerasp en gekrijs van Famine. Maar al snel blijkt dat het geen standaard black metal is; er gebeurt heel wat, inclusief een rustiger tussenstuk. De song is geïnspireerd op een middeleeuwse tekst, geschreven door de troubadour Gaucerant de Sant-Leidier tijdens één van de vele kruistochten.
In ‘Niquez Vos Villes’ wordt de lituus volgens mij halfweg te berde gebracht. De sound van het instrument kan misschien nog het best worden beschreven als “een hoorn met een permanente snotvalling”. Dat komt misschien niet zo goed over, maar het werkt wel; de soms nogal abrupte overgangen van traag naar snel, van gruizig naar kraakhelder, van volmaakte stilte naar oorverdovende herrie komt vaak aan als een oplawaai van jewelste, en maakt dat het nooit saai wordt met deze band. Je blijft je vermaken, drie kwartier lang.
Sarcasme is een zeldzaam goed in black metal; de meeste bands die zich ophouden in het genre, pretenderen kunst te maken. Nu is muziek wel een kunstvorm, dus hebben zij een punt. Famine echter werpt er een geheel andere blik op, en lijkt zichzelf en zijn collega muzikanten constant als risee te gebruiken. Dat alles leidt tot een bizar soort van kwaliteit. Een knotsgekke combinatie van factoren, die het voor mij onmogelijk maken om hier niet door gefascineerd te zijn. Om hier niet van te walgen en te houden tegelijk. De estheet in mij trekt zijn wenkbrauwen op; het primitieve oerbeest gaat volledig los, echter. En dit is niet eens hun strafste.
4 sterren
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de muziek doet aardig middeleeuws aan. Die indruk is te danken aan de soms verrassende gitaarriffs die Famine afvuurt, de zanglijnen (vooral met Audrey Sylvain, ook bekend van Amesoeurs) en uiteraard het “accordeon” van Ardraos. Ook enkele andere instrumenten, zoals de lituus (trompet die al werd bespeeld in het oude Rome) en de carnyx (koperen blaasinstrument). En dan komt er af en toe nog eens een folky fluitje tussen, als intermezzo.
Want rustpunten zijn er genoeg, in de danteske draaikolk die Famine (volledig: La Sale Famine de Valfunde) creëert. De dynamiek tussen zijn cleane vocalen en de engelenzang van Audrey Sylvain werkt zeer goed; maar de wisselwerking tussen die engelenzang en het schijnbaar organen uitkotsende gegorgel van Famine evenzeer. Het is gedurfd, provocerend, bij vlagen geniaal. ‘Peste Noire’ is een bijzonder goed gesmeed geheel.
Het album opent met een eigenzinnig intro, dat meteen een onheilspellende sfeer neerzet. De tekst “Nous avons à l’heure actuelle un rachat à effectuer” blijft hangen bij mij. ‘Démonarque’ opent met ziedende black metal; de gitaar- en drumsalvo’s vliegen je om de oren. Even later lijkt het alsof iemand die jarenlang sigaretten heeft gerookt alle teer uit zijn lichaam staat te spuwen; althans, zo klinkt het gerasp en gekrijs van Famine. Maar al snel blijkt dat het geen standaard black metal is; er gebeurt heel wat, inclusief een rustiger tussenstuk. De song is geïnspireerd op een middeleeuwse tekst, geschreven door de troubadour Gaucerant de Sant-Leidier tijdens één van de vele kruistochten.
In ‘Niquez Vos Villes’ wordt de lituus volgens mij halfweg te berde gebracht. De sound van het instrument kan misschien nog het best worden beschreven als “een hoorn met een permanente snotvalling”. Dat komt misschien niet zo goed over, maar het werkt wel; de soms nogal abrupte overgangen van traag naar snel, van gruizig naar kraakhelder, van volmaakte stilte naar oorverdovende herrie komt vaak aan als een oplawaai van jewelste, en maakt dat het nooit saai wordt met deze band. Je blijft je vermaken, drie kwartier lang.
Sarcasme is een zeldzaam goed in black metal; de meeste bands die zich ophouden in het genre, pretenderen kunst te maken. Nu is muziek wel een kunstvorm, dus hebben zij een punt. Famine echter werpt er een geheel andere blik op, en lijkt zichzelf en zijn collega muzikanten constant als risee te gebruiken. Dat alles leidt tot een bizar soort van kwaliteit. Een knotsgekke combinatie van factoren, die het voor mij onmogelijk maken om hier niet door gefascineerd te zijn. Om hier niet van te walgen en te houden tegelijk. De estheet in mij trekt zijn wenkbrauwen op; het primitieve oerbeest gaat volledig los, echter. En dit is niet eens hun strafste.
4 sterren
Philip Cohran and the Artistic Heritage Ensemble - On the Beach (1967)

4,5
6
geplaatst: 12 juli 2021, 19:59 uur
Waar met je kop kwansuis (nou ja, kwansuis; dezer weken staat mijn kompas geregeld op 1967 afgesteld) de eindeloze horizonten van het muziekuniversum afstruinen niet goed voor is! Kom ik dit schitterende kleinood tegen, een plaat van Philip Cohran and the Artistic Heritage Ensemble.
Cohran was in de jaren '50 als trompettist één van de leden van het indrukwekkende orkest van de enigmatische Sun Ra, tot deze in 1961 Chicago ontvluchtte. Hij stond mee aan de wieg van The Association for the Advancement of Creative Musicians (kortweg AACM), waaruit onder andere Anthony Braxton en Henry Threadgill naar voor traden. In de jaren '60 stelde Cohran ook het Artistic Heritage Ensemble samen, en de opnames die hij met deze grote groep (big band, jawel) maakte, werden verzameld (of toch het kruim daarvan) op dit On the Beach.
Big band, de term is dus reeds gevallen. Dit is zeker big band, maar dan op een zeer eigen, aparte manier. Er wordt gejamd en geïmproviseerd, lijkt me, maar toch klinkt alles heel vloeiend en gestructureerd. In de opener zijn Afrikaanse invloeden te horen (niet zelden schiet de naam Fela Kuti mij te binnen), iets waar ook een John Coltrane (die ongetwijfeld een bron van inspiratie was) niet vies van was. De dosis eigenwijsheid lijkt Cohran dan weer te hebben meegesmokkeld uit het orkest van Sun Ra.
Initieel werd de plaat met vier tracks uitgebracht, waarbij vooral de eerste drie tracks ronduit fenomenaal zijn. Het big band-gevoel, de improvisatie en het creatieve surplus zijn om duimen en vingers af te lukken. De twee bonustracks zijn ook nog 'ns erg sterk. New Frankiphone Blues verwijst naar het door Cohran bedachte gelijknamige instrument (hij noemde het frankiphone naar zijn moeder, Frankie), een soort kleine elektrische harp of duimpiano. Unity 68 is een verlengde live-versie van het originele Unity dat maar door en door blijft gaan, maar geen seconde verveelt. De drive, de energie, de bijna existentiële honger naar muziek is duidelijk aanwezig, wat een spetterend klapstuk!
Enfin, hier valt een heleboel over te vertellen, maar laat mij volstaan met een enthousiast en overvloedig prijzend "Geweldige plaat!"
4,5 sterren
Cohran was in de jaren '50 als trompettist één van de leden van het indrukwekkende orkest van de enigmatische Sun Ra, tot deze in 1961 Chicago ontvluchtte. Hij stond mee aan de wieg van The Association for the Advancement of Creative Musicians (kortweg AACM), waaruit onder andere Anthony Braxton en Henry Threadgill naar voor traden. In de jaren '60 stelde Cohran ook het Artistic Heritage Ensemble samen, en de opnames die hij met deze grote groep (big band, jawel) maakte, werden verzameld (of toch het kruim daarvan) op dit On the Beach.
Big band, de term is dus reeds gevallen. Dit is zeker big band, maar dan op een zeer eigen, aparte manier. Er wordt gejamd en geïmproviseerd, lijkt me, maar toch klinkt alles heel vloeiend en gestructureerd. In de opener zijn Afrikaanse invloeden te horen (niet zelden schiet de naam Fela Kuti mij te binnen), iets waar ook een John Coltrane (die ongetwijfeld een bron van inspiratie was) niet vies van was. De dosis eigenwijsheid lijkt Cohran dan weer te hebben meegesmokkeld uit het orkest van Sun Ra.
Initieel werd de plaat met vier tracks uitgebracht, waarbij vooral de eerste drie tracks ronduit fenomenaal zijn. Het big band-gevoel, de improvisatie en het creatieve surplus zijn om duimen en vingers af te lukken. De twee bonustracks zijn ook nog 'ns erg sterk. New Frankiphone Blues verwijst naar het door Cohran bedachte gelijknamige instrument (hij noemde het frankiphone naar zijn moeder, Frankie), een soort kleine elektrische harp of duimpiano. Unity 68 is een verlengde live-versie van het originele Unity dat maar door en door blijft gaan, maar geen seconde verveelt. De drive, de energie, de bijna existentiële honger naar muziek is duidelijk aanwezig, wat een spetterend klapstuk!
Enfin, hier valt een heleboel over te vertellen, maar laat mij volstaan met een enthousiast en overvloedig prijzend "Geweldige plaat!"
4,5 sterren
Phoebe Bridgers - Punisher (2020)

4,0
1
geplaatst: 1 januari 2021, 20:33 uur
Phoebe Bridgers heb ik niet dankzij haar debuut leren kennen, wel dankzij het in 2019 verschenen debuut van Better Oblivion Community Center (prachtige bandnaam overigens), haar samenwerking met ene Conor Oberst, bekend van Bright Eyes (die hier op tracks 5 & 11 ook te horen is op zang). De single Dylan Thomas wist me meteen te grijpen, en die plaat heeft nu eigenlijk nog steeds klemvast.
Ik had dus wel enige verwachtingen van deze nieuwe plaat van Phoebe Bridgers, en ben daarnaast ook op zoek gegaan naar haar debuut, dat een zeer patente plaat bleek te zijn. Punisher vind ik echter nog wat beter. De songs bewaren een mooie balans tussen de ingetogen fluisteringen van Bridgers en de occasionele instrumentale uitspatting. De melodieën klinken aardig toegankelijk, maar het is de steevast wat weemoedige sfeer die me het album in trekt.
Bridgers weet met haar soms intimistische songteksten mijn aandacht echt vast te grijpen. Zo gaat de titeltrack over haar adoratie voor de overleden singer-songwriter Elliott Smith, waarmee ze een imaginair gesprek heeft. In het muzikantenwereldje is een punisher een fan die wat al té enthousiast is, om het zacht uit te drukken. De melodienvan het prachtige Savior Complex zou haar dan weer in een droom hebben bezocht, wat me plausibel lijkt, want de melodie van het nummer klinkt heerlijk dromerig.
En zo valt er voor elke song wel iets te zeggen. Ik vind de plaat dan ook nergens inzakken; erg consistent, deze tweede plaat van Phoebe Bridgers, die nu al bewijst haar plekje dubbel en dik te verdienen.
4 sterren
Ik had dus wel enige verwachtingen van deze nieuwe plaat van Phoebe Bridgers, en ben daarnaast ook op zoek gegaan naar haar debuut, dat een zeer patente plaat bleek te zijn. Punisher vind ik echter nog wat beter. De songs bewaren een mooie balans tussen de ingetogen fluisteringen van Bridgers en de occasionele instrumentale uitspatting. De melodieën klinken aardig toegankelijk, maar het is de steevast wat weemoedige sfeer die me het album in trekt.
Bridgers weet met haar soms intimistische songteksten mijn aandacht echt vast te grijpen. Zo gaat de titeltrack over haar adoratie voor de overleden singer-songwriter Elliott Smith, waarmee ze een imaginair gesprek heeft. In het muzikantenwereldje is een punisher een fan die wat al té enthousiast is, om het zacht uit te drukken. De melodienvan het prachtige Savior Complex zou haar dan weer in een droom hebben bezocht, wat me plausibel lijkt, want de melodie van het nummer klinkt heerlijk dromerig.
En zo valt er voor elke song wel iets te zeggen. Ik vind de plaat dan ook nergens inzakken; erg consistent, deze tweede plaat van Phoebe Bridgers, die nu al bewijst haar plekje dubbel en dik te verdienen.
4 sterren
PJ Harvey - Let England Shake (2011)

4,5
0
geplaatst: 10 maart 2011, 11:22 uur
Polly Jean Harvey is, zo mag ik wel zeggen, zo goed als onbekend terrein voor mij. Enkele jaren geleden heb ik ‘To Bring You My Love’ wel eens beluisterd, maar daar was ik klaarblijkelijk niet van onder de indruk, want sindsdien heb ik het plaatje niet meer opgelegd, en ben ik ook niet meer naar ander werk van Harvey op zoek gegaan. Tot nu, want met ‘Let England Shake’ brengt ze een plaat uit die mij wel moet liggen, heb ik kunnen opmaken uit enkele berichten bij dit album op MusicMeter, en de lovende recensie van HUMO duwde me nog meer in die richting. Toch nog weifelend zette ik me aan een eerste luisterbeurt, maar ik werd meteen meegevoerd met de aandoenlijke verhalen van Harvey.
‘Let England Shake’ heeft als hoofdthema de Eerste Wereldoorlog. De teksten zijn over het algemeen vrij zwartgallig, terwijl de muziek (met name de blazers) bij momenten vrij luchtig klinkt. Dat contrast trekt me wel aan in muziek, zoals bijvoorbeeld ook Villagers dat deed vorig jaar. De eerste zes nummers op deze plaat zijn werkelijk fantastisch; zo’n rijtje indrukwekkende nummers achter elkaar heb ik dit jaar nog niet eerder meegemaakt. Het gros van de nummers blijft onder de 4 minuten (kort maar krachtig, dus), en dat is waarschijnlijk wel de juiste keuze van Harvey. ‘Let England Shake’ blinkt niet alleen uit in schrijverschap, maar ook in de afwezigheid van nutteloze opsmuk en tierlantijntjes.
Het zit ‘m ook vaak in de details; dat oorlogstrompetje in ‘The Glorious Land’ lijkt na een eerste beluistering wat ongelukkig te zijn gekozen, maar uiteindelijk blijkt het gewoon perfect in de sfeer van dit nummer te passen: de tekst gaat over de gruwelijke uitkomst van de oorlog (“What is the glorious fruit of our land? Its fruit is deformed children; what is the glorious fruit of our land? Its fruit is orphaned children”). Of de implementatie van het zinnetje “Why don’t we take our problem to the United Nations?” in ‘The Words That Maketh Murder’. Of die verdwaalde piano in het prachtige ‘On Battleship Hill’, een song over de bloederige Slag bij Gallipoli.
‘England’ is het eerste nummer op de plaat dat ik wat minder goed vind. De zang van PJ Harvey klinkt hier wel erg scherp, en dat trek ik niet altijd. Daarna komt echter weer een absolute topper, in de vorm van ‘In The Dark Places’, een universeel en tijdloos nummer. Dit wist PJ Harvey aan NME te vertellen over de song:
"In The Dark Places, that might be Bosnia. You don't know where it is. I was wanting to show the way history repeats itself, really and so in some ways it doesn't matter what time it was, because this endless cycle goes on and on and on."
De tweede helft van de plaat is trouwens wat wisselvallig; terwijl de eerste helft staat als een huis met onverwoestbare fundamenten, zijn de songs daarna niet allemaal voltreffers. ‘Bitter Branches’ doet me teveel aan een ander nummer denken (zeker die intro), al kan ik niet meteen zeggen aan welk nummer, en ‘Written On The Forehead’ is ook niet meteen mijn favoriet. ‘Hanging In The Wire’ is zeker een degelijk nummer, meer ook niet. Afsluiter ‘The Colour Of The Earth’ weet me wel te raken. Intrieste tekst, die een goed beeld geeft van de traumatische oorlog. “If I was asked, I’d tell; the colour of the earth that day; it was dull and browny red; the colour of blood, I’d say”. Ik vermoed dat dit nummer ook over de Slag bij Gallipoli gaat, aangezien PJ Harvey het heeft over een soldaat genaamd Louis, “fighting in the ANZAC trench” (ANZAC zijn de Australische en Nieuw-Zeelandse troepen die deelnamen aan WO I, als ik me niet vergis).
Enkele mensen die we ook niet mogen vergeten zijn Mick Harvey, ex Bad Seed, en John Parish, lid van eels, en al eerder samengewerkt met PJ Harvey. Zij hebben een niet geringe inbreng op de plaat, zorgen geregeld voor ondersteunende vocals en bespelen tal van instrumenten. Maar de echte ster is natuurlijk Polly Jean zelf, met haar pittige stem en zwaar op de maag liggende teksten. Bovendien speelt zij op dit album ook lustig mee op verschillende instrumenten, waaronder saxofoon (na wat opzoekwerk ontdekte ik dat zij 8 jaar saxofoon studeerde). Markant weetje om af te sluiten: PJ Harvey’s kleren zijn ontworpen door de Belgische ontwerpster Ann Demeulemeester,. De twee zijn heel goeie vriendinnen naar het schijnt.
4 sterren
‘Let England Shake’ heeft als hoofdthema de Eerste Wereldoorlog. De teksten zijn over het algemeen vrij zwartgallig, terwijl de muziek (met name de blazers) bij momenten vrij luchtig klinkt. Dat contrast trekt me wel aan in muziek, zoals bijvoorbeeld ook Villagers dat deed vorig jaar. De eerste zes nummers op deze plaat zijn werkelijk fantastisch; zo’n rijtje indrukwekkende nummers achter elkaar heb ik dit jaar nog niet eerder meegemaakt. Het gros van de nummers blijft onder de 4 minuten (kort maar krachtig, dus), en dat is waarschijnlijk wel de juiste keuze van Harvey. ‘Let England Shake’ blinkt niet alleen uit in schrijverschap, maar ook in de afwezigheid van nutteloze opsmuk en tierlantijntjes.
Het zit ‘m ook vaak in de details; dat oorlogstrompetje in ‘The Glorious Land’ lijkt na een eerste beluistering wat ongelukkig te zijn gekozen, maar uiteindelijk blijkt het gewoon perfect in de sfeer van dit nummer te passen: de tekst gaat over de gruwelijke uitkomst van de oorlog (“What is the glorious fruit of our land? Its fruit is deformed children; what is the glorious fruit of our land? Its fruit is orphaned children”). Of de implementatie van het zinnetje “Why don’t we take our problem to the United Nations?” in ‘The Words That Maketh Murder’. Of die verdwaalde piano in het prachtige ‘On Battleship Hill’, een song over de bloederige Slag bij Gallipoli.
‘England’ is het eerste nummer op de plaat dat ik wat minder goed vind. De zang van PJ Harvey klinkt hier wel erg scherp, en dat trek ik niet altijd. Daarna komt echter weer een absolute topper, in de vorm van ‘In The Dark Places’, een universeel en tijdloos nummer. Dit wist PJ Harvey aan NME te vertellen over de song:
"In The Dark Places, that might be Bosnia. You don't know where it is. I was wanting to show the way history repeats itself, really and so in some ways it doesn't matter what time it was, because this endless cycle goes on and on and on."
De tweede helft van de plaat is trouwens wat wisselvallig; terwijl de eerste helft staat als een huis met onverwoestbare fundamenten, zijn de songs daarna niet allemaal voltreffers. ‘Bitter Branches’ doet me teveel aan een ander nummer denken (zeker die intro), al kan ik niet meteen zeggen aan welk nummer, en ‘Written On The Forehead’ is ook niet meteen mijn favoriet. ‘Hanging In The Wire’ is zeker een degelijk nummer, meer ook niet. Afsluiter ‘The Colour Of The Earth’ weet me wel te raken. Intrieste tekst, die een goed beeld geeft van de traumatische oorlog. “If I was asked, I’d tell; the colour of the earth that day; it was dull and browny red; the colour of blood, I’d say”. Ik vermoed dat dit nummer ook over de Slag bij Gallipoli gaat, aangezien PJ Harvey het heeft over een soldaat genaamd Louis, “fighting in the ANZAC trench” (ANZAC zijn de Australische en Nieuw-Zeelandse troepen die deelnamen aan WO I, als ik me niet vergis).
Enkele mensen die we ook niet mogen vergeten zijn Mick Harvey, ex Bad Seed, en John Parish, lid van eels, en al eerder samengewerkt met PJ Harvey. Zij hebben een niet geringe inbreng op de plaat, zorgen geregeld voor ondersteunende vocals en bespelen tal van instrumenten. Maar de echte ster is natuurlijk Polly Jean zelf, met haar pittige stem en zwaar op de maag liggende teksten. Bovendien speelt zij op dit album ook lustig mee op verschillende instrumenten, waaronder saxofoon (na wat opzoekwerk ontdekte ik dat zij 8 jaar saxofoon studeerde). Markant weetje om af te sluiten: PJ Harvey’s kleren zijn ontworpen door de Belgische ontwerpster Ann Demeulemeester,. De twee zijn heel goeie vriendinnen naar het schijnt.
4 sterren
Plebeian Grandstand - Rien Ne Suffit (2021)

4,5
1
geplaatst: 17 december 2021, 21:57 uur
Nadat À Droite du Démiurge, à Gauche du Néant eerder reeds als een bom insloeg, heb ik nu eindelijk de plaat in zijn geheel eens beluisterd. Het vergt altijd wel wat moed - en vooral de nodige aandacht, bij voorkeur in afzondering - om dit soort platen aan te vatten, want het is tamelijk veeleisend voor de luisteraar. Ik moet zeggen dat ik dit een uitzinnige plaat vind, op alle fronten.
Ten eerste wordt de black metal van Plebeian Grandstand gelardeerd met talloze exotische ingrediënten, allemaal stevig gekruid. Zo hoor ik een erg geslaagde toevoegingen van elektronische elementen, die zorgen voor een creepy, claustrofobische sfeer (ik merk dat die Franse black metalbands er wel vaker in slagen rauwe intensiteit op te roepen). Daarnaast bekruipt me regelmatig het gevoel dat ik naar een free jazz-collectief zit te luisteren, waarbij de saxofonisten een flinke portie gruis in hun instrument hebben gepropt. Noise, jazz en industrial (machinaal en zwaar) worden hier geweldig goed samengebracht en toegevoegd aan de hoofdmix.
De vocalen passen er ook perfect bij; ze lijken van heel erg diep te komen en klinken smerig en compromisloos, en als er weer 'ns een kolkende vortex aan gitaargeweld wordt gecreëerd, krijg ik het gevoel dat dit een perfecte match is. Het album voelt, ondanks het onheilspellende, het macabere, het naargeestige, het machinale, het lood- en loodzware, enorm goed aan.
Ik weet niet of dit een plaat is die ik nog vaak ga beluisteren, maar ze kruipt meteen onder de huid (misschien net daarom die twijfel). Indrukwekkende luisterervaring is het wel, dus ik durf hoog in te zetten.
4,5 sterren
Ten eerste wordt de black metal van Plebeian Grandstand gelardeerd met talloze exotische ingrediënten, allemaal stevig gekruid. Zo hoor ik een erg geslaagde toevoegingen van elektronische elementen, die zorgen voor een creepy, claustrofobische sfeer (ik merk dat die Franse black metalbands er wel vaker in slagen rauwe intensiteit op te roepen). Daarnaast bekruipt me regelmatig het gevoel dat ik naar een free jazz-collectief zit te luisteren, waarbij de saxofonisten een flinke portie gruis in hun instrument hebben gepropt. Noise, jazz en industrial (machinaal en zwaar) worden hier geweldig goed samengebracht en toegevoegd aan de hoofdmix.
De vocalen passen er ook perfect bij; ze lijken van heel erg diep te komen en klinken smerig en compromisloos, en als er weer 'ns een kolkende vortex aan gitaargeweld wordt gecreëerd, krijg ik het gevoel dat dit een perfecte match is. Het album voelt, ondanks het onheilspellende, het macabere, het naargeestige, het machinale, het lood- en loodzware, enorm goed aan.
Ik weet niet of dit een plaat is die ik nog vaak ga beluisteren, maar ze kruipt meteen onder de huid (misschien net daarom die twijfel). Indrukwekkende luisterervaring is het wel, dus ik durf hoog in te zetten.
4,5 sterren
Portal - Vexovoid (2013)

3,5
0
geplaatst: 26 mei 2013, 18:40 uur
'Vexovoid' is in al zijn obscuriteit toch best een veelzijdige plaat. Er hangt een heel kille sfeer omheen, zwart als de nacht, en met eigenzinnig gitaar- en drumwerk, zoals bij de Nederlandse band Dodecahedron. Maar ook black metal is overduidelijk een vruchtbare grond waaruit de mannen van Portal geput hebben. In opener 'Kilter' schemeren enkele riffs door die zo van Deathspell Omega zouden kunnen zijn (vooral het tegendraadse karakter daarvan staat me aan), en er is natuurlijk die gitzwarte sfeer, aangelengd met wat ambient hier en daar ('Oblotten').
Volgens mij is 'Vexovoid' met opzet een relatief korte plaat, omdat het dan makkelijker is om een intense sfeer vast te houden. Dat men hierin geslaagd is, zal ik niet ontkennen, maar toch niet met vlag en wimpel. Het monotone gedreun in 'The Back Wards' bijvoorbeeld heeft de eerste luisterbeurten echt een hypnotiserend karakter, maar doet naderhand enigszins pijn aan de oren. Gelukkig begint de song na een minuutje echt, met de uit een afgrond geplukte vocalen in een glansrol.
De monotonie wordt door de heren van Portal aangewend als middel om de luisteraar aan de boxen (of koptelefoon, misschien nog geschikter voor deze muziek) van de stereo te doen kleven. Dit werkt doorgaans wel, maar ondanks het feit dat de plaat “slechts” 34 minuten duurt, kan ik niet zeggen dat ik ook voor de volledige rit helemaal in beslag wordt genomen door deze plaat. Initieel liet ‘Vexovoid’ een heel goeie indruk na op me, in navolging van de impact die het al eerder aangehaalde Dodecahedron op me had. Maar ik bleek hier een stuk sneller mee klaar te zijn, en voelde het een tijdje als een teleurstelling aan. Die situatie is uiteindelijk toch weer rechtgetrokken, waardoor het tot nu toe zeker niet tot de matigste albums van het jaar behoort.
Geen aanrader, tot slot, om te draaien bij zonneschijn en temperaturen boven 20°C. Welneen, ik draai de plaat persoonlijk het liefst in de schemering, met weinig andere sores aan mijn kop en een straffe kop koffie. Zwart, of wat dacht u?
3,5 sterren
Volgens mij is 'Vexovoid' met opzet een relatief korte plaat, omdat het dan makkelijker is om een intense sfeer vast te houden. Dat men hierin geslaagd is, zal ik niet ontkennen, maar toch niet met vlag en wimpel. Het monotone gedreun in 'The Back Wards' bijvoorbeeld heeft de eerste luisterbeurten echt een hypnotiserend karakter, maar doet naderhand enigszins pijn aan de oren. Gelukkig begint de song na een minuutje echt, met de uit een afgrond geplukte vocalen in een glansrol.
De monotonie wordt door de heren van Portal aangewend als middel om de luisteraar aan de boxen (of koptelefoon, misschien nog geschikter voor deze muziek) van de stereo te doen kleven. Dit werkt doorgaans wel, maar ondanks het feit dat de plaat “slechts” 34 minuten duurt, kan ik niet zeggen dat ik ook voor de volledige rit helemaal in beslag wordt genomen door deze plaat. Initieel liet ‘Vexovoid’ een heel goeie indruk na op me, in navolging van de impact die het al eerder aangehaalde Dodecahedron op me had. Maar ik bleek hier een stuk sneller mee klaar te zijn, en voelde het een tijdje als een teleurstelling aan. Die situatie is uiteindelijk toch weer rechtgetrokken, waardoor het tot nu toe zeker niet tot de matigste albums van het jaar behoort.
Geen aanrader, tot slot, om te draaien bij zonneschijn en temperaturen boven 20°C. Welneen, ik draai de plaat persoonlijk het liefst in de schemering, met weinig andere sores aan mijn kop en een straffe kop koffie. Zwart, of wat dacht u?
3,5 sterren
