Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
R.E.M. - Collapse Into Now (2011)

3,5
0
geplaatst: 30 maart 2011, 17:26 uur
In de muziekwereld bestaan er ontelbare bandjes en artiesten, en het is onmogelijk om alles te beluisteren. Er zijn echter wel bands die een streepje voor hebben, vanwege hun status, hun bekendheid. Monumenten, daar heb ik het over. En R.E.M. is toch wel zo’n band, al moet ik tot mijner schaamte bekennen dat ik nooit echt veel heb geluisterd. Daar hoop ik nu verandering in te brengen, en ‘Collapse Into Now’ moet wat dat betreft de beslissende voorzet zijn.
De vorige, ‘Accelerator’, was een beetje mijn kennismaking met R.E.M. als albumartiest. Daarmee wil ik zeggen dat ik al wel enkele losse liedjes kende van Stipe en co., maar geen hele albums. Wel, ‘Accelerate’ was geenszins een uitnodiging om R.E.M. intensief te gaan beluisteren, hun oeuvre te doorspitten. Een vrij matige plaat. Maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn voor de andere albums, waarvan er toch enkele gerekend worden tot het betere werk in de rockmuziek. ‘Collapse Into Now’ is een stuk beter dan ‘Accelerate’; het songmateriaal is een stuk sterker en het niveau is bijgevolg consistenter. En met een nummer als ‘Oh My Heart’ hebben ze voorlopig één van de beste nummers van 2011 gemaakt. In mijn ogen toch.
Opener ‘Discoverer’ is meteen erg goed; een perfecte single. ‘All The Best’ is een beetje minder opvallend, maar wel degelijk. Na deze twee wat hardere nummers en meer ingehouden nummer: ‘Überlin’. Goeie tekst, en die Michael Stipe beschikt over een interessant stemgeluid; hij trekt je een beetje mee in zijn wereld. ‘Oh My Heart’ sluit een beetje aan bij ‘Überlin’. Een vriend van mij vindt het maar niks, doch ik vind het echt een geweldige song. Alles zit goed; erg goed gezongen, mooie melodie, tekstueel zit het ook wel snor. En dan de instrumentatie! Men kiest wat meer voor de folk-benadering: toevoeging van bouzouki en een soort van accordeon. Warme blazers ook nog. Vol gevoel zingt Stipe zich een weg door dit nummer.
Jammer genoeg staan er teveel nummers op die wel goed klinken, maar het niveau niet op weten te krikken. Het klinkt me soms iets te simpel, wat de originaliteit niet ten goede komt. Ik heb al meerdere keren gelezen dat er veel raakvlakken zijn met hun vroegere albums. Dat feit heeft twee gezichten; enerzijds wordt je aangetrokken, omdat dit toch echt meer dan degelijk is, om hun vroegere albums te gaan beluisteren, anderzijds begint het na enkele luisterbeurten toch enigszins te vervelen. Ik merk ook dat ik aanvankelijk enthousiaster was over deze plaat, nu het een beetje aan het bezinken is, is dat al getemperd. Zo’n nummer als ‘Mine Smell Like Honey’ is een oerdegelijke poprocksong, maar meer ook niet. Dat soort songs.
Er staan op de tweede helft van de plaat nog wel enkele erg goeie nummers, maar ik heb het gevoel dat het meeste kruit in het begin al verschoten is. Wat een verrassing als je dan ‘Blue’ te horen krijgt, met Patti Smith. Dit vind ik wel een lichtpuntje, wijkt ook wat af van de andere nummers. Op het einde van de song wordt ‘Discoverer’ nog eens ingezet om uit te nodigen de plaat wederom op te leggen. Een goed doordachte truc, die waarschijnlijk nog werkt ook. Bij mij werkte die in het begin ook, maar na een tijdje ging het me toch ook tegenstaan. Niettegenstaande is ‘Blue’ één van de betere songs op ‘Collapse Into Now’, samen met ‘Oh My Heart’ (buiten categorie) en ‘Every Day Is Yours To Win’.
Drie topnummers, negen oerdegelijke popsongs en (vooral) geen enkele echte tegenvaller. Het rapport is dus positief, dat spreekt voor zich. R.E.M., here I am!
3,5 sterren
De vorige, ‘Accelerator’, was een beetje mijn kennismaking met R.E.M. als albumartiest. Daarmee wil ik zeggen dat ik al wel enkele losse liedjes kende van Stipe en co., maar geen hele albums. Wel, ‘Accelerate’ was geenszins een uitnodiging om R.E.M. intensief te gaan beluisteren, hun oeuvre te doorspitten. Een vrij matige plaat. Maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn voor de andere albums, waarvan er toch enkele gerekend worden tot het betere werk in de rockmuziek. ‘Collapse Into Now’ is een stuk beter dan ‘Accelerate’; het songmateriaal is een stuk sterker en het niveau is bijgevolg consistenter. En met een nummer als ‘Oh My Heart’ hebben ze voorlopig één van de beste nummers van 2011 gemaakt. In mijn ogen toch.
Opener ‘Discoverer’ is meteen erg goed; een perfecte single. ‘All The Best’ is een beetje minder opvallend, maar wel degelijk. Na deze twee wat hardere nummers en meer ingehouden nummer: ‘Überlin’. Goeie tekst, en die Michael Stipe beschikt over een interessant stemgeluid; hij trekt je een beetje mee in zijn wereld. ‘Oh My Heart’ sluit een beetje aan bij ‘Überlin’. Een vriend van mij vindt het maar niks, doch ik vind het echt een geweldige song. Alles zit goed; erg goed gezongen, mooie melodie, tekstueel zit het ook wel snor. En dan de instrumentatie! Men kiest wat meer voor de folk-benadering: toevoeging van bouzouki en een soort van accordeon. Warme blazers ook nog. Vol gevoel zingt Stipe zich een weg door dit nummer.
Jammer genoeg staan er teveel nummers op die wel goed klinken, maar het niveau niet op weten te krikken. Het klinkt me soms iets te simpel, wat de originaliteit niet ten goede komt. Ik heb al meerdere keren gelezen dat er veel raakvlakken zijn met hun vroegere albums. Dat feit heeft twee gezichten; enerzijds wordt je aangetrokken, omdat dit toch echt meer dan degelijk is, om hun vroegere albums te gaan beluisteren, anderzijds begint het na enkele luisterbeurten toch enigszins te vervelen. Ik merk ook dat ik aanvankelijk enthousiaster was over deze plaat, nu het een beetje aan het bezinken is, is dat al getemperd. Zo’n nummer als ‘Mine Smell Like Honey’ is een oerdegelijke poprocksong, maar meer ook niet. Dat soort songs.
Er staan op de tweede helft van de plaat nog wel enkele erg goeie nummers, maar ik heb het gevoel dat het meeste kruit in het begin al verschoten is. Wat een verrassing als je dan ‘Blue’ te horen krijgt, met Patti Smith. Dit vind ik wel een lichtpuntje, wijkt ook wat af van de andere nummers. Op het einde van de song wordt ‘Discoverer’ nog eens ingezet om uit te nodigen de plaat wederom op te leggen. Een goed doordachte truc, die waarschijnlijk nog werkt ook. Bij mij werkte die in het begin ook, maar na een tijdje ging het me toch ook tegenstaan. Niettegenstaande is ‘Blue’ één van de betere songs op ‘Collapse Into Now’, samen met ‘Oh My Heart’ (buiten categorie) en ‘Every Day Is Yours To Win’.
Drie topnummers, negen oerdegelijke popsongs en (vooral) geen enkele echte tegenvaller. Het rapport is dus positief, dat spreekt voor zich. R.E.M., here I am!
3,5 sterren
Radical Face - The Bastards: Volume Two (2013)

3,5
0
geplaatst: 29 oktober 2013, 19:41 uur
Dat Ben Cooper een klasbak is, dat wist ik al meteen toen ik 'The Family Tree: The Roots' voor het eerst te horen kreeg. Dat album heb ik inmiddels eindelijk in huis gehaald, waarmee een belangrijk gat in mijn collectie hedendaagse luisterfolk werd gedicht. Dat is het eerste deel van een trilogie, en deel 2 is nu ook uit (ik heb 'm maar meteen besteld). En, net als deel 1 wordt ook het vervolg vergezeld door een aantal bastaardkinderen. Want er staat wel 'ns felle wind in het universum van Cooper, en er dwalen soms ook takjes af.
Op 'The Bastards: Volume Two' vinden we drie van die takjes terug; netjes voor ons bijeen gekeerd door Cooper zelve. Hij noemt dit soort liedjes, die niet echt op de langspeelplaten thuishoren (en daarin heeft hij, vakman zijnde, helemaal gelijk), bastaarden. Maar hier hoeft Cooper zich zeker niet om te schamen. Vooral de opener is werkelijk magistraal, en om eerlijk te zijn: op de langspeler hoor ik geen enkel nummer dat beter is, of dit ook maar kan evenaren. Sterker nog: dit is gewoon het beste nummer dat Cooper in mijn ogen al heeft gemaakt.
'Second Family Portrait' is een soort vervolg op 'Family Portrait', dat op deel 1 stond. De tekst is weer een heerlijke mengeling nostalgie en zacht dwingende melancholie, maar vooral de aankleding gooit zeer hoge ogen; de song opent als iets wat van de meest weemoedige hand van Sam Baker had kunnen zijn, en openbaart zich gaandeweg steeds meer, tot de grandioze onderdompeling in een rijk folkbad als climax wordt tentoongesteld.
'West' is een goeie tweede, en ook licht afwijkend van hetgeen Cooper serveert op de langspelers. Ook dit is weer een uitstekende inschatting, en vreemd genoeg vullen de 2 songs elkaar perfect aan. 'Letters Home (Aftermath)' is dan weer een vette knipoog naar 'Letters Home', dat op de 'The Branches' staat. Dit is misschien de enige vreemde keuze, en had op het album nog wat beter tot z'n recht kunnen komen als intro voor dat nummer. Maar aangezien er met 'Gray Skies' daar al een soort intro aanwezig is, kan ik de keuze nog wel begrijpen.
De songs van Cooper luisteren wat makkelijk weg, wat er voor kan zorgen dat de luisteraar het al druk genoeg heeft met intens genieten van de muziek an sich, zonder echt op de teksten te gaan letten. Maar mispak u daar vooral niet aan; de tekst van de opener is bijvoorbeeld geweldig mooi, en Cooper weet telkens weer een fantastische, rakende beschrijving te geven van het familieleven. Misschien is dit wel zijn beste tot nu toe.
And my dad was calm;
Never used two words when one'd do.
And my brother's hands were mischief bent;
With no will to stop 'em.
3,5 sterren
Op 'The Bastards: Volume Two' vinden we drie van die takjes terug; netjes voor ons bijeen gekeerd door Cooper zelve. Hij noemt dit soort liedjes, die niet echt op de langspeelplaten thuishoren (en daarin heeft hij, vakman zijnde, helemaal gelijk), bastaarden. Maar hier hoeft Cooper zich zeker niet om te schamen. Vooral de opener is werkelijk magistraal, en om eerlijk te zijn: op de langspeler hoor ik geen enkel nummer dat beter is, of dit ook maar kan evenaren. Sterker nog: dit is gewoon het beste nummer dat Cooper in mijn ogen al heeft gemaakt.
'Second Family Portrait' is een soort vervolg op 'Family Portrait', dat op deel 1 stond. De tekst is weer een heerlijke mengeling nostalgie en zacht dwingende melancholie, maar vooral de aankleding gooit zeer hoge ogen; de song opent als iets wat van de meest weemoedige hand van Sam Baker had kunnen zijn, en openbaart zich gaandeweg steeds meer, tot de grandioze onderdompeling in een rijk folkbad als climax wordt tentoongesteld.
'West' is een goeie tweede, en ook licht afwijkend van hetgeen Cooper serveert op de langspelers. Ook dit is weer een uitstekende inschatting, en vreemd genoeg vullen de 2 songs elkaar perfect aan. 'Letters Home (Aftermath)' is dan weer een vette knipoog naar 'Letters Home', dat op de 'The Branches' staat. Dit is misschien de enige vreemde keuze, en had op het album nog wat beter tot z'n recht kunnen komen als intro voor dat nummer. Maar aangezien er met 'Gray Skies' daar al een soort intro aanwezig is, kan ik de keuze nog wel begrijpen.
De songs van Cooper luisteren wat makkelijk weg, wat er voor kan zorgen dat de luisteraar het al druk genoeg heeft met intens genieten van de muziek an sich, zonder echt op de teksten te gaan letten. Maar mispak u daar vooral niet aan; de tekst van de opener is bijvoorbeeld geweldig mooi, en Cooper weet telkens weer een fantastische, rakende beschrijving te geven van het familieleven. Misschien is dit wel zijn beste tot nu toe.
And my dad was calm;
Never used two words when one'd do.
And my brother's hands were mischief bent;
With no will to stop 'em.
3,5 sterren
Radical Face - The Family Tree: The Branches (2013)
Alternatieve titel: The Branches

4,0
0
geplaatst: 18 december 2013, 22:26 uur
Ik weet nog goed dat ik, zo’n twee jaar geleden, deze artiest leerde kennen. Tenminste, ik dacht dat ik ‘m leerde kennen, want Ben Cooper – de man die schuilgaat achter het alter ego Radical Face – is ook het brein achter Electric President, het duo dat hij samen met Alex Kane vormt, en die in 2010 nog een erg fijne plaat uitbrachten. Maar dat bleek uiteindelijk klein bier ten opzichte van het eerste deel van wat een driedelig project getiteld ‘The Family Tree’ zou gaan worden. ‘The Roots’; een wonderlijk melancholische plaat waarvan ik destijds vond dat menig popartiest er nog heel wat van kon opsteken. En achter die mening sta ik nog steeds.
‘The Branches’ is deel 2 in de trilogie, en wordt door eenieder onvermijdelijk vergeleken met ‘The Roots’. Het merendeel plaatst deze op het reservebankje, en ik moet toegeven dat ik dat ook doe. Omdat ‘The Roots’ zo fantastisch goed is. Deze opvolger is wat minder straf gestoffeerd, en leunt wat mij betreft soms net iets te makkelijk op oeh’s en aah’s. Vooral oeh’s.
Dat is echter een bubbel die je dient te doorprikken. Als je dat obstakel achter de rug hebt, kan je gewoon niet anders dan inzien dat Cooper ons alweer een puike popplaat voorschotelt; instrumentaal zeer uitgekiend, tekstueel wederom briljant. De indie folklaag die over de songs is gedrapeerd, werkt; ik voel me vaak erg comfortabel als ik ernaar luister. Terwijl de teksten zich aan een andere kant van het spectrum bevinden.
De plaat opent met een korte intro, ‘Gray Skies’. Een mistroostige titel, quoi? De opmaat voor het eerste op de meute losgelaten nummer, ‘Holy Branches’. Een song die bescheiden begint, maar lang en breed uitwaait, en zijn glorie vindt in het prachtige refrein, wat eigenlijk een fantastische metafoor voor het leven is. “But everybody’s bones, are just holy branches; cast from trees, to cut patterns in the wood”. Geboren om te snijden. “And in time, we find some shelter; spill our leaves, and then sleep in the earth”. Het nummer gaat er ook over dat ieder mens gedoemd is om een doel voor ogen te hebben, en hoe dat een val op zich kan zijn. Zoiets.
‘The Mute’ dan, met één van de mooiste zinnetjes van het album: “My dad considered me a cross he had to bear”. Een bittere melancholie springt er ook uit naar voren. De personages en gebeurtenissen in deze nummers mogen dan wel grotendeels fictief zijn, inspiratie haal je altijd wel voor een deel bij jezelf. Ik zie daarin twee Ben Coopers naar voren treden; enerzijds de verloren, verlaten jongen; anderzijds de nostalgische dromer. Hij is deze personae echter nooit tegelijkertijd, zoals doorklinkt in ‘Reminders’: “I’m either honest or I’m an optimist; but never both at the same time”.
‘Summer Skeletons’ is een half verdoken folkballade. Muzikaal zou dit eigenlijk zelfs iets te zoet moeten zijn voor mij, maar het is zo verdomd aanstekelijk en ontroerend. Hier treedt de nostalgicus in Cooper prominent naar voren, volop mijmerend over het verraderlijke karakter van een zomer, lang geleden. De koppig vastgeroeste herinneringen kunnen enkel met bloed, zweet en tranen eruit worden gesneden. ‘The Crooked Kind’ en ‘Chains’ zijn twee fijne tussendoortjes, maar geen hoogvliegers; de kracht schuilt weer vooral in de teksten, met het afsluitende zinnetje van ‘Chains’, dat als een gulden middenweg tussen onheil en geluk laveert: “But I’m glad you were my friend; though I may never see you again”.
‘Letters Home’ is één van de meer ingetogen en sobere songs op het album, en dat is ook wel geschikt; het is een geëmotioneerde brief van een zoon die zich stilaan afvraagt wat hij in godsnaam aan het front doet, geadresseerd aan zijn – zonder twijfel – bezorgde moeder. De Belgische band Amatorski heeft het nummer ‘Come Home’ gebaseerd op oude brieven van het front, en hoewel de schrijfstijl heel anders is, zou deze daar ook wel tussen passen. Oprechtheid, zonder te overdrijven. Of hoe een onfortuinlijke schotwond voor katharsis kan zorgen.
‘From the Mouth of an Injured Head’ doet me zeker in het begin van de song vrij weinig, maar stevent af op een erg fraaie laatste minuut. ‘Southern Snow’ begint met een mooi stukje klassiek aandoende piano. In het ongelooflijk mooie CD-boekje (hoewel het niet eens zoveel verschilt van dat van ‘The Roots’; vooral qua kleur) staat overigens een fout, denk ik. Het pianospel dat we in dit nummer horen, zou van de hand van Emeral Cooper zijn, en dat durf ik niet te betwijfelen. Maar er staat bij: “Piano on ‘Summer Snow’”. Cooper koos overigens de zin “I still call her name sometimes, just in case” uit om in het midden van het boekje te laten drukken, op een mistige, grauwe achtergrond van een bos.
‘The Gilded Hand’ is het langste en, zeker op muzikaal vlak, meest ambitieuze nummer van de plaat. De slepende instrumentatie en dito zanglijnen van Cooper zorgen ervoor dat het een heuse ervaring is. Het past niet meteen in het rijtje, maar dat maakt het juist weer aantrekkelijk. Ik weet niet precies waar het over gaat, maar het zou best wel ‘ns over de staalindustrie kunnen gaan. “This metal God is all I know”; “So we walk the empty halls, the dirty walls” en vooral de mooie laatste regels: “You know, our blood’s in the machinery; our heart’s in the machinery; our blood’s in the machinery; and that’s what went away”. Telkens ik die regels hoor, en de manier waarop ze gebracht worden, spookt een dilemma door mijn hoofd; moet ik dit nou goed vinden, of slecht?
Afsluiter ‘We All Go the Same’ snijdt een thema aan dat misschien wat afgezaagd is, en daardoor kan de song zich ook niet meten met het beste materiaal op het album. Maar de manier waarop Cooper het brengt, is toch zeker niet zwak. Of we nu mooi of lelijk zijn, rijk of arm, dik of dun, filantroop of misantroop, dromen of verdrinken, eenzaam of omringd door warmte; als we sterven, zijn we dood. Allemaal. We leven echter wel voort in andermans herinneringen, tot die mensen er weer het loodje bij leggen. Ik voel het exact aan zoals Cooper het uitdrukt: “And you will pray to be stronger, and I won’t pray at all. But either way, we’re both gonna fall”. Uiteindelijk zijn we allemaal verdoemd.
“I’m sorry for everything”, staat te lezen op de achterkant van het boekje. Toch niet voor de prachtige muziek die hij ons heeft geschonken, mag ik hopen. Ik kan zo meteen, als ik het bekijk als een uitspraak naar de muziekliefhebbers toe, enkel toespitsen op het feit dat ‘Second Family Portrait’, dat verscheen op ‘The Bastards: Volume Two’, hier niet opstaat. Want dat is misschien wel het beste nummer dat ik tot nu toe heb gehoord van deze geweldige artiest.
4 sterren
‘The Branches’ is deel 2 in de trilogie, en wordt door eenieder onvermijdelijk vergeleken met ‘The Roots’. Het merendeel plaatst deze op het reservebankje, en ik moet toegeven dat ik dat ook doe. Omdat ‘The Roots’ zo fantastisch goed is. Deze opvolger is wat minder straf gestoffeerd, en leunt wat mij betreft soms net iets te makkelijk op oeh’s en aah’s. Vooral oeh’s.
Dat is echter een bubbel die je dient te doorprikken. Als je dat obstakel achter de rug hebt, kan je gewoon niet anders dan inzien dat Cooper ons alweer een puike popplaat voorschotelt; instrumentaal zeer uitgekiend, tekstueel wederom briljant. De indie folklaag die over de songs is gedrapeerd, werkt; ik voel me vaak erg comfortabel als ik ernaar luister. Terwijl de teksten zich aan een andere kant van het spectrum bevinden.
De plaat opent met een korte intro, ‘Gray Skies’. Een mistroostige titel, quoi? De opmaat voor het eerste op de meute losgelaten nummer, ‘Holy Branches’. Een song die bescheiden begint, maar lang en breed uitwaait, en zijn glorie vindt in het prachtige refrein, wat eigenlijk een fantastische metafoor voor het leven is. “But everybody’s bones, are just holy branches; cast from trees, to cut patterns in the wood”. Geboren om te snijden. “And in time, we find some shelter; spill our leaves, and then sleep in the earth”. Het nummer gaat er ook over dat ieder mens gedoemd is om een doel voor ogen te hebben, en hoe dat een val op zich kan zijn. Zoiets.
‘The Mute’ dan, met één van de mooiste zinnetjes van het album: “My dad considered me a cross he had to bear”. Een bittere melancholie springt er ook uit naar voren. De personages en gebeurtenissen in deze nummers mogen dan wel grotendeels fictief zijn, inspiratie haal je altijd wel voor een deel bij jezelf. Ik zie daarin twee Ben Coopers naar voren treden; enerzijds de verloren, verlaten jongen; anderzijds de nostalgische dromer. Hij is deze personae echter nooit tegelijkertijd, zoals doorklinkt in ‘Reminders’: “I’m either honest or I’m an optimist; but never both at the same time”.
‘Summer Skeletons’ is een half verdoken folkballade. Muzikaal zou dit eigenlijk zelfs iets te zoet moeten zijn voor mij, maar het is zo verdomd aanstekelijk en ontroerend. Hier treedt de nostalgicus in Cooper prominent naar voren, volop mijmerend over het verraderlijke karakter van een zomer, lang geleden. De koppig vastgeroeste herinneringen kunnen enkel met bloed, zweet en tranen eruit worden gesneden. ‘The Crooked Kind’ en ‘Chains’ zijn twee fijne tussendoortjes, maar geen hoogvliegers; de kracht schuilt weer vooral in de teksten, met het afsluitende zinnetje van ‘Chains’, dat als een gulden middenweg tussen onheil en geluk laveert: “But I’m glad you were my friend; though I may never see you again”.
‘Letters Home’ is één van de meer ingetogen en sobere songs op het album, en dat is ook wel geschikt; het is een geëmotioneerde brief van een zoon die zich stilaan afvraagt wat hij in godsnaam aan het front doet, geadresseerd aan zijn – zonder twijfel – bezorgde moeder. De Belgische band Amatorski heeft het nummer ‘Come Home’ gebaseerd op oude brieven van het front, en hoewel de schrijfstijl heel anders is, zou deze daar ook wel tussen passen. Oprechtheid, zonder te overdrijven. Of hoe een onfortuinlijke schotwond voor katharsis kan zorgen.
‘From the Mouth of an Injured Head’ doet me zeker in het begin van de song vrij weinig, maar stevent af op een erg fraaie laatste minuut. ‘Southern Snow’ begint met een mooi stukje klassiek aandoende piano. In het ongelooflijk mooie CD-boekje (hoewel het niet eens zoveel verschilt van dat van ‘The Roots’; vooral qua kleur) staat overigens een fout, denk ik. Het pianospel dat we in dit nummer horen, zou van de hand van Emeral Cooper zijn, en dat durf ik niet te betwijfelen. Maar er staat bij: “Piano on ‘Summer Snow’”. Cooper koos overigens de zin “I still call her name sometimes, just in case” uit om in het midden van het boekje te laten drukken, op een mistige, grauwe achtergrond van een bos.
‘The Gilded Hand’ is het langste en, zeker op muzikaal vlak, meest ambitieuze nummer van de plaat. De slepende instrumentatie en dito zanglijnen van Cooper zorgen ervoor dat het een heuse ervaring is. Het past niet meteen in het rijtje, maar dat maakt het juist weer aantrekkelijk. Ik weet niet precies waar het over gaat, maar het zou best wel ‘ns over de staalindustrie kunnen gaan. “This metal God is all I know”; “So we walk the empty halls, the dirty walls” en vooral de mooie laatste regels: “You know, our blood’s in the machinery; our heart’s in the machinery; our blood’s in the machinery; and that’s what went away”. Telkens ik die regels hoor, en de manier waarop ze gebracht worden, spookt een dilemma door mijn hoofd; moet ik dit nou goed vinden, of slecht?
Afsluiter ‘We All Go the Same’ snijdt een thema aan dat misschien wat afgezaagd is, en daardoor kan de song zich ook niet meten met het beste materiaal op het album. Maar de manier waarop Cooper het brengt, is toch zeker niet zwak. Of we nu mooi of lelijk zijn, rijk of arm, dik of dun, filantroop of misantroop, dromen of verdrinken, eenzaam of omringd door warmte; als we sterven, zijn we dood. Allemaal. We leven echter wel voort in andermans herinneringen, tot die mensen er weer het loodje bij leggen. Ik voel het exact aan zoals Cooper het uitdrukt: “And you will pray to be stronger, and I won’t pray at all. But either way, we’re both gonna fall”. Uiteindelijk zijn we allemaal verdoemd.
“I’m sorry for everything”, staat te lezen op de achterkant van het boekje. Toch niet voor de prachtige muziek die hij ons heeft geschonken, mag ik hopen. Ik kan zo meteen, als ik het bekijk als een uitspraak naar de muziekliefhebbers toe, enkel toespitsen op het feit dat ‘Second Family Portrait’, dat verscheen op ‘The Bastards: Volume Two’, hier niet opstaat. Want dat is misschien wel het beste nummer dat ik tot nu toe heb gehoord van deze geweldige artiest.
4 sterren
Radical Face - The Family Tree: The Roots (2011)
Alternatieve titel: The Roots

4,5
0
geplaatst: 30 november 2011, 20:50 uur
Vorig jaar maakte ik kennis met Ben Cooper, als lid van Electric Presidents, een project dat hij samen met ene Alex Kane heeft opgezet. Zij maken poppy folkdeuntjes, met een elektronische inslag. Een maand geleden of zo kwam ik Ben Cooper weer tegen, nu in de gedaante van Radical Face. Ook folkpop, maar dan zonder de electronica. En veel, veel mooier, naar mijn mening.
‘The Family Tree: The Roots’ is de eerste plaat die deel uitmaakt van een drieluik, over familie, gezin, jeugd, en alle perikelen van dien. Met behulp van piano, akoestische gitaar, percussie en melancholische zang wordt een uniek sfeertje opgeroepen; catchy en aanmoedigend om vrolijk mee te neuriën, maar ook donker en fragiel. Dat valt vooral op als je de voortreffelijke teksten van Cooper leest.
Het album opent met het korte ‘Names’. De reis begint, en het eerste wat Cooper opvalt, is dat je er gelijk helemaal alleen voor staat. “This road is now my only friend; it welcomes me through straights and through bends; but no matter how long I stay; it will never know my name”, predict Cooper, alsof hij de wijsheid in pacht heeft. Het belangrijkste is dat ik ‘m voor de volle 100% geloof, en met hem meeleef.
‘A Pound of Flesh’ is niet mijn favoriet nummer, maar wel nog altijd erg sterk, en dat wil vooral wat zeggen over de kwaliteit van de andere nummers. Tekstueel sterk, Cooper gaat op zoek naar een oude bekende, en besluit met “So keep your candle burning in the window; I’m almost home”. ‘The Family Portrait’ is een valse trage, en bericht over de liefde, en hoe die twee mensen verenigt, en een ongewenst kind laat krijgen, en hoe de vrouw sterft, en de man wegkwijnt, en hoe vader en zoon van elkaar vervreemden, en schaduwpersonen worden. Grote zus moet voor kleine broer zorgen, terwijl vader zichzelf een ongeluk zuipt. Om maar aan te geven dat Cooper thema’s aankaart die niet leuk zijn om het over te hebben, ellendige toestanden, maar die vaker voorkomen dan we er erg in hebben.
‘Black Eyes’ is een wat sneller nummer, met vinnig pianospel in de hoofdrol. Dat instrument wendt hij erg vaak aan, en dat vind ik erg goed. Het past bij de stem van Cooper, en bij de teksten. Mistig, droevig. ‘Black Eyes’ gaat over de liefde die het hoofdpersonage zelf meemaakt. Zwartgalligheid troef, blijkbaar is het hopeloos op de klippen gelopen: “My heart will be blacker than your eyes when I’m through with you”. Cooper verwoordt hier op prachtige wijze de duistere kant die een mens zomaar kan overvallen.
‘Severus and Stone’ is een lieflijk klinkend liedje, met mooie pianomelodieën, aandoenlijke koorzang en vooral een ontstellend trieste tekst over de teloorgang van een broer, en het feit dat je niets aan de situatie kan veranderen. Cooper schrijft vlot, soms op een poëtische wijze mijmerend. ‘The Moon Is Down’ is een liefdesliedje, waarin het ik-personage zijn liefde met erg mooie bewoordingen uit. Zelfs als de maan afwezig is. Maar die liefde is onmogelijk, want zij leven in twee verschillende werelden: “You make the World seem small for a time; though it’s still too big for me”.
De laatste vijf nummers op de plaat zijn echt prachtig, zonder uitzondering. Het is dit jaar nog niet veel voorgekomen dat ik zoveel geweldige nummers op één plaat heb gehoord. Ook is deze plaat een mooi geheel, zowel in thematiek als in het instrumentale gedeelte. ‘Ghost Towns’ is misschien wel het beste nummer op de plaat, en misschien ook niet, maar ach, wat geeft het, het ligt allemaal zo dicht bij elkaar, en elk van deze laatste vijf nummers heeft wat mij betreft louter sterke punten. De accordeon op het einde van het nummer bijvoorbeeld, gaat als een lichtstraal recht op z’n doel af, te weten het centrum van het hart. Het aanstekelijke refrein doet me elke keer weer luidop mee blèren, en doet me nadenken over het bestaan van de outcast, en over het grijpen van het moment. Carpe diem, maar dan in een veel donkerder en pessimistischer variant.
‘Kin’ heeft de tekst die me misschien wel het meest doet. Het hoofdpersonage denkt terug aan zijn familieleden, zoals zijn drinkende vader, die altijd ruzie had met moeder, en over zijn grootmoeder die liedjes zong, en grootvader in zijn schommelstoel. Het zijn herinneringen, die door het hoofd spoken van het ik-personage. “I do my best just to ignore them; but the sound always finds me; despite them being dead and gone”. Het gaat er volgens mij ook om (maar dat is een vrije interpretatie van mijnentwege), dat hij verder wil met z’n leven, maar dat niet kan omdat al die herinneringen aan hem vreten, en het uiteindelijk altijd uitdraait op een avondje eenzaam in een koud huis toeven. Of iets in dien trant.
‘The Dead Waltz’ is (de naam zegt het al) een wals; het is een modern sprookje, opgesmukt met subtiel pianospel en warme akoestische gitaar. Het gaat over magie en kleingeestigheid, twee begrippen die amper met elkaar overweg kunnen. Het gaat over de mythe van het leven, en het feit dat sommige dingen onbegrijpelijk zijn, maar dat we er ons bij moeten neerleggen. Weer een vrije interpretatie, want je kan er ook heel andere conclusies uit te trekken. Enfin, luister maar eens aandachtig naar de tekst. Iets wat aan te raden is bij elk nummer op deze plaat.
‘Always Gold’ begint erg ingetogen, maar bloeit steeds meer open, en is achteraf bekeken uiteindelijk de ideale popsong gebleken. Mijn boodschap voor Coldplay en consorten: listen and learn. Hier wordt ook ge-oh-oh-ohd, maar dat is voor één keer niet irriterend, maar juist het tegenovergestelde; het draagt enorm bij tot de sfeer van het nummer, en trekt de luisteraar nog meer mee in de wereld van Ben Cooper, en specifieker: de wereld van Radical Face. Ook hier horen we die warme accordeonklanken, die het plaatje compleet maken. Het nummer snijdt ook een onderwerp aan dat geheel in dezelfde lijn ligt als de hele plaat; het gaat over het hoofdpersonage en z’n broer, de grootschaligheid van hun dromen en de kleinschaligheid van wat uiteindelijk hun leven werd. De enorme tegenstellingen tussen beide broers, en de onvoorwaardelijke liefde die hen desondanks verbindt, het door een vuur willen gaan voor elkaar.
Afsluiter is ‘Mountains’, en de mooiste regel vinden we in deze song: “My brother was home; just returned on army leave; told his stories with a distant stare”. Dit vind ik zo treffend weergegeven, en zo plastisch ook; je kan het haast voelen, hoe die broer zich voelt. Alle ellende die zo’n oorlog met zich meeneemt, de unieke kampvuursfeer, en vooral het rechtuit onder de indruk zijn van het hoofdpersonage. Maar ook de rest van de tekst is prachtig, vol geweldig mooie, en sterke beelden. De zekerheid en het vertrouwen dat je als kleine jongen kan putten uit je vader, je moeder, je grote broer; het zijn rolmodellen, en dat soort ervaringen blijven je voor altijd bij.
En zo komt er na ietsje meer dan drie kwartier een eind aan deze fantastische plaat van Ben Cooper alias Radical Face, en ondanks het feit dat ‘The Family Tree: The Roots’ zwaar op de maag ligt, een mens in het wild doet filosoferen tot hij een ons weegt en meer vragen oproept dan antwoorden geeft, kan ik er voorlopig nog altijd geen genoeg van krijgen, en kijk ik dan ook reikhalzend uit naar de volgende twee delen. Het zal in ieder geval erg moeilijk worden om dit te overtreffen.
4,5 sterren
‘The Family Tree: The Roots’ is de eerste plaat die deel uitmaakt van een drieluik, over familie, gezin, jeugd, en alle perikelen van dien. Met behulp van piano, akoestische gitaar, percussie en melancholische zang wordt een uniek sfeertje opgeroepen; catchy en aanmoedigend om vrolijk mee te neuriën, maar ook donker en fragiel. Dat valt vooral op als je de voortreffelijke teksten van Cooper leest.
Het album opent met het korte ‘Names’. De reis begint, en het eerste wat Cooper opvalt, is dat je er gelijk helemaal alleen voor staat. “This road is now my only friend; it welcomes me through straights and through bends; but no matter how long I stay; it will never know my name”, predict Cooper, alsof hij de wijsheid in pacht heeft. Het belangrijkste is dat ik ‘m voor de volle 100% geloof, en met hem meeleef.
‘A Pound of Flesh’ is niet mijn favoriet nummer, maar wel nog altijd erg sterk, en dat wil vooral wat zeggen over de kwaliteit van de andere nummers. Tekstueel sterk, Cooper gaat op zoek naar een oude bekende, en besluit met “So keep your candle burning in the window; I’m almost home”. ‘The Family Portrait’ is een valse trage, en bericht over de liefde, en hoe die twee mensen verenigt, en een ongewenst kind laat krijgen, en hoe de vrouw sterft, en de man wegkwijnt, en hoe vader en zoon van elkaar vervreemden, en schaduwpersonen worden. Grote zus moet voor kleine broer zorgen, terwijl vader zichzelf een ongeluk zuipt. Om maar aan te geven dat Cooper thema’s aankaart die niet leuk zijn om het over te hebben, ellendige toestanden, maar die vaker voorkomen dan we er erg in hebben.
‘Black Eyes’ is een wat sneller nummer, met vinnig pianospel in de hoofdrol. Dat instrument wendt hij erg vaak aan, en dat vind ik erg goed. Het past bij de stem van Cooper, en bij de teksten. Mistig, droevig. ‘Black Eyes’ gaat over de liefde die het hoofdpersonage zelf meemaakt. Zwartgalligheid troef, blijkbaar is het hopeloos op de klippen gelopen: “My heart will be blacker than your eyes when I’m through with you”. Cooper verwoordt hier op prachtige wijze de duistere kant die een mens zomaar kan overvallen.
‘Severus and Stone’ is een lieflijk klinkend liedje, met mooie pianomelodieën, aandoenlijke koorzang en vooral een ontstellend trieste tekst over de teloorgang van een broer, en het feit dat je niets aan de situatie kan veranderen. Cooper schrijft vlot, soms op een poëtische wijze mijmerend. ‘The Moon Is Down’ is een liefdesliedje, waarin het ik-personage zijn liefde met erg mooie bewoordingen uit. Zelfs als de maan afwezig is. Maar die liefde is onmogelijk, want zij leven in twee verschillende werelden: “You make the World seem small for a time; though it’s still too big for me”.
De laatste vijf nummers op de plaat zijn echt prachtig, zonder uitzondering. Het is dit jaar nog niet veel voorgekomen dat ik zoveel geweldige nummers op één plaat heb gehoord. Ook is deze plaat een mooi geheel, zowel in thematiek als in het instrumentale gedeelte. ‘Ghost Towns’ is misschien wel het beste nummer op de plaat, en misschien ook niet, maar ach, wat geeft het, het ligt allemaal zo dicht bij elkaar, en elk van deze laatste vijf nummers heeft wat mij betreft louter sterke punten. De accordeon op het einde van het nummer bijvoorbeeld, gaat als een lichtstraal recht op z’n doel af, te weten het centrum van het hart. Het aanstekelijke refrein doet me elke keer weer luidop mee blèren, en doet me nadenken over het bestaan van de outcast, en over het grijpen van het moment. Carpe diem, maar dan in een veel donkerder en pessimistischer variant.
‘Kin’ heeft de tekst die me misschien wel het meest doet. Het hoofdpersonage denkt terug aan zijn familieleden, zoals zijn drinkende vader, die altijd ruzie had met moeder, en over zijn grootmoeder die liedjes zong, en grootvader in zijn schommelstoel. Het zijn herinneringen, die door het hoofd spoken van het ik-personage. “I do my best just to ignore them; but the sound always finds me; despite them being dead and gone”. Het gaat er volgens mij ook om (maar dat is een vrije interpretatie van mijnentwege), dat hij verder wil met z’n leven, maar dat niet kan omdat al die herinneringen aan hem vreten, en het uiteindelijk altijd uitdraait op een avondje eenzaam in een koud huis toeven. Of iets in dien trant.
‘The Dead Waltz’ is (de naam zegt het al) een wals; het is een modern sprookje, opgesmukt met subtiel pianospel en warme akoestische gitaar. Het gaat over magie en kleingeestigheid, twee begrippen die amper met elkaar overweg kunnen. Het gaat over de mythe van het leven, en het feit dat sommige dingen onbegrijpelijk zijn, maar dat we er ons bij moeten neerleggen. Weer een vrije interpretatie, want je kan er ook heel andere conclusies uit te trekken. Enfin, luister maar eens aandachtig naar de tekst. Iets wat aan te raden is bij elk nummer op deze plaat.
‘Always Gold’ begint erg ingetogen, maar bloeit steeds meer open, en is achteraf bekeken uiteindelijk de ideale popsong gebleken. Mijn boodschap voor Coldplay en consorten: listen and learn. Hier wordt ook ge-oh-oh-ohd, maar dat is voor één keer niet irriterend, maar juist het tegenovergestelde; het draagt enorm bij tot de sfeer van het nummer, en trekt de luisteraar nog meer mee in de wereld van Ben Cooper, en specifieker: de wereld van Radical Face. Ook hier horen we die warme accordeonklanken, die het plaatje compleet maken. Het nummer snijdt ook een onderwerp aan dat geheel in dezelfde lijn ligt als de hele plaat; het gaat over het hoofdpersonage en z’n broer, de grootschaligheid van hun dromen en de kleinschaligheid van wat uiteindelijk hun leven werd. De enorme tegenstellingen tussen beide broers, en de onvoorwaardelijke liefde die hen desondanks verbindt, het door een vuur willen gaan voor elkaar.
Afsluiter is ‘Mountains’, en de mooiste regel vinden we in deze song: “My brother was home; just returned on army leave; told his stories with a distant stare”. Dit vind ik zo treffend weergegeven, en zo plastisch ook; je kan het haast voelen, hoe die broer zich voelt. Alle ellende die zo’n oorlog met zich meeneemt, de unieke kampvuursfeer, en vooral het rechtuit onder de indruk zijn van het hoofdpersonage. Maar ook de rest van de tekst is prachtig, vol geweldig mooie, en sterke beelden. De zekerheid en het vertrouwen dat je als kleine jongen kan putten uit je vader, je moeder, je grote broer; het zijn rolmodellen, en dat soort ervaringen blijven je voor altijd bij.
En zo komt er na ietsje meer dan drie kwartier een eind aan deze fantastische plaat van Ben Cooper alias Radical Face, en ondanks het feit dat ‘The Family Tree: The Roots’ zwaar op de maag ligt, een mens in het wild doet filosoferen tot hij een ons weegt en meer vragen oproept dan antwoorden geeft, kan ik er voorlopig nog altijd geen genoeg van krijgen, en kijk ik dan ook reikhalzend uit naar de volgende twee delen. Het zal in ieder geval erg moeilijk worden om dit te overtreffen.
4,5 sterren
Radiohead - The King of Limbs (2011)

3,0
0
geplaatst: 17 maart 2011, 19:54 uur
Voor veel mensen is dit het album van 2011, en zal geen enkele plaat dit nog gaan overtreffen dit jaar, al is het nog maar maart. Radiohead is waarschijnlijk de populairste band op deze site, en wereldwijd staat ie toch ook zeker ergens bovenaan. Persoonlijk ben ik geen gigantische fan van Radiohead, dat wil zeggen, ik volg ze niet op de voet, maar ik kan ze wel meer dan waarderen. Zo zijn ‘The Bends’ en ‘OK Computer’ toch wel twee mijlpalen in de muziekgeschiedenis, volgestouwd met juweeltjes als ‘Paranoid Android’, ‘Street Spirit’ en ‘Karma Police’. Na ‘OK Computer’ zijn ze een andere weg ingeslagen, met het experimentele ‘Kid A’, steeds meer naar de elektronische kant van de muziek. En met ‘The King Of Limbs’ is dat niet anders; het klinkt helemaal niet meer zoals in de beginjaren. Beetje spijtig misschien, maar ik vind het toch prijzenswaardig dat Radiohead koppig een geheel eigen koers blijft varen.
De plaat telt 8 nummers, goed voor een kleine 40 minuten. Velen vonden dit genoeg materiaal om te gaan speculeren op een tweede deel, dat dan later dit jaar zou moeten uitgebracht worden. Allemaal goed en wel, ik zou er zeker niet rouwig om zijn, maar voorlopig geloof ik daar niet al te veel van. Ik heb momenteel genoeg aan deze plaat, die ik na de eerste beluistering nog geen voldoende zou gegeven hebben.
Inmiddels is ie al flink gegroeid, en komt hij zelfs in aanmerking voor 4 sterren. Vooral de laatste drie songs wisten me reeds van bij het begin te bekoren (‘Codex’ is een prachtig, warm nummer), en de waardering voor de resterende nummers groeit gestaag. ‘Bloom’ is in ieder geval een gepaste opener, op z’n geheel eigen manier toch wel spannend, en ‘Morning Mr. Magpie’ is broeierig, terwijl de zang me een beetje aan die van Bono doet denken (vreemd, vreemd). Gitaarwerk is duidelijk wel terug te vinden op deze plaat, je moet er misschien wel een tijdje naar zoeken. ‘Little By Little’ is daar een treffend voorbeeld van; op het eerste gehoor een standaard elektronisch nummer, maar het wordt met de luisterbeurt spannender, de gitaar lijkt wel een rafelige sliert uit Morricone’s werk. In het midden van het nummer doet het me zelfs vaag denken aan ‘Paranoid Android’ nu!
‘Feral’ is een tussendoortje, van het soort dat er altijd wel in gaat, maar dat nooit op je lijstje zou belanden mocht iemand je vragen wat je favoriete tussendoortjes zijn. Zwakste nummer op de plaat, maar dat wil nog niet zeggen dat dit een zwak nummer is. Een beetje een aanmodderend nummer, dat wel. Ongetwijfeld zijn er mensen die hier heel wat meer in horen dan ik, maar goed. ‘Lotus Flower’ is een nummer dat stilaan uit z’n groeifase komt gekropen, en nu toch helemaal open bloeit. Het is vooral dankzij de zang van Yorke, die minder ijl klinkt als vroeger, maar toch nog altijd erg straf is. Bovendien is dit tekstueel ook vrij goed, al vind ik het moeilijk om me op de teksten te concentreren bij dit album.
‘Codex’ vind ik het mooiste nummer op de hele plaat. Die piano klinkt zo warm, en biedt eens wat tegengewicht voor de elektronica. Als ik eerlijk moet zijn, hoor ik Radiohead veel liever bezig op deze manier. De stem van Yorke past gewoonweg veel beter bij dit soort nummers. Kippenvelmoment van de plaat voor mij. ‘Give Up The Ghost’ zet de trend die met ‘Codex’ is ingezet een beetje voort, al speelt hier akoestische gitaar een zekere rol. Wederom een erg fraai nummer, dat me niet zelden weet mee te voeren naar dromenland. Met open ogen, welteverstaan. Afsluiter ‘Separator’ heeft in vergelijking met bijvoorbeeld ‘Lotus Flower’ de tegenovergestelde weg afgelegd; aanvankelijk één van mijn favorieten, nu toch net dat ietsje minder beklijvend. Al bij al een degelijk slotnummer.
Radiohead toont met dit album toch nog altijd relevant te zijn, en ik zie hen in de toekomst nog wel eens een echte topplaat maken. Of het nog ooit even baanbrekend zal zijn als vroeger, valt te betwijfelen, maar deze plaat geeft me een goed gevoel; Radiohead is still standing.
3,5 sterren
De plaat telt 8 nummers, goed voor een kleine 40 minuten. Velen vonden dit genoeg materiaal om te gaan speculeren op een tweede deel, dat dan later dit jaar zou moeten uitgebracht worden. Allemaal goed en wel, ik zou er zeker niet rouwig om zijn, maar voorlopig geloof ik daar niet al te veel van. Ik heb momenteel genoeg aan deze plaat, die ik na de eerste beluistering nog geen voldoende zou gegeven hebben.
Inmiddels is ie al flink gegroeid, en komt hij zelfs in aanmerking voor 4 sterren. Vooral de laatste drie songs wisten me reeds van bij het begin te bekoren (‘Codex’ is een prachtig, warm nummer), en de waardering voor de resterende nummers groeit gestaag. ‘Bloom’ is in ieder geval een gepaste opener, op z’n geheel eigen manier toch wel spannend, en ‘Morning Mr. Magpie’ is broeierig, terwijl de zang me een beetje aan die van Bono doet denken (vreemd, vreemd). Gitaarwerk is duidelijk wel terug te vinden op deze plaat, je moet er misschien wel een tijdje naar zoeken. ‘Little By Little’ is daar een treffend voorbeeld van; op het eerste gehoor een standaard elektronisch nummer, maar het wordt met de luisterbeurt spannender, de gitaar lijkt wel een rafelige sliert uit Morricone’s werk. In het midden van het nummer doet het me zelfs vaag denken aan ‘Paranoid Android’ nu!
‘Feral’ is een tussendoortje, van het soort dat er altijd wel in gaat, maar dat nooit op je lijstje zou belanden mocht iemand je vragen wat je favoriete tussendoortjes zijn. Zwakste nummer op de plaat, maar dat wil nog niet zeggen dat dit een zwak nummer is. Een beetje een aanmodderend nummer, dat wel. Ongetwijfeld zijn er mensen die hier heel wat meer in horen dan ik, maar goed. ‘Lotus Flower’ is een nummer dat stilaan uit z’n groeifase komt gekropen, en nu toch helemaal open bloeit. Het is vooral dankzij de zang van Yorke, die minder ijl klinkt als vroeger, maar toch nog altijd erg straf is. Bovendien is dit tekstueel ook vrij goed, al vind ik het moeilijk om me op de teksten te concentreren bij dit album.
‘Codex’ vind ik het mooiste nummer op de hele plaat. Die piano klinkt zo warm, en biedt eens wat tegengewicht voor de elektronica. Als ik eerlijk moet zijn, hoor ik Radiohead veel liever bezig op deze manier. De stem van Yorke past gewoonweg veel beter bij dit soort nummers. Kippenvelmoment van de plaat voor mij. ‘Give Up The Ghost’ zet de trend die met ‘Codex’ is ingezet een beetje voort, al speelt hier akoestische gitaar een zekere rol. Wederom een erg fraai nummer, dat me niet zelden weet mee te voeren naar dromenland. Met open ogen, welteverstaan. Afsluiter ‘Separator’ heeft in vergelijking met bijvoorbeeld ‘Lotus Flower’ de tegenovergestelde weg afgelegd; aanvankelijk één van mijn favorieten, nu toch net dat ietsje minder beklijvend. Al bij al een degelijk slotnummer.
Radiohead toont met dit album toch nog altijd relevant te zijn, en ik zie hen in de toekomst nog wel eens een echte topplaat maken. Of het nog ooit even baanbrekend zal zijn als vroeger, valt te betwijfelen, maar deze plaat geeft me een goed gevoel; Radiohead is still standing.
3,5 sterren
Ray LaMontagne and the Pariah Dogs - God Willin' & the Creek Don't Rise (2010)

3,5
0
geplaatst: 4 september 2010, 19:50 uur
Met 'Repo Man' opent deze plaat toch enigszins verrassend; een uptempo nummer van ongeveer zes minuten funky gitaar- en drumwerk, in combinatie met de soulvolle, hese stem van Ray LaMontagne. Deze opener maakt ook meteen duidelijk dat de begeleidingsband van LaMontagne meer dan degelijk is.
Country-invloeden zijn ook te horen op deze plaat, zoals op 'New York City's Killing Me', over de verpletterende drukte van de grootstad; het titelnummer en het vrolijker klinkende (maar laat je niet beetnemen) ‘Beg, Steal Or Borrow’. Bij countrymuziek hoor ik echter liever een rauwe, door goedkope whisky gesmeerde stem, dan het fluisterende, betoverende stemgeluid van LaMontagne.
‘Are We Really Through’ bevat ook country-invloeden, maar dan een pak minder, zodat dit me een pak beter afgaat in combinatie met LaMontagne. Het gevoel dat ik bij deze song heb, is dat er constant een mondharmonica op de loer ligt, maar die komt er uiteindelijk niet aan te pas. Beetje jammer, maar goed. Het klinkt allemaal wat depressiever dan op voorgaande nummers (“Is there no one who would catch me if I fall?”).
‘This Love Is Over’ klinkt wat meer soul, wat meer zoals eerder werk. Prima nummer, maar hij heeft sterkere nummers als dit op zijn actief staan (pluis z’n eerste twee worpen maar eens na!). ‘Old Before Your Time’ is weer wat meer country, en LaMontagne probeert ook country te klinken, maar hij is simpelweg geen countryzanger. Gelukkig stoort dat niet echt, het is altijd prettig om naar hem te luisteren. En de band, die doet het ook erg goed. Prettig in het gehoor liggend getokkel, dat niet echt gaat vervelen. ‘For The Summer’ is een erg leuk tussendoortje, waarin de mondharmonica dan toch z’n intrede doet. Ik vind het toch altijd prettig om het instrument te horen, en voor mij persoonlijk voegt het meestal iets toe aan een plaat, zo ook hier, maar dan vooral op het volgende nummer.
Dat is ‘Like Rock & Roll And Radio’, en dat wordt meteen lieflijk ingezet met de door mij zo geliefde mondharmonica. Een ingetogen song, een beetje zoals ‘Are We Really Through’, waar ik deze mondharmonica miste. Hier is ie er dus bij, en het resultaat is simpelweg de beste song op deze plaat. Wil je een bewijs van de songwritingtalenten van deze man? Zoek dan de lyrics eens op van dit nummer. Ik vind het prachtig, ondanks de trieste ondertoon van z’n woorden. De vraag “Are we strangers now?” zadelt me werkelijk op met een brok in de keel, en ook poëtisch kan deze jongen wel wat: “Is it deeper over time; like the river that is windin’ through the canyon”.
Zoals de plaat uptempo opent, sluit die ook af. Wel een pak meer country dan ‘Repo Man’, dit nummer, getiteld ‘Devil’s In The Jukebox’. Er vloeien een paar stijlen samen in deze song; country, soul, blues. Toch heb ik het idee dat dit meer iets is voor een krachtige, doorleefde stem. Een Howlin’ Wolf of zo.
Mijn conclusie is dat dit een plaat is zonder echte missers, zoals alle platen van LaMontagne eigenlijk, en met een paar hoogtepunten (‘Are We Really Through’ en ‘Like Rock & Roll And Radio’ dan vooral), maar er wordt toch een beetje veel met verschillende stijlen gesmeten. Ik apprecieer ’s mans ambitie en experimentatiedrift, z’n muziek zal in ieder geval niet snel saai worden, maar ik hoor LaMontagne liever doen wat ie het best kan, en dat zijn de nummers die ik al aanhaalde als de hoogtepunten. Jawel, de ingetogen pareltjes dus.
3,5 sterren
Country-invloeden zijn ook te horen op deze plaat, zoals op 'New York City's Killing Me', over de verpletterende drukte van de grootstad; het titelnummer en het vrolijker klinkende (maar laat je niet beetnemen) ‘Beg, Steal Or Borrow’. Bij countrymuziek hoor ik echter liever een rauwe, door goedkope whisky gesmeerde stem, dan het fluisterende, betoverende stemgeluid van LaMontagne.
‘Are We Really Through’ bevat ook country-invloeden, maar dan een pak minder, zodat dit me een pak beter afgaat in combinatie met LaMontagne. Het gevoel dat ik bij deze song heb, is dat er constant een mondharmonica op de loer ligt, maar die komt er uiteindelijk niet aan te pas. Beetje jammer, maar goed. Het klinkt allemaal wat depressiever dan op voorgaande nummers (“Is there no one who would catch me if I fall?”).
‘This Love Is Over’ klinkt wat meer soul, wat meer zoals eerder werk. Prima nummer, maar hij heeft sterkere nummers als dit op zijn actief staan (pluis z’n eerste twee worpen maar eens na!). ‘Old Before Your Time’ is weer wat meer country, en LaMontagne probeert ook country te klinken, maar hij is simpelweg geen countryzanger. Gelukkig stoort dat niet echt, het is altijd prettig om naar hem te luisteren. En de band, die doet het ook erg goed. Prettig in het gehoor liggend getokkel, dat niet echt gaat vervelen. ‘For The Summer’ is een erg leuk tussendoortje, waarin de mondharmonica dan toch z’n intrede doet. Ik vind het toch altijd prettig om het instrument te horen, en voor mij persoonlijk voegt het meestal iets toe aan een plaat, zo ook hier, maar dan vooral op het volgende nummer.
Dat is ‘Like Rock & Roll And Radio’, en dat wordt meteen lieflijk ingezet met de door mij zo geliefde mondharmonica. Een ingetogen song, een beetje zoals ‘Are We Really Through’, waar ik deze mondharmonica miste. Hier is ie er dus bij, en het resultaat is simpelweg de beste song op deze plaat. Wil je een bewijs van de songwritingtalenten van deze man? Zoek dan de lyrics eens op van dit nummer. Ik vind het prachtig, ondanks de trieste ondertoon van z’n woorden. De vraag “Are we strangers now?” zadelt me werkelijk op met een brok in de keel, en ook poëtisch kan deze jongen wel wat: “Is it deeper over time; like the river that is windin’ through the canyon”.
Zoals de plaat uptempo opent, sluit die ook af. Wel een pak meer country dan ‘Repo Man’, dit nummer, getiteld ‘Devil’s In The Jukebox’. Er vloeien een paar stijlen samen in deze song; country, soul, blues. Toch heb ik het idee dat dit meer iets is voor een krachtige, doorleefde stem. Een Howlin’ Wolf of zo.
Mijn conclusie is dat dit een plaat is zonder echte missers, zoals alle platen van LaMontagne eigenlijk, en met een paar hoogtepunten (‘Are We Really Through’ en ‘Like Rock & Roll And Radio’ dan vooral), maar er wordt toch een beetje veel met verschillende stijlen gesmeten. Ik apprecieer ’s mans ambitie en experimentatiedrift, z’n muziek zal in ieder geval niet snel saai worden, maar ik hoor LaMontagne liever doen wat ie het best kan, en dat zijn de nummers die ik al aanhaalde als de hoogtepunten. Jawel, de ingetogen pareltjes dus.
3,5 sterren
Raymond van het Groenewoud - Speel (2020)

4,0
1
geplaatst: 12 augustus 2020, 08:04 uur
Erg mooi album van Raymond van het Groenewoud, die eerder dit jaar zijn zeventigste verjaardag vierde. De hoes intrigeerde me meteen: twee ouwelui die markante fysieke gelijkenissen bevatten (ze komen me voor als de Amsterdamsche Jansen & Janssen), met Café 't Prinsenhofje in de achtergrond. De voorste van het olijke tweetal heeft de camera in de smiezen; de achterste lijkt afgeleid; een fiets staat geparkeerd tegen de voorgevel van het café. Ze lijken de weg kwijt, maar is dat ook zo?
De hoes is geen toeval, want met Gewoon in Amsterdam heeft Raymond een prachtige ode aan de stad waar hij van 1957 tot 1959 woonde. Hij heeft er - geloof ik - sindsdien ook steeds een speciale band mee gehad; zijn beide ouders waren naar Brussel uitgeweken Amsterdammers.
Andere sterkhouders zijn het aangrijpende Bitter en Bot, een verkapte sneer richting zijn vader, die het gezin al vroeg in de steek liet; het ongedwongen vrolijke Het Is Zo Fijn Wanneer Je Nergens aan Denkt; de aandoenlijke trage ballade 'k Heb Je Graag; het feestelijk klinkende Tegenwoordig, dat op Raymond zijn manier een beeld schetst van de huidige maatschappij.
Maar stinkers zijn hier geenszins te vinden; Raymond heeft een bijzonder consistent album afgeleverd, doorspekt met de hem kenmerkende boeiende teksten met een vleugje excentriciteit, voldoende afwisseling in tempo en instrumentale ondersteuning en 's mans uit de duizenden herkenbare stemgeluid.
Dat Raymond nog lang mag doorgaan!
4 sterren
De hoes is geen toeval, want met Gewoon in Amsterdam heeft Raymond een prachtige ode aan de stad waar hij van 1957 tot 1959 woonde. Hij heeft er - geloof ik - sindsdien ook steeds een speciale band mee gehad; zijn beide ouders waren naar Brussel uitgeweken Amsterdammers.
Andere sterkhouders zijn het aangrijpende Bitter en Bot, een verkapte sneer richting zijn vader, die het gezin al vroeg in de steek liet; het ongedwongen vrolijke Het Is Zo Fijn Wanneer Je Nergens aan Denkt; de aandoenlijke trage ballade 'k Heb Je Graag; het feestelijk klinkende Tegenwoordig, dat op Raymond zijn manier een beeld schetst van de huidige maatschappij.
Maar stinkers zijn hier geenszins te vinden; Raymond heeft een bijzonder consistent album afgeleverd, doorspekt met de hem kenmerkende boeiende teksten met een vleugje excentriciteit, voldoende afwisseling in tempo en instrumentale ondersteuning en 's mans uit de duizenden herkenbare stemgeluid.
Dat Raymond nog lang mag doorgaan!
4 sterren
Revere - Hey! Selim (2010)

4,5
0
geplaatst: 30 december 2010, 12:05 uur
Revere is een veelzijdige band. Veel invloeden kunnen genoemd worden. Dan denk ik aan Arcade Fire, Beirut, Sigur Ros, Radiohead, Porcupine Tree en andere. Toch slaagt de band erin om een unieke sound te creëren. Dat ‘Hey! Selim’ één van mijn favoriete platen van 2010 is, hoeft daarom niet te verbazen.
Het begint al met ‘Forgotten Names’, een bijzonder sfeervolle opener. Een wals die steeds meer aanzwelt. Dan volgt ‘As The Radars Sleep’, waarin Arcade Fire duidelijk te herkennen valt. Het Arcade Fire van ‘Funeral’, tenminste. Laag over laag over laag. De zang van Stephen Ellis stoot recht door mijn borstkas naar mijn hart, het raakt me allemaal geweldig.
‘We Won’t Be Here Tomorrow’, bijna 3 minuten geweld. Zo klinken bands als Editors en The Killers in hun stoutste dromen. Venijnig, overweldigend, verdomd catchy. Om dan met iets helemaal anders van start te gaan. ‘The Escape Artist’ begint ingetogen, de zang doet me hier vaag denken aan die van Thom Yorke, zo’n beetje in het ijle weg, en toch fantastisch klinken. “Hold both my hands, don’t let go; hold both my hands, through the war” gaat het. In songschrijverij zijn de mensen van Revere dus ook al sterk. Na ongeveer 4 minuten begint dan dat begeesterende gitaarstuk, met invallende drums, waarna de spanning, kortstondig gebroken, weer langzaam wordt opgebouwd. Hier bestaat maar één woord voor, en dat is: wonderschoon. Die drummer doet trouwens een fantastische job, echt waar!
Tijd voor een walsje. Zo komt ‘They Always Knock Twice’ toch binnengelopen, op piano. De zang, en een lekker vioolsausje eromheen. Ook wordt hier harp gespeeld, denk ik. Later nog wat blazers erdoorheen. ‘Throwing Stones’ begint weer met zo’n geweldige ijle gitaarlijn. Je weet dat er iets interessants staat te gebeuren, je bent gewaarschuwd. Je bereidt je voor op een mokerslag, de zoveelste al op deze plaat. Tot de piano lieflijk invalt. Nee, het wordt een ingetogen song, denk je dan. Toch houdt het drumwerk de spanning in treffend in stand. De gitaarlijn zwelt aan. Het Arcade Fire-gevoel, vermengd met de melancholie van Sigur Ros. De drums slaan door, en een geluidstorm komt op gang, subtiel doorweven met die lieflijke piano. Blazers en strijkers maken het geheel nog een beetje grootser. Na 20 keer komt het nog altijd even indrukwekkend op me over. Na 4 en halve minuut volgt een rustiger stuk. Zo eindigt deze song. In verbluffende schoonheid, met strijkers.
‘The Hating Book’ begint met geroezemoes van mensen op de achtergrond, gevolgd door een man die iets declameert. Daarna begint de eigenlijke song, met zware strijkers en een gitaar. Het Raven String Quartet speelt op deze plaat mee als begeleiding, lees ik ergens. Ze doen dat goed. Erg dreigende song. Toch duurt het lang voordat de song echt openbarst. Maar dat zulks moet gebeuren, dat voel je wel aan. De eerste vier minuten zijn een bijzonder mooie voorbode op de laatste minuut, waarin het geluid aanzwelt. “I’ll write you in my hating book” wordt er gezongen, en dan barst de storm los. ’t Is een korte storm, akkoord, maar een heftige.
Dan één van m’n favorieten, ‘I Can’t (Forgive Myself)’. Die loodzware blazers in de beginfase zetten perfect de sfeer neer, waarna er een plotse omslag wordt gemaakt in het geluid, een beetje luchtiger. “How can I ask you to forgive me when I can’t forgive myself?” vraagt men zich af. Een vraag die moeilijk te beantwoorden valt. Daarna schakelt men over naar een hogere versnelling. De zang is beklemmend en bedreigend. De krankzinnige gitaar die straks prominent op de voorgrond zal treden, is nu bij vlagen al te horen. Nu zijn de blazers het nog die de overhand hebben (naast de zang). Na 3 minuten 20 seconden stopt men abrupt met blazen, wordt er een oorlogsmars geroffeld op het drumstel, en valt instrument na instrument in. Vinnige strijkers, en een gitaar die nog even kan worden ingehouden. Daarna komt het moment. Die krankzinnige, zeer eigenzinnige gitaarsolo. Het geluid stuitert alle kanten uit, maar het klinkt wel fantastisch. Daarna komen de blazers weer aan het woord, en de strijkers maken de song rond.
‘Things We Said’ doet in het begin best aan Porcupine Tree denken, vind ik. Het is wederom een erg beklemmend nummer, en de strijkers zijn ook weer van de partij. “The things we said, we now regret”. Ook de blazers vallen weer in. Telkens weer dezelfde instrumenten, en toch gaat het nergens tegenstaan, want elk nummer is compleet anders. 12 sfeervolle luisterervaringen. De uitbarsting rond 3 minuten 20 seconden is memorabel. Een geweldige mengelmoes van geluid passeert de revue, en zo eindigt de song.
Het langste nummer van deze plaat is ‘I Bet You Want Blood’. En het intrigeert vanaf de eerste noot. Ook dit leunt wel wat naar Porcupine Tree, het herbergt die zelfde duisternis. Na een vrij lange, maar uiterst dreigende, spannende intro, begint de song met een geweldige gitaarlijn. Ook de naam Godspeed You! Black Emperor wordt hier wel eens genoemd. Kan ik alleen maar mee akkoord gaan. Die magistrale opbouw van suspens, dat konden die Canadezen ook. Heel geduldig wordt er naar een climax opgebouwd, na ongeveer 3 minuten barst het nummer open. Monden vallen open, althans de mijne toch, van verbazing. Na 4 minuten is er weer zo’n typische ijle gitaarlijn die alle geweld doorbreekt. Een half minuutje later vallen strijkers in. Nog een half minuutje later begint de opbouw naar een tweede climax. Op de achtergrond is iets hoorbaars, het lijkt wel de kreet van een dinosaurus of een ander prehistorisch wezen. De laatste minuut begint met een fantastische ontploffing. De zang escaleert, gaat naar het ‘Child In Time’-niveau. De laatste minuut is er één om te onthouden.
Hiermee is dat gedeelte ook weer afgesloten. Volgende gedeelte dan maar. ‘Maybe In Time’ leunt weer meer aan bij songs als ‘Throwing Stones’ en ‘The Hating Book’, en aan de pianowalsjes. Bijzonder sfeervol nummer. De piano neemt de luisteraar mee naar een andere wereld, een verlichte wereld waar mensen met pruiken thee drinken en over ‘Candide’ van Voltaire discussiëren. De strijkers en gitaar halen je terug naar de 21ste eeuw. Vervolgens wordt je gehypnotiseerd door het gitaarspel en de haast bezwerende zang. In de uithalen liggen kilo’s emotie. Tijd voor het laatste nummer.
Dat is ‘Too Many Satellites’. Een intro van gitaargeluid maakt de baan vrij voor weer zo’n kenmerkende gitaarlijn, even later vallen de strijkers in. De strijkers gaan naar een breekpunt werken, dat voel je. De cello valt in, en zorgt voor een nog somberder, dieper getroffen gevoel. Na 3 en halve minuut zet een soort van koor in. De outro van ‘Hey! Selim’ duurt 4 minuten en half.
Revere heeft met zijn eerste langspeler meteen een voltreffer in handen; een klein uur wordt de luisteraar overweldigd door verschillende emoties, gaande van melancholie over nostalgie tot angst en ontzetting. Verder wil ik het drumwerk nog eens extra in de bloemetjes zetten, want dat is toch echt geweldig op deze plaat, en stuwt de muziek als het ware voort. Een leidraad.
Revere krijgt van mij de bijna perfecte score, en een mooi plaatsje in mijn eindejaarstop 10.
4,5 sterren
P.S. Voor wie dit goed vindt, probeer ook eens 'The Devil And I', van Lone Wolf. Ook dit jaar uitgekomen, ook in m'n eindejaarstop 10, en ook retegoed.
Het begint al met ‘Forgotten Names’, een bijzonder sfeervolle opener. Een wals die steeds meer aanzwelt. Dan volgt ‘As The Radars Sleep’, waarin Arcade Fire duidelijk te herkennen valt. Het Arcade Fire van ‘Funeral’, tenminste. Laag over laag over laag. De zang van Stephen Ellis stoot recht door mijn borstkas naar mijn hart, het raakt me allemaal geweldig.
‘We Won’t Be Here Tomorrow’, bijna 3 minuten geweld. Zo klinken bands als Editors en The Killers in hun stoutste dromen. Venijnig, overweldigend, verdomd catchy. Om dan met iets helemaal anders van start te gaan. ‘The Escape Artist’ begint ingetogen, de zang doet me hier vaag denken aan die van Thom Yorke, zo’n beetje in het ijle weg, en toch fantastisch klinken. “Hold both my hands, don’t let go; hold both my hands, through the war” gaat het. In songschrijverij zijn de mensen van Revere dus ook al sterk. Na ongeveer 4 minuten begint dan dat begeesterende gitaarstuk, met invallende drums, waarna de spanning, kortstondig gebroken, weer langzaam wordt opgebouwd. Hier bestaat maar één woord voor, en dat is: wonderschoon. Die drummer doet trouwens een fantastische job, echt waar!
Tijd voor een walsje. Zo komt ‘They Always Knock Twice’ toch binnengelopen, op piano. De zang, en een lekker vioolsausje eromheen. Ook wordt hier harp gespeeld, denk ik. Later nog wat blazers erdoorheen. ‘Throwing Stones’ begint weer met zo’n geweldige ijle gitaarlijn. Je weet dat er iets interessants staat te gebeuren, je bent gewaarschuwd. Je bereidt je voor op een mokerslag, de zoveelste al op deze plaat. Tot de piano lieflijk invalt. Nee, het wordt een ingetogen song, denk je dan. Toch houdt het drumwerk de spanning in treffend in stand. De gitaarlijn zwelt aan. Het Arcade Fire-gevoel, vermengd met de melancholie van Sigur Ros. De drums slaan door, en een geluidstorm komt op gang, subtiel doorweven met die lieflijke piano. Blazers en strijkers maken het geheel nog een beetje grootser. Na 20 keer komt het nog altijd even indrukwekkend op me over. Na 4 en halve minuut volgt een rustiger stuk. Zo eindigt deze song. In verbluffende schoonheid, met strijkers.
‘The Hating Book’ begint met geroezemoes van mensen op de achtergrond, gevolgd door een man die iets declameert. Daarna begint de eigenlijke song, met zware strijkers en een gitaar. Het Raven String Quartet speelt op deze plaat mee als begeleiding, lees ik ergens. Ze doen dat goed. Erg dreigende song. Toch duurt het lang voordat de song echt openbarst. Maar dat zulks moet gebeuren, dat voel je wel aan. De eerste vier minuten zijn een bijzonder mooie voorbode op de laatste minuut, waarin het geluid aanzwelt. “I’ll write you in my hating book” wordt er gezongen, en dan barst de storm los. ’t Is een korte storm, akkoord, maar een heftige.
Dan één van m’n favorieten, ‘I Can’t (Forgive Myself)’. Die loodzware blazers in de beginfase zetten perfect de sfeer neer, waarna er een plotse omslag wordt gemaakt in het geluid, een beetje luchtiger. “How can I ask you to forgive me when I can’t forgive myself?” vraagt men zich af. Een vraag die moeilijk te beantwoorden valt. Daarna schakelt men over naar een hogere versnelling. De zang is beklemmend en bedreigend. De krankzinnige gitaar die straks prominent op de voorgrond zal treden, is nu bij vlagen al te horen. Nu zijn de blazers het nog die de overhand hebben (naast de zang). Na 3 minuten 20 seconden stopt men abrupt met blazen, wordt er een oorlogsmars geroffeld op het drumstel, en valt instrument na instrument in. Vinnige strijkers, en een gitaar die nog even kan worden ingehouden. Daarna komt het moment. Die krankzinnige, zeer eigenzinnige gitaarsolo. Het geluid stuitert alle kanten uit, maar het klinkt wel fantastisch. Daarna komen de blazers weer aan het woord, en de strijkers maken de song rond.
‘Things We Said’ doet in het begin best aan Porcupine Tree denken, vind ik. Het is wederom een erg beklemmend nummer, en de strijkers zijn ook weer van de partij. “The things we said, we now regret”. Ook de blazers vallen weer in. Telkens weer dezelfde instrumenten, en toch gaat het nergens tegenstaan, want elk nummer is compleet anders. 12 sfeervolle luisterervaringen. De uitbarsting rond 3 minuten 20 seconden is memorabel. Een geweldige mengelmoes van geluid passeert de revue, en zo eindigt de song.
Het langste nummer van deze plaat is ‘I Bet You Want Blood’. En het intrigeert vanaf de eerste noot. Ook dit leunt wel wat naar Porcupine Tree, het herbergt die zelfde duisternis. Na een vrij lange, maar uiterst dreigende, spannende intro, begint de song met een geweldige gitaarlijn. Ook de naam Godspeed You! Black Emperor wordt hier wel eens genoemd. Kan ik alleen maar mee akkoord gaan. Die magistrale opbouw van suspens, dat konden die Canadezen ook. Heel geduldig wordt er naar een climax opgebouwd, na ongeveer 3 minuten barst het nummer open. Monden vallen open, althans de mijne toch, van verbazing. Na 4 minuten is er weer zo’n typische ijle gitaarlijn die alle geweld doorbreekt. Een half minuutje later vallen strijkers in. Nog een half minuutje later begint de opbouw naar een tweede climax. Op de achtergrond is iets hoorbaars, het lijkt wel de kreet van een dinosaurus of een ander prehistorisch wezen. De laatste minuut begint met een fantastische ontploffing. De zang escaleert, gaat naar het ‘Child In Time’-niveau. De laatste minuut is er één om te onthouden.
Hiermee is dat gedeelte ook weer afgesloten. Volgende gedeelte dan maar. ‘Maybe In Time’ leunt weer meer aan bij songs als ‘Throwing Stones’ en ‘The Hating Book’, en aan de pianowalsjes. Bijzonder sfeervol nummer. De piano neemt de luisteraar mee naar een andere wereld, een verlichte wereld waar mensen met pruiken thee drinken en over ‘Candide’ van Voltaire discussiëren. De strijkers en gitaar halen je terug naar de 21ste eeuw. Vervolgens wordt je gehypnotiseerd door het gitaarspel en de haast bezwerende zang. In de uithalen liggen kilo’s emotie. Tijd voor het laatste nummer.
Dat is ‘Too Many Satellites’. Een intro van gitaargeluid maakt de baan vrij voor weer zo’n kenmerkende gitaarlijn, even later vallen de strijkers in. De strijkers gaan naar een breekpunt werken, dat voel je. De cello valt in, en zorgt voor een nog somberder, dieper getroffen gevoel. Na 3 en halve minuut zet een soort van koor in. De outro van ‘Hey! Selim’ duurt 4 minuten en half.
Revere heeft met zijn eerste langspeler meteen een voltreffer in handen; een klein uur wordt de luisteraar overweldigd door verschillende emoties, gaande van melancholie over nostalgie tot angst en ontzetting. Verder wil ik het drumwerk nog eens extra in de bloemetjes zetten, want dat is toch echt geweldig op deze plaat, en stuwt de muziek als het ware voort. Een leidraad.
Revere krijgt van mij de bijna perfecte score, en een mooi plaatsje in mijn eindejaarstop 10.
4,5 sterren
P.S. Voor wie dit goed vindt, probeer ook eens 'The Devil And I', van Lone Wolf. Ook dit jaar uitgekomen, ook in m'n eindejaarstop 10, en ook retegoed.

River of Souls - The Nihilist (2018)

3,5
1
geplaatst: 30 januari 2018, 21:17 uur
River of Souls bracht in 2017 al een langspeler uit, maar is nu terug met een nieuwe drummer, onze eigenste Don Cappuccino! Deze EP is alvast meer dan behoorlijk, hoewel niet alles me even goed bevalt.
Opener Unmanifest werd al wat eerder op de mensheid losgelaten, als voorproefje voor de EP The Nihilist. Hoewel ik de song deze maand al een aantal keer heb beluisterd, treedt er vooralsnog geen metaalmoeheid op; de song klinkt al lekker vertrouwd, en alle elementen komen hier eigenlijk erg goed uit de verf.
The Nihilist is met z'n ruim 9 minuten de ruggengraat van dit plaatje, maar klinkt me soms wat onevenwichtig in de oren. De passages waar de zanger wat cleaner probeert te zingen, overtuigen me niet. De ritmewisseling ergens middenin wist me dan weer wel te verrassen, en vanaf dat moment is het genieten geblazen.
Requiem in Am mag de zitting sluiten, en dan zitten die kleine 20 minuten er algauw op. Er schuilt behoorlijk wat epiek in dit ensemble, en hopelijk kunnen ze het potentieel dat duidelijk in dit gezelschap schuilgaat, in de toekomst waarmaken. Toch laat deze EP me met gemengde gevoelens achter, maar de balans slaat uiteindelijk toch flink positief uit, hoor.
3,5 sterren
Opener Unmanifest werd al wat eerder op de mensheid losgelaten, als voorproefje voor de EP The Nihilist. Hoewel ik de song deze maand al een aantal keer heb beluisterd, treedt er vooralsnog geen metaalmoeheid op; de song klinkt al lekker vertrouwd, en alle elementen komen hier eigenlijk erg goed uit de verf.
The Nihilist is met z'n ruim 9 minuten de ruggengraat van dit plaatje, maar klinkt me soms wat onevenwichtig in de oren. De passages waar de zanger wat cleaner probeert te zingen, overtuigen me niet. De ritmewisseling ergens middenin wist me dan weer wel te verrassen, en vanaf dat moment is het genieten geblazen.
Requiem in Am mag de zitting sluiten, en dan zitten die kleine 20 minuten er algauw op. Er schuilt behoorlijk wat epiek in dit ensemble, en hopelijk kunnen ze het potentieel dat duidelijk in dit gezelschap schuilgaat, in de toekomst waarmaken. Toch laat deze EP me met gemengde gevoelens achter, maar de balans slaat uiteindelijk toch flink positief uit, hoor.

3,5 sterren
Rob Frye - Exoplanet (2021)

3,5
0
geplaatst: 14 november 2021, 09:19 uur
Ik dacht van deze Rob Frye al eerder eens wat te hebben gehoord, maar dit is zijn debuut als bandleider, en niet eens zo lang geleden was hij werkzaam in het Institute for Bird Populations in California. Bleek dat ik hem verwarde met Rob Mazurek.
Die verwarring berust overigens uitsluitend op de gedeelde voornaam, want hoewel beiden aan het vermaarde Astral Spirits-label gelieerd zijn (Mazurek bracht vorig jaar nog een fijne plaat uit met Chicago Underground Quartet), ligt dit muzikaal toch wat anders. Frye heeft zijn werkervaring duidelijk mee naar de compositieruimte genomen; de muziek klinkt erg organisch, soms zelfs rustgevend. De twee tracks met abstracte titels zouden niet verwijzen naar verre planeten (die krijgen na ontdekking weleens zo'n catalogusnaam), wel naar vogels waarvan geluidopnames te horen zijn, gemaakt door Peter Boesman in het Amazonegebied.
Iedere muzikant speelt hier zijn rolletje, de ene al wat extravaganter dan de andere. Wat mij vooral opvalt, is het fraaie cornetspel van Ben Lamar Gay, én de twee drummers. Dat laatste werkt erg goed, wat mij betreft, en verzorgt een fijne dynamiek. Er wordt ook heel wat gebruik gemaakt van synthesizers, wat ik dan weer net wat minder vind. Maar een fijne luisterervaring is dit zeker!
3,5 sterren
Die verwarring berust overigens uitsluitend op de gedeelde voornaam, want hoewel beiden aan het vermaarde Astral Spirits-label gelieerd zijn (Mazurek bracht vorig jaar nog een fijne plaat uit met Chicago Underground Quartet), ligt dit muzikaal toch wat anders. Frye heeft zijn werkervaring duidelijk mee naar de compositieruimte genomen; de muziek klinkt erg organisch, soms zelfs rustgevend. De twee tracks met abstracte titels zouden niet verwijzen naar verre planeten (die krijgen na ontdekking weleens zo'n catalogusnaam), wel naar vogels waarvan geluidopnames te horen zijn, gemaakt door Peter Boesman in het Amazonegebied.
Iedere muzikant speelt hier zijn rolletje, de ene al wat extravaganter dan de andere. Wat mij vooral opvalt, is het fraaie cornetspel van Ben Lamar Gay, én de twee drummers. Dat laatste werkt erg goed, wat mij betreft, en verzorgt een fijne dynamiek. Er wordt ook heel wat gebruik gemaakt van synthesizers, wat ik dan weer net wat minder vind. Maar een fijne luisterervaring is dit zeker!
3,5 sterren
Rorcal - Világvége (2013)

4,0
0
geplaatst: 29 juni 2013, 14:57 uur
De Zwitserse vulkaan Rorcal barstte zo’n 3 jaar geleden uit z’n voegen met ‘Heliogabalus’, een wel erg ambitieus project. Een album van een dik uur, dat je kon opvatten als één lang nummer, over een veelbesproken, decadente Romeinse keizer. Alleraardigst, maar toch iets te groots opgezet, naar mijn mening. En dus niet over de gehele lijn geslaagd.
De opvolger, ‘Világvége’, is een ander paar mouwen. Hoewel ook erg hard, kruipt deze veel meer onder de huid. Ondanks het feit dat de plaat is opgedeeld in 8 hoofdstukken als het ware, voelt dit meestal aan als één lang nummer. De titel van het album staat synoniem voor Apocalyps, Armageddon. Het einde der tijden. Het is geen muziek om rustig op de achtergrond te spelen, onder het genot van een glaasje witte wijn en een zomers romannetje. Het is muziek die je onderdompelt in de onheilsvertelling die de Apocalyps is. Duivels, episch, ronduit angstaanjagend.
Wat meteen opvalt, is de naamgeving van de nummers. Romeinse cijfers, maar enkel opener en afsluiter komen overeen met hun Arabische soortgenoten. Geen idee wat hiermee bedoeld wordt, het is wel intrigerend. Dat zorgt ervoor dat je je automatisch gaat afvragen wat hier de zin van is, terwijl dat helemaal niet nodig is. Het enige dat nodig is tijdens het beluisteren van deze plaat, is zoveel mogelijk kippenvel op je armen te kweken. En de zwarte gal in je kolkende binnenste te laten zegevieren.
De cover van het album is lekker vaag en mistig. Voor mij vertaalt de cover de boodschap van het album op treffende wijze. Het einde der tijden is nabij, volgens de Zwitsers, en dat zal geen lachertje worden. Alles loopt kriskras door elkaar, chaos heerst weerom, het hele Zijn wordt één immense grijze zone.
De gitaren houden nauwelijks halt, en de vocalen razen maar door en door. Dit is in veel gevallen teveel van het goede, maar hier werkt het meer dan prima. ‘Világvége’ is als een wilde lynchjacht, en de luisteraar is het doelwit. Het einde van ‘V’, waarin een soort van bombastische operapassage weerklinkt, zorgt voor een beetje verpozing. Maar dan toch zeer relatief, en ook niet lang, want met ‘IV’ (inderdaad, ná ‘V’) begint alweer een monster van een song. De adrenaline die in ‘V’ wordt opgeslagen, komt hier in een dikke 3 minuten helemaal vrij. En zo voelt het als een vreemd soort verlossing. Het einde der tijden kan dus ook vanuit die hoek belicht worden. Dat trucje wordt overigens nog ‘ns toegepast bij het einde van ‘VII’. De plotse overgang van bombastisch operagezang naar heftige black metal houdt de luisteraar wakker.
In een bepaalde review, op het net te vinden, wordt het album afgedaan als “het zoveelst black / doom metal album over de Apocalyps. In mijn ogen is het dus toch wel wat meer. ‘VII’ is één van de strafste songs, met verrassend veel melodieus gitaarwerk, maar ook het logge, doomy karakter van een track als ‘D’. U merkt het, de titels maken het wat abstracter, maar laat dat de demonische pret niet bederven!
Rorcal is een Zwitserse band (geen Zweedse dus, zoals soms verkeerdelijk wordt aangehaald) die black en doom op een zeer geslaagde manier weet te combineren, en tot een hels geheel heeft gesmeed. Hun benadering van de subgenres is erg interessant, en komt bovenal ontzettend hard aan. Uitstekende plaat, dus.
4 sterren
De opvolger, ‘Világvége’, is een ander paar mouwen. Hoewel ook erg hard, kruipt deze veel meer onder de huid. Ondanks het feit dat de plaat is opgedeeld in 8 hoofdstukken als het ware, voelt dit meestal aan als één lang nummer. De titel van het album staat synoniem voor Apocalyps, Armageddon. Het einde der tijden. Het is geen muziek om rustig op de achtergrond te spelen, onder het genot van een glaasje witte wijn en een zomers romannetje. Het is muziek die je onderdompelt in de onheilsvertelling die de Apocalyps is. Duivels, episch, ronduit angstaanjagend.
Wat meteen opvalt, is de naamgeving van de nummers. Romeinse cijfers, maar enkel opener en afsluiter komen overeen met hun Arabische soortgenoten. Geen idee wat hiermee bedoeld wordt, het is wel intrigerend. Dat zorgt ervoor dat je je automatisch gaat afvragen wat hier de zin van is, terwijl dat helemaal niet nodig is. Het enige dat nodig is tijdens het beluisteren van deze plaat, is zoveel mogelijk kippenvel op je armen te kweken. En de zwarte gal in je kolkende binnenste te laten zegevieren.
De cover van het album is lekker vaag en mistig. Voor mij vertaalt de cover de boodschap van het album op treffende wijze. Het einde der tijden is nabij, volgens de Zwitsers, en dat zal geen lachertje worden. Alles loopt kriskras door elkaar, chaos heerst weerom, het hele Zijn wordt één immense grijze zone.
De gitaren houden nauwelijks halt, en de vocalen razen maar door en door. Dit is in veel gevallen teveel van het goede, maar hier werkt het meer dan prima. ‘Világvége’ is als een wilde lynchjacht, en de luisteraar is het doelwit. Het einde van ‘V’, waarin een soort van bombastische operapassage weerklinkt, zorgt voor een beetje verpozing. Maar dan toch zeer relatief, en ook niet lang, want met ‘IV’ (inderdaad, ná ‘V’) begint alweer een monster van een song. De adrenaline die in ‘V’ wordt opgeslagen, komt hier in een dikke 3 minuten helemaal vrij. En zo voelt het als een vreemd soort verlossing. Het einde der tijden kan dus ook vanuit die hoek belicht worden. Dat trucje wordt overigens nog ‘ns toegepast bij het einde van ‘VII’. De plotse overgang van bombastisch operagezang naar heftige black metal houdt de luisteraar wakker.
In een bepaalde review, op het net te vinden, wordt het album afgedaan als “het zoveelst black / doom metal album over de Apocalyps. In mijn ogen is het dus toch wel wat meer. ‘VII’ is één van de strafste songs, met verrassend veel melodieus gitaarwerk, maar ook het logge, doomy karakter van een track als ‘D’. U merkt het, de titels maken het wat abstracter, maar laat dat de demonische pret niet bederven!
Rorcal is een Zwitserse band (geen Zweedse dus, zoals soms verkeerdelijk wordt aangehaald) die black en doom op een zeer geslaagde manier weet te combineren, en tot een hels geheel heeft gesmeed. Hun benadering van de subgenres is erg interessant, en komt bovenal ontzettend hard aan. Uitstekende plaat, dus.
4 sterren
Roy Orbison and Friends - A Black and White Night Live (1989)
Alternatieve titel: Black & White Night

4,5
4
geplaatst: 27 augustus 2020, 11:17 uur
Op 30 september 1987 stond Roy Orbison in de Coconut Grove Ambassador Hotel in Los Angeles te blinken, met tal van schoon volk (van Bruce Springsteen over Tom Waits & Elvis Costello tot Bonnie Raitt) aan zijn zijde, tijdens een door HBO uitgezonden special. Hiervan zijn verschillende captaties, waaronder ook deze prachtige plaat.
In 1987 stond Orbison, wat mij betreft, aan de vooravond van een heel nieuw hoofdstuk in zijn carrière als artiest. Dit alles werd al in gang gezet doordat David Lynch, al dan niet met toestemming van Orbison zelf, het nummer In Dreams gebruikte in zijn film Blue Velvet. Een jaar later werkte Orbison met o.a. Jeff Lynne, Tom Petty en T Bone Burnett aan het album Mystery Girl, dat postuum zou worden uitgebracht begin 1989. Dit concert moest de grote comeback worden van Orbison.
Dat is dan ook met brio gelukt, wat het des te schrijnender maakt dat hij eind 1988 helaas kwam te overlijden. Wat Orbison's leven dan weer op een sardonische manier kenmerkt; de man heeft veel tegenslagen gekend in het leven. Dit concert bruist en sprankelt, met Orbison in de absolute hoofdrol. Zoals Manfield hierboven ook reeds treffend schreef, is het verwonderlijk hoe naturel Orbison overkomt; hoe makkelijk hij de prachtigste, meest ontroerende melodieën weet te zingen.
Dat dit concert een soort best-of is van Orbison's werk, en hij bijgestaan wordt door een heel leger aan geweldige gasten, draagt ook bij aan de kwaliteit van deze plaat. Orbison brengt hier al twee nummers van Mystery Girl, maar voor het overige passeren zo ongeveer al zijn grote hits. En laat hij hier het merendeel daarvan nog eens zo geweldig brengen dat de studio-versies lichtelijk verbleken, dan weet je wel hoe ik over dit album denk.
4,5 sterren
In 1987 stond Orbison, wat mij betreft, aan de vooravond van een heel nieuw hoofdstuk in zijn carrière als artiest. Dit alles werd al in gang gezet doordat David Lynch, al dan niet met toestemming van Orbison zelf, het nummer In Dreams gebruikte in zijn film Blue Velvet. Een jaar later werkte Orbison met o.a. Jeff Lynne, Tom Petty en T Bone Burnett aan het album Mystery Girl, dat postuum zou worden uitgebracht begin 1989. Dit concert moest de grote comeback worden van Orbison.
Dat is dan ook met brio gelukt, wat het des te schrijnender maakt dat hij eind 1988 helaas kwam te overlijden. Wat Orbison's leven dan weer op een sardonische manier kenmerkt; de man heeft veel tegenslagen gekend in het leven. Dit concert bruist en sprankelt, met Orbison in de absolute hoofdrol. Zoals Manfield hierboven ook reeds treffend schreef, is het verwonderlijk hoe naturel Orbison overkomt; hoe makkelijk hij de prachtigste, meest ontroerende melodieën weet te zingen.
Dat dit concert een soort best-of is van Orbison's werk, en hij bijgestaan wordt door een heel leger aan geweldige gasten, draagt ook bij aan de kwaliteit van deze plaat. Orbison brengt hier al twee nummers van Mystery Girl, maar voor het overige passeren zo ongeveer al zijn grote hits. En laat hij hier het merendeel daarvan nog eens zo geweldig brengen dat de studio-versies lichtelijk verbleken, dan weet je wel hoe ik over dit album denk.
4,5 sterren
Royal Trux - Twin Infinitives (1990)

3,5
0
geplaatst: 4 mei 2012, 18:41 uur
Laat ik beginnen met dit te zeggen: ‘Twin Infinitives’ klinkt als niets wat ik ooit tevoren heb gehoord. Een beetje een clichématige uitroep, ik weet het, maar ik zou niet weten hoe ik anders zou moeten openen. Het is dan ook opzienbarend wat Paalhaas in z’n bericht zegt, dat deze plaat namelijk gemaakt is tijdens drugvrije periodes. Want 69 minuten nadat je op de “Play”-toets hebt gedrukt om dit album te laten spelen, vraag je je niet af of ze drugs hebben genomen, maar eerder hoeveel.
’t Is een plaat die kant noch wal raakt, er lijkt überhaupt helemaal geen lijn in te zitten naar mijn mening. Maar goed, dat hoort wel bij het noisegenre, waar deze plaat wel wat van weg heeft. Verder heeft het ook wel iets psychedelisch, met die trippende gitaarecho’s en soms freaky vocalen. Avant-gardistisch klinkt het ook, futuristisch zelfs, het klinkt soms erg metalig en post-hedendaags, alsof de plaat is meegereisd met een tijdreiziger uit het jaar 2148. Ik zeg maar wat.
Interessante, eigenaardige en vooral eigenzinnige muziek maken, daar zweren heel wat artiesten bij. Ze pretenderen ook allemaal dat ze echt interessante, eigenaardige en vooral eigenzinnige muziek maken. Maar briljant vind ik het zelden. Oké, er zijn wel wat uitzonderingen, denk ik dan. Zo heb je Comets on Fire, een zijproject van Ben Chasny, u ongetwijfeld beter bekend van Six Organs of Admittance. En de gekheid van Captain Beefheart en Frank Zappa weet ik ook altijd wel te waarderen. De voorbeelden van het tegenovergestelde zijn echter veel talrijker. ‘Metal Machine Music’ van Lou Reed vind ik maar niets, en ook dingen als ‘Cosmic Interception’ van Von Lmo komen bij mij niet hoger uit dan een “zozo”. Als ik het zo bekijk, heb ik meer voorbeelden gegeven van goeie eigenzinnigheid dan slechte.
En waar valt Royal Trux nu onder te brengen? Enfin, ‘Twin Infinitives’? wat mij betreft, er een beetje tussenin. Ook dit vind ik niet briljant, maar hemeltergend is het zeker niet. Ik weet het zeker te waarderen, dit plaatje en zijn grillige, duistere sfeer. De echo’s, de geluidslagen, de aparte vocalen, ’t is allemaal goed gedaan, en bij sommige songs klopt het plaatje dan ook, zoals de opener. Die duurt misschien maar een goeie 2 minuten, maar die vind ik echt heel erg goed. De ideale manier om in zo’n complex werkstuk te worden gesleurd. Een uitnodiging.
Wat nog typisch is aan deze plaat, is dat praktisch elke track eindigt in stilte. Dat varieert van enkele seconden tot een halve minuut of zelfs langer. Ik weet niet of dit ook zo is op plaat, maar ik vind het best kunstzinnig, en stoor me er zeker niet aan. Het lijkt alsof men de luisteraar na elke trip wat respijt wil geven, om op z’n effen te komen.
De titels van de songs zijn niet overdreven, in de zij van “kijk wat voor weirdo’s wij zijn”, en dat weet ik wel te smaken. Een goeie titel is altijd belangrijk, zeg ik altijd, en daar let ik dan ook altijd op. In de wereld van de literatuur kijk ik altijd eerst of de titel me aanstaat, en ook in de muziek speelt dat een rol. Geen overheersende rol, want het is nog altijd de muziek die ‘t ‘m doet, natuurlijk. De lyrics vinden is geen makkelijke klus, maar degene die ik gevonden hebben, zijn meer dan behoorlijk, met af en toe een erg goeie en verrassende zinsnede, zoals in het fantastisch getitelde ‘Chances Are the Comets in Our Future’. Het is een mix van futuristisch, mysterieus gezemel en ontnuchterend realisme. Het ene moment wordt er knap gejongleerd met beeldspraak (“chances are doors that just open up”), om dan keihard in het gezicht te slaan met een lijn als “You can move so many, many times; our home is everywhere we’ve been”.
‘(Edge of the) Ape Oven’ is de hardste noot om te kraken. Het nummer duurt een kwartier, maar ik vind het na enkele luisterbeurten uitgroeien tot een klepper van een song. Het vreemde begin, alsof ze een jamsessie inzetten, trekt meteen mijn aandacht. Langzaam wordt er een heerlijke riff overheen gestrooid. Het gitaarwerk is om duimen en vingers af te likken. De enige song waarvan ik wel kan zeggen dat ik ‘m briljant vind.
En dat is toch overall wat te weinig, één track op vijftien. Tuurlijk, er zijn nog wel songs die absoluut de moeite waard zijn (opener, ‘Chances Are the Comets in Our Future’, om er maar een paar te noemen), maar dit is ‘m toch net niet voor mij, die briljante avant-garde. Ik kan er prima naar luisteren, en ervoor gaan zitten, even al mijn andere bezigheden met mijn imaginaire afstandsbediening op pauze zetten, maar dan nog mist er iets. Het slokt me niet helemaal op. Tegen wil en dank ontsnapt mijn focus soms uit dit spinnenweb, en dat is niet de bedoeling. Ik denk dat de plaat ook een ietsje te lang is, maar ik heb alle respect voor de speelduur, het concept, etc., want de mannen van Royal Trux zullen er zeker een hele bedoeling achter hebben zitten.
‘Twin Infinitives’ is een plaat die je best niet elke dag opzet. Of net wel. Het is een lange trip, die je ternauwernood overleeft, maar waar je als bij wonder toch zonder kleerscheuren weet uit te komen. Met andere woorden: het is een intense beleving, maar het raakt me te weinig.
3,5 sterren
’t Is een plaat die kant noch wal raakt, er lijkt überhaupt helemaal geen lijn in te zitten naar mijn mening. Maar goed, dat hoort wel bij het noisegenre, waar deze plaat wel wat van weg heeft. Verder heeft het ook wel iets psychedelisch, met die trippende gitaarecho’s en soms freaky vocalen. Avant-gardistisch klinkt het ook, futuristisch zelfs, het klinkt soms erg metalig en post-hedendaags, alsof de plaat is meegereisd met een tijdreiziger uit het jaar 2148. Ik zeg maar wat.
Interessante, eigenaardige en vooral eigenzinnige muziek maken, daar zweren heel wat artiesten bij. Ze pretenderen ook allemaal dat ze echt interessante, eigenaardige en vooral eigenzinnige muziek maken. Maar briljant vind ik het zelden. Oké, er zijn wel wat uitzonderingen, denk ik dan. Zo heb je Comets on Fire, een zijproject van Ben Chasny, u ongetwijfeld beter bekend van Six Organs of Admittance. En de gekheid van Captain Beefheart en Frank Zappa weet ik ook altijd wel te waarderen. De voorbeelden van het tegenovergestelde zijn echter veel talrijker. ‘Metal Machine Music’ van Lou Reed vind ik maar niets, en ook dingen als ‘Cosmic Interception’ van Von Lmo komen bij mij niet hoger uit dan een “zozo”. Als ik het zo bekijk, heb ik meer voorbeelden gegeven van goeie eigenzinnigheid dan slechte.
En waar valt Royal Trux nu onder te brengen? Enfin, ‘Twin Infinitives’? wat mij betreft, er een beetje tussenin. Ook dit vind ik niet briljant, maar hemeltergend is het zeker niet. Ik weet het zeker te waarderen, dit plaatje en zijn grillige, duistere sfeer. De echo’s, de geluidslagen, de aparte vocalen, ’t is allemaal goed gedaan, en bij sommige songs klopt het plaatje dan ook, zoals de opener. Die duurt misschien maar een goeie 2 minuten, maar die vind ik echt heel erg goed. De ideale manier om in zo’n complex werkstuk te worden gesleurd. Een uitnodiging.
Wat nog typisch is aan deze plaat, is dat praktisch elke track eindigt in stilte. Dat varieert van enkele seconden tot een halve minuut of zelfs langer. Ik weet niet of dit ook zo is op plaat, maar ik vind het best kunstzinnig, en stoor me er zeker niet aan. Het lijkt alsof men de luisteraar na elke trip wat respijt wil geven, om op z’n effen te komen.
De titels van de songs zijn niet overdreven, in de zij van “kijk wat voor weirdo’s wij zijn”, en dat weet ik wel te smaken. Een goeie titel is altijd belangrijk, zeg ik altijd, en daar let ik dan ook altijd op. In de wereld van de literatuur kijk ik altijd eerst of de titel me aanstaat, en ook in de muziek speelt dat een rol. Geen overheersende rol, want het is nog altijd de muziek die ‘t ‘m doet, natuurlijk. De lyrics vinden is geen makkelijke klus, maar degene die ik gevonden hebben, zijn meer dan behoorlijk, met af en toe een erg goeie en verrassende zinsnede, zoals in het fantastisch getitelde ‘Chances Are the Comets in Our Future’. Het is een mix van futuristisch, mysterieus gezemel en ontnuchterend realisme. Het ene moment wordt er knap gejongleerd met beeldspraak (“chances are doors that just open up”), om dan keihard in het gezicht te slaan met een lijn als “You can move so many, many times; our home is everywhere we’ve been”.
‘(Edge of the) Ape Oven’ is de hardste noot om te kraken. Het nummer duurt een kwartier, maar ik vind het na enkele luisterbeurten uitgroeien tot een klepper van een song. Het vreemde begin, alsof ze een jamsessie inzetten, trekt meteen mijn aandacht. Langzaam wordt er een heerlijke riff overheen gestrooid. Het gitaarwerk is om duimen en vingers af te likken. De enige song waarvan ik wel kan zeggen dat ik ‘m briljant vind.
En dat is toch overall wat te weinig, één track op vijftien. Tuurlijk, er zijn nog wel songs die absoluut de moeite waard zijn (opener, ‘Chances Are the Comets in Our Future’, om er maar een paar te noemen), maar dit is ‘m toch net niet voor mij, die briljante avant-garde. Ik kan er prima naar luisteren, en ervoor gaan zitten, even al mijn andere bezigheden met mijn imaginaire afstandsbediening op pauze zetten, maar dan nog mist er iets. Het slokt me niet helemaal op. Tegen wil en dank ontsnapt mijn focus soms uit dit spinnenweb, en dat is niet de bedoeling. Ik denk dat de plaat ook een ietsje te lang is, maar ik heb alle respect voor de speelduur, het concept, etc., want de mannen van Royal Trux zullen er zeker een hele bedoeling achter hebben zitten.
‘Twin Infinitives’ is een plaat die je best niet elke dag opzet. Of net wel. Het is een lange trip, die je ternauwernood overleeft, maar waar je als bij wonder toch zonder kleerscheuren weet uit te komen. Met andere woorden: het is een intense beleving, maar het raakt me te weinig.
3,5 sterren
Ryan Adams - Ashes & Fire (2011)

4,0
0
geplaatst: 26 december 2011, 14:29 uur
Zijn goeie vrienden Gillian Welch en David Rawlings hebben met ‘The Harrow & the Harvest’ één van de mooiste albums van het jaar gemaakt, maar ook Ryan Adams liet van zich spreken dit jaar, en bracht voor het eerst sinds een paar jaar weer een sterke plaat uit. Het niveau van ‘Heartbreaker’ wordt niet gehaald, maar dat is dan ook een fantastische plaat, die je maar één keer in je leven maakt. Ryan Adams stapt heden ten dage minder neerslachtig door het leven, en dat schemert ook wel door in z’n nieuwe plaat, ‘Ashes & Fire’. Al zijn er ook trieste momenten.
Het eerste dat opvalt na een paar luisterbeurten, is de toon van het album. ‘Ashes & Fire’ valt niet onder één bepaalde toon te scharen, want waar de titelsong opbeurend klinkt, voel je je opeens klein wanneer ‘Come Home’ ten beste wordt gegeven. De meeste songs klinken ingetogen; Adams is nochtans een fervent liefhebber van black metal, wat veel mensen zal verbazen. Nou ja, mij verbaast het niet echt; black metal kan erg emotioneel zijn en in de ziel wroeten, en dat is nou net wat Ryan Adams doet met zijn Amerikaanse countryrock.
Het op voorhand vrijgegeven ‘Lucky Now’ vond ik erg vrolijk klinken, en geeft misschien niet het beste beeld van het album als geheel. Aan de hand van die song zou je kunnen gaan denken dat Adams nu simpele, onbezorgde poprock zou maken, maar dat is niet helemaal juist. Jawel, er staan zo een paar nummers op, maar aan de andere kant heb je pareltjes als het ingetogen ‘Rocks’, het al eerder genoemde ‘Come Home’, dat me doet denken aan een rustige Neil Young en ‘Kindness’, met zijn fantastische refrein, dat ik keer op keer vol overtuiging mee zing, alsof ik ertoe gedwongen word.
Maar eigenlijk staat hier geen enkele song op die de moeite niet is; Ryan Adams is door de jaren en miserie heen een vakman geworden, met erg veel stielkennis, maar hij is nooit vergeten wat hem groot heeft gemaakt, en misschien wel daarom is ‘Ashes & Fire’ zo’n overwegend ingetogen plaat geworden; Adams heeft eindelijk zielsrust gevonden. De zeldzame keren dat hij zich nog eens laat gaan middels een lekkere gitaarsolo, is het ook voor de volle 100% raak. De solo op ‘Do I Wait’ snijdt door merg en been, en wanneer het nummer heerlijk aanzwelt en plots weer abrupt klein wordt om op z’n eind te lopen, maken dat dit nummer boven het gros van de hedendaagse popmuziek uittorent.
Adams mag dan wel gelukkiger zijn nu, toch blijft zijn zelftwijfel bestaan. ‘I Love You, But I Don’t Know What to Say’, een typische Adams-titel, geeft dat aan naar mijn mening; een mooie ballad, waarin Adams zijn liefde bezingt, maar eigenlijk niet weet wat hij nu precies moet zeggen. De teksten zijn trouwens (hoe kan het ook anders bij Adams?) erg sterk, niet alleen de tekst van dit nummer. Of het nu gaat over regen, wachten en tranen (‘Dirty Rain); over het loslaten van je gevoelens en de persoon die op je wacht (‘Come Home’); of over de vraag of het wel de moeite loont om te wachten op iemand die toch niet zal komen (‘Do I Wait’); altijd weet Adams te overtuigen met zijn mooie strofes en het leven voor te stellen als een mengeling van tristesse en vreugde.
‘Ashes & Fire’ is voor mij de eerste sterke plaat van Ryan Adams sinds ‘29’. Dat is een heel andere plaat, gemaakt in een heel andere periode van Adams’ leven. Laten we hopen dat Adams weer in zo’n (op artistiek vlak, dan) sterke periode is terechtgekomen, en ons nog veel ijzersterke platen zoals deze zal schenken.
4 sterren
Het eerste dat opvalt na een paar luisterbeurten, is de toon van het album. ‘Ashes & Fire’ valt niet onder één bepaalde toon te scharen, want waar de titelsong opbeurend klinkt, voel je je opeens klein wanneer ‘Come Home’ ten beste wordt gegeven. De meeste songs klinken ingetogen; Adams is nochtans een fervent liefhebber van black metal, wat veel mensen zal verbazen. Nou ja, mij verbaast het niet echt; black metal kan erg emotioneel zijn en in de ziel wroeten, en dat is nou net wat Ryan Adams doet met zijn Amerikaanse countryrock.
Het op voorhand vrijgegeven ‘Lucky Now’ vond ik erg vrolijk klinken, en geeft misschien niet het beste beeld van het album als geheel. Aan de hand van die song zou je kunnen gaan denken dat Adams nu simpele, onbezorgde poprock zou maken, maar dat is niet helemaal juist. Jawel, er staan zo een paar nummers op, maar aan de andere kant heb je pareltjes als het ingetogen ‘Rocks’, het al eerder genoemde ‘Come Home’, dat me doet denken aan een rustige Neil Young en ‘Kindness’, met zijn fantastische refrein, dat ik keer op keer vol overtuiging mee zing, alsof ik ertoe gedwongen word.
Maar eigenlijk staat hier geen enkele song op die de moeite niet is; Ryan Adams is door de jaren en miserie heen een vakman geworden, met erg veel stielkennis, maar hij is nooit vergeten wat hem groot heeft gemaakt, en misschien wel daarom is ‘Ashes & Fire’ zo’n overwegend ingetogen plaat geworden; Adams heeft eindelijk zielsrust gevonden. De zeldzame keren dat hij zich nog eens laat gaan middels een lekkere gitaarsolo, is het ook voor de volle 100% raak. De solo op ‘Do I Wait’ snijdt door merg en been, en wanneer het nummer heerlijk aanzwelt en plots weer abrupt klein wordt om op z’n eind te lopen, maken dat dit nummer boven het gros van de hedendaagse popmuziek uittorent.
Adams mag dan wel gelukkiger zijn nu, toch blijft zijn zelftwijfel bestaan. ‘I Love You, But I Don’t Know What to Say’, een typische Adams-titel, geeft dat aan naar mijn mening; een mooie ballad, waarin Adams zijn liefde bezingt, maar eigenlijk niet weet wat hij nu precies moet zeggen. De teksten zijn trouwens (hoe kan het ook anders bij Adams?) erg sterk, niet alleen de tekst van dit nummer. Of het nu gaat over regen, wachten en tranen (‘Dirty Rain); over het loslaten van je gevoelens en de persoon die op je wacht (‘Come Home’); of over de vraag of het wel de moeite loont om te wachten op iemand die toch niet zal komen (‘Do I Wait’); altijd weet Adams te overtuigen met zijn mooie strofes en het leven voor te stellen als een mengeling van tristesse en vreugde.
‘Ashes & Fire’ is voor mij de eerste sterke plaat van Ryan Adams sinds ‘29’. Dat is een heel andere plaat, gemaakt in een heel andere periode van Adams’ leven. Laten we hopen dat Adams weer in zo’n (op artistiek vlak, dan) sterke periode is terechtgekomen, en ons nog veel ijzersterke platen zoals deze zal schenken.
4 sterren
Ryan Adams - Ryan Adams (2014)

3,5
0
geplaatst: 6 januari 2015, 21:30 uur
Zo goed als in de beginjaren van zijn solo-carrière zal het hoogstwaarschijnlijk nooit meer worden, maar Ryan Adams blijft het toch maar doen. Na het wat mindere 'Easy Tiger' was het bang afwachten, maar uiteindelijk kwam Adams met 'Ashes & Fire' in 2011 toch weer scherp uit de hoek, met als gevolg een fraaie, solide plaat. Bovendien is Adams ook nooit vies geweest van uitstapjes, al pakken die niet altijd even goed uit.
In 2014 kwam Adams' 10de plaat uit (als je die met The Cardinals niet meetelt, en het sterke 'Love Is Hell' wel), en de Amerikaan achtte de tijd blijkbaar rijp om een albumtitel uit te kiezen die bij de meeste artiesten / bands op de hoes van hun debuut prijkt; titelloos. "Zo is er meer plaats voor mijn gezicht", moet Adams gedacht hebben. Ryan Adams kijkt op de hoes naar de luisteraar, met een ietwat meewarige, dromerige blik in zijn ogen, waarvan er één verborgen is achter zijn gitzwarte haarlokken. Doet me een beetje aan de jonge Neil Young denken.
Is dit een verborgen hint voor wat de muziek betreft? Welneen. Hoewel Adams' muziek ooit wel met die van Young in verband werd gebracht, is dit toch wel wat anders. Ook Adams durft z'n gitaar wel 'ns te laten scheuren (dat mag ik trouwens graag van 'm horen, zoals hij in het mooie 'Kim', één van de hoogtepunten & songs die na meer dan 10 luisterbeurten nog overeind blijven, weet te charmeren), al gebeurt dat eerder sporadisch. Ook het wat fellere 'Stay with Me' (sterk nummer) weet me te bekoren, al leunt het bij momenten gevaarlijk dicht tegen wat al te makkelijke kant-en-klare pop.
Op die rand blijkt Adams op dit album meermaals te balanceren, en dan gebeurt het wel 'ns dat je op je bek gaat. Zo had het Springsteen-achtige koppel 'Feels Like Fire' en 'I Just Might' niet gehoeven van mij. Laat dat maar aan The Boss over. 'My Wrecking Ball' klinkt dan weer een pak intiemer, maar laten we eerlijk wezen; zo heeft Adams er in het verleden al veel betere geschreven.
Veel kritiek dus, van mijn kant. Maar laten we vooral niet te negatief doen, want veel meer dan bijvoorbeeld 'Heartbreaker' is dit een album dat de luisteraar snel verzadigt, heb ik de indruk. Was ik de eerste malen dat ik het album beluisterde nogal overmoedig enthousiast, is er nu sprake van een flinke bekoeling. Een feit waar ik ook rekening mee moet houden, omdat het dan in de menselijke natuur zit om te gaan compenseren (en dus een minder hoge beoordeling toe te kennen dan het kleinood verdient).
Al bij al is dit zeker geen misse plaat, en ik schenk er met plezier een kleine drie kwartier van m'n tijd aan. Al hadden dat ook tien minuten minder mogen zijn.
3,5 sterren
In 2014 kwam Adams' 10de plaat uit (als je die met The Cardinals niet meetelt, en het sterke 'Love Is Hell' wel), en de Amerikaan achtte de tijd blijkbaar rijp om een albumtitel uit te kiezen die bij de meeste artiesten / bands op de hoes van hun debuut prijkt; titelloos. "Zo is er meer plaats voor mijn gezicht", moet Adams gedacht hebben. Ryan Adams kijkt op de hoes naar de luisteraar, met een ietwat meewarige, dromerige blik in zijn ogen, waarvan er één verborgen is achter zijn gitzwarte haarlokken. Doet me een beetje aan de jonge Neil Young denken.

Is dit een verborgen hint voor wat de muziek betreft? Welneen. Hoewel Adams' muziek ooit wel met die van Young in verband werd gebracht, is dit toch wel wat anders. Ook Adams durft z'n gitaar wel 'ns te laten scheuren (dat mag ik trouwens graag van 'm horen, zoals hij in het mooie 'Kim', één van de hoogtepunten & songs die na meer dan 10 luisterbeurten nog overeind blijven, weet te charmeren), al gebeurt dat eerder sporadisch. Ook het wat fellere 'Stay with Me' (sterk nummer) weet me te bekoren, al leunt het bij momenten gevaarlijk dicht tegen wat al te makkelijke kant-en-klare pop.
Op die rand blijkt Adams op dit album meermaals te balanceren, en dan gebeurt het wel 'ns dat je op je bek gaat. Zo had het Springsteen-achtige koppel 'Feels Like Fire' en 'I Just Might' niet gehoeven van mij. Laat dat maar aan The Boss over. 'My Wrecking Ball' klinkt dan weer een pak intiemer, maar laten we eerlijk wezen; zo heeft Adams er in het verleden al veel betere geschreven.
Veel kritiek dus, van mijn kant. Maar laten we vooral niet te negatief doen, want veel meer dan bijvoorbeeld 'Heartbreaker' is dit een album dat de luisteraar snel verzadigt, heb ik de indruk. Was ik de eerste malen dat ik het album beluisterde nogal overmoedig enthousiast, is er nu sprake van een flinke bekoeling. Een feit waar ik ook rekening mee moet houden, omdat het dan in de menselijke natuur zit om te gaan compenseren (en dus een minder hoge beoordeling toe te kennen dan het kleinood verdient).
Al bij al is dit zeker geen misse plaat, en ik schenk er met plezier een kleine drie kwartier van m'n tijd aan. Al hadden dat ook tien minuten minder mogen zijn.
3,5 sterren
Ryan Bingham & The Dead Horses - Junky Star (2010)

3,5
0
geplaatst: 11 december 2010, 14:28 uur
Zoals ik al eerder zei, ik vind deze 'Junky Star' net wat minder dan 'Mescalito' en 'Roadhouse Sun'. 'The Poet' is alvast een mooie, wat ingetogen opener, drijvend op een rustig gitaarlijntje en af en toe komt de mondharmonica piepen, ter opsmuk. 'The Wandering' bevat dezelfde elementen, maar is iets vinniger. Feit is dat de doorleefd klinkende stem van Bingham perfect past bij de wat melancholisch klinkende muziek die hij maakt.
Dan komt 'Strange Feelin' In The Air'. Dit nummer vind ik erg sterk, onweerstaanbaar zelfs. Meezingen met meneer Bingham is toegelaten. De solo is ook erg leuk!
Het titelnummer is dan weer een ingetogen nummer. Erg mooi en ontroerend, maar ik mot bekennen dat ik Bingham het liefst uitgelaten bezig hoor. Al is zo'n klein nummertje (alweer met mondharmonica!) nooit slecht, en heb ik daar ook wel een zwak voor. Je zou ook kunnen stellen dat ik een zwak heb voor de muziek van Ryan Bingham.
'Depression' is weer iets heftiger, maar springt er voor mij niet echt uit. Voor 'Hallelujah' geldt eigenlijk hetzelfde, al bloeit dat nummer wel open tijdens het reffrein. Een kleine impasse, die ervoor zorgt dat deze plaat een minder goeie score krijgt.
'Yesterday's Blues' begint met mondharmonicaspel. Daarna begint Bingham te zingen en weet ik na zo'n vijf keer luisteren: ja, dit is een erg goed nummer. Ook weer zo'n ingetogen nummer, maar het raakt me wel wat meer dan die andere nummertjes die op deze plaat staan. 'Direction Of The Wind' is wel een erg vinnig, up-temponummer. Ryan Bingham doet me soms denken aan Bob Dylan, en dat is op dit nummer toch wel een beetje te horen, vind ik.
'Lay My Head On The Rail' klinkt ook niet slecht, maar kan toch niet op tegen de betere nummers op dit album. Het is allerminst een memorabel nummer, maar zoals we van Bingham gewoon zijn, toch weer puur vakmanschap. 'Hard Worn Trail' behoort ook tot de beste country-rootsmuziek van dit jaar. Bingham is gewoon een pionier aan het worden, en een grote toekomst ligt voor hem in het verschiet. Bovendien heeft hij in mijn ogen al ten minste één klassieker in wording uitgebracht (welke daar ben ik nog niet uit, want 'Mescalito' en 'Roadhouse Sun' liggen erg dicht bij elkaar qua kwaliteit; voorlopig gaat m'n voorkeur uit naar 'Mescalito').
'Self-Righteous Wall' is toch al het voorlaatste nummer op 'Junky Star'. En wat voor een nummer. Het niveau gaat toch nog een keer de hoogte in. Tekstueel is heel het album voor mij erg sterk trouwens (daar had ik nog niets over gezegd). Prachtig nummer! Het reffrein zegt alles ("You're telling me, I've lost it all; You're telling me, I've hit the wall").
Afsluiter is 'All Choked Up Again', waarin Bingham als verteller het heeft over de wurging van een man ("my old man", zijn vader dus). Verder is het een mooi, verhalend nummer, maar op muzikaal vlak heeft het niet zoveel om het lijf. Luister er dus vooral naar omwille van de tekst!
Ryan Bingham brengt in sneltempo platen uit. Als hij aan deze snelheid blijft schrijven en opnemen, mogen we misschien volgend jaar al iets nieuws gaan verwachten van deze toch te onbekende rasartiest. Chapeau voor Ryan Bingham, al is dit de minste van de drie platen.
3,5 sterren
Dan komt 'Strange Feelin' In The Air'. Dit nummer vind ik erg sterk, onweerstaanbaar zelfs. Meezingen met meneer Bingham is toegelaten. De solo is ook erg leuk!
Het titelnummer is dan weer een ingetogen nummer. Erg mooi en ontroerend, maar ik mot bekennen dat ik Bingham het liefst uitgelaten bezig hoor. Al is zo'n klein nummertje (alweer met mondharmonica!) nooit slecht, en heb ik daar ook wel een zwak voor. Je zou ook kunnen stellen dat ik een zwak heb voor de muziek van Ryan Bingham.
'Depression' is weer iets heftiger, maar springt er voor mij niet echt uit. Voor 'Hallelujah' geldt eigenlijk hetzelfde, al bloeit dat nummer wel open tijdens het reffrein. Een kleine impasse, die ervoor zorgt dat deze plaat een minder goeie score krijgt.
'Yesterday's Blues' begint met mondharmonicaspel. Daarna begint Bingham te zingen en weet ik na zo'n vijf keer luisteren: ja, dit is een erg goed nummer. Ook weer zo'n ingetogen nummer, maar het raakt me wel wat meer dan die andere nummertjes die op deze plaat staan. 'Direction Of The Wind' is wel een erg vinnig, up-temponummer. Ryan Bingham doet me soms denken aan Bob Dylan, en dat is op dit nummer toch wel een beetje te horen, vind ik.
'Lay My Head On The Rail' klinkt ook niet slecht, maar kan toch niet op tegen de betere nummers op dit album. Het is allerminst een memorabel nummer, maar zoals we van Bingham gewoon zijn, toch weer puur vakmanschap. 'Hard Worn Trail' behoort ook tot de beste country-rootsmuziek van dit jaar. Bingham is gewoon een pionier aan het worden, en een grote toekomst ligt voor hem in het verschiet. Bovendien heeft hij in mijn ogen al ten minste één klassieker in wording uitgebracht (welke daar ben ik nog niet uit, want 'Mescalito' en 'Roadhouse Sun' liggen erg dicht bij elkaar qua kwaliteit; voorlopig gaat m'n voorkeur uit naar 'Mescalito').
'Self-Righteous Wall' is toch al het voorlaatste nummer op 'Junky Star'. En wat voor een nummer. Het niveau gaat toch nog een keer de hoogte in. Tekstueel is heel het album voor mij erg sterk trouwens (daar had ik nog niets over gezegd). Prachtig nummer! Het reffrein zegt alles ("You're telling me, I've lost it all; You're telling me, I've hit the wall").
Afsluiter is 'All Choked Up Again', waarin Bingham als verteller het heeft over de wurging van een man ("my old man", zijn vader dus). Verder is het een mooi, verhalend nummer, maar op muzikaal vlak heeft het niet zoveel om het lijf. Luister er dus vooral naar omwille van de tekst!
Ryan Bingham brengt in sneltempo platen uit. Als hij aan deze snelheid blijft schrijven en opnemen, mogen we misschien volgend jaar al iets nieuws gaan verwachten van deze toch te onbekende rasartiest. Chapeau voor Ryan Bingham, al is dit de minste van de drie platen.
3,5 sterren
