MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

La Quiete - Tenpeun '01-'05 (2006)

poster
3,5
Screamo, het zal nooit m'n favoriete genre worden. Hoeveel keer ik dat al niet heb verkondigd, dat kan je niet meer op één hand tellen. Het zal mensen wellicht gaan vervelen dat ik dit tot in den treure blijf herhalen, maar het is nu eenmaal zo, en daar had ik me toch al even definitief bij neergelegd. Tot ik dit album te horen kreeg. De vocalen staan me heel wat meer aan, instrumentaal vind ik het van een erg constant niveau, soms zelfs ronduit sterk. Natuurlijk blijft het een bak herrie, maar dit is wel een "mooie" bak herrie, met hier en daar een rustpunt. Zo blijft het draaglijker voor mij.

La Quiete dus, uit Italië. De zoveelste ontdekking van niels94 in dit genre, dat hij blijkbaar helemaal aan het exploreren is. Sxesven als peetvader, van hem lees je hier toch de meeste berichten, altijd erg handig om wat meer te weten te komen. Achtergrondinformatie kan soms erg nuttig zijn.

Ondanks het feit dat ik niet bepaald vloeiend Italiaans spreek of begrijp (en dat is nog een understatement, ik kan hoogstens een paar woordjes wauwelen), spraken de titels me op één of andere manier aan. Vertaalmachines genoeg op het wereldwijde web natuurlijk, en ik vond al snel de vertalingen van de titels. Toch wel interessant, want lyrics zijn altijd belangrijk, vind ik, ook als men er niets van verstaat. Zo kan menige black metalband verrassend poëtisch uit de hoek komen. De naam Ivan Illich herken ik natuurlijk wel, uit de titel van een roman van Tolstoj. Ik weet echter niet of het om dit fictief personage gaat, want de link met zwarte bloemen leg ik niet meteen (al lijdt Illich praktisch zijn hele leven).

En op die manier boeit deze band me toch, met zijn harde muziek. Ik ben niet vies van harde muziek, alleen zoek ik liever andere oorden op wat dat betreft. Elk z'n meug, zou ik zo zeggen.

3,5 sterren

Lana Del Rey - Born to Die (2012)

Alternatieve titel: Born to Die [The Paradise Edition]

poster
2,5
Lana Del Rey, een nieuwe popsensatie. Hoewel, nieuw? Niet echt natuurlijk, al is dit wel de eerste plaat die ze maakt onder dit alter ego. Elizabeth Grant heet zij, vrienden noemen haar "Lizzy". Zoals Slowgaze in zijn brief/bespreking. Maar nu is het dus Lana geworden. Omdat het mijn eerste kennismaking is met deze freule, weet ik voor het overige niet al te veel over haar verleden. Ik zal me dan maar focussen op het heden.

Lana Del Rey is hot; ze is te horen op alle radiostations, wordt me elke dag wel door iemand getipt als "nieuw fenomeen in de popmuziek" (waarop ik, in mijn gedachten dan, meestal op reageer: "Ja, ik weet het nou wel.") en die twee factoren zorgen ervoor dat zij alomtegenwoordig is in de muziekwereld anno 2012.

In 2011 kwam zij reeds piepen, met fraaie singles als 'Video Games' en 'Born to Die'. Eigenlijk zijn deze twee nummers de hoofdredenen voor mij geweest om dit album een kans te geven. Al wil ik wen 'ns sceptisch tegenover hedendaagse popmuziek staan, dat geef ik grif toe, er zijn altijd van die guilty pleasures waar ik wel van kan genieten. 'Video Games' is er eentje van.

Lana Del Rey heeft een stem die de instrumentatie een beetje mee moet hebben. Ik bedoel dat het niet altijd werkt, dat donkere, lamlendige stemgeluid. In combinatie met groots opgezette strijkers en piano ('Video Games', 'Born to Die') werkt het wel, in andere gevallen werkt het voor mij niet. Zeker wanneer ze wat "zoeter" gaat zingen, gaat het fout. Weg spanning, wat overblijft zijn een handvol matige tot zwakke popsongs.

Andere favorieten zijn 'Radio', met zijn sombere aanzet, om dan uit te monden in een bitterzoet catchy popliedje, en 'Summertime Sadness', ook weer een wat zwaarder nummer. De kant die ik het meest apprecieer van haar. Songs als 'Off to the Races', 'Diet Mountain Dew' en 'Carmen' daarentegen, daar val ik bijna van in slaap. 't Is maar waar je van houdt natuurlijk, maar die nummers doen het 'm niet voor mij. Een kwestie van smaak.

De teksten zijn over 't algemeen zwaar en somber, en het gevaar is daarbij dat het een beetje teveel van het goede kan worden. Een beetje meer relativerende humor had ik wel kunnen waarderen. Kan zijn dat die er wel in zit verborgen, maar ik heb 't er nog niet echt uitgehaald.

Om af te sluiten: Slowgaze zegt in z'n bespreking dat hij in 'Video Games' de eerste keren "haunting" hoorde in plaats van "honey". Ik heb dat ook, met 'Radio'. In het refrein dacht ik dat ze "Like a fucking dream on ritalin" zong. Maar het is eigenlijk, nadat ik de tekst er bijnam, "Like a fucking dream I'm living in." Een kronkel in m'n hoofd, that is. Lana Del Rey brengt ons hier een verzameling liedjes waarvan enkele het koesteren waard zijn, maar het overgrote deel niet slaagt. Een hoge score kan ik dus ook niet geven.

2 sterren

Lantlôs - Agape (2011)

poster
4,0
Sinds ik in 2010 ‘Ecailles de Lune’ van Alcest heb ontdekt, ben ik een geboeid volger geworden van de Fransman Neige, bezieler van Alcest. Hij zit ook in andere bands, waaronder dit Lantlôs. Hij neemt daar de vocalen voor zijn rekening, en dat doet hij erg goed. Verder bestaat de line-up die deze plaat opnam, uit twee Duitsers. Felix Wylezik is drummer, en Herbst, het creatieve brein achter dit project, staat in voor de rest. Hij heeft de songs op ‘Agape’ ook allemaal gecomponeerd, als ik me niet vergis, en speelt gitaar, basgitaar en keyboards.

‘Agape’ is de derde plaat van Lantlôs, en de eerste die ik te horen kreeg. Dat is alweer enkele maanden geleden, in de herfst van 2011, meen ik me te herinneren. Toentertijd maakte het niet bepaald een verpletterende indruk, maar het klonk wel interessant genoeg om op m’n playlist te handhaven. Ik heb het album dan een paar maanden laten liggen (verschillende redenen, waaronder de reden dat ik er niet meer aan dacht), en begin deze maand ben ik weer beginnen luisteren. Ik vroeg me af of ik dit nog goed vond, omdat het nog altijd op m’n iPod stond. Na een eerste herbeluistering bleek algauw van wel.

Ik heb ‘m deze maand toch een keer of zeven, misschien zelfs acht, opgelegd. En het blijft een meer dan prima plaatje. De songs zitten uitstekend in elkaar, het gitaarwerk wordt gedurende de 35 minuten die het plaatje telt in knappe banen gemanoeuvreerd, en ‘Agape’ klinkt ook echt als een geheel, en dat is z’n grootste sterkte.

Neige laat hier wat meer van z’n harsh vocals horen dan bij Alcest, en daar kan ik zeker niet om treuren. Ik hoor ‘m graag bezig; hij heeft kracht in z’n stem, en ook veel inleving. Past perfect bij de muziek die Herbst gecomponeerd heeft, zeg maar. Die heeft zijn wortels in de black metal, maar maakt ook uitstapjes naar post-rock (luister dan vooral naar de afsluiter), het dromerige soort metal/rock dat Alcest maakt (vooral de stukken waar Neige clean zingt) en in ‘Bliss’ krijgen we ook een intermezzo op piano, klinkt geweldig. Erg sfeervol, een verdiende rustpauze ook, want ‘Bliss’ begint als een door de waanzin op de hielen gezeten jachthond.

Er zit ook wel wat variatie in het album, wat bij dit soort muziek wel ‘ns een euvel is. Bij Lantlôs dus niet, wat nog maar eens de creativiteit onderstreept van de Duitsers (en Fransman, die ondertussen al meer dan zijn strepen alleen heeft verdiend). Meedogenloze beukstukken wisselen af met kalmere, meer contemplerende passages, en beide zorgen niet zelden voor kippenvel. Wylezik drumt trouwens bij tijden erg losjes en jazzy, en dat hoor ik erg graag in metal, omdat het voor een verfrissend en authentiek geluid zorgt. Het is spanning en ontspanning in één.

Door de relatief korte speelduur gaat mijn aandacht ook niet gauw naar iets anders uit als ik ‘Agape’ beluister. Het is een erg fraaie trip van 35 minuten, waarin je wordt ondergedompeld in een bad van rauwe zang, dromerig gitaarwerk en ijzersterke drums. Enkel ‘You Feel Like Memories’ slaagt er niet altijd in me elke keer weer in de greep te houden, maar het nummer, dat erg rustig is, en een beetje op een jam tussendoor lijkt, is toch ook wel goed. Voor minder dan dat lijken de mannen van Lantlôs het niet te doen. Wat mij betreft mogen ze nog wel even verder doen.

4 sterren

Laura Marling - A Creature I Don't Know (2011)

poster
4,0
Allereerst mijn complimenten aan Angelo, met zijn heldere mening. Ikzelf ben nog iets positiever gestemd, en wil dan ook uitleggen hoe dat komt. Hopelijk op een even duidelijke manier als Angelo.

Eerst eens gaan kijken wat Marling al heeft gepresteerd. Zij is 21 jaar (7 dagen ouder dan ik, om precies te zijn), en heeft toch al één en ander gepresteerd waarop menig ander jaloers zou moeten zijn. ‘A Creature I Don’t Know’ is haar derde langspeler in 4 jaar tijd, en laat voor mij zien dat Marling volwassener is geworden, ten opzichte van de vorige platen. Haar debuut was prima, heel erg goed zelfs, en de opvolger die vorig jaar uitkwam, had zeker z’n goeie momenten, maar werd soms een beetje teveel overschaduwd door haar begeleiders, Mumford & Sons.

Ook heeft Marling een relatie achter de rug met Charlie Fink van Noah and the Whale, rookt ze als een schoorsteen en was ze te horen op een nummer van de laatste plaat van Johnny Flynn. Met andere woorden, Marling is nog jong in jaren, maar heeft al wat meegemaakt. Dat doorleefde hoor je ook terug in haar stem, die helemaal niet klinkt als die van een 21-jarige frisse deerne. Maar het klinkt bij tijden wel uiterst charmant, zoals in het prachtige ‘Night After Night’, tevens één van de beste nummers op de plaat.

Andere uitblinkers zijn ‘The Beast’, zowat de tegenpool van ‘Night After Night’, dat naarmate het einde eraan komt, steeds heftiger wordt, en opener ‘The Muse’, met z’n heerlijk jazzy instrumentatie. Met iets meer dan 40 minuten is ‘A Creature I Don’t Know’ zeker niet te lang (helemaal niet), en je wordt ook zowat heel de speelduur verplicht geboeid te blijven luisteren, omdat het gewoonweg erg goed is. Echt zwakke nummers vind ik hier niet terug.

De plaat klinkt ook als een geheel, waar dit bij haar vorige platen niet echt het geval was. Zo vloeit ‘Don’t Ask Me Why’ mooi over in ‘Salinas’ zonder dat je er erg in hebt, en zijn er op tekstueel vlak ook verwijzingen onderling. Enkele voorbeeldjes:

“I’m nothing but the beast;
And I’ll call on you when I need to feast.” ( ‘The Muse)

“Calling Sophia, goddess of power.” (‘The Beast’)

Enfin, wat ik wil zeggen, is dat Laura Marling dit keer niet enkel haar hart uit heeft gestort, maar ook goed heeft nagedacht over de boodschap die ze wilde overbrengen, en de manier waarop je dat het meest efficiënt kan doen. De titel van het album slaat volgens mij op ‘The Beast’, een wezen dat in ieder van ons schuilt, en dat maar moeilijk in z’n kaarten laat kijken. ‘Sophia’ is zijn tegenspeler, “sofia” is volgens mij Grieks voor “wijsheid”, of laat m’n kennis me nu in de steek? ‘Sophia’ staat voor het gezonde verstand, denk ik dan. En op die manier leg je al heel wat dingen bloot. De knappe, subtiele teksten van Marling geven bij mij de doorslag, geven mij het signaal dat ik deze jongedame best één of meerdere pluimen op de denkbeeldige hoed mag steken.

Laura Marling speelt op haar nieuwe plaat ook met aardig wat verschillende stijlen, gelukkig op een ongedwongen manier, zodat het niet al te veel in de spotlights komt te staan. Al kan je het country-achtige einde van ‘Sophia’ moeilijk negeren (erg geslaagd, dat wel). Dat is het meest voor de hand liggende voorbeeld dat ik kan geven. Maar ook in de andere songs hoor ik invloeden uit andere genres. Wat ik daarnet al zei over ‘The Muse’, geldt op een andere manier ook voor ‘I Was Just A Card’, dat een speciaal sfeertje uitademt, en de manier waarop Marling fraseert, weet mij dan weer wel te overtuigen. Het doet me zelfs denken aan de jazzzangeressen van de jaren ’50.

‘Rest in the Bed’ is gedrenkt in een lekker walssausje, terwijl ‘Salinas’ weer meer de traditionele folk opzoekt. Wat ook in haar voordeel pleit, is dat ik haar erg graag bezig hoor, op één of andere manier weet haar zang mij nu helemaal te overtuigen en mee te slepen. Met haar derde plaat heeft Marling bevestigd, en zelfs meer, haar twee eerste platen overtroffen. Hopelijk maakt ze nog veel platen van dit allooi in de toekomst.

4 sterren

Lee Morgan - The Rumproller (1965)

poster
4,0
Sterke plaat alweer van Lee Morgan, slecht of zelfs matig werk heb ik hem nog niet horen afleveren (ken lang niet alles natuurlijk). Al kan het ook weer niet tippen aan zijn beste platen, zoals Search for the New Land en Tom Cat (zit ik op dezelfde golflengte als Sander hierboven).

De titelsong en Desert Moonlight zijn goed, zonder meer. Morgan en Henderson leveren een solide combinatie op, en worden prima bijgestaan door Matthews, Sproles en Higgins. Eclipso is een eigen compositie, en die klinkt heerlijk feestelijk; een soort verwonderlijke spielerei van hoog niveau. Wayne Shorter's Edda werkt vervolgens ook al behoorlijk aanstekelijk, degenen die van nature geneigd zijn over te gaan tot een exotische dans, zullen zich hier maar moeilijk kunnen inhouden. Fijn dat Henderson genoeg ruimte krijgt om zijn ding te doen, want hij is natuurlijk een uitstekend solist op de tenor sax.

The Lady is een erg mooie, ontroerende ode aan Billie Holiday, zoals hierboven wordt gezegd. De componist van het nummer is ene Rudy Stevenson, van wie ik nog nooit had gehoord. Hij heeft zelf niet echt een solo-carrière kunnen uitbouwen, maar heeft wel op een aantal platen meegespeeld, waaronder het geprezen Pastel Blues van die andere grande dame, Nina Simone, als gitaar- en fluitspeler. Maar goed, dit nummer dan. Lee Morgan neemt nadrukkelijk de leiding en weet de luisteraar grandioos in de mood te brengen. Ronnie Matthews zorgt voor subtiele pianobegeleiding, en neemt nu en dan wat prominenter plaats op de voorgrond. En zo komt het mooiste ons nog tegemoet aan het einde van de plaat, wat ik altijd heerlijk vind om af te sluiten. Morgan weet zowel een lach als een traan op mijn gezicht te toveren met deze track.

4 sterren

Leonard Cohen - Old Ideas (2012)

poster
4,0
Leonard Cohen is het niet het type artiest dat vroeger, toen dat nog de heersende trend was, één of twee albums per jaar maakte. Neen, hij deed het op zijn eigen, trage tempo. Deze dichter werd zanger en wordt wereldwijd geapprecieerd. De meeste mensen kennen wel songs van hem, of de naam “Leonard Cohen” doet op z’n minst een belletje rinkelen. Welnu, met ‘Old Ideas’ bewijst de man dat hij op zijn zevenenzeventigste nog steeds relevant is. Een smaakvolle plaat, mooi opgesmukt met vrouwelijke achtergrondvocalen en warme instrumentaties.

Als de naam Cohen valt, is de eerste reactie bij veel mensen: “Hoe zit dat met z’n teksten? Zijn die nog steeds van hoge kwaliteit?” Dat zijn ze zeker. Zijn stem mag dan wel achteruit zijn gegaan (al is dat zeker niet in dramatische aard, zijn “grom” klinkt nu meer als Tom Waits), tekstueel spant deze Canadese singer-songwriter nog steeds de kroon. Zijn nummers gaan nog steeds over liefde, tragiek, het leven zelve. Hij beschrijft het nog steeds als geen ander, met passende metaforen en mooie beelden.

Muzikaal mag het soms een tikkeltje saai zijn, dat hindert me niet al te erg. Het is ‘m toch vooral om de teksten te doen. Bovendien is de spaarzame instrumentatie meestal wel raak, en vallen de details des te meer op. In ‘Amen’ komt er een leuk vioolstukje voor, en het pianospel in ‘Show Me the Place’ is warm en uitnodigend.

Een tekstuele analyse hoef ik helemaal niet meer uit te voeren; dat heeft Slowgaze reeds op voortreffelijke wijze gedaan. En, er blijft altijd dat blinde vlekje in de teksten van Cohen, details waarvan enkel de man zelve de ware toedracht van kent. Wel staan er enkele subtiele, dubbelzinnige verwijzingen in naar het Heilige Boek. Zinnetjes als “Help me roll away the stone” en “When the filth of the butcher is washed in the blood of the lamb”. En zijn fraaie manier van beschrijven, natuurlijk. Enkele voorbeelden:

“We find ourselves on different sides;
Of a line that nobody drew;
Though it all may be one in the higher eye;
Down here where we live it is two.” (‘Different Sides’)

“Have mercy on me baby;
After all I did confess;
Even though you have to hate me;
Could you hate me less?” (‘Anyhow’)

“I loved the early morning;
I’d pretend that it was new.” (‘Darkness’)

Leuk ook dat er verschillende genres aan bod komen op deze plaat. Er zit wat folk in (‘Banjo’, ‘Going Home’), blues (‘Darkness’), soul (‘Anyhow’), gospel (‘Show Me the Place’). Hij gebruikt verschillende soorten muziek, en gooit ze op succesvolle wijze in een blender. Oud zijn die ideeën niet echt, dat deed hij op eerdere platen ook, maar hier valt het net wat meer op. Ook omwille van zijn stemgeluid, dat nu ook meer geschikt is voor bijvoorbeeld een bluesje.

Met ‘Old Ideas’ heeft Cohen een plaat gemaakt waarvan ik dacht dat hij ze niet meer in zich had. De filmpjes van o.a. ‘Darkness’ die al eerder opdoken op YouTube, gaven heel wat hoop, maar dan nog had ik dit niet verwacht. ‘Old Ideas’ is een plaat die niet misstaat in het muzikale landschap anno 2012, en Leonard Cohen is nog niet afgeschreven. Zelfs geen klein beetje.

4 sterren

Leprous - Bilateral (2011)

poster
4,0
Progmetal, het is me wat. Het weet me lang niet altijd te bekoren, maar soms krijg ik iets voorgeschoteld dat toch echt te goed is om te negeren. Zo was het vorig jaar het geval met 'Aquarius', het veelzijdige debuut van Haken uit het Verenigd Koninkrijk. Dit jaar komt de plaat die door de mazen van het net glipt uit Noorwegen. 'Bilateral' is de titel, Leprous is de naam. Aangename kennismaking.

Net als 'Aquarius' is dit een veelzijdige plaat, op alle vlakken; de zanger komt nu eens krachtig uit de hoek, dan weer ingetogen en erg emotioneel. De instrumentatie is het ene moment rustig, met de schoonheid van een geslaagd stilleven, om het andere moment haast te ontploffen. Qua songmateriaal is het in zekere zin ook wel te vergelijken met Haken; zo had 'Mb. Indifferentia' zo op 'Aquarius' kunnen staan.

Zoek niet naar zwakke momenten, want dat is tevergeefs. 'Bilateral' is een coherent geheel, met wel een paar hoogtepunten, maar geen passages die het niveau doen inzakken. Naast het reeds vermelde 'Mb. Indifferentia' noem ik het epische 'Forced Entry' en het heftige 'Waste of Air' als sterkste nummers. Eerder werk van de band ken ik niet, maar dat kan nog komen. Leprous heeft me in ieder geval in de laatste dagen van 2011 alsnog weten in te palmen.

4 sterren

Liars - Sisterworld (2010)

poster
3,0
Uiteindelijk ben ik eruit gekomen. Dit is toch wel een degelijk album hoor! De plaat komt een beetje aarzelend op gang met 'Scissor', maar dat nummer wordt ongeveer halfweg toch heel even wat heviger (en op het einde ook). De wat dreigende ondertoon van het nummer past goed bij de zang, zowel front- als achtergrondzang.

'No Barrier Fun' begint ook erg rustig, met basgitaar, zalvende zang en wat effecten waar ik maar niet helemaal wijs uit raak. Tel daarbij het vioolspel (belangrijke factor op dit album), en je hebt toch wel een leuk, ingehouden nummer. Erg eigenzinnig, dit plaatje.

En zo blijft het hele album toch wel dreigend. Spannend, dat is iets anders. Zo kan een nummer als 'Here Comes All The People' me niet bekoren, en ook 'Drip' heeft me nog niet helemaal voor zich kunnen winnen.

Maar dan krijg je zo'n track als 'Scarecrows On A Killer Slant'. Misschien komt het doordat dit nummer wat heftiger is, dat ik het ook gewoon beter vind? Extreem agressieve, zelfs moordzuchtige tekst ('Why'd you shoot the man with the gun? Cos he bothered you!'). Sterk nummer.

Hierna krijgen we weer een rustig, zelfs aardig klinkend (mag ik het woord aardig wel gebruiken bij Liars?) nummertje, 'I Still Can See An Outside World'. Laat je echter niet misleiden door de eerste anderhalve minuut; daarna treedt het nummer helemaal buiten z'n voegen, wat me meer interesseert. Al bij al blijft het echter een vrij rustig nummer, met enkel in het middenstuk dus die opvallende uitbarsting. De zang blijft echter beheerst.

Ook een nummer als 'Proud Evolution' weet me te boeien (vooral wanneer het reffrein wordt ingezet); daarna gaat het bergaf. 'Drop Dead' heeft nog wel wat, 'The Overachievers' is best om aan te horen, maar de twee laatste nummers ('Goodnight Everything' en 'Too Much, Too Much') zijn, om het dan maar met de afsluiter te zeggen: too much, too much.

3 sterren

Light Bearer - Lapsus (2011)

poster
4,5
Op mijn zestiende was ik een fan van “harde” muziek. Metal, punk, noem maar op. Iron Maiden, Metallica, Ramones, The Clash, dat soort bands. Daarna ben ik dat alles een tijdlang uit het oog verloren, ik begon nieuwe dingen te ontdekken. Eerst Johnny Cash en Elvis Presley, daarna Neil Young en Bob Dylan. Ik heb enkele jaren amper metal beluisterd, tot in 2010. Toen kwam het allemaal terug. Ik omarmde mijn oude liefdes, maar leerde ook nieuwe dingen kennen. Opeth. Agalloch. Neurosis. Shining. Woods of Desolation. Een wereld vol verbluffende platen opende zich voor mij; black metal, post-metal, sludge metal… Niet dat ik echt specifiek naar genres keek, het moest me vooral liggen, ik moest het voelen, mee ervaren. Om u maar een idee te geven van mijn grillige leven in metal-land.

Nu is er dus die nieuwe gigant die zich heeft geopenbaard voor mij. ‘Lapsus’ van Light Bearer. Volgens verschillende bronnen een eerste van vier delen, over Lucifer (letterlijk: light bearer), de gevallen Engel van God. De volgende delen zouden volgens deze bron ‘Silver Tongue’, ‘Magisterium’ en ‘Lattermost Sword’ gaan heten, maar daar heb ik het dan wel weer over. Eerst een korte schets van het verhaal dat op ‘Lapsus’ wordt verteld.

Lucifer is de protagonist (hoofdrolspeler) van het verhaal. Zijn tegenspeler (antagonist) is God. Ooit bestond er een soort onvoorwaardelijke liefde en trouw tussen Lucifer en God, maar het komt tot een conflict. Lucifer wordt verbannen uit de hemel, naar de diepe krochten van de hel. Daar welt de woede langzaam in hem op, en de wrok, tot hij beseft dat hij een tegengewicht moet creëren voor Adam, God’s schepping. Het verhaal volgt dus het boek Genesis uit het Oude Testament, maar is geen letterlijke interpretatie of vertaling daarvan. Lucifer wordt gezien als “good guy”, en dat is opmerkelijk, maar ook verfrissend, want je kan het uiteraard van twee kanten bekijken.

Een andere belangrijke invloed was ‘Paradise Lost’, ook een aparte opvatting van het verhaal over Adam en Eva, van de Engelse dichter John Milton. Dat geldt ook voor de overige drie delen; Alex, de zanger van Light Bearer, heeft zijn hele verhaal geïnspireerd op deze legendarische werken. En wat ‘Lapsus’ althans betreft, kunnen we zeggen dat dit een meesterwerk in spe is. De band vertaalt op weergaloze wijze de gevoelens en gedachten van Lucifer, in een mengeling van post- en sludge metal. Epiek ten top, natuurlijk, gezien het onderwerp van de plaat, en de lengte van sommige tracks (de titeltrack spant wat dat betreft de kroon, met ruim 17 minuten!).

‘Beyond the Infinite’ is een prachtige proloog, een voorbereiding op het echte werk. Een gigant ontwaakt; een nieuw besef. Een gedachtestroom komt op gang, radertjes beginnen te werken. Lucifer staat op. Een ingehouden begin, een uitbarsting, prachtig melancholisch vioolspel. Een machtige tweestrijd is geboren.

‘Primum Movens’, dat erg doet denken aan het meest epische en monumentale werk van GYBE!, luidt de neergang van Lucifer in. Veel herhaling van gitaarlijnen in deze track, maar nooit storend, en het drumwerk is bovendien fantastisch. Lucifer weigert te buigen voor Adam, een mens. God ziet dit als verraad, en wil hem weg uit de hemel. De song zwelt op en op en op, tot Lucifer besluit met “Take up arms! Amorphous ghost! For this is the eve of our disgrace!”. Prachtig, tot tranen toe bewegend pianospel sluit het nummer af.

‘Armoury Choir’ representeert de Engelen die trouw blijven aan God. Gabriel. Michael. Zij doen hun best om stroop om de mond van God te smeren, en blijven hem trouw tot het eind, niet zozeer uit liefde en overtuiging voor God, eerder uit haat voor Lucifer. ‘The Metatron’ is een kort, ambient-achtig tussenstukje. Metatron was ook één van de meest loyale Engelen, maar scheen geen eigen meningen te hebben. Wat God dacht, dat dacht hij. Wat God goed achtte, dat achtte ook hij goed, en wat God kwaad achtte, dat achtte ook hij kwaad. Een schaap, een loze geest, die uiteindelijk de genadestoot uitdeelde aan Lucifer. Dit is zijn beschuldiging:

“O Day Star, Son of Dawn!
Laid the nations low!
You said in your heart:
“I will ascend to heaven;
I will raise my throne
Above the stars of God;
I will ascend
To the tops of the clouds;
I will make myself
Like the most high””

‘Prelapsus’ is het pleidooi van Lucifer. Schreeuwend begint hij aan zijn betoog; en wordt het stilaan duidelijk dat hij er niet meer op hoopt om in de hemel te mogen blijven, maar probeert hij zoveel mogelijk strijdmakkers te werven; Engelen die het ook niet eens zijn met God, en hem willen volgen in zijn afdaling, om zich voor te bereiden op een allesvernietigende slag. Een bijzonder heftige en intense song, enorm geladen ook; Lucifer weet dat hij zal vallen, en daarom laat hij al zijn gevoelens de loop.

‘Lapsus’ is het sluitstuk van deze eerste akte. Lucifer wordt verstoten, samen met de Engelen die bij hem aansloten. Een song die alle haartjes op m’n armen doet rechtstaan; de zang is enorm intens (het zal ook te maken hebben met het feit dat de zanger dit zelf allemaal heeft geschreven), de gitaren spelen epischer riffs als tevoren, de spanning tussen “the false God” en zijn volgelingen en “the innocent Lucifer” en zijn rebellen is te snijden, bijna te voelen. Bovendien zeggen de laatste vier minuten van het nummer meer dan duizend loze woorden; hierin zie ik ook wel een aanklacht tegen het rechtssysteem, dat soms erg oneerlijk is, corrupt en bevooroordeeld. Maar dat zal mijn verbeelding dan wel weer zijn.

Deze eerste akte roept niet alleen verbazing op, maar ook torenhoge verwachtingen wat betreft deel 2, deel 3 en deel 4. Iets in mij zegt dat het wel goed zal komen, en gezien het verhaal en wat nog komen moet, staat ons nog één en ander te wachten. Ik heb gelezen dat de release van het volgende deel gepland staat ergens in de zomer van 2012, en dat Light Bearer ook nog van plan is om enkele onafhankelijke EP’s uit te brengen. Hier vind je trouwens de lyrics van het album, plus een tekstje bij elk nummer, dat het verhaal wat prozaïscher vertelt. Ontzettend handig, en ik heb me er ook wel op gebaseerd.

4,5 sterren

Light Bearer - Silver Tongue (2013)

poster
4,0
Een afbeelding van een appel op het CD-schijfje. Een betere introductie tot ‘Silver Tongue’, het tweede album van Light Bearer (er staan nog twee delen van deze tetralogie gepland), wist ik niet meteen te bedenken. De appel is op het eerste gezicht een alledaagse vrucht, maar er vallen toch wel enkele merkwaardige kanttekeningen bij te maken. Zo is er de uitdrukking “de appel valt niet ver van de boom”, die verder nergens wat mee te maken heeft wat dit album betreft, maar toch al een gedeeltelijke schets van de evolutie produceert. Volgens de leer van de Franse bioloog Jean-Baptiste Lamarck heeft al het leven namelijk de unieke karakteristiek om zichzelf te “ontwikkelen”, dit in beide richtingen. Charles Darwin pikte deze theorie op, en net hij speelde een cruciale rol in het te kijk zetten van het creationisme.

Een andere betekenis van de appel komt al wat dichter in de buurt; de twistappel. Dit voert ons terug naar de mythische Ilias van Homeros, over de Trojaanse Oorlog. In het begin van het verhaal wierp de twistgodin Eris de appel op tafel, met als opschrift “Voor de schoonste”. Hera, Athena en Aphrodite claimden de appel, en Paris, de man die later Helena zou ontvoeren, en daarmee de Trojaanse Oorlog zou ontketenen, werd gedwongen een keuze te maken. Hera beloofde hem macht; Athena zou hem alle wijsheid in de wereld schenken; Aphrodite maakte de belofte dat zij hem de mooiste vrouw ter wereld zou geven. Paris koos voor optie 3, en zo geschiedde, met alle bloederige gevolgen van dien.

Maar de meest ter zake doende bijbetekenis van de appel in het kader van dit album, is natuurlijk die van de verboden vrucht. En daarmee verschijnt Eva, de personificatie van de rebellie van Lucifer, ten tonele.

Want, waar in ‘Lapsus’ sprake was van een protagonist en een antagonist, ligt de situatie in opvolger ‘Silver Tongue’ nog een tikkeltje ingewikkelder. Eva komt gaandeweg tevoorschijn als de tritagonist, en zal uiteindelijk de finale beslissing moeten nemen wie zij volgt. Hier is het verhaal van Adam & Eva (waarin de appel dus een belangrijke rol speelt) een cruciale leidraad. Alex, het brein achter dit project, heeft de verhaallijn van dit album namelijk gebaseerd op het Bijbelverhaal, maar heeft de rollen, met ‘Lapsus’ in het achterhoofd, duidelijk omgedraaid; Lucifer is niet langer de kwaadaardige slang, die Eva verleidt en aanzet tot het kwaad; hij is de afvallige die de autoriteit van de valse God wil ondermijnen, en in de mens een natuurlijke bondgenoot ziet. Wat dan weer een zeer geslaagde metafoor is voor de contraire aard van de mens, die zich tegen alles lijkt te moeten verzetten.

Tegelijk vertelt ‘Silver Tongue’ het verhaal van de eerste mens, zoals de evolutietheorie van Darwin heeft aangetoond. De opmars van de Australopithecus Afarensis op de voorkant van het CD-boekje zijn twee exemplaren te ontwaren) uit de Olduvaikloof naar het noorden, en het ontstaan van ideologie, naar analogie met de zich steeds verder ontwikkelende intelligentie in de menselijke soort. De titel van het album is overigens een vrij directe verwijzing naar het redenaarstalent van de mens, en de vaak catastrofale gevolgen die het in de in het verschiet liggende toekomst zou veroorzaken. De uitdrukking is ontleend aan het Boek Spreuken, een deel van het Oude Testament (of de Tenach, zo u Joods bent).

De ontwikkeling ook van een bewustzijn, en daaruit voortvloeiende stormvloed aan radicale tegenstellingen.

De ideologie even terzijde leggend, wil ik ook nog wel wat kwijt over de muziek zelf. Daar gaat het, in de meeste gevallen, toch om. ‘Silver Tongue’ is een waardige opvolger voor ‘Lapsus’, maar weet de torenhoge verwachtingen niet geheel in te lossen. Zo is er qua speelduur meteen een struikelpunt te vinden. Waar ‘Lapsus’ afklokte op een goed uur, gaat ‘Silver Tongue’ richting de 80 minuten. En hoe intrigerend en fascinerend dit ook is, voor één album met zulke zware materie is dat net iets teveel van het goede. Of, dat zou het kunnen zijn, want ik val er nou ook weer niet zo erg over, maar ik kan me wel inbeelden dat anderen dat doen. Soit.

Het album trapt op magnifieke wijze af met ‘Beautiful Is This Burden’, dat de draad oppikt waar die in ‘Lapsus’ werd achtergelaten. Lucifer en zijn volgelingen zijn verstoten, en voelen zich tekort gedaan. Ze wegen hun opties af, en besluiten dan maar om een machtige toren, de toren van Dis, te construeren. Dit denkproces wordt vergezeld door 18 minuten van haast het heerlijkste wat sludge metal te bieden heeft; van een huiveringwekkend mooie opbouw (met cello en viool!) over de getormenteerde vocalen van Alex (ik, of mijn fantasie, hoor in de verte soms zelfs half in de wind verloren gegane schreeuwen), over het weergaloze gitaarwerk tot de perfecte beheersing van de drummer. De toren kan metaforisch verder nog verpakt worden als een radiotoren, waar Lucifer zijn ideeën de vrije loop kan laten, eens hij in de universele ether is.

‘Amalgam’ (waarin men aan de slag gaat met de constructie van de toren van Dis) en ‘Matriarch’ (waarin Eva haar intrede doet) zijn op muzikaal vlak net wat minder, wat er ook mede voor zorgt dat dit album niet kan tippen aan de voorganger. Tekstueel zijn ze echter minstens even belangrijk voor het verhaal, vooral ‘Matriarch’, dat enkele rustpuntjes kent (wat het geheel jammer genoeg niet altijd gunstig uitkomt). Deze song behandelt de groeiende onrust en de geboorte van paniek in de geest van de Almachtige God, en de automatische reactie die daaruit ontstond; Adam en Eva waren een feit. Nu wordt er, in het verhaal van Alex, vooral toegespitst op Eva. Zij is in feite een metafoor voor het abstracte denken, wat tussen de rechtlijnigheid van God en het anarchisme van Lucifer in ligt.

In ‘Clarus’ spreekt Lucifer zijn grootste wens en hoop uit, om ook buiten de poorten van de Hel gehoor te vinden. Met het ontluiken van Eva denkt hij eindelijk zijn kans te grijpen:

“I seek eyes that see through worlds;
I seek a mouth to voice my cause;
I seek a tongue lined with silver, so that my words are clear and just, for my father has lied.”

‘Aggressor and Usurper’ doet vervolgens zijn naam volle eer aan, door op een agressieve manier de deur in te trappen, en de menigte letterlijk te overweldigen. Het nummer kent het meest grillige verloop van alle songs van Light Bearer tot nu toe, en stuitert soms van hondsdolheid naar muisstilte en terug. De song is dan ook essentieel voor het verhaal; in ‘Aggressor and Usurper’ wordt Eva blootgesteld aan de twee belanghebbende entiteiten, en wordt zij richting een beslissing gedreven; aan wiens zijde zal zij staan? Voor beide kemphanen heeft ze een woordje over:

On the word of the false God:
“I have heard your plea in the coaxing of leaves, the empty appeal contorted by intent.
There is malignancy, frequencies distinct. Beneath the majesty a potent tragedy –
Subtle fractures, imperfections. Coursing hemoglobin, heart pummels out a rhythm so misaligned,
So obstinate, decisions unwilling to give.”

On the world of Lucifer:
“There is urgency, the numbing certainty of their conviction, pains me to hear.
The choice is evident, the reigns erode, cannot hold alone!”

Lucifer biedt haar vervolgens een appel aan, die Eva dankbaar aanneemt. God ziet dit als een poging om haar om te kopen (wat het natuurlijk ook is), en ontbrandt in zijn toorn. Hij en Lucifer gaan een verbaal gevecht aan, waarin God zijn vroegere discipel probeert te dwingen om voor hem te zwichten (“Yield!”), en wanneer Lucifer dit niet zinnens is (“I cannot, I will not, I will not yield!”), vervloekt hij Eva, haar ervan beschuldigend dat zij een grote zonde heeft begaan door met Lucifer in zee te gaan. In het Bijbelverhaal worden zij en Adam op dat moment uit het Paradijs verstoten; in ‘Aggressor and Usurper’ wordt de achterliggende, masculiene gedachte volledig uitgekleed. In een Spaanse furie (wat zich ook geweldig vertolkt in de stoot van adrenaline die het nummer in de laatste minuten krijgt geïnjecteerd) zorgt hij ervoor dat het vrouwelijke geslacht van dat moment de pijn van de zwangerschap en menstruatiecyclus voor eeuwig zou moeten verduren. Hij beschuldigt Eva ervan hem te hebben verraden, terwijl zij in principe nooit definitief aan zijn kant heeft gestaan. Een heel andere visie dan die van de Bijbel, dus.

Afsluiter en titelnummer ‘Silver Tongue’ opent daarentegen zeer voorzichtig, en behandelt de periode meteen na de Val van Adam en Eva. De kreten van Lucifer waren gehoord, de mens zou beginnen aan een steile klim richting het firmament, allemaal dankzij Eva. Vanuit muzikaal oogpunt onderscheidt deze song zich van de andere nummers, doordat het algehele geluid dat ik erin terug hoor, er één is van hoop en zaligheid. De sierlijke strijkers, het euforische gitaarwerk, het koortje in het tweede deel van de song zelfs; ze dragen allen bij aan dat gevoel. Dit geluid verwacht ik op deel 3 echter niet vaak te horen; anders zou er volgens mij helemaal geen derde en vierde deel behoren te volgen.

Maar goed, het eindpleidooi van de medestanders van Lucifer, heeft, wanneer de laatste zinnen weerklinken, zelfs iets extatisch. De beslissende overwinning op de valse God lijkt te zijn behaald. Afwachten dus of dit voorbarige vreugde is, ik vrees van wel..

Net als ‘Lapsus’ is ‘Silver Tongue’ dus een overdonderend album, en meer dan een ondergeschikt deel van een bepaald concept, kan je het ook als een op zichzelf staand verhaal ervaren. Dat is de kracht van het project Light Bearer, van Alex en de zijnen; je kan het album op verschillende niveaus beleven. Als je echt helemaal meegaat in het verhaal, gaat er een prachtige wereld voor je open, met uiteenlopende en duidelijke ideologische standpunten. Zo pleit Light Bearer in dit verhaal er eigenlijk voor om komaf te maken met de masochistische mentaliteit van onze maatschappij, en is het gedachtegoed in dat opzicht zeer emanciperend en filantropisch. Tegelijkertijd klinkt er uit dit verhaal, nochtans doorspekt met Bijbelse verwijzingen, naar mijn gevoel een atheïstische aard, en zelfs een zeker afgunst en walging wat betreft religie, wat ook terugkomt in de liner notes. Zo staat er ergens te lezen:

“We live in a world today where most of the gods that ever existed lie buried in the mass grave we call mythology: Zeus, Odin, Minerva – the list goes on forever. However, there is certainly room for one more. In one sense, the rise of monotheism can be seen as an advance as it has done away with a multitude of gods and therefore brought us closer to the real number. Most importantly, it showed us that gods are not at all immortal. As the last of the false gods descends into mythology, humanity can finally be free from the shackles of religiously induced misogyny, homophobia, speciesism an racism.”

Aan de andere kant kan je ‘Silver Tongue’ simpelweg als onafhankelijke release beluisteren, en nog steeds je oren een zaligmakend orgasme schenken. Verdere tekst en uitleg (de lyrics + begeleidende teksten) kan je hier nalezen; ik heb me er, zoals bij mijn bespreking van 'Lapsus', wederom voor een aanzienlijk stuk op gebaseerd.

4 sterren

Little Richard - Here's Little Richard (1957)

poster
4,5
Erg leuk debuut van Little Richard. Dat hij charismatisch figuur was in die tijd (en misschien zelfs nu nog is), lijkt me vrij duidelijk. Dit album spreekt op dat vlak zo tot de verbeelding dat de muziek voldoende is.

De energieke klasbak blaast in minder dan een halfuur de luisteraar volledig weg. Sterker nog; hij doet dat eigenlijk reeds in de eerste 2 minuten en 26 seconden die opener Tutti Frutti in beslag neemt!

En hoewel dat nummer altijd wel 's mans signature song zal blijven, is het daarna zeker geen armoe troef: Rip It Up, Long Tall Sally, Jenny Jenny, Slippin' and Slidin'... stuk voor stuk uitmuntend, je kan er simpelweg niet stil op blijven zitten!

Vooral in het tweede deel van de fifties vierde Rock 'n Roll hoogtij; wat een feest moet dat niet zijn geweest, daar als teenager in rond te hangen..

4,5 sterren

Lone Wolf - The Devil and I (2010)

poster
4,5
Dit plaatje heb ik al een tijd in m’n bezit. Het rare is dat ik het eigenlijk blind heb gekocht. Ik was aan het rondwandelen in Fnac in Antwerpen, op zoek naar wat lekkers, en stootte op deze ‘The Devil And I’ van Lone Wolf. Alles aan deze plaat sprak me aan. De artiestennaam, Lone Wolf, in combinatie met de titel van de plaat, gaf me de rillingen. En dan die hoes.. Pas achteraf las ik hier dat het een bewerkt schilderij van Louis David betreft, maar het had meteen mijn aandacht. Ik wenkte een verkoper en vroeg ‘m of dit een nieuwe plaat was, of het om een oudere plaat ging. ‘Deze is vrij recent, dit jaar nog maar uitgebracht’, luidde zijn antwoord. ‘Mooi zo, dan zou dit wel eens de plaat van het jaar kunnen worden!’

Feit is dat, of dit nu werkelijk de plaat van het jaar zou worden of niet, het een overhaaste uitspraak was. Ik had geen rekening gehouden met de inhoud. Wat voor muziek zou het zijn? was een vraag die zich opdrong toen ik thuis was. Dus wat doe je dan? Je geeft ‘m een rondje in de cd-speler. Gek genoeg kan ik de hooggespannen verwachtingen die ik bij deze plaat had, nauwelijks of niet verwoorden. Het was een gevoel dat me overkwam, en zoals men wel weet, een gevoel valt niet altijd in woorden uit te drukken. Maar, een gevoel is vooral een gevoel. Zou dit ook tot uiting komen tijdens het beluisteren van ‘The Devil And I’?

Een antwoord kan ik daarop, na een stuk of 25 luisterbeurten, nog steeds niet geven. De plaat blijft maar doorschemeren, ik krijg er nooit voor de volle 100 % vat op. Het is als de Tantaluskwelling; net als ik denk het te kunnen doorgronden, wordt de plaat weer van me weggetrokken, door een mij onbekende kracht (zouden de goden dan toch echt bestaan?). Ach, alle Grieken ten spijt, het blijft dus een ongrijpbare plaat.

De kracht schuilt vooral in de intensiteit. Die komt voor in verschillende vormen. Op tekstueel vlak, op muzikaal vlak, op spiritueel vlak. Paul Marshall (de man achter dit project) raakt me meer dan bijvoorbeeld een Justin Vernon (van Bon Iver). Je kan de twee qua stemgeluid moeilijk vergelijken, maar het is gewoon zo.

Een kwartiertje Wikipedia leert mij dat Lone Wolf ook onder andere een Kiowa-chief (indianenstam), een Sovjetfilm uit 1977, een dorpje in Oklahoma (genoemd naar die Kiowa-chief, trouwens) en een song van eels (van het album ‘Shootenanny!’) is. Een titel als ‘Russian Winter’ lijkt dan niet helemaal uit de mist gegrepen (misschien een knipoog?).

Dan komen we nu aan bij de muziek zelf. ’t Is eigenlijk een mengelmoes van stijlen. Gitaar speelt als instrument wel de hoofdrol, is het meest prominent aanwezig, maar verder is er ook ruimte voor de piano, de drums (als solide basis natuurlijk onmisbaar), trompet, cello, viool, bugel (of flugelhorn, zoals het in het cd-boekje staat) en French horn. Het gitaar- en pianowerk neemt Marshall voor eigen rekening, verder werkt hij met een aantal gastartiesten, mij allen onbekend. Wat ook opmerkelijk is, is het feit dat er veel sprake is van de zogenaamde “additional vocals”. De mensen die daarvoor ingezet zijn, heeft Marshall ook allemaal keurig vermeld, zelfs, en ik citeer nu letterlijk uit het cd-boekje, “a random guy in a hat”. Ik vond het wel grappig om zoiets te lezen, dus vertel ik het maar bij.

Paul Marshall is een vriendelijk jongen. Zelfs na een hele waslijst van namen in z’n Thank you-lijst, komt dit stukje:
“Hopefully it’s universally understandable that compiling a ‘thank you’ list and mentioning absolutely everyone who has somehow been involved with this album or helped me in any way throughout the process is if not impossible, an incredibly difficult task and so if I have missed your name off the list I do apologise and so obviously – Thank You!”
Vriendelijke jongen dus, zoals ik al zei.

Wat staat er nog in het cd-boekje? Wel, de teksten! Een belangrijk onderdeel van deze plaat. De lyrics variëren van schemerdonker naar pikzwart; de muziek daarentegen klinkt niet altijd even donker, wat soms voor een prettig contrast zorgt (in meerdere mate deed ook Villagers dat op de dit jaar uitgekomen debuutplaat ‘Becoming A Jackal’. Aanrader!).

De nummers zelf dan, want dat is toch de voornaamste reden waarom men een plaat beluistert. Opener is ‘This Is War’, dat muzikaal nog vrij luchtig begint met piano, maar gaandeweg duisterder en vooral dreigender wordt. Fraaie, maar verontrustende zinsneden zoals “I slaughtered her a cow and I’m a vegetarian; that’s not man enough for her”; “The demons are alive en her head; that’s why we have to make sense of every tiny word that she says” en “I’m trying to pretend I won this war between my brain and her brawn; but this is a war I won’t be coming home from”. Of hoe meedogenloos een meisje kan zijn, en hoe radeloos je haar tot in den treure kan volgen, tot je er zelf gek van wordt.

Daarna krijgen we ‘Keep Your Eyes On The Road’ op ons bord, dat weer vrij vrolijk begint, met een introotje, waarna het eigenlijke nummer begint. Wanneer de drums invallen, krijgt het nummer gelijk wat meer dynamiek, en wanneer Marshall begint te zingen, is het helemaal in orde. Meer dan de opener is dit een toonbeeld van zijn kunnen op vocaal vlak. De woede en verbetenheid op het einde (het stuk na “I stay staring at your innocent skin wondering how I fucked this up; but I surely did”) geven me de koude rillingen. Klasse!

‘We Could Use Your Blood’, een tekstueel pareltje van formaat. Vooral in het refrein, waarin wordt weergegeven waarvoor het bloed gebruikt zou worden. De zin “We could use your blood; to paint this house red” is gewoonweg morbide, in die zin dat het geen zin heeft. Je kan er ook gewoon verf voor gebruiken! Sadisme, in een romantisch jasje. De instrumentatie is weer dik in orde trouwens, er wordt een sfeer neergezet die perfect bij de tekst past.

‘Buried Beneath The Tiles’ begint heel zenuwachtig, met tokkelende gitaar, roffelende drums en begeesterend vioolspel. En tekstueel.. tja. Al even begeesterend. Mysterieus, maar toch transparant genoeg om eruit af te leiden dat het niet over koetjes en kalfjes gaat. De ik-persoon als Grote Verwoester, met het amechtige meisje (“Now the air she breaths keeps on trying to leave her for dead on the cold doorstep”). Het is zelfs zo ver gekomen, de herinneringen pijnigen de ik-persoon in zulke mate, dat er extreme maatregelen genomen moeten worden (“Go in through my eyes; just lobotomise; take everything I have”).

Het kortste nummer van de plaat dan. Maar niet het slechtste, belange na niet. ’15 Letters’ is een prachtig, door de gitaar gedragen en door enkele pianoklanken (en viool, even later) ondersteund liedje over een gebroken relatie. Op poëtische wijze (“She did her make up in the reflection of my glassy, glazed eyes”. Prachtig! Die jongen speelt gewoon met taal!) doet Marshall zijn relaas.

Daarna krijgen we een instrumental, die verder op de plaat (in het slotstuk) nog een vervolg krijgt. Desolaat, melancholisch wordt ik ervan, een intense droefenis overvalt me, telkens ik die koele pianoklanken hoor in combinatie met het warme, maar dreigende vioolspel. Wanneer de percussie nog eens invalt, krijgt het geheel nog wat extra suspens (ik vind de percussie op deze plaat trouwens van een erg hoog niveau, doch dit slechts geheel terzijde). Je zou voor minder een bescheiden traantje wegpinken.

‘Russian Winter’ is het volgende pareltje op deze plaat. Een hart meneer? Dat heb ik niet. Siberische koude heerst daar, en ik laat het merken ook (mijn eigen vrije interpretatie van het refrein). Deze song herbergt ook één van de mooiste zinnen van deze plaat: “You didn’t care about the sea; or the hairs on the backs of the necks of your drowning family”.

Het volgende nummer is ‘Soldiers’. Dit nummer ken teen apart begin. Een obscuur, rommelig, aan alle kanten krakend begin van ongeveer 15 seconden, waarna de song als een bol breiwol wordt uitgesponnen, met een fraai “Arcade Fire-moment” voor mij “Now all we know; is waiting for the exit signs to glow; moulding different lives like play-doh; hoping for a lucky day” etc.).

De op één na laatste song is ‘Dead River’, een song die weemoedig en opgewekt tegelijk klinkt. Vrolijk, maar dan op een trieste manier. Marshall klinkt geweldig, hoe hij “Overflow, overflow, overflow” zingt, vertederend. Het gefluit en de op zichzelf staande laatste minuut (galmende klanken die een droeve sfeer opwekken) maken de song helemaal af.

Het laatste nummer is ook een driepunter van heb ik jou daar. Het bouwt verder op de instrumental (zoals de titel ook aangeeft: ‘The Devil And I (Part II)’), met zang dit keer. Het nummer gaat over, nu ja, vertaal de titel gewoon, dan weet je ‘t. de drums symboliseren donder en bliksem, uitgerekend de instrumenten van God de Almachtige, die iedereen, de duivel incluis, in handen heeft, er mee doet wat hij wil, als een willoze speelbal. De duivel als bliksemafleider.

En wanneer de laatste mokerslagen wegvallen, is dit plaatje alweer gedaan. 45 minuten van pracht, droefenis, gitdonkere verhalen, Apocalyps. Maar vooral 45 minuten fantastische muziek.

4,5 sterren

Lone Wolf - The Lovers (2012)

poster
3,0
In 2010 wist de Brit Paul Marshall me bijzonder prettig te verrassen met het album ‘The Devil and I’, het eerste album dat hij maakte onder alter ego Lone Wolf. Eerder maakte Marshall al een obscuur plaatje onder eigen naam, en nu is er dus de tweede van Lone Wolf, getiteld ‘The Lovers’. En ik vind het nog steeds vreemd dat hier zo weinig animo voor is.

De plaat opent met een korte intro, die verder niet al te veel toevoegt. Daarna volgen gelijk de beste songs van het album. Het geluid is anders dan op de voorganger, er wordt meer teruggegrepen naar de aangezwengelde 80’s sound, ik herken er wel wat invloeden van Talk Talk in bijvoorbeeld. Dat hoeft geen verrassing te zijn; Marshall heeft het nummer ‘Wealth’ van Hollis en co. gecoverd, en de adoratie voor Talk Talk is misschien wel het duidelijkst te horen in ‘Ghosts of Holloway’. “Ghosts of Hollis”, zou je het kunnen noemen.

Vooruitgestuurde single ‘The Swan of Meander’, en daarmee ook de belangrijkste buzz voor mij om het album op te vissen (want ik had het totaal niet door, deze plaat is werkelijk met stille trom gereleased), vind ik een erg mooi nummer. Qua sfeer weet dit nummer de meeste herinneringen op te roepen aan ‘The Devil and I’, en ik ga dat album straks ook gewoon lekker luisteren, denk ik. De opening van dit nummer is opvallend te noemen, en grijpt meteen de aandacht. Wat volgt, is een liedje dat zich door allerlei sierlijke bochten wringt, met die typische zang van Marshall, die iets rustgevend heeft (terwijl hij er toch ook soms erg mee kan uitpakken).

‘Spies in My Heart’ en ‘Ghosts of Holloway’ zijn, zoals eerder gezegd, de andere hoogvliegers. ‘Spies in My Heart’ is gewoon een lekker popliedje, met een nostalgische sound, in ‘Ghosts of Holloway’ wordt hier en daar geëxperimenteerd met elektronica, met handclaps erbovenop.

Daarna is het wat mij betreft grotendeels uit met de pret, en laat Marshall me achter in vertwijfeling. De eerste nummers laten zien dat hij nog steeds in staat is om bijzonder fraaie popsongs te schrijven, ‘Good Life’ is al minder overtuigend, al helt de balans nog steeds over naar het positieve (vooral dankzij het refrein, ingezongen door Laura Groves, een vriendin van Marshall en bekend onder alter ego Blue Roses). ‘Butterfly’ is een subtiele hint naar ‘Lullaby’ van The Cure, maar verder niet zo geweldig, net als ‘Needles and Threads’ ook wat gewoontjes klinkt.

‘Two Good Lives’ is dan toch nog een lichtpunt, maar de prachtige bloem waarin het liedje zich zou kunnen transformeren, wordt het eigenlijk nooit. Het is allemaal prima, maar de magie die ‘The Devil and I’ voor mij zo’n goeie plaat maakte, is hier jammer genoeg niet aanwezig. De afsluitende titeltrack zorgt voor een gedegen einde, in alle rust.

Deze plaat is trouwens uitgebracht op het label van Marshall, It Never Rains, na de breuk met Bella Union. Hiervan was Marshall behoorlijk ondersteboven, en de vrees bestaat dat hij geen platen meer gaat uitbrengen, althans, onder het alter ego Lone Wolf toch niet. Zelf zou ik dat jammer vinden, want hoewel deze nieuwe plaat verre van een parel is, was de voorganger dat wel, en weet ik dus dat de muziek van Marshall meer dan de moeite waard is.

3 sterren

Long Arm - The Branches (2011)

poster
4,0
Vorig jaar heb ik ontdekt dat ik dit soort muziek best wel weet te waarderen. Hip-hop, electro, een vleugje jazz, het zit er allemaal in. Het beste album van 2010 was bij mij 'Black Sands' van Bonobo. Ik ga deze daar niet mee vergelijken, want zo sterk vind ik deze niet. Maar het is wel een erg mooie plaat, kleurrijk en spannend genoeg om mij de hele rit te blijven verrassen. De hoes is buitengewoon interessant, vind ik. Zwart-wit, wat het hele plaatje wat zwaar te verteren maakt, maar toch ook die wolken die opklaren.

De melodieën zijn meestal erg mooi, spreken me erg aan, met 'After 4AM' als orgelpunt. Wat een sfeer wordt daar neergezet! Zo relaxed, met dat trompetje. Je wordt er helemaal lekker rustig van. Andere toppers op deze plaat zijn 'Double Bass In Love' en 'When Children Sleep'. Maar, zoals eerder gezegd, hier staat geen misser op. De korte opener en afsluiter zijn ook zeker geen opvulling, maar eerder mooie instrumenten om het album op gepaste wijze te openen en af te sluiten.

Op 'The Branches' wordt gebruik gemaakt van een rijke waaier aan instrumenten, en dat pakt uit in het voordeel van de producer in dit geval. Een meer dan aangename plaat, altijd goed voor een tijdje intens luisterplezier.

Ik hoor dit soort muziek trouwens ook liever zonder vocalen, dus als ik moet kiezen tussen de originele of instrumentale versie van het titelnummer, kies ik voor de instrumentale versie.

4 sterren

Lost in the Trees - A Church That Fits Our Needs (2012)

poster
4,0
‘All Alone in an Empty House’ was mijn kennismaking met Lost in the Trees, een Amerikaans collectief rond Ari Picker, het was een bijzonder aangename kennismaking. Niet dat muziek is waar je vrolijk van wordt, nee hoor. Maar het is van dat soort getergde zielenfolk die me wel aanstaat. En omdat ik nu toch in die mood ben (met ook Matt Elliott niet ver uit de buurt), leek het me een geschikt moment om de nieuwste van Lost in the Trees te bespreken.

‘A Church That Fits Our Needs’ luidt de titel van die nieuwste, die in het teken van de dood van de moeder van Picker staat. Ruim drie kwartier gaat men op zoek naar die ene geschikte plaats die verlossing zal brengen. Maar die bestaat helemaal niet, en dan moet je de waarheid onder ogen zien. De laatste regels van ‘Vines’, het afsluitende nummer, gaan dan ook als volgt: “Am I helpless? I trust you… but where are we walking to?”

De teksten zijn niet zo pijnlijk direct als die van Radical Face op ‘The Family Tree: The Roots’, maar wat subtieler verpakt. Toch vind je heel wat verwijzingen naar de moeder van Picker, en het miserabele pad dat haar naar de wanhoopsdaad die zelfmoord toch wel mag genoemd worden leidde. Enkele voorbeelden:

“Did god put you in that wheel chair?
A berserker;
Who’s eating every part;
Such a grey grief;
Which one is the villain?” (‘Villain (I’ll Stick Around)’)

“You walked through this horrid life;
But you got to sing before you closed your eyes.” (‘An Artist’s Song’)

Picker ziet haar ook al seen sort beschermengel. Zo zingt hij in het prachtige ‘This Dead Bird Is Beautiful’ het volgende: “Hell won’t come into my house; not when you’re around”. Ook is de plaat een mooi geheel, en is het concept er duidelijk in gesmeed. Er wordt in verschillende nummers verwezen naar de titels van andere nummers, en dat verstevigt natuurlijk dat geheel. In ‘Red’ heeft Picker het bijvoorbeeld over “a beautiful garden blooms”, in ‘Villain (I’ll Stick Around)’ zingt Picker “she’s neither here nor there”, en in verschillende nummers wordt verwezen naar het nummer ‘Red’. Dit alles zorgt voor een meer dan geslaagde symbiose.

En dan het muzikale gedeelte. Veel dramatiek, die echter nooit vervalt in groteske (lees: overdreven) taferelen. De twee intermezzo’s hebben hun plaats, al voegen ze niet ongelooflijk veel toe (alhoewel, in deze context natuurlijk wel, die voetstappen), en voor het overige worden er veel instrumenten gebruikt, met Picker’s stem op kop. Hij kan veel aan met die stem, en laat dat horen. Hij klinkt als iemand die veel verdriet heeft, maar het heeft leren aanvaarden. Ik denk dat in deze plaat behoorlijk wat werk gekropen is, en dat kan je horen.

De songs zijn soms op zulk een manier gearrangeerd dat je zou zeggen dat het klassieke muziek is. Violen, cello, tuba, piano, trompet, viola, het zit er allemaal in, zonder “gemaakt” over te komen, al schuurt het soms gevaarlijk dicht tegen het kitscherige geluid aan. Dat is meteen ook mijn enige negatieve bemerking bij deze plaat.

“She led me to the woods where our church was started”, klinkt het in ‘Icy River’, en die kerk blijkt nog maar een schim van zichzelf te zijn. We zijn uiteindelijk toch weer op onszelf aangewezen. Picker en zijn band maken ons daarop attent, op een erg fraaie manier.

4 sterren

Low - HEY WHAT (2021)

poster
4,5
Ik ben allerminst een kenner van de muziek van Low, maar deze plaat van het duo Mimi Parker-Alan Sparhawk wist me van bij de eerste luisterbeurt bij de kladden te grijpen. Wat meteen opvalt, is het organische karakter van de plaat. De songs vloeien naadloos in elkaar over, qua klankkleur en thematiek zijn ze ook uitermate goed op elkaar afgestemd. Uitzondering op de regel is de overgang van track 5 (Hey) naar 6 (Days Like These). Die komt behoorlijk abrupt over, maar dat zal wel iets met een LP en twee plaatkanten te maken hebben.

De hoes van dit album lijkt wel het vleesgeworden ruis, geschilderd in grijstinten. Dat past wel bij de muziek, al zijn de songs, als je wat aandachtiger luistert, ook behoorlijk gevarieerd en zelfs kleurrijk te noemen. De stemmen van Parker en Sparhawk gaan ook schitterend samen, wat niet zelden zorgt voor een schier spirituele ervaring tijdens de beluistering. Hypnotisering loert om de hoek, en ik laat me maar al te graag te grazen nemen; na afloop van de plaat bevind ik me vaak in een soort extatische trance.

Een albumopener vervult vaak de belangrijke functie om de luisteraar gelijk te overtuigen, en die kwaliteiten bezit White Horses ruimschoots. Dit is meteen een knaller van een sfeervolle opener, die je volledig mee de plaat inzuigt! En doordat de songs (op die uitzondering halfweg na dus) zo vlot in elkaar haken, raak je niet meer weg uit die overrompelende maalstroom. HEY WHAT heeft bij momenten veel weg van ambient, de sfeer staat voorop. Het begin van semi-titelsong Hey is bijvoorbeeld erg trance-opwekkend, en wanneer de stemmen van Parker en Sparhawk dan weerklinken, klinkt dat wondermooi samen.

Deze plaat omvat verschillende facetten. Naast de onontkoombare ruis biedt de plaat namelijk ook de nodige ruimte aan rust en contemplatie (Disappearing straalt die rust uit op zo'n aantrekkelijke manier dat ik er gerust in zou willen verdwijnen). Daartegenover staat dan weer dat er ook wel 'ns flink van leer wordt getrokken, al zijn die momenten spaarzamer. Het begin van Days Like These klinkt zelfs poppy en euforisch (en doet me op één of andere manier wat denken aan de Belgische band School Is Cool).

Elke plaatkant kent overigens een straffe afsluiter, een wat langere song die vernuftig in elkaar zit, vooral The Price You Pay (It Must Be Wearing Off) klinkt ronduit impressionant. Deze songs lijken haast mini-symfonietjes, weggeplukt uit het universum van Low, welteverstaan.

Zoals ik eerder al zei, staat sfeer voorop in mijn beleving van de plaat. En plaatkant B is mijns inziens nog net wat meer gefocust op die sfeer, wat zorgt voor een ontzettend intense luisterervaring. Het relatief korte intermezzo There's a Comma After Still vormt de brug tussen de rauwe euforie van Days Like These en de vertederende lieflijkheid van Don't Walk Away. De hoekige chaos van More, die daar meteen op volgt, bereidt dan weer de grand finale voor op geweldige wijze: het grandioze vernuft van de albumafsluiter blinkt daardoor nog net wat feller.

HEY WHAT is, door de persoonlijkheden en metier van het duo Parker-Sparhawk, een spirituele luisterervaring geworden. Een sfeervolle reis door een dromenland vol ruis, weemoed, liefde en ook wel wat hoop. En bovenal een kanjer van een plaat.

4,5 sterren