MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Wannes Cappelle / broeder Dieleman / Frans Grapperhaus - Dit Is de Bedoeling (2019)

poster
4,5
Dit Is de Bedoeling is een samenwerking tussen de Belg Wannes Cappelle (bekend van Het Zesde Metaal, maar ook medebedenker van de tv-reeks Bevergem!) en de Nederlanders broeder Dieleman (singer-songwriter) en Frans Grapperhaus (cellist), en bevalt me ten zeerste. Toegegeven, ik kende van dit drietal enkel Wannes Cappelle, wiens band ik erg goed vind. Maar als het de bedoeling was luisteraars ook aan te zetten naar de albums van broeder Dieleman te gaan luisteren, is mijn interesse zeker gewekt.

De dialecten van Cappelle en Dieleman gaan wonderlijk samen, en de cello valt in positieve zin op. Het instrument geeft de nummers een bepaalde kleur, bepaalt mee de richting, en dat kan zowel naar mistroostigheid (de sublieme opener Vergeving), naargeestigheid (de beklemmend klinkende voordracht van Dit Mens Is Er Geweest) als feest (de afsluiter klinkt als een carnavalshit in spe) neigen. Grapperhaus weet op elk nummer zijn eigen stempel te drukken, zonder te prominent op de voorgrond te treden. Erg knap!

De songs zelf zitten goed in elkaar, met een eigen karakter, een eigen smoel. Naast de opener vind ik vooral De Ballade van Lanza, die nog het meest klinkt als een moderne middeleeuwse vertelling, echt indruk maken. Het verhaal zelf is prachtig, de verzen worden, beurtelings, mooi gebracht door Cappelle en Dieleman, en dat alles wordt treffend samengehouden door de cello van Grapperhaus. Het gefluit in het tweede deel van het nummer doet zelfs wat denken aan de epiek van de westerns van Sergio Leone, maar dan in een spookstad-setting.

Ontroering is elke keer weer mijn deel na deze zes liedjes. Ik hoop in stilte dat het niet bij deze ene samenwerking blijft, maar denk daarnaast ook wel dat men hier spaarzaam mee moet zijn. Kwaliteit boven kwantiteit. En de juweeltjes komen wel bovendrijven. Om af te sluiten met een nuchtere levenswijsheid:

"En Lanza dacht, wat doen ze toch? Wa maakt ne mens zich moe?
Me niets anders dan te stappen, komt alles naar u toe."

4,5 sterren

Watain - Trident Wolf Eclipse (2018)

poster
3,0
Watain is een driekoppige Zweedse band die mijn aandacht in 2010 wist te trekken met hun bejubelde black metalplaat Lawless Darkness. Een goeie plaat, maar naar mijn mening niet het meesterwerk dat sommigen ervan maken. Drie jaar later kwamen ze met The Wild Hunt, een plaat die me wat minder beviel. Dit jaar komen ze, na vijf jaar, met een nieuwe plaat die alweer anders klinkt.

Trident Wolf Eclipse duurt amper 35 minuten (de bonustrack niet medegerekend), en onderscheidt zich binnen het oeuvre van Watain door het recht-voor-de-raapgeluid. Geen enkele song haalt de vijf minuten; de vuige, hondsbrutale opener duurt amper een goeie 3 minuten. Het is dan ook een mokerslag in je gezicht, en zet zo meteen op geslaagde wijze de toon.

De asgrauwe hoes straalt een sfeer van onbehagen uit. Deze sfeer wordt aardig benaderd in nummers als Teufelsreich, een song die een ronduit beangstigend effect heeft op mij, en aldus prima z'n werk doet. Het is echter wel zo dat je op den duur als luisteraar, ook al is het een relatief kortdurende plaat, murw wordt geslagen door de brute mix van death, black en thrash metal.

In een interview met Blabbermouth heeft de frontman het overigens even over de albumtitel. De drie woorden in de titel, zo zegt hij, zijn symbolen die doorheen het oeuvre van de band een prominente plaats hebben ingenomen; naar mijn gevoel wil hij daarmee bedoelen dat ze op deze plaat naar de essentie van hun muziek trachten te grijpen. En dat kan wel 'ns kloppen, want hoewel dit duidelijk een andere plaat is dan de vorige, hoor je de ziel en het geluid van Watain er wel degelijk in terug. Alleen puntiger, minder uitgesponnen.

De bonustrack tot slot kan je overigens prima los van dit album beluisteren, want die track duurt wel ruim 7 minuten, en doet qua sfeer wat meer denken aan eerdere albums van de band. Het is wat lomper en zwaarder dan de acht reguliere tracks. Een voorbode of eerder reflectie?

3 sterren

Wednesday 13 - Transylvania 90210 (2005)

Alternatieve titel: Songs of Death, Dying, and the Dead

poster
3,0
De songtitels roepen het flauwe vermoeden al op, maar als je die teksten dan van wat meer dichtbij gaat bekijken (en beluisteren), weet je dat dit album niet al te serieus te nemen valt. En laat die kennis nou net een doorslaggevende factor zijn voor mij om het toch gewoon een goeie plaat te vinden!

In de eerste plaats is dit erg geinig. Ik amuseer me bij momenten kostelijk tijdens het beluisteren van het album, en dat is het primaire doel van dit soort muziek. Als ik eerlijk ben, kan ik dit een pak beter pruimen dan Murderdolls (het meest bekende project van Wednesday 13, waar ook Joey Jordison, ex-drummer van Slipknot, deel van uitmaakt). Songs als 'I Walked with a Zombie', 'Bad Things' en 'I Want You... Dead' balanceren knap op het koord van de foutheid, zonder genadeloos in de diepte te storten. De teksten zijn op het randje, de muziek is zonder meer vermakelijk, en soms ook wat harder dan Murderdolls. Ook leuk is dat er op sommige momenten zowaar een saxofoon wat rond komt kuieren.

Aan de andere kant zijn de laatste twee nummers teveel van het goede, en slagen die er vooral in om te vervelen. Een valse noot aan het eind kan de pret echter niet volledig bederven, dus een goede score is hier gewoon op z'n plaats.

3 sterren

Weedpecker - III (2018)

poster
4,0
Na twee albums, uitgebracht in eigen beheer (die ik tot op heden nog niet heb gehoord), heeft de Poolse band Weedpecker eindelijk z'n eerste release op een label weten te versieren. En dat is dan nog niet van minsten, dat label; het gaat om Stickman, het label dat ik vooral ken van de Noorse band Motorpsycho. En welaan, daar doen deze gasten geregeld aan denken!

Het derde album van Weedpecker, dat de droge titel III draagt, bestaat uit vijf composities die een staalkaart van hun kunnen presenteren. Ik hoor oude Pink Floyd-invloeden en andere psychedelica, maar ook (hoe kan het ook anders met zo'n bandnaam?) behoorlijk wat stevige stoner-invloeden. De snedige gitaarsolo's (zoals die in de opener, bijvoorbeeld) geven de plaat dan ook 'ns een soort rock 'n roll-elan. En ik moet zeggen dat die combinatie me uiterst goed smaakt!

Dat mijn eerste twee alinea's steeds uitmonden in een uitroepteken, zegt wellicht genoeg; ik vind dit een erg goeie plaat. De opener is voorbij voor je er erg in hebt, maar waaiert in zeven minuten wel een vijftal richtingen uit. Embrace begint rustig (en doet op instrumentaal vlak al aan Motorpsycho denken), maar bevat verderop ook enkele vettige riffs, waarvan er eentje me zelfs aan Iron Maiden en andere NWOBHM-bands doet denken.

Liquid Sky is wellicht het meest hitgevoelige (als je dat woord al in de mond mag nemen bij dit album) nummer, en daar zit de tiegelijk lekkere groove voor een flink stuk tussen. Denk het soort groove waar Motorpsycho een patent op heeft; het is een kwestie van associatie, maar ik moest gelijk aan de song A.S.F.E. denken van het vorig jaar nog verschenen The Tower van de veelzijdige Noren.

Het beste nummer vind ik echter track nummer vier. Het is misschien wat cliché om de langste song de uitblinker te vinden, maar het is nu eenmaal zo. From Mars to Mercury is een epische, alle hoeken van het spectrum waarin Weedpecker zich begeeft gretig verkennende song van ruim 10 minuten. De rustige passage die zich halverwege aandient en de luisteraar de kans geeft om wat op adem te komen en richting dromenland te gaan, is om in te lijsten! De laatste anderhalve minuut wordt dan weer een versnellinkje hoger geschakeld, waardoor je heerlijk ontwaakt.

Als afsluiter is Lazy Boy and the Temple of Wonders welgekozen; op een dromerige manier word je langzaam richting de finish gedreven. Meer dan ooit waart de geest van Pink Floyd rond in deze song, die aan het eind een valse trage blijkt te zijn.

't Is nog vroeg op het jaar, maar dit is toch een erg mooie eerste ontdekking!

4 sterren

Ween - The Mollusk (1997)

poster
4,0
Dit album, The Mollusk was enige tijd geleden mijn eerste bewuste kennismaking met Ween, een excentriek gezelschap uit Pennsylvania, een staat in het noordoosten van de Verenigde Staten. Bewust, zeg ik, want natuurlijk zal ik, buiten mijn eigen besef om, al wel ‘ns wat gehoord hebben van de band. En de naam Ween zei me natuurlijk ook wel iets, voornamelijk dankzij South Park, waarover later meer.

De albumhoes weet meteen te intrigeren: we zien, op een duistere achtergrond, enkele vreeswekkend uitziende schepselen der zeven wereldzeeën. Ondanks hun uitwendige verschillen, zijn ze toch allemaal verweven tot één indrukwekkende hybride. De hoes vormt op dat vlak voor mij ook een opvallende metafoor voor de muzikale content. Vanuit muzikaal standpunt is dit namelijk een behoorlijk eclectisch boeltje, maar op één of andere manier is de band er toch in geslaagd een min of meer coherent geheel te smeden. Er zitten heel wat afgeschaafde, prikkelende hoekjes aan, dat is waar, maar dat maakt de plaat des te opvallender.

Het album opent met een schijnbaar luchtig kinderwijsje, compleet met gekke stemmen. Daarna volgt de titelsong; misschien niet de meest indrukwekkende song, wel gewoon een klein, frivool liedje. Polka Dot Tail heeft vervolgens weer wat meer weg van een kinderliedje, maar dan wel met een stevig hallucinogene inslag. De verteller vraagt aan al wie luisteren wil of die reeds met een aantal fenomenen, zoals een walvis met gestippelde staart of een man met acht vingers aan elke hand, in aanraking is gekomen. Het lijkt me vooral een beschrijving van de hallucinaties van een al dan niet geslaagde drugtrip.

De band weet met enige regelmaat ook grappig uit de hoek te komen, waarvan I’ll Be Your Jonny on the Spot en Waving My Dick in the Wind wellicht de duidelijkste voorbeelden zijn. Dat eerste nummer wordt bovendien opgesmukt met een bijzonder lekkere wah-wahsolo. Ook The Blarney Stone, dat de draak lijkt te steken met Ierse volks- en drinkliederen, ontlokt meer dan één glimlach aan mijn tronie. Het piratenwijsje kent een stomdronken sfeertje, met ruige teksten en dito vocalen.

Verder blijf ik de indruk hebben dat de consumptie van psychedelische drugs een significante invloed had op dit album (als ik de commentaren van Dean Ween tijdens de 20ste verjaardag van het album mag geloven). Mutilated Lips klinkt bijvoorbeeld behoorlijk psychedelisch en bevreemdend, zowel qua sound (o.a. dankzij het gebruik van de Moog-synthesizer) als tekst. Ook op The Golden Eel is het duidelijk dat er bepaalde invloeden werkten, al klinkt dit nummer wat logger, apathisch en lethargisch. ”I Cannot reveal the words of the golden eel”, klinkt het in het refrein. Dit zou kunnen betekenen dat er geen zinnigheden kunnen worden gespuid te wijten aan de drugsroes, maar evengoed dat de boodschap van die gladjanus strikt geheim is. Nu neig ik eerlijk gezegd wel naar optie 1, hoor.

Dat de heren ook enige sérieux aan de dag kunnen leggen, wordt nog het best bewezen met It’s Gonna Be (Alright), dat qua geluid wat mistroostig klinkt. Het liedje zou dan ook geïnspireerd zijn door de recente relatiebreuk van één van de bandleden destijds. Cold Blows the Wind voelt dan weer aan als een soort middeleeuwse ballade, en enig opzoekwerk heeft me geleerd dat het gaat om de herwerking van een Engels volksliedje uit 17de eeuw. Akkoord, net na de Middeleeuwen, dus. Maar toch. Ook de afsluiter heeft een Britse folk-inslag, een traag triest liedje. De tekst is erg interessant, maar toch is hier ook de nodige ironie aanwezig.

Ocean Man klinkt zonnig en zomers. Het verbaast me dan ook niet dat dit liedje gebruikt werd in The SpongeBob SquarePants Movie, u weet wel, over die gekke spons uit Bikini Bottom. Dit album lijkt sowieso nogal veel nautische verwijzingen te bevatten (zie ook de albumtitel en -hoes). Pink Eye – On My Leg is een gemoedelijk instrumentaaltje. Het weet op typische Ween-wijze de aandacht te trekken, met een tikje bevreemdende geluidseffecten, een blaffende hond en enkele oprispingen die ooit de ambitie hadden een boertje te worden. Buckingham Green krijgt uiteraard ook nog een vermelding, want ook dit is een erg tof nummer. Het lijkt nog het meest op een lieflijk LSD-sprookje dat halverwege ontspoort in muzikaal geweld.

De alinea’s hierboven beschrijven het eigenlijk al, maar ik zal het hier nog eens extra onderstrepen: The Mollusk van Ween is een vrij diverse, excentrieke plaat met spitsvondige, soms dubbelzinnige en vaak hilarische teksten. Muzikaal is het een waar kleurenpalet. Ween slaagt erin om niet al te serieus over te komen, maar stiekem wel steengoede liedjes te schrijven én te brengen.

4 sterren

PS: De South Park-connectie had u nog tegoed: bij de grappiger nummers moet ik namelijk regelmatig aan South Park denken. Ik ken de naam van de band ook grotendeels dankzij de Amerikaanse satirische comedyreeks, want in seizoen 2 was Ween één van de bands die op Chef Aid speelden. Maar dat buiten beschouwing gelaten, vind ik Ween erg South Park klinken. Het South Park van de eerste seizoenen welteverstaan, toen het nog een heerlijk grove, zichzelf totaal niet serieus nemende serie over de krankzinnige avonturen van 4 jongens uit een onooglijk gat in Colorado was.

Wilco - The Whole Love (2011)

poster
4,0
Goeie plaat van Tweedy & co. Over het algemeen onderhoudend, maar met op z’n tijd eens een hoogtepuntje, zodat je je nooit gaat vervelen. De plaat trapt af met het erg sterke ‘Art of Almost’, en wordt afgesloten door het lange ‘One Sunday Morning (Song for Jane Smiley’s Boyfriend)’, dat wel uit een jamsessie lijkt te zijn ontsproten. Het is tevens mijn favoriete song op het album, en ondanks de lengte en het hoge repetitieve gehalte gaat het nergens vervelen. Een staaltje van hun kunnen vind ik dat, maar van Tweedy verwacht je kwaliteit, uiteraard.

Daartussenin vinden we 10 fijne songs, met invloeden uit het zonnige California (zo klinkt het mij in de oren), country, americana en roots. De 12 nummers kunnen ook telkens rekenen op een sterke tekst van de hand van Tweedy, en de melodieën zijn niet bepaald om van in slaap te vallen. Toch is dit geen topplaat. En in de volgende paragraaf zal ik proberen uit te leggen hoe dat komt volgens mij.

Wilco heeft al enkele erg sterke platen uitgebracht. Tweedy wordt gezien als een enorm talentrijk muzikant, en ook zijn medebandleden zijn geen groentjes. Tweedy heeft al heel diep gezeten, maar lijkt nu uit die put zijn gekropen, waardoor de songs net dat tikkeltje minder intens aanvoelen. Er bestaat ook een hoog verwachtingspatroon bij elke nieuwe Wilcoplaat, vind ik, en het wordt steeds moeilijker om daaraan te voldoen. Ik ga niet zeggen dat ‘The Whole Love’ daarin faalt, maar er met brio in slagen, dat gebeurt dan ook weer niet.

Genoeg uitstekende popsongs dus, op deze nieuwe plaat. Een waardige, experimentele opener. Een lange slotoorkonde. Het zit ‘m dus vooral in de details, zoals ik al zei. In de persoonlijke luisterervaring. Ik betrap me er simpelweg te weinig op dat ik hier gespannen naar zit te luisteren. De magie is er bij vlagen wel (neem nu ‘Dawned on Me’, heeeeeeeerlijk), maar toch te weinig. Maar minder dan 3,5 sterren kan je voor zulk een fijn album toch onmogelijk geven?

3,5 sterren

William Fitzsimmons - Gold in the Shadow (2011)

poster
4,0
Singer-songwriters, ze zijn van alle tijden. Vroeger had je echte meesters daarin, die zowel wereldbekend (Bob Dylan, Neil Young, …) zijn geworden als in de vergetelheid zijn geraakt (ik ken er wel, maar ik ben hun naam vergeten). Heden ten dage heb je ook erg veel van dat soort artiesten, maar ze zijn lang niet allemaal even goed. Het gebeurt wel eens dat ik nieuwe artiesten ontdek van dit slag, die mij aangenaam verrassen. Tot mijn favoriete hedendaagse singer-songwriters behoren onder andere Sufjan Stevens, Joe Henry en de schielijk overleden Elliott Smith (die ik nog net tot deze categorie kan rekenen). Daarachter volgt een grote groep middenmotors, waarvan er af en toe eens eentje in het oog springt. Met een mooie plaat, zoals William Fitzsimmons bijvoorbeeld.

Want dat ‘Gold In The Shadow’ een mooie plaat is, dat hoeft naar mijn mening niet al te veel betoog. Ik zal proberen om niet al te veel woorden vuil te maken aan deze plaat, maar dat gaat me allicht niet lukken. Er valt gewoon genoeg over te zeggen dat de moeite waard is.

Fitzsimmons’ stemgeluid doet me denken aan een kruising tussen Sufjan Stevens en Joshua Radin, en dat is uiterst aangenaam. Beide heren die ik hiervoor noemde, treffen me wel meer met hun stem, maar Fitzsimmons doet het meer dan aardig. Hij weet een soort van hoopvol gevoel in zijn stem te leggen, een wezenlijk verschil met zijn vorige platen, die doordrenkt waren met verdriet. Dat maakt de plaat wat lichter verteerbaar, met haast vrolijke melodietjes (zoals in het nummer ‘The Winter From Her Leaving’), al is dat spatje droefheid toch ook te bespeuren.

De plaat wordt geopend met een erg mooi nummer, en ook ‘Beautiful Girl’ vind ik uitstekend. Twee leuke folkpopsongs, niet teveel tralala. In nummers als ‘Fade And Then Return’ en vooral ‘Psychasthenia’ hoor je onmiskenbaar de invloed van Sufjan Stevens. Fitzsimmons maakt gebruik van bliepjes en andere elektro-trucjes. Ook zit er occasioneel een galm op z’n stem, waardoor die dubbel klinkt. Dat zorgt voor een mooi effect; op de luisteraar komt het diepzinniger over, vind ik.

‘Wounded Head’ doet me denken aan – de ook reeds eerder genoemde – Elliott Smith, qua zang dan vooral. Ook het duet met Julia Stone (ik heb die versie) is mooi, en het valt me meteen op dat haar stem erg mooi samengaat met die van Fitzsimmons.

Ook in zijn lyrics klinkt Fitzsimmons bij tijd en wijle opvallend hoopvol. Zo horen we in ‘Fade And Then Return’ dat hij eindelijk iemand vindt bij wie hij zich thuisvoelt (“You feel like home”) en ziet hij in ‘Beautiful Girl’ hoop dat het allemaal goed komt (“Beautiful girl; let the sunrise come again; beautiful girl; may the weight of world resign; you will get better”). Maar, zoals eerder gezegd, hangt over elk nummer wel een somber sfeertje, hoe minuscuul ook, het is er wel degelijk. Dat zorgt ervoor dat deze plaat in vergelijking met de vorige platen geen zoete plaat is geworden, maar gewoon een minder bittere.

Fitzsimmons heeft al één en ander meegemaakt in zijn leven, maar lijkt nu toch de verlossing nabij te zijn. ‘Gold In The Shadow’ is overwegend optimistisch, al vergeet de bard met de baard nooit dat het noodlot altijd akelig dichtbij is, en om elke hoek ligt te loeren op die ene kans. Mooie plaat, die ik nog veel luisterbeurten zal gunnen.

4 sterren

Wim De Craene - Live 78 (2020)

poster
4,0
Erg mooi hoor, dit concert van Wim De Craene uit 1978, dat men blijkbaar nog ergens vanonder het stof heeft weten te halen. De live-sessie werd opgenomen voor het programma Dorp bij de Stad van de BRT (de Vlaamse openbare omroep destijds), en bevat naast heel wat nummers van zijn toen meest recente LP ...Is Ook Nooit Weg ook de onsterfelijke klassiekers Tim en Rozane.

De helaas veel te vroeg gestorven kleinkunstenaar/singer-songwriter wordt hier bijgestaan door de Headband, waardoor de nummers van De Craene een jazzy, ongedwongen sfeertje krijgen, dat best wel past bij die mooie stem van hem.

Grappig en treffend is ook de intro van het nummer Psylocybe Mexicana, een Mexicaanse paddenstoel waarvan men na consumptie gaat hallucineren.. je weet wel. Maar luister vooral zelf naar dit unieke artefact!

4 sterren

Winter - Into Darkness (1990)

poster
4,5
Vette bak doom, destijds (eind jaren '80 - begin jaren '90) moet dit, in underground-kringen weliswaar (want waar zou je anders dit soort obscuur spul horen?), toch heel wat stof hebben doen opwaaien.

Ik denk eerlijk gezegd dat de leden van deze band (of toch minstens één iemand, de inspiratie moet natuurlijk ergens vandaan komen) goed naar Celtic Frost hebben geluisterd, want dat loodzware, machinaal klinkende geluid (alsof een stoomwals en een metronoom een verpletterende samenwerking zijn aangegaan) doet erg denken aan jaren '80-werk van Thomas Gabriel Fischer en co. Ook Amebix is een naam die me te binnen schiet, en niet toevallig; deze band noemde zichzelf namelijk naar dit nummer van de Britten.

De albumhoes ziet er ontzettend guur en duister uit, een treffende verbeelding van de muziek. Winter slaagde er op dit album in behoorlijk grensverleggend te zijn, vooral op het extreme vlak. Ik kan me namelijk niet al te veel van dit soort extreme doom (voor die tijd was het wel degelijk extreem) voor de geest halen van voor 1990. Nu is 1990 mijn geboortejaar, dus ik heb het allemaal niet bewust meegemaakt (gelukkig hebben we nu genoeg mogelijkheden om naar hartenlust nieuwe muziek, oud of nieuw, te leren kennen!). Je had, heel in den beginne, natuurlijk Black Sabbath, en laten we zeker Candlemass ook niet vergeten. De heren van Winter uit New York, nota bene, zetten wel de volgende stap wat mij betreft.

Het is overigens niet zo dat men enkel in de lage regionen van de versnellingsbak resideert. Regelmatig mag er ook wat geaccelereerd worden (Destiny is een héérlijk voorbeeld), en dan komt gelijk de Celtic Frost-associatie in me op, zeker in combinatie met de ruige, getormenteerd klinkende vocals. De trage momenten bevatten dan weer een extreem soort heaviness die ik ook terughoor in het werk van Khanate; het is heftig spul, dat over de kracht beschikt om je als luisteraar fysiek te raken, in de vorm van enkele welgemikte en doeltreffende stompen in de buurt van de maag.

Tussen 1990 en 2021 is er een pak gebeurd (om het understatement van de eeuw maar te gebruiken), zo ook in de muziekwereld. Er zijn een heleboel subgenres ontstaan binnen de doom metal, enkele ook nog extremer dan het werk van Winter, waardoor je anno 2021 zou kunnen denken dat dit niet al te veel voorstelt. Bedenk dan best dat dit ruim 30 jaar geleden al in de ether werd gepleurd. Plus, maar dat is persoonlijk: het weet nog steeds een verpletterende indruk na te laten.

4,5 sterren

Wipers - Youth of America (1981)

poster
5,0
In mijn puberteitsjaren ben ik een tijdje bezig geweest met allerhande punkmuziek. Tot m'n favoriete bands behoorden, zoals bij zoveel jongeren I guess, Ramones, The Clash, Sex Pistols, noem maar op. Nu pas ben ik meer en meer bands aan het ontdekken die eind jaren '70, begin jaren '80 de basis legden voor de hedendaagse punkmuziek. Zo ook Wipers.

'Youth Of America' is mijn instapalbum van Wipers geworden, en wat vind ik dit geweldige muziek! Hierbij verbleekt alles zo niet het merendeel van de punkmuziek die ik enkele jaren geleden geweldig vond. Ik heb wat info opgezocht over deze plaat, en op Wikipedia (niet altijd even betrouwbaar, ik weet het) staat dat Greg Sage met opzet langere, complexere nummers heeft geschreven, als reactie op de korte, hevige punknummers die in die tijd regel waren. Toch staan ook hier kortere nummers op, de eerste drie dan, al duren die alle drie om en bij de 3 minuten, wat toch niet zo heel kort is in vergelijking met bijvoorbeeld een nummer van Ramones.

De lengte van de nummers maakt het ook mogelijk enige experimentatiedrang door te voeren. Zo is het afsluitende titelnummer een staaltje van het kunnen van de band. Woeste vocalen van Sage, knarsetandende gitaren, een psychedelisch sfeertje eromheen... Ik vind het ook briljant hoe de riff van in het begin van de song er halfweg weer treuzelend door komt, en weer gaat rusten. Na 9 minuten krijgen we die riff dan toch terug in vol ornaat te horen, en zo wordt deze song (terwijl Sage met z'n rauwe stem schreeuwt 'Youth of America!', een boodschap aan z'n volgelingen dus) en daarmee ook deze plaat op een fantastische manier afgesloten.

Dit is ook, zowel op muzikaal als tekstueel vlak, rauw en hard. De sneren van Sage zijn droog en gaan door merg en been. Het gitaarwerk is gewoonweg fantastisch; een combinatie van geniale gitaarriffs en experimentatie. Ook de spoken word-gedeeltes kunnen me bekoren; zij dragen erg bij tot de sfeer die wordt opgezet, een dreigende, apocalyptische sfeer, die geweld en verderf oproept.

Een nummer als 'When It's Over' is genieten van begin tot eind. De aanzwellende sound die hier wordt neergezet door gitaren en drums zorgt voor een allesoverheersende spanning en dreiging. In het midden van de song krijg je dan weer zo'n tussenstukje, waarin de basgitaar de overhand neemt, en gaat Sage over tot onheilspellend fluisteren, waarna het gitaarwerk weer geweldig weet te bekoren. Op het einde van de song nog eens een paar keer schier uitzinnig de titel van de song uitspuwen, en hop; je hebt een meesterlijke song. Misschien wel de beste punksong die ik ooit heb gehoord.

Kortom, geweldige ontdekking, lang leve MusicMeter, anders had ik hier waarschijnlijk nooit mee in aanraking gekomen. Meesterwerk, krijgt een plaatsje in m'n top 10.

5 sterren

Wolves in the Throne Room - Celestial Lineage (2011)

poster
4,0
Dit is meer dan black metal. 'Celestial Lineage', de nieuwe plaat van Wolves in the Throne Room (en tevens de plaat die als introductie diende voor mij om de band te leren kennen) heeft me vanaf de eerste luisterbeurt stevig aangegrepen, en heeft me tot dusver niet losgelaten. Een erg dringende indruk laat het werkje na, niet in het minst door de geheimzinnige sfeer die wordt gecreëerd, en het diepe, ijselijke geschreeuw van de frontman.

Zoals ik ergens in een comment van snarf349 las dat deze vent kan knorren, zo voel ik het ook wel aan. Al is knorren misschien niet het juiste woord, het komt toch dicht in de buurt. Ik hoor een heleboel boosheid en frustratie uit de vocals stromen, hetgeen ook aansluit bij het soms loeiende gitaarwerk en de manische drums. Opener 'Thuja Magus Imperium' trapt verrassend af met een soort van kerkkoor (de Latijnse titel doet dat al vermoeden), maar barst dan toch uit in een geweldige maalstroom van black metal epiek. Bijzonder sterk nummer, dat de klemmende sfeer de hele tijd weet vast te houden. Je kruipt echt naar het puntje van je stoel als je het met koptelefoon luistert, en gaat helemaal loos als je het nummer door de boxen van je stereo laat galmen.

‘Permanent Changes in Consciousness’ is een tussenstukje, en hierin zijn de ambient-invloeden die in het werk van deze Amerikanen verweven zijn, duidelijk hoorbaar. Rustig wordt het begin van ‘Thuja Magus Imperium’ weer benaderd, en bovenal is het eigenlijk niet meer dan een aardig tussenstukje. ‘Subterranean Imitation’ zet in, en je bent meteen vertrokken voor een zevental minuten meeslepende black metal, met alle elementen die ik in de eerste twee alinea’s al besprak.

‘Rainbow Illness’ is dan weer een tussenstukje (weer ambient) waar ik verder niet zo heel veel mee kan. Dan is het vooral wachten tot ‘Woodland Cathedral’ begint, dus. Wanneer die song inzet, besef je toch wel wederom dat dit het wachten waard is geweest, en hoor je weer zang die je in een kerkkoor weleens hoort, ondersteund door een mysterieus, illuster sfeertje. Dit nummer is de perfecte inleiding voor dé topper van dit album, namelijk ‘Astral Blood’. Één brok energie, en dat voel je ook meteen. Een perfecte gitaarlijn, die drumroffel die het nummer helemaal op gang brengt en de maniakale vocalen geven de luisteraar zo’n boost dat ie het gevoel krijgt dat hij muren kan verbrijzelen met de blote hand. Vooral niet proberen!

Neen, geniet liever van dit prachtige nummer, zoals ik dat doe, van de intensiteit en inleving, van de vakbekwaamheid ook. Ik luister dit album vrij vaak als ik ga joggen, en als dit nummer passeert, dan krijg ik altijd een energiestoot van jewelste. Het is altijd erg jammer wanneer het nummer dan gedaan is, want daarna loopt het weer even stroef als anders en word ik plots weer moe.

Niet dat het laatste nummer slecht is of zo, maar het heeft wel erg veel tijd nodig om zich op gang te slepen, zonder echt een beklijvende sfeer of indruk na te laten. Verder is het nummer wat trager en saaier dan zijn manische, geniale voorganger, en dat maakt dat er toch nog een kleine smet komt op de prestatie die Wolves in the Throne Room hier heeft neergezet; een erg sterke black metalplaat, maar toch niet de beste die ik dit jaar al gehoord heb.

4 sterren

Wooden Wand - Blood Oaths of the New Blues (2013)

poster
4,5
James Jackson Toth is een singer-songwriter die je niet in een hoekje kunt duwen, en zo kom je ze niet bij dozijnen tegelijk tegen. Ik zou zijn naam, zeker nu zijn nieuwste, ‘Blood Oaths of the New Blues’, zo’n goeie plaat is gebleken, zelfs durven bijzetten in het rijtje Oldham – Elverum – Molina. Ook muzikale duizendpoten die desondanks altijd vertrouwd en bekend in de oren klinken. Toth is een man die zich onder de fraaie schuilnaam Wooden Wand een unieke identiteit heeft aangemeten, het resultaat is navenant.

‘Blood Oaths of the New Blues’ is een plaat die traag van start gaat, en na de eerste luisterbeurt had ik dan ook mijn bedenkingen. “Waar zijn die startblokken naartoe?” vroeg ik me af. Maar het is iets waar je omheen moet kijken; de verstilde pracht, het intiem ontwapenende en tegelijk cryptische (die teksten!) van nummers als ‘Outsider Blues’ en ‘Supermoon (The Sounding Line)’ slaat na een heel aantal luisterbeurten als een moker in mijn gezicht.

Toth heeft op dit album een flinke greep uit de Amerikaanse muziekfolklore genomen. Hij heeft zijn spooky folk aangevuld met accentjes country, blues en rootsmuziek. De opener is een lange zit, maar meer dan de moeite waard. Een lange intro, traag tempo de hele tijd, maar niet de vervelende soort, prachtige frasen zoals “She retreats to the gardens, confesses to water and leaves that lake muddy and soiled”.

Ongemerkt gaat deze lange opener over in ‘Outsider Blues’, het verhaal van een beschadigde ik-persoon en zijn vriendin, een artieste die haar eerste werkje heeft verkocht, en om dit te vieren besluit het koppel af te rijden naar het Outsider Blues Fest in Toronto. Wat zich ontvouwt is een aaneenschakeling van levensechte scenes, die niemand onbetuigd kan laten. Ik zou de hele tekst kunnen citeren, maar dat laat mijn stuk langer lijken dan het in feite is. Luister zelf, is mijn advies. Ook op muzikaal vlak is het de moeite, zeer ingetogen en beheerst, met een zeker repetitief gehalte en vooral een prima ondersteuning voor de zang van Toth.

Tussendoortje ‘Dome Community People (Are Good People)’ draagt niet echt veel bij tot de plaat, ben ik van mening, maar slecht is het zeker niet. Je kan het beschouwen als een soort soundscape, maar van mij had het niet zo nodig gehoeven. Gelukkig wordt het hoge niveau daarna wel weer teruggevonden. ‘Dungeon of Irons’ is een nummer met een duidelijke country-feel (van de meest ingetogen soort, dat wel), zowel in zang als instrumentale begeleiding te bespeuren. Het nummer heeft een macabere ondertoon, als je weet dat het over moord handelt, en dan vooral over het feit dat dit moreel abject is. Een erg mooie vraagt eist de aandacht op: “When you die with a lie on your mouth, does that lie make a sound?” De vraag kan als retorisch beschouwd worden, maar is zeker relevant; Toth graaft diep in de ziel van de mens.

‘Supermoon (The Sounding Line)’ is ronduit confronterend. De country-invloeden zijn ook hier te horen (prachtige samenzang ook met een voor mij onbekende dame, heb er ook niets van weten te vinden). Ik heb gelezen dat het nummer over zelfmoord gaat, en dat zou je er zeker in kunnen zien, maar het zou evenzeer een metafoor kunnen zijn. Mark Twain, meester van de dubbelzinnige uitspraken, wordt erbij gehaald; een hint? De laatste strofe is echter de duidelijkste verwijzing naar de suïcide van de ik-persoon:

“I’m not leaving any clues when I leave this afternoon;
No one will ever find, no one will ever find;
No one will ever find my sounding line.”

‘Southern Colorado Song’ is, samen met ‘Outsider Blues’, mijn favoriete song op dit album. Terwijl de concurrentie toch ook al niet minnetjes is. Een uiterst geslaagd huwelijk tussen ghost folk (die echoënde spookvocalen op de achtergrond bezorgen me letterlijk kippenvel) en ingetogen country (die slepende gitaarlijn, de melancholische sfeer), met als gigantische kers op de taart een beklemmende tekst, die het verhaal vertelt van de Dougherty Gang, en een onthutsende conclusie trekt: “Sometimes nowhere seems the only place to go.”

‘Jhonn Balance’ is genoemd naar één van de aanstokers van de Britse grensverleggende band Coil. De ik-persoon heeft zijn hart uitgebraakt, men heeft geld ingezet op zijn ziel, hij opent brieven liever wanneer er niemand thuis is. De frase “Nobody’s home” heeft een dubbele betekenis; het kan slaan op vereenzaming en de angst daarvoor, maar het kan ook refereren naar paranoia en schizofrenie, en daarmee net de wens om alleen te zijn. ‘No Debts’ sluit de plaat af met het voorstel met een schone lei te herbeginnen: “No burdens, no loads, nothing promised, nothing owed; only smooth sailing now”.

En zo heeft James Toth aan het begin van het jaar al meteen uitgepakt. ‘Blood Oaths of the New Blues’ is een plaat die zowel zwaar op de maag kan liggen (de teksten) als ontspannend kan zijn (muzikale inkadering). Om dat eerste nog eens extra in de verf te zetten, enkele mooie tekstuele passages:

“We all shoot to kill, but more often miss and still no one I know feels lucky.” (‘No Bed for Beatle Wand / Days This Long’)

“I’ve never seen my own heart – we never see our own hearts, that’s the truly weird part!
Can’t assess any damage or survey the scars.” (‘Outsider Blues’)

“And a parking lot shot through the pain pills and booze;
Kristy kept bumping me with her hip and smiling;
I might have felt like I was saved then;
But I know what I feel’s just one version of real;
If there’s one thing that can’t be taught;
It’s belief.” (‘Outsider Blues’)

“An old letter in a book I’ve never want to stay.” (‘Supermoon (‘The Sounding Line)’)

4,5 sterren

Woods of Desolation - Torn Beyond Reason (2011)

poster
4,5
Een aanslag op je ziel. Zo kan je dit nieuwe album van Woods of Desolation misschien wel het best omschrijven. Het is muziek die zoveel blootgeeft, wat er voor zorgt dat de luisteraar zich ook erg betrokken voelt bij wat hij hoort. Er in opgaat. ‘Torn Beyond Reason’ is, wist ik al na enkele luisterbeurten, niet zomaar een album. Het is een reis doorheen je gevoelens, een halve furie. Bovenal is het een uitzonderlijk goeie plaat.

De ijzingwekkende schreeuwen en prachtige gitaarriffs maken dit de winterplaat bij uitstek. Het is ook een gelaagde plaat; de eerste luisterbeurten zou je kunnen opmerken dat het nogal veel van hetzelfde is, maar eens je er meer in doordringt (of, beter gezegd, de muziek meer in jou doordringt) ontdek je laag per laag de schoonheid van deze plaat. De gelaagdheid houdt ook een grote variatie in; het titelnummer alleen al is een fantastische tocht door een koud, diep, donker woud. Alleen: na zes luisterbeurten kom je te weten dat je niet in één woud komt, maar doorheen verschillende wouden. Het ene nog duisterder dan het andere.

De titels spreken voor zich, zou ik denken. Ze hebben allemaal met koude te maken, met guurheid, met een allesverterend gevoel van eenzaamheid. De manier waarop ‘Darker Days’ opent, is schrikbarend: spaarzame akoestische gitaar, keyboard dat “iets” doet, en dan een korte stilte, zo’n stilte waarvan je weet dat er iets op til is. Daarna barst het open, en komen er allerlei dingen op je af. Je weet niet wat je eerst moet voelen (koude? Woede? Hopeloosheid?), maar je weet wel dat het een gevoel is waar je niet zomaar van afraakt. Het drumwerk vind ik trouwens ook werkelijk fantastisch. Op bepaalde momenten begint die drummer quasi-lukraak en luchtig te spelen, om meteen daarna weer met een machtige roffel de boel te laten exploderen. Ik beluister deze plaat vaak tijdens het lopen; ik haal er energie uit, want dat heeft ‘Torn Beyond Reason’ ook: ondanks het duidelijk hoorbare pessimistische, waart er ook een soort niet stopbare drift rond in de nummers.

En of dat nog niet genoeg is, is dit ook qua sfeer een absolute topper. ‘An Unbroken Moment’ begint al meteen met een memorabele riff, de drummer geeft plankgas. Dan die zanger.. je begrijpt geen jota van wat ie uitkraamt, maar het klinkt zo verdomd emotioneel, alsof hij zijn hele ziel blootlegt. Dan volgt er een tempowisseling, versnelling lager geschakeld. Het wordt haast een meezinger! Terwijl dit helemaal niet zo toegankelijk is, denk ik persoonlijk. Dat kan alleen maar doordat het qua sfeer honderd procent in orde is. Het nummer barst dan weer open, wat een energie.. Na drieënhalve minuut lijkt het nummer gedaan, maar het houdt enkele even halt. Op adem komen, en met een weemoedige cello (?) op de achtergrond eens vrijuit filosoferen over de titel. ‘An Unbroken Moment’.. Tja, kan je zoveel invullingen aan geven, dat ik toch maar eens de tekst moet opzoeken. Deze passage duurt ongeveer een minuut, en wel meer metalbands die ik goed vind, lassen dit soort pauzes soms in (Agalloch, Shining, Opeth…). Het nummer barst daarna naar goede gewoonte weer uit, ramen versplinteren, en je twijfelt of je een scherf zou oppakken en jezelf zou toetakelen, maar je doet het toch maar niet, want deze muziek is bloedmooi, en grijpt je bij de keel, dit wil je meer horen.

Het langste nummer van de plaat, ‘The Inevitable End’. Het onafwendbare einde.. Ieder zal z’n eigen Apocalyps kennen, dat weet ik wel. Maar als het einde zo mooi mag zijn als dit nummer, dan teken ik daar gerust voor. Vreemd genoeg heeft dit nummer de meest hoopvolle klank naar mijn mening. Daar is dat luchtige drumspel weer! Dappere zet van de drummer, want dit soort trucs kan evengoed verkeerd uitpakken. Ik moet ook opmerken dat de geluidsbrij die gegenereerd wordt, een mooi geheel vormt doorheen de ganse plaat. De klankkleur is nagenoeg overal hetzelfde, wat ook weer bijdraagt tot de sfeer, en dit tot een geweldig geheel maakt. Ik denk ook niet dat ik ooit een los nummer zou beluisteren, ik zou toch altijd teruggrijpen naar de plaat in zijn geheel.

Even een woordje over de hoes. Donkere kleuren overheersen het beeld, het is nacht (of schemerdonker). Een imposante boomstam doemt op, alsof hij uit het niets komt. Op de achtergrond zien we een donker woud. Het fraaie logo van de band siert de cover, met daaronder de titel. Grimmigheid ten top. Het zou me niet verbazen mocht deze foto gemaakt zijn in november, zoals de titel luidt van het volgende nummer. Terwijl de laatste seconden van het vorige nummer de tijd krijgen om weg te ebben, komt ‘November’ opzetten. De aanzet verschilt van de andere songs; akoestische gitaar wordt aangeslagen, eerst traag, daarna sneller. De drums zwellen aan, ik hoor cello en keyboards, en uiteindelijk barsten de gitaren uit in een bitter gevecht. Postmetal zoals ik het niet vaak hoor; prachtig, ontluikend, vertederend, maar het zorgt vooral voor een ongelooflijk accuraat beeld van de betreffende maand. Een zware maand, vooral om op te staan. De weersomstandigheden gunnen je geen rust, buiten valt de sneeuw. De bomen hebben geen bladeren meer, autoportieren vriezen vast.

Afsluiter is ‘Somehow…’. De levensvraag, vermomd als ijdele hoop. En dat bewijst ook de tekst (die ik inmiddels opgezocht heb):

“Grey visions of today;
Every sight the same;
I can not break free;
I think I’m gone.
As thought I never wake;
Always drawn into descent;
And my decays, just out of reach.”

Dit stukje tekst bewijst ook meteen dat het eigenlijk jammer is dat je de woorden niet of nauwelijks verstaat. Dat kan je misschien bestempelen als een minpuntje, maar dat doe ik net niet. Want de manier van zingen/schreeuwen van de zanger geeft de hele plaat dat mysterieuze sfeertje, geeft ‘Torn Beyond Reason’ een groot deel van zijn epiek. Lyrics kan je altijd opzoeken, dus is het voor mij geen absolute must dat je ze perfect kan verstaan. Als dit bijdraagt aan de sfeer van de plaat, des te beter. Het moest gewoon zo zijn, omdat het de beste manier is om het gevoel over te dragen dat deze plaat uitademt; verlorenheid, eenzaamheid, een beetje verdorvenheid ook. Met de ijdele hoop, die als een schrikgodin achter de hoek loert, wachtend op die ene kans om verwoestend uit te halen.

4,5 sterren