menu

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Absynthe Minded - As It Ever Was (2012)

3,5
Absynthe Minded moet toch wel één van m'n favoriete Vlaamse bands zijn. Het vijfkoppige gezelschap onder leiding van Bert Ostyn heeft in het verleden al enkele erg goeie platen uitgebracht, en 'My Heroics, Part One' is één van de beste Belgische nummers van deze eeuw naar mijn mening. 'As It Ever Was' is hun nieuwe plaat, de vijfde alweer. Wederom hebben ze een plaat gemaakt die bol staat van degelijkheid, en het is eraan te horen dat de heren hun metier steeds beter onder de knie krijgen.

Absynthe Minded is met deze plaat weer een stapje dichter gekomen bij radiovriendelijke popmuziek, maar blijft er toch nog altijd ver genoeg van weg. De vocalen van Ostyn zijn altijd weer aangenaam om te horen, met een accent dat zijn Belg-zijn duidelijk verraadt. Maar dat maakt het best charmant; single en knaller van de plaat 'Space' bewijst dat eens te meer. Het is zo'n song waar nagenoeg alles aan klopt, een betere binnenkomer kan je jezelf niet wensen.

Nadeel kan dan misschien zijn dat het nooit meer zo goed wordt als die eerste song. Toch kan men geenszins klagen, en met de titelsong, 'Little Rascal' en '24 7' staan er toch nog een drietal absolute hoogtepunten op de plaat. Niet elk nummer is even goed en blijft even goed hangen, maar slechte nummers kan ik niet terugvinden.

Afsluiter 'Get Around' geeft hintjes naar de jaren '60, qua invloeden. Niet dat het kan concurreren met The Beatles of The Byrds of The Beach Boys, maar het is gewoon een lekkere afsluiter van een goed album. Geen meesterwerkje, dit 'As It Ever Was', gewoon een weer een hele goeie plaat. Van Absynthe Minded kunnen we dat ondertussen al wel verwachten.

3,5 sterren

AC/DC - Back in Black (1980)

4,0
Dit is naar mijn mening niet het beste album van AC/DC, maar wel het beste in het post-Bon Scott-tijdperk. Back in Black is, naast een eerbetoon aan de toen pas overleden zanger (de in het zwart gedompelde cover staat symbool voor het verlies van Scott), een erg goeie plaat. Vooral qua herkenbaarheid scoort ie hoog, ondanks het feit dat dit Brian Johnson's vuurdoop als zanger van AC/DC was, en dat is best knap. Nagenoeg elk nummer herken je meteen, en zet aan tot headbangen, swingen of wat dan ook. De neiging tot enthousiast bewegen is onafwendbaar.

De band ging, na het verscheiden van Bon Scott, op zoek naar een nieuwe zanger, en vond die dus in Johnson, die toen actief was bij de band Geordie. Het album werd een groot succes, wat ook wel te maken zal hebben gehad met het overlijden van Scott. Maar laat dat zeker niet de enige reden zijn, want de aanstekelijkheid van de songs (zie ook de alinea hierboven) maakt dit album erg sterk. Hells Bells is een straffe, iconische opener (het klokkengelui klinkt waarlijk des duivels), Shoot to Thrill, Back in Black en You Shook Me All Night Long zijn onweerstaanbaar rock 'n roll; gruizige, vinnige meezingers. De afsluiter is al bijna even iconisch als de opener, en nodigt ook weer uit tot meezingen.

Toch vind ik deze net geen 4,5 sterren waard, welke ik wel veil heb voor Let There Be Rock en Powerage, en dat komt doordat de overige songs weliswaar zeer goed zijn en lekker in 't gehoor liggen, maar het niveau van die vijf à zes briljante songs niet halen. Toch is dit een album om te koesteren, want het is ten eerste een mooi eerbetoon, en ten tweede: beter zou het nooit meer worden.

4 sterren

AC/DC - Black Ice (2008)

3,0
Ergens is dit wel een mijlpaal in het verhaal van AC/DC, want Black Ice is het laatste album met stichtend lid Malcolm Young. In 2014 zou hij de band verlaten nadat men dementie had gediagnosticeerd bij hem. In 2017 zou hij helaas overlijden.

Tussen Stiff Upper Lip en dit album gaapt een kloof van zo'n 8 jaar, wat voorheen nooit gebeurd was bij AC/DC. Dit had verschillende redenen, waaronder een ernstige handblessure van bassist Cliff Williams. Het liet aan de andere kant de gebroeders Young wel toe het songmateriaal tot in de puntjes af te werken, wat een goeie plaat heeft opgeleverd, die - eerlijk is eerlijk - wel een kwartiertje korter had mogen duren. De grote inspiratie lijkt niet echt aanwezig (kijk maar 'ns naar de vele typische AC/DC-songtitels), maar zo ongeveer elke song heeft wel een aanstekelijke riff. Dit album scoorde dan ook erg goed in de hitlijsten.

De initieel geopperde albumtitel was overigens Runaway Train (wellicht ook de initiële titel van de openingssong?), maar omdat dit nogal afgezaagd klonk, is het Black Ice geworden, genoemd naar het gekende fenomeen dat vooral in noordelijke regio's wordt waargenomen en dat wij kennen als ijzel. Het refereert blijkbaar naar enkele shows die de band gaf in Schotland (het geboorteland van de gebroeders Young, overigens), en de herinnering aan waarschuwingen voor ijzel die op de radio werden uitgezonden (dat zullen ze wel in de tourbus hebben gehoord, vermoed ik).

Afijn, een fijne plaat dus, met wat meer soulvolle elementen, vind ik (Spoilin' for a Fight is daar een goed voorbeeld van). Alleen wat te lang.

3 sterren

AC/DC - Flick of the Switch (1983)

3,0
In tegenstelling tot de vorige drie albums, werd dit album niet geproducet door Mutt, maar hebben ze het heft zelf in handen genomen, volgens Malcolm Young omdat de band terug wilde naar de sound van de begindagen (zo rond High Voltage bedoelt hij volgens mij, niet de allereerste dagen, met hun eerste zanger Dave Evans). De plaat klinkt wel wat grover, dus in die optiek is de missie wel geslaagd. Alleen jammer dat het songmateriaal niet zo heel erg overtuigend is.

De meeste songs zijn best behapbaar, en aan Bedlam in Belgium is nog een interessant verhaal verbonden ook (de titel komt voort uit relletjes die bijna uitbraken na een AC/DC-concert in Kontich), maar over het algemeen zijn er te weinig memorabele songs terug te vinden op dit album. Als ik dan toch een poging waag, kom ik bij het eerder vernoemde Bedlam in Belgium (al zal het achtergrondverhaal er wel voor iets tussen zitten), Nervous Shakedown en het vinnige Badlands.

Het hele opnametraject van de plaat verliep trouwens ook niet zonder problemen, want nog voor de plaat voltooid was, werd drummer Phil Rudd uit de band gezet, omdat hij verslaafd was én nogal 'ns ruzie had met Malcolm Young, en vervangen door Simon Wright. Alle drumpartijen van Rudd waren toen echter reeds ingespeeld, dus is hij de enige drummer die op deze plaat te horen is. Wright ging wel mee op tournee. Rudd zou een goeie tien jaar later wel terugkeren.

Op muzikaal vlak baart deze plaat echter een wat grijze muis. Nergens wereldschokkend, nergens hemeltergend. Gewoon een degelijke plaat, maar met de toen reeds opgebouwde discografie van AC/DC in gedachten is dat toch wat te min.

3 sterren

AC/DC - Let There Be Rock (1977)

4,5
Schitterende plaat van AC/DC, naar mijn mening hun beste met Bon Scott, en misschien wel tout court. Enkele iconische songs zijn hierop te horen, met in de eerste plaats natuurlijk Whole Lotta Rosie, over een zwaarlijvige dame uit Tasmanië waar Scott ooit 'ns mee onder de lakens is gedoken, naar verluidt. Grappig en ook een beetje raar om daar dan een song over te schrijven, misschien, maar 't is wel een geweldige rocker.

De titelsong hoeft daar haast niet voor onder te doen, en blijkt een hommage aan Chuck Berry, die Bon Scott als grote roerganger van de rock 'n roll zag. Zes minuten duurt de song, openend met een geweldige riff die maakt dat het nummer van de eerste seconde al niet meer stuk kan. Overdose gaat dan weer over het verslaafd zijn aan een vrouw. Die songtitel heeft een helaas wat ironische bijklank door de dood van Bon Scott in 1980.

Op de originele, Australische versie staat Crabsody in Blue, dat voor de internationale release werd vervangen door Problem Child. Die song stond ook reeds op de voorganger (zowel de Australische als internationale release), maar ik prefereer de versie met Problem Child; heerlijk nummer!

Een slechte track is in geen velden of wegen te bekennen, zelfs geen matige. Waar de voorganger al een interessante combo tussen rock 'n roll en blues liet horen, is dat hier nog verder verfijnd en geperfectioneerd. De gitaarsolo's van Angus Young zijn weergaloos, met zijn broer als klankbord (een erg sterke combinatie). De zang van Bon Scott klinkt geïnspireerd, energiek én krachtig. Het drumspel van Phil Rudd is puur vakmanschap. Tot slot was dit ook de laatste plaat met bassist Mark Evans, die een kort na de release werd vervangen door Cliff Williams. Die laatste maakte zelfs al zijn opwachting voor een videoclip van Let There Be Rock.

4,5 sterren

AC/DC - Live at River Plate (2012)

4,5
Schitterende live-plaat. Waar Maiden Brazilië uitkoos voor een iconisch document (Rock in Rio), deed AC/DC dat in Argentinië, meer bepaald in het stadium van de topclub River Plate. In december 2009 speelde de Australische band, verspreid over drie avonden, voor bijna 200.000 (!) uitzinnige fans. De 19 songs die op deze plaat te horen zijn, bieden een keur aan oude favorieten en recenter werk, met uiteraard een paar songs van de LP Black Ice, hun op dat moment meest recente worp.

De indeling van de plaat is erg sterk, beginnend met het opzwepende Rock N Roll Train, waarna met Hell Ain't a Bad Place to Be meteen één van mijn eigen favorieten volgt. Hun in mijn ogen beste plaat, Let There Be Rock, wordt daarnaast nog vertegenwoordigd door - hoe kan het ook anders? - het titelnummer en Whole Lotta Rosie.

Het spreekt voor zich dat de meest befaamde songs bijna allemaal de revue passeren. De energie spat uit de speakers; het spelplezier is van mijlenver te ontwaren; de fans zorgen voor dat extra laagje sfeer. Brian Johnson klinkt daarenboven ook nog 'ns erg goed (beter dan op het live-album van 1992, naar mijn mening). Kortom: alle ingrediënten voor een spetterende show zijn aanwezig. Mijn score is dan ook navenant!

4,5 sterren

AC/DC - Power Up (2020)

3,5
In een interview met HUMO wist Angus Young te vertellen dat hij wist dat er zeker nog één goeie AC/DC-plaat in zou zitten.. En ik moet het toch met hem eens zijn wat Power Up, die nieuwe plaat, betreft.

Hun vorige dateert alweer uit 2014, en ik vond die opvallend vinnig en krachtig klinken. De toestand van bezieler Malcolm Young was toen helaas al fors aan het verslechteren (in 2017 zou hij sterven), en op die plaat werd hij vervangen door neef Stevie, maar hij had naar verluidt toch nog een hand in de songs op dat album. En eigenlijk geldt dat ook wel voor deze nieuwe.

In het interview geeft Angus namelijk aan dat hij, uit verveling, wat hij een vast stramien na een tour of wat dan ook noemt, door een hoop oude demo's van hem en zijn broer is gegaan, en dat daaruit dit album is ontstaan. Nu, met de songs is absoluut niets mis, ze klinken op en top AC/DC, dus dat geloof ik graag. De plaat is ook, in navolging van Rock or Bust lekker compact gehouden; 12 nummers in 41 minuten, waarvan er slechts eentje de kaap van de 4 minuten rondt, en dan nog amper.

Knap is ook dat Angus alle oude gloriën, die eerder om verscheidene redenen hun afscheid van de band hadden aangekondigd, terug bij elkaar heeft gebracht voor deze plaat. Cliff Williams had tijdens de tour naar aanleiding van Rock or Bust al aangegeven te stoppen; het verhaal van Phil Rudd kent iedereen ondertussen wel; en Brian Johnson moest zelfs tijdens de bewuste tour al stoppen omdat hij met ernstige gehoorproblemen te kampen had. Angus wist dat er juridische sores konden komen van het voortijdig stopzetten van de tour, en zat dus met de handen in het haar. Gelukkig voor AC/DC bood Axl Rose van Guns N' Roses zich vrijwillig aan, en kon de tour toch beëindigd worden.

Goed, de muziek zelf dan. Daar valt niet veel op aan te merken of af te dingen. Als je vernieuwing en spanning zoekt, verrast wil worden, ben je hier aan het verkeerde adres. AC/DC is namelijk één van die bands met een signature sound, en dat laten ze op alweer de 17de (als ik goed geteld heb) studio-plaat eens te meer horen. Die van kilometers afstand te herkennen riffs van Angus Young, de gillerige vocalen van Brian Johnson, zelfs de typische songtitels, van prijsnummer Shot in the Dark tot Kick You When You're Down; vintage AC/DC. En van Phil Rudd als mens kan je denken wat je wil, maar een vette groove neerleggen kan hij nog steeds geweldig goed, zo blijkt.

Zo merk ik dat ik toch wel enthousiast ben over deze plaat, maar dan vooral omdat ik het niet meer had verwacht. Laten we eerlijk wezen; deze band heeft in diens rijke oeuvre al veel beter werk weten presenteren, en voor mij zal de Bon Scott-era onovertoffen blijven, omdat ze toen ook veel meer een bluesy geluid hadden. Nu klinkt het me soms, hoe tof ik AC/DC ook vind, wat mat en dof.

Goeie plaat dus, weliswaar vooral vanuit een soort van nostalgisch oogpunt.

3,5 sterren

AC/DC - Stiff Upper Lip (2000)

3,5
Zoals ik reeds eerder bij een album aanhaalde (weet niet meer welk), vind ik de studioplaten die AC/DC na de eeuwwisseling uitbracht, meer dan oké. Wat dit album betreft, dringt een nuance zich wel op; hoewel de plaat op 29 februari 2000 (een schrikkeldag!) werd gereleased, dateren de opnames uiteraard reeds van het vorige millennium. In de zomer van 1997 begonnen de gebroeders Young reeds aan het schrijven van nieuwe songs, en in 1998 was het merendeel daarvan afgewerkt. De producer die ze hadden aangesteld voor deze nieuwe plaat, Bruce Fairbarn, overleed echter in 1999, waardoor de jongens zich moesten wenden tot oudgediende annex oudere broer George Young.

Het resultaat mag wel gezien - of eerder: gehoord - worden; Stiff Upper Lip trapt meteen af met een knaller van formaat, misschien wel hun beste song van de laatste 20 jaar. Daarmee is de koek echter lang niet op; ook songs als Sattellite Blues, House of Jazz en Can't Stand Still weten hoge ogen te gooien. Daarnaast worden de oude bronnen, met in de eerste plaats een fikse brok blues, weer driftig aangeboord, wat het geheel een mooi authentiek karakter geeft.

De hoes is een beetje over-the-top, maar wel iconisch; een triomfalistische Angus Young op een sokkel. Dat verdient de gitarist die verantwoordelijk is voor meerdere killer riffs wel.

3,5 sterren

Admiral Freebee - The Honey & the Knife (2010)

4,0
Zo, Admiral Freebee brengt nog eens een plaatje uit, dan is het altijd opletten. Zijn debuut vond ik erg sterk, de andere twee net wat minder, maar toch nog meer dan goed. En nu is er dus 'The Honey & The Knife', Van Laere's vierde.

Hier staan typische Admiral Freebee-nummers op, maar toch ook een paar verrassingen. Bovendien spreken we weer van een hoge kwaliteit, met enkele uitschieters, in de vorm van 'Blues For A Hypochondriac'; 'Look At What Love Has Done' en 'The Longing Never Stops'.

'Always On The Run' is de eerste single, als ik me niet vergis, en die gaat toch een andere weg op dan wat ik gewoon ven van Admiral Freebee. Het reffrein doet erg disco-pop aan, maar catchy. Toch vind ik het één van de mindere nummers op deze plaat.

Een andere song die ik nooit verwacht had van Van Laere, is 'Home'. Een prachtige instrumental die menigeen doet wegdromen in een zweem van nostalgie (wie kent dat niet?), met op het einde ook nog enkele zanglijnen, die van mij niet hadden gehoeven, maar ik begrijp de keuze wel om er zang in te steken, en daarbij, Van Laere heeft een prachtige stem.

Op 'Green Light Shines' klinkt ie aanvankelijk als Joe Strummer vind ik, maar al snel komt die rauwe schoonheid van Admiral Freebee bovendrijven. Dit is mijns inziens een erg hitgevoelige rocksong, die het meer dan goed zou doen op de radio.

'The Honey & The Knife' is een mengeling van snel en traag, hard en zacht, rauw en puur. De teksten zijn ook weer van hoog niveau, soms simplistisch, soms adembenemend mooi. Deze plaat verdient een hoge score, en die krijgt ie dan ook!

4 sterren

Adrian Crowley - I See Three Birds Flying (2012)

4,0
Ik zou mijn bespreking graag beginnen met een citaat dat in zo ongeveer elke review van dit album naar voren wordt geschoven. Niet erg origineel, maar omwille van het feit dat dit op deze pagina nog niet ter sprake is gekomen, hierbij het citaat:

Adrian Crowley is the best songwriter no one's ever heard of.

Het is een citaat van Ryan Adams, al werd hem dit half in de mond gelegd (de uitspraak, niet de naam). Adams werd geïnterviewd door Rolling Stone in 2005, en kreeg de vraag wie hij de beste onbekende songschrijver vond. Met het citaat hierboven als antwoord.

Dit strekt Adrian Crowley, een Ier met Maltese roots, tot meerdere eer en glorie, want Ryan Adams is zeker niet de eerste de beste, schrijft zelf tamelijk fijne teksten, en weet dus waar ie het over heeft. Maar dat was in 2005 dus, en die tijd ligt al even achter ons. In 2012 kwam Crowley met zijn zesde langspeler, 'I See Three Birds Flying', en daarmee veroverde hij eindelijk enkele harten in het populaire circuit. Ayco Duyster van Studio Brussel, om maar iemand te noemen. Het statige, naar Leonard Cohen zwemende 'The Saddest Song' was een eerste single, in de zomer.

Maar dit is helemaal geen zomermuziek. Wie zwoele melodieën, catchy zanglijnen of vrolijke teksten verwacht, die laat het album liever voor wat het is. Crowley is een songsmid zoals ze - jawel - nog steeds bestaan; volledig in beslag genomen door zijn metier, poëtisch aangelegd en begiftigd met een mooi stemgeluid, dat nog het meest aan Bill Callahan doet denken.

En daar ligt voor mij ook het voornaamste pijnpunt; de klankkleur van Crowley's stem is sowieso al nagenoeg een exacte kopie van die van Callahan, maar wanneer hij ook nog eens qua intonatie krek hetzelfde gaat doen, trek ik m'n wenkbrauwen op, en verbaas me erover dat niet meer mensen dit horen. Hier valt de naam Callahan wel, maar in de verschillende reviews die ik gelezen heb, stond zijn naam niet één keer opgetekend. Opmerkelijk.

Een zwak nummer kan ik niet detecteren, maar er zijn toch wel enkele hoogtepunten. Meteen in het begin al, met 'Alice Among the Pines' en het eerder genoemde 'The Saddest Song', twee songs met teksten die de luisteraar in de waan laten Crowley te begrijpen, maar eigenlijk verhuld zijn in mysterie. 'Fortune Teller Song', het nummer waar de albumtitel uit is afgeleid, is een persoonlijke favoriet. Sober, zowel op instrumentaal als tekstueel vlak, maar o zo raak; een voltreffer. Simpele tekst eigenlijk, maar soms is dat net het mooist, omdat de waarheid die er in schuilgaat makkelijker te distilleren is:

"I see three girls crying;
One will be your wife, and;
One could take your life, and;
One will lead you home."

'Juliet I'm in Flames' is ook prachtig, erg klein beginnend, met op de voorgrond Crowley's stem, en zo ontbolstert de song langzaam, tot een sfeervol ding. In 'The Mock Wedding' hoor ik wat belevenis betreft Harmonium terug, de Canadese folkband die de vier seizoenen bezong en bespeelde, en er voor het gemak een vijfde bij verzon (zie mijn bespreking aldaar). Dit komt vooral door het sprookjesachtig klinkende blaasinstrument dat hij gebruikt (Crowley speelde trouwens veel zelf in). De laatste twee nummers zijn wat minder, ik heb de indruk dat het album een mooiere afsluiting verdiend had.

Voor het mistroostige hoesontwerp tekende grafisch ontwerpster Annie Atkins. Deze hoes geeft de sfeer van het album perfect weer, en is een ideaal excuus om deze bespreking tot een conclusie te leiden. Adrian Crowley heeft met 'I See Three Birds Flying' niet de plaat van het jaar gemaakt, maar wel eentje om te onthouden. Eentje om te koesteren, en op te zetten in tijden van eenzaamheid, op zoek naar een gelijkgestemde ziel.

4 sterren

Against Me! - 23 Live Sex Acts (2015)

3,5
Hier had ik, eerlijk gezegd, niet al te veel van verwacht. De laatste albums vielen dik tegen, en hier staan wel een aantal nummers van die twee albums op.

Ik was dan ook blij verrast te horen dat dit mijn verwachtingen ruimschoots wist te overtreffen. Net als hun andere live-plaat ('Americans Abroad') is dit een erg leuke ervaring (ik heb ze ook ooit 1 keer live gezien, en dat was echt de moeite). De aanpak vind ik zeer geslaagd; intens als in de beste dagen.

Een aantal toppers passeren de revue ('Walking Is Still Honest' natuurlijk, waarvan ik de studioversie wel beter vind; en verder ook nog onder andere de fantastisch kolkende, über-live-track 'Turn Those Clapping Hands Into Angry Ballad Fists', een opvallend geslaagde versie van 'I Still Love You Julie' en het me steeds uit het lood slaande (en ditmaal met een aangepaste tekst) 'Pretty Girls (The Mover)'), maar ook de nieuwere songs komen verrassend goed uit de verf. 'White Crosses' klinkt wat venijniger dan op plaat (hoewel dat wel het beste nummer is van hun laatste twee studioplaten), en ook een aantal andere recente songs komen beter uit dan in hun studioversie. Dat zal dan de magie van zo'n concert zijn, zeker?

Aan de andere kant stemt het me dan ook weer een beetje droevig, omdat ze dit gevoel niet meer te pakken lijken te krijgen in de studio. Dat zou, ook al zijn het merendeel van die songs op hun laatste twee albums inwisselbare, commercieel aandoende liedjes, het niveau toch wat opkrikken.

Tot slot viel me ook op dat Laura Jane Grace in het nummer 'The Ocean' de volgende regels zingt:

"If I could have chosen, I would have been born a woman.
My mother once told me she would have named me Laura."


Interessant, als je weet dat Laura Jane Grace, frontvrouwe van deze band, toen nog Tom Gabel heette, frontman van deze band.

3,5 sterren

Against Me! - New Wave (2007)

4,0
Vierde studioalbum van Against Me!, gaat een beetje door op het elan van 'Searching For A Former Clarity', maar haalt dat niveau net niet.

Met 'New Wave' hebben de jongens van Against Me! alvast een frisse opener, net als op het vorige album.

In 'Up The Cuts' komen ze toch weer aanzetten met een erg meezingbaar Understatement-reffrein, zal ik het noemen (Are you restless like me?). Deze song gaat over het feit dat overheden over onrustbarend veel informatie over haar bevolking beschikt.

'Trash Unreal' is een op het eerste zicht aangename song, maar als je er dan de lyrics even bijneemt... Ja jongens. De hoop die van elke moeder uitgaat betreffende haar kind, dat ze niet in de goot belandt etc.

De vierde song van het album, tevens het prijsbeest, is een erg realistisch betoog over oorlog en de misschien wel grootste oorzaak daarvan; religie. Vanaf de eerste noot is ook duidelijk waarom dit het prijsbeest is; het nummer rockt gewoon erg lekker door en door, en het reffrein is ook erg aanstekelijk; protestsongs doen het altijd goed.

Daarop volgt het atypische 'Stop!', qua geluid dan bedoel ik. Dat zijn we niet echt van Against Me! gewoon, dat ze met zo'n poppy song komen opzetten, ik vind het persoonlijk niet erg geslaagd, maar ach.. De tekst handelt, en niet voor het eerst in het geval van Against Me!, over hun bestaan als band, of in dit geval over hoe het zou kunnen zijn, als ze één van die rottige overcommerciële popbands waren. Daarom misschien net zo'n soort song, lekker sarcastisch.

De zesde song is 'Born On The FM Waves Of The Heart', waarin Tegan Quin mag meezingen. Het begint erg rustig, het gaat over twee geliefden waartussen het niet zo goed gaat, en dat hoor je ook gaandeweg de song, de stemmen worden scherper en kwader. Ik vind het erg geslaagd, HET beste nummer op het album, maar dat is mijn mening. Op het einde van de song wordt alle hoop opgegeven met het 'No, you don't have to fight to stay in control of the situation'.

'Piss And Vinegar' heeft een erg leuke sound; de intro met name is erg verrassend. Hier wordt gepreekt om meer eerlijkheid, ook als het gepaard moet gaan met minder professionaliteit ('A little less professional, a little more upfront and confrontational'). De uitroep op het einde, 'Just say what you're thinking, say what you're really thinking' vat het eigenlijk perfect samen.

De kortste song van het album, 'Americans Abroad' is volgens mij de laatste uitschieter op het album. Hier worden de Amerikanen op de korrel genomen omwille van hun wij-zijn-machtiger-dan-jullie-gedrag. Het is bijvoorbeeld een feit dat Amerikanen nergens ook meer zullen proberen een andere taal te spreken dan Engels, terwijl toeristen uit pakweg Italië in de VS niet moeten afkomen met hun Italiaans gewauwel. De boodschap is dat macht mensen arrogant maakt, en dat het zich al te makkelijk verleend aan misbruik en imperialisme.

'Animal' is de voorlaatste song van het album. We komen bijna aan het eind en dat hoor je ook wel een beetje. Maar goed, tekstueel blijft het toch goed in orde, deze song gaat over de animale lusten der mens.

'The Ocean' is een liefdesverklaring aan de oceaan, zo lijkt het, maar als je er wat verder op op doorgaat, is het toch meer. De tekst leert ons dat water erg belangrijk is om allerlei redenen (dorstlesser, bodembevruchtend, ...). Het einde is wel wat langdradig, had van mijn niet meer gemoeten.

Besluit: Against Me! blijft het goed doen, maar ik hoop dat ze voor het volgende album toch een andere invalshoek kiezen, want dit is zo'n beetje hetzelfde als het voorgaande album. Er zit natuurlijk wel wat verschil in, maar wat experimenteren kan nooit kwaad, en ik ben benieuwd naar wat deze mannen nog allemaal kunnen.

4 sterren

Against Me! - Searching for a Former Clarity (2005)

4,5
Het derde studioalbum van deze groep, als ik me niet vergis. De songs klinken hier toegankelijker dan op de vorige twee.

Openingsnummer is het aardige 'Miami'

'Mediocrity Gets You Pears' (excite me, excite me, nothing really excites me) heeft een erg aanstekelijk ritme

'Justin' is één van de mindere nummers, mijns inziens, het gaat over rekruteringscampagnes voor het leger, en de gevolgen van indiensttreding

in 'Unprotected Sex With Multiple Partners' steekt Against Me! de draak met managers en hoe die mensen tegenwoordig alles en iedereen bedriegen om zoveel mogelijk geld bijeen te vergaren

'From Her Lips To God's Ears' gaat over de regering-Bush die nu gelukkig genoeg niet meer bestaat. Her Lips zijn die van Condoleeza Rice, voormalig minister van Buitenlandse Zaken. "Oh Condoleeza, do you get the fucking joke?" zegt me dunkt genoeg over het standpunt van deze groep tegenover hen

'Violence' is een erg paranoïde song; er wordt in verteld dat het foute acties en leugens afgestraft zullen worden. Ze zullen je vinden...

'Pretty Girls' is zonder twijfel mijn favoriet van dit album. Het gaat over het jong zijn, over de drang naar meisjes en de vele relaties die kapotgaan.

'How Low' gaat over een leven vol plannen, maar die plannen worden niet gerealiseerd. Op het einde van de song hoor je dan ook niets meer dan zelfhaat, en wordt het bezongen leven verafguisd als sleur.

'Joy' is een aardig nummertje, maar toch één van de mindere op het album, vind ik. Over eenzaamheid, en radeloosheid, en dan toch die titel, sarcasme...

'Holy Sh*t' schreeuwt het uit, over verveling en dat weer met die sarcastische ondertoon (I am oh so fascinated, I am oh so entertained)

'Even At Our Worst We're Still Better Than Most' is een song waarin Against Me! zichzelf niet goed genoeg voelt voor de muziekbusiness (we ain't got what it takes, to make it), maar de titel suggereert net het andere. You know they're waiting, to tear us apart, duidt erop dat de critici hen moeten hebben, en niet enkel hen, maar alle bands.

'Problems', de (volgens mij) meest poppy song op dit album, samen met 'Don't Lose Touch', waarin de luisteraars, the audience, op de korrel wordt genomen (Is there something wrong with these songs? Maybe there's something wrong with the audience)

'Searching For A Former Clarity' gaat over een persoon met een terminale ziekte. Hij bijft echter doen alsof er niets aan de hand is, maar naargelang de song vordert, wordt hij zieker en zieker, en de laatste zin "Let this be the end, let this be the last song; let this be the end, let all be forgiven" wijst op de dood van het personage.

Besluit: voor mij persoonlijk is dit het beste album van Against Me!, met erg straffe, bij vlagen sarcastische lyrics en een niet aflatende gitaarsound die gewoon lekker blijft gaan en de teksten zeer goed ondersteunt.

4.5 sterren

Against Me! - Transgender Dysphoria Blues (2014)

2,0
De opener en de afsluiter zijn twee schitterende nummers, maar al hetgeen daartussen komt, stelt niet zoveel voor. Simpele punkrock, die enkele amechtige pogingen waagt om als pop te klinken ('True Trans Soul Rebel', het met een toffe titel gezegende 'FUCKMYLIFE666'), maar daar nooit echt in slaagt. Natuurlijk is het niet iedereen gegeven, om een geslachtsverandering te ondergaan en verder te gaan met je leven alsof er niets aan de hand is, en daarom verdient ex-Tom, nu-Laura wel respect.

Maar laten we eerlijk wezen: op de opener en 'Black Me Out' na, ontbreken de scherpe en slimme teksten van 'Searching for a Former Clarity', de vierkant draaiende chaos van de beginjaren en toch ook wel de aanstekelijke melodieën van het album 'New Wave'. Op 'Unconditional Love' doen de vocalen (en gitaarriff) me zelfs aan Green Day denken.

In mijn tienerjaren was dit absoluut één van m'n favoriete bands; ik ben zelfs een keer naar Pukkelpop geweest, met als hoofddoel deze band te zien, en heb er nog steeds een T-shirt van liggen. Dat trek ik af en toe nog wel 'ns aan, om me eraan te herinneren dat deze band het ooit wel had. Al flakkert dat talent af en toe nog wel 'ns op; dat was op de vorige plaat ook met de titelsong.

Een plaat met kop en staart, maar voor de rest o zo weinig inhoud.

2 sterren

Agalloch - Marrow of the Spirit (2010)

4,5
Dit jaar heb ik Agalloch ontdekt. Naar aanleiding van deze nieuwe release ben ik ook naar ouder werk op zoek gegaan, en dat bevalt allemaal heel erg goed. Deze plaat heb ik al vrij veel beluisterd de laatste weken, en is op de derde plaats geëindigd in mijn eindejaarslijst. Het is een kille, desolate, donkere plaat.

De hoes vind ik prachtig; die ademt perfect de sfeer uit die de hele plaat lang wordt vastgehouden. Kil, desolaat en donker dus. Het album opent met een kort nummer, meeslepend nummer. De cello speelt daarin de hoofdrol, met op de achtergrond het geluid van tsjilpende vogels en een klaterend beekje. Het nummer is gecomponeerd door ene Jackie Perez-Gratz, en de cello wordt ook door haar bespeeld. Wat je hoort is erg intens, en vooral wonderschoon.

Als ‘They Escaped The Weight Of Darkness’ langzaam wegvalt, komt ‘Into The Painted Grey’ bruusk invallen. Het contrast is groot, maar er is toch ook één gemeenschappelijk punt; de intensiteit. Agalloch haalt het onderste uit de kan, en dat is maar goed ook, anders zou de muziek misschien wat verzanden omdat de nummers zo lang uitgesponnen zijn. maar niets van dat alles ervaar je tijdens het helse uur dat ‘Marrow Of The Spirit’ is. Met de grunts heb ik trouwens geen probleem; het komt wel eens voor dat ik het niet kan verdragen, maar bij deze band blijkbaar wel. Het tempo zakt bijna nergens, maar van overhaasting is echter geen sprake; het beste bewijs daarvan is de tijdsduur van het nummer.

‘The Watcher’s Monolith’ klinkt, net als het vorige nummer trouwens, groots. De song opent met akoestische gitaar, waarna de elektrische gitaar invalt, en de song langzaam opbloeit. Na een minuut krijg je dan een halve minuut rust, waarna de zanger invalt, en het weer steviger wordt. Als we ongeveer 3 minuten ver zijn in het nummer, krijg je hetzelfde motiefje als in het begin, en klinkt een haast sacrale stem: “Standing proud in the hollow of the land; a vestige of deeper purity etched in spirit against the sky.” De gitaarsolo in het midden van het nummer is ook erg mooi, waarna de song een lichtjes andere wending krijgt. Al duurt dat niet lang. Na een korte rustpauze kent het nummer nog een geweldige climax (vind ik persoonlijk), waarin de zanger zijn longen bijna uit z’n lijf schreeuwt en bromt en grunt. Daarna volgt nog een beklijvende gitaarsolo, die de haren op je nek overeind doen komen. Wanneer die solo stukje bij beetje wegvalt, komen krekels opzetten, en de laatste minuut wordt volgemaakt met een ronduit fantastisch mooi pianostukje. Niet frivool, of moeilijk of zo, maar echt perfect bij de sfeer van de plaat passend.

De krekels hoor je ook nog in het begin van het langste nummer, ‘Black Lake Nidstang’. Ik heb eens opgezocht wat dat is, een nidstang (een mens kan niet alles weten, natuurlijk, maar is wel nieuwsgierig, dus daarom zoekt hij dingen op). Wel, het is een soort houten paal die in de oude Germaanse culten werd gebruikt om een vijand te vervloeken. Het woord is afkomstig uit het Oud-Noors, en als je deze band hoort, zou je soms denken dat het een Scandinavische band moet zijn, omdat ze toch wel aanleunen bij een band als Opeth. Maar goed, dit weetje draagt enkel bij tot de obscuriteit van deze plaat. ‘Black Lake Nidstang’ begint langzaam, neemt z’n tijd, hoor ik daar niet een flamencogitaar eventjes voorbijkomen, of beeld ik het me in? Het is in ieder geval één van de beste nummers die ik dit jaar al heb beluisterd, een monumentaal nummer. Als het rond 4 minuten 10 echt begint, wordt je meegezogen in de donkere wereld van een dodenmeer. Dat eerste stukje tekst, wordt gedeclameerd door “voice of the dead”, lees ik op een site waar ik de lyrics kan lezen. Tja, zo klinkt het wel, schor en fluisterend spuwt die stem woorden uit zoals “Pale ghosts caress the Nidstang in the dark; its face scarred by the ages”. Daarna volgt een instrumentaal stukje, en wordt het volgende stukje tekst gedeclameerd, door “voice of the Nidstang”. Tekstueel is het een mysterieus en intrigerend nummer, instrumentaal een meeslepend epos. Na zo’n 10 minuten kent het nummer een impasse, waarin de wind waait, gitaarklanken hypnotisch schemeren en de spanning op en top blijft. Xylofoon passeert ook, mooi toch. Experimenteren met keyboard. Na enige minuten begint het misschien wat tegen te steken, en als we bijna de kaap van het kwartier hebben gerond, komt er weer een versnelling in het nummer. Iets waarop ik ook al enkele minuten zat te wachten bij een eerste beluistering, dat geef ik grif toe. Zo explodeert het nummer toch nog op het einde. “Join the drowned in the silence of the black lake’s womb…” Gezellig is anders, zou ik denken..

En dan het nummer dat deze plaat ervan weerhouden heeft om de beste van 2010 te kunnen zijn voor mij. Dit nummer begint vrij afwijkend in vergelijking met de rest van de lange nummers. In titels verzinnen zijn die jongens echter heel goed. ‘Ghosts Of The Midwinter Fires’ is een titel met een zekere poëtische schoonheid. Na een vrij lange introductie komt het nummer rond de 3 minuten pas echt op gang. Ik ga zeker niet zeggen dat het een slecht nummer is, hoor. het intrigeert me net iets minder dan de overige songs, en dat is jammer. Misschien dat de appreciatie mettertijd nog zal komen, ik weet het niet. ik hoop er alleszins op, want dan is deze plaat een dikke kanshebber om het tot in mijn top 10 aller tijden te schoppen, toch zeker wat metalplaten betreft. Het nummer eindige wel erg mooi: een schelle klank op de achtergrond, de gitaar die zijn laatste noten uitzingt, en het klaterende beekje van de openingstrack dat weer terugkomt.

Daarmee opent de afsluiter ‘To Drown’ ook. Even later valt dat geluid weer weg, en komen er een akoestische gitaar en weemoedige strijkers voor in de plaats. Bezwerend wordt er gefluisterd “They escaped the weight of darkness”. De titel van het openingsnummer. De wereld is een bol, en het bestaan is een cirkel. Alles komt terug. “They escaped the weight of darkness; to drown in another…” Meesterlijk hoe de eerste en laatste track met elkaar in verband worden gebracht. Na ongeveer 5 minuten zou je denken dat het nummer gedaan is, maar nee hoor. Het tweede stuk moet nog beginnen. Een kolkende uitbarsting lijkt op til, ingeleid door dreiging, een razende storm in een stolp. Je weet dat ie er is, maar hij moet nog tot volle wasdom komen. Na 6 minuten 40 wordt het slotoffensief langzaamaan ingezet. Je voelt de spanning letterlijk oplopen. De cello keert ook terug, natuurlijk. Alles komt terug, vergeet dat nooit. Die kolkende uitbarsting komt er niet van, dat is misschien wel spijtig. De laatste anderhalve minuut bestaat uit water dat tegen de rotsen aanschuurt, en uiteindelijk dat klaterend beekje. Al kan het ook een hele oceaan zijn, wie zal het zeggen?

Agalloch pakt groots uit met ‘Marrow Of The Spirit’. Voor mijn gevoel althans, want ik weet dat er veel discussie bestaat over deze nieuwste. Sommigen, zoals ik, vinden het een geweldige plaat; anderen kunnen er niet veel mee. Het is inderdaad een lange, moeilijke zit, dus één kans volstaat niet. Je moet het twee kansen geven.

4,5 sterren

Agent Steel - Skeptics Apocalypse (1985)

4,5
Een klassieker, zonder meer, dit debuut van Agent Steel. Skeptics Apocalypse is op en top speed metal, alle ingrediënten in optima forma aanwezig.

Ten eerste heb je met John Cyriis een ongelooflijk goeie zanger in huis. Hij blaast regelmatig hoog van de toren (en dat mag je erg letterlijk nemen), maar vergaloppeert zich nooit. Zijn zanglijnen ademen pure dynamiek en kracht uit, voor mij dan ook één van de grote troeven van dit album.

Daarnaast heb je het fantastische gitaarwerk, vooral van Juan García, die er de ene na de andere memorabele solo uitschudt. Hij vertolkt, gelukkig, een prominente rol op dit album, samen met Cyriis. Verder heb je ook nog de fantasierijke teksten, die vooral niet al te serieus moeten worden genomen. Er gaat behoorlijk wat science-fiction van uit.

Het is een feit dat de vocalen van Cyriis niet voor iedereen weggelegd zullen zijn, en de songs ook wat simpel kunnen bevonden worden na een eerste, oppervlakkige luisterbeurt. Als dat zo is, laat het plaatje dan gerust in de vergetelheid stof vergaren. Als dit je echter niet weet te deren, hou dan noest vol zou ik zeggen, want het is wat mij betreft echt wel een hoogtepunt binnen de speed (en zelfs heavy) metal, en met Agents of Steel en vooral Bleed for the Godz staan hier twee belachelijk straffe songs op.

4,5 sterren

Agoraphobic Nosebleed - Arc (2016)

4,0
In 2016 kwam deze EP op mijn radar terecht als interessante release. Het zou namelijk de eerste in een reeks van 4 EP's worden, volgens hun Bandcamp-pagina (nog steeds!) beschreven als "Designed to decimate your total being". De band is van oorsprong een grindcore-band, opgericht in 1994, en bestond in 2016 uit vier leden. Volgens een artikel dat toen verscheen op de site van MetalSucks, was het de betrachting dat elke EP de muzikale voorkeuren binnen de extremere genres zou uitdragen.

Het is echter bij deze EP gebleven, Arc, is gebouwd op de invloeden van vocaliste Kat Katz, die we op deze EP ook een hoofdrol horen vertolken. Haar vocalen gaan werkelijk door merg en been, extreem bruut vind ik het klinken, en erg compatibel met de sludge/doom waarop de drie songs gestoeld zijn.

Drie songs, voor een totaal van 27 minuten. Dan weet je dat je geen traditionele grindcore op je bord krijgt, natuurlijk. Nu ben ik niet helemaal van de grind (ik ken van Agoraphobic Nosebleed bijvoorbeeld nauwelijks ander werk), des te meer van sludge, en al helemaal doom. Ik moet zeggen dat deze songs erg goed zijn uitgewerkt, type "geen minuut te veel, geen minuut te weinig".

Opener Not a Daughter vind ik gelijk het prijsnummer van de EP. Heerlijke riffs die meesterlijk het midden houden tussen logheid en bruutheid; verrassend helder en naturel klinkende drums (want ze zijn wel degelijk geprogrammeerd) en die smerig gutsende schreeuwen van Katz eroverheen; heerlijk intens!

Dan is Deathbed wat trager en geduldiger, ook wat onopvallender, vind ik zelf. Rond 5:30 doorbreekt een geweldige, verrassend melodieuze riff de relatieve stilte, en raakt de boel tijdelijk in een stroomversnelling. De doomzijde van het project neemt het dan weer even over, om in de finale compleet en moddervet te ontsporen richting een outro met nog een duister klinkend spoken wordgedeelte.

Gnaw is, met z'n bijna 12 minuten, met voorsprong het langste nummer van de EP. De song klinkt als een knappe synthese van de muzikale invloeden en voorkeuren van Kat Katz, met een onheilspellend intro (ook weer met spoken word, over schizofrenie), en biedt ons daarna bijna 10 minuten aan lekker lompe, zompige sludge en doom.

Daarna werd het behoorlijk stil rond de band. De andere 3 EP's kwamen er niet meer van, enig ander werk van de band bleef ons ook onthouden. Ik vind er zelf ook bitter weinig informatie over terug (al zou Kat Katz de band verlaten hebben). Ik vind dat ergens wel jammer, want deze richting beviel me destijds heel erg, en dat gevoel is doorheen de jaren overeind gebleven. Natuurlijk moet ik daarbij de kanttekening maken dat het om een eenmalig project zou gaan, eerder dan een nieuw ingeslagen weg. Maar ik was toch ook erg benieuwd naar de invloeden van de andere bandleden.

4 sterren

Agrypnie - 16[485] (2009)

4,5
Een hele tijd terug werd ‘16[485]’ van de Duitse band Agrypnie voorgesteld als Metal Album van de Week. Ik was er meteen van onder de indruk, en kon me wel voor het hoofd slaan omdat ik ‘m in 2010 niet had opgepikt. Deze plaat had immers een reële kans gehad om een plaatsje in m’n eindejaarstop te behalen. Maar goed, het belangrijkste is dat ik ‘m zoveel kan beluisteren als ik wil, en dat muziek niet begrensd wordt door een jaartal.

Enkele weken na de eerste kennismaking heb ik het album besteld, en sindsdien heb ik het nog een paar keer beluisterd. Op CD klinkt het natuurlijk nog beter dan in MP3-vorm, veel voller en helderder. Ik had nog nooit van deze band gehoord, maar had ‘m eerder al opgemerkt in de rotatielijst van user wizard, die ik toch zo’n beetje volg als metalliefhebber. Daarom opnieuw: vreemd dat ik ‘m niet eerder had opgepikt. Je kan ook niet alles luisteren, sommige dingen glippen door de mazen van het net, en dat het soms mooie dingen zijn, bewijst deze plaat. Dubbel zo mooi dat ik ‘m uiteindelijk toch heb kunnen ontdekken.

Tot nu toe vind ik dit de beste inzending van deze ronde in het Metal Album van de Week, tevens de eerste keer dat ik actief meedoe. ‘16[485] wordt ingezet met een zeer sfeervolle intro, en wordt ook afgesloten door een al even sfeervolle outro. Daartussenin vinden we acht lange songs, in lengte variërend van een goeie 6 minuten tot net geen 12. De tweede track sluit naadloos aan op de intro, en is meteen een geweldige binnenkomer. Ontzettend intense muziek is dit, dat heb ik dan al door. Maar het blijkt slechts een voorproefje; wat nog komen moet, is van een geheel ander niveau.

Even een woordje over het artwork, want omdat ik ‘m in huis heb gehaald, kan ik daar van genieten, en dan laat ik de kans niet liggen om pluimen op de spreekwoordelijke hoed te steken. Op de hoes staat een obscure, eenzaam uitziende jongeman naar beneden te staren, op een soort van brakke grond of zoiets (ben geen expert). De overheersende kleuren zijn grijs en zwart. In de binnenhoes zien we een grauwe boom, die er treurig bijstaat na een op voorhand verloren gevecht met de dominante wolken aan askleurige hemel. Kortom, prachtige beelden, die de ongure sfeer van het album nog versterken. De beelden die in je brein worden gevormd, zijn erop geïnspireerd, althans in het mijne toch.

De acht songs die tussen de intro en outro zitten, bieden ons een dik uur puur luistergenot. Lange, sfeervolle stukken worden afgewisseld met enorm hevige passages, waarin de drummer een hoofdrol opeist. Ik heb dat wel meer bij dit soort bands, dat de drummer een uiterst positieve rol speelt. Hij speelt met veel gevoel voor ritme, en ook enorm intens. Hij legt z’n hele ziel erin, daar kan je van op aan. De zang vind ik er ook prima bij passen, grauw en soms met van die fantastische lange uithalen.

De songs kennen allemaal een uitstekende opbouw, en zijn zonder meer episch te noemen. ‘Kadavergehorsam’ bijvoorbeeld, dat geduldig opbouwt tot een climax die z’n weerga niet kent. Of ‘Morgen’, met dat fantastische, terugkerende refrein! Meer dan genoeg om razend enthousiast over te zijn. Ook het gitaarwerk is van een hoog niveau, de riffs zijn erg goed gevonden, en passen allemaal perfect in het duistere sfeertje. Toch is het niet al kommer en kwel, lijkt de muziek uit te roepen. Dat greintje hoop, dat je ook hoort in veel postrock, maar dan in een genuanceerdere vorm, is voor mij onmiskenbaar aanwezig. Het doet je hinkelen op twee gedachten, of eerder, twee gevoelens. Want bovenal is dit een gevoelsplaat, heel puur en eerlijk klinkend.

Uitschieters zoeken is niet makkelijk, want de hele plaat lang wordt er op een vrij constant niveau gepresteerd, een hoog niveau ook, als het nog niet overduidelijk was dat ik er zo over denk. Er zijn wel genoeg hoogtepunten die ik eruit kan lichten (dat vind ik dan weer iets anders); zoals de fantastische gitaarlijn in ‘Verfall’, in combinatie met de zang. Ik kan ook niet meteen iets bedenken waar je dit mee zou kunnen vergelijken, misschien een beetje met ‘Ashes Against the Grain’ van Agalloch, maar dan ga ik het beslist al erg ver zoeken. Nee, laten we het er op houden dat dit een vrij unieke plaat is, die naar mijn gevoel veel blootlegt, veel teweegbrengt. Daarom kan ik ‘m ook niet altijd beluisteren, soms is het gewoon te intens. En dat is niet als kritiek bedoeld.

Zo, ik heb weer eens enkele paragrafen volgeschreven met mijn nonsens, teneinde tot een conclusie te komen. Agrypnie heeft met ‘16[485]’ een geweldige prestatie neergezet, en het zal heel moeilijk zijn om dat te overtreffen. Sowieso is het al enorm sterk om gedurende bijna 5 kwartier geen seconde te vervelen, maar dit is ook nog eens meer dan gewoon vermaak; dit is gewoonweg briljant. Deze plaat balanceert op het randje tussen 4 sterren en 4,5 sterren, maar dit soort juweeltjes geef ik met alle plezier het voordeel van de twijfel.

4,5 sterren

Airbag - All Rights Removed (2011)

4,5
‘All Rights Removed’ is zonder twijfel één van de beste platen van 2011, durf ik midden 2012 te beweren. Waarom ik dat niet eerder doorhad? Het is niet echt een zaak van het doorhebben, maar eerder het doorgronden. En dat heeft bij mij wel even geduurd, omdat dit mij in eerste instantie een goedkope rip-off van Pink Floyd leek.

Maar dat is het dus absoluut niet. Progressive rock is een stroming binnen de rockmuziek die, en nu ben ik aan het woord, de heersende classic rock maar saai en binnen de lijntjes kleurend vond, en dientengevolge boeiende, opwindende, nieuwe muziek wilde maken. Muziek met een concept, één groot idee achter. Bands als Yes, Rush, King Crimson, Camel. Jethro Tull. Die bands gingen van classic rock naar progressive rock, om de muziek spannender te maken. En, het is enkel fair om dat toe te geven, zij zijn daar ook in geslaagd.

Uiteraard behoort ook Pink Floyd tot die stroming, al zou ik die in een geheel eigen klasse indelen, een vaarwater waarin geen enkele andere band mag varen. Maar er werd wel duchtig in dat vaarwater gevist door vele bands, en ook deze Noorse band, Airbag, is daar eentje van. Zij steken hun bewondering voor Pink Floyd niet onder stoelen of banken, en hebben dus ook wat aan leentjeburen gedaan. Maar wel op zo’n manier dat het aanvaardbaar is, en de muziek staat gewoon op zichzelf, en wel om één belangrijke reden.

Zoals hierboven al gezegd, gingen progrockbands muziek spannender maken. Airbag is een soort contraprogrockband, als je het zo al mag noemen. Althans, dat laten ze op ‘All Rights Removed’ horen. Wat ik daarmee bedoel, is dat zij wel degelijk muziek maken die men kan catalogiseren als progrock, maar met invloeden uit classic rock, Led Zeppelin en co. De reden is volgens mij dat ze progrock intussen zelf saai vinden, omdat het conceptueel moet zijn, en virtuoos, en weldoordacht. Daarom pompen ze er wat bijzonder lekkere gitaarsolo’s in, die doen denken aan jongens als Jimmy Page en Ritchie Blackmore. Een zet die wat mij betreft een groot succes kan worden genoemd.

Let wel: dit is mijn persoonlijke mening, die uiteraard af zal wijken van veel andere mensen. Ik kan de plank helemaal misslaan, en de echte progrockliefhebbers zullen er ongetwijfeld een veel correctere kijk op hebben, maar daar gaat het me niet zozeer om. Wat dit album teweegbrengt bij mij, is een opborreling van emoties, en veel ontzag voor de ingenieuze maar toch simpel ogende opbouw en structuur van de nummers.

De titelsong is een klassieker in wording, ‘White Walls’ kent op het einde een memorabele gitaarsolo die an sich alleen al dit plaatje het beluisteren waard maakt, en die afsluiter, tja.. What is there to say? Ik zal het er hieronder nog wel even over hebben. ‘Light Them All Up’ is een erg mooi instrumentaal tussenstuk (met viool) tussen ‘Never Coming Home’ en het epische ‘Homesick I-III’. ‘The Bridge’ is een titel die voor mij symbool staat voor de brug die Airbag slaat tussen Pink Floyd en Porcupine Tree.

De magistrale afsluiter is een dikke, dikke kers op de taart. Het begint als het nummer dat Steven Wilson altijd al heeft willen schrijven, maar nooit uit zijn pen en gitaar kreeg, en meandert zo door en door tot er weer zo’n fantastische gitaarsolo weerklinkt waarop David Gilmour zelf, gitaargenie van Pink Floyd, trots zou zijn.

Tekstueel zie ik er trouwens geen bepaald vastgeroest concept in, wat ook een pluspunt is. Ik kan een conceptalbum wel waarderen, maar met mate. Hier komen verschillende thema’s aan bod, zoals het verafschuwen van iets wat je eigenlijk zelf bent in het titelnummer tot pijn, verdriet en gemis in ‘Never Coming Home’. Sterke teksten, geen letter teveel.

Airbag heeft de hoofdvogel afgeschoten met dit kleine meesterwerkje. Dat vraagt er natuurlijk om hun eerder werk een kans te geven. Dat ga ik dan ook wel doen. Intussen geniet ik gewoon nog eens van ‘All Rights Removed’. Heerlijk.

4,5 sterren

Akhlys - Melinoë (2020)

4,5
Melinoë is, in de Griekse mythologie, de dochter van Persephone, die op haar beurt de dochter is van Demeter, de godin van de landbouw, en Hades, de duistere broer van Zeus. Hades wist Persephone ooit te schaken, en sindsdien vertoeft zij om het halfjaar in de onderwereld (wat de Grieken een verklaring gaf voor de 4 seizoenen). Zij staat bekend als brengster van nachtmerries en waanzin, en daar draait het 'm dan ook om op deze derde plaat van Akhlys, een project van Naas Alcameth, die we ook kennen van o.a. Nightbringer.

Aan de hand van dat stukje achtergrond kan je al bevroeden dat dit geen lichte kost is, maar eigenlijk maakt één blik op de albumhoes al veel duidelijk: deze stelt een demonische afbeelding van (neem ik dan aan) Melinoë voor. De tronie, half verscholen in de duisternis, heeft een uitzinnige uitstraling. Dit is dan ook een uitzinnige plaat, zo aan het eind van het jaar.

De plaat trapt af met Somniloquy, waarvan de titel verwijst naar een fenomeen waarbij je in je slaap begint te praten. Op dit nummer maken we meteen kennis met de gierende black metalriffs en door (of richting?) waanzin gedreven vocalen van Naas Alcameth, en bijzonder krachtig en dynamisch drumwerk van partner in crime Eoghan. Daarna volgt het langste nummer, Pnigalion, dat begint met een beklemmend intro, waarna logge gitaren over een genadeloze drumbatterij meanderen en het geheel nog wat onheilspellender maken. Uiteindelijk barst de track in vol satanisch ornaat uit. Het Latijnse equivalent van Pnigalion is Incubus, een naam die velen wel wat meer zal zeggen. De mythe van deze demon zal ik hier niet uit de doeken doen, maar een lieverdje is het geenszins. Ook hier staan angst en waanzin centraal.

Succubare bouwt voort op de vorige track (hangt er, wat mij betreft, eigenlijk mee samen), waarna we ons mogen opmaken voor het absolute hoogtepunt van de plaat, in de vorm van Ephialtes. Ook dit is een demon die volgens de overlevering nachtmerries veroorzaakte. En ik zweer het je, als de nachtmerries die deze demon brengt, maar enigszins in de buurt komen van de intensiteit van deze track, wil ik er nooit mee te maken hebben. Dit is een track waar ik letterlijk de koude rillingen van krijg, maar tegelijk trekt het me enorm aan, omdat het simpelweg zo belachelijk goed is. Alles klopt aan dit nummer; de unheimische sfeer, de meesterlijke opbouw, de magistrale draaikolk die het gitaarwerk creëert..

Slotakkoord Incubatio begint met een flinke dosis ambient sfeerschepping. Naas Alcameth wordt ook wel 'ns de vaandeldrager van dark ambient black metal genoemd, en daar kan ik me wel in vinden. Als geen ander weet hij je als luisteraar in een wurggreep te nemen, te blokkeren, te bezweren. Akhlys komt op de valreep nog met één van de platen van het jaar aanzetten. Bijzonder straffe kost.

4,5 sterren

Albert Ayler Trio - Spiritual Unity (1965)

4,5
Na het nieuwe album van Anna Högberg Attack (Anna Högberg is een adept van Mats Gustafsson, en speelde ook o.a. in diens Fire! Orchestra) te hebben beluisterd, zag ik op de albumpagina de naam van deze fascinerende snuiter opduiken. "Laat ik die klassieker van 'm nog maar eens beluisteren", dacht ik bij mezelf. Zo gedacht, zo gedaan.

Albert Ayler heeft dit plaatje, dat zonder bonustrack niet eens het halfuur haalt in vier delen, uitgebracht onder de noemer Albert Ayler Trio. Belangrijk om weten is dat het trio geen pianist bevat, wat al afwijkt van de meeste gangbare jazz-releases van de jaren '60, als ik me niet vergis. Ook is Sunny Murray veel meer dan louter een drummer; zijn vrije, losse manier van spelen komt erg geïmproviseerd over, en zorgt constant voor een heerlijk klankbord ten aanzien van het chaotisch en rauw klinkende spel van Ayler op saxofoon.

Een trio bestaat natuurlijk uit drie spelers, en de derde is bassist Gary Peacock, die steeds voor een heerlijke sfeerzetting zorgt op de achtergrond. Hij slaagt er op magnifieke wijze in opvallend op de achtergrond te blijven zonder dat het de performance van Ayler schaadt; luister maar 'ns naar de bas in het nummer Spirits.

Geweldig vind ik ook dat het thema van de eerste minuut gewoon terugkeert in de laatste minuut. Alsof de cirkel rond is. Maar deze plaat is helemaal geen cirkel, het is eerder een wonderbaarlijk kleur- en klankenpalet, gecreëerd door een door innerlijke demonen geplaagde man die het wellicht ook allang niet meer wist.

In 1970 zou Albert Ayler veel te vroeg het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen. Maar dit monument zal voor altijd zijn stempel op de wereld behouden.

4,5 sterren

Alcest - Écailles de Lune (2010)

4,0
Deze plaat heb ik toch meerdere keren moeten beluisteren om er de schoonheid van in te zien. Na een eerste beluistering concludeerde ik dat het wel meer dan een voldoende verdiende, maar er was toch iets, ik voelde aan dat meerdere luisterbeurten me misschien wel tot meer luisterplezier en ook een hogere score zouden bewegen. En nu, na de tigste beluistering van dit album, ben ik blij dat ik m'n gevoel ben gevolgd.

'Écailles de Lune' is geen makkelijke plaat, vind ik. Het duurt wel eventjes (bij mij althans) om de kwaliteit hiervan in te zien, maar eens dat gebeurd is, dan ben je ook gelijk verkocht. Dit soort platen kan ik wel blijven draaien, en dat heb ik niet zo gauw bij 'metal'-platen.

Wat ik zo knap vind aan deze plaat, is de naadloze overgang van rustig naar hard, van ingetogenheid naar bruut geweld. Een perfect voorbeeld daarvan is toch wel de eerste track (hoe die naar het einde toe openbreekt, geweldig!).

Met de vocalen heb ik eigenlijk geen moeite, ik vind ze net heel goed passen bij de sfeer van dit album, zoals in 'Écailles de Lune (Part II)'.

‘Percées de Lumière’ kan niet tippen aan de eerste twee songs, maar dat is zeker geen schande, aangezien dat gewoon fantastische nummers zijn in mijn ogen. Het is zeker geen slecht nummer, kent een degelijke opbouw, maar de spanning van de eerste twee nummers vind ik hier niet helemaal in terug. Vier minuten ver (à peu près) in deze song hoor ik wel een erg goeie riff. Zoals ik al zei, kwalitatief allemaal erg goed.

‘Abysses is een meer dan treffend tussenstuk, en ik moet Gajarigon gelijk geven, het doet wel denken aan van die aquaria. Op naar de volgende song!

Dat is ‘Solar Song’, en mocht iemand me dit laten horen, zonder bijkomende informatie, en ik moest gokken van welke band dit is, ik zou Porcupine Tree zeggen. Althans, daar doet het me toch aan denken. Goeie song, maar wat mij betreft slechts een opstapje naar wat nog komen moet.

Afsluiter ‘Sur l’Océan Couleur de Fer’ is een pareltje. Je wordt meegesleept door die dromerige, zweverige zang en dat schijnbaar nonchalante gitaarspel. Adjectieven als ‘episch’ en ‘betoverend’, die hier al werden gebruikt, zijn terecht; dit is eigenlijk het nummer waar je de hele tijd op zit te wachten, en waar je op uiterst vakkundige wijze naartoe wordt gedreven. Na die eerste luisterbeurt was ik zeker niet onder de indruk van dit nummer, omdat het maar wat lijkt voort te kabbelen, maar nu ben ik helemaal overtuigd van de schoonheid van dit nummer, die ‘m toch vooral zit in die meeslependheid. Kortom, sluit je ogen voor een dikke acht minuten en geniet.

De hoogtepunten in dit album zitten vooraan en achteraan, de twee andere ‘volwaardige’ nummers zijn ook goed, daar niet van, maar doen me toch minder. ‘Abysses’ is ook een lekker tussendoortje. Voor mij was dit een aangename ontdekking, die ik nog vele malen met plezier zal beluisteren.

4 sterren

Alcest - Les Voyages de l'Âme (2012)

4,5
Een rustig, sfeervol intro. Zo begint ‘Autre Temps’, het openingsnummer van de Franse band Alcest, al is Neige daar bijna in zijn eentje verantwoordelijk voor. De enige andere naam die ik in het boekje (of in dit geval: op de achterkant van het boekje) weet te vinden, is die van Winterhalter, die drums speelt. Al het andere komt op rekening te staan van Neige, en dat is toch wederom een indrukwekkende prestatie van de Fransman. Zeker omdat het ook nog eens een erg sterke plaat is, de derde op een rij.

De eerder aangehaalde intro zet meteen de toon; ‘Les Voyages de l’Âme’ is een sfeervolle plaat, de vocals zijn zo goed als allemaal clean (op een paar uitzonderingen na, daar heb ik het later nog over), en het geheel klinkt ook allemaal nog net wat rustiger en dromeriger dan voorganger ‘Ecailles de Lune’.

‘Autre Temps’ is meteen een erg pakkende song. De zang lijkt van ergens ver boven je te komen, tot het melancholische toe soms. De song is ook in no time weer afgelopen, en verveelt kortom helemaal niet. Ik zou het niet één van de sterkhouders willen noemen, maar buiten ‘Faiseurs de Mondes’ zou ik geen enkel nummer durven noemen. De kwaliteit is gewoon erg constant en vooral hoog. ‘Là Où Naissent les Couleurs Nouvelles’ (fantastische songtitel toch weer) is het langste nummer op de plaat, en klinkt ook echt langgerekt, maar op een mooie, meeslepende manier. De gitaarlijnen zijn geweldig, het drumwerk van uitstekende makelij. Laat alle roem dus niet enkel naar Neige gaan, laat ook nog een korreltje over Winterhalter, die trouwens ook in Les Discrets zit.

De harsh vocals (noem je het zo) komen slechts sporadisch voor, maar als je ze te horen krijgt, lijken ze wel dubbel zoveel impact te hebben. Een interessant nieuwe manier van werken van Neige, het lijkt alsof hij al die kracht en emotie in een paar details wil steken, maar die details ontvouwen zich zo mooi, het plaatje klopt perfect. In het begin van ‘Faiseurs des Mondes’ horen we een fenomenale passage met harsh vocals, ik kan het gewoon nooit laten om me ergens in het midden van een verlaten stukje woeste natuur te wanen, en luidkeels mee te roepen tot m’n keel schor is. Ook in de langste song van het album hoor je harsh vocals, en ook hier is het effect maximaal; ogen dicht en genieten.

De titelsong begint ook weer met zo’n mooie, emotionele gitaarlijn, om toch over te gaan in wat zwaarder, met die gitaarlijn van het begin als basis. De teksten zijn trouwens ook erg de moeite, en ook al is mijn kennis van het Frans beperkt, ik kan me toch altijd een vrij goed beeld vormen waar het over gaat. Echt moeilijke bewoordingen of ingewikkelde volzinnen gebruikt Neige niet, hij houdt het meer op korte zinnetjes en sfeerschetsen. Erg fraaie sfeerschetsen, dat wel, waarin de natuur een aanzienlijke rol speelt. Een belangrijk thema lijkt mij dan ook de teloorgang van de wereld, doordat mensen al lang niet meer in harmonie met de natuur leven. Ook neemt hij thema’s over uit vorige platen, zoals een heel eigen droomwereld. Daar fantaseerde Stéphane Paut (zoals Neige’s echte naam luidt) naar verluid over in zijn kinderjaren.

‘Nous Sommes l’Emeraude’, nog zo’n voorbeeld van een erg mooie, aan de natuur gelinkte songtitel. Natuurlijk is er keuze genoeg om op dat gebied poëtisch uit de hoek te komen, maar op elke Alcestplaat die ik ken (de drie laatste zijn dat) staan toch telkens enkele songs op waarvan de titel mij bijzonder aanspreekt. Het nummer zelf is ook weer erg goed, het kortste nummer ook (op het interludium ‘Havens’ na), en het is ook weer voorbij voordat je ’t beseft. De tekst is trouwens niet van Neige zelf, nu ik eraan denk, maar van de Vlaamse dichter Charles van Lerberghe. De titel dientengevolge ook.

‘Beings of Light’ ken een trage start, met een soort engelengezang ( het is in ieder geval een spookachtige, ietwat idyllische stem), om na een dikke minuut uit te barsten in een waas van dromerig gitaarwerk en stuwende drums. Verder is dit nummer volledig instrumentaal. De titel kan ik enigszins linken aan het artwork. Op de cover staat een fiere, grootse mij onbekende vogel (ik ben geen ornitholoog) in een portaal, waardoorheen het licht naar binnen schijnt. Dit staaltje fraaiheid is het werk van Fursy Teyssier, alweer een lid van Les Discrets. Die jongens hebben trouwens ook een nieuwe plaat uit, en het is een goeie (met een pak minder stemmen dan deze van Alcest), dus ik zou zeggen; ga die plaat ook maar luisteren als je deze goed vindt!

‘Faiseurs des Mondes’ is, zoals eerder gesteld, het absolute prijsnummer in mijn ogen. Het nummer zet meteen vernietigend in, met een gitaarpatroon dat gemaakt lijkt te zijn om zoveel mensen omver te blazen, en rollende drums. Neige zet z’n harsh vocals in, en die gaan door merg en been, bezorgen me koude rillingen en geven me een energieboost van jewelste. Jawel, dit allemaal. Kan je geloven hoe geniaal ik het allemaal vind. Deze song is in mijn ogen gewoonweg perfect, met de meest memorabele riff van heel het album, en misschien wel uit het hele oeuvre van Alcest tot nu toe. Ook het tragere, slepender middenstuk is prachtig, vooral het op het wederom wat heftiger slot van de song voorbereidende gedeelte. ‘Faiseurs des Mondes’ heeft het eigenlijk allemaal; emotie, kracht, energie, troost, dromerigheid.

Na het sfeervolle, zeker niet overbodige intermezzo ‘Havens’ volgt de slotsong. Die valt met een erg dromerige gitaarlijn meteen mooi met de deur in huis. ‘Summer’s Glory’. Een aparte titel, voor twee redenen. Ten eerste, de tekst is in het Frans geschreven en gezongen. Ten tweede, het is wel een grappige contradictie met de man achter Alcest, althans zijn pseudoniem Neige, Frans voor “sneeuw”, zoals iedereen wel weet. De tekst is wel weer prachtig, met als afsluitende regels:

“Juillet s’en vient;
Notre coeur dégèle;
Je me sens si léger.”

Vrij vertaald:

“Juli komt eraan;
Onze harten ontdooien;
Ik voel me zo, zo licht.”

Op zich niet zo bijzonder, en in het Nederlands vind ik het zelfs een beetje knullig klinken (ook omdat ik niet meteen m’n beste beentje heb voorgezet qua vertaling), maar in het Frans heeft het toch een magische bijklank. Ik vind het een mooie taal, een erg dankbare taal ook in de wereld van de poëzie. Niet voor niets zijn er zoveel grote Franse dichters, schrijvers en filosofen. Het is gewoonweg een kunstzinnige taal. Deze alinea heeft niet veel meer met het album te maken, maar ik vond het een interessante aanvulling voor mijn bespreking, en toch ook wel relevant, want ik ben vertrokken uit een flard van de songtekst, natuurlijk.

Om toch nog een laatste alinea aan het album zelf te wijden: Neige heeft weer maar eens een mooie plaat afgeleverd, veel artiesten zouden er, hoewel zij met meer denkende mensen zijn om een plaat te maken, jaloers op zijn. ‘Les Voyages de l’Âme’ is dromerig, groots en beklijvend. Een plaat die je bijblijft, en die ik althans nog vele malen zal beluisteren in de toekomst.

4,5 sterren

P.S. Bedankt trouwens, wizard, dat je m’n bespreking afwacht. Altijd leuk dat zulke dingen gewaardeerd worden.

Alchemist - Organasm (2000)

4,0
Ook ik vind dit één van de sterkste inzendingen van de vorige ronde (inmiddels zijn we alweer aan een andere begonnen), maar het heeft even geduurd vooraleer ik het album wist te doorgronden. Alchemist is een Australische band, de nummers die op 'Organasm' staan kan je gerust progressief noemen, maar ik vind niet dat er een specifieke term is die de lading volledig dekt. Beter kunnen we dan werken met adjectieven.

Sfeervol. De 10 nummers op dit album vertonen een mooie samenhang als je 't mij vraagt, en dat draagt alleen maar bij aan de sfeerzetting. Dat vind ik altijd een belangrijk gegeven bij dit soort platen; weet het me in te palmen of niet? Gaat het me begeesteren, bezorgt het me koude rillingen? Vind ik het boeiend om naar te luisteren, en - vooral - te blijven luisteren? In dit geval luidt het antwoord volmondig ja; spannende riffs, onverwachte wendingen in de composities troef. Erg knap gedaan.

Krachtig. Het genre metal staat voor een deel bekend om zijn force. Metal is de rockmuziek voor mensen die gehoorbeschadiging willen, zegt mijn moeder weleens. Die kracht moet echter iets bijdragen (een energiestoot, opwekken van emotie, noem maar op). En ook daarin slaagt Alchemist. Er wordt niet zomaar op gitaren geragd, en op potten en pannen gemokerd, en lukraak door een microfoon gebulderd; neen, dit zit allemaal knap in mekaar, klinkt best ingewikkeld, en gaat zeker niet vervelen. Ook de capaciteiten van de bandleden gaan meteen opvallen, in positieve zin.

Intens. Dit hangt een beetje samen met de sfeer, maar toch ook weer niet helemaal, vind ik. Waar sfeer van toepassing is op het geheel, kiest de intensiteit meer zijn momenten uit. Schijnbaar willekeurige momenten waarop je denkt: "ze menen het wel echt, die gozers". Details spelen vaak een grote rol. De zanger die even op het voorplan opduikt. Een riff waarvan je denkt: "die hebben ze speciaal voor mij geschreven". Het ijverige precisiewerk van de drummer.

De 'Evolution Trilogy' is mijn favoriete deel op het album. Een stuk van bijna een kwartier, opgesplitst in drie delen. Charles Darwin mag trots zijn.

4 sterren

Alice Boman - Dream On (2020)

4,5
Alice Boman is een 27-jarige jongedame uit Malmö, Zweden, en brengt, na enkele EP's, nu pas haar debuutplaat uit. Ik moet eerlijk wezen, ik kende haar hoegenaamd niet, maar las hier unaniem positieve commentaren, dus heb ik het album maar 'ns opgesnord. En sindsdien heeft het zich opgewerkt tot één van de eerste muzikale hoogtepunten van 2020.

De albumhoes weet mij meteen te intrigeren; Boman heeft een zekere aantrekkingskracht, vind ik, met haar wat strenge blik, al schuilt daar volgens mij ook een flinke dosis weemoed en verdriet achter. Want de tien songs die zij op de luisteraar loslaat, zijn voor het merendeel liedjes over liefdesverdriet, fatalisme en verlatingsangst. Ik heb niet al te veel over haar opgezocht op het wereldwijde web, maar het lijkt me dat zij net een uit een heftige relatie komt, in duizend stukken uiteen is gevallen en met Dream On een monumentale poging onderneemt om de brokken te lijmen. Door een kwestie onomwonden te bezingen, kan je ook voor afsluiting zorgen.

Ik weet niet of deze hele geschiedenis 100% waarheidsgetrouw is, maar zo voelt het toch aan voor mij. En dat maakt de connectie die ik met het album heb een pak intenser en inniger; ik ben het de afgelopen maanden echt gaan koesteren. Boman heeft een engelachtig mooie stem, en samen met de veelal lieflijke muzikale omkadering zorgt die er moeiteloos voor dat ik de buitenwereld en al diens beslommeringen een dik halfuur vergeet.

De liedjes dan. Mag ik opener Wish We Had More Time één van de mooiste liedjes vinden die ik de afgelopen jaren heb gehoord? Jazeker! De ondertoon is spookachtig en sprookjesachtig tegelijk, de tekst is simplistisch maar o zo doeltreffend, de zang is... hemels. Dat laatste geldt eigenlijk voor elk liedje op deze plaat, trouwens.

Ik ga niet elke song bespreken, ik zal er de absolute hoogvliegers even uitlichten. Ik zal het eerst over een tweetal hebben waarvan de titels me erg aan bekende popsongs doen denken. Don't Forget About Me aan het befaamde nummer van Simple Minds, maar daar houdt de vergelijking ook gelijk op. In deze song, die zowaar dansbaar is, klinkt Boman als het lieflijke, wat schuchtere achternichtje van haar landgenote Robyn, een uiterst aangename associatie. Dat heeft, toegegeven, vooral met de subtiele elektronische instrumentatie te maken.

Na dit nummer komt een song die - en dat had ik na vier minuten in dit album te zijn ondergedompeld niet verwacht - misschien nóg beter is dan de opener: Everybody Hurts. Elke rechtgeaarde muziekliefhebber moet uiteraard onmiddellijk aan R.E.M. denken, en ik vermoed dat Boman daar de mosterd ook deels is gaan halen. Het nummer staat in het midden van de plaat, een geschikte plaats voor een kroonjuweel. Uit de tekst meen ik op te maken dat Boman's liefje haar voor een ander heeft laten staan:

"Who are you holding now? Who are you holding now?
Is she everything that I am not? Is she everything that I am not?"


Ze weet vervolgens ook wel op een mooie manier te relativeren, wat ook wel meer voorkomt op dit album:

"Every heart aches;
Every heart breaks;
But everything's gonna be alright;
I tell you, everything's gonna be alright;
Everybody hurts, everybody hurts, sometimes."


It's OK, It's Alright is ook een song die opvalt, omdat deze andere horizonten verkent dan de overige songs. Akkoord, de stem van Boman is uniek genoeg om makkelijk te worden herkend, maar hier heb ik ook associaties met vooral Björk (zowel vocaal als instrumentaal) en - in mindere mate - Kate Bush. Namen als klokken.

Een laatste nummer dat ik wil aanhalen, is This Is Where It Ends, omwille van de aangrijpende tekst, en de manier waarop dit treffend wordt omlijst door de instrumentatie. De song begint erg ingetogen, minimalistisch haast, met een fluisterende Alice Boman, die weemoedig terugkijkt op verloren gegane tijden die echter blijven voortleven als haarscherpe herinneringen. En het zijn net die herinneringen die de pijn des te feller maken. In het tweede deel breekt de song schutterig open, om uiteindelijk tot een bijzonder fraaie maar confronterende climax te komen. Al wat Boman uiteindelijk nog kan uitbrengen, is het volgende:

"It's Over..."

En zo heb ik een pak meer tekst gewijd aan dit album dan ik oorspronkelijk van plan was; het zal mijn enthousiasme omtrent de plaat wel wezen. Laat ik dan, om af te sluiten, nog een strofe uit de opener citeren, omdat deze, hoewel in een compleet andere context dan in het liedje zelf, treffend aangeeft wat ik van dit album denk:

"There's no tomorrow;
There's no past;
There is nothing, but this feeling;
And this feeling, I want it to last."


4,5 sterren, dubbel en dik verdiend!

Alkerdeel - Morinde (2012)

4,5
“Only live is real!” staat zowel op hun site als op de hoes van hun nieuwe CD, ‘Morinde’, te lezen. De mannen van Alkerdeel hebben de plaat dan ook in één dag opgenomen, live in een garage, zonder overdubs of wat dan ook. De vuige sound die daar het resultaat van is, spreekt tot de verbeelding, en is bovenal bijzonder beangstigend en intens.

Voor de duidelijkheid: Alkerdeel is een collectief uit Zomergem, en maakt, naar eigen zeggen, “Filthy blacksludgedronedoom”. Metal dus. En dit is zeker niet gelogen, want de band komt soms uit onverwachte hoek aanstormen. Ik hoor er invloeden van de oude black metal van o.a. Darkthrone in terug, maar ook het bezwerende spacegeluid van Ufomammut, en de epiek van landgenoten AmenRa. De oerschreeuwen van Pede zorgen voor rillingen.

Het begint al meteen goed met ‘Winterteens’, een monster van een song van ruim 13 minuten lang. Een sfeervol intro, verzorgd door Mories van Gnaw Their Tongues, is een uitstekende voorbode voor al die grimmigheid die nog zal volgen. Niet veel later gaan de musici razend aan de haal met hun instrumenten, het drumstel wordt de verdommenis ingeslagen, de gitaar wordt tot het uiterste gedreven. Het geheel klinkt op het eerste gehoor monotoon, maar ook lekker chaotisch, en zoals algemeen geweten, is chaos onvoorspelbaar. Ik heb de indruk dat deze plaat voor mij, al heb ik ‘m al zo’n 10 keer beluisterd, nog steeds onvoorspelbaar blijft. Alsof ik telkens een totaal andere plaat verwacht.

‘Horsesaw’ is misschien wel het meest in razernij ontstoken, op de drift geslagen nummer dat ik in 2012 heb gehoord. Het nummer duurt ocharme tweeënhalve minuut, maar begint al meteen met malcontente gitaren, en wanneer Pede zijn strot wijd opentrekt, barst de hel los. De dominante riff die dan te horen is, is pure black metal. Ook het tussenstuk, waarin even (een klein beetje) gas wordt teruggenomen, klinkt kwaadaardig, ik heb er niet meteen een ander woord voor. Is dit het geluid dat door het hoofd van een psychopaat gaat? Een smerige modderpartij in de diepste krochten van de hel.

‘Hessepikn’ geeft de luisteraar de tijd om even op adem te komen, voor het monumentale slotnummer er aankomt. Dit nummer ligt meer in het gebied van de ambient en dronemetal, het geluid is groots en bijzonder sfeervol, het macabere gefluister van Pede draagt daar een steentje toe bij, zeg gerust een heus rotsblok. De laatste anderhalve minuut is er echter een fantastische tempoversnelling, en trekt Pede zijn strot weer volledig open. Daarna stilte, plotsklaps. Het beest ligt op de loer..

Dat beest schrikt eerst nog een ogenblik van een ontstemde gitaar, maar barst dan los. Overstuurd gitaargeluid, maniakale drums, een vet basgeluid. ‘Du Levande’ laat zich meteen gelden. Vervolgens gaat de storm liggen, en wordt het beest rustiger. De fraaie geluidseffecten zorgen ervoor dat het lijkt alsof de wind huilt, demonen in het diepe, donkere woud oorlogskreten gillen, en de onderliggende gitaarlagen houden de spanning en intensiteit erg hoog. Dit deel duurt vrij lang, en blijft maar door en doorgaan, heeft een hypnotiserend effect. Maar uit deze monotonie wordt een pronkstuk opgebouwd, met ijzingwekkende oerschreeuwen en monumentale riffs tot gevolg. En dan zijn we nog maar halfweg.

Ook in deze song komen drones voorbij, maar telkens gaan die al snel over in epiek, de gitaar neemt daar de bovenhand. Het voor het kwartier horen we een fantastische, donkere riff, met daarboven spoken word, maar dan van het meest obscure dat ik ooit heb gehoord. Ik begrijp er overigens geen woord van, weet enkel dat Alkerdeel voor ‘mestkar’ staat, en Morinde voor ‘moddereend’, maar als de muziek zo bezwerend is, en de vocalen aanvoelen als een onbreekbare banvloek, maakt dat niet zoveel uit. Alles is sfeer. Het grootste slot mondt uiteindelijk nog uit in een fraaie outro, wederom verzorgd door Mories, en voorzien van de nodige verrotting. Piepend geluid, dat langzaam vervaagt.

‘Morinde’ is een plaat die zo echt is als kan zijn. Die authenticiteit draagt ook bij tot de sfeer. “What you hear is what you get!”, staat op de site te lezen. En zo is het maar net.

4,5 sterren

Amatorski - Same Stars We Shared (2010)

4,0
Na meerdere luisterbeurten blijft dit toch een zeer sfeervol debuut van Amatorski, ik zie het als een voorproefje van hun kunnen.

'Come Home', in ware oldies-stijl, inderdaad, maar de details maken er een hedendaags liedje van. Neem daar nog de prachtige tekst bij, en je hebt toch een sterk nummer.

'Same Stars We Share' is het tweede nummer, en begint met dat waterige, dromerige pianogeluid, beetje jazzy ook. Mooie stem heeft die zangeres, ze legt er veel gevoel in, vind ik persoonlijk.

'The King' is dan weer een erg mooi, lief nummer, doet me een beetje denken aan de onschuld van First Aid Kit (twee Zweedse zusjes die eerder dit jaar al hun meer dan uitstekende langspeeldebuut afleverden). Tekstueel ook weer meer dan een voldoende, leuk ook dat deze mensen iets afweten van indianenverhalen blijkbaar, daarin is de raaf ook altijd de verrader.

Afsluiter is 'My Favourite Work Of Art'. Dit nummer is, net als de eerste 2, iets voller dan 'The King' (melancholische strijkers!). Dit kan bij sommigen toch wel een gevoelige snaar raken.

Dat ze niet zo maar een nieuw popbandje zijn, bewijzen ze toch op deze EP. Zo overtuigen ze mij in amper 13 minuten van hun veelzijdigheid, en doen me reikhalzend uitkijken naar hun debuut (van lange adem dan).

3,5 sterren, welverdiend

Amatorski - tbc (2011)

3,5
Vorig jaar werd HUMO’s Rock Rally gewonnen door School is Cool. Dat Amatorski niet eens in de top 3 eindigde, zou je nu niemand meer kunnen wijsmaken. Want met ‘Same Stars We Shared’, de EP die ze vorig jaar uitbrachten, en vooral het prachtige ‘Come Home’ hebben ze in korte tijd België veroverd. Al een tijdje geleden pakten ze uit met hun debuutplaat ‘Tbc’. Ondergetekende haalde het kleinood in huis, en luistert er toch al enkele maanden geregeld naar. Het blijft een erg mooie plaat, met een kleine smet op het einde.

De intro die ‘Fading’ is, mag er wezen; erg sfeervol, een blik op hoe de plaat in z’n geheel zou moeten klinken. We komen zeker niet bedrogen uit, want wanneer het beklemmende ‘Soldier’ overneemt, horen we drukke doch beheerste (gaan die twee samen? Jawel) instrumentatie op de achtergrond, met de hypnotiserende zang van Inne Eysermans in een glansrol. Het plaatje luistert heel anders weg dan ‘Same Stars We Shared’, en dat werd ook al eerder aangegeven in een interview; ze doen gewoon hun eigen zin, het zou goed kunnen dat hun volgende EP/LP weer helemaal anders klinkt.

Maar goed, ‘Tbc’ is nu aan de orde, en desondanks de lichte misplaatstheid van de titel (tuberculose? To be continued?), is het vooral de inhoud die telt natuurlijk. Met de hoes is alvast helemaal niets mis, de zwart-witfoto’s van kinderen in schijnbaar niet al te dure kleding (een simpele pull; een fletse blouse) zijn erg sober en maken een speciale indruk op me; dat Amatorski een unieke band is, staat vast.

‘Never Told’ zet in, en je verwacht aanvankelijk iets in den trant van ‘Soldier’, maar de strijkers maken er op het einde nog iets heel anders van. ‘Peaceful’ begint met een druk, licht versplinterd gitaarlijntje, na enkele ogenblikken komt de piano opduiken. De hypnotiserende zang (toch wel één van de sterke punten) draagt ook weer z’n steentje bij, en voor het overige is dit gewoonweg genieten, genieten, en nog eens genieten. Heb ik al gezegd dat dit een ideale laid-backplaat is? Wel, dan zeg ik het nu.

Dan de datumsongs. ’22 Februar’ doet denken aan Massive Attack en Portishead. De tekst is geschreven door ene Melissa Herrera Crespo, waarover ik voor het overige maar weinig kan vinden. ‘8 November’ vind ik één van de beste nummers, het is enorm rustgevend in het begin, tot het plots druk wordt, met allerhande achtergrondgeluiden. Heerlijk gewoon, ik heb er eigenlijk geen andere woorden voor. Afsluiter ‘The Cheapest Soundtrack’ is een beetje een opdoffer. Het nummer begint, het trompetstukje in combinatie met de vocals is ontzettend sfeervol, en je zet je schrap voor een meesterwerkje van bijna 12 minuten. Maar neen, na nog geen 4 minuten wordt het opeens stil, om pas enkele minuten voor het einde terug te beginnen. En dat vind ik persoonlijk erg jammer, want ik had er zoveel van verwacht, van die song, en uiteindelijk krijgen we niet meer dan een schamel voorproefje. Bloedmooi, dat wel.

De lyrics zijn wederom van hoog niveau, ze hebben iets ongrijpbaars, de woorden zijn slim gekozen. ‘Tbc’ is geen wereldplaat (kan goed zijn dat mijn mening anders zou zijn mocht dat laatste nummer echt iets geweest zijn), maar wel zeer verdienstelijk. Als ze op deze manier blijven evolueren en lekker hun zin doen, dan komt die wereldplaat er wel, daar ben ik van overtuigd.

3,5 sterren

Anathema - Weather Systems (2012)

4,5
Soms worden er nog van die platen gemaakt die helemaal goed zitten. Emotioneel, maar niet plakkerig. Hard, maar niet vervelend. Weg luisterend, maar geen hersenloos gezwam. Groots, maar niet gemaakt en cliché. ‘Weather Systems’ is zo’n plaat, en van de band die ervoor verantwoordelijk kan worden gesteld, Anathema, kan eigenlijk hetzelfde worden beweerd. Al geldt dat niet voor elke plaat.

Het is waar, ik beken: ‘We’re Here Because We’re Here’ vind ik lang niet zo goed. Die plaat ontsteeg met moeite de middelmatigheid naar mijn mening, terwijl de algemene opinie daar blijkbaar anders over denkt. Maar goed, ik ben niet de publieke opinie, ik ben mezelf, en daar ben ik blij om. ‘Weather Systems’ is echter een ander paar mouwen; op deze plaat, hun negende inmiddels, laat het veelzijdige gezelschap de onbegrensbare klasse horen van platen als ‘Judgement’. De openingssequentie die ‘Untouchable, Part 1’ en ‘Part 2’ vormen, is meteen het absolute hoogtepunt van de plaat naar mijn mening. Prachtige zang, erg emotionele uithalen soms die nooit over de rand van het toelaatbare gaan (dat gecontroleerde zal er altijd wel in zitten, en daar moet je dan voor zijn), en vooral compositorisch kent het zijn gelijke niet. Ik vond de vorige plaat heel goeie composities hebben, maar ‘Weather Systems’ is wat dat betreft de overtreffende trap.

Het hoofdthema lijkt mij dat de grillen van de menselijke psyche worden vergeleken met die van de natuur. Uiteindelijk, de menselijke psyche maakt deel uit van deze complexe structuur. Over aandoenlijk pianospel, machtige orkestratie (London Session Orchestra, onder leiding van Perry Montague-Mason) en ingenieus gearrangeerde gitaren, die erin slagen niet over elkaar te struikelen, meanderen de stemmen van Vincent Cavanagh en Lee Douglas (zus van John Douglas, verantwoordelijk voor de epiek van ‘The Storm Before the Calm) als een schitterende rivier onder buiig wolkendek. Pianist en bedenker van de meeste songs Daniel Cavanagh fungeert als hoeksteen van deze plaat en band; hij is onmisbaar.

Het spoken word in het laatste nummer, ‘Internal Landscapes’, is echt om van te grauwen. Niet op een negatieve manier, maar het is zo geladen, en het wordt op zulk een kalme en beheerste manier gebracht.. Brrr. De bijna-doodervaring waarover de verteller het heeft, is aannemelijk en buitengewoon tegelijk, ontzettend creepy en toch ook weer geruststellend; het lijkt een signaal te geven hoe alles eindigt. En als het dan toch moet eindigen, dat het pijnloos gebeurt. Maar dat gebeurt eigenlijk helemaal niet op ‘Weather Systems’. Het is een plaat waarop pijn en emoties een hele grote rol spelen, en je kan jezelf daar onmogelijk voor verstoppen. Ervoor uitkomen, opstaan voor je innerlijke zelf, jezelf blootgeven en zo kwetsbaar mogelijk opstellen, met het risico van een fatale uppercut. Dát is het leven.

‘Weather Systems’ is de plaat die de kers op de taart zet in het oeuvre van Anathema. De band heeft gaandeweg zijn geluid gewijzigd van metal naar iets compleets uniek, en die invloeden uit de metal hoor je er nog steeds in terug; het is die kracht en inleving die Anathema dat tikkeltje extra geven. Met ‘We’re Here Because We’re Here’ dreven ze het mijns inziens iets te ver, maar dit is weer een fantastische plaat, weergaloos in vele opzichten. En het openingsduo kent wat dit jaar betreft bijna zijn gelijke niet.

4,5 sterren

Andrew Hill - Compulsion!!!!! (1966)

4,0
geplaatst:
Ik las ergens dat Andrew Hill op dit album zijn piano als percussie-instrument wilde inzetten, en dat hoor je wel: hij lijkt eerder op de toetsen te rammen en te slaan bij momenten, dan ze te bespelen. Dat geeft zijn solo's trouwens nog wat extra intensiteit.

En soleren kan ie hier, daar heeft hij wel voor gezorgd als componist. Zo schittert hij op Legacy, een track die gekenmerkt wordt doordat er geen blazers te horen zijn! Ook het schitterende basspel van Cecil McBee valt me daarin op, trouwens.

De composities van Hill zijn op zijn minst intrigerend te noemen, hij weet mij als luisteraar steeds naar het puntje van mijn stoel te bewegen. Hubbard horen we op trompet vooral de lange opener trekken, op Premonition zorgt saxofonist Gilmore samen met Hill voor een flinke dosis griezelig vertier in het tussenstuk.

Verder is ook de Afrikaanse percussie een troef, die fungeert als een soort broeierige drijvende kracht op de achtergrond, een metronoom die door blijft gaan, no matter what. Past ook helemaal binnen het concept, en vooral in de opener en de afsluiter komt dit element sterk naar voren.

Na Point of Departure is dit mijn tweede Hill, en hopelijk kunnen er nog heel wat volgen, want ik ben nog lang niet uitgeluisterd!

4 sterren