Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Balthazar - Applause (2010)

4,0
0
geplaatst: 26 april 2010, 18:30 uur
Dit jaar zijn er al enkele erg sterke platen afgeleverd van Belgische makelijk (Black Box Revelation, Admiral Freebee, Wallace Vanborn), en ook deze langverwachte eerste van Balthazar is een schot in de roos.
Opener 'Fifteen Floors' is nagenoeg perfect opgebouwd, en de sound die naar het einde toe wordt opgetrokken is prachtig.
'Hunger At The Door' moet zeker niet onderdoen voor dat nummer. De zang klinkt heerlijk nonchalant, en het reffrein is catchy en eigenzinnig tegelijk.
'Morning' wordt voortgestuwd door een duistere basgitaar. Ook komt de viool er aan te pas, die op deze plaat erg onheilspellend klinkt. Er gaat altijd een zekere dreiging vanuit, wat het lekker spannend houdt. Dat nonchalante, obscure pianospel na ongeveer 2 minuten! Geweldig nummer.
'Wire' is een bijzonder vlot nummer. Het voelt aan als een interessant verhaal, af en toe onderbroken door een kort reffrein.
'I'll Stay Here' is een lekker tussendoortje, waarin je een drietal minuten kan wegdromen.
Dan wordt je plots wakker, en hoor je die aangename, maar toch ook weer dreigende viool van 'Blues For Rosann'. Heerlijk nummer, de zang is hier een beetje vergelijkbaar met die van Alex Turner van Arctic Monkeys. Muzikaal klinkt het echter heel anders, en wat mij betreft, beter dan Arctic Monkeys.
'Throwing A Ball' vind ik persoonlijk net wat minder, maar dat is geen schande hoor, volgende nummer 'More Ways' maakt dat ruimschoots goed, het is allemaal wat meer relaxed. Elk instrument speelt daarin een rol; de rustig voortkabbelende bas, de zang, de af en toe opduikende elektrische gitaar, de rustgevende drums, de onvermijdelijke viool tijdens het reffrein.
En dan komen we bij misschien wel het allerbeste op deze plaat: 'The Boatman'. Is het toeval dat deze song zo heet, of is ie misschien genoemd naar de vermaarde plaat van Nick Cave & The Bad Seeds, 'The Boatman's Call'? Een meeslepende, haast bezwerende popsong met een wel erg duister randje van een dikke drie minuten; op een andere manier kan ik het niet beschrijven.
'Intro' en 'Blood Like Wine' vormen eigenlijk één geheel van meer dan zeven minuten. 'Intro' is heel gemoedelijk, kabbelt erg rustig voort, en doet qua zang (ritme en timbre) weer erg denken aan Alex Turner. Dit is een voorbode van 'Blood Like Wine', de eigenlijke afsluiter van deze uitstekende popplaat. De elektrische gitaar wordt hier vooral gebruikt om een melancholisch tintje aan de song te geven. Verder heerst de basgitaar weer, zoals op wel meer songs.
Sterk debuut dus van de jongelui uit Gent, ik kijk nu al uit naar de opvolger, en hoop stiekem dat die nog beter is.
4 sterren
Opener 'Fifteen Floors' is nagenoeg perfect opgebouwd, en de sound die naar het einde toe wordt opgetrokken is prachtig.
'Hunger At The Door' moet zeker niet onderdoen voor dat nummer. De zang klinkt heerlijk nonchalant, en het reffrein is catchy en eigenzinnig tegelijk.
'Morning' wordt voortgestuwd door een duistere basgitaar. Ook komt de viool er aan te pas, die op deze plaat erg onheilspellend klinkt. Er gaat altijd een zekere dreiging vanuit, wat het lekker spannend houdt. Dat nonchalante, obscure pianospel na ongeveer 2 minuten! Geweldig nummer.
'Wire' is een bijzonder vlot nummer. Het voelt aan als een interessant verhaal, af en toe onderbroken door een kort reffrein.
'I'll Stay Here' is een lekker tussendoortje, waarin je een drietal minuten kan wegdromen.
Dan wordt je plots wakker, en hoor je die aangename, maar toch ook weer dreigende viool van 'Blues For Rosann'. Heerlijk nummer, de zang is hier een beetje vergelijkbaar met die van Alex Turner van Arctic Monkeys. Muzikaal klinkt het echter heel anders, en wat mij betreft, beter dan Arctic Monkeys.
'Throwing A Ball' vind ik persoonlijk net wat minder, maar dat is geen schande hoor, volgende nummer 'More Ways' maakt dat ruimschoots goed, het is allemaal wat meer relaxed. Elk instrument speelt daarin een rol; de rustig voortkabbelende bas, de zang, de af en toe opduikende elektrische gitaar, de rustgevende drums, de onvermijdelijke viool tijdens het reffrein.
En dan komen we bij misschien wel het allerbeste op deze plaat: 'The Boatman'. Is het toeval dat deze song zo heet, of is ie misschien genoemd naar de vermaarde plaat van Nick Cave & The Bad Seeds, 'The Boatman's Call'? Een meeslepende, haast bezwerende popsong met een wel erg duister randje van een dikke drie minuten; op een andere manier kan ik het niet beschrijven.
'Intro' en 'Blood Like Wine' vormen eigenlijk één geheel van meer dan zeven minuten. 'Intro' is heel gemoedelijk, kabbelt erg rustig voort, en doet qua zang (ritme en timbre) weer erg denken aan Alex Turner. Dit is een voorbode van 'Blood Like Wine', de eigenlijke afsluiter van deze uitstekende popplaat. De elektrische gitaar wordt hier vooral gebruikt om een melancholisch tintje aan de song te geven. Verder heerst de basgitaar weer, zoals op wel meer songs.
Sterk debuut dus van de jongelui uit Gent, ik kijk nu al uit naar de opvolger, en hoop stiekem dat die nog beter is.
4 sterren
Beirut - The Rip Tide (2011)

3,5
0
geplaatst: 19 oktober 2011, 20:43 uur
Beirut is terug van weggeweest! Een openingszin die enig enthousiasme doet vermoeden, en dat is dan ook het geval. Beirut weet mij al van het prille begin te bekoren, en bracht met ‘The Gulag Orkestar’ en ‘The Flying Club Cup’ twee bijzonder sterke platen uit, die bol stonden van de muzak- en Balkaninvloeden. Daarna bleef het een tijdje vrij stil rond Zach Condon, de man achter Beirut. Er kwam nog wel een dubbel-EP, maar die heb ik vreemd genoeg links laten liggen. De stilte is nu eindelijk voorbij, want met ‘The Rip Tide’ heeft Beirut een derde plaat aan z’n oeuvre toegevoegd. En dat het alweer een goeie plaat is, zou niemand mogen verbazen.
Deze plaat is meer als groep opgenomen, wist Condon te vertellen naar aanleiding van de release. Je kan het er wel aan horen, het geluid is een beetje compacter, maar ‘The Rip Tide’ is vooral weer typisch Beirut. Al moet ik zeggen dat het een stuk minder muzakinvloeden bevat. 9 lekkere popsongs, opgesmukt met de charismatische stem van Condon. Ook de gouwe ouwe pot met strijkers en blazers is weer flink opengedraaid.
Het begint meteen erg goed met ‘A Candle’s Fire’, een opener waarvan menig bandje alleen maar kan dromen. Prachtige melodie, erg uitnodigend om mee te zingen, warm accordeongeluid (denk ik?), en een sterke tekst. “Light a candle’s fire; carries a good name; what would you ask the campfire?; that scares me just the same; and knew you had it all along; an endless need for games; don’t forget a candle’s fire; is only just a flame” klinken de openingsregels, en we weten al meteen dat het een gezellige plaat zal worden.
‘Santa Fe’ is een heerlijke single, maar kan me op het album zelf vreemd genoeg iets minder overtuigen. Je hebt nummers die beter zijn op zichzelf, en vervagen in het geheel, en dit is er één van. ‘East Harlem’ is gebaseerd op ‘Spanish Harlem’ van Ben E. King. De twee titels zijn eigenlijk zelfs synoniemen, ze slaan beide op een wijk in New York. Dat Condon iets met plaatsnamen heeft, weet u ongetwijfeld nog wel. Het misschien wel meest bekende nummer van Beirut is namelijk ‘Nantes’, een stad in Frankrijk.
‘Goshen’ is wat meer ingetogen. Opgebouwd rond een mistroostige piano, met Condon’s stem die er als een wenteltrap omheen draait. Langzaamaan komen andere instrumenten inzetten, eerst blazers, daarna tromgeroffel. Het tromgeroffel zwelt aan, en de blazers verlenen het nummer een statig einde. Knap, hoe zo’n simpel nummer je kan raken. ‘Payne’s Bay’ is andere koek, met z’n brede arrangementen. Het nummer laat een zenuwachtige indruk na, instrumentaal gezien dan toch, want Condon’s stem klinkt weer zo rustgevend dat je vanzelf bijna in zwijm valt. Het nummer begint dan aan het tweede gedeelte, dat ik voor de gelegenheid maar ‘Headstrong’ (zie lyrics) noem. Veel herhaling, misschien zelfs iets te veel. 3 minuten had ook volstaan.
Het titelnummer vind ik het beste nummer van de plaat, al komt de opener erg dicht in de buurt. Waarom? De prachtige tekst, de overtuigende manier waarop Condon de woorden brengt en de treffende instrumentatie, die me het idee geven dat alles eraan klopt. De piano, de melancholische strijkers, de onderhoudende ritmesectie, alles werkt perfect. Nagel op de kop. De piano speelt een glansrijke rol op dit album, trouwens.
‘Vagabond’ en ‘The Peacock’ liggen in een iets lagere schuif dan het titelnummer, maar zijn toch beide prima songs. Dat ondefinieerbaar sfeertje hangt er toch altijd weer over, hoe Condon het voor mekaar krijgt, Joost mag het weten. Hij gebruikt telkens min of meer dezelfde ingrediënten, maar je wordt het eigenlijk nooit moe. ‘The Peacock’ lijkt misschien wat traag en saai (en stiekem is het dat ook, stiekem), maar het is vooral een erg mooi nummer. Beklijvend, op de juiste manier. ‘Vagabond’ is wat statiger, maar lijkt dan weer een iets kortere geldigheidsdatum te hebben. Smaken verschillen.
En zo zijn we alweer aan de afsluiter toe; ‘Port of Call’. Een verrassende sound, met dat belletje (of wat is het?). Beirut keert een beetje terug naar z’n roots, hier ontwaar ik weer iets meer muzak in. Zeker het walsende tempo van de piano en de blazerssectie (al zet die pas in na iets minder dan 2 minuten). Na bijna 4 en halve minuut nemen we afscheid van ‘Port of Call’, en zwaaien we af, het onbekende in. De stilte.
Erg goeie plaat weer van Beirut, maar ik ga deze toch wat minder royaal belonen wat betreft de sterretjes. Ten eerste omwille van de speelduur; het had van mij toch iets langer mogen duren (jawel!), ik heb een beetje het gevoel dat die 33 minuten wat magertjes uitvallen. Ten tweede omdat het geheel me toch net wat minder kan bekoren, omdat enkele nummers me afzonderlijk beter bevallen dan als onderdeel van de plaat. Maar ach, we hebben niet te klagen, natuurlijk, als Beirut dit soort platen blijft afleveren, ben ik een tevreden mens.
3,5 sterren
Deze plaat is meer als groep opgenomen, wist Condon te vertellen naar aanleiding van de release. Je kan het er wel aan horen, het geluid is een beetje compacter, maar ‘The Rip Tide’ is vooral weer typisch Beirut. Al moet ik zeggen dat het een stuk minder muzakinvloeden bevat. 9 lekkere popsongs, opgesmukt met de charismatische stem van Condon. Ook de gouwe ouwe pot met strijkers en blazers is weer flink opengedraaid.
Het begint meteen erg goed met ‘A Candle’s Fire’, een opener waarvan menig bandje alleen maar kan dromen. Prachtige melodie, erg uitnodigend om mee te zingen, warm accordeongeluid (denk ik?), en een sterke tekst. “Light a candle’s fire; carries a good name; what would you ask the campfire?; that scares me just the same; and knew you had it all along; an endless need for games; don’t forget a candle’s fire; is only just a flame” klinken de openingsregels, en we weten al meteen dat het een gezellige plaat zal worden.
‘Santa Fe’ is een heerlijke single, maar kan me op het album zelf vreemd genoeg iets minder overtuigen. Je hebt nummers die beter zijn op zichzelf, en vervagen in het geheel, en dit is er één van. ‘East Harlem’ is gebaseerd op ‘Spanish Harlem’ van Ben E. King. De twee titels zijn eigenlijk zelfs synoniemen, ze slaan beide op een wijk in New York. Dat Condon iets met plaatsnamen heeft, weet u ongetwijfeld nog wel. Het misschien wel meest bekende nummer van Beirut is namelijk ‘Nantes’, een stad in Frankrijk.
‘Goshen’ is wat meer ingetogen. Opgebouwd rond een mistroostige piano, met Condon’s stem die er als een wenteltrap omheen draait. Langzaamaan komen andere instrumenten inzetten, eerst blazers, daarna tromgeroffel. Het tromgeroffel zwelt aan, en de blazers verlenen het nummer een statig einde. Knap, hoe zo’n simpel nummer je kan raken. ‘Payne’s Bay’ is andere koek, met z’n brede arrangementen. Het nummer laat een zenuwachtige indruk na, instrumentaal gezien dan toch, want Condon’s stem klinkt weer zo rustgevend dat je vanzelf bijna in zwijm valt. Het nummer begint dan aan het tweede gedeelte, dat ik voor de gelegenheid maar ‘Headstrong’ (zie lyrics) noem. Veel herhaling, misschien zelfs iets te veel. 3 minuten had ook volstaan.
Het titelnummer vind ik het beste nummer van de plaat, al komt de opener erg dicht in de buurt. Waarom? De prachtige tekst, de overtuigende manier waarop Condon de woorden brengt en de treffende instrumentatie, die me het idee geven dat alles eraan klopt. De piano, de melancholische strijkers, de onderhoudende ritmesectie, alles werkt perfect. Nagel op de kop. De piano speelt een glansrijke rol op dit album, trouwens.
‘Vagabond’ en ‘The Peacock’ liggen in een iets lagere schuif dan het titelnummer, maar zijn toch beide prima songs. Dat ondefinieerbaar sfeertje hangt er toch altijd weer over, hoe Condon het voor mekaar krijgt, Joost mag het weten. Hij gebruikt telkens min of meer dezelfde ingrediënten, maar je wordt het eigenlijk nooit moe. ‘The Peacock’ lijkt misschien wat traag en saai (en stiekem is het dat ook, stiekem), maar het is vooral een erg mooi nummer. Beklijvend, op de juiste manier. ‘Vagabond’ is wat statiger, maar lijkt dan weer een iets kortere geldigheidsdatum te hebben. Smaken verschillen.
En zo zijn we alweer aan de afsluiter toe; ‘Port of Call’. Een verrassende sound, met dat belletje (of wat is het?). Beirut keert een beetje terug naar z’n roots, hier ontwaar ik weer iets meer muzak in. Zeker het walsende tempo van de piano en de blazerssectie (al zet die pas in na iets minder dan 2 minuten). Na bijna 4 en halve minuut nemen we afscheid van ‘Port of Call’, en zwaaien we af, het onbekende in. De stilte.
Erg goeie plaat weer van Beirut, maar ik ga deze toch wat minder royaal belonen wat betreft de sterretjes. Ten eerste omwille van de speelduur; het had van mij toch iets langer mogen duren (jawel!), ik heb een beetje het gevoel dat die 33 minuten wat magertjes uitvallen. Ten tweede omdat het geheel me toch net wat minder kan bekoren, omdat enkele nummers me afzonderlijk beter bevallen dan als onderdeel van de plaat. Maar ach, we hebben niet te klagen, natuurlijk, als Beirut dit soort platen blijft afleveren, ben ik een tevreden mens.
3,5 sterren
Between the Buried and Me - The Parallax: Hypersleep Dialogues (2011)

4,0
0
geplaatst: 26 augustus 2011, 20:19 uur
Deze EP duurt ongeveer 30 minuten, en is ook een ideale instapper om te beginnen aan de discografie van Between the Buried and Me; het geeft meteen een mooi beeld van hetgeen de band is anno 2011. Drie lange nummers, brutale grunts worden afgewisseld met mooie cleane zang; knotsgekke passages worden afgewisseld met bijzonder sfeervolle stukken muziek. Between the Buried and Me is meer dan een metalband, daar ben ik van overtuigd. Ze gebruiken ook veel meer dan alleen bruut, lomp geweld om de luisteraar mee te drijven.
De titel van de plaat had evengoed ‘Three Monsters’ kunnen zijn, want dat staat u ook precies te wachten; drie monstersongs. ‘Specular Reflection’ begint creepy, met donkere keyboardtoetsen van Tommy Rogers, tevens de man die met z’n stem onnavolgbare toeren uithaalt. Het stevige gitaarwerk is te danken aan Paul Waggoner en Dustie Waring, en zij doen meer dan hun job. Het gitaarwerk draagt bij aan de donkere sfeer, en de riffs zijn soms zo loodzwaar dat je dreigt in te storten.
Daarbovenop is ‘The Parallax: Hypersleep Dialogues’ een enorme energieboost, altijd gebeurt er wel wat dat je aandacht erbij houdt, dat je wakker houdt, alsof het een magistrale droom betreft, die zich afspeelt in de realiteit. Dertig minuten lang wordt je van het ene razendsnelle stuk naar het andere afgeschoten; met daartussen ook af en toe een adempauze, vooral opgesmukt met cleane zang, en ongelooflijk belangrijk, want, de sfeer hangt voor een groot deel daar van af.
Ik merk ook een zekere speelsheid op in hun muziek van tijd tot tijd. Het keyboardspel helpt daarin een handje, maar ook meer externe geluiden, zoals de “kinderboerderij” in ‘Augment of Rebirth’ (als je de song te horen krijgt, weet je vast wel wat ik bedoel). Dat staat dan weer helemaal haaks tegenover de bruutheid, lompheid en razernij die het merendeel van de plaat overheersen; een stevige whisky, met een vleugje fruit. Zo smaakt de plaat mij toch.
Ik heb het soms niet zo begrepen op cleane zang bij dit soort muziek, maar hier pakt het echt geweldig goed uit. Elke song bezit minimum 1 geweldige passage met cleane zang, en dat zijn voor mij dan ook de absolute hoogtepunten op deze plaat. Het drumwerk van Blake Richardson is ook erg goed, maar ach, op deze plaat is gewoon alles erg goed. Tot slot nog even de bassist vermelden: Dan Briggs. Hij legt een solide basis, zoals elke goede bassist dat kan, natuurlijk. Rogers heeft dit jaar trouwens al een soloplaat uitgebracht, ontdek ik nu net. Bezig baasje.
Maar, dit is dus een EP, en het blijft wachten op een echte opvolger van ‘The Great Misdirect’. Die vind ik net wat minder dan ‘Colors’, maar ‘Colors’ is dan ook een pijler in de metalwereld van de 21ste eeuw, als je ’t mij vraagt. Een EP waar ik vooraf van dacht: dat wordt een geinig zoethoudertje tot de volgende langspeler, maar meer ook niet, blijkt dus gewoonweg een sterke, op zichzelf staande plaat te zijn, die nog veel draaibeurten gaat krijgen van mij.
4 sterren
De titel van de plaat had evengoed ‘Three Monsters’ kunnen zijn, want dat staat u ook precies te wachten; drie monstersongs. ‘Specular Reflection’ begint creepy, met donkere keyboardtoetsen van Tommy Rogers, tevens de man die met z’n stem onnavolgbare toeren uithaalt. Het stevige gitaarwerk is te danken aan Paul Waggoner en Dustie Waring, en zij doen meer dan hun job. Het gitaarwerk draagt bij aan de donkere sfeer, en de riffs zijn soms zo loodzwaar dat je dreigt in te storten.
Daarbovenop is ‘The Parallax: Hypersleep Dialogues’ een enorme energieboost, altijd gebeurt er wel wat dat je aandacht erbij houdt, dat je wakker houdt, alsof het een magistrale droom betreft, die zich afspeelt in de realiteit. Dertig minuten lang wordt je van het ene razendsnelle stuk naar het andere afgeschoten; met daartussen ook af en toe een adempauze, vooral opgesmukt met cleane zang, en ongelooflijk belangrijk, want, de sfeer hangt voor een groot deel daar van af.
Ik merk ook een zekere speelsheid op in hun muziek van tijd tot tijd. Het keyboardspel helpt daarin een handje, maar ook meer externe geluiden, zoals de “kinderboerderij” in ‘Augment of Rebirth’ (als je de song te horen krijgt, weet je vast wel wat ik bedoel). Dat staat dan weer helemaal haaks tegenover de bruutheid, lompheid en razernij die het merendeel van de plaat overheersen; een stevige whisky, met een vleugje fruit. Zo smaakt de plaat mij toch.
Ik heb het soms niet zo begrepen op cleane zang bij dit soort muziek, maar hier pakt het echt geweldig goed uit. Elke song bezit minimum 1 geweldige passage met cleane zang, en dat zijn voor mij dan ook de absolute hoogtepunten op deze plaat. Het drumwerk van Blake Richardson is ook erg goed, maar ach, op deze plaat is gewoon alles erg goed. Tot slot nog even de bassist vermelden: Dan Briggs. Hij legt een solide basis, zoals elke goede bassist dat kan, natuurlijk. Rogers heeft dit jaar trouwens al een soloplaat uitgebracht, ontdek ik nu net. Bezig baasje.
Maar, dit is dus een EP, en het blijft wachten op een echte opvolger van ‘The Great Misdirect’. Die vind ik net wat minder dan ‘Colors’, maar ‘Colors’ is dan ook een pijler in de metalwereld van de 21ste eeuw, als je ’t mij vraagt. Een EP waar ik vooraf van dacht: dat wordt een geinig zoethoudertje tot de volgende langspeler, maar meer ook niet, blijkt dus gewoonweg een sterke, op zichzelf staande plaat te zijn, die nog veel draaibeurten gaat krijgen van mij.
4 sterren
Big Big Train - Far Skies Deep Time (2010)

3,5
0
geplaatst: 26 december 2010, 11:39 uur
Niet elk nummer op deze EP bevalt me even goed. Opener ‘Master Of Time’ doet dat wel; een song die vrij gevarieerd is op instrumentaal vlak (vooral het fluitstuk weet me mee te slepen), en de zang is geenszins slecht te noemen, al overdondert het me nergens. Qua opbouw is het ook een sterk nummer, het herbergt voldoende verrassende wendingen voor mij. ‘Fat Billy Shouts Mine’ begint met het geluid van zeemeeuwen (of zo), en na een intro (waarbij ook onder andere piano een rol spelen), die eerst creepy, dan een beetje sprookjesachtig aandoet, begint het eigenlijke nummer. Heel wat meer “recht voor de raap” dan de opener. Het nummer heeft een zekere drive, wat me aantrekt, maar kent ook z’n rustige stukken. En een gitaarsolo mag natuurlijk niet ontbreken.
‘British Racing Green’ bevalt me dan weer helemaal niet. een erg klef, nietszeggend nummer vind ik het maar. Een jammerlijke smet op deze EP, want voor de rest is het toch wel een sterk plaatje. Men zou kunnen zeggen: het is een rustpunt, maar ik vind het eerder een inzakpunt. En dat kan deze plaat toch niet gebruiken vind ik. Hopelijk laten ze dit soort dingen achterwege op de volgende langspeler, die er in 2011 zou moeten komen, als ik me niet vergis. Gelukkig is dit het kortste nummer van ‘Far Skies Deep Time’. Het volgende nummer, ‘Brambling’ is gelijk een stuk vinniger, de fluit komt hier ook beter tot z’n recht als in het vorige nummer. Geen hoogvlieger, maar een oerdegelijk nummer, dat hier niet misstaat.
De hoofdmoot moet dan nog komen; dat is namelijk het bijna 18 minuten durende ‘The Wide Open Sea’. Het zou over het leven van Jacques Brel gaan, heb ik hier gelezen. Ik ben dan maar wat informatie gaan opzoeken op de site van de band, en dit is wat ik gevonden heb:
“The breathtaking dramatic conclusion to the Far Skies Deep Time EP. We've heard BBT do epic before with the much lauded title track of The Underfall Yard album but this is a different beast. It is a ghostly tale from the sea. It chronicles the last voyage of Jacques Brel, in which he reflects upon his life and ponders his fate. However, all is not as it seems...”
Zonder twijfel het beste, meest verbluffende nummer op deze EP. Er gebeurt te veel om het te gaan analyseren, wat ik dan ook niet ga doen. Ik zal het hierop houden: een fantastisch nummer!
3,5 sterren
‘British Racing Green’ bevalt me dan weer helemaal niet. een erg klef, nietszeggend nummer vind ik het maar. Een jammerlijke smet op deze EP, want voor de rest is het toch wel een sterk plaatje. Men zou kunnen zeggen: het is een rustpunt, maar ik vind het eerder een inzakpunt. En dat kan deze plaat toch niet gebruiken vind ik. Hopelijk laten ze dit soort dingen achterwege op de volgende langspeler, die er in 2011 zou moeten komen, als ik me niet vergis. Gelukkig is dit het kortste nummer van ‘Far Skies Deep Time’. Het volgende nummer, ‘Brambling’ is gelijk een stuk vinniger, de fluit komt hier ook beter tot z’n recht als in het vorige nummer. Geen hoogvlieger, maar een oerdegelijk nummer, dat hier niet misstaat.
De hoofdmoot moet dan nog komen; dat is namelijk het bijna 18 minuten durende ‘The Wide Open Sea’. Het zou over het leven van Jacques Brel gaan, heb ik hier gelezen. Ik ben dan maar wat informatie gaan opzoeken op de site van de band, en dit is wat ik gevonden heb:
“The breathtaking dramatic conclusion to the Far Skies Deep Time EP. We've heard BBT do epic before with the much lauded title track of The Underfall Yard album but this is a different beast. It is a ghostly tale from the sea. It chronicles the last voyage of Jacques Brel, in which he reflects upon his life and ponders his fate. However, all is not as it seems...”
Zonder twijfel het beste, meest verbluffende nummer op deze EP. Er gebeurt te veel om het te gaan analyseren, wat ik dan ook niet ga doen. Ik zal het hierop houden: een fantastisch nummer!
3,5 sterren
Bill Callahan - Apocalypse (2011)

4,0
0
geplaatst: 30 juni 2011, 15:53 uur
Van Bill Callahan hoorde ik voor het eerst muziek in 2009. Zijn toen uitgekomen plaat ‘Sometimes I Wish We Were An Eagle’ heb ik destijds enkele keren beluisterd, maar daarna eigenlijk niet meer. Recentelijk heb ik deze plaat dan herontdekt, en ondertussen ook aangekocht op CD, want laten we wel wezen; het is een pareltje.
Ik was dan ook benieuwd naar het dit jaar te verschijnen ‘Apocalypse’, de moeilijke opvolger. Nou ja, moeilijk? Voor een man die al eventjes actief is in de muziekwereld (hij heeft nu drie platen uitgebracht onder zijn eigen naam, daarvoor werkte hij onder het mooie pseudoniem “Smog”), zou dat geen probleem mogen zijn. Toch is ‘Apocalypse’ niet helemaal wat je ervan zou verwachten, en dat bedoel ik niet eens in negatieve zin; Callahan doet gewoon wat ie wil, hij is een vrij eigenzinnige artiest. De voorganger is één van de mooiste platen van 2009, vol met fantastische liedjes (probeer ‘Too Many Birds’, ‘Eid Ma Clack Shaw’ en ‘Faith/Void’ maar eens uit, mensen), en bovendien ook nog eens een coherentie om U tegen te zeggen. Wat hij op ‘Apocalypse’ heeft gedaan, kan je bestempelen als iets heel anders, maar in een bepaald opzicht is het dan ook weer een logische opvolger.
‘Apocalypse’ kent zijn hoogtepunten in het begin en aan het eind. ‘Drover’ is een geniaal nummer, ik heb dit jaar nog geen betere opener gehoord. De herkenbare stem van Callahan komt meteen binnenvliegen. De drums zwellen aan wanneer dat nodig is, een frivole viool weerklinkt op de achtergrond. Callahan doet het geluid van een cimbaal na. Het refrein komt aanzetten, en je hoort dat dit groots is. In zijn betrekkelijke eenvoud. Callahan is de veedrijver in dit verhaal, en dat is niet altijd even gemakkelijk. “One thing about this wild, wild country; it takes a strong, strong; it breaks a strong, strong mind”.
‘Baby’s Breath’ is vooral tekstueel interessant, want muzikaal vind ik het toch een pak minder dan de opener. Callahan is een prima tekstschrijver, die op een treffende manier beeldspraak gebruikt. Het nummer verandert meermaals van tempo, maar slaagt er desondanks niet echt in om me te begeesteren. Dan slaagt ‘America!’ daar wel in, al is het maar omwille van het afwijkende karakter van de song. Een vuige gitaar, een naar de wereldmacht Amerika snerende Callahan, en dan plots een speels riedeltje. De gitaar mag ook eens gieren, wat niet veel gebeurt op deze veelal ingetogen plaat. Een leger countryzangers wordt aangehaald, en andere messcherpe zinnen als “Well everyone’s allowed a past they don’t care to mention” en “And it can get tense around the Bible Belt” geven aan dat Callahan zijn land niet op elk vlak steunt, wat nog een understatement is. Naar mijn mening is zijn kritiek raak, en geeft het een goeie beschrijving van een arrogante, naar macht snakkende supermacht, met een verleden van intolerantie en haat.
‘Universal Applicant’ is geheel anders qua sound; een fluitje, een bas en een rustige gitaar leiden Callahan in, die kalm begint te zingen. De drums klinken een beetje jazzy, net als het subtiel op de achtergrond aangeslagen pianootje. Het nummer brengt de nodige rust na een nummer als ‘America!’, maar is toch wat saai. Ludiek moment: nadat Callahan het heeft gehad over “a flare gun in my hand; I point it straight and point it high; to the universe it applies”, doet hij een poging om dat geluid te imiteren. Bill Callahan is van geen grapje vervaard, wat aangeeft dat de man goed kan relativeren; jawel, de wereld loopt op z’n eind, maar laten we toch ook nog eens wat lachen.
Met ‘Riding For The Feeling’ begint een wel erg straf tweede deel van de plaat. Mooi stukje akoestische gitaar, gecombineerd met piano om Callahan’s stem bij te staan, waarna de elektrische gitaar invalt (zij het met een zeer spaarzame bijdrage). “Riding for the feeling, is the fastest way to reach the shore; on water or land” zingt Callahan, wat ik een erg mooie en rake zin vind. Dit nummer staat eigenlijk bol van de mooie lines, lees ‘m er maar eens op na, fantastisch! Wat dacht je van “With intensity, the drop evaporates by law; in conclusion, leaving is easy; when you’ve got some place you need to be”? Op het einde mag de elektrische gitaar nog even wat prominenter op de voorgrond treden, maar al bij al is dit een heerlijk rustig nummer, dat je 6 minuten beklemt en ook na tig luisterbeurten niet loslaat.
Daarop volgt het korte ‘Free’s’, dat ik stiekem het leukste nummer op de plaat vind. Let wel: niet het beste. Het klinkt heerlijk luchtig, met Callahan die, zoals een user al wist op te merken, gewoon in je huiskamer lijkt te staan fluiten. Het pianoloopje dat meermaals gebruikt wordt, gecombineerd met de jazzy drums zorgt voor een sfeertje dat je 3 minuten in vrolijkheid op z’n Callahans onderdompelt. De tekst kan bestempeld worden als een soort filosofie over vrijheid. Erg interessante tekst, waar je een geheel eigen interpretatie van kan geven.
En dan, de monumentale afsluiter ‘One Fine Morning’. Alles komt bij elkaar, dit is het punt waar Callahan naar toe heeft zitten schrijven. Het draait allemaal om zijn persoonlijke Apocalyps. Piano en akoestische gitaar vormen een magisch duo, Callahan zingt alsmaar stiller, alsof hij langzaam wegvalt. Apocalyps.. “No more drovering”; het openingsnummer is verleden tijd. Het is tijd om te ondergaan. Om te lijden, in waardigheid. Niet alleen: “When the earth turns cold; and the earth turns black; will I feel you riding on my back?”. Het is niet van willen, het is van moeten: “I am a part of the road; the hardest part”. En zo kan je enorm veel uit die tekst halen, wat mij betreft genoeg wil zeggen over het talent dat Callahan heeft. Hij spreekt je niet als menigte aan, maar hij spreekt je aan als individu. Je leest zijn teksten, je hoort zijn muziek, en je voelt het. Voor even ga je geloven dat dit speciaal voor jou gemaakt is, omdat je jezelf er zo in terug vindt. Dat is de kracht van Callahan.
In mistige tonen loopt de afsluiter naar z’n einde, alles wordt stil, ikzelf ben het al een tijdje. Een plaat die, ondanks de overeenkomsten in bepaalde nummers qua stijl, vele gezichten heeft. Die gezichten laten zich nooit tegelijkertijd zien, maar doen een beroep op je geduld als luisteraar. Geef je over aan de muziek, aan Callahan, en ervaar de pracht van dit album.
4 sterren
Ik was dan ook benieuwd naar het dit jaar te verschijnen ‘Apocalypse’, de moeilijke opvolger. Nou ja, moeilijk? Voor een man die al eventjes actief is in de muziekwereld (hij heeft nu drie platen uitgebracht onder zijn eigen naam, daarvoor werkte hij onder het mooie pseudoniem “Smog”), zou dat geen probleem mogen zijn. Toch is ‘Apocalypse’ niet helemaal wat je ervan zou verwachten, en dat bedoel ik niet eens in negatieve zin; Callahan doet gewoon wat ie wil, hij is een vrij eigenzinnige artiest. De voorganger is één van de mooiste platen van 2009, vol met fantastische liedjes (probeer ‘Too Many Birds’, ‘Eid Ma Clack Shaw’ en ‘Faith/Void’ maar eens uit, mensen), en bovendien ook nog eens een coherentie om U tegen te zeggen. Wat hij op ‘Apocalypse’ heeft gedaan, kan je bestempelen als iets heel anders, maar in een bepaald opzicht is het dan ook weer een logische opvolger.
‘Apocalypse’ kent zijn hoogtepunten in het begin en aan het eind. ‘Drover’ is een geniaal nummer, ik heb dit jaar nog geen betere opener gehoord. De herkenbare stem van Callahan komt meteen binnenvliegen. De drums zwellen aan wanneer dat nodig is, een frivole viool weerklinkt op de achtergrond. Callahan doet het geluid van een cimbaal na. Het refrein komt aanzetten, en je hoort dat dit groots is. In zijn betrekkelijke eenvoud. Callahan is de veedrijver in dit verhaal, en dat is niet altijd even gemakkelijk. “One thing about this wild, wild country; it takes a strong, strong; it breaks a strong, strong mind”.
‘Baby’s Breath’ is vooral tekstueel interessant, want muzikaal vind ik het toch een pak minder dan de opener. Callahan is een prima tekstschrijver, die op een treffende manier beeldspraak gebruikt. Het nummer verandert meermaals van tempo, maar slaagt er desondanks niet echt in om me te begeesteren. Dan slaagt ‘America!’ daar wel in, al is het maar omwille van het afwijkende karakter van de song. Een vuige gitaar, een naar de wereldmacht Amerika snerende Callahan, en dan plots een speels riedeltje. De gitaar mag ook eens gieren, wat niet veel gebeurt op deze veelal ingetogen plaat. Een leger countryzangers wordt aangehaald, en andere messcherpe zinnen als “Well everyone’s allowed a past they don’t care to mention” en “And it can get tense around the Bible Belt” geven aan dat Callahan zijn land niet op elk vlak steunt, wat nog een understatement is. Naar mijn mening is zijn kritiek raak, en geeft het een goeie beschrijving van een arrogante, naar macht snakkende supermacht, met een verleden van intolerantie en haat.
‘Universal Applicant’ is geheel anders qua sound; een fluitje, een bas en een rustige gitaar leiden Callahan in, die kalm begint te zingen. De drums klinken een beetje jazzy, net als het subtiel op de achtergrond aangeslagen pianootje. Het nummer brengt de nodige rust na een nummer als ‘America!’, maar is toch wat saai. Ludiek moment: nadat Callahan het heeft gehad over “a flare gun in my hand; I point it straight and point it high; to the universe it applies”, doet hij een poging om dat geluid te imiteren. Bill Callahan is van geen grapje vervaard, wat aangeeft dat de man goed kan relativeren; jawel, de wereld loopt op z’n eind, maar laten we toch ook nog eens wat lachen.
Met ‘Riding For The Feeling’ begint een wel erg straf tweede deel van de plaat. Mooi stukje akoestische gitaar, gecombineerd met piano om Callahan’s stem bij te staan, waarna de elektrische gitaar invalt (zij het met een zeer spaarzame bijdrage). “Riding for the feeling, is the fastest way to reach the shore; on water or land” zingt Callahan, wat ik een erg mooie en rake zin vind. Dit nummer staat eigenlijk bol van de mooie lines, lees ‘m er maar eens op na, fantastisch! Wat dacht je van “With intensity, the drop evaporates by law; in conclusion, leaving is easy; when you’ve got some place you need to be”? Op het einde mag de elektrische gitaar nog even wat prominenter op de voorgrond treden, maar al bij al is dit een heerlijk rustig nummer, dat je 6 minuten beklemt en ook na tig luisterbeurten niet loslaat.
Daarop volgt het korte ‘Free’s’, dat ik stiekem het leukste nummer op de plaat vind. Let wel: niet het beste. Het klinkt heerlijk luchtig, met Callahan die, zoals een user al wist op te merken, gewoon in je huiskamer lijkt te staan fluiten. Het pianoloopje dat meermaals gebruikt wordt, gecombineerd met de jazzy drums zorgt voor een sfeertje dat je 3 minuten in vrolijkheid op z’n Callahans onderdompelt. De tekst kan bestempeld worden als een soort filosofie over vrijheid. Erg interessante tekst, waar je een geheel eigen interpretatie van kan geven.
En dan, de monumentale afsluiter ‘One Fine Morning’. Alles komt bij elkaar, dit is het punt waar Callahan naar toe heeft zitten schrijven. Het draait allemaal om zijn persoonlijke Apocalyps. Piano en akoestische gitaar vormen een magisch duo, Callahan zingt alsmaar stiller, alsof hij langzaam wegvalt. Apocalyps.. “No more drovering”; het openingsnummer is verleden tijd. Het is tijd om te ondergaan. Om te lijden, in waardigheid. Niet alleen: “When the earth turns cold; and the earth turns black; will I feel you riding on my back?”. Het is niet van willen, het is van moeten: “I am a part of the road; the hardest part”. En zo kan je enorm veel uit die tekst halen, wat mij betreft genoeg wil zeggen over het talent dat Callahan heeft. Hij spreekt je niet als menigte aan, maar hij spreekt je aan als individu. Je leest zijn teksten, je hoort zijn muziek, en je voelt het. Voor even ga je geloven dat dit speciaal voor jou gemaakt is, omdat je jezelf er zo in terug vindt. Dat is de kracht van Callahan.
In mistige tonen loopt de afsluiter naar z’n einde, alles wordt stil, ikzelf ben het al een tijdje. Een plaat die, ondanks de overeenkomsten in bepaalde nummers qua stijl, vele gezichten heeft. Die gezichten laten zich nooit tegelijkertijd zien, maar doen een beroep op je geduld als luisteraar. Geef je over aan de muziek, aan Callahan, en ervaar de pracht van dit album.
4 sterren
Bill Callahan - Dream River (2013)

4,0
0
geplaatst: 17 december 2013, 23:14 uur
De manier waarop ‘Dream River’, de vierde studioworp van Bill Callahan onder zijn echte naam (en dus niet pseudoniem Smog) op gang wordt geblazen, is uiterst rustig. “Op gang geblazen” is zelfs volkomen misplaatst; beter zou zijn om met termen als subtiel voorwaarts gefluisterd en kalm gereanimeerd te goochelen. ‘The Sing’ is in alle opzichten een gedroomde opener voor een plaat; er zit dynamiek in, en voldoende progressie om je eigenlijk voor het dikke halfuur dat dan nog moet volgen, bezig te houden.
Voorganger ‘Apocalypse’ was in bepaalde opzichten al een mildere en vooral van een zachter gemoed voorziene Callahan; ik herinner me nog het heerlijke twee-keer-niets getiteld ‘Free’s. Maar zo geweldig treffend, met jazzy percussie en dromerigheid. De songs op ‘Dream River’ zijn dan iets minder direct, ze blijven vaak hangen in een soort twijfelachtig vagevuur tussen zwart en wit. Het heerlijke grijs, zullen we het dan maar noemen, want daar bestaat ook nu weer geen twijfel over bij mij; de nieuwe van Bill Callahan is weer een voltreffer.
Tekstueel is het weer een zeer uitgekiende plaat geworden; de soms bijtende humor van eerder werk heeft nog niet volledig plaats moeten ruimen. ‘The Sing’ staat vol geinige verwijzingen en halve grapjes. De volgende passage is hier al meerdere malen aangehaald, maar ik wil ze toch ook nog eens in de spotlights zetten:
“The only words I’ve said today are beer and thank you.
Beer… Thank you. Beer… Thank you.
Beer…”
Een mix van zelfspot en zelfkennis; dat is de aard van Callahan’s humor. En ik mag ’t wel. Ook zijn treffende en soms verrassende woordkeuze weet mijn brein steeds weer op scherp te zetten. Zijn de beginregels van ‘Javelin Unlanding’ (“You looked like worldwide Armageddon; While you slept, you looked so peaceful it scared me”) niet een uiting van een bizarre liefdesverklaring? En ‘Ride My Arrow’ klinkt, als je er met de juiste (of foute) oren naar luistert, wel erg dubbelzinnig.
Het zijn die kleine dingetjes die je wakker houden. Een plaat van Callahan is steeds weer voedsel voor de geest, zeg ik altijd. De toon van het album is ook wat lichter, hoewel dit, na meerdere beluisteringen, toch vooral schijn is. Er mag dan wel een song opstaan met de titel ‘Spring’, maar die titel geldt vooral als excuus voor het uitbraken van zwartgalligheid. “We call it spring though things are dying…”
Toch lijkt Callahan ergens rust te hebben gevonden, en het besef dat hij niet alleen is. Je moet de dingen enkel vanuit een aangepast perspectief bekijken. Afsluiter ‘Winter Road’ (puur instrumentaal gezien trouwens een bijzonder warm, gezellig, knisperend nummer) onthult de actuele staat van Callahan; “I have learned when things are beautiful; to just keep on”. Ook de schijnbare achteloosheid waarmee hij weer met fantastische zinnetjes als “The blinded lights of the kingdom can make you weep” rondstrooit, werkt inspirerend; waarom denk je anders dat ik al een tijdlang doorleuter over de teksten?
De muziek dan maar, want die is ook alweer prima in orde. De accenten worden weer wat verlegd, vooral het fluitspel van Beth Galiger valt op. Het geeft de toch al behoorlijk zuiderse sound van dit album een exotisch tintje. Exotisch niet zozeer in de betekenis van “zonnig”, wel “afwijkend”. Ik vind het zeer geslaagd. Ook de pianotoevoegingen van Brian Beattie (luister zeker eens goed naar de subtiliteiten in ‘Ride My Arrow’) zijn zeer geslaagd.
Verder verlenen o.a. het gebruik van conga’s en fiddle het geheel wat meer broeierigheid. Wat wel zeer kenmerkend op de voorgrond blijft staan; de bariton van Callahan, die ik op een kilometer nog zou herkennen. Hij heeft een uniek stemgeluid, die tevens (volgens mij) één van de belangrijkste redenen is dat hij niet meer populariteit geniet. Hij klinkt eigenlijk een beetje zoals hij is; een sombere dwarsligger.
Toch nog één keer terug naar de teksten; ‘Summer Painter’ is mijn favoriete tekst van het album. Het is zo clever, van die eerste strofe over een jongeman die als vakantiejob namen op boten – vaak jachten, stel ik me voor – schildert, tot de (instrumentaal) stormachtige finale, met een half op hol geslagen gitaar en het dominerende fluitspel. De job leidt uiteindelijk tot krankzinnige beschuldigingen (“When the hurricane hit, some found it suspicious that I’d just since left the frame”) en Callahan’s cynische commentaar: “Like all that time spent down by the water, had somehow given me control over the rain”.
‘Dream River’ is geen meesterwerk. Het is wel andermaal een bewijs dat Callahan het in zich heeft, om ooit zo’n meesterwerk op ons los te laten. Hoewel ik nu eerlijk moet zijn, en toegeven dat hij dit in het verleden al meerdere malen heeft geklaard. Het laatst in 2009, met ‘Sometimes I Wish We Were an Eagle’. Met het werk onder de noemer Smog ben ik ook nog lang niet klaar, daar valt vast en zeker nog heel wat te ontdekken. Maar dit plaatje zal in ieder geval een hoger doel dienen dan enkel stof vergaren in mijn collectie. Wederom eentje om te koesteren.
4 sterren
Voorganger ‘Apocalypse’ was in bepaalde opzichten al een mildere en vooral van een zachter gemoed voorziene Callahan; ik herinner me nog het heerlijke twee-keer-niets getiteld ‘Free’s. Maar zo geweldig treffend, met jazzy percussie en dromerigheid. De songs op ‘Dream River’ zijn dan iets minder direct, ze blijven vaak hangen in een soort twijfelachtig vagevuur tussen zwart en wit. Het heerlijke grijs, zullen we het dan maar noemen, want daar bestaat ook nu weer geen twijfel over bij mij; de nieuwe van Bill Callahan is weer een voltreffer.
Tekstueel is het weer een zeer uitgekiende plaat geworden; de soms bijtende humor van eerder werk heeft nog niet volledig plaats moeten ruimen. ‘The Sing’ staat vol geinige verwijzingen en halve grapjes. De volgende passage is hier al meerdere malen aangehaald, maar ik wil ze toch ook nog eens in de spotlights zetten:
“The only words I’ve said today are beer and thank you.
Beer… Thank you. Beer… Thank you.
Beer…”
Een mix van zelfspot en zelfkennis; dat is de aard van Callahan’s humor. En ik mag ’t wel. Ook zijn treffende en soms verrassende woordkeuze weet mijn brein steeds weer op scherp te zetten. Zijn de beginregels van ‘Javelin Unlanding’ (“You looked like worldwide Armageddon; While you slept, you looked so peaceful it scared me”) niet een uiting van een bizarre liefdesverklaring? En ‘Ride My Arrow’ klinkt, als je er met de juiste (of foute) oren naar luistert, wel erg dubbelzinnig.
Het zijn die kleine dingetjes die je wakker houden. Een plaat van Callahan is steeds weer voedsel voor de geest, zeg ik altijd. De toon van het album is ook wat lichter, hoewel dit, na meerdere beluisteringen, toch vooral schijn is. Er mag dan wel een song opstaan met de titel ‘Spring’, maar die titel geldt vooral als excuus voor het uitbraken van zwartgalligheid. “We call it spring though things are dying…”
Toch lijkt Callahan ergens rust te hebben gevonden, en het besef dat hij niet alleen is. Je moet de dingen enkel vanuit een aangepast perspectief bekijken. Afsluiter ‘Winter Road’ (puur instrumentaal gezien trouwens een bijzonder warm, gezellig, knisperend nummer) onthult de actuele staat van Callahan; “I have learned when things are beautiful; to just keep on”. Ook de schijnbare achteloosheid waarmee hij weer met fantastische zinnetjes als “The blinded lights of the kingdom can make you weep” rondstrooit, werkt inspirerend; waarom denk je anders dat ik al een tijdlang doorleuter over de teksten?
De muziek dan maar, want die is ook alweer prima in orde. De accenten worden weer wat verlegd, vooral het fluitspel van Beth Galiger valt op. Het geeft de toch al behoorlijk zuiderse sound van dit album een exotisch tintje. Exotisch niet zozeer in de betekenis van “zonnig”, wel “afwijkend”. Ik vind het zeer geslaagd. Ook de pianotoevoegingen van Brian Beattie (luister zeker eens goed naar de subtiliteiten in ‘Ride My Arrow’) zijn zeer geslaagd.
Verder verlenen o.a. het gebruik van conga’s en fiddle het geheel wat meer broeierigheid. Wat wel zeer kenmerkend op de voorgrond blijft staan; de bariton van Callahan, die ik op een kilometer nog zou herkennen. Hij heeft een uniek stemgeluid, die tevens (volgens mij) één van de belangrijkste redenen is dat hij niet meer populariteit geniet. Hij klinkt eigenlijk een beetje zoals hij is; een sombere dwarsligger.
Toch nog één keer terug naar de teksten; ‘Summer Painter’ is mijn favoriete tekst van het album. Het is zo clever, van die eerste strofe over een jongeman die als vakantiejob namen op boten – vaak jachten, stel ik me voor – schildert, tot de (instrumentaal) stormachtige finale, met een half op hol geslagen gitaar en het dominerende fluitspel. De job leidt uiteindelijk tot krankzinnige beschuldigingen (“When the hurricane hit, some found it suspicious that I’d just since left the frame”) en Callahan’s cynische commentaar: “Like all that time spent down by the water, had somehow given me control over the rain”.
‘Dream River’ is geen meesterwerk. Het is wel andermaal een bewijs dat Callahan het in zich heeft, om ooit zo’n meesterwerk op ons los te laten. Hoewel ik nu eerlijk moet zijn, en toegeven dat hij dit in het verleden al meerdere malen heeft geklaard. Het laatst in 2009, met ‘Sometimes I Wish We Were an Eagle’. Met het werk onder de noemer Smog ben ik ook nog lang niet klaar, daar valt vast en zeker nog heel wat te ontdekken. Maar dit plaatje zal in ieder geval een hoger doel dienen dan enkel stof vergaren in mijn collectie. Wederom eentje om te koesteren.
4 sterren
Billie Eilish - Happier Than Ever (2021)

4,0
2
geplaatst: 18 februari 2022, 20:30 uur
Toch wel een erg fijne én sterke plaat van Billie Eilish, met niet geringe medewerking van haar broer Finneas, uiteraard. Op productioneel vlak was het debuut al goed in orde, hier worden nog flink wat stapjes in de goeie richting gezet. De plaat neemt bijna een uur in beslag, maar biedt een hele waaier aan genres en stijlen die Billie moeiteloos naar haar hand zet, en wat misschien nog knapper is: als geheel houdt Happier Than Ever moeiteloos stand.
Getting Older is meteen een opener die de toon zet, en het vleugje ironie van de albumtitel in de verf zet. Billie mag dan naar verluidt blijer dan ooit zijn, uit haar ogen op de albumcover is vooral een soort tergende ennui op te maken. Wat dan weer in schril contrast staat met de nostalgische melancholie van de titelsong. Al voelt die ook wel weer unheimisch aan, tot ie bloedmooi openbarst.
Waar ik bij het debuut van het ingetogen karakter de achillespees maakte, maakt dat hier net deel uit van de kracht. De liedjes zijn beter, komen straffer en oprechter over, het zit beter in elkaar. I Didn't Change My Number begint demonisch, Ocytocin en NDA zijn twee dansvloerknallers op zijn Billie's en Your Power is een onthutsend relaas over een toxische relatie; een sterke tekst die een universeel karakter heeft.
Daarmee is de koek nog lang niet op. Mijn twee persoonlijke favorieten zijn het heerlijk warm klinkende, maar verraderlijke Billie Bossa Nova, en het dromerige Halley's Comet, dat hint naar Frans chanson en vooral een mijmerende Billie Eilish laat horen. Tekstueel heeft deze plaat meer dan genoeg te bieden, met als rode draad misschien wel de complexiteit in gevoelens, ervaringen, verwachtingen van een onzekere millennial aan wiens mouw iedereen trekt, maar die toch vooral zichzelf wil zijn en haar eigen leven wil leiden. De ontluiking van een jongvolwassene kan een verwoestende kracht, maar evengoed schoonheid met zich meebrengen. Billie Eilish heeft beide zeker in zich.
4 sterren
Getting Older is meteen een opener die de toon zet, en het vleugje ironie van de albumtitel in de verf zet. Billie mag dan naar verluidt blijer dan ooit zijn, uit haar ogen op de albumcover is vooral een soort tergende ennui op te maken. Wat dan weer in schril contrast staat met de nostalgische melancholie van de titelsong. Al voelt die ook wel weer unheimisch aan, tot ie bloedmooi openbarst.
Waar ik bij het debuut van het ingetogen karakter de achillespees maakte, maakt dat hier net deel uit van de kracht. De liedjes zijn beter, komen straffer en oprechter over, het zit beter in elkaar. I Didn't Change My Number begint demonisch, Ocytocin en NDA zijn twee dansvloerknallers op zijn Billie's en Your Power is een onthutsend relaas over een toxische relatie; een sterke tekst die een universeel karakter heeft.
Daarmee is de koek nog lang niet op. Mijn twee persoonlijke favorieten zijn het heerlijk warm klinkende, maar verraderlijke Billie Bossa Nova, en het dromerige Halley's Comet, dat hint naar Frans chanson en vooral een mijmerende Billie Eilish laat horen. Tekstueel heeft deze plaat meer dan genoeg te bieden, met als rode draad misschien wel de complexiteit in gevoelens, ervaringen, verwachtingen van een onzekere millennial aan wiens mouw iedereen trekt, maar die toch vooral zichzelf wil zijn en haar eigen leven wil leiden. De ontluiking van een jongvolwassene kan een verwoestende kracht, maar evengoed schoonheid met zich meebrengen. Billie Eilish heeft beide zeker in zich.
4 sterren
Bliksem - Bliksem (2010)

4,0
0
geplaatst: 28 februari 2012, 19:49 uur
Ja, dit vind ik heel erg goed. Erg goeie gitaarriffs, energiek sfeertje en een frontvrouwe die door mij bijzonder goed in de smaak valt. Geef toe, een nummer als 'The Life on Which I Feed', dat is toch om van te smullen? Retestraks gitaarspel, die reeds snel vertrouwd in de oren klinkende strot van jewelste en een gierende gitaarsolo; fantastisch gewoon.
Maar ook de andere nummers zijn zonder uitzondering sterk. Die 29 minuten zijn voorbij voor je het weet, waarna je erg veel zin krijgt om het album nog een keer af te spelen. En nog een keer. Met 'Circus Schizophrenia' hebben ze een afsluiter die zijn titel niet gestolen heeft, hier zitten wat eigenzinniger trekjes in, vind ik. In het middenstuk horen we een rustige passage, met gesmoorde woorden en bijna psychedelische klanken, waardoor je bijna in een trance geraakt. Daarna bouwt het nummer weer geduldig op, men geeft daar nog een geweldige gitaarsolo ten beste, waarna het refrein weer invalt. Een instrumentale outro beëindigt de plaat.
Ik heb nu de laatste twee nummers besproken, maar ik had de eerste 3 ook gerust kunnen doen. Maar ik zou in herhaling vallen, en dezelfde kernwoorden blijven van kracht: energie, en toch ook wel afwisseling. Bliksem is een zegen voor de Belgische metalscène, vermoed ik, met frisse ideeën.
4 sterren
Maar ook de andere nummers zijn zonder uitzondering sterk. Die 29 minuten zijn voorbij voor je het weet, waarna je erg veel zin krijgt om het album nog een keer af te spelen. En nog een keer. Met 'Circus Schizophrenia' hebben ze een afsluiter die zijn titel niet gestolen heeft, hier zitten wat eigenzinniger trekjes in, vind ik. In het middenstuk horen we een rustige passage, met gesmoorde woorden en bijna psychedelische klanken, waardoor je bijna in een trance geraakt. Daarna bouwt het nummer weer geduldig op, men geeft daar nog een geweldige gitaarsolo ten beste, waarna het refrein weer invalt. Een instrumentale outro beëindigt de plaat.
Ik heb nu de laatste twee nummers besproken, maar ik had de eerste 3 ook gerust kunnen doen. Maar ik zou in herhaling vallen, en dezelfde kernwoorden blijven van kracht: energie, en toch ook wel afwisseling. Bliksem is een zegen voor de Belgische metalscène, vermoed ik, met frisse ideeën.
4 sterren
Blood Red Shoes - In Time to Voices (2012)

3,5
0
geplaatst: 26 april 2012, 20:56 uur
Enkele jaren geleden kende Blood Red Shoes, bestaande uit gitariste Laura-Mary Carter en drummer Steve Ansell (beiden zingen ook, afwisselend), slechts één versnelling; de hoogste. Terugschakelen, daar deden ze niet aan, waardoor mensen de muziek die Blood Red Shoes maakte weleens bestempelden als "ADHD-rock" (ook omdat er een nummer getiteld 'A.D.H.D.' op het debuut stond). Dat kan een energiestoot van jewelste zijn, maar ook eentonig worden na een tijdje, waardoor de houdbaarheid wat in het gedrang komt. 'Fire Like This' was dan al iets gevarieerder, en met hun derde, 'In Time to Voices', zetten ze een volgende stap in de goede richting.
First things first; ik heb niets tegen de energieke, soms maniakale nummers op het debuut. Ik kan er nog altijd van genieten, dus voor mij gaat die vlieger van de eentonigheid niet op. 'Fire Like This' was een meer dan aardige opvolger. 'In Time to Voices' is echter hun beste tot nu toe, naar mijn mening. Er staat zowel krachtig en snel materiaal op, als rustiger nummers, die de kalmte wat lijken te bewaren. Die mix is ideaal, en dat is mooi; een evolutie in het werkvan Blood Red Shoes.
De opener gooit er nochtans meteen de beuk in; een stevige rocksong, ontzettend catchy ook. 'Lost Kids' kent al een rustiger passage, al blijft het vooral, net als de opener, een goeie rocksong, met het gaspedaal vooral ingedrukt. 'Cold' klinkt dan wat vuiger en smeriger, terwijl het nummer ook wel wat trager is. Vooral die huilende gitaar op de achtergrond vind ik erg lekker klinken.
In 'Two Dead Minutes' wordt heel wat gas teruggenomen, het gaat meer de poppy kant op. In sommige nummers hoor ik zelfs de invloed van dream pop, het subgenre dat de laatste jaren een enorme opgang kent dankzij groepen als Beach House. 'Two Dead Minutes' klinkt dromerig en contemplerend, zonder saai te worden; daarvoor zit het gewoonweg te goed in elkaar. Carter heeft hier ook wel een goeie stem voor. De laatste minuut van het nummer gaat het er nog wel wat steviger aan toe, maar al bij al is dit een rustpunt.
'The Silence and the Drones' begint waar 'Two Dead Minutes' eindigt; rust. Een ingehouden intro, en wanneer Laura-Mary Carter begint te zingen, besef je pas hoe goed dit klinkt. Het duurt een tijdje vooraleer Ansell zijn duivels mag ontbinden, en Carter laat haar gitaargeluid stilletjes aanzwellen. De samenzang met Ansell is erg fraai. Het is een groots klinkend nummer, zonder echt uit haar voegen te barsten; het dromerige aspect komt ook hier weer naar boven.
'Night Light' is misschien wel het meest rustige nummer dat op de plaat te vinden is. Akoestische gitaar, kalme zang, af en toe een roffel van Ansell. Op zich geen bijzonder nummer, maar het versterkt wel onrechtstreeks het effect van 'Je Me Perds', de volgende song. Dat is een ouderwetsche kick in the face, zoals we van hen gewoon zijn. Blood Red Shoes in overdrive, met een schreeuwende Ansell, die halverwege een sterke drumroffel uit z'n poten tovert. Maar het is vooral de geweldige gitaarriff van Carter die de show steelt; anderhalve minuut energie en adrenaline, waar je het komende halfuur makkelijk mee toekomt.
'Stop Kicking' heeft wederom dat grootsere geluid, hebben de twee stadionambities misschien? Zou kunnen, maar ik hoor ze liever wat smeriger. Al is dit geenszins een slechte song. En de riff die er uiteindelijk doorkomt, is toch erg de moeite. Het valt me op dat op deze plaat een groot aantal potentiële singles staan, niet alleen 'Cold', dat thans daadwerkelijk de eerste single is (heb ik ergens gelezen), maar ook onder andere dit nummer. Het klinkt zo herkenbaar, en toch niet afgezaagd.
'Slip Into Blue' begint ook weer kalm, al huilt de gitaar al snel een paar keer erdoorheen. Ook in deze song hoor ik weer de invloed van dream pop, zeker wanneer Carter zingt. Mede daardoor verzwakt m'n aandacht toch min of meer. Noem me een kniesoor, maar ik hoor ze toch het liefst bezig zoals op 'Je Me Perds'; het spelplezier spat er dan van af. Al is de outro van het nummer dan wel weer leuk. Met 'Down Here in the Dark' komt de klad er helemaal in, en dat vind ik toch erg jammer, dat het op 't einde van het album toch nog een beetje fout gaat. Voor mij de minste song, veruit. Het nummer komt er nooit echt door, blijft een beetje hangen in de startblokken. Jammer, jammer, jammer. Gelukkig komt er in de finale nog wat pit in, met enkele lekkere drumsalvo's.
'7 Years' is een waardige afsluiter voor het album, en bevat zo ongeveer alle elementen die dit album vertegenwoordigt. Het tempo wordt geregeld de hoogte ingejaagd, maar er is ook nog ruimte voor rust. Blood Red Shoes zet een stap vooruit, het is enkel jammer van die paar minder goeie nummers; voor het overige is dit een plaat met meer dan een paar sterke singles. Uitschieters zijn 'The Silence and the Drones' en 'Je Me Perds', vrij vertaald als 'I'm Losin' It'. Lose it, kinders!
3,5 sterren
First things first; ik heb niets tegen de energieke, soms maniakale nummers op het debuut. Ik kan er nog altijd van genieten, dus voor mij gaat die vlieger van de eentonigheid niet op. 'Fire Like This' was een meer dan aardige opvolger. 'In Time to Voices' is echter hun beste tot nu toe, naar mijn mening. Er staat zowel krachtig en snel materiaal op, als rustiger nummers, die de kalmte wat lijken te bewaren. Die mix is ideaal, en dat is mooi; een evolutie in het werkvan Blood Red Shoes.
De opener gooit er nochtans meteen de beuk in; een stevige rocksong, ontzettend catchy ook. 'Lost Kids' kent al een rustiger passage, al blijft het vooral, net als de opener, een goeie rocksong, met het gaspedaal vooral ingedrukt. 'Cold' klinkt dan wat vuiger en smeriger, terwijl het nummer ook wel wat trager is. Vooral die huilende gitaar op de achtergrond vind ik erg lekker klinken.
In 'Two Dead Minutes' wordt heel wat gas teruggenomen, het gaat meer de poppy kant op. In sommige nummers hoor ik zelfs de invloed van dream pop, het subgenre dat de laatste jaren een enorme opgang kent dankzij groepen als Beach House. 'Two Dead Minutes' klinkt dromerig en contemplerend, zonder saai te worden; daarvoor zit het gewoonweg te goed in elkaar. Carter heeft hier ook wel een goeie stem voor. De laatste minuut van het nummer gaat het er nog wel wat steviger aan toe, maar al bij al is dit een rustpunt.
'The Silence and the Drones' begint waar 'Two Dead Minutes' eindigt; rust. Een ingehouden intro, en wanneer Laura-Mary Carter begint te zingen, besef je pas hoe goed dit klinkt. Het duurt een tijdje vooraleer Ansell zijn duivels mag ontbinden, en Carter laat haar gitaargeluid stilletjes aanzwellen. De samenzang met Ansell is erg fraai. Het is een groots klinkend nummer, zonder echt uit haar voegen te barsten; het dromerige aspect komt ook hier weer naar boven.
'Night Light' is misschien wel het meest rustige nummer dat op de plaat te vinden is. Akoestische gitaar, kalme zang, af en toe een roffel van Ansell. Op zich geen bijzonder nummer, maar het versterkt wel onrechtstreeks het effect van 'Je Me Perds', de volgende song. Dat is een ouderwetsche kick in the face, zoals we van hen gewoon zijn. Blood Red Shoes in overdrive, met een schreeuwende Ansell, die halverwege een sterke drumroffel uit z'n poten tovert. Maar het is vooral de geweldige gitaarriff van Carter die de show steelt; anderhalve minuut energie en adrenaline, waar je het komende halfuur makkelijk mee toekomt.
'Stop Kicking' heeft wederom dat grootsere geluid, hebben de twee stadionambities misschien? Zou kunnen, maar ik hoor ze liever wat smeriger. Al is dit geenszins een slechte song. En de riff die er uiteindelijk doorkomt, is toch erg de moeite. Het valt me op dat op deze plaat een groot aantal potentiële singles staan, niet alleen 'Cold', dat thans daadwerkelijk de eerste single is (heb ik ergens gelezen), maar ook onder andere dit nummer. Het klinkt zo herkenbaar, en toch niet afgezaagd.
'Slip Into Blue' begint ook weer kalm, al huilt de gitaar al snel een paar keer erdoorheen. Ook in deze song hoor ik weer de invloed van dream pop, zeker wanneer Carter zingt. Mede daardoor verzwakt m'n aandacht toch min of meer. Noem me een kniesoor, maar ik hoor ze toch het liefst bezig zoals op 'Je Me Perds'; het spelplezier spat er dan van af. Al is de outro van het nummer dan wel weer leuk. Met 'Down Here in the Dark' komt de klad er helemaal in, en dat vind ik toch erg jammer, dat het op 't einde van het album toch nog een beetje fout gaat. Voor mij de minste song, veruit. Het nummer komt er nooit echt door, blijft een beetje hangen in de startblokken. Jammer, jammer, jammer. Gelukkig komt er in de finale nog wat pit in, met enkele lekkere drumsalvo's.
'7 Years' is een waardige afsluiter voor het album, en bevat zo ongeveer alle elementen die dit album vertegenwoordigt. Het tempo wordt geregeld de hoogte ingejaagd, maar er is ook nog ruimte voor rust. Blood Red Shoes zet een stap vooruit, het is enkel jammer van die paar minder goeie nummers; voor het overige is dit een plaat met meer dan een paar sterke singles. Uitschieters zijn 'The Silence and the Drones' en 'Je Me Perds', vrij vertaald als 'I'm Losin' It'. Lose it, kinders!
3,5 sterren
Bob Dylan - Another Side of Bob Dylan (1964)

3,5
0
geplaatst: 8 juli 2011, 10:36 uur
“Ah, but I was so much older then;
I’m younger than that now.”
Dat zingt Dylan op ‘My Back Pages’, één van de 11 nummers op zijn vierde plaat, ‘Another Side of Bob Dylan’. De titel dekt de lading; Dylan breekt met zijn verleden als voorganger van het protestlied, al verandert er op muzikaal vlak niet veel. Dylan speelt akoestische gitaar (voor 'Black Crow Blues' gaat ie aan de piano zitten) en mondharmonica, en zijn zang blijft min of meer hetzelfde. Ook komt zijn “nieuwe” manier van songschrijven voor het eerst op de proppen; met nummers als ‘Chimes of Freedom’ en (vooral) ‘Motorpsycho Nightmare’ heeft hij enkele surrealistische teksten geschreven, iets wat op de volgende platen nog veel meer zal te horen zijn.
De reden voor deze plotse omslag in thematiek, ligt volgens mij voor de hand; zijn relatie met Suze Rotolo is in deze periode namelijk op de klippen gelopen. ‘I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met)’ en ‘Ballad in Plain D’ zijn twee songs die op haar gebaseerd zijn. Dylan is soms wel erg hard, ook voor de zus en moeder van Suze: “For her parasite sister, I had no respect; bound by her boredom, her pride to protect” klinkt het in ‘Ballad in Plain D’. Hij lijkt de schuld voor de breuk zelfs deels in hun schoenen te schuiven in datzelfde nummer: “Through young summer’s breeze, I stole her away; from her mother and sister, though close did they stay”.
Deze vind ik tot nu toe in Dylan’s discografie de minste (en dat heeft niets te maken met de verandering in thematiek). Er staan enkele mindere nummers op, iets wat ik niet of nauwelijks heb met de eerste drie platen. Zo is ‘Motorpsycho Nightmare’ wel absurd, en bij vlagen ook wel grappig, maar het stelt niets voor in vergelijking met de prachtige teksten die hij het jaar daarop (in 1965) zou schrijven. Het nummer is wel overduidelijk een stap in de richting van ‘Bringing It All Back Home’ en ‘Highway 61 Revisited’.
Hetzelfde zou men kunnen zeggen van ‘I Shall Be Free No. 10’; met name de strofe waarin hij het heeft over Cassius Clay klinkt wel erg gekunsteld, maar is wel erg grappig. Ik denk dat hij die humor nodig had, om zijn zinnen te verzetten. Het ging hem niet voor de wind op relationeel vlak, zoals eerder al opgemerkt, en humor hielp hem om alles te relativeren. Ook ‘Ballad in Plain D’ is, ondanks de scherpe tekst, na een aantal draaibeurten behoorlijk slopend om naar te luisteren, en zal wel nooit m’n favoriet nummer worden, ook niet van deze plaat.
Want, zoals op de vorige platen, staan ook hier weer enkele ongelooflijk mooie parels op. ‘Chimes of Freedom’ met zijn prachtige tekst, het over de schouder kijkende ‘My Back Pages’ en het aandoenlijke liefdesliedje ‘It Ain’t Me Babe’, dat succesvol werd gecoverd door Johnny Cash en June Carter. Toch halen de teksten nooit het niveau van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en ‘The Times They Are A-Changin’’ (zijn debuut bevatte slechts twee eigen nummers), waardoor ik een lagere waardering moet geven.
Het zou na deze plaat ook erg lang duren vooraleer er nog eens een plaat van Dylan uit zou komen waarop enkel hij te horen is. Na ‘Another Side of Bob Dylan’ zou de transformatie pas echt beginnen, tot groot jolijt van sommigen, maar de meeste fans keerden zich dan van zich af (wat met deze plaat al werd ingezet, trouwens, want toen hij nieuwe nummers van deze plaat speelde op het Newport Folk Festival in 1964, was het publiek niet enthousiast, en kraakten de critici hem af).
3,5 sterren
I’m younger than that now.”
Dat zingt Dylan op ‘My Back Pages’, één van de 11 nummers op zijn vierde plaat, ‘Another Side of Bob Dylan’. De titel dekt de lading; Dylan breekt met zijn verleden als voorganger van het protestlied, al verandert er op muzikaal vlak niet veel. Dylan speelt akoestische gitaar (voor 'Black Crow Blues' gaat ie aan de piano zitten) en mondharmonica, en zijn zang blijft min of meer hetzelfde. Ook komt zijn “nieuwe” manier van songschrijven voor het eerst op de proppen; met nummers als ‘Chimes of Freedom’ en (vooral) ‘Motorpsycho Nightmare’ heeft hij enkele surrealistische teksten geschreven, iets wat op de volgende platen nog veel meer zal te horen zijn.
De reden voor deze plotse omslag in thematiek, ligt volgens mij voor de hand; zijn relatie met Suze Rotolo is in deze periode namelijk op de klippen gelopen. ‘I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met)’ en ‘Ballad in Plain D’ zijn twee songs die op haar gebaseerd zijn. Dylan is soms wel erg hard, ook voor de zus en moeder van Suze: “For her parasite sister, I had no respect; bound by her boredom, her pride to protect” klinkt het in ‘Ballad in Plain D’. Hij lijkt de schuld voor de breuk zelfs deels in hun schoenen te schuiven in datzelfde nummer: “Through young summer’s breeze, I stole her away; from her mother and sister, though close did they stay”.
Deze vind ik tot nu toe in Dylan’s discografie de minste (en dat heeft niets te maken met de verandering in thematiek). Er staan enkele mindere nummers op, iets wat ik niet of nauwelijks heb met de eerste drie platen. Zo is ‘Motorpsycho Nightmare’ wel absurd, en bij vlagen ook wel grappig, maar het stelt niets voor in vergelijking met de prachtige teksten die hij het jaar daarop (in 1965) zou schrijven. Het nummer is wel overduidelijk een stap in de richting van ‘Bringing It All Back Home’ en ‘Highway 61 Revisited’.
Hetzelfde zou men kunnen zeggen van ‘I Shall Be Free No. 10’; met name de strofe waarin hij het heeft over Cassius Clay klinkt wel erg gekunsteld, maar is wel erg grappig. Ik denk dat hij die humor nodig had, om zijn zinnen te verzetten. Het ging hem niet voor de wind op relationeel vlak, zoals eerder al opgemerkt, en humor hielp hem om alles te relativeren. Ook ‘Ballad in Plain D’ is, ondanks de scherpe tekst, na een aantal draaibeurten behoorlijk slopend om naar te luisteren, en zal wel nooit m’n favoriet nummer worden, ook niet van deze plaat.
Want, zoals op de vorige platen, staan ook hier weer enkele ongelooflijk mooie parels op. ‘Chimes of Freedom’ met zijn prachtige tekst, het over de schouder kijkende ‘My Back Pages’ en het aandoenlijke liefdesliedje ‘It Ain’t Me Babe’, dat succesvol werd gecoverd door Johnny Cash en June Carter. Toch halen de teksten nooit het niveau van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en ‘The Times They Are A-Changin’’ (zijn debuut bevatte slechts twee eigen nummers), waardoor ik een lagere waardering moet geven.
Het zou na deze plaat ook erg lang duren vooraleer er nog eens een plaat van Dylan uit zou komen waarop enkel hij te horen is. Na ‘Another Side of Bob Dylan’ zou de transformatie pas echt beginnen, tot groot jolijt van sommigen, maar de meeste fans keerden zich dan van zich af (wat met deze plaat al werd ingezet, trouwens, want toen hij nieuwe nummers van deze plaat speelde op het Newport Folk Festival in 1964, was het publiek niet enthousiast, en kraakten de critici hem af).
3,5 sterren
Bob Dylan - At Budokan (1979)

3,5
2
geplaatst: 15 april 2020, 10:39 uur
In 1978 gaf Bob Dylan een reeks van acht concerten in de Nippon Budokan Hall in Tokio. Dit album bestaat uit nummers die Dylan ten beste gaf in het vierde en vijfde concert in die reeks, bijgestaan door een brede keur aan muzikanten, waarvan er een aantal ook mee zouden werken aan zijn volgende plaat Street-Legal (die wel uitkwam vóór deze live-plaat, wat voor verwarring kan zorgen). Deze live-plaat werd op gemengde kritieken onthaald, waarbij opviel dat men in de Verenigde Staten een pak negatiever was in recensies dan in Europa.
Ik kan me er wel iets bij voorstellen, dat de meningen verdeeld waren en nog steeds zijn. De setlist is om duimen en vingers bij af te likken (wat voor mij, als Dylan-adept, nu ook weer niet bepaald moeilijk af te dwingen is), de uitvoering van de songs wijkt vaak behoorlijk af van de studio-versie. Veel gehoorde kritieken zijn dat dit veel te glad en makkelijk klinkt. En akkoord, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld The Rolling Thunder Revue of Before the Flood, dan klinkt het ook gepolijst, en hoor ik liever het wat ruwere, wildere werk. Maar toch kan ik dit onmogelijk slecht vinden.
Enkele songs zijn op het eerste gehoor onherkenbaar (I Want You bijvoorbeeld, of Just Like a Woman), en da 's op zich wel tof, omdat je dan moeite moet doen de originele nummers van Dylan eruit te vissen. De arrangementen zijn voor de meeste songs drastisch gewijzigd, meer in functie van de groep dan van Dylan zelf, heb ik de indruk. Een zoveelste koerswijziging, van de artiest die niet veel moet hebben van conventies, indrukken en verwachtingen, maar vooral lekker zijn eigen zin doet.
Na deze concertreeks zou Dylan zich bekeren tot het christendom, en brachten de jaren '80 nog enkele goeie, maar vooral enkele van zijn slechtste studio-platen voort. Een nieuwe ommekeer zou er in 1989 komen, met het prachtige Oh Mercy. En sindsdien heb ik van hem, op Under the Red Sky na, eigenlijk zelfs geen matige plaat meer gehoord (de Kerstplaat misschien; de laatste drie met herinterpretaties van oude Amerikaanse liedjes vind ik nog best goed). Met het recente verschijnen van het epische Murder Most Foul in het achterhoofd is de hoop op een nieuwe Dylan-plaat dan ook groter dan ooit.
3,5 sterren
Ik kan me er wel iets bij voorstellen, dat de meningen verdeeld waren en nog steeds zijn. De setlist is om duimen en vingers bij af te likken (wat voor mij, als Dylan-adept, nu ook weer niet bepaald moeilijk af te dwingen is), de uitvoering van de songs wijkt vaak behoorlijk af van de studio-versie. Veel gehoorde kritieken zijn dat dit veel te glad en makkelijk klinkt. En akkoord, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld The Rolling Thunder Revue of Before the Flood, dan klinkt het ook gepolijst, en hoor ik liever het wat ruwere, wildere werk. Maar toch kan ik dit onmogelijk slecht vinden.
Enkele songs zijn op het eerste gehoor onherkenbaar (I Want You bijvoorbeeld, of Just Like a Woman), en da 's op zich wel tof, omdat je dan moeite moet doen de originele nummers van Dylan eruit te vissen. De arrangementen zijn voor de meeste songs drastisch gewijzigd, meer in functie van de groep dan van Dylan zelf, heb ik de indruk. Een zoveelste koerswijziging, van de artiest die niet veel moet hebben van conventies, indrukken en verwachtingen, maar vooral lekker zijn eigen zin doet.
Na deze concertreeks zou Dylan zich bekeren tot het christendom, en brachten de jaren '80 nog enkele goeie, maar vooral enkele van zijn slechtste studio-platen voort. Een nieuwe ommekeer zou er in 1989 komen, met het prachtige Oh Mercy. En sindsdien heb ik van hem, op Under the Red Sky na, eigenlijk zelfs geen matige plaat meer gehoord (de Kerstplaat misschien; de laatste drie met herinterpretaties van oude Amerikaanse liedjes vind ik nog best goed). Met het recente verschijnen van het epische Murder Most Foul in het achterhoofd is de hoop op een nieuwe Dylan-plaat dan ook groter dan ooit.
3,5 sterren
Bob Dylan - Blonde on Blonde (1966)

5,0
0
geplaatst: 19 februari 2012, 20:51 uur
Het is niet dat, eens je een meesterwerk hebt gemaakt, je er geen tweede meer kan maken. Er zijn natuurlijk niet veel artiesten die een meesterwerk hebben gemaakt, laat staan meer, maar Dylan is er daar toch één van, naar mijn mening. Zijn tweede meesterwerk komt meteen na het eerste, ‘Highway 61 Revisited’, en zal net als die plaat niet al te gauw uit m’n top 10 verdwijnen. ‘Blonde on Blonde’ is de titel, er staan in totaal 14 songs op, goed voor een dikke 70 minuten aan muziek. Daarmee was ‘Blonde on Blonde’ de allereerste dubbelelpee, heb ik gelezen. Dit alles wilde ik even kwijt.
Waar de titel op slaat, ik zou het niet weten. Het zou een verwijzing kunnen zijn naar het feit dat dit een dubbelalbum is, voor het overige is het gissen en missen; of er moest iemand zijn die het wel weet. Ik heb het in ieder geval nooit gelezen, en ach, laat het maar lekker mysterieus blijven. In mijn boek over Dylan’s studioplaten wordt er ook niet over uitgeweid. De hoes is ook weer een erg fraai portret; een foto van Dylan, die een kwartslag gedraaid is en zowel de voor- als achterkant van mijn CD-hoesje beslaat. Ook hier kan je weer de link gaan zoeken met de “dubbelplaat’. Dylan draagt een bruine jas, een modieus sjaaltje en zijn haar lijkt alle kanten op te zweven. Hoogstwaarschijnlijk te danken aan de felle wind.
Producer is wederom Bob Johnston, en er doen heel wat straffe sessiemuzikanten mee op de plaat. Ook Robbie Robertson is van de partij, gitarist van The Band, die destijds nog The Hawks heetten. Met die band ging Dylan ook op tournee, al ging dat niet zonder ongelukken. Al Kooper wilde na een tijdje niet meer meedoen, omdat hij het beu was constant te worden uitgejouwd, en ook drummer Levon Helm gooide na verloop van tijd de handdoek in de ring; in het zuiden viel het nog mee, daar leek men Dylan’s nieuwe sound te appreciëren, maar in het noorden was dat heel wat minder het geval. Mensen maakten ruzie, waren het oneens, gooiden zelfs met fruit. Wat mij betreft de perfecte illustratie dat Dylan een echt artiest is, want het is ditgeen dat echte artiesten teweegbrengen; discussies.
Maar de muziek, daar gaat het om. Dylan, in de vorm van zijn leven, in combinatie met enkele geniale muzikanten, dat moest wel vuurwerk beloven. En uiteindelijk is ook gebleken dat het een heel aparte plaat is geworden; ‘Blonde on Blonde’ is een plaat die niemand ooit zou kunnen namaken of recycleren, een unieke prestatie. De opener is meteen een eigenaardig nummer, dat afwijkt van alles wat Dylan daarvoor ooit gedaan heeft. Met een erg bizarre, cryptische tekst, overigens. Vooral de zin “Everybody Must Get Stoned” lokte heel wat verschillende reacties uit, maar sloeg wel enorm aan. Het is een zin die typisch is voor iemand als Dylan, bol van de dubbele betekenissen. Ook muzikaal is het eerder atypisch, zeker in die tijd. Dylan jaagt er een soort van onvergankelijke energie doorheen, hij praat meer dan hij zingt, maar met zulke overtuigingskracht dat je gewoon helemaal wordt meegezogen in het nummer. De harmonica doet ook z’n werk, in combinatie met de ongecontroleerde blazers. ‘Pledging My Time’ is een wat rustiger nummer, alhoewel de harmonica weer scherp uit de hoek komt. De melodie is erg sterk, het biedt rust, maar houdt er toch de vaart in.
Dan komt monument nummer 1. Een pracht van een song van ruim 7 minuten, met één van de allermooiste teksten die Dylan ooit heeft geschreven in mijn optiek. Zo staan er trouwens nog enkele nummers op deze fenomenale plaat, want het tekstuele niveau ligt weer heel hoog, bijna onmogelijk hoog zelfs. Sommigen vinden Leonard Cohen de beste tekschrijver onder muzikanten, ik heb het meer voor Dylan. Niets slechts over Cohen, hoor. Die man schrijft ook geweldige teksten, maar Dylan raakt me toch het meest, zijn stijl staat me ook helemaal aan. Zinnetjes als “In this room the heatpipes just cough” en “But Mona Lisa musta had the highway blues; You can tell by the way she smile” zijn van zulk een schoonheid, je vraagt je af hoe die man erop kwam. Je begrijpt ze nooit voor de volle 100% (iets waar ik het bij zijn vorige plaat ook al over had), en daardoor zijn ze net zo goed, ongrijpbaar, enorm interessant. Dit is ook een erg rustig nummer, ik geloof dat het Dylan zelf is die alles goed bijeen houdt met z’n akoestische gitaar.
‘One of Us Must Know (Sooner or Later)’ ontleent zijn dubbele titel aan het refrein, waar dit vreemd genoeg van volgorde verwisseld wordt. Wat me vooral opvalt, is het ijzersterk pianospel van ene Paul Griffin, van wie ik voor de rest nog nooit had gehoord. Zijn spel geeft het geheel iets melancholisch, iets dromerigs. Al Kooper is ook weer prominent aanwezig met zijn orgel, al vind ik zijn rol op ‘Blonde on Blonde’ iets minder belangrijk dan op ‘Highway 61 Revisited’. Feit is dat hij het toch maar weer voor mekaar heeft gekregen mee te spelen op een legendarische plaat. Dylan zingt onvast, wat op wel meer nummers het geval is, maar dat kan me niet echt deren. Die onvastheid heeft zeker zijn charmes, en ontpopt zich zelfs tot één van de sterkhouders op deze plaat. Ook de drums zijn erg sterk, als ik me niet vergis ingespeeld door Kenny Buttrey. Met een prachtige mondharmonicasolo maakt Dylan een eind aan de song.
Om met een andere solo het volgende nummer in te zetten. ‘I Want You’ is een liefdesliedje ten voeten uit, en heeft een frivool, verleidelijk melodietje. Dylan zingt goedgehumeurd, hij trouwde rond die tijd ook met zijn grote liefde Sara, in het grootste geheim. Het ging ‘m voor de wind, en dat mag ook weleens. Voor zo’n mooie ode valt iedere vrouw in zwijm, zou ik denken. Dan komt mijn op één na favoriete nummer van Dylan (‘Desolation Row’ staat onbedreigd op 1), het nummer met de lange, enigmatische titel. ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’. Over de ronduit fantastische tekst zal ik het later nog wel hebben, maar buiten die enorme troef heeft het nummer ook nog eens een erg verslavende melodie. Dit nummer zit echt geniaal in elkaar, alles valt precies op z’n plaats, de spanning wordt op de top gedreven; dit is gewoonweg een topprestatie, daar hoef je geen doekjes om te winden. De live-versie die op ‘Hard Rain’ te vinden is, vind ik overigens ook erg sterk, en laat zien dat je het nummer een heel andere sound kan meegeven. Al is Dylan daar altijd al een meester in geweest.
Dan komt een nummer dat velen beschouwen als ontzettend smerig, ‘Leopard-Skin Pill-Box Hat’. Twee koppeltekens, op een dubbelplaat. Ik zeg het maar. Volgens sommige bronnen gaat het over Edie Sedgwick, maar een consensus daaromtrent bestaat uiteraard niet. Het nummer heeft een bluesy sound, ietwat chaotisch ook, met een lekkere ritmesectie. Enkele erg sterke gitaarsolo’s ook. En uiteraard een geweldige tekst, of wat had u gedacht? Het lijkt erop dat Dylan een appeltje te schillen had met de dame in kwestie. Het lieflijk, bitterzoet klinkende ‘Just Like a Woman’ volgt. Hoe groter kan een contrast zijn? Qua sound dan, in ieder geval, want de tekst is niet bepaald rozengeur en maneschijn. Het is een tekst met een bittere nasmaak, een tekst die tot nadenken stemt. De monharmonica klinkt ook weer uitermate schrijnend, en brengt heel wat teweeg. Het gevoel dat Dylan in zijn spel legt, is erg knap, en raakt me helemaal.
‘Most Likely You Go Your Way (And I’ll Go Mine)’ kent een stuwend ritme, dankzij de drums en lekkere gitaar, en is ook ondergedompeld in een bluesy sausje. Het is een klein liedje, met zijn 3 en halve minuut één van de kortste op de hele plaat. ‘Temporary Like Achilles’ sluit qua geluid goed aan bij het vorige nummer; het gaat ook wat trager en slepender, doch met erg mooi pianospel. Achilles was een Griek die, zoals iedereen wel weet, slechts één zwakke plek had; z’n hiel. Het nummer gaat volgens mij over een man die zich helemaal verliest in zijn liefde voor een welbepaalde vrouw, en wanhopig op zoek gaat naar die ene zwakke plek, die ene mogelijkheid om door haar ijzeren verdedigingsgrendel te breken. Al kan ik er weer helemaal naast zitten, dat weet je immers nooit.
Terug wat opzwepender oorden opzoeken, met ‘Absolutely Sweet Marie’. De vibe in dit nummer is ook weer zo goed als onweerstaanbaar, met die lekkere drums en ook het orgelspel valt op. “But where are you tonight, sweet Marie?” vraagt Dylan zich af op het eind van elke strofe, die hij heeft doorspekt met raadselachtige zinnen. Een lange mondharmonicapassage zorgt voor de nodige variatie, niet alleen op dit nummer trouwens. Het valt me op dat elke passage op dit instrument me op z’n minst erg bevalt, en het past ook gewoon heel goed bij het soort muziek dat Dylan en zijn gevolg op deze plaat maken. Het instrument straalt een zekere energie uit, één van de grootste krachten van de Dylan in die tijd; zijn energieke stijl, waar je haast spontaan in meeging.
‘4th Time Around’ haalt het tempo er weer uit, een ideaal rustpunt. Knap gitaargetokkel, een ontroerende tekst en een bloedmooie mondharmonicasolo, meer heeft dit nummer in principe niet nodig. ‘4th Time Around’ nodigt uit om eens vierenhalve minuut neer te gaan zitten, de ogen te sluiten en met een wrange glimlach om de mond na te denken. ‘Obviously 5 Believers’ is dan weer een nummer dat overloopt van energie en baldadigheid. Blues op z’n Dylans, met een geheel eigen randje eraan. Het nummer heeft best een smerige ondertoon, met die tekst (“Yes, I guess, I could make it without you; if I just didn’t feel so all alone”, sterk, sterk, sterk). Op deze song kan je gewoon niet blijven stilzitten, het ritme deint maar voort en voort, op zoek naar een verrassend hoogtepunt..
En dat hoogtepunt komt in de vorm van het laatste nummer, een ontroerend mooie ode aan Dylans nieuwbakken vrouw Sara. De titel van het nummer, ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’ verwijst op een erg slimme manier naar haar achternaam Lownds, maar uit de tekst kan je eigenlijk ook al wel opmaken dat dit over Sara gaat. Het is tekstueel gezien het mooiste nummer van de plaat, een prachtige ode. In de song ‘Sara’, te vinden op ‘Desire’ legt hij alle kaarten meteen op tafel wat betreft deze song, door te zingen: “Stayin’ up for days in the Chelsea Hotel; Writin’ ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’ for you”. Net als de vorige plaat wordt ook ‘Blonde on Blonde’ afgesloten met een monumentaal nummer dat de 10 minutengrens overschrijdt. Ook dit is een erg ingetogen nummer, met een koude rillingen bezorgende rol voor de mondharmonica, al is het geluid hier wel wat voller dan op ‘Desolation Row’, vanwege de spaarzame drums, en het aanvullende orgelspel. Dylan heeft naar verluid een hele nacht aan dit nummer zitten schrijven, en de exacte betekenis van het nummer zal waarschijnlijk nooit iemand te horen krijgen, tenzij Dylan het zelf – als hij zelf al weet wat het allemaal betekent – wil openbaren. Het lijkt mij vooral één groot gedicht, dat alle richtingen opgaat, en daardoor een wat verwarrende, willekeurige indruk nalaat. Maar als je ’t maar genoeg leest en beluistert, valt alles helemaal op z’n plaats; dit is gewoonweg een enorm mooi, ontroerend, lang gedicht op muziek gezet van Bob Dylan, een absoluut hoogtepunt in zijn oeuvre.
Ik ging het nog even hebben over de tekst van ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’, als ik me niet vergis. Het is dus niet alleen een enorm verslavend nummer qua melodie, maar ook de tekst is echt ontzettend sterk. Qua stijl en thematiek doet deze song me het meest denken aan de songs op z’n vorige plaat, er worden erg sterke beelden naar voor gebracht, niet zelden op een surrealistische manier. Ik kan niet meteen de vinger op de wonde leggen, met andere woorden niet verklaren waar het allemaal precies over gaat, en dat is maar goed ook, anders zou de song waarschijnlijk al lang in de achterste regionen van mijn brein zijn beland, terwijl ie nu nog altijd helemaal voorin brandt, schreeuwend om aandacht. De strofe die begint met “Grandpa died last week” bijvoorbeeld, daar kan ik me toch altijd een tijdje mee bezighouden. Wat betekent dat nou allemaal? Ik zal het wellicht nooit weten. Het is in ieder geval een song om te koesteren, op een plaat om te koesteren. ‘Blonde on Blonde’ is een onvervalste klassieker, die zijn status meer dan dik verdient.
5 sterren
Waar de titel op slaat, ik zou het niet weten. Het zou een verwijzing kunnen zijn naar het feit dat dit een dubbelalbum is, voor het overige is het gissen en missen; of er moest iemand zijn die het wel weet. Ik heb het in ieder geval nooit gelezen, en ach, laat het maar lekker mysterieus blijven. In mijn boek over Dylan’s studioplaten wordt er ook niet over uitgeweid. De hoes is ook weer een erg fraai portret; een foto van Dylan, die een kwartslag gedraaid is en zowel de voor- als achterkant van mijn CD-hoesje beslaat. Ook hier kan je weer de link gaan zoeken met de “dubbelplaat’. Dylan draagt een bruine jas, een modieus sjaaltje en zijn haar lijkt alle kanten op te zweven. Hoogstwaarschijnlijk te danken aan de felle wind.
Producer is wederom Bob Johnston, en er doen heel wat straffe sessiemuzikanten mee op de plaat. Ook Robbie Robertson is van de partij, gitarist van The Band, die destijds nog The Hawks heetten. Met die band ging Dylan ook op tournee, al ging dat niet zonder ongelukken. Al Kooper wilde na een tijdje niet meer meedoen, omdat hij het beu was constant te worden uitgejouwd, en ook drummer Levon Helm gooide na verloop van tijd de handdoek in de ring; in het zuiden viel het nog mee, daar leek men Dylan’s nieuwe sound te appreciëren, maar in het noorden was dat heel wat minder het geval. Mensen maakten ruzie, waren het oneens, gooiden zelfs met fruit. Wat mij betreft de perfecte illustratie dat Dylan een echt artiest is, want het is ditgeen dat echte artiesten teweegbrengen; discussies.
Maar de muziek, daar gaat het om. Dylan, in de vorm van zijn leven, in combinatie met enkele geniale muzikanten, dat moest wel vuurwerk beloven. En uiteindelijk is ook gebleken dat het een heel aparte plaat is geworden; ‘Blonde on Blonde’ is een plaat die niemand ooit zou kunnen namaken of recycleren, een unieke prestatie. De opener is meteen een eigenaardig nummer, dat afwijkt van alles wat Dylan daarvoor ooit gedaan heeft. Met een erg bizarre, cryptische tekst, overigens. Vooral de zin “Everybody Must Get Stoned” lokte heel wat verschillende reacties uit, maar sloeg wel enorm aan. Het is een zin die typisch is voor iemand als Dylan, bol van de dubbele betekenissen. Ook muzikaal is het eerder atypisch, zeker in die tijd. Dylan jaagt er een soort van onvergankelijke energie doorheen, hij praat meer dan hij zingt, maar met zulke overtuigingskracht dat je gewoon helemaal wordt meegezogen in het nummer. De harmonica doet ook z’n werk, in combinatie met de ongecontroleerde blazers. ‘Pledging My Time’ is een wat rustiger nummer, alhoewel de harmonica weer scherp uit de hoek komt. De melodie is erg sterk, het biedt rust, maar houdt er toch de vaart in.
Dan komt monument nummer 1. Een pracht van een song van ruim 7 minuten, met één van de allermooiste teksten die Dylan ooit heeft geschreven in mijn optiek. Zo staan er trouwens nog enkele nummers op deze fenomenale plaat, want het tekstuele niveau ligt weer heel hoog, bijna onmogelijk hoog zelfs. Sommigen vinden Leonard Cohen de beste tekschrijver onder muzikanten, ik heb het meer voor Dylan. Niets slechts over Cohen, hoor. Die man schrijft ook geweldige teksten, maar Dylan raakt me toch het meest, zijn stijl staat me ook helemaal aan. Zinnetjes als “In this room the heatpipes just cough” en “But Mona Lisa musta had the highway blues; You can tell by the way she smile” zijn van zulk een schoonheid, je vraagt je af hoe die man erop kwam. Je begrijpt ze nooit voor de volle 100% (iets waar ik het bij zijn vorige plaat ook al over had), en daardoor zijn ze net zo goed, ongrijpbaar, enorm interessant. Dit is ook een erg rustig nummer, ik geloof dat het Dylan zelf is die alles goed bijeen houdt met z’n akoestische gitaar.
‘One of Us Must Know (Sooner or Later)’ ontleent zijn dubbele titel aan het refrein, waar dit vreemd genoeg van volgorde verwisseld wordt. Wat me vooral opvalt, is het ijzersterk pianospel van ene Paul Griffin, van wie ik voor de rest nog nooit had gehoord. Zijn spel geeft het geheel iets melancholisch, iets dromerigs. Al Kooper is ook weer prominent aanwezig met zijn orgel, al vind ik zijn rol op ‘Blonde on Blonde’ iets minder belangrijk dan op ‘Highway 61 Revisited’. Feit is dat hij het toch maar weer voor mekaar heeft gekregen mee te spelen op een legendarische plaat. Dylan zingt onvast, wat op wel meer nummers het geval is, maar dat kan me niet echt deren. Die onvastheid heeft zeker zijn charmes, en ontpopt zich zelfs tot één van de sterkhouders op deze plaat. Ook de drums zijn erg sterk, als ik me niet vergis ingespeeld door Kenny Buttrey. Met een prachtige mondharmonicasolo maakt Dylan een eind aan de song.
Om met een andere solo het volgende nummer in te zetten. ‘I Want You’ is een liefdesliedje ten voeten uit, en heeft een frivool, verleidelijk melodietje. Dylan zingt goedgehumeurd, hij trouwde rond die tijd ook met zijn grote liefde Sara, in het grootste geheim. Het ging ‘m voor de wind, en dat mag ook weleens. Voor zo’n mooie ode valt iedere vrouw in zwijm, zou ik denken. Dan komt mijn op één na favoriete nummer van Dylan (‘Desolation Row’ staat onbedreigd op 1), het nummer met de lange, enigmatische titel. ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’. Over de ronduit fantastische tekst zal ik het later nog wel hebben, maar buiten die enorme troef heeft het nummer ook nog eens een erg verslavende melodie. Dit nummer zit echt geniaal in elkaar, alles valt precies op z’n plaats, de spanning wordt op de top gedreven; dit is gewoonweg een topprestatie, daar hoef je geen doekjes om te winden. De live-versie die op ‘Hard Rain’ te vinden is, vind ik overigens ook erg sterk, en laat zien dat je het nummer een heel andere sound kan meegeven. Al is Dylan daar altijd al een meester in geweest.
Dan komt een nummer dat velen beschouwen als ontzettend smerig, ‘Leopard-Skin Pill-Box Hat’. Twee koppeltekens, op een dubbelplaat. Ik zeg het maar. Volgens sommige bronnen gaat het over Edie Sedgwick, maar een consensus daaromtrent bestaat uiteraard niet. Het nummer heeft een bluesy sound, ietwat chaotisch ook, met een lekkere ritmesectie. Enkele erg sterke gitaarsolo’s ook. En uiteraard een geweldige tekst, of wat had u gedacht? Het lijkt erop dat Dylan een appeltje te schillen had met de dame in kwestie. Het lieflijk, bitterzoet klinkende ‘Just Like a Woman’ volgt. Hoe groter kan een contrast zijn? Qua sound dan, in ieder geval, want de tekst is niet bepaald rozengeur en maneschijn. Het is een tekst met een bittere nasmaak, een tekst die tot nadenken stemt. De monharmonica klinkt ook weer uitermate schrijnend, en brengt heel wat teweeg. Het gevoel dat Dylan in zijn spel legt, is erg knap, en raakt me helemaal.
‘Most Likely You Go Your Way (And I’ll Go Mine)’ kent een stuwend ritme, dankzij de drums en lekkere gitaar, en is ook ondergedompeld in een bluesy sausje. Het is een klein liedje, met zijn 3 en halve minuut één van de kortste op de hele plaat. ‘Temporary Like Achilles’ sluit qua geluid goed aan bij het vorige nummer; het gaat ook wat trager en slepender, doch met erg mooi pianospel. Achilles was een Griek die, zoals iedereen wel weet, slechts één zwakke plek had; z’n hiel. Het nummer gaat volgens mij over een man die zich helemaal verliest in zijn liefde voor een welbepaalde vrouw, en wanhopig op zoek gaat naar die ene zwakke plek, die ene mogelijkheid om door haar ijzeren verdedigingsgrendel te breken. Al kan ik er weer helemaal naast zitten, dat weet je immers nooit.
Terug wat opzwepender oorden opzoeken, met ‘Absolutely Sweet Marie’. De vibe in dit nummer is ook weer zo goed als onweerstaanbaar, met die lekkere drums en ook het orgelspel valt op. “But where are you tonight, sweet Marie?” vraagt Dylan zich af op het eind van elke strofe, die hij heeft doorspekt met raadselachtige zinnen. Een lange mondharmonicapassage zorgt voor de nodige variatie, niet alleen op dit nummer trouwens. Het valt me op dat elke passage op dit instrument me op z’n minst erg bevalt, en het past ook gewoon heel goed bij het soort muziek dat Dylan en zijn gevolg op deze plaat maken. Het instrument straalt een zekere energie uit, één van de grootste krachten van de Dylan in die tijd; zijn energieke stijl, waar je haast spontaan in meeging.
‘4th Time Around’ haalt het tempo er weer uit, een ideaal rustpunt. Knap gitaargetokkel, een ontroerende tekst en een bloedmooie mondharmonicasolo, meer heeft dit nummer in principe niet nodig. ‘4th Time Around’ nodigt uit om eens vierenhalve minuut neer te gaan zitten, de ogen te sluiten en met een wrange glimlach om de mond na te denken. ‘Obviously 5 Believers’ is dan weer een nummer dat overloopt van energie en baldadigheid. Blues op z’n Dylans, met een geheel eigen randje eraan. Het nummer heeft best een smerige ondertoon, met die tekst (“Yes, I guess, I could make it without you; if I just didn’t feel so all alone”, sterk, sterk, sterk). Op deze song kan je gewoon niet blijven stilzitten, het ritme deint maar voort en voort, op zoek naar een verrassend hoogtepunt..
En dat hoogtepunt komt in de vorm van het laatste nummer, een ontroerend mooie ode aan Dylans nieuwbakken vrouw Sara. De titel van het nummer, ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’ verwijst op een erg slimme manier naar haar achternaam Lownds, maar uit de tekst kan je eigenlijk ook al wel opmaken dat dit over Sara gaat. Het is tekstueel gezien het mooiste nummer van de plaat, een prachtige ode. In de song ‘Sara’, te vinden op ‘Desire’ legt hij alle kaarten meteen op tafel wat betreft deze song, door te zingen: “Stayin’ up for days in the Chelsea Hotel; Writin’ ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’ for you”. Net als de vorige plaat wordt ook ‘Blonde on Blonde’ afgesloten met een monumentaal nummer dat de 10 minutengrens overschrijdt. Ook dit is een erg ingetogen nummer, met een koude rillingen bezorgende rol voor de mondharmonica, al is het geluid hier wel wat voller dan op ‘Desolation Row’, vanwege de spaarzame drums, en het aanvullende orgelspel. Dylan heeft naar verluid een hele nacht aan dit nummer zitten schrijven, en de exacte betekenis van het nummer zal waarschijnlijk nooit iemand te horen krijgen, tenzij Dylan het zelf – als hij zelf al weet wat het allemaal betekent – wil openbaren. Het lijkt mij vooral één groot gedicht, dat alle richtingen opgaat, en daardoor een wat verwarrende, willekeurige indruk nalaat. Maar als je ’t maar genoeg leest en beluistert, valt alles helemaal op z’n plaats; dit is gewoonweg een enorm mooi, ontroerend, lang gedicht op muziek gezet van Bob Dylan, een absoluut hoogtepunt in zijn oeuvre.
Ik ging het nog even hebben over de tekst van ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’, als ik me niet vergis. Het is dus niet alleen een enorm verslavend nummer qua melodie, maar ook de tekst is echt ontzettend sterk. Qua stijl en thematiek doet deze song me het meest denken aan de songs op z’n vorige plaat, er worden erg sterke beelden naar voor gebracht, niet zelden op een surrealistische manier. Ik kan niet meteen de vinger op de wonde leggen, met andere woorden niet verklaren waar het allemaal precies over gaat, en dat is maar goed ook, anders zou de song waarschijnlijk al lang in de achterste regionen van mijn brein zijn beland, terwijl ie nu nog altijd helemaal voorin brandt, schreeuwend om aandacht. De strofe die begint met “Grandpa died last week” bijvoorbeeld, daar kan ik me toch altijd een tijdje mee bezighouden. Wat betekent dat nou allemaal? Ik zal het wellicht nooit weten. Het is in ieder geval een song om te koesteren, op een plaat om te koesteren. ‘Blonde on Blonde’ is een onvervalste klassieker, die zijn status meer dan dik verdient.
5 sterren
Bob Dylan - Blood on the Tracks (1975)

5,0
2
geplaatst: 25 september 2012, 20:16 uur
‘Blood on the Tracks’ is, om maar meteen met de deur in huis te vallen, een plaat die met recht en reden in m’n top 10 zou mogen staan. Ik heb de plaat dan ook al een tijdje op 5 sterren staan, maar nooit echt uitgelegd waarom, heb ik de indruk. Daarom – en vooral omdat ik met mijn grote Dylanmissie onverstoord voortploeg, uiteraard – heb ik deze tekst geschreven. Ik heb geprobeerd om de magie van deze plaat en het genie van Bob Dylan als artiest te vangen. Want dat dit aanwezig is (zeker in die periode), dat is een zekerheid.
Dylan had er nochtans niet z’n beste periode opzitten. Enkele zwakke, plichtmatige platen kwamen de jaren voordien uit (‘Self Portrait’; ‘Dylan’), een country-uitstapje (‘Nashville Skyline’) en toch ook een tweetal erg kiene platen (‘New Morning’; ‘Planet Waves’). Voor elke modale artiest een goeie periode dus, maar niet voor Dylan. Mede daardoor heeft deze plaat zo’n groots karakter in het collectief gegeven, terwijl Dylan op ‘Blood on the Tracks’ toch zijn uiterste best doet om het minimaal, ruw en back to basics probeert te houden.
Althans, dat was zijn uitgangspunt. Geïnspireerd door de lessen van kunstenaar Norman Rabinowitz, begon hij anders te denken over songschrijverij. Het concept tijd staat op z’n eigenzinnige manier centraal in het kader van deze plaat. Dylan wilde verleden, heden en toekomst met elkaar verweven, op een spontane manier, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Het resultaat mag gezien worden; maar over die giganten van teksten zal ik het later nog hebben.
Muzikaal is ‘Blood on the Tracks’ in essentie kaal en ruw. De plaat werd opgenomen in twee perioden; in september nam Dylan op in New York, waar hij terug bij Columbia Records getekend had. Hij wilde opnemen in de studio waar het voor hem allemaal begon, studio A. Die was inmiddels echter verkocht aan A&R, van onder meer Phil Ramone. Die was wel bereid om zich achter de knoppen te zetten, maar noemde zich zo niet. Dylan wist perfect waar hij mee bezig was, een echte producer had hij dus niet nodig.
De songs werden op band gezet, er zaten pareltjes tussen, en de plaat zou nog in 1974 worden uitgebracht, net voor de kerstperiode. Dylan wilde die kerstperiode vieren met zijn familie in Minnesota, en liet de acetate horen aan zijn broer David, producer van o.a. reclamejingles. Die vond het te kaal klinken, er kon meer schwung in gebracht worden. Dus werden enkele van de beste muzikanten van Minnesota opgetrommeld, en de fraaiste studio werd geboekt. David Zimmermann zat achter de knoppen, en speelde een niet mis te verstane rol. Het is misschien wel dankzij zijn optreden dat de plaat die dubbelzinnige dynamiek in zich draagt, en daardoor menig andere plaat overstijgt.
De uiteindelijke plaat kende een propere verdeling; vijf songs uit de New Yorksessies, vijf uit de Minnesotasessies. De belangrijkste onderdelen zijn uiteraard Dylan’s akoestische gitaar, Dylan’s teksten en stem en Dylan’s mondharmonica. Maar de begeleidende instrumentatie verdient ook haar pluimen. De flamencovibe in ‘You’re a Big Girl Now’; fantastisch. Het Hammondorgel in ‘Idiot Wind’; meesterlijke sfeer, dankzij Paul Griffin. Maar toch zijn de meeste nummers van oorsprong simpele nummertjes. Het is de beklemmende, bijzonder intense sfeer die alles zo speciaal maakt.
De hoes doet denken aan een beroemd klassiek componist, heb ik eens op een forum gelezen. Mozart, Beethoven, dat soort kerels. Ik ga Dylan niet met hen vergelijken, terwijl hij dat misschien wel verdient. Hij leeft in een ander tijdsscharnier, en kan zo onmogelijk op dezelfde manier worden beoordeeld. Maar van z’n eigen tijd, is Dylan misschien wel de grootste artiest, samen met Lennon.
Één nummer past op het eerste zicht niet op de plaat, en dat is het lange, over liefdesperikelen verhalende ‘Lily, Rosemary and the Jack of Hearts’, dat zich lijkt af te spelen in een Wild West omgeving. Ik noem het playful drama; door de countrysound krijgt het iets lichts, makkelijk verteerbaar, terwijl het verhaal helemaal niet licht is. De setting, een soort van moordlustige driehoeksverhouding (iets wat ook wel door echoot in ‘Tangled Up in Blue’), wordt in een flink aantal strofen uitgestrekt, en op het eind komt de climax, met de moord op Jim, door Rosemary, gevoed door kwaadheid en cynisme: “Rosemary started drinkin’ hard, and seein’ her reflection in the knife; she was tired of the attention, tired of playin’ the role of Big Jim’s wife”. De “hartenboer” stelt in het hele verhaal de gul reikende arm van de dood voor.
Tekstueel is dit trouwens een kanjer van een plaat, enkele van de teksten zijn misschien wel van het beste, meest snijdende, snerende, intieme, intense wat Dylan ooit gedaan heeft. Vooral de combinatie tussen de woorden en de manier waarop hij ze bracht.. Mijn hoofd tolt na de zoveelste beluistering nog altijd na ‘Tangled Up in Blue’, ik schud enthousiast van “ja” bij de universele waarheden op ‘Simple Twist of Fate’, ik kan m’n tranen nog steeds maar met moeite ophouden tijdens het door merg en been gaande ‘You’re a Big Girl Now’. Bovendien heeft Dylan tijdens de opnamen zelf ook nog veel gesleuteld; ‘Meet Me in the Morning’ heette oorspronkelijk ‘Call Letter Blues’, tot Dylan spontaan met een compleet andere tekst kwam aanzetten. ‘Idiot Wind’ werd ook voor een groot deel herschreven in Minnesota, als ik me niet vergis.
En dat typeert de artiest Dylan; men noemt het “voorbereide spontaniteit”, en dat uit zich op verschillende wijzen. Zo hoor je in sommige nummers de knopen van Dylan’s hemd tegen de klankkast van z’n gitaar schuren, wat een klikkend geluid veroorzaakt. Zo begon hij meteen aan een nummer, en schakelde soms in de helft over naar totaal iets anders. Zo speelde hij een nummer de ene keer zus, de volgende keer helemaal zo. Zijn medemuzikanten tolereerden dit maar om één reden: omdat het Dylan was.
‘Blood on the Tracks’ is geen plaat over de vervreemding tussen hem en zijn vrouw Sara, zegt de meester zelve. Hij beweert dat de teksten gebaseerd zijn op korte verhalen van Tsjechow, maar dat valt toch sterk te betwijfelen. De manier waarop Dylan z’n teksten brengt, getuigen namelijk van zoveel intensiteit en hij bracht ze zo dwingend, dat er toch wel heel wat van zichzelf moet inzitten. Dylan gaf zijn ziel bloot, letterlijk. Dat hoor ik – of meen ik te horen – aan de uithalen van zijn stem. Om de hogere noten te halen, weet je, want het was al een voorbode van alle stemproblemen die hij later zou hebben. Maar hier klinkt hij, na een rist platen waarop hij meer klinkt als een “normale” zangen, weer op en top Dylan. Begeesterd, geïnspireerd, geniaal.
‘You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go’ zou over Ellen Bernstein gaan, volgens haarzelf, omdat ze naar eigen zeggen op alle plaatsen die in de song aan bod komen heeft geleefd. Belangrijker is dat hij in deze song zijn oude invloeden uit Frankrijk nog eens aanhaalt:
“Situations have ended sad;
Relationships have all been bad;
Mine have been like Verlaine’s and Rimbaud’s.”
Enkele van mijn favoriete tekstfragmenten staan op deze plaat. Zeker de helft van de nummers zijn essentieel als je wil weten waar het in songschrijverij om draait. Dylan is een dichter, en een citaat van Pete Hamill, dat te vinden is in de liner notes van dit album (die eigenlijk al een reden op zich zijn om tot aanschaffing van dit kleinood over te gaan), vat het misschien wel perfect samen:
“He was not the only one, of course; he is not the only one now. But of all of our poets, Dylan is the one who has most clearly taken the roiled sea and put it in a glass.”
Omdat ik de man zijn teksten zo ongekend fantastisch vind, wil ik de lezer toch nog een keertje tergen met een korte bloemlezing uit de lyrics op dit album:
“A change in the weather;
Is known to be extreme;
But what’s the sense of changing horses in midstream?
And I’m going out of my mind;
Oh, with a pain that stops and starts;
Like a corkscrew to my heart;
Ever since we’ve been apart.” (‘You’re a Big Girl Now’)
“People tell me it’s a sin;
To know and feel too much within;
I still believe she was my twin;
But I lost the ring.
She was born in spring;
But I was born too late;
Blame it on a simple twist of fate.” (‘Simple Twist of Fate’)
“Now there’s a wall between us, somethin’ there’s been lost;
I took too much for granted, got my signals crossed;
Just to think that it all began on a long-forgotten morn;
“Come in,” she said, “I’ll give you shelter from the storm”.” (‘Shelter from the Storm’)
“Then she opened up a book of poems, and handed it to me;
Written by an Italian poet from the thirteenth century;
And every one of them words rang true, and glowed like burnin’ coal;
Pourin’ off of every page, like it was written in my soul;
From me to you, tangled up in blue.” (‘Tangled Up in Blue’)
Met ‘Blood on the Tracks’ maakte Dylan het derde meesterwerk uit zijn carrière. Volgens de meesten zou hij nooit meer beter doen, en eerlijk, ik ben ook die mening toegedaan. Al kwam hij nog een paar keer dicht in de buurt, en is hij nog altijd bezig, natuurlijk. Maar daar leest u – hopelijk – later meer over.
5 sterren
Dylan had er nochtans niet z’n beste periode opzitten. Enkele zwakke, plichtmatige platen kwamen de jaren voordien uit (‘Self Portrait’; ‘Dylan’), een country-uitstapje (‘Nashville Skyline’) en toch ook een tweetal erg kiene platen (‘New Morning’; ‘Planet Waves’). Voor elke modale artiest een goeie periode dus, maar niet voor Dylan. Mede daardoor heeft deze plaat zo’n groots karakter in het collectief gegeven, terwijl Dylan op ‘Blood on the Tracks’ toch zijn uiterste best doet om het minimaal, ruw en back to basics probeert te houden.
Althans, dat was zijn uitgangspunt. Geïnspireerd door de lessen van kunstenaar Norman Rabinowitz, begon hij anders te denken over songschrijverij. Het concept tijd staat op z’n eigenzinnige manier centraal in het kader van deze plaat. Dylan wilde verleden, heden en toekomst met elkaar verweven, op een spontane manier, zonder het geheel uit het oog te verliezen. Het resultaat mag gezien worden; maar over die giganten van teksten zal ik het later nog hebben.
Muzikaal is ‘Blood on the Tracks’ in essentie kaal en ruw. De plaat werd opgenomen in twee perioden; in september nam Dylan op in New York, waar hij terug bij Columbia Records getekend had. Hij wilde opnemen in de studio waar het voor hem allemaal begon, studio A. Die was inmiddels echter verkocht aan A&R, van onder meer Phil Ramone. Die was wel bereid om zich achter de knoppen te zetten, maar noemde zich zo niet. Dylan wist perfect waar hij mee bezig was, een echte producer had hij dus niet nodig.
De songs werden op band gezet, er zaten pareltjes tussen, en de plaat zou nog in 1974 worden uitgebracht, net voor de kerstperiode. Dylan wilde die kerstperiode vieren met zijn familie in Minnesota, en liet de acetate horen aan zijn broer David, producer van o.a. reclamejingles. Die vond het te kaal klinken, er kon meer schwung in gebracht worden. Dus werden enkele van de beste muzikanten van Minnesota opgetrommeld, en de fraaiste studio werd geboekt. David Zimmermann zat achter de knoppen, en speelde een niet mis te verstane rol. Het is misschien wel dankzij zijn optreden dat de plaat die dubbelzinnige dynamiek in zich draagt, en daardoor menig andere plaat overstijgt.
De uiteindelijke plaat kende een propere verdeling; vijf songs uit de New Yorksessies, vijf uit de Minnesotasessies. De belangrijkste onderdelen zijn uiteraard Dylan’s akoestische gitaar, Dylan’s teksten en stem en Dylan’s mondharmonica. Maar de begeleidende instrumentatie verdient ook haar pluimen. De flamencovibe in ‘You’re a Big Girl Now’; fantastisch. Het Hammondorgel in ‘Idiot Wind’; meesterlijke sfeer, dankzij Paul Griffin. Maar toch zijn de meeste nummers van oorsprong simpele nummertjes. Het is de beklemmende, bijzonder intense sfeer die alles zo speciaal maakt.
De hoes doet denken aan een beroemd klassiek componist, heb ik eens op een forum gelezen. Mozart, Beethoven, dat soort kerels. Ik ga Dylan niet met hen vergelijken, terwijl hij dat misschien wel verdient. Hij leeft in een ander tijdsscharnier, en kan zo onmogelijk op dezelfde manier worden beoordeeld. Maar van z’n eigen tijd, is Dylan misschien wel de grootste artiest, samen met Lennon.
Één nummer past op het eerste zicht niet op de plaat, en dat is het lange, over liefdesperikelen verhalende ‘Lily, Rosemary and the Jack of Hearts’, dat zich lijkt af te spelen in een Wild West omgeving. Ik noem het playful drama; door de countrysound krijgt het iets lichts, makkelijk verteerbaar, terwijl het verhaal helemaal niet licht is. De setting, een soort van moordlustige driehoeksverhouding (iets wat ook wel door echoot in ‘Tangled Up in Blue’), wordt in een flink aantal strofen uitgestrekt, en op het eind komt de climax, met de moord op Jim, door Rosemary, gevoed door kwaadheid en cynisme: “Rosemary started drinkin’ hard, and seein’ her reflection in the knife; she was tired of the attention, tired of playin’ the role of Big Jim’s wife”. De “hartenboer” stelt in het hele verhaal de gul reikende arm van de dood voor.
Tekstueel is dit trouwens een kanjer van een plaat, enkele van de teksten zijn misschien wel van het beste, meest snijdende, snerende, intieme, intense wat Dylan ooit gedaan heeft. Vooral de combinatie tussen de woorden en de manier waarop hij ze bracht.. Mijn hoofd tolt na de zoveelste beluistering nog altijd na ‘Tangled Up in Blue’, ik schud enthousiast van “ja” bij de universele waarheden op ‘Simple Twist of Fate’, ik kan m’n tranen nog steeds maar met moeite ophouden tijdens het door merg en been gaande ‘You’re a Big Girl Now’. Bovendien heeft Dylan tijdens de opnamen zelf ook nog veel gesleuteld; ‘Meet Me in the Morning’ heette oorspronkelijk ‘Call Letter Blues’, tot Dylan spontaan met een compleet andere tekst kwam aanzetten. ‘Idiot Wind’ werd ook voor een groot deel herschreven in Minnesota, als ik me niet vergis.
En dat typeert de artiest Dylan; men noemt het “voorbereide spontaniteit”, en dat uit zich op verschillende wijzen. Zo hoor je in sommige nummers de knopen van Dylan’s hemd tegen de klankkast van z’n gitaar schuren, wat een klikkend geluid veroorzaakt. Zo begon hij meteen aan een nummer, en schakelde soms in de helft over naar totaal iets anders. Zo speelde hij een nummer de ene keer zus, de volgende keer helemaal zo. Zijn medemuzikanten tolereerden dit maar om één reden: omdat het Dylan was.
‘Blood on the Tracks’ is geen plaat over de vervreemding tussen hem en zijn vrouw Sara, zegt de meester zelve. Hij beweert dat de teksten gebaseerd zijn op korte verhalen van Tsjechow, maar dat valt toch sterk te betwijfelen. De manier waarop Dylan z’n teksten brengt, getuigen namelijk van zoveel intensiteit en hij bracht ze zo dwingend, dat er toch wel heel wat van zichzelf moet inzitten. Dylan gaf zijn ziel bloot, letterlijk. Dat hoor ik – of meen ik te horen – aan de uithalen van zijn stem. Om de hogere noten te halen, weet je, want het was al een voorbode van alle stemproblemen die hij later zou hebben. Maar hier klinkt hij, na een rist platen waarop hij meer klinkt als een “normale” zangen, weer op en top Dylan. Begeesterd, geïnspireerd, geniaal.
‘You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go’ zou over Ellen Bernstein gaan, volgens haarzelf, omdat ze naar eigen zeggen op alle plaatsen die in de song aan bod komen heeft geleefd. Belangrijker is dat hij in deze song zijn oude invloeden uit Frankrijk nog eens aanhaalt:
“Situations have ended sad;
Relationships have all been bad;
Mine have been like Verlaine’s and Rimbaud’s.”
Enkele van mijn favoriete tekstfragmenten staan op deze plaat. Zeker de helft van de nummers zijn essentieel als je wil weten waar het in songschrijverij om draait. Dylan is een dichter, en een citaat van Pete Hamill, dat te vinden is in de liner notes van dit album (die eigenlijk al een reden op zich zijn om tot aanschaffing van dit kleinood over te gaan), vat het misschien wel perfect samen:
“He was not the only one, of course; he is not the only one now. But of all of our poets, Dylan is the one who has most clearly taken the roiled sea and put it in a glass.”
Omdat ik de man zijn teksten zo ongekend fantastisch vind, wil ik de lezer toch nog een keertje tergen met een korte bloemlezing uit de lyrics op dit album:
“A change in the weather;
Is known to be extreme;
But what’s the sense of changing horses in midstream?
And I’m going out of my mind;
Oh, with a pain that stops and starts;
Like a corkscrew to my heart;
Ever since we’ve been apart.” (‘You’re a Big Girl Now’)
“People tell me it’s a sin;
To know and feel too much within;
I still believe she was my twin;
But I lost the ring.
She was born in spring;
But I was born too late;
Blame it on a simple twist of fate.” (‘Simple Twist of Fate’)
“Now there’s a wall between us, somethin’ there’s been lost;
I took too much for granted, got my signals crossed;
Just to think that it all began on a long-forgotten morn;
“Come in,” she said, “I’ll give you shelter from the storm”.” (‘Shelter from the Storm’)
“Then she opened up a book of poems, and handed it to me;
Written by an Italian poet from the thirteenth century;
And every one of them words rang true, and glowed like burnin’ coal;
Pourin’ off of every page, like it was written in my soul;
From me to you, tangled up in blue.” (‘Tangled Up in Blue’)
Met ‘Blood on the Tracks’ maakte Dylan het derde meesterwerk uit zijn carrière. Volgens de meesten zou hij nooit meer beter doen, en eerlijk, ik ben ook die mening toegedaan. Al kwam hij nog een paar keer dicht in de buurt, en is hij nog altijd bezig, natuurlijk. Maar daar leest u – hopelijk – later meer over.
5 sterren
Bob Dylan - Bob Dylan (1962)

4,0
0
geplaatst: 11 maart 2011, 15:38 uur
Bob Dylan heb ik plaat per plaat leren kennen en waarderen. De bekendste platen kwamen eerst aan de beurt, uiteraard, en daarvan staan er nu enkele vrij hoog in mijn toplijst. Als ik een nieuwe artiest leer kennen, grijp ik ook meestal terug naar de debuutplaat; ik zie een debuutplaat als essentieel, omdat die plaat het begin inluidde van een mooie carrière. Daarom mocht deze plaat niet ontbreken, en leerde ik ze gaandeweg beter en beter kennen. Mijn favoriete Dylanplaat zal het nooit worden, doch een mooie plaat is het ongetwijfeld.
Op deze plaat is duidelijk te horen dat Dylan nog een broekje was. Als jongeling trok hij van zijn geboortedorp Duluth naar het grote New York, waar hij optrad in cafés en dergelijke. Zijn wat vreemde, maar enorm energieke manier van optreden sloeg aan bij de mensen, en in 1962 kwam zijn eerste plaat uit, bij Columbia. Het merendeel van de songs op dit album zijn traditionals, aangevuld met 2 eigen nummers; ‘Talkin’ New York’ en ‘Song To Woody’. De invloeden van vroegere folkmuzikanten zijn herkenbaar, gaande van Woody Guthrie over Leadbelly tot Blind Lemon Jefferson.
Vinnig gitaarspel, rauw blazen op een mondharmonica en schorre zang; meer had Dylan in zijn beginperiode niet nodig om te scoren. Het is misschien niet altijd zuiver (bijlange niet, zelfs), maar het klinkt tenminste wel authentiek. Je hoort hoe hij zich inleeft in de nummers waar hij van houdt, en hoe hij zijn eigen vruchten met liefde op plaat heeft gezet. Tekstueel zijn er al glimpen op te vangen van het genie waarvoor hij later zou worden versleten, ‘Talkin’ New York’ zit namelijk al vol scherpe kantjes.
Dylan heeft met deze plaat een debuut afgeleverd waartegen men best U zegt. In die tijd waren er ongetwijfeld betere zangers te vinden in New York, maar het valt te betwijfelen dat er ook maar eentje in de buurt kwam van Dylan als het op passie en inlevingsvermogen aankomt. Dylan is een artiest die je meeneemt in zijn wereld, en je echt doet geloven in wat hij zingt. Een jaar later zou de doorbraak er komen voor deze man, maar dit is toch al een flinke opmaat voor die tweede plaat.
4 sterren
Op deze plaat is duidelijk te horen dat Dylan nog een broekje was. Als jongeling trok hij van zijn geboortedorp Duluth naar het grote New York, waar hij optrad in cafés en dergelijke. Zijn wat vreemde, maar enorm energieke manier van optreden sloeg aan bij de mensen, en in 1962 kwam zijn eerste plaat uit, bij Columbia. Het merendeel van de songs op dit album zijn traditionals, aangevuld met 2 eigen nummers; ‘Talkin’ New York’ en ‘Song To Woody’. De invloeden van vroegere folkmuzikanten zijn herkenbaar, gaande van Woody Guthrie over Leadbelly tot Blind Lemon Jefferson.
Vinnig gitaarspel, rauw blazen op een mondharmonica en schorre zang; meer had Dylan in zijn beginperiode niet nodig om te scoren. Het is misschien niet altijd zuiver (bijlange niet, zelfs), maar het klinkt tenminste wel authentiek. Je hoort hoe hij zich inleeft in de nummers waar hij van houdt, en hoe hij zijn eigen vruchten met liefde op plaat heeft gezet. Tekstueel zijn er al glimpen op te vangen van het genie waarvoor hij later zou worden versleten, ‘Talkin’ New York’ zit namelijk al vol scherpe kantjes.
Dylan heeft met deze plaat een debuut afgeleverd waartegen men best U zegt. In die tijd waren er ongetwijfeld betere zangers te vinden in New York, maar het valt te betwijfelen dat er ook maar eentje in de buurt kwam van Dylan als het op passie en inlevingsvermogen aankomt. Dylan is een artiest die je meeneemt in zijn wereld, en je echt doet geloven in wat hij zingt. Een jaar later zou de doorbraak er komen voor deze man, maar dit is toch al een flinke opmaat voor die tweede plaat.
4 sterren
Bob Dylan - Bringing It All Back Home (1965)
Alternatieve titel: Subterranean Homesick Blues

4,5
1
geplaatst: 11 augustus 2011, 11:15 uur
‘Bringing It All Back Home’, de vijfde elpee van Bob Dylan. In de Benelux werd deze plaat uitgebracht als ‘Subterranean Homesick Blues’, een unicum, als ik me niet vergis. De plaat bestaat uit zeven nummers met band en vier akoestische nummers. Op de hoes zit Dylan in de sofa, met oude platen en tijdschriften. Hij zit niet alleen in de kamer; ook Sally Grossman (vrouw van Albert Grossman, zijn toenmalige manager) zit in de sofa, met een sigaret in de hand en een bloedrode jurk om de lendenen, erg autoritair. Een weerspiegeling van de macht die Grossman (de manager dan) over Dylan had? Ik weet het niet. Ook Dylan’s vorige elpee is op de hoes te ontwaren, veilig verborgen achter Sally’s linkerarm. Een duidelijk teken dat die plaat verleden tijd is. Het is een erg indrukwekkende hoes, vind ik, met veel verwijzingen in. Zoals ook The Beatles dat zouden doen, met ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ onder andere.
De muziek die op deze plaat staat, is natuurlijk het belangrijkste. Aftrappen doen we met het venijnige ‘Subterranean Homesick Blues’. Dylan lijkt de woorden haast uit te spuwen. Dat is ook wel eigen aan zijn stem, dat venijnige. Dat is ook deels de kracht van zijn stem, de enorme drive die erin zit. De elektrische begeleiding op de eerste zeven nummers is een nieuwigheid in de muziek van Bob Dylan. Onder andere Bruce Langhorne speelt mee, de man waarop Dylan zijn ‘Mr. Tambourine Man’ heeft geïnspireerd, zoals hij zelf ooit beweerde. Langhorne speelt dan ook mee op dat nummer, als enige andere muzikant buiten Dylan.
De eerste zes nummers zijn vrij kort, om en bij de drie minuten; enkel ‘Maggie’s Farm’ benadert de 4 minuten. Het zijn niet stuk voor stuk sterke nummers, maar zo’n nummer als ‘Love Minus Zero/No Limit’ vind ik persoonlijk erg mooi. ‘Outlaw Blues’ is van die lekker voortdrijvende elektrische blues, waar Dylan zo goed in is als je het mij vraagt. De opener is beïnvloed door Chuck Berry, de bekende rock ’n rollgigant.
‘Bob Dylan’s 115th Dream’ maakt een valse start (al wordt dat door één van de muzikanten ontkend; Dylan begon gewoon ineens te zingen, zonder een teken te geven! Ook dat is typisch Dylan), wat aangeeft dat de meeste nummers gewoon in één take zijn opgenomen. Er werd naar verluid ook weinig met overdubs gewerkt. Dylan heeft in elk geval erg veel lol tijdens de opnames, wat ook bewezen wordt door de foto’s van Daniel Kramer; een ontspannend lachende Dylan. ‘Bob Dylan’s 115th Dream’ is volgens mij een vervolg op ‘Motorpsycho Nightmare’, het ligt toch in hetzelfde laatje, denk ik.
De overige vier nummers zijn dus akoestisch, maar dat zijn nu net de mooiste nummers mijns inziens. ‘Mr. Tambourine Man’ is een klassieker, die vooral bekend is van de versie die The Byrds opnamen; ‘Gates of Eden’ kent een prachtige tekst, evenals het lange ‘It’s Alright Ma (I’m Only Bleeding)’; en ‘It’s All Over Now, Baby Blue’ is een prachtig liedje over de liefde, zoals alleen Dylan ze kan produceren. Mensen klagen dan wel eens over de eentonigheid in die nummers, omdat ze akoestisch zijn, ten opzichte van de eerste zeven nummers, maar daar ben ik het niet mee eens. Ze zijn geenszins saai om te naar te luisteren, integendeel. In Dylan’s teksten ontdek je na twintig luisterbeurten nog altijd nieuwe dingen.
Want het mooiste aan Dylan vind ik nog altijd de teksten. De hoestekst is een staaltje van zijn kunnen, en geeft de verandering in zijn manier van songschrijven ook weer. Het is surrealistischer, Dylan werd in die tijd nogal beïnvloed door Franse dichters, zoals Rimbaud. Ook zijn leven werd grootser, surrealistischer. Iedereen verwachtte veel van hem, en hing aan hem. Hij kon het zelf niet geloven, dat zijn leven zulke wendingen nam. Een quote uit het prachtige boek ‘Bob Dylan in de studio’ van Patrick Roefflaer: “Jij of ik hadden niet kunnen weerstaan aan dat soort druk. We zouden erdoor verpletterd zijn. Dylan niet. Hij ging door met schitterend werk, ondanks alles. Maar doordat zijn leven surrealistischer werd, werden ook zijn teksten surrealistischer. Zijn nummers waren altijd een weerspiegeling van zijn leven.”
Enfin, de hoestekst is een boeiend gedicht an sich, dat voor verschillende interpretaties vatbaar is. De teksten van de songs zelf zijn ook zonder uitzondering erg sterk, en boeiend. Erg surrealistisch, een trend die zich nog zou voortzetten op ‘Highway 61 Revisited’. Ik wil mijn stukje tekst dan ook graag afsluiten met enkele van mijn favoriete fragmenten:
“Well I wake up in the morning
Fold my hands and pray for rain
I got a head full of ideas
That are drivin’ me insane
It’s a shame the way she makes me scrub the floor
I ain’t gonna work on Maggie’s farm no more.” (‘Maggie’s Farm’)
“My love she speaks like silence,
Without ideals or violence.” (‘Love Minus Zero/No Limit’)
“Well, I might look like Robert Ford,
But I feel just like a Jesse James.” (‘Outlaw Blues’)
En mijn favorite fragment:
“Money doesn’t talk, it swears” (‘It’s Alright Ma (I’m Only Bleeding)’)
Maar eigenlijk doe ik erg veel prachtige poëtische zinsneden van Dylan oneer aan. Daarom is mijn tip voor iedereen: beluister deze plaat een keer, lees dan de teksten in alle rust eens door, en beluister de plaat nog eens. En nog eens. En nog eens.
4,5 sterren
De muziek die op deze plaat staat, is natuurlijk het belangrijkste. Aftrappen doen we met het venijnige ‘Subterranean Homesick Blues’. Dylan lijkt de woorden haast uit te spuwen. Dat is ook wel eigen aan zijn stem, dat venijnige. Dat is ook deels de kracht van zijn stem, de enorme drive die erin zit. De elektrische begeleiding op de eerste zeven nummers is een nieuwigheid in de muziek van Bob Dylan. Onder andere Bruce Langhorne speelt mee, de man waarop Dylan zijn ‘Mr. Tambourine Man’ heeft geïnspireerd, zoals hij zelf ooit beweerde. Langhorne speelt dan ook mee op dat nummer, als enige andere muzikant buiten Dylan.
De eerste zes nummers zijn vrij kort, om en bij de drie minuten; enkel ‘Maggie’s Farm’ benadert de 4 minuten. Het zijn niet stuk voor stuk sterke nummers, maar zo’n nummer als ‘Love Minus Zero/No Limit’ vind ik persoonlijk erg mooi. ‘Outlaw Blues’ is van die lekker voortdrijvende elektrische blues, waar Dylan zo goed in is als je het mij vraagt. De opener is beïnvloed door Chuck Berry, de bekende rock ’n rollgigant.
‘Bob Dylan’s 115th Dream’ maakt een valse start (al wordt dat door één van de muzikanten ontkend; Dylan begon gewoon ineens te zingen, zonder een teken te geven! Ook dat is typisch Dylan), wat aangeeft dat de meeste nummers gewoon in één take zijn opgenomen. Er werd naar verluid ook weinig met overdubs gewerkt. Dylan heeft in elk geval erg veel lol tijdens de opnames, wat ook bewezen wordt door de foto’s van Daniel Kramer; een ontspannend lachende Dylan. ‘Bob Dylan’s 115th Dream’ is volgens mij een vervolg op ‘Motorpsycho Nightmare’, het ligt toch in hetzelfde laatje, denk ik.
De overige vier nummers zijn dus akoestisch, maar dat zijn nu net de mooiste nummers mijns inziens. ‘Mr. Tambourine Man’ is een klassieker, die vooral bekend is van de versie die The Byrds opnamen; ‘Gates of Eden’ kent een prachtige tekst, evenals het lange ‘It’s Alright Ma (I’m Only Bleeding)’; en ‘It’s All Over Now, Baby Blue’ is een prachtig liedje over de liefde, zoals alleen Dylan ze kan produceren. Mensen klagen dan wel eens over de eentonigheid in die nummers, omdat ze akoestisch zijn, ten opzichte van de eerste zeven nummers, maar daar ben ik het niet mee eens. Ze zijn geenszins saai om te naar te luisteren, integendeel. In Dylan’s teksten ontdek je na twintig luisterbeurten nog altijd nieuwe dingen.
Want het mooiste aan Dylan vind ik nog altijd de teksten. De hoestekst is een staaltje van zijn kunnen, en geeft de verandering in zijn manier van songschrijven ook weer. Het is surrealistischer, Dylan werd in die tijd nogal beïnvloed door Franse dichters, zoals Rimbaud. Ook zijn leven werd grootser, surrealistischer. Iedereen verwachtte veel van hem, en hing aan hem. Hij kon het zelf niet geloven, dat zijn leven zulke wendingen nam. Een quote uit het prachtige boek ‘Bob Dylan in de studio’ van Patrick Roefflaer: “Jij of ik hadden niet kunnen weerstaan aan dat soort druk. We zouden erdoor verpletterd zijn. Dylan niet. Hij ging door met schitterend werk, ondanks alles. Maar doordat zijn leven surrealistischer werd, werden ook zijn teksten surrealistischer. Zijn nummers waren altijd een weerspiegeling van zijn leven.”
Enfin, de hoestekst is een boeiend gedicht an sich, dat voor verschillende interpretaties vatbaar is. De teksten van de songs zelf zijn ook zonder uitzondering erg sterk, en boeiend. Erg surrealistisch, een trend die zich nog zou voortzetten op ‘Highway 61 Revisited’. Ik wil mijn stukje tekst dan ook graag afsluiten met enkele van mijn favoriete fragmenten:
“Well I wake up in the morning
Fold my hands and pray for rain
I got a head full of ideas
That are drivin’ me insane
It’s a shame the way she makes me scrub the floor
I ain’t gonna work on Maggie’s farm no more.” (‘Maggie’s Farm’)
“My love she speaks like silence,
Without ideals or violence.” (‘Love Minus Zero/No Limit’)
“Well, I might look like Robert Ford,
But I feel just like a Jesse James.” (‘Outlaw Blues’)
En mijn favorite fragment:
“Money doesn’t talk, it swears” (‘It’s Alright Ma (I’m Only Bleeding)’)
Maar eigenlijk doe ik erg veel prachtige poëtische zinsneden van Dylan oneer aan. Daarom is mijn tip voor iedereen: beluister deze plaat een keer, lees dan de teksten in alle rust eens door, en beluister de plaat nog eens. En nog eens. En nog eens.
4,5 sterren
Bob Dylan - Christmas in the Heart (2009)

3,0
1
geplaatst: 13 januari 2015, 19:32 uur
Het is een kerstplaat. Leer er maar mee leven.
Zo zou ik m’n bespreking kunnen beginnen, en me er ook meteen zeer goedkoop vanaf maken. Dat doe ik echter niet, want Dylan blijft Dylan, en die verdient wel meer dan twee schamele zinnetjes. ‘Christmas in the Heart’ was voor iedereen een verrassing, denk ik, de muzikanten incluis. Enkel Dylan zelf leek al op voorhand te weten dat dit ervan ging komen, omdat hij volgens David Hidalgo van Los Lobos, die ook aan de plaat mee heeft gewerkt, zijn huiswerk erg grondig had gemaakt. Dat Hidalgo zelf geen enkel vermoeden had, bewijst zijn uitspraak dat hij al z’n accordeons had gestemd en meegenomen naar de opnames. Hij zou deze op slechts één song nodig hebben, ‘Must Be Santa’.
Zo kort na de release van zijn vorige, ‘Together Through Life’, wél een plaat met eigen nummers, had niemand nog wat verwacht. Doemdenkers vreesden reeds voor het scenario van de zwanenzang (dat gelukkig niet bleek te kloppen). Maar dit album past eigenlijk perfect binnen die gedachtegang. Afzwaaien met een kerstplaat…
De plaat gooide in de albumparades uiteraard minder hoge ogen dan de voorgangers. Bij ons in Vlaanderen was de hoogste notering een 22ste plaats. Wat er wel uniek is aan het album, is het feit dat de opbrengst ervan volledig naar goede doelen gaat. Da ’s mooi, en ademt ook wel een beetje de spirit van het essentiële kerstgebeuren, door het puur commerciële aspect aan te wenden als instrument der naastenliefde.
De vijftien nummers die Dylan nauwkeurig heeft uitgezocht, behoren bijna zonder uitzondering tot de meer bekende kerstsongs die de ronde doen. Regelrechte klassiekers als ‘Little Drummer Boy’, ‘Winter Wonderful’ en ‘Have Yourself a Merry Little Christmas’ (waarvoor ik altijd al een bescheiden zwak heb gekoesterd) worden afgewisseld door songs als de fijne traditional ‘Hark the Herald Angels Sing’, de lome, gezellige blues van ‘The Christmas Blues’ en het ronduit jolige ‘Must Be Santa’, dat dan wel wat uit de boot valt qua tempo en enthousiasme, maar net daardoor extra welgekomen is.
De songs stammen grotendeels van de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw, de kinder- en jeugdjaren van Bob Dylan, met andere woorden. Hij was dan wel grootgebracht in een joods gezin, dat weerhield hem er niet van op zijn manier te genieten van Kerstmis, en muziek speelde daar een grote rol in. Dylan zei hier zelf het volgende over:
“Er is geen andere manier om kerstliedjes te doen, dan oprecht. Die liedjes zijn een stuk van mijn leven, evengoed als folksongs. Je moet ze dan ook zo brengen.”
En, ere wie ere toekomt, Dylan is er behoorlijk in geslaagd zijn woorden waar te maken. Ik heb dit album gekocht toen deze tegen een flink lage prijs werd aangeboden bij het weekblad HUMO, en kocht het in eerste instantie meer omdat het van Dylan was dan voor het werkje zelf; ik ben geen grote fan van kerstmuziek. Maar dit is gewoon fijn om te beluisteren, zeker tijdens de kerstperiode, dat spreekt voor zich. Dylan speelde al lang met het idee om een kerstplaat te maken, maar werd steeds door twijfels geblokkeerd, en het vaak doorslaggevende argument dat er al zoveel kerstmuziek werd uitgebracht. Hij had ook bang dat zijn album niet “speciaal” zou zijn, en zou opgeslokt worden door de grote, grijze massa.
Het is echter een echte Dylanplaat geworden, meer dan een doordeweekse kerstplaat, en, om eerlijk te wezen, daar hoeft Bob enkel maar zijn stembanden voor te kietelen. Dat schurende, krassende stemgeluid dat hij voortbrengt, is herkenbaar uit de duizenden; de instrumentatie is kalm en ingetogen (op ‘Must Be Santa’ na, zoals eerder gezegd), en weet nu en dan mijn mondhoeken tot een glimlachje te veranderen.
En zo komen we, ter afsluiting, weer uit bij mijn openingsalinea. Die vlieger gaat in grote mate op. Dylan heeft een kerstplaat gemaakt, te nemen of te laten. Vooral de manier waarop, de sound, geeft aan dat hij nog steeds eigenzinnig genoeg is om de interesse aan te wakkeren, het spul dat hij maakt nog steeds kwaliteitsvol genoeg om te voldoen. Dylan amuseert zich nog altijd tijdens het musiceren, daar gaat het hier ook om. En ik tijdens het luisteren.
3 sterren
Zo zou ik m’n bespreking kunnen beginnen, en me er ook meteen zeer goedkoop vanaf maken. Dat doe ik echter niet, want Dylan blijft Dylan, en die verdient wel meer dan twee schamele zinnetjes. ‘Christmas in the Heart’ was voor iedereen een verrassing, denk ik, de muzikanten incluis. Enkel Dylan zelf leek al op voorhand te weten dat dit ervan ging komen, omdat hij volgens David Hidalgo van Los Lobos, die ook aan de plaat mee heeft gewerkt, zijn huiswerk erg grondig had gemaakt. Dat Hidalgo zelf geen enkel vermoeden had, bewijst zijn uitspraak dat hij al z’n accordeons had gestemd en meegenomen naar de opnames. Hij zou deze op slechts één song nodig hebben, ‘Must Be Santa’.
Zo kort na de release van zijn vorige, ‘Together Through Life’, wél een plaat met eigen nummers, had niemand nog wat verwacht. Doemdenkers vreesden reeds voor het scenario van de zwanenzang (dat gelukkig niet bleek te kloppen). Maar dit album past eigenlijk perfect binnen die gedachtegang. Afzwaaien met een kerstplaat…
De plaat gooide in de albumparades uiteraard minder hoge ogen dan de voorgangers. Bij ons in Vlaanderen was de hoogste notering een 22ste plaats. Wat er wel uniek is aan het album, is het feit dat de opbrengst ervan volledig naar goede doelen gaat. Da ’s mooi, en ademt ook wel een beetje de spirit van het essentiële kerstgebeuren, door het puur commerciële aspect aan te wenden als instrument der naastenliefde.
De vijftien nummers die Dylan nauwkeurig heeft uitgezocht, behoren bijna zonder uitzondering tot de meer bekende kerstsongs die de ronde doen. Regelrechte klassiekers als ‘Little Drummer Boy’, ‘Winter Wonderful’ en ‘Have Yourself a Merry Little Christmas’ (waarvoor ik altijd al een bescheiden zwak heb gekoesterd) worden afgewisseld door songs als de fijne traditional ‘Hark the Herald Angels Sing’, de lome, gezellige blues van ‘The Christmas Blues’ en het ronduit jolige ‘Must Be Santa’, dat dan wel wat uit de boot valt qua tempo en enthousiasme, maar net daardoor extra welgekomen is.
De songs stammen grotendeels van de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw, de kinder- en jeugdjaren van Bob Dylan, met andere woorden. Hij was dan wel grootgebracht in een joods gezin, dat weerhield hem er niet van op zijn manier te genieten van Kerstmis, en muziek speelde daar een grote rol in. Dylan zei hier zelf het volgende over:
“Er is geen andere manier om kerstliedjes te doen, dan oprecht. Die liedjes zijn een stuk van mijn leven, evengoed als folksongs. Je moet ze dan ook zo brengen.”
En, ere wie ere toekomt, Dylan is er behoorlijk in geslaagd zijn woorden waar te maken. Ik heb dit album gekocht toen deze tegen een flink lage prijs werd aangeboden bij het weekblad HUMO, en kocht het in eerste instantie meer omdat het van Dylan was dan voor het werkje zelf; ik ben geen grote fan van kerstmuziek. Maar dit is gewoon fijn om te beluisteren, zeker tijdens de kerstperiode, dat spreekt voor zich. Dylan speelde al lang met het idee om een kerstplaat te maken, maar werd steeds door twijfels geblokkeerd, en het vaak doorslaggevende argument dat er al zoveel kerstmuziek werd uitgebracht. Hij had ook bang dat zijn album niet “speciaal” zou zijn, en zou opgeslokt worden door de grote, grijze massa.
Het is echter een echte Dylanplaat geworden, meer dan een doordeweekse kerstplaat, en, om eerlijk te wezen, daar hoeft Bob enkel maar zijn stembanden voor te kietelen. Dat schurende, krassende stemgeluid dat hij voortbrengt, is herkenbaar uit de duizenden; de instrumentatie is kalm en ingetogen (op ‘Must Be Santa’ na, zoals eerder gezegd), en weet nu en dan mijn mondhoeken tot een glimlachje te veranderen.
En zo komen we, ter afsluiting, weer uit bij mijn openingsalinea. Die vlieger gaat in grote mate op. Dylan heeft een kerstplaat gemaakt, te nemen of te laten. Vooral de manier waarop, de sound, geeft aan dat hij nog steeds eigenzinnig genoeg is om de interesse aan te wakkeren, het spul dat hij maakt nog steeds kwaliteitsvol genoeg om te voldoen. Dylan amuseert zich nog altijd tijdens het musiceren, daar gaat het hier ook om. En ik tijdens het luisteren.
3 sterren
Bob Dylan - Desire (1976)

4,5
0
geplaatst: 12 november 2012, 20:36 uur
‘Desire’ was, na ‘Blood on the Tracks’, Dylan’s tweede voltreffer op een rij. Hoewel ikzelf de plaat iets lager inschat, was de impact van deze bonte plaat, die dag en nacht verschilde van de veelal kale voorganger, misschien wel groter destijds. De plaat stond enkele weken op 1 in de Amerikaanse Billboardlijst, en ook in het Verenigd Koninkrijk werden hoge toppen gescheerd. Maar dat alles is uiteindelijk triviaal; het gaat er mij om wat de plaat met mij doet. Ze roert me, nog altijd, na al die luisterbeurten, even intens als de eerste keer.
Op ‘Desire’ vraagt Dylan niet om dingen, neen, hij verlangt ze. Hij verlangt naar zijn vrouw (‘Sara’), naar gerechtigheid en gelijkheid (‘Hurricane’), net als vroeger, maar op een geheel andere manier. In de New Yorkse psychiater had hij een nieuwe antagonist gevonden, die zijn songschrijverskwaliteiten naar een hoger niveau stuwde, simpelweg door mee te schrijven en ‘m te motiveren. Toen Dylan voorstelde, na het lezen van het boek ‘The Sixteenth Round’, een boek over Rubin “Hurricane” Carter te schrijven, was Levy’s tegenvoorstel een song over de mobster Joe Gallo. De dag erop kwam Dylan met een tekst, ‘Joey’, waar hij de hele nacht aan door had gewerkt.
De hoes van ‘Desire’ verraadt de oorsprong van dit album; ‘Dylan’ draagt een hoed, frivole, bontkleurige kleren, een zootje, zou je het enigszins kunnen noemen. In het zuiden van Frankrijk was Dylan in 1975 de zigeunerkoning, die op sterven lag, gaan bezoeken. Deze man had vele vrouwen en nog veel meer kinderen, en de kiem van het liedje ‘One More Cup of Coffee’ ligt bij één van de vele zigeunerdochters van de man. Hij had net een hartaanval gekregen, en de eens zo geliefde en machtige man lag daar nu, zwak en alleen, verlaten door vrouwen en kinderen. “Als ze de dood ruiken, zijn ze weg”, zei Dylan hierover.
De opnamen verliepen stroef, net omdat Dylan een radicaal ander geluid wilde. Hij wilde een groots, aanzwellend geluid, veel gypsy-invloeden, de vreemdste instrumenten, zoals Eric Clapton, aanwezig bij één van de sessies, het zag. Dylan was op zoek, misschien wel vooral naar zichzelf; het ging niet goed tussen hem en zijn vrouw, er waren financiële problemen, etc. Op creatief vlak beleefde Dylan echter een hoogtepunt in zijn carrière, en ‘Desire’ is nog steeds één van zijn meest gewaardeerde platen. Ook over deze plaat waren de critici aanvankelijk verdeeld, maar de balans helde toch in het voordeel van Dylan, plus, het publiek stond achter hem en de plaat, zoals de eerder aangehaalde cijfers al aangeven.
Laten we vooral de songs niet vergeten. ‘Desire’ vangt aan met het machtige ‘Hurricane’, waarin Dylan bijt en sneert naar “White America”, en ook op meesterlijke wijze vertelt over de moordzaak. Het vioolspel van Scarlet Rivera, een vrouw die hij zomaar van straat pikte, lukraak als het ware, valt meteen in positieve zin op; dit is één van de succesfactoren van het album, en klinkt nergens ook maar een beetje op iets wat Dylan voorheen heeft gemaakt. Net als ‘Idiot Wind’ is die kwaadheid present, maar nu is Dylan veel concreter. Toch zie ik ‘Hurricane’ meer als een algemeen statement dan een aanvechting van de veroordeling in het bijzonder; Dylan wil hiermee zeggen dat het juridische systeem niet werkt zoals het zou moeten zijn, namelijk onbevooroordeeld en even juist voor iedereen. De impact van het nummer, dat als single werd uitgekozen (omdat het nummer zo lang was, in tweeën gesplitst), zorgde voor een nieuwe rechtszaak. Carter werd echter weer veroordeeld. Pas zo’n tien jaar later zou Carter vrij worden gesproken, door het opduiken van nieuw bewijsmateriaal.
Ook ‘Isis’ duurt tamelijk lang, en zit je makkelijk uit. Het nummer, over een huwelijk met een zekere Isis (één van de belangrijkste godinnen uit de Egyptische Oudheid, symbool voor vruchtbaarheid trouwens), was eerst bedoeld voor akoestische gitaar, maar Dylan vond de take ondersteund door zijn pianospel, treffender. Ik heb zo’n vermoeden dat hij daar goed aan heeft gedaan, en hoe chaotisch en ongeorganiseerd het wel niet kan zijn in de studio met Dylan erbij, hij maakt toch meestal de juiste beslissing. In het nummer wordt ook verwezen naar die link met Egypte: “We came to the pyramids all embedded in ice”, waarna het nummer volgens mij ook verwijst naar de vondst van het graf van Toetanchamon door Howard Carter in 1922. Ik doe een wilde gok, maar vooral de achternaam van de archeoloog doet me denken aan subtiliteit.
‘Mozambique’ begon als een spelletje tussen Dylan en Levy, om te zien wie de meeste woorden kon verzinnen die rijmden op –ique. Uiteindelijk liet men dit gegeven links liggen, om er een serieuzere song uit te puren. Toch gaat de song niet echt ergens over, heb je het gevoel, en zit de geest van het spelen er toch wel in; mooi, want songschrijverij is toch ook nog altijd entertainment. ‘One More Cup of Coffee’ is, zoals eerder gezegd, geïnspireerd door Dylan’s ervaringen met de zigeuners in Zuid-Frankrijk. De zigeunermeid tot wie Dylan zich richt, is ten voeten uit; meer geïnteresseerd in het mythische aspect van het leven dan het alledaagse, eerder streetwise dan bookwise (“You’ve never learned to read or write; there’s no books upon your shelf”), mysterieus en ondoorgrondelijk in hart en nieren.
In ‘Oh, Sister’ ontkracht Dylan een huizenhoog cliché; “Time is an ocean”. Dylan plakt er een stukje aan, en maakt er het volgende van: “Time is an ocean, but it ends at the shore”. En zo is het maar net. Dylan heeft altijd al geweten dat tijd een concept is waarmee gespeeld kan worden, dat rekbaar is maar niet per definitie onbegrensbaar. ‘Oh, Sister’ is veelzeggend (de liefde tussen broer en zuster moet een onvoorwaardelijke liefde zijn), maar tegelijk roept het ook vragen op. Waar gaat dit precies over? Het beste is nog om al die vragen terzijde te schuiven, en gewoon te genieten van de song, en de aparte manier waarop Dylan zijn stem gebruikt, als een oosters instrument.
‘Joey’ is de langste song op de plaat, een episch en meesterlijk verteld relaas over leven en dood van Joey Gallo. In 11 minuten leer je Gallo niet alleen kennen, maar voel je ook met hem mee, ga je hem begrijpen en zelfs waarderen. De tekst van dit nummer is één van de beste die Dylan ooit heeft geschreven, weliswaar met de hulp van Levy, maar toch. Dat er zoveel mensen deze song maar niets vinden omwille van het muzikale karakter of de zang van Dylan, kan ik ergens nog begrijpen, maar de tekst zou toch op z’n minst waardering moeten uitlokken. Of verbazing, want dit verhaal zit toch erg goed in mekaar. Dylan is de lessen van Raeben nog lang niet vergeten, maar pakt het in dezen iets anders en persoonlijker aan.
Een zuiders sfeertje zet op; ‘Romance in Durango’ is begonnen. Ook hier zingt Dylan schokkend, zwevend, en gebruikt hij z’n stem eens te meer als instrument. De omkadering klinkt Latijns-Amerikaans, en Dylan zingt ook, samen met de voortreffelijke mejuffrouw Emmylou Harris (toen nog een mejuffrouw, vooral bekend als tweede stem bij Gram Parsons), enige regels in het Spaans. Emmylou Harris zou uiteindelijk nog een lange, bijzonder mooie carrière bij elkaar schrijven en zingen, maar op de prestatie die ze op ‘Desire’ neerzette, is ze apetrots. De meeste songs die op de plaat staan hoor je zoals ze in de studio zijn opgenomen, met weinig tot geen overdubs, meent ze te weten. Dat strookt ook met de manier van werken van Dylan, die zich nooit wil verliezen in al te veel details en perfectionistisch gedrag. Het is de spontaniteit die ‘m z’n kracht verleent.
‘Black Diamond Bay’, heerlijk ondersteund door Scarlet Rivera (viool) en Emmylou Harris (zang). Deze tekst is ook uiterst geschikt om doodgewoon te lezen, of voor te dragen. Dylan werkt op deze song weer op quasi dezelfde manier als hij op ‘Blood on the Tracks’ deed. Hij leidt de luisteraar om de tuin door het verhaal te vertellen in een venster dat hij aan het eind breekt. In de laatste strofe wordt immers duidelijk dat de strofes daarvoor opgepikt zijn van een nieuwsuitzending, en komt Dylan doodleuk vertellen, terwijl hij een biertje drinkt: “And I never did plan to go anyway, to Black Diamond Bay”.
Afsluiter van de plaat is het majestueuze ‘Sara’, een eerbetoon aan dé vrouw in Dylan’s leven, waardoor het licht in hun huwelijk nog even bleef schijnen. Niemand wist van deze song ook maar iets, tot Dylan een eerste, bijzonder intense versie bracht in de studio, uit het niets, met Sara Lownds in de controlekamer. Gelukkig nemen de muzikanten het bijzonder snel op, en slaagt Scarlet Rivera er zelfs in om de melancholie die in de tekst en de zang van Dylan schuilt, zelfs nog wat te versterken. Dylan sluit dit pronkstuk af met een mooie mondharmonicasolo, en geeft in de tekst ook weg dat ‘Sad Eyed Lady of the Lowlands’ inderdaad voor haar was geschreven, wat veel mensen uiteraard al wel doorhadden, door de duidelijke verwijzing in de titel naar Sara’s meisjesnaam.
Zoals op elke klasseplaat van Bob Dylan, zijn het de teksten die uitblinken. Na de pure protestliederen en folkliedjes in de beginperiode en de surrealistische poëzie van daarna, schrijft Dylan naturalistisch, over concrete zaken, maar toch met dat tikkeltje meer als op zijn eerste paar platen. Enkele grepen uit dit aanbod mogen dan ook niet ontbreken:
“As the island slowly sank;
The loser finally broke the bank in the gambling room;
The dealer said: “It’s too late now;
You can take your money, but I don’t know how;
You’ll spend it in the tomb”.” (‘Black Diamond Bay’)
“Always on the outside of whatever side there was;
When they asked him why it had to be that way, “Well”, he answered, “just because”.” (‘Joey’)
“The police department hounded him, they called him Mr. Smith;
They got him on conspiracy, they were never sure who with;
“What time is it?”, said the judge to Joey when they met;
“Five to ten”, said Joey, the judge says: “That’s exactly what you get”.” (‘Joey’)
“He did ten years in Attica, reading Nietsche and Wilhelm Reich;
They threw him in the hole one time, for tryin’ to stop a strike;
His closest friends were black men, ‘cause they seemed to understand;
What it’s like to be in society, with a shackle on your hand.” (‘Joey’, again)
“Had no idea what kinda shit was about to go down;
When a cop pulled him over to the side of the road;
Just like the time before and the time before that;
In Paterson that’s just the way things go;
If you’re black you might as well not show up on the street;
‘Less you wanna draw the heat.” (‘Hurricane’)
“Sara, Sara’, you must forgive me my unworthiness.” (‘Sara’)
4,5 sterren
Op ‘Desire’ vraagt Dylan niet om dingen, neen, hij verlangt ze. Hij verlangt naar zijn vrouw (‘Sara’), naar gerechtigheid en gelijkheid (‘Hurricane’), net als vroeger, maar op een geheel andere manier. In de New Yorkse psychiater had hij een nieuwe antagonist gevonden, die zijn songschrijverskwaliteiten naar een hoger niveau stuwde, simpelweg door mee te schrijven en ‘m te motiveren. Toen Dylan voorstelde, na het lezen van het boek ‘The Sixteenth Round’, een boek over Rubin “Hurricane” Carter te schrijven, was Levy’s tegenvoorstel een song over de mobster Joe Gallo. De dag erop kwam Dylan met een tekst, ‘Joey’, waar hij de hele nacht aan door had gewerkt.
De hoes van ‘Desire’ verraadt de oorsprong van dit album; ‘Dylan’ draagt een hoed, frivole, bontkleurige kleren, een zootje, zou je het enigszins kunnen noemen. In het zuiden van Frankrijk was Dylan in 1975 de zigeunerkoning, die op sterven lag, gaan bezoeken. Deze man had vele vrouwen en nog veel meer kinderen, en de kiem van het liedje ‘One More Cup of Coffee’ ligt bij één van de vele zigeunerdochters van de man. Hij had net een hartaanval gekregen, en de eens zo geliefde en machtige man lag daar nu, zwak en alleen, verlaten door vrouwen en kinderen. “Als ze de dood ruiken, zijn ze weg”, zei Dylan hierover.
De opnamen verliepen stroef, net omdat Dylan een radicaal ander geluid wilde. Hij wilde een groots, aanzwellend geluid, veel gypsy-invloeden, de vreemdste instrumenten, zoals Eric Clapton, aanwezig bij één van de sessies, het zag. Dylan was op zoek, misschien wel vooral naar zichzelf; het ging niet goed tussen hem en zijn vrouw, er waren financiële problemen, etc. Op creatief vlak beleefde Dylan echter een hoogtepunt in zijn carrière, en ‘Desire’ is nog steeds één van zijn meest gewaardeerde platen. Ook over deze plaat waren de critici aanvankelijk verdeeld, maar de balans helde toch in het voordeel van Dylan, plus, het publiek stond achter hem en de plaat, zoals de eerder aangehaalde cijfers al aangeven.
Laten we vooral de songs niet vergeten. ‘Desire’ vangt aan met het machtige ‘Hurricane’, waarin Dylan bijt en sneert naar “White America”, en ook op meesterlijke wijze vertelt over de moordzaak. Het vioolspel van Scarlet Rivera, een vrouw die hij zomaar van straat pikte, lukraak als het ware, valt meteen in positieve zin op; dit is één van de succesfactoren van het album, en klinkt nergens ook maar een beetje op iets wat Dylan voorheen heeft gemaakt. Net als ‘Idiot Wind’ is die kwaadheid present, maar nu is Dylan veel concreter. Toch zie ik ‘Hurricane’ meer als een algemeen statement dan een aanvechting van de veroordeling in het bijzonder; Dylan wil hiermee zeggen dat het juridische systeem niet werkt zoals het zou moeten zijn, namelijk onbevooroordeeld en even juist voor iedereen. De impact van het nummer, dat als single werd uitgekozen (omdat het nummer zo lang was, in tweeën gesplitst), zorgde voor een nieuwe rechtszaak. Carter werd echter weer veroordeeld. Pas zo’n tien jaar later zou Carter vrij worden gesproken, door het opduiken van nieuw bewijsmateriaal.
Ook ‘Isis’ duurt tamelijk lang, en zit je makkelijk uit. Het nummer, over een huwelijk met een zekere Isis (één van de belangrijkste godinnen uit de Egyptische Oudheid, symbool voor vruchtbaarheid trouwens), was eerst bedoeld voor akoestische gitaar, maar Dylan vond de take ondersteund door zijn pianospel, treffender. Ik heb zo’n vermoeden dat hij daar goed aan heeft gedaan, en hoe chaotisch en ongeorganiseerd het wel niet kan zijn in de studio met Dylan erbij, hij maakt toch meestal de juiste beslissing. In het nummer wordt ook verwezen naar die link met Egypte: “We came to the pyramids all embedded in ice”, waarna het nummer volgens mij ook verwijst naar de vondst van het graf van Toetanchamon door Howard Carter in 1922. Ik doe een wilde gok, maar vooral de achternaam van de archeoloog doet me denken aan subtiliteit.
‘Mozambique’ begon als een spelletje tussen Dylan en Levy, om te zien wie de meeste woorden kon verzinnen die rijmden op –ique. Uiteindelijk liet men dit gegeven links liggen, om er een serieuzere song uit te puren. Toch gaat de song niet echt ergens over, heb je het gevoel, en zit de geest van het spelen er toch wel in; mooi, want songschrijverij is toch ook nog altijd entertainment. ‘One More Cup of Coffee’ is, zoals eerder gezegd, geïnspireerd door Dylan’s ervaringen met de zigeuners in Zuid-Frankrijk. De zigeunermeid tot wie Dylan zich richt, is ten voeten uit; meer geïnteresseerd in het mythische aspect van het leven dan het alledaagse, eerder streetwise dan bookwise (“You’ve never learned to read or write; there’s no books upon your shelf”), mysterieus en ondoorgrondelijk in hart en nieren.
In ‘Oh, Sister’ ontkracht Dylan een huizenhoog cliché; “Time is an ocean”. Dylan plakt er een stukje aan, en maakt er het volgende van: “Time is an ocean, but it ends at the shore”. En zo is het maar net. Dylan heeft altijd al geweten dat tijd een concept is waarmee gespeeld kan worden, dat rekbaar is maar niet per definitie onbegrensbaar. ‘Oh, Sister’ is veelzeggend (de liefde tussen broer en zuster moet een onvoorwaardelijke liefde zijn), maar tegelijk roept het ook vragen op. Waar gaat dit precies over? Het beste is nog om al die vragen terzijde te schuiven, en gewoon te genieten van de song, en de aparte manier waarop Dylan zijn stem gebruikt, als een oosters instrument.
‘Joey’ is de langste song op de plaat, een episch en meesterlijk verteld relaas over leven en dood van Joey Gallo. In 11 minuten leer je Gallo niet alleen kennen, maar voel je ook met hem mee, ga je hem begrijpen en zelfs waarderen. De tekst van dit nummer is één van de beste die Dylan ooit heeft geschreven, weliswaar met de hulp van Levy, maar toch. Dat er zoveel mensen deze song maar niets vinden omwille van het muzikale karakter of de zang van Dylan, kan ik ergens nog begrijpen, maar de tekst zou toch op z’n minst waardering moeten uitlokken. Of verbazing, want dit verhaal zit toch erg goed in mekaar. Dylan is de lessen van Raeben nog lang niet vergeten, maar pakt het in dezen iets anders en persoonlijker aan.
Een zuiders sfeertje zet op; ‘Romance in Durango’ is begonnen. Ook hier zingt Dylan schokkend, zwevend, en gebruikt hij z’n stem eens te meer als instrument. De omkadering klinkt Latijns-Amerikaans, en Dylan zingt ook, samen met de voortreffelijke mejuffrouw Emmylou Harris (toen nog een mejuffrouw, vooral bekend als tweede stem bij Gram Parsons), enige regels in het Spaans. Emmylou Harris zou uiteindelijk nog een lange, bijzonder mooie carrière bij elkaar schrijven en zingen, maar op de prestatie die ze op ‘Desire’ neerzette, is ze apetrots. De meeste songs die op de plaat staan hoor je zoals ze in de studio zijn opgenomen, met weinig tot geen overdubs, meent ze te weten. Dat strookt ook met de manier van werken van Dylan, die zich nooit wil verliezen in al te veel details en perfectionistisch gedrag. Het is de spontaniteit die ‘m z’n kracht verleent.
‘Black Diamond Bay’, heerlijk ondersteund door Scarlet Rivera (viool) en Emmylou Harris (zang). Deze tekst is ook uiterst geschikt om doodgewoon te lezen, of voor te dragen. Dylan werkt op deze song weer op quasi dezelfde manier als hij op ‘Blood on the Tracks’ deed. Hij leidt de luisteraar om de tuin door het verhaal te vertellen in een venster dat hij aan het eind breekt. In de laatste strofe wordt immers duidelijk dat de strofes daarvoor opgepikt zijn van een nieuwsuitzending, en komt Dylan doodleuk vertellen, terwijl hij een biertje drinkt: “And I never did plan to go anyway, to Black Diamond Bay”.
Afsluiter van de plaat is het majestueuze ‘Sara’, een eerbetoon aan dé vrouw in Dylan’s leven, waardoor het licht in hun huwelijk nog even bleef schijnen. Niemand wist van deze song ook maar iets, tot Dylan een eerste, bijzonder intense versie bracht in de studio, uit het niets, met Sara Lownds in de controlekamer. Gelukkig nemen de muzikanten het bijzonder snel op, en slaagt Scarlet Rivera er zelfs in om de melancholie die in de tekst en de zang van Dylan schuilt, zelfs nog wat te versterken. Dylan sluit dit pronkstuk af met een mooie mondharmonicasolo, en geeft in de tekst ook weg dat ‘Sad Eyed Lady of the Lowlands’ inderdaad voor haar was geschreven, wat veel mensen uiteraard al wel doorhadden, door de duidelijke verwijzing in de titel naar Sara’s meisjesnaam.
Zoals op elke klasseplaat van Bob Dylan, zijn het de teksten die uitblinken. Na de pure protestliederen en folkliedjes in de beginperiode en de surrealistische poëzie van daarna, schrijft Dylan naturalistisch, over concrete zaken, maar toch met dat tikkeltje meer als op zijn eerste paar platen. Enkele grepen uit dit aanbod mogen dan ook niet ontbreken:
“As the island slowly sank;
The loser finally broke the bank in the gambling room;
The dealer said: “It’s too late now;
You can take your money, but I don’t know how;
You’ll spend it in the tomb”.” (‘Black Diamond Bay’)
“Always on the outside of whatever side there was;
When they asked him why it had to be that way, “Well”, he answered, “just because”.” (‘Joey’)
“The police department hounded him, they called him Mr. Smith;
They got him on conspiracy, they were never sure who with;
“What time is it?”, said the judge to Joey when they met;
“Five to ten”, said Joey, the judge says: “That’s exactly what you get”.” (‘Joey’)
“He did ten years in Attica, reading Nietsche and Wilhelm Reich;
They threw him in the hole one time, for tryin’ to stop a strike;
His closest friends were black men, ‘cause they seemed to understand;
What it’s like to be in society, with a shackle on your hand.” (‘Joey’, again)
“Had no idea what kinda shit was about to go down;
When a cop pulled him over to the side of the road;
Just like the time before and the time before that;
In Paterson that’s just the way things go;
If you’re black you might as well not show up on the street;
‘Less you wanna draw the heat.” (‘Hurricane’)
“Sara, Sara’, you must forgive me my unworthiness.” (‘Sara’)
4,5 sterren
Bob Dylan - Down in the Groove (1988)

1,5
0
geplaatst: 22 augustus 2013, 21:50 uur
10 nummers, goed voor 32 minuten. Zes covers, twee songs waarvan Dylan slechts co-auteur was, één song van de soundtrack voor ‘Hearts of Fire’, één outtake van ‘Infidels’. Geen wonder dat deze plaat door de verzamelde pers en critici danig door de gehaktmolen wordt gehaald. En ook niet geheel onterecht, moet ik nu toch besluiten.
Het schrijnende gebrek aan inspiratie hield nog even aan bij Dylan. Na het slechte ‘Knocked Out Loaded’ komt hij nu met een plaat waarop nog minder eigen nummers staan. Toch staat ook hier, in navolging van ‘Brownsville Girl’, weer een nummer op dat door veel fans toch geliefkoosd wordt; ‘Silvio’. De tekst wordt grotendeels toegeschreven aan Robert Hunter, tekstschrijver van The Grateful Dead. Het was niet de eerste samenwerking. Ook het koldereske ‘Ugliest Girl in the World’ is daar een voorbeeld van. Maar van alle nummers op deze vergeten plaat neemt ‘Silvio’ nog een enigszins prominente plaats in in het collectief geheugen. Op diverse verzamelaars kan je het nummer terugvinden. Erg speciaal vind ik het persoonlijk niet, gewoon een degelijk nummer. Om de waarheid te vertellen; Dylan heeft er véél betere.
Wat me meteen opviel, is dat kant B beter is dan kant A. deze bevat, naast de twee joined efforts met Hunter, nog drie mooie, ingetogen covers. Het eerste van die drie nummers is het mooie ‘Ninety Miles an Hour (Down a Dead End Street)’, geschreven door Don Robertson en Hal Blair, maar vooral, gebracht door Hank Snow, één van Dylans oude helden. ‘Shenandoah’ is Dylans bewerking van een traditional die vroeger geliefd was onder schippers en dergelijke op de Missouri. De uitvoering en ondersteuning is opvallend sober, met het roestige, folky harmonicaspel van Dylan. Afsluiter ‘Rank Strangers (to Me)’, geschreven door Albert Brumley en bekend gemaakt door de Stanley Brothers. Dit drietal zorgt voor peis en vree, en uiteindelijk een score die niet helemaal tot beneden zinkt.
Alles wat op kant A staat, vind ik namelijk ronduit beroerd, met uitzondering misschien van ‘Death Is Not the End’. Dit nummer is de outtake van ‘Infidels’, en het is zeer vreemd dat dit nummer werd opgevist, en niet ‘Blind Willie McTell’ of ‘Foot of Pride’, die ook nog langzaam lagen te vergaan in het archief. Gelukkig werden deze twee parels nog opgevist dankzij The Bootleg Series. ‘Death Is Not the End’ werd later gecoverd door Nick Cave, en Freek De Jonge maakte een vertaling, getiteld ‘Leven Na de Dood’. De versie van Dylan is niet zo licht en humoristisch als die van De Jonge, met zinsneden als “When the cities are on fire with the burning flesh of men” en “When you’re sad and when you’re lonely, and you haven’t got a friend”. Toch herbergt de song ook een boodschap van troost: “Just remember that death is not the end”.
De overige songs, tja.. Ik durf het woord meuk in de mond te nemen. De opener is een beroerde cover van Wilbert Harrison’s hit ‘Let’s Stick Together’. De zang van Dylan is erg, erg mager en houdt helemaal geen steek. ‘When Did You Leave Heaven?’ en ‘Sally Sue Brown’ zijn ook verre van memorabel.
De plaat voelt niet alleen aan als een samenraapsel van opnames en outtakes, dat is het ook gewoon. Onsamenhangend, “zomaar een boel nummers”. De inspiratie was ver te zoeken, dat is ook duidelijk te horen. Het populaire blad Rolling Stone noemde dit de slechtste prestatie ooit van Dylan, ze zullen er niet ver naast zitten. Van wat ik tot nu toe ken, is enkel ‘Dylan’ nog een tikkeltje minder. ‘Knocked Out Loaded’ is gewaagd aan deze worp, en dan weet je ’t wel. Ondanks de albumtitel en de hoes, klinken de nummers dof en te gewoon voor Dylans doen.
Men zegt wel ‘ns dat elke hoogconjunctuur ooit omslaat, en dat is andersom evenzo. Na ‘Down in the Groove’ vond Dylan zijn drive en inspiratie gelukkig genoeg deels terug, om sinds ‘Time Out of Mind’ weer voluit te schitteren. Maar over die platen later meer. Ik zal dan ongetwijfeld een pak lyrischer klinken.
1,5 sterren
Het schrijnende gebrek aan inspiratie hield nog even aan bij Dylan. Na het slechte ‘Knocked Out Loaded’ komt hij nu met een plaat waarop nog minder eigen nummers staan. Toch staat ook hier, in navolging van ‘Brownsville Girl’, weer een nummer op dat door veel fans toch geliefkoosd wordt; ‘Silvio’. De tekst wordt grotendeels toegeschreven aan Robert Hunter, tekstschrijver van The Grateful Dead. Het was niet de eerste samenwerking. Ook het koldereske ‘Ugliest Girl in the World’ is daar een voorbeeld van. Maar van alle nummers op deze vergeten plaat neemt ‘Silvio’ nog een enigszins prominente plaats in in het collectief geheugen. Op diverse verzamelaars kan je het nummer terugvinden. Erg speciaal vind ik het persoonlijk niet, gewoon een degelijk nummer. Om de waarheid te vertellen; Dylan heeft er véél betere.
Wat me meteen opviel, is dat kant B beter is dan kant A. deze bevat, naast de twee joined efforts met Hunter, nog drie mooie, ingetogen covers. Het eerste van die drie nummers is het mooie ‘Ninety Miles an Hour (Down a Dead End Street)’, geschreven door Don Robertson en Hal Blair, maar vooral, gebracht door Hank Snow, één van Dylans oude helden. ‘Shenandoah’ is Dylans bewerking van een traditional die vroeger geliefd was onder schippers en dergelijke op de Missouri. De uitvoering en ondersteuning is opvallend sober, met het roestige, folky harmonicaspel van Dylan. Afsluiter ‘Rank Strangers (to Me)’, geschreven door Albert Brumley en bekend gemaakt door de Stanley Brothers. Dit drietal zorgt voor peis en vree, en uiteindelijk een score die niet helemaal tot beneden zinkt.
Alles wat op kant A staat, vind ik namelijk ronduit beroerd, met uitzondering misschien van ‘Death Is Not the End’. Dit nummer is de outtake van ‘Infidels’, en het is zeer vreemd dat dit nummer werd opgevist, en niet ‘Blind Willie McTell’ of ‘Foot of Pride’, die ook nog langzaam lagen te vergaan in het archief. Gelukkig werden deze twee parels nog opgevist dankzij The Bootleg Series. ‘Death Is Not the End’ werd later gecoverd door Nick Cave, en Freek De Jonge maakte een vertaling, getiteld ‘Leven Na de Dood’. De versie van Dylan is niet zo licht en humoristisch als die van De Jonge, met zinsneden als “When the cities are on fire with the burning flesh of men” en “When you’re sad and when you’re lonely, and you haven’t got a friend”. Toch herbergt de song ook een boodschap van troost: “Just remember that death is not the end”.
De overige songs, tja.. Ik durf het woord meuk in de mond te nemen. De opener is een beroerde cover van Wilbert Harrison’s hit ‘Let’s Stick Together’. De zang van Dylan is erg, erg mager en houdt helemaal geen steek. ‘When Did You Leave Heaven?’ en ‘Sally Sue Brown’ zijn ook verre van memorabel.
De plaat voelt niet alleen aan als een samenraapsel van opnames en outtakes, dat is het ook gewoon. Onsamenhangend, “zomaar een boel nummers”. De inspiratie was ver te zoeken, dat is ook duidelijk te horen. Het populaire blad Rolling Stone noemde dit de slechtste prestatie ooit van Dylan, ze zullen er niet ver naast zitten. Van wat ik tot nu toe ken, is enkel ‘Dylan’ nog een tikkeltje minder. ‘Knocked Out Loaded’ is gewaagd aan deze worp, en dan weet je ’t wel. Ondanks de albumtitel en de hoes, klinken de nummers dof en te gewoon voor Dylans doen.
Men zegt wel ‘ns dat elke hoogconjunctuur ooit omslaat, en dat is andersom evenzo. Na ‘Down in the Groove’ vond Dylan zijn drive en inspiratie gelukkig genoeg deels terug, om sinds ‘Time Out of Mind’ weer voluit te schitteren. Maar over die platen later meer. Ik zal dan ongetwijfeld een pak lyrischer klinken.
1,5 sterren
Bob Dylan - Dylan (1973)
Alternatieve titel: A Fool Such as I

1,5
0
geplaatst: 23 augustus 2012, 21:38 uur
Kort woordje vooraf: ‘Dylan’ is geen Dylanplaat. Natuurlijk zijn de nummers opgenomen door Bob Dylan, en zijn het in die zin dus wel nummers van Dylan, maar het was nooit de bedoeling deze nummers uit te brengen. Het is een steek onder water van de bazen van Columbia Records, die in die periode hun poulain zagen overstappen naar Geffen. ‘Planet Waves’ was meteen een succes voor die platenmaatschappij, en toen Dylan ook weer voor het eerst in jaren ging touren, voelden de hoge omes zich bekocht door de artiest. Dus bedachten ze een tegenzet.
De eerste reflex is dan een compilatie samenstellen, een soort best-of met de meest populaire liedjes van de artiest. Dat scenario liet men varen, omdat het al bulkte van die Dylancompilaties. En omdat het te veel tijd zou kosten om in de uitgebreide archieven te duikelen, besloot men om wat overblijfselen van de sessies voor ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’ op een hoop te gooien, en het geheel een plaat te noemen.
Dat Dylan zelf nooit de intentie had te songs naar buiten te brengen, kan je opmaken uit volgende quote:
“Het was nooit bedoeld om te worden uitgebracht. Ik dacht dat dat duidelijk was. Het was spul om mijn stem op te warmen. Zo slecht was het nu ook weer niet!”
De laatste zijn wijst er verrassend genoeg op dat Dylan ze best oké vond, die negen nummers. Slechts eentje daarvan was een eigen nummer, als ik me niet vergis; ‘Sarah Jane’. Dat is dan nog één van de betere nummers. De twee nummers die ik later misschien nog wel ’s zal beluisteren, zijn het Middeleeuws aandoende ‘Lily of the West’ (een traditional), en de fraaie vertelling ‘The Ballad of Ira Hayes’, origineel van Peter La Farge, maar Dylan brengt het op zo’n manier dat je denkt dat hij het nummer zelf heeft geschreven (en laten we eerlijk zijn, de thematiek leunt ook wel aan bij Dylan’s beginjaren).
En dan is het uit met de pret. ‘Spanish Is the Loving Tongue’ is tenenkrommend slecht uitgevoerd (met die irritante backing vocals), ‘Big Yellow Taxi’ heeft Dylan voor een keertje ‘ns volledig mismeesterd (het fraaie origineel is er niet meer in terug te vinden), en ‘Fool Such as I’ is nog wel vermakelijk, maar o zo zoutloos. De zang is een combinatie tussen het geluid van ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’, wat logisch is, maar je hoort toch wel duidelijk waarom deze nummers op geen van beide platen staan. Ze zijn te mat, te dof gebracht, en dan moet je rekening houden met het feit dat ‘Self Portrait’ ook niet bepaald een geweldige plaat is, verre van zelfs.
‘Mr. Bojangles’ valt dan nog mee, maar is alweer een cover, en dat breekt me nog ’t meest zuur op; ik wil Dylan Dylannummers horen brengen, laat het coveren maar aan anderen over. Dylan’s grootste troef zijn z’n teksten toch wel voor mij, veel songs zijn gaandeweg een eigen leven gaan leiden, ‘Desolation Row’ vormde zelfs een geheel nieuwe wereld. ‘Dylan’ is niet meer dan opvulsel, een marketingzet van gefrustreerde platenbonzen. En mijn enige troost is dat Dylan er weinig tot niets mee te maken heeft.
1,5 sterren
De eerste reflex is dan een compilatie samenstellen, een soort best-of met de meest populaire liedjes van de artiest. Dat scenario liet men varen, omdat het al bulkte van die Dylancompilaties. En omdat het te veel tijd zou kosten om in de uitgebreide archieven te duikelen, besloot men om wat overblijfselen van de sessies voor ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’ op een hoop te gooien, en het geheel een plaat te noemen.
Dat Dylan zelf nooit de intentie had te songs naar buiten te brengen, kan je opmaken uit volgende quote:
“Het was nooit bedoeld om te worden uitgebracht. Ik dacht dat dat duidelijk was. Het was spul om mijn stem op te warmen. Zo slecht was het nu ook weer niet!”
De laatste zijn wijst er verrassend genoeg op dat Dylan ze best oké vond, die negen nummers. Slechts eentje daarvan was een eigen nummer, als ik me niet vergis; ‘Sarah Jane’. Dat is dan nog één van de betere nummers. De twee nummers die ik later misschien nog wel ’s zal beluisteren, zijn het Middeleeuws aandoende ‘Lily of the West’ (een traditional), en de fraaie vertelling ‘The Ballad of Ira Hayes’, origineel van Peter La Farge, maar Dylan brengt het op zo’n manier dat je denkt dat hij het nummer zelf heeft geschreven (en laten we eerlijk zijn, de thematiek leunt ook wel aan bij Dylan’s beginjaren).
En dan is het uit met de pret. ‘Spanish Is the Loving Tongue’ is tenenkrommend slecht uitgevoerd (met die irritante backing vocals), ‘Big Yellow Taxi’ heeft Dylan voor een keertje ‘ns volledig mismeesterd (het fraaie origineel is er niet meer in terug te vinden), en ‘Fool Such as I’ is nog wel vermakelijk, maar o zo zoutloos. De zang is een combinatie tussen het geluid van ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’, wat logisch is, maar je hoort toch wel duidelijk waarom deze nummers op geen van beide platen staan. Ze zijn te mat, te dof gebracht, en dan moet je rekening houden met het feit dat ‘Self Portrait’ ook niet bepaald een geweldige plaat is, verre van zelfs.
‘Mr. Bojangles’ valt dan nog mee, maar is alweer een cover, en dat breekt me nog ’t meest zuur op; ik wil Dylan Dylannummers horen brengen, laat het coveren maar aan anderen over. Dylan’s grootste troef zijn z’n teksten toch wel voor mij, veel songs zijn gaandeweg een eigen leven gaan leiden, ‘Desolation Row’ vormde zelfs een geheel nieuwe wereld. ‘Dylan’ is niet meer dan opvulsel, een marketingzet van gefrustreerde platenbonzen. En mijn enige troost is dat Dylan er weinig tot niets mee te maken heeft.
1,5 sterren
Bob Dylan - Empire Burlesque (1985)

2,5
2
geplaatst: 9 juli 2013, 20:51 uur
Zijn zo goed als vaste stramien (een studio boeken voor een bepaalde, meestal korte periode en uit die sessies een plaat samenstellen) liet hij los voor ‘Empire Burlesque’; de opnames werden, na een lucratieve tour door Europa (waarbij hij ook voor het eerst in België optrad, trouwens), over een dik halfjaar uitgesmeerd. Kwansuis, bijna. Dylan nam enkel op wanneer hij zich geïnspireerd voelde en/of er zin in had.
Ook in de supervisie en de bemoeizucht van een externe producer had hij niet veel zin. Dylan had op dat punt in zijn carrière al genoeg producers ontmoet en ermee samengewerkt, dat hij heel goed wist dat het niet altijd even makkelijk was. Die producers dachten overigens precies hetzelfde over de grillige singer-songwriter, die natuurlijk ook lang niet de gemakkelijkste is. In eerste instantie trok Dylan zich vreemd genoeg niet al te veel van de productie aan. Hij liet de geluidstechnici maar wat knutselen, tot ontsteltenis van Ronnie Wood (Faces, Rolling Stones), die kwam meespelen tijdens één van die “geïnspireerde” sessies.
Uiteindelijk kwam er toch nog een externe producer aan te pas, en dat was Arthur Baker, de grote ster onder de producers in die tijden. Hij was van disco en rap overgeschakeld naar de rockbusiness, en had al werk geleverd voor o.a. Bruce Springsteen. Dylan zag zo’n “hit” ook wel zitten, het gevolg is dat de meeste nummers op ‘Empire Burlesque’ een in die tijden hip, maar nu o zo gedateerd jaren ’80 kleedje om het lijf hebben gekregen. Lichtpunten zijn dan de twee laatste nummers, waarvan vooral afsluiter ‘Dark Eyes’ me weet te charmeren; Dylan op akoestische gitaar, beetje harmonicaspel erbij en een mooie tekst. Ook goed om weten is dat Dylan dit nummer nog eventjes uit zijn mouw schudde kort voor de release, omdat er nog een tiende nummer bij moest, die, op vraag van Baker, sober moest zijn, zodat dit zou contrasteren met de negen songs daarvoor. Een heel goeie zet, maar tegelijkertijd doet het je mijmeren. Als Dylan zo’n pareltje kon schrijven in zo’n kort tijdsbestek, had hij zeker en vast een hele plaat van dat niveau in zich.
Qua teksten heeft Dylan zijn inspiratie gehaald in de film noir (Humphrey Bogart was z’n held), en ook in zijn eigen leven. Hij had een nieuw leven opgebouwd met zijn nieuwe Grote Liefde, achtergrondzangeres Carolyn Dennis. Zij speelt ook een belangrijke rol op de plaat; samen met vooral Queen Esther Marrow en Peggie Blu zorgde ze veelvuldig voor backing vocals. En voor enige stabiliteit in Dylan’s van nature woelige privéleven, uiteraard.
De overheersende muziekstijlen op ‘Empire Burlesque’ zijn, zoals eerder gehint, funky rock en pop. Een hoogvlieger op het gebied van verkoopcijfers werd het echter niet, en dat is dan vooral te danken aan Dylan zelf. Hij maakte weinig promotie voor de plaat (geen tournee, bijvoorbeeld), en zette een karikatuur van zichzelf neer op Live Aid. Met de hulp van twee dronken en waarschijnlijk ook, euhm, stonede Stones. Dat moet toch wel aangekomen zijn, terwijl hij een hit best zag zitten. Enkele vreemde beslissingen hebben ook niet echt bijgedragen tot het succes van deze plaat. Zo bleef ‘New Danville Girl’ jammer genoeg van de plaat (al keerde het wel terug op de volgende plaat, zij het onder een andere titel, en er was flink aan gesleuteld). Ook werd er van het langste nummer, ‘When the Night Comes Falling from the Sky’, gekozen voor de versie onder leiding van producer Baker, en niet de mooiere versie die in 1991 verscheen op ‘The Bootleg Series, Vol. 1-3’.
‘Empire Burlesque’ is bovenal één van de meest treffende voorbeelden van overkill in het oeuvre van Dylan. De volle productie van ‘Infidels’ wordt nog iets verder getrokken, en te fel opgesmukt met de na verloop van tijd irriterende backings en het blazersspel van de Urban Blight Horns, erbij gehaald door, jawel, Arthur Baker. Ik geloof erin dat ‘Empire Burlesque’ zonder Baker een betere plaat zou zijn geweest. Dylan had wellicht andere keuzes gemaakt dan, en wie weet, nog een paar briljantjes zoals de afsluiter geschreven. Dylan kreeg overigens ook kritiek voor deze hitgevoeligere en commerciëlere aanpak. Hij reageerde daar op zijn eigen, onovertroffen wijze op: “Ik luister nog altijd naar Charley Patton”. 1-0 voor Dylan.
De productie is soms zo verstikkend dat je vergeet dat er nog teksten achter de muziek schuilgaan, en dat is bijzonder jammer. Want bij Dylan zijn de teksten meestal zeer goed, of op z’n minst toch de moeite. Hij heeft zijn inspiratieloze momenten gehad (kan ook niet anders, als je zo immens veel liedjes hebt geschreven), maar overall ligt het tekstuele niveau van zijn catalogus toch een pak hoger dan dat van de meeste van zijn collegae. Ik heb het al gehad over ‘Dark Eyes’, dat qua tekst eigenlijk lijnrecht tegenover de muzikale filosofie van het album staat (“But I feel nothing for their game where beauty goes unrecognized; all I feel is heat and flame and all I see are dark eyes.”).
Veel teksten van het album zijn gebaseerd op de film noir. Vooral de film ‘The Maltese Falcon’ was blijkbaar belangrijk; in drie songs (de twee eerste nummers en ‘When the Night Comes Falling from the Sky’) worden er naar verluidt zelfs letterlijk citaten overgenomen. Zijn eigen excentrieke, impressionistische manier van schrijven van halfweg de jaren ’60 komt hier ook weer even om de hoek piepen. In de overigens uitstekende opener klinkt:
“a hot-blooded singer singing ‘Memphis in June’;
While they’re beating the devil out of a guy, who’s wearing a powder-blue wig;
Later he’ll be shot for resisting arrest;
I can still hear his voice crying in the wilderness.”
Ook pop culture verwijzingen komen veel voor. Vooral in ‘Clean Cut Kid’, dat een leftover van de opnamen voor ‘Infidels’ was, wordt dit op de spits gedreven:
“He drank Coca Cola, he was eating Wonder Bread;
Ate Burger Kings, he was well fed;
He went to Hollywood to see Peter O’Toole;
He stole a Rolls-Royce and drove it in a swimming pool.”
Anderzijds zijn zinnetjes als “He bought the American Dream but it put him in debt; the only game he could play was Russian Roulette” dan weer echt grandioos, hard en to the point, en gaat voor een deel de vergelijking met hip-hopteksten op. Daarin herken ik vaak eenzelfde soort gortdroge, botte waarheid.
Ook ‘Something’s Burning, Baby’ kent zo’n fantastisch stukje tekst:
“I can feel it in the wind and it’s upside down;
I can feel it in the dust as I get off the bus on the outskirts of town;
I’ve had the Mexico City blues since the last hairpin curve;
I don’t wanna see you bleed, I know what you need but it ain’t what you deserve.”
Dit soort teksten toont eens te meer dat Dylan een breed scala aan schrijfstijlen beheerst. Hij kan zeer omslachtig en beschrijvend te werk gaan, met fraaie uitweidingen en panoramisch mooie omwegjes, maar ook zeer ad rem en sec schrijven. Zeggen waar het op staat in enkele zinnen.
‘Empire Burlesque’ is grillig qua kwaliteit, omdat er een zeker contrast bestaat tussen twee liedjesgroepen. De eerste groep bestaat uit het openingsnummer en de drie laatste songs, en die zijn gewoon uitstekend. De andere songs steken daar echter flets tegen af, en dat is altijd jammer, maar hier nog eens te meer omdat ik het gevoel heb dat dit een veel betere plaat had kunnen zijn. Niet de eerste keer dat ik dat denk tijdens het doorploegen van ’s mans oeuvre. Een plaat waarvan de hoes tekenend is voor de productie en stijl. Een plaat om, misschien niet snel te vergeten, maar toch in een stoffige map te steken en er verder niet al te veel meer naar om te kijken. Af en toe nog eens genieten van ‘Dark Eyes’, meer zal het niet zijn. De eerste luisterbeurt was nog best spannend (dat is altijd het geval), na die vuurdoop ging het enkel bergaf in mijn beleving. Een zeer krappe voldoende dringt zich dan ook, ondanks het meespelen van onder meer Steven Van Zandt, enkele Heartbreakers (band van Tom Petty), de eerder vernoemde Ronnie Wood, Al Kooper en Robbie Shakespeare, op.
2,5 sterren
Ook in de supervisie en de bemoeizucht van een externe producer had hij niet veel zin. Dylan had op dat punt in zijn carrière al genoeg producers ontmoet en ermee samengewerkt, dat hij heel goed wist dat het niet altijd even makkelijk was. Die producers dachten overigens precies hetzelfde over de grillige singer-songwriter, die natuurlijk ook lang niet de gemakkelijkste is. In eerste instantie trok Dylan zich vreemd genoeg niet al te veel van de productie aan. Hij liet de geluidstechnici maar wat knutselen, tot ontsteltenis van Ronnie Wood (Faces, Rolling Stones), die kwam meespelen tijdens één van die “geïnspireerde” sessies.
Uiteindelijk kwam er toch nog een externe producer aan te pas, en dat was Arthur Baker, de grote ster onder de producers in die tijden. Hij was van disco en rap overgeschakeld naar de rockbusiness, en had al werk geleverd voor o.a. Bruce Springsteen. Dylan zag zo’n “hit” ook wel zitten, het gevolg is dat de meeste nummers op ‘Empire Burlesque’ een in die tijden hip, maar nu o zo gedateerd jaren ’80 kleedje om het lijf hebben gekregen. Lichtpunten zijn dan de twee laatste nummers, waarvan vooral afsluiter ‘Dark Eyes’ me weet te charmeren; Dylan op akoestische gitaar, beetje harmonicaspel erbij en een mooie tekst. Ook goed om weten is dat Dylan dit nummer nog eventjes uit zijn mouw schudde kort voor de release, omdat er nog een tiende nummer bij moest, die, op vraag van Baker, sober moest zijn, zodat dit zou contrasteren met de negen songs daarvoor. Een heel goeie zet, maar tegelijkertijd doet het je mijmeren. Als Dylan zo’n pareltje kon schrijven in zo’n kort tijdsbestek, had hij zeker en vast een hele plaat van dat niveau in zich.
Qua teksten heeft Dylan zijn inspiratie gehaald in de film noir (Humphrey Bogart was z’n held), en ook in zijn eigen leven. Hij had een nieuw leven opgebouwd met zijn nieuwe Grote Liefde, achtergrondzangeres Carolyn Dennis. Zij speelt ook een belangrijke rol op de plaat; samen met vooral Queen Esther Marrow en Peggie Blu zorgde ze veelvuldig voor backing vocals. En voor enige stabiliteit in Dylan’s van nature woelige privéleven, uiteraard.
De overheersende muziekstijlen op ‘Empire Burlesque’ zijn, zoals eerder gehint, funky rock en pop. Een hoogvlieger op het gebied van verkoopcijfers werd het echter niet, en dat is dan vooral te danken aan Dylan zelf. Hij maakte weinig promotie voor de plaat (geen tournee, bijvoorbeeld), en zette een karikatuur van zichzelf neer op Live Aid. Met de hulp van twee dronken en waarschijnlijk ook, euhm, stonede Stones. Dat moet toch wel aangekomen zijn, terwijl hij een hit best zag zitten. Enkele vreemde beslissingen hebben ook niet echt bijgedragen tot het succes van deze plaat. Zo bleef ‘New Danville Girl’ jammer genoeg van de plaat (al keerde het wel terug op de volgende plaat, zij het onder een andere titel, en er was flink aan gesleuteld). Ook werd er van het langste nummer, ‘When the Night Comes Falling from the Sky’, gekozen voor de versie onder leiding van producer Baker, en niet de mooiere versie die in 1991 verscheen op ‘The Bootleg Series, Vol. 1-3’.
‘Empire Burlesque’ is bovenal één van de meest treffende voorbeelden van overkill in het oeuvre van Dylan. De volle productie van ‘Infidels’ wordt nog iets verder getrokken, en te fel opgesmukt met de na verloop van tijd irriterende backings en het blazersspel van de Urban Blight Horns, erbij gehaald door, jawel, Arthur Baker. Ik geloof erin dat ‘Empire Burlesque’ zonder Baker een betere plaat zou zijn geweest. Dylan had wellicht andere keuzes gemaakt dan, en wie weet, nog een paar briljantjes zoals de afsluiter geschreven. Dylan kreeg overigens ook kritiek voor deze hitgevoeligere en commerciëlere aanpak. Hij reageerde daar op zijn eigen, onovertroffen wijze op: “Ik luister nog altijd naar Charley Patton”. 1-0 voor Dylan.
De productie is soms zo verstikkend dat je vergeet dat er nog teksten achter de muziek schuilgaan, en dat is bijzonder jammer. Want bij Dylan zijn de teksten meestal zeer goed, of op z’n minst toch de moeite. Hij heeft zijn inspiratieloze momenten gehad (kan ook niet anders, als je zo immens veel liedjes hebt geschreven), maar overall ligt het tekstuele niveau van zijn catalogus toch een pak hoger dan dat van de meeste van zijn collegae. Ik heb het al gehad over ‘Dark Eyes’, dat qua tekst eigenlijk lijnrecht tegenover de muzikale filosofie van het album staat (“But I feel nothing for their game where beauty goes unrecognized; all I feel is heat and flame and all I see are dark eyes.”).
Veel teksten van het album zijn gebaseerd op de film noir. Vooral de film ‘The Maltese Falcon’ was blijkbaar belangrijk; in drie songs (de twee eerste nummers en ‘When the Night Comes Falling from the Sky’) worden er naar verluidt zelfs letterlijk citaten overgenomen. Zijn eigen excentrieke, impressionistische manier van schrijven van halfweg de jaren ’60 komt hier ook weer even om de hoek piepen. In de overigens uitstekende opener klinkt:
“a hot-blooded singer singing ‘Memphis in June’;
While they’re beating the devil out of a guy, who’s wearing a powder-blue wig;
Later he’ll be shot for resisting arrest;
I can still hear his voice crying in the wilderness.”
Ook pop culture verwijzingen komen veel voor. Vooral in ‘Clean Cut Kid’, dat een leftover van de opnamen voor ‘Infidels’ was, wordt dit op de spits gedreven:
“He drank Coca Cola, he was eating Wonder Bread;
Ate Burger Kings, he was well fed;
He went to Hollywood to see Peter O’Toole;
He stole a Rolls-Royce and drove it in a swimming pool.”
Anderzijds zijn zinnetjes als “He bought the American Dream but it put him in debt; the only game he could play was Russian Roulette” dan weer echt grandioos, hard en to the point, en gaat voor een deel de vergelijking met hip-hopteksten op. Daarin herken ik vaak eenzelfde soort gortdroge, botte waarheid.
Ook ‘Something’s Burning, Baby’ kent zo’n fantastisch stukje tekst:
“I can feel it in the wind and it’s upside down;
I can feel it in the dust as I get off the bus on the outskirts of town;
I’ve had the Mexico City blues since the last hairpin curve;
I don’t wanna see you bleed, I know what you need but it ain’t what you deserve.”
Dit soort teksten toont eens te meer dat Dylan een breed scala aan schrijfstijlen beheerst. Hij kan zeer omslachtig en beschrijvend te werk gaan, met fraaie uitweidingen en panoramisch mooie omwegjes, maar ook zeer ad rem en sec schrijven. Zeggen waar het op staat in enkele zinnen.
‘Empire Burlesque’ is grillig qua kwaliteit, omdat er een zeker contrast bestaat tussen twee liedjesgroepen. De eerste groep bestaat uit het openingsnummer en de drie laatste songs, en die zijn gewoon uitstekend. De andere songs steken daar echter flets tegen af, en dat is altijd jammer, maar hier nog eens te meer omdat ik het gevoel heb dat dit een veel betere plaat had kunnen zijn. Niet de eerste keer dat ik dat denk tijdens het doorploegen van ’s mans oeuvre. Een plaat waarvan de hoes tekenend is voor de productie en stijl. Een plaat om, misschien niet snel te vergeten, maar toch in een stoffige map te steken en er verder niet al te veel meer naar om te kijken. Af en toe nog eens genieten van ‘Dark Eyes’, meer zal het niet zijn. De eerste luisterbeurt was nog best spannend (dat is altijd het geval), na die vuurdoop ging het enkel bergaf in mijn beleving. Een zeer krappe voldoende dringt zich dan ook, ondanks het meespelen van onder meer Steven Van Zandt, enkele Heartbreakers (band van Tom Petty), de eerder vernoemde Ronnie Wood, Al Kooper en Robbie Shakespeare, op.
2,5 sterren
Bob Dylan - Good as I Been to You (1992)

4,0
2
geplaatst: 12 november 2013, 19:16 uur
Waar ‘Oh Mercy’ de algehele hoop van de massa Dylanfans weer aanwakkerde (‘Yes! Onze held is terug!’), leek opvolger ‘Under the Red Sky’ dat buitensporige gevoel genadeloos de kop in te drukken. Dylan was toen al enkele jaren erg frequent on tour, de zogenaamde Neverending Tour. Die eiste slachtoffers, met als voornaamste slachtoffer Dylan zelf. Hij verloor stukje bij beetje het geloof in zichzelf, en, vooral, in het nut van zijn artiestenbestaan. Hij vroeg zich hardop af of mensen nog wel een boodschap hadden aan zijn songs, en dacht dat hij misschien wel op het punt was gekomen dat het genoeg was geweest.
Tijdens de optredens stond Dylan vaak dronken op het podium, wat tot ondermaatse concerten leidde. Ook de verkoop van zijn platen (zowel zijn eigen plaat als de tweede met Traveling Wilburys) viel enorm tegen. En dat net in tijden van persoonlijke crisis; zijn tweede officiële vrouw Carolyn Dennis was het beu wekenlang alleen thuis te zitten, en vroeg de scheiding aan. Dit zou natuurlijk weer tijdrovend, maar vooral financieel zwaar zijn om te dragen. Kortom: Dylan moest dus op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten, maar het ontbrak hem zowel aan wilskracht en inspiratie.
Het beruchte spook dat gekend is onder de naam writer’s block, had Dylan in eerdere era’s al een paar keer bezocht, maar, hoewel het met twee kwade vuisten op de deur bonkte, wist Dylan het nog enigszins uit zijn geest te weren. In 1992 zat hij, door een combinatie van factoren, waarvan enkele hierboven al benoemd zijn, mentaal zo goed als aan de grond. Uiteindelijk kwam hij via via (naar verluidt op aanraden van Neil Young, nadat ze samen een concert hadden bijgewoond) terecht bij David Bromberg, een snarenvirtuoos die al eerder met Dylan samenspeelde, op ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’. Dylan had zelfs ooit nog mondharmonica gespeeld op diens titelloze debuut. Bromberg nodigde Dylan uit in de Acme Recording Studio te Chicago, en van het één kwam het ander.
De zin en inspiratie om eigen composities neer te pennen en op te nemen, ontbrak nog steeds bij Dylan. Daarom zocht hij zijn heil in covers, veelal oude nummers, waaronder een pak traditionals, maar ook nummers van o.a. Tim Hardin, Jimmy Rodgers en Bromberg zelve. Ook live speelde Dylan, in de akoestische gedeelten van zijn shows, al eens een cover, liedjes van collega’s als Paul Simon, maar even vaak traditionals. De songs uit deze tweede categorie overvielen hem gewoon; Dylan speelde ze zonder zich er echt van bewust te zijn, verklaarde hij later.
Met Bromberg en een heel arsenaal aan sessiemuzikanten werden een pak nummers opgenomen, waarvan uiteindelijk zo’n 15 geselecteerd werden. Het mixen liet Dylan over aan Bromberg, omdat hij “hem vertrouwde”. Bromberg kweet zich van zijn taak, maar jammer genoeg zijn hier niet veel dingen van terug te vinden op officiële releases. Op ‘Tell Tale Signs’ (volume 8 van The Bootleg Series) kwamen twee songs terecht, ‘Duncan & Brady’ en ‘Miss the Mississippi’.
De plaat leek zo goed als klaar om uitgebracht te worden, maar dat was buiten de waard gerekend. Dylan zelf was, nadat hij was teruggekeerd na een reeks concerten, helemaal niet tevreden over het resultaat dat hij te horen kreeg. Hij deed over alles moeilijk, en Bromberg had het verkorven. Een behoorlijke reden heeft hij daar naar wat ik heb gelezen nooit voor gegeven; we zullen het dan maar op het conto van zijn eigen, grillige zelf schrijven. Back to zero.
Enfin, u merkt het; deze plaat heeft, vooraleer we aan de eigenlijke opnamen kunnen beginnen, al een geheel eigen voorgeschiedenis. Juni 1992 was wat dat betreft een zeer bewogen maand. En hoe lastig en sputterend alles leek te verlopen in die maand, zo vlotjes verliep het de maand erna. In de loop van juli 1992 begon Dylan namelijk, helemaal solo, akoestische opnames te maken van nummers die hij al sinds zijn prille jeugd koesterde.
We keren even terug naar het begin van de jaren ’60, setting: Greenwich Village, New York. Tientallen jonge mensen probeerden het te maken als muzikant, kunstenaar of wat dan ook. Onder hen ene Robert Allen Zimmerman, een enthousiaste noorderling, die al snel naam maakte, met dank aan zijn aparte voorkomen en soms nogal wilde, maar altijd energieke en aanmatigende spel. Ook zijn stem had iets speciaals; alsof een snotneus wonderen kon doen. Die jonge Dylan, vol dromen, en niet beseffend dat die ook daadwerkelijk zouden uitkomen, hield van oude folk- en bluessongs; gospel en bluegrass; een vleugje country. Hij leerde veel van die liedjes kennen dankzij Dave Van Ronk, medemuzikant, soort-van-mentor en wandelende muziekencyclopedie. Woody Guthrie, Hank Williams, Robert Johnson; het waren slechts enkele van zijn helden, en hij had ook een groot ontzag voor alle van generatie op generatie overgeleverde songs, de zogenaamde traditionals. Vaak waren het nummers met een maatschappelijke inslag (negro-spirituals, bijvoorbeeld, of moraliserende levenslessen), maar evenzeer doodsimpele liefdesliedjes.
Een slordige dertig jaar later besloot diezelfde Bob Dylan om in zijn thuisstudio in Point Dume, met de hulp van slechts een geluidstechnicus (Micajah Ryan) en producer Debbie Gold, toen manager van The Grateful Dead, een volledig akoestische soloplaat op te nemen; dus, soloplaat in de zuiverste zin van het woord. Dat was geleden van in zijn begindagen, en met name Gold vond het een geweldig idee, en had ook goeie hoop voor de verkoopcijfers. Ik moet dat echter meteen even ontkrachten; zowel ‘Good as I Been to You’ als diens opvolger ‘World Gone Wrong’ zouden geen hoge ogen gooien, het meeste ophef zou nog ontstaan over het feit dat Dylan de nummers brandmerkte met “trad. arr. Bob Dylan”, terwijl de meeste versies niet eens zoveel afweken van oudere versies, en van het merendeel van de nummers ook een meer dan sterk vermoeden bestond wie de schrijver was.
Maar dat neemt niet weg dat ‘Good as I Been to You’ een bescheiden dijk van een plaat is. De sfeer die de plaat uitademt (wasemt, bijna) ruikt naar roestige ketenen en geurig brandhout, en komt eigenlijk uitermate gezellig over. De teneur van de songs is niet bepaald optimistisch (zal zeker te maken hebben met zijn op stapel staande echtscheiding), de albumtitel werd uiteindelijk gedistilleerd uit de veelzeggende strofe “You’re gonna quit me baby, good as I been to you”.
De stem van Dylan, aangetast door de opeenvolging van concerten en overmatig drank-, sigaretten- en drugsgebruik, klinkt verrassend genoeg niet vermoeid of ongeïnspireerd. Ondanks alle tegenslagen slaagde Dylan er alweer in zichzelf te hervinden, en dat wel in zijn eigen verleden. Hij zou beide coverplaten ook nog jarenlang verdedigen tegen de matige kritieken en platenverkoop. En wat mij betreft heeft de Meester het aan het rechte eind, want hier staan toch wel enkele pareltjes op, hoewel dat deels te danken is aan de kwaliteit van de nummers an sich.
Enkele hoogvliegers zijn, wat mij betreft, het pakkende ‘Jim Jones’, met enkele fantastische zanglijnen van Dylan; ‘Black Jack Davey’, over het meedogenloze spinnenweb van een duivelse verleider; het speelse ‘Froggie Went A-Courtin’’, dat Dylan met zijn typische gevoel voor humor zeer sterk vertolkt (af en toe moet ik qua sfeer zelfs denken aan ‘Last Sessions’ van Mississippi John Hurt, een off the hook observatie die waarschijnlijk niet veel bijval zal kennen); en het snelle, nijdige ‘Step It up and Go’, dat gewoonweg onweerstaanbaar is.
Echt zwakke nummers vind ik niet terug op deze puike plaat, al doen de opener, ‘Little Maggie’ en ‘Diamond Joe’ me toch wat minder, en blijven die songs ook minder hangen. Maar de schaal helt duidelijk over naar een positieve balans, en ik moet zeggen dat de plaat, hoewel ik ‘m nog nooit had gehoord (‘World Gone Wrong’ dan weer wel), niet veel verwachtingen opriep. Ben ik blij dat ze ruimschoots worden overtroffen!
4 sterren
Tijdens de optredens stond Dylan vaak dronken op het podium, wat tot ondermaatse concerten leidde. Ook de verkoop van zijn platen (zowel zijn eigen plaat als de tweede met Traveling Wilburys) viel enorm tegen. En dat net in tijden van persoonlijke crisis; zijn tweede officiële vrouw Carolyn Dennis was het beu wekenlang alleen thuis te zitten, en vroeg de scheiding aan. Dit zou natuurlijk weer tijdrovend, maar vooral financieel zwaar zijn om te dragen. Kortom: Dylan moest dus op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten, maar het ontbrak hem zowel aan wilskracht en inspiratie.
Het beruchte spook dat gekend is onder de naam writer’s block, had Dylan in eerdere era’s al een paar keer bezocht, maar, hoewel het met twee kwade vuisten op de deur bonkte, wist Dylan het nog enigszins uit zijn geest te weren. In 1992 zat hij, door een combinatie van factoren, waarvan enkele hierboven al benoemd zijn, mentaal zo goed als aan de grond. Uiteindelijk kwam hij via via (naar verluidt op aanraden van Neil Young, nadat ze samen een concert hadden bijgewoond) terecht bij David Bromberg, een snarenvirtuoos die al eerder met Dylan samenspeelde, op ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’. Dylan had zelfs ooit nog mondharmonica gespeeld op diens titelloze debuut. Bromberg nodigde Dylan uit in de Acme Recording Studio te Chicago, en van het één kwam het ander.
De zin en inspiratie om eigen composities neer te pennen en op te nemen, ontbrak nog steeds bij Dylan. Daarom zocht hij zijn heil in covers, veelal oude nummers, waaronder een pak traditionals, maar ook nummers van o.a. Tim Hardin, Jimmy Rodgers en Bromberg zelve. Ook live speelde Dylan, in de akoestische gedeelten van zijn shows, al eens een cover, liedjes van collega’s als Paul Simon, maar even vaak traditionals. De songs uit deze tweede categorie overvielen hem gewoon; Dylan speelde ze zonder zich er echt van bewust te zijn, verklaarde hij later.
Met Bromberg en een heel arsenaal aan sessiemuzikanten werden een pak nummers opgenomen, waarvan uiteindelijk zo’n 15 geselecteerd werden. Het mixen liet Dylan over aan Bromberg, omdat hij “hem vertrouwde”. Bromberg kweet zich van zijn taak, maar jammer genoeg zijn hier niet veel dingen van terug te vinden op officiële releases. Op ‘Tell Tale Signs’ (volume 8 van The Bootleg Series) kwamen twee songs terecht, ‘Duncan & Brady’ en ‘Miss the Mississippi’.
De plaat leek zo goed als klaar om uitgebracht te worden, maar dat was buiten de waard gerekend. Dylan zelf was, nadat hij was teruggekeerd na een reeks concerten, helemaal niet tevreden over het resultaat dat hij te horen kreeg. Hij deed over alles moeilijk, en Bromberg had het verkorven. Een behoorlijke reden heeft hij daar naar wat ik heb gelezen nooit voor gegeven; we zullen het dan maar op het conto van zijn eigen, grillige zelf schrijven. Back to zero.
Enfin, u merkt het; deze plaat heeft, vooraleer we aan de eigenlijke opnamen kunnen beginnen, al een geheel eigen voorgeschiedenis. Juni 1992 was wat dat betreft een zeer bewogen maand. En hoe lastig en sputterend alles leek te verlopen in die maand, zo vlotjes verliep het de maand erna. In de loop van juli 1992 begon Dylan namelijk, helemaal solo, akoestische opnames te maken van nummers die hij al sinds zijn prille jeugd koesterde.
We keren even terug naar het begin van de jaren ’60, setting: Greenwich Village, New York. Tientallen jonge mensen probeerden het te maken als muzikant, kunstenaar of wat dan ook. Onder hen ene Robert Allen Zimmerman, een enthousiaste noorderling, die al snel naam maakte, met dank aan zijn aparte voorkomen en soms nogal wilde, maar altijd energieke en aanmatigende spel. Ook zijn stem had iets speciaals; alsof een snotneus wonderen kon doen. Die jonge Dylan, vol dromen, en niet beseffend dat die ook daadwerkelijk zouden uitkomen, hield van oude folk- en bluessongs; gospel en bluegrass; een vleugje country. Hij leerde veel van die liedjes kennen dankzij Dave Van Ronk, medemuzikant, soort-van-mentor en wandelende muziekencyclopedie. Woody Guthrie, Hank Williams, Robert Johnson; het waren slechts enkele van zijn helden, en hij had ook een groot ontzag voor alle van generatie op generatie overgeleverde songs, de zogenaamde traditionals. Vaak waren het nummers met een maatschappelijke inslag (negro-spirituals, bijvoorbeeld, of moraliserende levenslessen), maar evenzeer doodsimpele liefdesliedjes.
Een slordige dertig jaar later besloot diezelfde Bob Dylan om in zijn thuisstudio in Point Dume, met de hulp van slechts een geluidstechnicus (Micajah Ryan) en producer Debbie Gold, toen manager van The Grateful Dead, een volledig akoestische soloplaat op te nemen; dus, soloplaat in de zuiverste zin van het woord. Dat was geleden van in zijn begindagen, en met name Gold vond het een geweldig idee, en had ook goeie hoop voor de verkoopcijfers. Ik moet dat echter meteen even ontkrachten; zowel ‘Good as I Been to You’ als diens opvolger ‘World Gone Wrong’ zouden geen hoge ogen gooien, het meeste ophef zou nog ontstaan over het feit dat Dylan de nummers brandmerkte met “trad. arr. Bob Dylan”, terwijl de meeste versies niet eens zoveel afweken van oudere versies, en van het merendeel van de nummers ook een meer dan sterk vermoeden bestond wie de schrijver was.
Maar dat neemt niet weg dat ‘Good as I Been to You’ een bescheiden dijk van een plaat is. De sfeer die de plaat uitademt (wasemt, bijna) ruikt naar roestige ketenen en geurig brandhout, en komt eigenlijk uitermate gezellig over. De teneur van de songs is niet bepaald optimistisch (zal zeker te maken hebben met zijn op stapel staande echtscheiding), de albumtitel werd uiteindelijk gedistilleerd uit de veelzeggende strofe “You’re gonna quit me baby, good as I been to you”.
De stem van Dylan, aangetast door de opeenvolging van concerten en overmatig drank-, sigaretten- en drugsgebruik, klinkt verrassend genoeg niet vermoeid of ongeïnspireerd. Ondanks alle tegenslagen slaagde Dylan er alweer in zichzelf te hervinden, en dat wel in zijn eigen verleden. Hij zou beide coverplaten ook nog jarenlang verdedigen tegen de matige kritieken en platenverkoop. En wat mij betreft heeft de Meester het aan het rechte eind, want hier staan toch wel enkele pareltjes op, hoewel dat deels te danken is aan de kwaliteit van de nummers an sich.
Enkele hoogvliegers zijn, wat mij betreft, het pakkende ‘Jim Jones’, met enkele fantastische zanglijnen van Dylan; ‘Black Jack Davey’, over het meedogenloze spinnenweb van een duivelse verleider; het speelse ‘Froggie Went A-Courtin’’, dat Dylan met zijn typische gevoel voor humor zeer sterk vertolkt (af en toe moet ik qua sfeer zelfs denken aan ‘Last Sessions’ van Mississippi John Hurt, een off the hook observatie die waarschijnlijk niet veel bijval zal kennen); en het snelle, nijdige ‘Step It up and Go’, dat gewoonweg onweerstaanbaar is.
Echt zwakke nummers vind ik niet terug op deze puike plaat, al doen de opener, ‘Little Maggie’ en ‘Diamond Joe’ me toch wat minder, en blijven die songs ook minder hangen. Maar de schaal helt duidelijk over naar een positieve balans, en ik moet zeggen dat de plaat, hoewel ik ‘m nog nooit had gehoord (‘World Gone Wrong’ dan weer wel), niet veel verwachtingen opriep. Ben ik blij dat ze ruimschoots worden overtroffen!
4 sterren
Bob Dylan - Highway 61 Revisited (1965)

5,0
0
geplaatst: 14 oktober 2011, 16:01 uur
Deze plaat leerde ik enkele jaren geleden kennen, en is sindsdien vrij snel in mijn achting gestegen, om een eerste plaats in te nemen in mijn top 10, die bovendien nog steeds vrij stevig staat. In mijn poging om alle albums van Dylan te voorzien van een mening, heb ik lang uitgekeken naar deze; maar ook een beetje met een bang hartje, want wat schrijf je in godsnaam over een album met deze status, waarover al zoveel is gezegd, gediscussieerd, wat dan ook? Het kan nooit kwaad een poging te wagen, en ach, als je aan iets begonnen bent, moet je er ook niet halfweg mee stoppen, ben ik van mening.
‘Highway 61 Revisited’ dus. De hoes is gelijk erg mooi; sober, met een jonge, kwieke Dylan op de voorkant, met naast hem een man waarvan we enkel benen, een stuk van z’n shirt en vooral z’n fototoestel zien. Het zou Bob Neuwirth zijn, heb ik ergens gelezen, maar dat is nu niet van groot belang. Dylan kijkt recht in je ogen als je de hoes bekijkt, en als je z’n gedachten zou kunnen lezen, zou het wel eens het volgende kunnen zijn dat je hoort: “dit is mijn nieuwe album, love it or hate it, maakt me niet uit, ik vind het zelf geweldig”. Dylan heeft met deze plaat definitief het folkpurisme (man met gitaar en mondharmonica) achter zich gelaten, en speelt met een elektrische band, die hem begeleidt. Op optredens wordt hij er eerst om uitgejouwd, maar later zouden dit soort drastische keuzes en verandering hem zo legendarisch maken. Maar goed, de plaat zelf is het belangrijkste, natuurlijk. Laten we de 9 songs dus maar eens onder de loep nemen.
Met ‘Like a Rolling Stone’ begint de plaat met één van de bekendste nummers van Bob Dylan. Het enige nummer ook op deze plaat dat geproduceerd is door Tom Wilson (de andere nummers werden geproduceerd door Bob Johnston). Het was ook de eerste (en eigenlijk enige) single die van deze plaat werd genomen, al zorgde de lengte eerst voor heel wat opschudding bij de platenmaatschappij. Bijna het dubbele van de normale single toentertijd. Maar via via is dan toch gebleken dat de single het erg goed zou doen, en werd hij alsnog uitgebracht. En maar goed ook, want ik vind het een ideale single, ondanks z’n lengte. Gezegend met een melodie die je makkelijk oppikt, snedige zanglijnen en voorbeeldig werk van Dylan en z’n muzikanten. Één van die muzikanten is Al Kooper, die het orgel bespeelt. In mijn ogen is hij erg belangrijk geweest voor het geluid van ‘Highway 61 Revisited’.
‘Tombstone Blues’ zet in, en is vanaf het begin gelijk enorm venijnig. Sterk gitaarwerk, een pompende ritmesectie en Dylan in optima forma. Het refrein is één van de meest memorabele momenten van de plaat, prachtig hoe hij daar het leven van de gewone Amerikaan anno 1965 in enkele regels weet samen te vatten: “Mommy’s in the factory, she ain’t got no Shoes; daddy’s in the alley, looking for food; I’m in the kitchen, with the tombstone blues”.
‘It Takes a Lot to Laugh, It Takes a Train to Cry’ is een erg mooie titel, en het nummer drijft weer op die wel erg sterke ritmesectie, en wordt de juiste richting ingestuurd door de piano. Dylan speelt een erg mooie mondharmonicasolo, en klinkt wat rustiger dan op andere nummers. Al zijn de voor dit album typische uithalen met z’n stem ook hier wel aanwezig. Het nummer klinkt als een oude doch gezellige trein, die op het gemak doordendert, zonder omkijken. Dan klinkt ‘From a Buick 6’ een stuk vinniger, en ik vind het persoonlijk ook erg funky klinken (zoals bijvoorbeeld ook het titelnummer). Of is dat gewoon de grote hoeveelheid energie die Dylan uitstraalt? Het baslijntje is in ieder geval enorm lekker, en Dylan laat z’n mondharmonica ook nog eens lekker scheuren.
De tekst van ‘Ballad of a Thin Man’ behoort tot de minst begrijpelijke, doch meest smerig klinkende teksten die ik ken van Dylan, maar daarover later meer. Ik vind de teksten op deze plaat zo geniaal dat ik er verder nog wat meer aandacht aan wens te schenken. Dit is weer een rustiger nummer van klank, volgens mij is het Dylan zelf die piano speelt, en ook Kooper doet het weer erg goed, voor iemand die voorheen amper orgel gespeeld heeft. Verbluffend goed, zelfs. De manier waarop Dylan zijn toch niet echt braaf gestructureerde teksten zo mooi in de song kan gieten, is ook erg knap. Mr. Jones krijgt het in ieder geval zwaar te verduren.
‘Queen Jane Approximately’ begint erg lieflijk op piano, en laat het tempo nog wat zakken. We gaan nu lekker in de sofa liggen, onze mond vertrokken in een asgrauwe glimlach. Een uitweg bieden. Dat soort dingen. Bijzonder ontroerend nummer, het raakt me elke keer weer. Wie die Jane is, dat weet alleen Dylan, volgens mij. Er werd al heel wat gespeculeerd, de naam van Joan Baez is ook al veel gevallen, maar Dylan ze in een interview dat hij in 1965 weggaf, dat Queen Jane een man is. Dankzij dat soort dingen weet ik al langer dat ik alle hoop om de man volledig te begrijpen mag opbergen.
Het titelnummer dan, erg vinnig, met dat politiefluitje. Een vondst van Al Kooper, die er destijds elke keer op floot wanneer ie iemand drugs zag gebruiken, wat vaak hilariteit veroorzaakte. Dylan probeerde het, en vond het blijkbaar geweldig, want anders hadden we dat fluitje nu niet gehoord op de definitieve versie. Het past ook perfect bij de andere elementen van de song; Dylan’s vinnige zang, de springerige gitaar, pompende ritmesectie en een zwierige piano op de achtergrond. Zonnebril op, en rijden maar. Ontzettend cool nummer! Op het einde doet Dylan ook nog lekker gek op het fluitje, om het feestje helemaal compleet te maken.
Dan is het de beurt aan ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’, een wat verdoken pareltje. Dit nummer wordt vaak vergeten, ook wel eens door mij, moet ik met schaamrood op de wangen toegeven, maar het ligt dan ook tussen het titelnummer en de ongelooflijke afsluiter. Qua tempo kan je het een beetje vergelijken met ‘Queen Jane Approximately’; niet te snel, maar ook niet te traag. De titel van het nummer zou refereren aan een gedicht van de Fransman Arthur Rimbaud, waar Dylan in die tijd nogal naar opkeek.
Last but not least. Definitely not least! ‘Desolation Row’, het grote meesterwerk van Dylan, naar mijn mening. Op de voorlopige versie van de plaat stond de elektrische versie van deze epische song, maar het zat Dylan niet lekker. Daarom trok hij zich nog een laatste maal terug in de studio, om een min of meer akoestische versie op te nemen. Min of meer, want hij had een bassist uitgenodigd om hem te begeleiden. Zelf speelt hij akoestische gitaar. De producer had Charlie McCoy uitgenodigd, die Dylan meteen wist te overtuigen van zijn kwaliteiten op elektrische gitaar. Die prachtige variaties die u hoort, zijn van McCoy. Ze geven de song nog net dat tikkeltje extra, suspens. De song duurt ruim 11 minuten, en bestaat uit 10 maal 12 regels, elke keer afgesloten met de titel van het nummer. ‘Desolation Row’ is voor mij de samenvatting van de wereld, in Dylan’s woorden. Hij sleept er erg veel en verschillende personen/wezens/gebeurtenissen bij, al dan niet fictief, van Einstein over Casanova tot de Titanic. Je kan wel achter elke versregel (want het heeft de allure van een groots gedicht) de betekenis gaan zoeken, maar er zijn zoveel verschillende interpretaties mogelijk… onbegonnen werk. Wat ik eruit versta, is dat chaos heer en meester is, en ons allemaal in de greep heeft/ zal krijgen. Op het einde mag Dylan zijn mondharmonica nog eens op onnavolgbare wijs laten gieren, laten huilen, laten janken (kies het voor jouw meest correcte antwoord). De laatste strofe is opmerkelijk anders dan de 9 andere strofes, deze klinkt opeens erg realistisch en hard, en daardoor ook ontnuchterend. Alsof Dylan ons uit zijn fantastische wereld wil trekken, terug naar de harde realiteit.
Nu, teksten zijn altijd een belangrijk onderdeel van een Dylan-plaat. Maar op ‘Highway 61 Revisited’ wil ik dat belang nog extra onderstrepen; de teksten zijn meestal erg surrealistisch, en roepen bij mij de mooist denkbare beelden en associaties op. Dylan’s schrijfstijl komt ook zelden geforceerd over; de man heeft een erg vlotte pen. Zoals hij “tax deductible charity organizations” in de song ‘Ballad of a Thin Man’ weet in te passen, ik zie het hem niemand nadoen. Of de creatieve manier waarop hij met taal omspringt, en de hoe handig hij zijn eigen kennis daarvoor gebruikt. Ik zal een voorbeeld geven:
“I wish I could give Brother Bill his great thrill;
I would set him in chains at the top of the hill;
Then send out for some pillars and Cecil B. DeMille;
He could die happily ever after.”
Hieruit blijkt dat Dylan de Bijbel heeft gelezen, en dat ie iets van film afweet. “Brother Bill” is een kloosterling. Mozes stond op een heuvel toen hij de Tien Geboden van God kreeg, op twee stenen tafelen. Cecil B. DeMille is een filmmaker, regisseur van onder andere ‘The Ten Commandments’, over die Bijbelse gebeurtenis. De Tien Geboden worden ook wel eens de “pijlers van het christelijke geloof” (pillars) genoemd. Dylan impliceert hier dat “Brother Bill” op de heuvel zal worden gemarteld, wat toch erg populair was bij de Kerk ten tijde van de wetenschappelijke revolutie. Het laatste zinnetje tenslotte vaagt dit in feite, als een soort anticlimax, weg, en zet de luisteraar weer op het verkeerde been, waardoor ie gaat twijfelen. Dit is slechts één interpretatie, terwijl er nog tientallen andere interpretaties mogelijk zijn, en dat is net de sterkte van Dylan’s teksten. Ze zullen nooit gedateerd klinken, er zal altijd een zweem van enigma rondhangen en daardoor tot in de eeuwigheid interessant blijven.
‘Ballad of a Thin Man’ is het bewijs dat Dylan genadeloos kan zijn in zijn songwriting, het is een uithaal naar de journalistiek, omdat die mensen pretenderen “alles te weten”, en zich ook zo gedragen. Daarom ook dat Dylan zulke bizarre situaties heeft verzonnen, om elke strofe af te sluiten met: “But something is happening here, and you don’t know what it is; do you, Mr. Jones?”. Ook stelt Dylan in één strofe dat de fictieve Mr. Jones waarop hij zich richt dan wel intellectueel mag zijn (“You’ve been through all of F. Scott Fitzgerald’s books; you’re very well read, it’s well known”), maar daarom nog niet alwetend. Arrogantie indijken, dat doet hij met die song op treffende wijze.
Tot slot nog enkele van mijn favoriete fragmenten:
“When you got nothing, you got nothing to lose.” (‘Like a Rolling Stone’)
“Well if I go down dyin’, you know she’s bound, to put a blanket on my bed” (‘From a Buick 6’)
“Oh God said to Abraham: “Kill me a son.”;
Abe said: “Man, you must be puttin’ me on.”;
God said: “No.”, Abe said: “What?”;
God said: “You can do what you want, Abe, but;
The next time you see me comin’, you better run.”;
Well Abe said: “Where do you want this killin’ done?”;
And God said: “Out on Highway 61.”” (‘Highway 61 Revisited’)
“Yes I received your letter yesterday;
About the time the door knob broke;
When you asked me how I was doing;
Was that some kind of joke?
All these people that you mention;
Yes, I know them, they’re quite lame;
I had to rearrange their faces;
And give them all another name;
Right now, I can’t read too good;
Don’t send me no more letters, no;
Not unless, you mail them from;
Desolation Row.” (‘Desolation Row’)
5 sterren
‘Highway 61 Revisited’ dus. De hoes is gelijk erg mooi; sober, met een jonge, kwieke Dylan op de voorkant, met naast hem een man waarvan we enkel benen, een stuk van z’n shirt en vooral z’n fototoestel zien. Het zou Bob Neuwirth zijn, heb ik ergens gelezen, maar dat is nu niet van groot belang. Dylan kijkt recht in je ogen als je de hoes bekijkt, en als je z’n gedachten zou kunnen lezen, zou het wel eens het volgende kunnen zijn dat je hoort: “dit is mijn nieuwe album, love it or hate it, maakt me niet uit, ik vind het zelf geweldig”. Dylan heeft met deze plaat definitief het folkpurisme (man met gitaar en mondharmonica) achter zich gelaten, en speelt met een elektrische band, die hem begeleidt. Op optredens wordt hij er eerst om uitgejouwd, maar later zouden dit soort drastische keuzes en verandering hem zo legendarisch maken. Maar goed, de plaat zelf is het belangrijkste, natuurlijk. Laten we de 9 songs dus maar eens onder de loep nemen.
Met ‘Like a Rolling Stone’ begint de plaat met één van de bekendste nummers van Bob Dylan. Het enige nummer ook op deze plaat dat geproduceerd is door Tom Wilson (de andere nummers werden geproduceerd door Bob Johnston). Het was ook de eerste (en eigenlijk enige) single die van deze plaat werd genomen, al zorgde de lengte eerst voor heel wat opschudding bij de platenmaatschappij. Bijna het dubbele van de normale single toentertijd. Maar via via is dan toch gebleken dat de single het erg goed zou doen, en werd hij alsnog uitgebracht. En maar goed ook, want ik vind het een ideale single, ondanks z’n lengte. Gezegend met een melodie die je makkelijk oppikt, snedige zanglijnen en voorbeeldig werk van Dylan en z’n muzikanten. Één van die muzikanten is Al Kooper, die het orgel bespeelt. In mijn ogen is hij erg belangrijk geweest voor het geluid van ‘Highway 61 Revisited’.
‘Tombstone Blues’ zet in, en is vanaf het begin gelijk enorm venijnig. Sterk gitaarwerk, een pompende ritmesectie en Dylan in optima forma. Het refrein is één van de meest memorabele momenten van de plaat, prachtig hoe hij daar het leven van de gewone Amerikaan anno 1965 in enkele regels weet samen te vatten: “Mommy’s in the factory, she ain’t got no Shoes; daddy’s in the alley, looking for food; I’m in the kitchen, with the tombstone blues”.
‘It Takes a Lot to Laugh, It Takes a Train to Cry’ is een erg mooie titel, en het nummer drijft weer op die wel erg sterke ritmesectie, en wordt de juiste richting ingestuurd door de piano. Dylan speelt een erg mooie mondharmonicasolo, en klinkt wat rustiger dan op andere nummers. Al zijn de voor dit album typische uithalen met z’n stem ook hier wel aanwezig. Het nummer klinkt als een oude doch gezellige trein, die op het gemak doordendert, zonder omkijken. Dan klinkt ‘From a Buick 6’ een stuk vinniger, en ik vind het persoonlijk ook erg funky klinken (zoals bijvoorbeeld ook het titelnummer). Of is dat gewoon de grote hoeveelheid energie die Dylan uitstraalt? Het baslijntje is in ieder geval enorm lekker, en Dylan laat z’n mondharmonica ook nog eens lekker scheuren.
De tekst van ‘Ballad of a Thin Man’ behoort tot de minst begrijpelijke, doch meest smerig klinkende teksten die ik ken van Dylan, maar daarover later meer. Ik vind de teksten op deze plaat zo geniaal dat ik er verder nog wat meer aandacht aan wens te schenken. Dit is weer een rustiger nummer van klank, volgens mij is het Dylan zelf die piano speelt, en ook Kooper doet het weer erg goed, voor iemand die voorheen amper orgel gespeeld heeft. Verbluffend goed, zelfs. De manier waarop Dylan zijn toch niet echt braaf gestructureerde teksten zo mooi in de song kan gieten, is ook erg knap. Mr. Jones krijgt het in ieder geval zwaar te verduren.
‘Queen Jane Approximately’ begint erg lieflijk op piano, en laat het tempo nog wat zakken. We gaan nu lekker in de sofa liggen, onze mond vertrokken in een asgrauwe glimlach. Een uitweg bieden. Dat soort dingen. Bijzonder ontroerend nummer, het raakt me elke keer weer. Wie die Jane is, dat weet alleen Dylan, volgens mij. Er werd al heel wat gespeculeerd, de naam van Joan Baez is ook al veel gevallen, maar Dylan ze in een interview dat hij in 1965 weggaf, dat Queen Jane een man is. Dankzij dat soort dingen weet ik al langer dat ik alle hoop om de man volledig te begrijpen mag opbergen.
Het titelnummer dan, erg vinnig, met dat politiefluitje. Een vondst van Al Kooper, die er destijds elke keer op floot wanneer ie iemand drugs zag gebruiken, wat vaak hilariteit veroorzaakte. Dylan probeerde het, en vond het blijkbaar geweldig, want anders hadden we dat fluitje nu niet gehoord op de definitieve versie. Het past ook perfect bij de andere elementen van de song; Dylan’s vinnige zang, de springerige gitaar, pompende ritmesectie en een zwierige piano op de achtergrond. Zonnebril op, en rijden maar. Ontzettend cool nummer! Op het einde doet Dylan ook nog lekker gek op het fluitje, om het feestje helemaal compleet te maken.
Dan is het de beurt aan ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’, een wat verdoken pareltje. Dit nummer wordt vaak vergeten, ook wel eens door mij, moet ik met schaamrood op de wangen toegeven, maar het ligt dan ook tussen het titelnummer en de ongelooflijke afsluiter. Qua tempo kan je het een beetje vergelijken met ‘Queen Jane Approximately’; niet te snel, maar ook niet te traag. De titel van het nummer zou refereren aan een gedicht van de Fransman Arthur Rimbaud, waar Dylan in die tijd nogal naar opkeek.
Last but not least. Definitely not least! ‘Desolation Row’, het grote meesterwerk van Dylan, naar mijn mening. Op de voorlopige versie van de plaat stond de elektrische versie van deze epische song, maar het zat Dylan niet lekker. Daarom trok hij zich nog een laatste maal terug in de studio, om een min of meer akoestische versie op te nemen. Min of meer, want hij had een bassist uitgenodigd om hem te begeleiden. Zelf speelt hij akoestische gitaar. De producer had Charlie McCoy uitgenodigd, die Dylan meteen wist te overtuigen van zijn kwaliteiten op elektrische gitaar. Die prachtige variaties die u hoort, zijn van McCoy. Ze geven de song nog net dat tikkeltje extra, suspens. De song duurt ruim 11 minuten, en bestaat uit 10 maal 12 regels, elke keer afgesloten met de titel van het nummer. ‘Desolation Row’ is voor mij de samenvatting van de wereld, in Dylan’s woorden. Hij sleept er erg veel en verschillende personen/wezens/gebeurtenissen bij, al dan niet fictief, van Einstein over Casanova tot de Titanic. Je kan wel achter elke versregel (want het heeft de allure van een groots gedicht) de betekenis gaan zoeken, maar er zijn zoveel verschillende interpretaties mogelijk… onbegonnen werk. Wat ik eruit versta, is dat chaos heer en meester is, en ons allemaal in de greep heeft/ zal krijgen. Op het einde mag Dylan zijn mondharmonica nog eens op onnavolgbare wijs laten gieren, laten huilen, laten janken (kies het voor jouw meest correcte antwoord). De laatste strofe is opmerkelijk anders dan de 9 andere strofes, deze klinkt opeens erg realistisch en hard, en daardoor ook ontnuchterend. Alsof Dylan ons uit zijn fantastische wereld wil trekken, terug naar de harde realiteit.
Nu, teksten zijn altijd een belangrijk onderdeel van een Dylan-plaat. Maar op ‘Highway 61 Revisited’ wil ik dat belang nog extra onderstrepen; de teksten zijn meestal erg surrealistisch, en roepen bij mij de mooist denkbare beelden en associaties op. Dylan’s schrijfstijl komt ook zelden geforceerd over; de man heeft een erg vlotte pen. Zoals hij “tax deductible charity organizations” in de song ‘Ballad of a Thin Man’ weet in te passen, ik zie het hem niemand nadoen. Of de creatieve manier waarop hij met taal omspringt, en de hoe handig hij zijn eigen kennis daarvoor gebruikt. Ik zal een voorbeeld geven:
“I wish I could give Brother Bill his great thrill;
I would set him in chains at the top of the hill;
Then send out for some pillars and Cecil B. DeMille;
He could die happily ever after.”
Hieruit blijkt dat Dylan de Bijbel heeft gelezen, en dat ie iets van film afweet. “Brother Bill” is een kloosterling. Mozes stond op een heuvel toen hij de Tien Geboden van God kreeg, op twee stenen tafelen. Cecil B. DeMille is een filmmaker, regisseur van onder andere ‘The Ten Commandments’, over die Bijbelse gebeurtenis. De Tien Geboden worden ook wel eens de “pijlers van het christelijke geloof” (pillars) genoemd. Dylan impliceert hier dat “Brother Bill” op de heuvel zal worden gemarteld, wat toch erg populair was bij de Kerk ten tijde van de wetenschappelijke revolutie. Het laatste zinnetje tenslotte vaagt dit in feite, als een soort anticlimax, weg, en zet de luisteraar weer op het verkeerde been, waardoor ie gaat twijfelen. Dit is slechts één interpretatie, terwijl er nog tientallen andere interpretaties mogelijk zijn, en dat is net de sterkte van Dylan’s teksten. Ze zullen nooit gedateerd klinken, er zal altijd een zweem van enigma rondhangen en daardoor tot in de eeuwigheid interessant blijven.
‘Ballad of a Thin Man’ is het bewijs dat Dylan genadeloos kan zijn in zijn songwriting, het is een uithaal naar de journalistiek, omdat die mensen pretenderen “alles te weten”, en zich ook zo gedragen. Daarom ook dat Dylan zulke bizarre situaties heeft verzonnen, om elke strofe af te sluiten met: “But something is happening here, and you don’t know what it is; do you, Mr. Jones?”. Ook stelt Dylan in één strofe dat de fictieve Mr. Jones waarop hij zich richt dan wel intellectueel mag zijn (“You’ve been through all of F. Scott Fitzgerald’s books; you’re very well read, it’s well known”), maar daarom nog niet alwetend. Arrogantie indijken, dat doet hij met die song op treffende wijze.
Tot slot nog enkele van mijn favoriete fragmenten:
“When you got nothing, you got nothing to lose.” (‘Like a Rolling Stone’)
“Well if I go down dyin’, you know she’s bound, to put a blanket on my bed” (‘From a Buick 6’)
“Oh God said to Abraham: “Kill me a son.”;
Abe said: “Man, you must be puttin’ me on.”;
God said: “No.”, Abe said: “What?”;
God said: “You can do what you want, Abe, but;
The next time you see me comin’, you better run.”;
Well Abe said: “Where do you want this killin’ done?”;
And God said: “Out on Highway 61.”” (‘Highway 61 Revisited’)
“Yes I received your letter yesterday;
About the time the door knob broke;
When you asked me how I was doing;
Was that some kind of joke?
All these people that you mention;
Yes, I know them, they’re quite lame;
I had to rearrange their faces;
And give them all another name;
Right now, I can’t read too good;
Don’t send me no more letters, no;
Not unless, you mail them from;
Desolation Row.” (‘Desolation Row’)
5 sterren
Bob Dylan - In Concert (2011)
Alternatieve titel: Brandeis University 1963

4,0
0
geplaatst: 24 juni 2020, 10:17 uur
Deze opnames werden naar verluidt aangetroffen in de kelder van Ralph Gleason, mede-oprichter van het alombekende muziekmagazine Rolling Stone (de naam is trouwens geïnspireerd op Like a Rolling Stone, een hitje van deze obscure singer-songwriter; en ook op de song Rollin' Stone van Muddy Waters
).
Eerst werd dit beknopte concert (al kan dat ook aan de onvolledigheid van de opname liggen; zo lijken we er ergens halfweg de opener in te komen) als bonusdisc toegevoegd aan The Witmark Demos: 1962-1964, maar bij Columbia zagen enkele bonzen ongetwijfeld hun kans om nog wat extra poen te scheppen, en werd het concert dus ook onafhankelijk uitgebracht.
Op zich niet eens zo'n slecht idee, eigenlijk. Ik vind het altijd tof om nog 'ns naar een oud concert van Dylan te luisteren, toen hij nog werd aangekondigd als Bobby Dylan, een schuchtere jongeman, en niet meer nodig had dan zijn akoestische gitaar, mondharmonica en toen al kenmerkende stem.
Dit concert stamt alweer uit 1963, op 10 mei tijdens het Brandeis Folk Festival in Massachusetts, om precies te zijn. Het bevat slechts 6,5 nummers (de opener tel ik maar half mee), en duurt nog geen 40 minuten, maar geeft wel een mooi beeld van de jonge, beginnende artiest die Dylan toen was, met zijn protestnummers (Ballad of Hollis Brown, Masters of War), talkin' blues en natuurlijk het schitterende Bob Dylan's Dream. De bekendste songs uit zijn beginperiode lijken hier wel te ontbreken (al mag dat, de eigenwijze Dylan kennende, dan ook weer geen grote verrassing zijn), maar ik mis ze eerlijk gezegd niet.
4 sterren
). Eerst werd dit beknopte concert (al kan dat ook aan de onvolledigheid van de opname liggen; zo lijken we er ergens halfweg de opener in te komen) als bonusdisc toegevoegd aan The Witmark Demos: 1962-1964, maar bij Columbia zagen enkele bonzen ongetwijfeld hun kans om nog wat extra poen te scheppen, en werd het concert dus ook onafhankelijk uitgebracht.
Op zich niet eens zo'n slecht idee, eigenlijk. Ik vind het altijd tof om nog 'ns naar een oud concert van Dylan te luisteren, toen hij nog werd aangekondigd als Bobby Dylan, een schuchtere jongeman, en niet meer nodig had dan zijn akoestische gitaar, mondharmonica en toen al kenmerkende stem.
Dit concert stamt alweer uit 1963, op 10 mei tijdens het Brandeis Folk Festival in Massachusetts, om precies te zijn. Het bevat slechts 6,5 nummers (de opener tel ik maar half mee), en duurt nog geen 40 minuten, maar geeft wel een mooi beeld van de jonge, beginnende artiest die Dylan toen was, met zijn protestnummers (Ballad of Hollis Brown, Masters of War), talkin' blues en natuurlijk het schitterende Bob Dylan's Dream. De bekendste songs uit zijn beginperiode lijken hier wel te ontbreken (al mag dat, de eigenwijze Dylan kennende, dan ook weer geen grote verrassing zijn), maar ik mis ze eerlijk gezegd niet.
4 sterren
Bob Dylan - Infidels (1983)

3,0
0
geplaatst: 31 mei 2013, 20:52 uur
Na vier opeenvolgende platen die begonnen met de letter s, brak Dylan in 1983 die ban, met het releasen van ‘Infidels’. Hierbij moet wel vermeld worden dat hij initieel een andere titel in gedachten had, namelijk ‘Surviving in a Ruthless World’, maar dat iemand hem erop wees dat de vier voorgangers ook al met de letter s begonnen. En zo werd het ‘Infidels’. De titel biedt meteen stof tot discussie. Was dit een terugkeer naar zijn joodse roots? Dat kon men wel aannemen, temeer omdat in de binnenhoes van dit album een foto staat van Dylan op de Olijfberg in Jeruzalem. Hij was daar kortstondig, voor de bar mitswa van zijn zoon Jesse.
Op de voorkant zien we een heel ander soort foto, Dylan met zonnebril en plukkerige baard. Plukkerig is geen echt woord, maar leunt het dichtst bij het beeld in mijn ogen. Het ziet er best zonnig uit, voor Dylans doen, en daar kan ik, na de plaat zo’n tiental keren te hebben geluisterd, ergens wel inkomen. De muziek, geproducet door Mark Knopfler, maar ook door Dylan zelf (wat voor enige moeilijkheden zorgde wat betreft de credits; Dylan maakte er dan maar “Produced by Bob Dylan for Wreck of Old97 Productions and Mark Knopfler for Chariscourt Ltd.” Van), en die productie heeft zeker zijn sporen achtergelaten.
Knopfler speelde eerder al mee op ‘Slow Train Coming’, en had indruk gemaakt op Dylan dankzij zijn energieke, ritmische gitaarwerk. Op ‘Slow Train Coming’ wist ik Knopfler ook te appreciëren, en steeg hij mijns inziens boven het niveau uit van de gemiddelde Dire Straits song. Op ‘Infidels’ is zijn inbreng een pak minder succesvol; hij speelt gitaar, en je hoort iets te duidelijk dat het Mark Knopfler is. Nu, we zijn ook enkele jaren later, en de populariteit van Knopfler en zijn band is enorm toegenomen. Nummers als ‘Union Sundown’ en het rockende ‘Neighborhood Bully’ hebben daar zwaar onder te lijden. Het zijn songs die, te wijten aan de gladde, ietwat karakterloze productie, het niveau van ‘Infidels’ naar omlaag trekken.
Er staat ook genoeg moois op, al was ik vroeger wat lyrischer over deze plaat. Ik zag, toen ik deze in het kader van mijn Dylanbesprekingen ging beluisteren, dat ik ‘m op 4 sterren staan had. Dat is, om u een idee te geven, op dezelfde voet als bijvoorbeeld zijn debuut, ‘Tempest’ en ‘The Times They Are A-Changin’’. Ietwat overdreven, moet ik nu mijn mening bijstellen. En jammer, vooral als je mee gaat tellen dat dit een veel betere plaat had kunnen zijn.
Nu, de schuld daarvoor ligt in ieder geval niet bij Knopfler. Hij wilde nummers als ‘Blind Wilie McTell’ en ‘Foot of Pride’, beide juweeltjes die op het eerste deel van ‘The Bootleg Series’ staan, gewoon op de plaat. Dylan vond echter dat deze nummers niet “af” waren, en besloot om ze alsnog te vervangen. Door ‘Union Sundown’, godbetert. Niet zijn eerste misstap, maar wel één van z’n schabouwelijkste.
De opnamesessies verliepen zonder al te veel opschudding en ophef, al valt het wel op dat er heel veel werd gejamd en een pak nummers gecoverd werden, gaande van Willie Nelson over ‘The Green, Green Grass of Home’ tot ‘This Was My Love’ van Sinatra. Ook circuleerden er tijdens de opnamen veel zogenaamde werktitels (‘Sweetheart Like You’ heette eerst ‘By the Way That’s a Cute Hat’ en later ‘In a Place Like This’; ‘Sometimes Satan’ werd uiteindelijk ‘Man of Peace’). Ik zie hier een vorm van zelfentertainment in, de werktitels komen namelijk ook, soms in ietwat veranderde vorm, voor in de lyrics.
Veel nummers bleven destijds op de plank liggen, en dat is toch ook wel opmerkelijk. ‘Infidels’ is één van de platen van Dylan met het meeste “overschot”, op die manier. Enkele nummers werden opgevist voor latere studioalbums, een vijftal werden opgenomen in het eerste deel van ‘The Bootleg Series’. Maar heel wat nummers liggen ook nog steeds in het archief stof te vreten. Een elektrische versie van ‘Blind Willie McTell’ bijvoorbeeld is nog zo goed als onaangeroerd, al gaan er stemmen op dat deze versie nog indrukwekkender zou zijn als die op ‘The Bootleg Series’. En voor het album had Dylan al een resem songs opgenomen met Clydie King (zijn destijdse vriendin; het waren twee tegenpolen), om een duetplaat uit te brengen. De platenmaatschappij zag dit niet zitten, en enkel in ‘Union Sundown’ zorgt de soulzangeres voor wat leven in de fletse brouwerij.
Genoeg gezeverd, tijd voor muziek. ‘Infidels’ is de eerste plaat die Dylan opnam met zijn hernieuwde contract bij CBS, en de platenmaatschappij wilde geld uittrekken voor de promotie. Het digitale tijdperk stond in de kinderschoenen, en dus moest er, naar MTV-normen, een videoclip worden uitgebracht. Of meerdere, zoals in dit geval. Die van albumopener ‘Jokerman’ sprak het meest tot de verbeelding; een collage van foto’s van kunstwerken, met daarover de tekst van het nummer gedrapeerd. Een bijzonder geslaagde clip die, volgens bijvoorbeeld het toonaangevende blad Rolling Stone, brandhout maakte van alle clichématige, omhooggevallen Coca Colareclames die het gros van de muziekvideo’s was.
‘Jokerman’ is een beetje een monumentale song, het soort song dat als steunpilaar kan dienen voor een album. De gedroomde single, ook. Een groots, herkenbaar geluid, enorm meezingbaar refrein, alleen een beetje te lang. Dat was ‘Like a Rolling Stone’ ook, natuurlijk, maar inmiddels was de maatschappij weer zo’n 20 jaar verder, en helemaal veranderd. Niettemin is ‘Jokerman’ een erg goed nummer, gezegend met een clevere tekst. Enkele verwijzingen naar de Bijbel en onrechtstreeks dus ook naar z’n wat meer religieuze platen, en vooral het soort diepgang waaraan het ‘m op een ‘Saved’ wel ‘ns aan ontbrak; ook de bevlogenheid is er weer:
“It’s a shadowy world, skies are slippery grey;
A woman just gave birth to a prince today;
And dressed him in scarlet, put the priest in his pocket;
Put the blade to the heat, take the motherless children off the street;
And place them at the feet of a harlot;
Oh Jokerman, you know what he wants;
Oh Jokerman, you don’t show any response.”
‘Sweetheart Like You’ (dat Dylan nog nooit live speelde, volgens zijn website!) is een ingetogen liefdesliedje, maar niet het soort jongen-meisjeliedje dat je doorgaans hoort op de radio. In ‘Sweetheart Like You’ wordt het meisje toegezongen vanuit een verzengende put, een duivelsoord, en krijgt ze de waarschuwing te horen dat ze zich er maar beter niet laat zien, wat eigenlijk al te laat is, want zij is er reeds. Het contrast tussen de dompelaar en de Gratie is enorm, en dat probeert Dylan op een vindingrijke manier elke strofe opnieuw uit te beelden. Twee op twee, vooralsnog.
‘Neighborhood Bully’ is dan een eerste misser, al zullen velen dat met mij oneens zijn. Ach, elk heeft zo zijn argumenten, en de hoofdreden waarom dit nummer me tegenstaat, is het automatische pilootgevoel dat ik telkens krijg, deels genereerd door het gitaarspel van Knopfler. De tekst zou volgens diverse “Dylankenners” (en ik zet die term tussen aanhaaltekens, omdat het een vage term is) over Israël gaan, en ondanks Dylans hardnekkige ontkenningen, zou je, voortgaande op de eerste regels, er zoiets uit kunnen opmaken. “Well, the neighborhood bully, he’s just one man; his enemies say he’s on their land”. De “pester” is dan het joodse volk, de “vijand” de Arabische volkeren die land moesten afstaan om Israël te kunnen vormen, tijdens de Zesdaagse Oorlog. Voor het overige lijkt de tekst echter te veel een samenraapsel van ontelbare Bijbelse en historische verwijzingen, en blijft het te vaag.
‘License to Kill’ is weer een klein, ingetogen liedje, en dan valt me meteen op dat dit Dylan veel meer eer doet. De productie is veel minder druk, het lijkt wel alsof je “meer Dylan hoort”. En dat doet deugd. ‘License to Kill’ hoort bij de betere nummers op ‘Infidels’, ook tekstueel is dit weer een stapje hogerop. Qua lyrics hebben we trouwens weinig te klagen, Dylan is weer goed als vanouds, hoewel hij dat geniale gehalte dat hij in de jaren ’60 en ’70 bij vlagen haalde, niet meer bereikt. Maar zinnetjes als “Oh, man has invented his doom; first step was touching the moon” schilderen toch wel een wrange glimlach rond mijn lippen.
‘Man of Peace’ is weer een rocker, en dan lijkt het erop dat men afwisselt, wat niet het geval is, want ‘Union Sundown’ is ook al zo’n overvol ding. ‘Man of Peace’, dat eerder ‘Sometimes Satan’ heette (wat ik eigenlijk een leukere titel vind), is het langste nummer, maar niet het meest vervelende. Die eer is weggelegd voor ‘Union Sundown’, met zijn irriterende “bouncing sound”. Ook tekstueel is het geen hoogvlieger, de politieke boodschap zit er te duidelijk in verweven, en de maatschappelijke kritiek heeft een te hoog preekgehalte. Maar ‘Man of Peace’ is er van bij de eerste strofe pal op; de vergelijking tussen Adolf Hitler en een willekeurige priester, doet tegelijkertijd pijn aan de oren en het hoofd instemmend ja knikken. De premisse is dat Satan zich in allerlei manieren kan presenteren, de meest verleidelijke (the king snake) het eerst. De directheid en brutaliteit in de tekst zint me wel.
‘I and I’ laat het gaspedaal weer los, en ook afsluiter ‘Don’t Fall Apart on Me Tonight’ zal niet gauw een boete krijgen voor overdreven snelheid, al zou het trage, innemende nummer een tegenligger wel kunnen verblinden met z’n hel brandende, warme koplampen. Dit is namelijk het soort song dat tegen de huig blijft kleven, en is ook terecht aan het eind geplaatst. Afsluiten met een sterke song is een techniek die vaak wordt toegepast, omdat opener en afsluiter het best blijven hangen in het collectieve geheugen. Vraag me niet waarom, maar er is wel iets van aan, want ik heb dit al meer dan eens ervaren.
Maar vooraleer we bij de afsluiter komen, moeten we eerst nog ‘I and I’ passeren. Het is een beetje een loom nummer, naar mijn mening, en dat is dan te wijten aan de reggae-invloeden. Niet dat ik reggaemuziek tot mijn innerlijke demonen reken, maar hier geeft het de song iets lamlendigs, en lamlendigheid kunnen we missen als kiespijn.
Gelukkig maakt ‘Don’t Fall Apart on Me Tonight’ het weer goed, zodat we toch nog in elkaars armen de ogen kunnen sluiten. Het is een liefdesliedje van het zuiverste water, en hoewel de tekst soms wat onnozel overkomt (ik pluk er bijvoorbeeld “You know, it ain’t even safe no more, in the palace of the Pope” uit), weet het me toch te charmeren. Liefde is namelijk nog steeds één van de sterkste uitingen van emotie, en kan veel losmaken in een mens, inclusief andere emoties, zoals jaloezie, woede, wanhoop en treurnis. Dylan smeekt het meisje dat hij hier aanspreekt (Clydie King?) om hem niet te laten vallen. Over de relatie tussen Bob en Clydie wordt ook gezegd dat Bob toen een sterke vrouw als Clydie King nodig had, om niet ten onder te gaan aan zijn bestaan. Ook wordt er gezegd dat het koppel in het geheim getrouwd was en samen twee kinderen had, maar of we daar iets van hoeven geloven, dat weet ik niet.
‘Infidels’ is, en ik herhaal het omdat het een cruciaal punt is in mijn waardering, een plaat die veel beter had kunnen zijn. Een plaat die geen ster werd, maar een soms oplichtende schim, door de keuzes die werden gemaakt op productioneel en artistiek vlak. Berucht ook om de vele onuitgegeven opnames. Gelukkig wisten pareltjes van songs, zoals ‘Blind Willie McTell’ en ‘Foot of Pride’, het alsnog zover te schoppen dat ze op ‘The Bootleg Series, Vol. 1’ verschenen. Een plaat die ik, zo besef ik net, absoluut in huis moet halen, en die meteen een etage of vijf hoger mag komen te staan dan ‘Infidels’.
3 sterren
Op de voorkant zien we een heel ander soort foto, Dylan met zonnebril en plukkerige baard. Plukkerig is geen echt woord, maar leunt het dichtst bij het beeld in mijn ogen. Het ziet er best zonnig uit, voor Dylans doen, en daar kan ik, na de plaat zo’n tiental keren te hebben geluisterd, ergens wel inkomen. De muziek, geproducet door Mark Knopfler, maar ook door Dylan zelf (wat voor enige moeilijkheden zorgde wat betreft de credits; Dylan maakte er dan maar “Produced by Bob Dylan for Wreck of Old97 Productions and Mark Knopfler for Chariscourt Ltd.” Van), en die productie heeft zeker zijn sporen achtergelaten.
Knopfler speelde eerder al mee op ‘Slow Train Coming’, en had indruk gemaakt op Dylan dankzij zijn energieke, ritmische gitaarwerk. Op ‘Slow Train Coming’ wist ik Knopfler ook te appreciëren, en steeg hij mijns inziens boven het niveau uit van de gemiddelde Dire Straits song. Op ‘Infidels’ is zijn inbreng een pak minder succesvol; hij speelt gitaar, en je hoort iets te duidelijk dat het Mark Knopfler is. Nu, we zijn ook enkele jaren later, en de populariteit van Knopfler en zijn band is enorm toegenomen. Nummers als ‘Union Sundown’ en het rockende ‘Neighborhood Bully’ hebben daar zwaar onder te lijden. Het zijn songs die, te wijten aan de gladde, ietwat karakterloze productie, het niveau van ‘Infidels’ naar omlaag trekken.
Er staat ook genoeg moois op, al was ik vroeger wat lyrischer over deze plaat. Ik zag, toen ik deze in het kader van mijn Dylanbesprekingen ging beluisteren, dat ik ‘m op 4 sterren staan had. Dat is, om u een idee te geven, op dezelfde voet als bijvoorbeeld zijn debuut, ‘Tempest’ en ‘The Times They Are A-Changin’’. Ietwat overdreven, moet ik nu mijn mening bijstellen. En jammer, vooral als je mee gaat tellen dat dit een veel betere plaat had kunnen zijn.
Nu, de schuld daarvoor ligt in ieder geval niet bij Knopfler. Hij wilde nummers als ‘Blind Wilie McTell’ en ‘Foot of Pride’, beide juweeltjes die op het eerste deel van ‘The Bootleg Series’ staan, gewoon op de plaat. Dylan vond echter dat deze nummers niet “af” waren, en besloot om ze alsnog te vervangen. Door ‘Union Sundown’, godbetert. Niet zijn eerste misstap, maar wel één van z’n schabouwelijkste.
De opnamesessies verliepen zonder al te veel opschudding en ophef, al valt het wel op dat er heel veel werd gejamd en een pak nummers gecoverd werden, gaande van Willie Nelson over ‘The Green, Green Grass of Home’ tot ‘This Was My Love’ van Sinatra. Ook circuleerden er tijdens de opnamen veel zogenaamde werktitels (‘Sweetheart Like You’ heette eerst ‘By the Way That’s a Cute Hat’ en later ‘In a Place Like This’; ‘Sometimes Satan’ werd uiteindelijk ‘Man of Peace’). Ik zie hier een vorm van zelfentertainment in, de werktitels komen namelijk ook, soms in ietwat veranderde vorm, voor in de lyrics.
Veel nummers bleven destijds op de plank liggen, en dat is toch ook wel opmerkelijk. ‘Infidels’ is één van de platen van Dylan met het meeste “overschot”, op die manier. Enkele nummers werden opgevist voor latere studioalbums, een vijftal werden opgenomen in het eerste deel van ‘The Bootleg Series’. Maar heel wat nummers liggen ook nog steeds in het archief stof te vreten. Een elektrische versie van ‘Blind Willie McTell’ bijvoorbeeld is nog zo goed als onaangeroerd, al gaan er stemmen op dat deze versie nog indrukwekkender zou zijn als die op ‘The Bootleg Series’. En voor het album had Dylan al een resem songs opgenomen met Clydie King (zijn destijdse vriendin; het waren twee tegenpolen), om een duetplaat uit te brengen. De platenmaatschappij zag dit niet zitten, en enkel in ‘Union Sundown’ zorgt de soulzangeres voor wat leven in de fletse brouwerij.
Genoeg gezeverd, tijd voor muziek. ‘Infidels’ is de eerste plaat die Dylan opnam met zijn hernieuwde contract bij CBS, en de platenmaatschappij wilde geld uittrekken voor de promotie. Het digitale tijdperk stond in de kinderschoenen, en dus moest er, naar MTV-normen, een videoclip worden uitgebracht. Of meerdere, zoals in dit geval. Die van albumopener ‘Jokerman’ sprak het meest tot de verbeelding; een collage van foto’s van kunstwerken, met daarover de tekst van het nummer gedrapeerd. Een bijzonder geslaagde clip die, volgens bijvoorbeeld het toonaangevende blad Rolling Stone, brandhout maakte van alle clichématige, omhooggevallen Coca Colareclames die het gros van de muziekvideo’s was.
‘Jokerman’ is een beetje een monumentale song, het soort song dat als steunpilaar kan dienen voor een album. De gedroomde single, ook. Een groots, herkenbaar geluid, enorm meezingbaar refrein, alleen een beetje te lang. Dat was ‘Like a Rolling Stone’ ook, natuurlijk, maar inmiddels was de maatschappij weer zo’n 20 jaar verder, en helemaal veranderd. Niettemin is ‘Jokerman’ een erg goed nummer, gezegend met een clevere tekst. Enkele verwijzingen naar de Bijbel en onrechtstreeks dus ook naar z’n wat meer religieuze platen, en vooral het soort diepgang waaraan het ‘m op een ‘Saved’ wel ‘ns aan ontbrak; ook de bevlogenheid is er weer:
“It’s a shadowy world, skies are slippery grey;
A woman just gave birth to a prince today;
And dressed him in scarlet, put the priest in his pocket;
Put the blade to the heat, take the motherless children off the street;
And place them at the feet of a harlot;
Oh Jokerman, you know what he wants;
Oh Jokerman, you don’t show any response.”
‘Sweetheart Like You’ (dat Dylan nog nooit live speelde, volgens zijn website!) is een ingetogen liefdesliedje, maar niet het soort jongen-meisjeliedje dat je doorgaans hoort op de radio. In ‘Sweetheart Like You’ wordt het meisje toegezongen vanuit een verzengende put, een duivelsoord, en krijgt ze de waarschuwing te horen dat ze zich er maar beter niet laat zien, wat eigenlijk al te laat is, want zij is er reeds. Het contrast tussen de dompelaar en de Gratie is enorm, en dat probeert Dylan op een vindingrijke manier elke strofe opnieuw uit te beelden. Twee op twee, vooralsnog.
‘Neighborhood Bully’ is dan een eerste misser, al zullen velen dat met mij oneens zijn. Ach, elk heeft zo zijn argumenten, en de hoofdreden waarom dit nummer me tegenstaat, is het automatische pilootgevoel dat ik telkens krijg, deels genereerd door het gitaarspel van Knopfler. De tekst zou volgens diverse “Dylankenners” (en ik zet die term tussen aanhaaltekens, omdat het een vage term is) over Israël gaan, en ondanks Dylans hardnekkige ontkenningen, zou je, voortgaande op de eerste regels, er zoiets uit kunnen opmaken. “Well, the neighborhood bully, he’s just one man; his enemies say he’s on their land”. De “pester” is dan het joodse volk, de “vijand” de Arabische volkeren die land moesten afstaan om Israël te kunnen vormen, tijdens de Zesdaagse Oorlog. Voor het overige lijkt de tekst echter te veel een samenraapsel van ontelbare Bijbelse en historische verwijzingen, en blijft het te vaag.
‘License to Kill’ is weer een klein, ingetogen liedje, en dan valt me meteen op dat dit Dylan veel meer eer doet. De productie is veel minder druk, het lijkt wel alsof je “meer Dylan hoort”. En dat doet deugd. ‘License to Kill’ hoort bij de betere nummers op ‘Infidels’, ook tekstueel is dit weer een stapje hogerop. Qua lyrics hebben we trouwens weinig te klagen, Dylan is weer goed als vanouds, hoewel hij dat geniale gehalte dat hij in de jaren ’60 en ’70 bij vlagen haalde, niet meer bereikt. Maar zinnetjes als “Oh, man has invented his doom; first step was touching the moon” schilderen toch wel een wrange glimlach rond mijn lippen.
‘Man of Peace’ is weer een rocker, en dan lijkt het erop dat men afwisselt, wat niet het geval is, want ‘Union Sundown’ is ook al zo’n overvol ding. ‘Man of Peace’, dat eerder ‘Sometimes Satan’ heette (wat ik eigenlijk een leukere titel vind), is het langste nummer, maar niet het meest vervelende. Die eer is weggelegd voor ‘Union Sundown’, met zijn irriterende “bouncing sound”. Ook tekstueel is het geen hoogvlieger, de politieke boodschap zit er te duidelijk in verweven, en de maatschappelijke kritiek heeft een te hoog preekgehalte. Maar ‘Man of Peace’ is er van bij de eerste strofe pal op; de vergelijking tussen Adolf Hitler en een willekeurige priester, doet tegelijkertijd pijn aan de oren en het hoofd instemmend ja knikken. De premisse is dat Satan zich in allerlei manieren kan presenteren, de meest verleidelijke (the king snake) het eerst. De directheid en brutaliteit in de tekst zint me wel.
‘I and I’ laat het gaspedaal weer los, en ook afsluiter ‘Don’t Fall Apart on Me Tonight’ zal niet gauw een boete krijgen voor overdreven snelheid, al zou het trage, innemende nummer een tegenligger wel kunnen verblinden met z’n hel brandende, warme koplampen. Dit is namelijk het soort song dat tegen de huig blijft kleven, en is ook terecht aan het eind geplaatst. Afsluiten met een sterke song is een techniek die vaak wordt toegepast, omdat opener en afsluiter het best blijven hangen in het collectieve geheugen. Vraag me niet waarom, maar er is wel iets van aan, want ik heb dit al meer dan eens ervaren.
Maar vooraleer we bij de afsluiter komen, moeten we eerst nog ‘I and I’ passeren. Het is een beetje een loom nummer, naar mijn mening, en dat is dan te wijten aan de reggae-invloeden. Niet dat ik reggaemuziek tot mijn innerlijke demonen reken, maar hier geeft het de song iets lamlendigs, en lamlendigheid kunnen we missen als kiespijn.
Gelukkig maakt ‘Don’t Fall Apart on Me Tonight’ het weer goed, zodat we toch nog in elkaars armen de ogen kunnen sluiten. Het is een liefdesliedje van het zuiverste water, en hoewel de tekst soms wat onnozel overkomt (ik pluk er bijvoorbeeld “You know, it ain’t even safe no more, in the palace of the Pope” uit), weet het me toch te charmeren. Liefde is namelijk nog steeds één van de sterkste uitingen van emotie, en kan veel losmaken in een mens, inclusief andere emoties, zoals jaloezie, woede, wanhoop en treurnis. Dylan smeekt het meisje dat hij hier aanspreekt (Clydie King?) om hem niet te laten vallen. Over de relatie tussen Bob en Clydie wordt ook gezegd dat Bob toen een sterke vrouw als Clydie King nodig had, om niet ten onder te gaan aan zijn bestaan. Ook wordt er gezegd dat het koppel in het geheim getrouwd was en samen twee kinderen had, maar of we daar iets van hoeven geloven, dat weet ik niet.
‘Infidels’ is, en ik herhaal het omdat het een cruciaal punt is in mijn waardering, een plaat die veel beter had kunnen zijn. Een plaat die geen ster werd, maar een soms oplichtende schim, door de keuzes die werden gemaakt op productioneel en artistiek vlak. Berucht ook om de vele onuitgegeven opnames. Gelukkig wisten pareltjes van songs, zoals ‘Blind Willie McTell’ en ‘Foot of Pride’, het alsnog zover te schoppen dat ze op ‘The Bootleg Series, Vol. 1’ verschenen. Een plaat die ik, zo besef ik net, absoluut in huis moet halen, en die meteen een etage of vijf hoger mag komen te staan dan ‘Infidels’.
3 sterren
Bob Dylan - John Wesley Harding (1967)

4,5
3
geplaatst: 19 maart 2012, 19:24 uur
Op het eerste gehoor is ‘John Wesley Harding’ een enorme verrassing, na energieke, ziedende platen als ‘Highway 61 Revisited’ en ‘Blonde on Blonde’. Maar als je wat afweet van de man, dan trek je algauw niet meer zulke grote ogen. Tussen ‘Blonde on Blonde’ en deze plaat had Dylan namelijk een motorongeluk, en dat soort dingen zijn in staat een mens helemaal te veranderen. Niet alleen zijn gedrag, maar ook zijn overtuigingen etc. Bob Dylan keerde met deze plaat terug naar de roots, al is het lang niet zo kaal als zijn debuut.
Dylan zelf speelt akoestische gitaar en mondharmonica op deze plaat, en dat doet ie echt voortreffelijk. Verder heb je niet veel muzikanten, maar wel allemaal goeie; deze plaat is opgenomen in Nashville, en die stad bulkte toen van de rasmuzikanten. De toevoeging van steelgitaar in sommige nummers is ook een slimme zet geweest. Maar boven alles is ‘John Wesley Harding’ een wonderschone plaat met 12 kleine liedjes, tekstueel ook van geheel ander kaliber dan het surrealistische van zijn vorige platen.
Dylan zelf zegt daarover dat hij op deze plaat geen woord te veel heeft geschreven, elk vers heeft z’n eigen betekenis. Er zijn ook veel Bijbelreferenties te vinden in de teksten; dat er destijds een Bijbel in het midden van Dylan’s woonkamer opengeslagen lag, zal daar zeker voor iets tussen zitten. De hoes geeft meteen een eerste indicatie van wat he mag verwachten; een sobere zwart-witfoto met Dylan in het midden, met rondom zich enkele outlaws, althans, zo zien ze er toch uit.
12 kleine liedjes, dus. De onderwerpen zijn ook van geheel andere orde. Deze nummers gaan over outlaws, cowboys, hobo’s, onderdrukten, immigranten, heiligen. Geen vage bewoordingen meer, maar gewoonweg verhalen, vaak met een hoge morele ondertoon. Daarin herken ik wel een beetje de invloed van zijn held Woody Guthrie, net als de folky klank. Volgens mij voelde Dylan zich door wel meer van die helden geïnspireerd toen. Hank Williams, om er maar eentje te noemen, is zeker een inspiratiebron geweest voor afsluiter ‘I’ll Be Your Baby Tonight’.
‘All Along the Watchtower’ is uiteraard veel bekender in de versie van Jimi Hendrix, en velen vinden die versie ook beter, maar ik niet. Het zal er ook wel mee te maken hebben dat ik een grote Dylanfan ben, maar het simpele liedje van Dylan overklast wat mij betreft alle kunstjes van Jimi Hendrix. Dylan is veel directer, en daardoor komt de boodschap bij mij veel beter over. Knappe tekst ook. “Businessmen, they drink my wine, plowmen dig my earth; none of them along the line know what any of it is worth”. Mensen hebben geen waardebesef; het leven is voor velen een wegwerpcamera, terwijl je het net zou moeten koesteren.
Verder heeft Dylan ook weer flink uit de blues geput (de talkin’ blues ‘The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest’, het vinnige ‘Down Along the Cove’), en in ‘Dear Landlord’ hoor ik zelfs een toefje soul terug. ‘The Wicked Messenger’ is een wat heftiger nummer qua opzet, maar dat is dan ook eerder een uitzondering; nummers als het titelnummer, ‘I Pity the Poor Immigrant’ en de afsluiter zijn heerlijk rustig, en bieden een verrassend mooi tegengewicht voor al het geweldig van de voorgaande platen.
Afsluiter ‘I’ll Be Your Baby Tonight’ is wat mij betreft al een hintje richting zijn volgende plaat, sluit qua geluid daar een beetje bij aan. Qua tekst is het, samen met ‘Down Along the Cove’, ook verschillend van de andere 10 nummers; waar die nummers het hebben over John Wesley Harding, “a friend to the poor”; over Sint Augustinus, “with a blanket underneath his arm, and a coat of solid gold”; over de arme immigrant, “who eats but is not satisfied; who hears but does not see”, zijn de andere twee nummers onbezonnen liefdesliedjes, zoetigheid. Het is zeker geen toeval dat deze nummers op het eind van de plaat staan.
‘John Wesley Harding’ is een plaat van nog geen 40 minuten waar enorm veel opstaat. Wijsheid, advies, troost. Dylan klinkt erg rustig, en dat is ook aan zijn mondharmonicaspel te horen. Beheerst, maar toch raakt het me enorm. Zoals Dylan’s spel op dat instrument me raakt, enkel Neil Young komt in de buurt. Wat me nu nog zou resten, is het aanhalen van enkele memorabele citaten uit de teksten van dit album. Tekstueel is het wederom een pareltje. Maar, dat kan ik niet. De reden daarvoor is eenvoudig; deze tekstuele kwaliteit uit zich op een andere manier; er zijn geen citaten die de aandacht opeisen, maar de teksten zijn gewoon in hun geheel enorm sterk, zitten erg goed in mekaar, gaten zitten er geenszins in. “Elk vers heeft z’n eigen betekenis.” Die uitspraak van Dylan bracht ik hierboven reeds ten berde, en daar sta ik ook achter. Het is een andere manier van songschrijven, maar het heeft even goed uitgepakt.
‘John Wesley Harding’ is net niet even briljant als de voorgangers, daarvoor mist het – inderdaad – net die uitschieters. Geen ‘Desolation Row’, geen ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’. Wel een bijzonder constante plaat, die nooit inzakt, en blinkt als een lepel in het lucht van een dikke, vette maan.
4,5 sterren
Dylan zelf speelt akoestische gitaar en mondharmonica op deze plaat, en dat doet ie echt voortreffelijk. Verder heb je niet veel muzikanten, maar wel allemaal goeie; deze plaat is opgenomen in Nashville, en die stad bulkte toen van de rasmuzikanten. De toevoeging van steelgitaar in sommige nummers is ook een slimme zet geweest. Maar boven alles is ‘John Wesley Harding’ een wonderschone plaat met 12 kleine liedjes, tekstueel ook van geheel ander kaliber dan het surrealistische van zijn vorige platen.
Dylan zelf zegt daarover dat hij op deze plaat geen woord te veel heeft geschreven, elk vers heeft z’n eigen betekenis. Er zijn ook veel Bijbelreferenties te vinden in de teksten; dat er destijds een Bijbel in het midden van Dylan’s woonkamer opengeslagen lag, zal daar zeker voor iets tussen zitten. De hoes geeft meteen een eerste indicatie van wat he mag verwachten; een sobere zwart-witfoto met Dylan in het midden, met rondom zich enkele outlaws, althans, zo zien ze er toch uit.
12 kleine liedjes, dus. De onderwerpen zijn ook van geheel andere orde. Deze nummers gaan over outlaws, cowboys, hobo’s, onderdrukten, immigranten, heiligen. Geen vage bewoordingen meer, maar gewoonweg verhalen, vaak met een hoge morele ondertoon. Daarin herken ik wel een beetje de invloed van zijn held Woody Guthrie, net als de folky klank. Volgens mij voelde Dylan zich door wel meer van die helden geïnspireerd toen. Hank Williams, om er maar eentje te noemen, is zeker een inspiratiebron geweest voor afsluiter ‘I’ll Be Your Baby Tonight’.
‘All Along the Watchtower’ is uiteraard veel bekender in de versie van Jimi Hendrix, en velen vinden die versie ook beter, maar ik niet. Het zal er ook wel mee te maken hebben dat ik een grote Dylanfan ben, maar het simpele liedje van Dylan overklast wat mij betreft alle kunstjes van Jimi Hendrix. Dylan is veel directer, en daardoor komt de boodschap bij mij veel beter over. Knappe tekst ook. “Businessmen, they drink my wine, plowmen dig my earth; none of them along the line know what any of it is worth”. Mensen hebben geen waardebesef; het leven is voor velen een wegwerpcamera, terwijl je het net zou moeten koesteren.
Verder heeft Dylan ook weer flink uit de blues geput (de talkin’ blues ‘The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest’, het vinnige ‘Down Along the Cove’), en in ‘Dear Landlord’ hoor ik zelfs een toefje soul terug. ‘The Wicked Messenger’ is een wat heftiger nummer qua opzet, maar dat is dan ook eerder een uitzondering; nummers als het titelnummer, ‘I Pity the Poor Immigrant’ en de afsluiter zijn heerlijk rustig, en bieden een verrassend mooi tegengewicht voor al het geweldig van de voorgaande platen.
Afsluiter ‘I’ll Be Your Baby Tonight’ is wat mij betreft al een hintje richting zijn volgende plaat, sluit qua geluid daar een beetje bij aan. Qua tekst is het, samen met ‘Down Along the Cove’, ook verschillend van de andere 10 nummers; waar die nummers het hebben over John Wesley Harding, “a friend to the poor”; over Sint Augustinus, “with a blanket underneath his arm, and a coat of solid gold”; over de arme immigrant, “who eats but is not satisfied; who hears but does not see”, zijn de andere twee nummers onbezonnen liefdesliedjes, zoetigheid. Het is zeker geen toeval dat deze nummers op het eind van de plaat staan.
‘John Wesley Harding’ is een plaat van nog geen 40 minuten waar enorm veel opstaat. Wijsheid, advies, troost. Dylan klinkt erg rustig, en dat is ook aan zijn mondharmonicaspel te horen. Beheerst, maar toch raakt het me enorm. Zoals Dylan’s spel op dat instrument me raakt, enkel Neil Young komt in de buurt. Wat me nu nog zou resten, is het aanhalen van enkele memorabele citaten uit de teksten van dit album. Tekstueel is het wederom een pareltje. Maar, dat kan ik niet. De reden daarvoor is eenvoudig; deze tekstuele kwaliteit uit zich op een andere manier; er zijn geen citaten die de aandacht opeisen, maar de teksten zijn gewoon in hun geheel enorm sterk, zitten erg goed in mekaar, gaten zitten er geenszins in. “Elk vers heeft z’n eigen betekenis.” Die uitspraak van Dylan bracht ik hierboven reeds ten berde, en daar sta ik ook achter. Het is een andere manier van songschrijven, maar het heeft even goed uitgepakt.
‘John Wesley Harding’ is net niet even briljant als de voorgangers, daarvoor mist het – inderdaad – net die uitschieters. Geen ‘Desolation Row’, geen ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’. Wel een bijzonder constante plaat, die nooit inzakt, en blinkt als een lepel in het lucht van een dikke, vette maan.
4,5 sterren
Bob Dylan - Knocked Out Loaded (1986)

1,5
0
geplaatst: 9 augustus 2013, 19:49 uur
De jaren ’80 waren in het algemeen magere jaren voor Dylan op artistiek vlak, en met ‘Knocked Out Loaded’ kwam het dieptepunt van die periode. De plaat werd (terecht, wat mij betreft) neergesabeld door de critici, om verschillende redenen. Slechts 35 minuten muziek, 8 nummers waarvan drie covers en drie waarvan hij het auteurschap moet delen. Maar daarover later meer. Eerst een korte schets van het klimaat waarin deze plaat is gemaakt.
Na de tegenvallende verkoopcijfers van ‘Empire Burlesque’ zag het er lange tijd naar uit dat Dylan er klaar mee was, met platen maken. Touren deed hij nog graag, maar geld was ook een zeer belangrijke motivatie, altijd geweest trouwens, volgens Dylan zelf. Toen een journalist in de zomer van 1986 stelde dat Dylan de tournee met Tom Petty & The Heartbreakers louter en alleen deed voor het geld, repliceerde Dylan als volgt: “Ik doe het altijd voor het geld! Wat is daar nieuw aan?” Dat was een goed teken, want aan die scherpte kon je merken dat Dylan nog lang niet klaar was met zijn carrière. Iets dat later ook zou blijken.
Maar in 1986 ging het dus niet zo goed, op artistiek vlak. Na de rampzalige vertoning op Live Aid kreeg hij de wind van voren van niemand minder dan Bob Geldof, toen hij stelde dat er ook een deel van de opbrengst aan de noodlijdende Amerikaanse boeren mocht worden geschonken. Dit was voor Willie Nelson de aanzet om Farm Aid op te zetten. Dylan ging ook op tournee met Tom Petty en diens begeleidingsgroep The Heartbreakers. Het klikte goed tussen Dylan en de ervaren, talentvolle muzikanten, ook in de studio. Zo begreep Benmont Tench, die The Heartbreakers mee in het leven riep, als één van de weinigen haast blindelings wat Dylan wilde. Vreemd genoeg hebben zij, buiten het feit dat Petty heeft meegeschreven aan het nummer ‘Got My Mind Made Up’, dat weinig succes kende. Als wederdienst schreef Dylan samen met Petty het nummer ‘Jammin’ Me’, dat een hit werd (nummer 1) voor de band. Dit geeft wat mij betreft mooi weer hoe de verhoudingen qua populariteit destijds lagen.
Dylan’s commerciële waarde was in dalende lijn, zijn nukkige gedrag bleef. Hij greep in die periode meer naar de fles, wat invloed had op zijn stemming. De sessie was afgelopen wanneer de drank op was. Dit leverde weinig effectieve resultaten op, en veel wazig, onaf spul. Ook was de inspiratie bij de eens zo bevlogen Dylan ver te zoeken. In ‘Brownsville Girl’, met afstand het beste nummer, verzucht hij “Oh, if there’s an original thought out there, I could use it right now”. Dit zinnetje vat de plaat perfect samen voor mij. Toch is de tekst van ‘Brownsville Girl’, dat voortkomt uit ‘New Danville Girl’, een outtake van de vorige plaat, bij momenten briljant. Dylan zingt het nummer ook zeer goed, al is het meer in een vertellende stijl dat hij de song brengt. Jammer genoeg is dit nummer qua instrumentatie volledig verknoeid. Waarom al die backings? Waarom die aanzwellende trompetten en saxofoon, die zo aan de E-Street Band doet denken? Vreemde keuze, van een man die enkele jaren eerder nog zwoer dat hij geen Springsteen wilde worden.
Ik zal me dan maar optrekken aan de tekst, één van de weinige lichtpunten op deze plaat. Een ander lichtpuntje is, al moet je al heel goed kijken om het te zien, is de opener. Dylan zet het originele bluesnummer van Junior Parker naar z’n hand, en dat is ‘m aardig gelukt. Van ‘I Wanna Ramble?’ (de oorspronkelijke titel) maakte Dylan ‘You Wanna Ramble’. Dan wordt de pret echter helemaal gedrukt door het complete van de pot gerukte ‘They Killed Him’. Ik heb in heel de discografie van Dylan nog maar weinig songs gevonden die met dit gedrocht kunnen concurreren als het om inferieure kwaliteit gaat. De soms belachelijk slechte tekst van Kris Kristofferson (excuseer me voor deze uitspraak) buiten beschouwing gelaten, heeft Dylan er blijkbaar alles aan gedaan om het nummer tot de grond kapot te branden. De veel te overvloedige backings van z’n Queens of Rhythm, de fletse instrumentatie, en, vooral, het kinderkoor. Wansmakelijk, en dat zal je me niet snel horen verklaren over een Dylansong.
‘Driftin’ Too Far from Shore’ zou een goed nummer kunnen zijn, ware het niet dat de productie en disco-achtige instrumentatie veel kapot maakt. ‘Precious Memories’ is een traditional waar Dylan in vroeger tijden (en later!) iets heel anders van zou hebben gemaakt. Hier heeft hij het overgoten met een half bedorven reggaesausje en klinkt de zang van Dylan naar niks. Erg jammer weer, dat hij kansen laat liggen om een betere plaat te maken. Ik heb zo het gevoel dat ik dat niet voor het eerst zeg.
‘Maybe Someday’ is een eigen nummer, en klinkt weer wat beter en feller, maar haalt het toch ook niet bij de opener. Het is een degelijk nummer, maar weet niet al te veel goed te maken. Dat zou ‘Brownsville Girl’ dan een pak beter moeten lukken, maar dat is het bizarre; ik voel het niet. Als ik het nummer op zich beluister, is het een pak indrukwekkender dan op ‘Knocked Out Loaded’. Bovendien zou ik het veel liever eens in een gestripte versie willen horen. Het voelt een beetje aan als vergooide schoonheid; tussen al die verwelkte en verlepte bloemen groeit één prachtige tulp, die helemaal onder de knoet wordt gehouden door het onkruid. Zonde.
De twee laatste nummers brengen ook geen plotse ommekeer met zich mee. Het zijn niet de zwakste nummers van de plaat (die twijfelachtige eer is weggelegd voor ‘They Killed Him’ en ‘Precious Memories’), maar zijn ook bepaald geen hoogvliegers, en al helemaal niet als je het gehele oeuvre van Dylan in beschouwing neemt. ‘Got My Mind Made Up’ is een simplistisch rocknummertje, met enkele geinige tekstflarden, meer niet. Afsluiter ‘Under Your Spell’ schreef Dylan samen met Carole Bayer Sager, die getrouwd was met Burt Bacharach. Het nummer is ingetogener dan de andere songs, en past niet echt in het rijtje. Wederom: op zich een degelijk nummer, maar binnen de context van de plaat loopt het helemaal mank. Ik begin zelfs te twijfelen of hier wel een context in te vinden is, het is allemaal erg onsamenhangend en rommelig.
Dat privé- en werksfeer twee heel verschillende biotopen kunnen zijn, bewijst het prille huwelijksgeluk van Dylan. Hij was in 1986 in het grootste geheim getrouwd met Carolyn Dennis, één van de achtergrondzangeressen. Samen hadden ze ook net een dochtertje, Desiree. Door dit alles kwam het dat er bij de uitgebreide dankbetuigingen op de hoes van ‘Knocked Out Loaded’ twee familieleden van Dylan werden vermeld, ook al wist bijna niemand dat toen.
‘Knocked Out Loaded’ is Dylan’s minst succesvolle plaat, er werd amper promotie voor gemaakt, noch door Dylan, noch door de platenmaatschappij. Zijn contract liep af, hij moest weer gaan touren om genoeg geld bijeen te rijven om rond te komen. Hij mocht privé dan wel gelukkig zijn, de artiest in Dylan snakte naar hervonden inspiratie en magie.
1,5 sterren
Na de tegenvallende verkoopcijfers van ‘Empire Burlesque’ zag het er lange tijd naar uit dat Dylan er klaar mee was, met platen maken. Touren deed hij nog graag, maar geld was ook een zeer belangrijke motivatie, altijd geweest trouwens, volgens Dylan zelf. Toen een journalist in de zomer van 1986 stelde dat Dylan de tournee met Tom Petty & The Heartbreakers louter en alleen deed voor het geld, repliceerde Dylan als volgt: “Ik doe het altijd voor het geld! Wat is daar nieuw aan?” Dat was een goed teken, want aan die scherpte kon je merken dat Dylan nog lang niet klaar was met zijn carrière. Iets dat later ook zou blijken.
Maar in 1986 ging het dus niet zo goed, op artistiek vlak. Na de rampzalige vertoning op Live Aid kreeg hij de wind van voren van niemand minder dan Bob Geldof, toen hij stelde dat er ook een deel van de opbrengst aan de noodlijdende Amerikaanse boeren mocht worden geschonken. Dit was voor Willie Nelson de aanzet om Farm Aid op te zetten. Dylan ging ook op tournee met Tom Petty en diens begeleidingsgroep The Heartbreakers. Het klikte goed tussen Dylan en de ervaren, talentvolle muzikanten, ook in de studio. Zo begreep Benmont Tench, die The Heartbreakers mee in het leven riep, als één van de weinigen haast blindelings wat Dylan wilde. Vreemd genoeg hebben zij, buiten het feit dat Petty heeft meegeschreven aan het nummer ‘Got My Mind Made Up’, dat weinig succes kende. Als wederdienst schreef Dylan samen met Petty het nummer ‘Jammin’ Me’, dat een hit werd (nummer 1) voor de band. Dit geeft wat mij betreft mooi weer hoe de verhoudingen qua populariteit destijds lagen.
Dylan’s commerciële waarde was in dalende lijn, zijn nukkige gedrag bleef. Hij greep in die periode meer naar de fles, wat invloed had op zijn stemming. De sessie was afgelopen wanneer de drank op was. Dit leverde weinig effectieve resultaten op, en veel wazig, onaf spul. Ook was de inspiratie bij de eens zo bevlogen Dylan ver te zoeken. In ‘Brownsville Girl’, met afstand het beste nummer, verzucht hij “Oh, if there’s an original thought out there, I could use it right now”. Dit zinnetje vat de plaat perfect samen voor mij. Toch is de tekst van ‘Brownsville Girl’, dat voortkomt uit ‘New Danville Girl’, een outtake van de vorige plaat, bij momenten briljant. Dylan zingt het nummer ook zeer goed, al is het meer in een vertellende stijl dat hij de song brengt. Jammer genoeg is dit nummer qua instrumentatie volledig verknoeid. Waarom al die backings? Waarom die aanzwellende trompetten en saxofoon, die zo aan de E-Street Band doet denken? Vreemde keuze, van een man die enkele jaren eerder nog zwoer dat hij geen Springsteen wilde worden.
Ik zal me dan maar optrekken aan de tekst, één van de weinige lichtpunten op deze plaat. Een ander lichtpuntje is, al moet je al heel goed kijken om het te zien, is de opener. Dylan zet het originele bluesnummer van Junior Parker naar z’n hand, en dat is ‘m aardig gelukt. Van ‘I Wanna Ramble?’ (de oorspronkelijke titel) maakte Dylan ‘You Wanna Ramble’. Dan wordt de pret echter helemaal gedrukt door het complete van de pot gerukte ‘They Killed Him’. Ik heb in heel de discografie van Dylan nog maar weinig songs gevonden die met dit gedrocht kunnen concurreren als het om inferieure kwaliteit gaat. De soms belachelijk slechte tekst van Kris Kristofferson (excuseer me voor deze uitspraak) buiten beschouwing gelaten, heeft Dylan er blijkbaar alles aan gedaan om het nummer tot de grond kapot te branden. De veel te overvloedige backings van z’n Queens of Rhythm, de fletse instrumentatie, en, vooral, het kinderkoor. Wansmakelijk, en dat zal je me niet snel horen verklaren over een Dylansong.
‘Driftin’ Too Far from Shore’ zou een goed nummer kunnen zijn, ware het niet dat de productie en disco-achtige instrumentatie veel kapot maakt. ‘Precious Memories’ is een traditional waar Dylan in vroeger tijden (en later!) iets heel anders van zou hebben gemaakt. Hier heeft hij het overgoten met een half bedorven reggaesausje en klinkt de zang van Dylan naar niks. Erg jammer weer, dat hij kansen laat liggen om een betere plaat te maken. Ik heb zo het gevoel dat ik dat niet voor het eerst zeg.
‘Maybe Someday’ is een eigen nummer, en klinkt weer wat beter en feller, maar haalt het toch ook niet bij de opener. Het is een degelijk nummer, maar weet niet al te veel goed te maken. Dat zou ‘Brownsville Girl’ dan een pak beter moeten lukken, maar dat is het bizarre; ik voel het niet. Als ik het nummer op zich beluister, is het een pak indrukwekkender dan op ‘Knocked Out Loaded’. Bovendien zou ik het veel liever eens in een gestripte versie willen horen. Het voelt een beetje aan als vergooide schoonheid; tussen al die verwelkte en verlepte bloemen groeit één prachtige tulp, die helemaal onder de knoet wordt gehouden door het onkruid. Zonde.
De twee laatste nummers brengen ook geen plotse ommekeer met zich mee. Het zijn niet de zwakste nummers van de plaat (die twijfelachtige eer is weggelegd voor ‘They Killed Him’ en ‘Precious Memories’), maar zijn ook bepaald geen hoogvliegers, en al helemaal niet als je het gehele oeuvre van Dylan in beschouwing neemt. ‘Got My Mind Made Up’ is een simplistisch rocknummertje, met enkele geinige tekstflarden, meer niet. Afsluiter ‘Under Your Spell’ schreef Dylan samen met Carole Bayer Sager, die getrouwd was met Burt Bacharach. Het nummer is ingetogener dan de andere songs, en past niet echt in het rijtje. Wederom: op zich een degelijk nummer, maar binnen de context van de plaat loopt het helemaal mank. Ik begin zelfs te twijfelen of hier wel een context in te vinden is, het is allemaal erg onsamenhangend en rommelig.
Dat privé- en werksfeer twee heel verschillende biotopen kunnen zijn, bewijst het prille huwelijksgeluk van Dylan. Hij was in 1986 in het grootste geheim getrouwd met Carolyn Dennis, één van de achtergrondzangeressen. Samen hadden ze ook net een dochtertje, Desiree. Door dit alles kwam het dat er bij de uitgebreide dankbetuigingen op de hoes van ‘Knocked Out Loaded’ twee familieleden van Dylan werden vermeld, ook al wist bijna niemand dat toen.
‘Knocked Out Loaded’ is Dylan’s minst succesvolle plaat, er werd amper promotie voor gemaakt, noch door Dylan, noch door de platenmaatschappij. Zijn contract liep af, hij moest weer gaan touren om genoeg geld bijeen te rijven om rond te komen. Hij mocht privé dan wel gelukkig zijn, de artiest in Dylan snakte naar hervonden inspiratie en magie.
1,5 sterren
Bob Dylan - Live 1962-1966 (2018)
Alternatieve titel: Rare Performances from the Copyright Collections

4,0
2
geplaatst: 30 maart 2020, 15:19 uur
Zeer interessante compilatie van Dylan's live performances in de periode 1962-1966. Deze compilatie geeft een fraai, behoorlijk volledig beeld van de evolutie van de piepjonge, wat schuchtere en toch al excentrieke folkie die Dylan was toen hij net in Greenwich Village was gearriveerd, over de vlijmscherpe protestzanger die dit etiket na verloop van tijd van zich af wilde scheuren tot de wereldster die korte metten maakte met zijn verleden door de elektrische toer op te gaan.
Deze dubbelaar bevat enkele van zijn eerste liedjes, opgenomen in Gerde's Folk City in New York, alsook enkele van de beste songs uit zijn oeuvre in de sixties (en wat mij betreft zelfs overall). De compilatie is verder ook mooi van opzet, daar je Dylan hoort groeien van een kleine folktent in New York naar grote podia over de hele wereld (al bevat dit album enkel opnames van concerten in Engelstalige landen).
Een beetje obscuur en ondergesneeuwd, deze LP, en dat mag geen verrassing heten als je weet welke parels er bijvoorbeeld in de Bootleg Series alleen al op de wereld werden losgelaten. Maar desalniettemin een interessant artefact, en bovendien ook bijna tweeënhalf uur genieten van de Meester.
4 sterren
Deze dubbelaar bevat enkele van zijn eerste liedjes, opgenomen in Gerde's Folk City in New York, alsook enkele van de beste songs uit zijn oeuvre in de sixties (en wat mij betreft zelfs overall). De compilatie is verder ook mooi van opzet, daar je Dylan hoort groeien van een kleine folktent in New York naar grote podia over de hele wereld (al bevat dit album enkel opnames van concerten in Engelstalige landen).
Een beetje obscuur en ondergesneeuwd, deze LP, en dat mag geen verrassing heten als je weet welke parels er bijvoorbeeld in de Bootleg Series alleen al op de wereld werden losgelaten. Maar desalniettemin een interessant artefact, en bovendien ook bijna tweeënhalf uur genieten van de Meester.
4 sterren
Bob Dylan - Love and Theft (2001)

4,0
0
geplaatst: 19 april 2014, 20:42 uur
Laten we aftrappen met een interessant weetje, dat ik ook maar heb opgestoken doordat ik vaak met mijn neus in de boeken duik: de titel van dit album staat tussen aanhalingstekens op de albumcover. Het is dus in feite ‘”'"Love and Theft"'”’, niet '‘Love and Theft'’. Die titel zou van een wetenschappelijke studie van professor Eric Lott stammen, over een fenomeen genaamd minstrel shows; dat zijn blanke artiesten uit het noorden van de VS, die hun gezicht zwart maakten, om slaven te imiteren. Zij wendden hun affectie voor de zwarte cultuur (Love) in feite dus aan voor eigen gewin (Theft).
Dat Dylan zijn album hiernaar vernoemd zou hebben, mag niet verbazen. Hij is altijd wel maatschappelijk geëngageerd geweest, en dit album kan je in grote mate ook wel zien als zijn eigen minstrel show. De invloeden die erop te vinden zijn, stammen namelijk vaak uit de eerste helft van de vorige eeuw. Dat is altijd wel zo geweest, maar vaak minder prominent, en ook met de nadruk meer op de folkmuziek van Woody Guthrie e.a. Maar op '‘Love and Theft'’ (we zullen het voor het gemak toch maar zo benoemen) is de zwarte muziek de dominante factor. Dat laat zich nog het beste merken door de songs eens onder de loep te nemen.
De plaat trapt af met het snedige ‘'Tweedle Dee and Tweedle Dum’', waarop Dylan meteen refereert naar de film ‘A Streetcar Named Desire’ (met Marlon Brando) en het land van Nod, een Bijbelse plek waarheen Kaïn werd verdreven door God na de broedermoord. De tekst lijkt uiteindelijk nergens heen te gaan, maar draagt wel een soort epiek in zich, namelijk die constante tweestrijd en tegenstelling tussen de twee personages uit de titel. Gitarist Charlie Sexton laat zich meteen ten positieve opmerken met zijn vinnige rock ’n roll gitaarspel, en Clay Meyers, zoon van orgelspeler Augie Meyers, zorgt met zijn bongo’s (die hij ook in ‘'Honest with Me’' mag beroeren) voor de nodige frisheid op de achtergrond.
‘'Mississippi'’ is een leftover van het vorige album, '‘Time Out of Mind'’, dat later nog in drie outtakes op '‘Tell Tale Signs'’ (deel 8 van The Bootleg Series) zou verschijnen. Een wat ingetogener nummer, en Dylan was bijzonder opgetogen dat hij het nummer voor de nieuwe plaat kon herinterpreteren. Het was aanvankelijk de bedoeling dat er 11 songs op zouden komen te staan (afsluiter '‘Sugar Baby'’ was op 19 mei 2001 ook het laatste nummer dat werd opgenomen), maar Dylan werd aan dit “overschot” herinnerd, en wilde, aangezien het nog niet door bootleggers was ontheiligd, het nummer nog een kans geven. Daar kunnen we achteraf bekeken alleen maar verheugd om zijn, want het is toch wel de Dylan van de nadagen (lees: sinds zijn twee coverplaten) die ik heel erg graag mag horen. In 3 stukken van elk 16 regels contempleert Dylan volop en offreert hij het luisterpubliek zijn eigen wijsheden, om dan telkens af te sluiten met zijn enige fout:
"“Only one thing I did wrong;
Stayed in Mississippi a day too long.”"
Daarna volgt het vinnigste nummer van de plaat, ‘'Summer Days’', een schitterend, aanstekelijk rockabilly kunststukje dat net genoeg eigenschappen deelt met zijn verre bluesneef. Dylan is in topvorm op dit nummer, en zijn muzikanten, die hij trouwens als een vaste schare rondom zich heeft verzameld, ook. Want dat is ook wel opmerkelijk; nu Dylan zelf de productie helemaal in handen heeft (onder het pseudoniem Jack Frost), lijkt de relatieve rust eindelijk te zijn nedergedaald. Geen ruzies meer met producers die hun eigen willetje willen doordrijven; geen haakse gedragingen of laksheid. Wat de muzikanten, en ook technicus Chris Shaw, opvalt, is de professionaliteit en zin voor efficiëntie van de meester. Als je weet dat de plaat tussen 8 en 21 mei 2001 is opgenomen, zegt dat eigenlijk wel genoeg.
Waar de voorgaande nummers in de basis vrij eenvoudig waren, ligt dat met ‘'Bye and Bye'’ net wat anders. In deze song loopt Dylan ook meer te koop met zijn liefde voor oude jazz, die vaak een beetje ondergesneeuwd blijft. Toch heeft hij in zijn oeuvre al meerdere keren uit jazzinvloeden geput. Het nummer is wat gemoedelijker van toon, maar de tekst bijt dan weer bij vlagen nijdig van zich af. Vooral de laatste strofe draagt veel nogal wat doem in zich:
"“Papa gone mad, mama’s she’s feeling sad;
I’m gonna baptize you in the fire so you can sin no more;
I’m gonna establish my rule through civil war;
Gonna make you see just how loyal and true a man can be.”"
'‘Lonesome Day Blues'’ brengt de blues voor het eerst echt helemaal naar de voorgrond, zonder maskering. Je weet wel, compleet met herhaling van de eerste regel en al. ‘'Lonesome Day Blues'’ is in feite een standaard bluesnummer, gemangeld door de muzikale betonmolen van Bob Dylan, hetgeen een fraai resultaat oplevert. De moerassige, zware sound die de versmelting der instrumenten teweegbrengt, vind ik zelf schitterend. Grappig ook dat ik bij één strofe altijd dacht dat ie “"My pa, he died a leftie"” zong; blijkt het "“My pa, he died and left me”" te zijn. Een mens kan zich vergissen, maar dat is toch een dure vergissing.
'‘Floater'’ en '‘High Water'’ zijn ook twee sterke, karaktervolle songs die voornamelijk bluesdriven zijn. En als '‘Time Out of Mind'’ op z'’n minst sterk liet vermoeden dat de inspiratie helemaal terug was, maken songs zoals deze daar een 100% zekerheid van. Vooral ‘'Floater (Too Much to Ask)'’ grossiert in spitsvondigheid en uitmuntende songwriting, met als klap op de vuurpijl weer een eigenzinnige verwijzing naar Shakespeare. ‘'High Water'’ gaat dan weer over “The Great Mississippi Flood” van 1927, zoals Fedde in zijn bespreking reeds opmerkte. Een zeldzame somberheid op dit album, want het klinkt toch vooral een pak luchtiger dan zijn vorige worp.
‘'Moonlight'’ werd naar verluidt in één take opgenomen; dit zal de waarheid misschien wat geweld aandoen, maar ik geloof het allemaal wel; Dylan is een fenomeen, en had zich voor deze plaat met wel zeer competente mensen omringd. Hij houdt er ook niet zo van om met overdubs te werken, wilde de plaat vooral een live-uitstraling geven. Dat is ‘'m, samen met technicus Chris Shaw, die ook de nodige egards verdient, meer dan gelukt. ‘Moonlight’ is één van die typische kleine liedjes die een mens veel kunnen doen. Een simpel liefdesliedje, versterkt door de poëtische bewoordingen van Dylan, met veel verwijzingen naar de natuur.
‘'Honest with Me'’ is een wat snellere rock ’'n roll song, die niet bepaald een blijvende indruk nalaat op mij. Wat mij betreft, is dit dan ook het minste nummer op de plaat. Gelukkig volgt het charmant klinkende ‘'Po'’Boy'’ meteen daarna. In dit nummer houden de muzikanten er een olijk tempo op na, dat de ideale begeleiding blijkt voor de met veel smaak gedeclameerde teksten van Dylan, waarin hij veel dialoog opneemt, en wederom een verwijzing naar Shakespeare (ditmaal is het Othello). En de laatste strofe naar Freddie Krueger, als ik me niet vergis? Nou, het is sowieso erg vermakelijk allemaal, deze humoristische uitspatting.
‘'Cry a While'’ klinkt meteen een pak serieuzer, en meet zichzelf weer een strak bluespak aan. Tekstueel is het echter weer een pak minder donker dan je zou verwachten. Dat was ook de voornaamste kritiek van mensen die de plaat maar niks vonden. Ze waren teleurgesteld, omdat ze, na de zware pil genaamd ‘'Time Out of Mind'’, een aardedonkere plaat hadden verwacht. Dat is ‘'Love and Theft'’ hoegenaamd niet, en in die zin is de plaat in mijn ogen zelfs iets genuanceerder. Het is niet al duisternis wat telt.
Afsluiter ‘'Sugar Baby'’ is dan weer wel wat mismoediger van toon, ook tekstueel, want Dylan wijst hier op de keerzijde van het vrouwelijk schoon. Per strofe worden zijn zinsneden donkerder, de zwaarmoedige begeleiding van gitaren en ritmesectie bevestigen dat, tot hij zijn kaarten écht op tafel legt:
“"Your charms have broken many a heart, and mine is surely one;
You got a way of tearing the world apart, love, see what you done.”"
Tot slot wil ik ‘'Things Have Changed’' hier ook nog eens vermelden, een nummer dat Dylan in 1999 opnam, en sindsdien op meerdere compilaties terechtkwam. Deze song kan je als de blauwdruk van het album beschouwen. Je hoort aan dat nummer dat er al wat sores (hij kampte ook niet meer met de twijfel of zijn inspiratie wel present zou blijven, bijvoorbeeld) van hem is afgevallen, wat ervoor zorgt dat hij bevrijd klinkt; ‘'Things Have Changed'’ had niet misstaan op '‘Love and Theft’', maar had het misschien ook weer overklast, want op de plaat vind ik ook weer niet een nummer terug dat ik in mijn top 25 van Dylan zou opnemen. Maar het niveau is wel enorm constant, daarom kan ik niet anders dan weerom een hoog cijfer uit te delen.
4 sterren
Dat Dylan zijn album hiernaar vernoemd zou hebben, mag niet verbazen. Hij is altijd wel maatschappelijk geëngageerd geweest, en dit album kan je in grote mate ook wel zien als zijn eigen minstrel show. De invloeden die erop te vinden zijn, stammen namelijk vaak uit de eerste helft van de vorige eeuw. Dat is altijd wel zo geweest, maar vaak minder prominent, en ook met de nadruk meer op de folkmuziek van Woody Guthrie e.a. Maar op '‘Love and Theft'’ (we zullen het voor het gemak toch maar zo benoemen) is de zwarte muziek de dominante factor. Dat laat zich nog het beste merken door de songs eens onder de loep te nemen.
De plaat trapt af met het snedige ‘'Tweedle Dee and Tweedle Dum’', waarop Dylan meteen refereert naar de film ‘A Streetcar Named Desire’ (met Marlon Brando) en het land van Nod, een Bijbelse plek waarheen Kaïn werd verdreven door God na de broedermoord. De tekst lijkt uiteindelijk nergens heen te gaan, maar draagt wel een soort epiek in zich, namelijk die constante tweestrijd en tegenstelling tussen de twee personages uit de titel. Gitarist Charlie Sexton laat zich meteen ten positieve opmerken met zijn vinnige rock ’n roll gitaarspel, en Clay Meyers, zoon van orgelspeler Augie Meyers, zorgt met zijn bongo’s (die hij ook in ‘'Honest with Me’' mag beroeren) voor de nodige frisheid op de achtergrond.
‘'Mississippi'’ is een leftover van het vorige album, '‘Time Out of Mind'’, dat later nog in drie outtakes op '‘Tell Tale Signs'’ (deel 8 van The Bootleg Series) zou verschijnen. Een wat ingetogener nummer, en Dylan was bijzonder opgetogen dat hij het nummer voor de nieuwe plaat kon herinterpreteren. Het was aanvankelijk de bedoeling dat er 11 songs op zouden komen te staan (afsluiter '‘Sugar Baby'’ was op 19 mei 2001 ook het laatste nummer dat werd opgenomen), maar Dylan werd aan dit “overschot” herinnerd, en wilde, aangezien het nog niet door bootleggers was ontheiligd, het nummer nog een kans geven. Daar kunnen we achteraf bekeken alleen maar verheugd om zijn, want het is toch wel de Dylan van de nadagen (lees: sinds zijn twee coverplaten) die ik heel erg graag mag horen. In 3 stukken van elk 16 regels contempleert Dylan volop en offreert hij het luisterpubliek zijn eigen wijsheden, om dan telkens af te sluiten met zijn enige fout:
"“Only one thing I did wrong;
Stayed in Mississippi a day too long.”"
Daarna volgt het vinnigste nummer van de plaat, ‘'Summer Days’', een schitterend, aanstekelijk rockabilly kunststukje dat net genoeg eigenschappen deelt met zijn verre bluesneef. Dylan is in topvorm op dit nummer, en zijn muzikanten, die hij trouwens als een vaste schare rondom zich heeft verzameld, ook. Want dat is ook wel opmerkelijk; nu Dylan zelf de productie helemaal in handen heeft (onder het pseudoniem Jack Frost), lijkt de relatieve rust eindelijk te zijn nedergedaald. Geen ruzies meer met producers die hun eigen willetje willen doordrijven; geen haakse gedragingen of laksheid. Wat de muzikanten, en ook technicus Chris Shaw, opvalt, is de professionaliteit en zin voor efficiëntie van de meester. Als je weet dat de plaat tussen 8 en 21 mei 2001 is opgenomen, zegt dat eigenlijk wel genoeg.
Waar de voorgaande nummers in de basis vrij eenvoudig waren, ligt dat met ‘'Bye and Bye'’ net wat anders. In deze song loopt Dylan ook meer te koop met zijn liefde voor oude jazz, die vaak een beetje ondergesneeuwd blijft. Toch heeft hij in zijn oeuvre al meerdere keren uit jazzinvloeden geput. Het nummer is wat gemoedelijker van toon, maar de tekst bijt dan weer bij vlagen nijdig van zich af. Vooral de laatste strofe draagt veel nogal wat doem in zich:
"“Papa gone mad, mama’s she’s feeling sad;
I’m gonna baptize you in the fire so you can sin no more;
I’m gonna establish my rule through civil war;
Gonna make you see just how loyal and true a man can be.”"
'‘Lonesome Day Blues'’ brengt de blues voor het eerst echt helemaal naar de voorgrond, zonder maskering. Je weet wel, compleet met herhaling van de eerste regel en al. ‘'Lonesome Day Blues'’ is in feite een standaard bluesnummer, gemangeld door de muzikale betonmolen van Bob Dylan, hetgeen een fraai resultaat oplevert. De moerassige, zware sound die de versmelting der instrumenten teweegbrengt, vind ik zelf schitterend. Grappig ook dat ik bij één strofe altijd dacht dat ie “"My pa, he died a leftie"” zong; blijkt het "“My pa, he died and left me”" te zijn. Een mens kan zich vergissen, maar dat is toch een dure vergissing.
'‘Floater'’ en '‘High Water'’ zijn ook twee sterke, karaktervolle songs die voornamelijk bluesdriven zijn. En als '‘Time Out of Mind'’ op z'’n minst sterk liet vermoeden dat de inspiratie helemaal terug was, maken songs zoals deze daar een 100% zekerheid van. Vooral ‘'Floater (Too Much to Ask)'’ grossiert in spitsvondigheid en uitmuntende songwriting, met als klap op de vuurpijl weer een eigenzinnige verwijzing naar Shakespeare. ‘'High Water'’ gaat dan weer over “The Great Mississippi Flood” van 1927, zoals Fedde in zijn bespreking reeds opmerkte. Een zeldzame somberheid op dit album, want het klinkt toch vooral een pak luchtiger dan zijn vorige worp.
‘'Moonlight'’ werd naar verluidt in één take opgenomen; dit zal de waarheid misschien wat geweld aandoen, maar ik geloof het allemaal wel; Dylan is een fenomeen, en had zich voor deze plaat met wel zeer competente mensen omringd. Hij houdt er ook niet zo van om met overdubs te werken, wilde de plaat vooral een live-uitstraling geven. Dat is ‘'m, samen met technicus Chris Shaw, die ook de nodige egards verdient, meer dan gelukt. ‘Moonlight’ is één van die typische kleine liedjes die een mens veel kunnen doen. Een simpel liefdesliedje, versterkt door de poëtische bewoordingen van Dylan, met veel verwijzingen naar de natuur.
‘'Honest with Me'’ is een wat snellere rock ’'n roll song, die niet bepaald een blijvende indruk nalaat op mij. Wat mij betreft, is dit dan ook het minste nummer op de plaat. Gelukkig volgt het charmant klinkende ‘'Po'’Boy'’ meteen daarna. In dit nummer houden de muzikanten er een olijk tempo op na, dat de ideale begeleiding blijkt voor de met veel smaak gedeclameerde teksten van Dylan, waarin hij veel dialoog opneemt, en wederom een verwijzing naar Shakespeare (ditmaal is het Othello). En de laatste strofe naar Freddie Krueger, als ik me niet vergis? Nou, het is sowieso erg vermakelijk allemaal, deze humoristische uitspatting.
‘'Cry a While'’ klinkt meteen een pak serieuzer, en meet zichzelf weer een strak bluespak aan. Tekstueel is het echter weer een pak minder donker dan je zou verwachten. Dat was ook de voornaamste kritiek van mensen die de plaat maar niks vonden. Ze waren teleurgesteld, omdat ze, na de zware pil genaamd ‘'Time Out of Mind'’, een aardedonkere plaat hadden verwacht. Dat is ‘'Love and Theft'’ hoegenaamd niet, en in die zin is de plaat in mijn ogen zelfs iets genuanceerder. Het is niet al duisternis wat telt.
Afsluiter ‘'Sugar Baby'’ is dan weer wel wat mismoediger van toon, ook tekstueel, want Dylan wijst hier op de keerzijde van het vrouwelijk schoon. Per strofe worden zijn zinsneden donkerder, de zwaarmoedige begeleiding van gitaren en ritmesectie bevestigen dat, tot hij zijn kaarten écht op tafel legt:
“"Your charms have broken many a heart, and mine is surely one;
You got a way of tearing the world apart, love, see what you done.”"
Tot slot wil ik ‘'Things Have Changed’' hier ook nog eens vermelden, een nummer dat Dylan in 1999 opnam, en sindsdien op meerdere compilaties terechtkwam. Deze song kan je als de blauwdruk van het album beschouwen. Je hoort aan dat nummer dat er al wat sores (hij kampte ook niet meer met de twijfel of zijn inspiratie wel present zou blijven, bijvoorbeeld) van hem is afgevallen, wat ervoor zorgt dat hij bevrijd klinkt; ‘'Things Have Changed'’ had niet misstaan op '‘Love and Theft’', maar had het misschien ook weer overklast, want op de plaat vind ik ook weer niet een nummer terug dat ik in mijn top 25 van Dylan zou opnemen. Maar het niveau is wel enorm constant, daarom kan ik niet anders dan weerom een hoog cijfer uit te delen.
4 sterren
Bob Dylan - Modern Times (2006)

4,5
2
geplaatst: 13 juli 2014, 19:09 uur
Sinds de jaren ’90 begon het zware, onophoudelijke tourschema van Dylan zijn tol te eisen; zijn platen volgden elkaar immers met langere tussenpozen op. Minder kwantiteit dus, maar tegelijkertijd ook meer kwaliteit, want na ‘Time Out of Mind’ en (in iets mindere mate) ‘Love & Theft’, is ‘Modern Times’ alweer de derde schot in de roos. En weer puurt Dylan uit de rijke geschiedenis van de Amerikaanse muziek.
Net als zijn voorganger, is ‘Modern Times’ een soort topografische kaart van het Amerikaanse muzieklandschap. Vooral de oude, iconische genres, zoals blues, folk, country en rockabilly komen weer veelvuldig aan zet. De krassende stem van Dylan past daar ook perfect bij, en heeft op ‘Modern Times’ naar mijn mening nog een extra schakering gekregen. Alsof hij ditmaal nog wat dieper naar de ziel weet te tasten.
De albumcover verwijst, samen met de titel van het album, naar het ontluikende optimisme na Wereldoorlog II. Het was een tijd van ontbering en mensonterende omstandigheden, vooral aan de andere kant van de oceaan, dat moet wel gezegd. Maar nadat de asmogendheden het onderspit moesten delven, werd er in de Amerikaanse maatschappij toch een mechanisme in werking gesteld, dat de mensen weer hoop gaf. Hoop om uit het dal te klimmen, en een nieuwe, bloeiende economie te creëren. De foto op de hoes biedt een fraai, onscherp beeld van een voorbijrijdende taxi. De albumtitel moeten we dan weer gaan zoeken in de hoestekst van zijn eerdere plaat ‘World Gone Wrong’, waarin hij deze moderne tijden de nieuwe middeleeuwen noemt.
‘Thunder on the Mountain’ begint alvast spetterend, en houdt de gehele tijd een snel tempo vast. De tekst heeft scherpe randjes, maar het doet geen zeer om je daaraan te snijden; de insteek is vaak licht humoristisch, zoals uit dit fragment blijkt:
“Gonna raise me an army, some tough sons of bitches;
I’ll recruit my army from the orphanages;
I’ve been to St. Herman’s church and I’ve said my religious vows;
I’ve sucked the milk out of a thousand cows.”
De tweede song is van een iets ander kaliber, wat trager. Meer een diesel, want als je ‘m een paar keer beluisterd, ben je er helemaal aan verknocht. Ik, althans. Dit was niet meteen mijn favoriete song, maar heeft zich sedertdien toch wel opgewerkt naar de hogere regionen. Dat komt vooral doordat Dylan hier wederom met een heel erg sterke tekst komt, en het ritme (half slepend, half trekkend) iets hypnotiserend heeft. Het is in wezen een liefdesliedje, maar heeft meer om het lijf, omwille van kwinkslagen, slim uitgekozen strofes en ook de zeer uitgekiende instrumentatie. Vooral de voorlaatste strofe vind ik sterk:
“I wanna be with you in paradise;
And it seems so unfair;
I can’t go to paradise no more;
I killed a man back there.”
In vier simpele zinnetjes drukt Dylan zich straf uit, en laat zo een indruk na. Daar gaat het vaak om.
‘Rollin’ & Tumblin’’ is wéér iets anders. Zo zie je maar dat deze plaat, hoewel de nummers allemaal vanuit eenzelfde filosofie zijn voortgekomen, erg divers is. Dylan wil hier volgens mij ook wel mee aantonen dat de Amerikaanse muziek tout court erg divers en kleurrijk is, dus kunnen we dit zien als zijn zoveelste loftuiting aan de muziek die Alan Lomax ooit najoeg. Een vinnige bluesstamper, waarin gitaristen Stu Kimball, Denny Freeman en Donnie Herron vaak vrij spel krijgen. Dylan wordt hier trouwens begeleid door dezelfde band die hem ook op het podium ruggensteunde in die periode.
Op ‘When the Deal Goes Down’ horen we Dylan achter de piano, en klinkt hij voor het eerst op de plaat zalvend. De toon die Dylan aanslaat, is eerder berustend, en daar komt het op het eind van elke strofe ook op neer. “I’ll be with you, when the deal goes down”, verzekert hij een oude liefde dan telkens. Op ‘Someday Baby’, het enige nummer dat onder de vijf minuten afklokt, klinkt Dylan dan weer als een moderne versie van Chester Arthur Burnett (Howlin’ Wolf), en verwacht ik na het zinnetje “Someday baby, you ain’t gonna worry po’ me anymore” nog een extra uitschieter in de vorm van wolvengehuil, in de aloude traditie van Burnett. Dat blijft echter uit, en recent las ik pas dat Dylan dit nummer losjes heeft overgenomen van Muddy Waters, die het op zijn beurt weer van een andere, nog oudere, bluesman (Sleepy John Estes) overnam. Plagiaat of niet, het is gewoon een lekkere brok verkneukelende blues.
‘Workingman’s Blues #2’ had ik hier eerder aangevinkt als één van mijn favoriete nummers, maar ik ben daar op termijn toch van moeten afstappen. Het nummer heeft dan weel baat bij het nogal clichématige pianodeuntje, het doet toch afbreuk aan de oerkracht die het nummer in zich draagt. Het is overigens een nummer dat Dylan nog steeds graag live ten berde brengt. Ik begrijp het ergens wel; het klinkt allemaal wat makkelijk, en dus zullen meer mensen er sneller mee weg zijn. Voor de band is het ook een dankbare song, kan ik me inbeelden. Dat zijn voor mij echter allemaal redenen om het nummer wat minder hoog in te schatten, en moest er niet weer die geweldige tekst van Dylan zijn geweest, had dit misschien wel een onvoldoende kunnen krijgen. De enige die daarvoor in aanmerking komt op dit album, dat wel.
‘Beyond the Horizon’ is zo’n type nummer dat zich het best laat beluisteren vanuit de luie stoel. Een gezapig tempootje, met af en toe wat steel guitar ertussen, en Dylan die z’n stem door de strofes laat meanderen. De instrumentale intermezzo’s tussen de strofes door maken het lome sfeertje helemaal af. ‘Nettie Moore’ is meteen een stuk statiger, en begint met een mooie intro, die me meteen een pak alerter maakt (‘Beyond the Horizon’ houdt namelijk het risico in dat je ervan kunt indommelen), met die bonkende drumslag. De ritmesectie zorgt voor de solide basis, en de gitaren laten af en toe wat kleine flicks horen, die er wat peper aan toevoegen. ‘Nettie Moore’ is het mooiste liefdesliedje op de gehele plaat, ook vanwege de randuitstapjes die Dylan in zijn verhaal maakt, de voor hem typische humor (“They say whiskey will kill ya, but I don’t think it will”) en de scherpte (“I’m going where the Southern crosses the Yellow Dog; get away from these demagogues; and these bad luck women stick like glue; it’s either one or the other or neither of the two”), om dan weer naar dat prachtige refrein te gaan:
“Oh, I miss you, Nettie Moore;
And my happiness is o’er;
Winter’s gone, the river’s on the rise.
I loved you then, and ever shall;
But there’s no one here that’s left to tell;
The world has gone black before my eyes.”
In LP-termen zijn we nu aan de vierde en laatste kant aanbeland. Daarop staan twee songs die niet meteen bij mekaar passen, vind ik. Het eerste is ‘The Levee’s Gonna Break’, waarvan vooral de muziek weer duidelijk gebaseerd is op een ouder nummer, ditmaal ‘When the Levee Breaks’ van Kansas Joe en Memphis Minnie. Er zit in ieder geval schwung in, en ook dit nummer speelt Dylan soms nog wel ‘ns live. Ik vind dit echter geen nummer om voor honderdduizend man te spelen, het leent zich eerder voor bescheiden puboptredens, waarbij man (cowboyhoed en –laarzen) en vrouw (zwierige, gekleurde jurk) elkaar in de armen vallen en een eind wegdansen. Dylan heeft van deze pure bluessong een vurige, countryswing-achtige versie gemaakt.
Afsluiter is het wat mistroostige ‘Ain’t Talkin’, meteen ook het langste nummer van de plaat, dat begint met een wat langere intro, waarin de cello van Tony Garnier een glansrol vervult. Hierop neemt Dylan weer de rol van doemprofeet aan, waartoe hij zich in eerdere periodes ook al liet verleiden. Het gevaar met dat soort songs is dat het wel ‘ns te prekerig kan overkomen, maar dat is hier gelukkig niet het geval. Door de raspende klank van Dylan’s stem geloof je ‘m ook echt, en de instrumentatie is traag en somber. En dat Dylan soms niet bepaald het zonnetje in huis is, bewijst volgend fragment uit deze song:
“Now I’m all worn down by weepin’;
My eyes are filled with tears, my lips are dry;
If I catch my opponents ever sleepin’;
I’ll just slaughter them where they lie.
Ain’t talkin’, just walkin’;
Through the world mysterious and vague;
Heart burnin’, still yearnin’;
Walking through the cities of the plague.”
Dat fraai stukje doemdenken wilde ik niemand onthouden.
‘Modern Times’ is een album dat, net als de gelijknamige film van Charles Chaplin overigens, duidelijk ergens voor staat, en kwalitatief gezien verre van een schande is voor de zaak die Dylan vereert. Meer nog, de Amerikaanse muziek had er in augustus 2006, toen dit album uitkwam, alweer een mijlpaal bij. In het jaar daarop won hij dan ook terecht, en reeds met het derde album op rij, een Grammy voor beste folkplaat.
4,5 sterren
Net als zijn voorganger, is ‘Modern Times’ een soort topografische kaart van het Amerikaanse muzieklandschap. Vooral de oude, iconische genres, zoals blues, folk, country en rockabilly komen weer veelvuldig aan zet. De krassende stem van Dylan past daar ook perfect bij, en heeft op ‘Modern Times’ naar mijn mening nog een extra schakering gekregen. Alsof hij ditmaal nog wat dieper naar de ziel weet te tasten.
De albumcover verwijst, samen met de titel van het album, naar het ontluikende optimisme na Wereldoorlog II. Het was een tijd van ontbering en mensonterende omstandigheden, vooral aan de andere kant van de oceaan, dat moet wel gezegd. Maar nadat de asmogendheden het onderspit moesten delven, werd er in de Amerikaanse maatschappij toch een mechanisme in werking gesteld, dat de mensen weer hoop gaf. Hoop om uit het dal te klimmen, en een nieuwe, bloeiende economie te creëren. De foto op de hoes biedt een fraai, onscherp beeld van een voorbijrijdende taxi. De albumtitel moeten we dan weer gaan zoeken in de hoestekst van zijn eerdere plaat ‘World Gone Wrong’, waarin hij deze moderne tijden de nieuwe middeleeuwen noemt.
‘Thunder on the Mountain’ begint alvast spetterend, en houdt de gehele tijd een snel tempo vast. De tekst heeft scherpe randjes, maar het doet geen zeer om je daaraan te snijden; de insteek is vaak licht humoristisch, zoals uit dit fragment blijkt:
“Gonna raise me an army, some tough sons of bitches;
I’ll recruit my army from the orphanages;
I’ve been to St. Herman’s church and I’ve said my religious vows;
I’ve sucked the milk out of a thousand cows.”
De tweede song is van een iets ander kaliber, wat trager. Meer een diesel, want als je ‘m een paar keer beluisterd, ben je er helemaal aan verknocht. Ik, althans. Dit was niet meteen mijn favoriete song, maar heeft zich sedertdien toch wel opgewerkt naar de hogere regionen. Dat komt vooral doordat Dylan hier wederom met een heel erg sterke tekst komt, en het ritme (half slepend, half trekkend) iets hypnotiserend heeft. Het is in wezen een liefdesliedje, maar heeft meer om het lijf, omwille van kwinkslagen, slim uitgekozen strofes en ook de zeer uitgekiende instrumentatie. Vooral de voorlaatste strofe vind ik sterk:
“I wanna be with you in paradise;
And it seems so unfair;
I can’t go to paradise no more;
I killed a man back there.”
In vier simpele zinnetjes drukt Dylan zich straf uit, en laat zo een indruk na. Daar gaat het vaak om.
‘Rollin’ & Tumblin’’ is wéér iets anders. Zo zie je maar dat deze plaat, hoewel de nummers allemaal vanuit eenzelfde filosofie zijn voortgekomen, erg divers is. Dylan wil hier volgens mij ook wel mee aantonen dat de Amerikaanse muziek tout court erg divers en kleurrijk is, dus kunnen we dit zien als zijn zoveelste loftuiting aan de muziek die Alan Lomax ooit najoeg. Een vinnige bluesstamper, waarin gitaristen Stu Kimball, Denny Freeman en Donnie Herron vaak vrij spel krijgen. Dylan wordt hier trouwens begeleid door dezelfde band die hem ook op het podium ruggensteunde in die periode.
Op ‘When the Deal Goes Down’ horen we Dylan achter de piano, en klinkt hij voor het eerst op de plaat zalvend. De toon die Dylan aanslaat, is eerder berustend, en daar komt het op het eind van elke strofe ook op neer. “I’ll be with you, when the deal goes down”, verzekert hij een oude liefde dan telkens. Op ‘Someday Baby’, het enige nummer dat onder de vijf minuten afklokt, klinkt Dylan dan weer als een moderne versie van Chester Arthur Burnett (Howlin’ Wolf), en verwacht ik na het zinnetje “Someday baby, you ain’t gonna worry po’ me anymore” nog een extra uitschieter in de vorm van wolvengehuil, in de aloude traditie van Burnett. Dat blijft echter uit, en recent las ik pas dat Dylan dit nummer losjes heeft overgenomen van Muddy Waters, die het op zijn beurt weer van een andere, nog oudere, bluesman (Sleepy John Estes) overnam. Plagiaat of niet, het is gewoon een lekkere brok verkneukelende blues.
‘Workingman’s Blues #2’ had ik hier eerder aangevinkt als één van mijn favoriete nummers, maar ik ben daar op termijn toch van moeten afstappen. Het nummer heeft dan weel baat bij het nogal clichématige pianodeuntje, het doet toch afbreuk aan de oerkracht die het nummer in zich draagt. Het is overigens een nummer dat Dylan nog steeds graag live ten berde brengt. Ik begrijp het ergens wel; het klinkt allemaal wat makkelijk, en dus zullen meer mensen er sneller mee weg zijn. Voor de band is het ook een dankbare song, kan ik me inbeelden. Dat zijn voor mij echter allemaal redenen om het nummer wat minder hoog in te schatten, en moest er niet weer die geweldige tekst van Dylan zijn geweest, had dit misschien wel een onvoldoende kunnen krijgen. De enige die daarvoor in aanmerking komt op dit album, dat wel.
‘Beyond the Horizon’ is zo’n type nummer dat zich het best laat beluisteren vanuit de luie stoel. Een gezapig tempootje, met af en toe wat steel guitar ertussen, en Dylan die z’n stem door de strofes laat meanderen. De instrumentale intermezzo’s tussen de strofes door maken het lome sfeertje helemaal af. ‘Nettie Moore’ is meteen een stuk statiger, en begint met een mooie intro, die me meteen een pak alerter maakt (‘Beyond the Horizon’ houdt namelijk het risico in dat je ervan kunt indommelen), met die bonkende drumslag. De ritmesectie zorgt voor de solide basis, en de gitaren laten af en toe wat kleine flicks horen, die er wat peper aan toevoegen. ‘Nettie Moore’ is het mooiste liefdesliedje op de gehele plaat, ook vanwege de randuitstapjes die Dylan in zijn verhaal maakt, de voor hem typische humor (“They say whiskey will kill ya, but I don’t think it will”) en de scherpte (“I’m going where the Southern crosses the Yellow Dog; get away from these demagogues; and these bad luck women stick like glue; it’s either one or the other or neither of the two”), om dan weer naar dat prachtige refrein te gaan:
“Oh, I miss you, Nettie Moore;
And my happiness is o’er;
Winter’s gone, the river’s on the rise.
I loved you then, and ever shall;
But there’s no one here that’s left to tell;
The world has gone black before my eyes.”
In LP-termen zijn we nu aan de vierde en laatste kant aanbeland. Daarop staan twee songs die niet meteen bij mekaar passen, vind ik. Het eerste is ‘The Levee’s Gonna Break’, waarvan vooral de muziek weer duidelijk gebaseerd is op een ouder nummer, ditmaal ‘When the Levee Breaks’ van Kansas Joe en Memphis Minnie. Er zit in ieder geval schwung in, en ook dit nummer speelt Dylan soms nog wel ‘ns live. Ik vind dit echter geen nummer om voor honderdduizend man te spelen, het leent zich eerder voor bescheiden puboptredens, waarbij man (cowboyhoed en –laarzen) en vrouw (zwierige, gekleurde jurk) elkaar in de armen vallen en een eind wegdansen. Dylan heeft van deze pure bluessong een vurige, countryswing-achtige versie gemaakt.
Afsluiter is het wat mistroostige ‘Ain’t Talkin’, meteen ook het langste nummer van de plaat, dat begint met een wat langere intro, waarin de cello van Tony Garnier een glansrol vervult. Hierop neemt Dylan weer de rol van doemprofeet aan, waartoe hij zich in eerdere periodes ook al liet verleiden. Het gevaar met dat soort songs is dat het wel ‘ns te prekerig kan overkomen, maar dat is hier gelukkig niet het geval. Door de raspende klank van Dylan’s stem geloof je ‘m ook echt, en de instrumentatie is traag en somber. En dat Dylan soms niet bepaald het zonnetje in huis is, bewijst volgend fragment uit deze song:
“Now I’m all worn down by weepin’;
My eyes are filled with tears, my lips are dry;
If I catch my opponents ever sleepin’;
I’ll just slaughter them where they lie.
Ain’t talkin’, just walkin’;
Through the world mysterious and vague;
Heart burnin’, still yearnin’;
Walking through the cities of the plague.”
Dat fraai stukje doemdenken wilde ik niemand onthouden.
‘Modern Times’ is een album dat, net als de gelijknamige film van Charles Chaplin overigens, duidelijk ergens voor staat, en kwalitatief gezien verre van een schande is voor de zaak die Dylan vereert. Meer nog, de Amerikaanse muziek had er in augustus 2006, toen dit album uitkwam, alweer een mijlpaal bij. In het jaar daarop won hij dan ook terecht, en reeds met het derde album op rij, een Grammy voor beste folkplaat.
4,5 sterren
Bob Dylan - Nashville Skyline (1969)

3,0
0
geplaatst: 18 april 2012, 19:26 uur
‘Nashville Skyline, Dylan’s negende studioplaat en, opmerkelijk genoeg, zijn grootste kassucces tot dan toe. Opmerkelijk, omdat het plaatje nog geen halfuur in beslag neemt, door vele critici werd verguisd en een behoorlijke stijlbreuk is met zijn overige platen. De afsluiter van zijn vorige plaat, ‘I’ll Be Your Baby Tonight’, gaf dan wel een vette knipoog naar de countrymuziek van één van zijn voorbeelden, Hank Williams, toch was dit niet bepaald de plaat die men van Dylan kon verwachten. En zo bleef hij toch maar verrassen en choqueren.
De plaat wordt geopend met een remake van één van z’n oudere nummers, ‘Girl from the North Country’. Dit keer een duet, met Johnny Cash, nog zo’n grootheid. Ik vind dat de twee goed samengaan, en het waren ook vrienden; zo schreef Dylan het nummer ‘Wanted Man’, speciaal voor Cash. En Cash schreef een mooie hoestekst voor op de achterflap van ‘Nashville Skyline’. Wederzijds respect tussen de groten. Veel meer dan een remake is het niet, het nummer, wel een degelijke opener.
‘Nashville Skyline Rag’ is een instrumentaal nummertje dat Dylan heeft bedacht, maar waar we niet zeker van zijn dat hij er überhaupt op meespeelt. Het ontbrak ‘m weer niet aan goeie musici rondom zich; drummer Kenny Buttrey, bassist Charlie McCoy en gitaristen als Wayne Moss, Charlie Daniels en Pete Drake. Allemaal keien in hun vak, maar dat waren ze in die tijd in Nashville praktisch allemaal. ‘To Be Alone with You’ wordt opgesmukt met een frivool pianootje, spaarzaam doch solide drumspel en een laid-back gitaartje. Deze song ligt nog meer bij de roots van de blues.
Op de hoes vinden we een goedlachse Dylan terug, gitaar in de hand, hoed op z’n hoofd. Het begin van een baard. Hij ziet er mild uit, en tevreden. Ontnuchterd ook waarschijnlijk, door dat motorongeluk. En dat hoor je ook terug in zijn zang. Die is, naast de genreverschuiving, de tweede opvallende verandering. En dat komt de kwaliteit niet altijd ten goede, en de luisterervaring ook niet naar mijn mening. ‘I Threw It All Away’ heeft bijvoorbeeld een heerlijk melodietje, maar ik vind de zang te zoetsappig, de muziek te… saai. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het een mooi nummer, maar geef mij gewoon die heerlijk gejaagde kant van Dylan. Die zou echter nooit meer helemaal terugkomen. Hij klinkt alsof hij de innerlijke rust gevonden heeft.
De teksten zijn ook niet om over naar huis te schrijven. ‘Peggy Day’ is een vat vol clichés, en terwijl ik meestal heel wat geweldige dingen uit zijn teksten weet te halen, lukt me dat hier niet. Zelf reageerde hij provocerend op de kritiek op z’n teksten, door te beweren dat dit de nummers zijn die hij altijd al heeft willen schrijven, die meer over ‘m zeggen dan zijn vroegere songs. hoe komt het nou toch dat ik hier geen woord van geloof?
Het zijn allemaal korte nummers. Het verwijt dat hij een nummer te lang rekt, of teveel strofes heeft geschreven, kan hem dus onmogelijk gemaakt worden. ‘Lay Lady Lay’ is één van de langere nummers, en duurt nog geen drieënhalve minuut. De combinatie bongo’s-Koebel van Buttrey is trouwens een mooi verhaal; hij wist in eerste instantie niet meteen wat bij deze song paste, en vroeg het aan Dylan. Die antwoordde: “bongo’s”. Buttrey wist dat het op niks sloeg, en vroeg de mening van producer Bob Johnston. Die zei, na enig nadenken: “koebel”. Buttrey was ten einde raad, en besloot dan maar, om de twee te jennen, de bongo’s en koebel te combineren met zijn drumstel. Het werkte wonderwel, en mede dankzij dit detail is ‘Lay Lady Lay’ een erg fraai nummer, dat boven de put der vergetelheid uittorent.
Teveel gekabbel, is mijn voornaamste kritiek. ‘One More Night’ is er ook weer een schoolvoorbeeld van. Deze song, aanvankelijk nog ‘No Light Will Shine on Me’ getiteld, is zeker niet slecht, maar nooit bijzonder te noemen. Dylan slaagt er op ‘Nashville Skyline’ nauwelijks in me te raken, en daarom is de muziek wel degelijk, maar meer ook niet. Op enkele uitzonderingen na, natuurlijk. ‘Tell Me That It Isn’t True’ zou je ook kabbelend kunnen noemen, maar dit raakt me wel; goeie zanglijn van Dylan, dat dromerige steelgitaartje op de achtergrond, occasioneel wat pianonoten.
‘Country Pie’ vind ik persoonlijk ook een heerlijk niemendalletje; lekker ongedwongen, beetje countryrocken. Beatlesachtig ook. Laat het zingen door John Lennon of Paul McCartney, en je hebt ongetwijfeld een grote hit te pakken. Het nummer duurt amper een minuut veertig seconden, maar veel hits van The Beatles duurden niet veel langer. Dat hoeft dus niet echt een probleem te zijn.
Met ‘Tonight I’ll Be Staying Here With You’ kent ‘Nashville Skyline’ een afsluiter die verder breit op de afsluiter van ‘John Wesley Harding’. Toen was er nog de nood om het liefje te zijn, nu klinkt de berusting; “Throw my troubles out the door; I don’t need them anymore; ‘cause tonight I’ll be staying here with you” zingt Dylan, en dan weet je; deze man heeft z’n innerlijke rust gevonden. Hoe lang dat zou duren, dat horen we later dan wel weer.
‘Nashville Skyline’ is op het eerste zicht twee keer niets, maar mispak je er niet aan; voor wie echt wil, is er nog wel genoeg om van te smullen. Ik vind het wel z’n zwakste plaat tot dan toe, niet omdat ik de verandering niet apprecieer, maar gewoonweg omdat het voor mij niet werkt. En Dylan blijft Dylan, natuurlijk. Enkele nummers zijn meer dan de moeite, maar verder is het vooral een solide, gedegen countryplaat.
3 sterren
De plaat wordt geopend met een remake van één van z’n oudere nummers, ‘Girl from the North Country’. Dit keer een duet, met Johnny Cash, nog zo’n grootheid. Ik vind dat de twee goed samengaan, en het waren ook vrienden; zo schreef Dylan het nummer ‘Wanted Man’, speciaal voor Cash. En Cash schreef een mooie hoestekst voor op de achterflap van ‘Nashville Skyline’. Wederzijds respect tussen de groten. Veel meer dan een remake is het niet, het nummer, wel een degelijke opener.
‘Nashville Skyline Rag’ is een instrumentaal nummertje dat Dylan heeft bedacht, maar waar we niet zeker van zijn dat hij er überhaupt op meespeelt. Het ontbrak ‘m weer niet aan goeie musici rondom zich; drummer Kenny Buttrey, bassist Charlie McCoy en gitaristen als Wayne Moss, Charlie Daniels en Pete Drake. Allemaal keien in hun vak, maar dat waren ze in die tijd in Nashville praktisch allemaal. ‘To Be Alone with You’ wordt opgesmukt met een frivool pianootje, spaarzaam doch solide drumspel en een laid-back gitaartje. Deze song ligt nog meer bij de roots van de blues.
Op de hoes vinden we een goedlachse Dylan terug, gitaar in de hand, hoed op z’n hoofd. Het begin van een baard. Hij ziet er mild uit, en tevreden. Ontnuchterd ook waarschijnlijk, door dat motorongeluk. En dat hoor je ook terug in zijn zang. Die is, naast de genreverschuiving, de tweede opvallende verandering. En dat komt de kwaliteit niet altijd ten goede, en de luisterervaring ook niet naar mijn mening. ‘I Threw It All Away’ heeft bijvoorbeeld een heerlijk melodietje, maar ik vind de zang te zoetsappig, de muziek te… saai. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het een mooi nummer, maar geef mij gewoon die heerlijk gejaagde kant van Dylan. Die zou echter nooit meer helemaal terugkomen. Hij klinkt alsof hij de innerlijke rust gevonden heeft.
De teksten zijn ook niet om over naar huis te schrijven. ‘Peggy Day’ is een vat vol clichés, en terwijl ik meestal heel wat geweldige dingen uit zijn teksten weet te halen, lukt me dat hier niet. Zelf reageerde hij provocerend op de kritiek op z’n teksten, door te beweren dat dit de nummers zijn die hij altijd al heeft willen schrijven, die meer over ‘m zeggen dan zijn vroegere songs. hoe komt het nou toch dat ik hier geen woord van geloof?

Het zijn allemaal korte nummers. Het verwijt dat hij een nummer te lang rekt, of teveel strofes heeft geschreven, kan hem dus onmogelijk gemaakt worden. ‘Lay Lady Lay’ is één van de langere nummers, en duurt nog geen drieënhalve minuut. De combinatie bongo’s-Koebel van Buttrey is trouwens een mooi verhaal; hij wist in eerste instantie niet meteen wat bij deze song paste, en vroeg het aan Dylan. Die antwoordde: “bongo’s”. Buttrey wist dat het op niks sloeg, en vroeg de mening van producer Bob Johnston. Die zei, na enig nadenken: “koebel”. Buttrey was ten einde raad, en besloot dan maar, om de twee te jennen, de bongo’s en koebel te combineren met zijn drumstel. Het werkte wonderwel, en mede dankzij dit detail is ‘Lay Lady Lay’ een erg fraai nummer, dat boven de put der vergetelheid uittorent.
Teveel gekabbel, is mijn voornaamste kritiek. ‘One More Night’ is er ook weer een schoolvoorbeeld van. Deze song, aanvankelijk nog ‘No Light Will Shine on Me’ getiteld, is zeker niet slecht, maar nooit bijzonder te noemen. Dylan slaagt er op ‘Nashville Skyline’ nauwelijks in me te raken, en daarom is de muziek wel degelijk, maar meer ook niet. Op enkele uitzonderingen na, natuurlijk. ‘Tell Me That It Isn’t True’ zou je ook kabbelend kunnen noemen, maar dit raakt me wel; goeie zanglijn van Dylan, dat dromerige steelgitaartje op de achtergrond, occasioneel wat pianonoten.
‘Country Pie’ vind ik persoonlijk ook een heerlijk niemendalletje; lekker ongedwongen, beetje countryrocken. Beatlesachtig ook. Laat het zingen door John Lennon of Paul McCartney, en je hebt ongetwijfeld een grote hit te pakken. Het nummer duurt amper een minuut veertig seconden, maar veel hits van The Beatles duurden niet veel langer. Dat hoeft dus niet echt een probleem te zijn.
Met ‘Tonight I’ll Be Staying Here With You’ kent ‘Nashville Skyline’ een afsluiter die verder breit op de afsluiter van ‘John Wesley Harding’. Toen was er nog de nood om het liefje te zijn, nu klinkt de berusting; “Throw my troubles out the door; I don’t need them anymore; ‘cause tonight I’ll be staying here with you” zingt Dylan, en dan weet je; deze man heeft z’n innerlijke rust gevonden. Hoe lang dat zou duren, dat horen we later dan wel weer.
‘Nashville Skyline’ is op het eerste zicht twee keer niets, maar mispak je er niet aan; voor wie echt wil, is er nog wel genoeg om van te smullen. Ik vind het wel z’n zwakste plaat tot dan toe, niet omdat ik de verandering niet apprecieer, maar gewoonweg omdat het voor mij niet werkt. En Dylan blijft Dylan, natuurlijk. Enkele nummers zijn meer dan de moeite, maar verder is het vooral een solide, gedegen countryplaat.
3 sterren
