MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Farsot - Insects (2011)

poster
4,5
De meeste albums leer ik kennen door ze gewoon te gaan beluisteren. Het gebeurt niet vaak dat ik door één welbepaald nummer naar een hele plaat wordt toegetrokken, maar soms heeft zo’n song me danig bij de kladden. Zo ook ‘Empyrean’, het tweede nummer op de tweede plaat van deze band. Farsot, uit Duitsland. Een fantastische, meeslepende track, die het best van black metal combineert met sporadische elementen van doom, zodat het geheel soms loodzwaar klinkt. Op die manier 10 minuten mateloos blijven boeien, het is niet iedereen gegeven.

‘Insects’, want zo heet het album, is zoals gezegd de tweede worp van Farsot. De plaat is in 2011 uitgekomen op Lupus Lounge, een label dat ik al kende, van landgenoten Secrets of the Moon (o.a. het erg sterke ‘Seven Bells’) en ‘Agape’ van Lantlôs. De band werd na twee demo’s opgepikt door het label, dat zich vooral ophoudt in de black metal, en tekende naar verluidt voor 5 platen. Of die er effectief komen, weet ik niet; ze nemen er alvast hun tijd voor. De bandleden gaan schuil achter mysterieuze pseudoniemen als 3818.w (gitaar) en 10.XIXt (vocalen), die tevens de teksten schreef, en dus beschouwd mag worden als brein achter dit album.

‘Insects’ neemt de verhouding tussen mens en insect onder de loep, wat leidt tot een explosieve conclusie: de geleedpotige haalt het in elk opzicht. De band is beïnvloed door evolutionaire biologie, en staat, net als andere bands op Lupus Lounge overigens, garant voor intelligente lyrics. De stroming wordt in sommige kringen dan ook “philosophical black metal” genoemd, hoewel men met krachttermen altijd omzichtig moet omgaan, vind ik; het kan zich ook tegen je keren.

Maar dat is hier allerminst het geval. Farsot maakt duistere muziek, de naam van de band betekent niet voor niets zoiets als “epidemic” (Zweeds). Regelmatig hoor je spoken word, dat in schriel contrast staat met de soms rauwe schreeuwen van 10.XIXt. Ook van zogenaamde Opethiaanse intermezzo’s is deze band niet vies; geregeld wordt er zo’n rustpauze ingelast, om even op adem te komen. De baslijnen liggen er in het heftigere werk bij momenten ook dik op, wat bijdraagt aan de dynamiek van het album. In de openingsminuut van ‘Perdition’ is dit heel goed te horen, waarna een kreet van 10XIXt het signaal is om een versnelling hoger te schakelen.

In ‘Empyrean’ (en ook wel andere tracks) zijn er nog een ander soort vocalen te horen, die iets sacraals hebben (haast gregoriaans). Bezwerend, ook. Als je daar dan het gespuug en gesis tegenover zet, krijg je een fel contrast.

Contrast, altijd weer contrast.

Daar draait het ‘m om, naar mijn mening, op ‘Insects’. Meer nog dan het filosofische karakter en de gedachtegang achter de plaat, zijn het de contrasten die voor scherpte, diepgang en focus zorgen. Ik vind de afwisseling tussen en in de nummers erg goed gelukt, waardoor het nergens saai wordt. Ik luister met gemak (en ontzag) telkens weer die 55 minuten uit. Let wel: niet te makkelijk! De balans is bijna perfect in evenwicht, met ook nog twee instrumentale tussenschutsels; ‘7’ en afsluiter ‘Somnolent’.

Goed, ik heb Opeth al genoemd. Don Cappuccino noemde eerder ook al Enslaved; daar kan ik mee akkoord gaan. Mag ik daar nog een naam aan toevoegen? Farsot. Ik weet het, het is een huizenhoog cliché, maar ik vind dat de band een geheel eigen geluid heeft. Ja, er zijn invloeden merkbaar, maar bovenal is Farsot gewoon op heerlijke wijze Farsot. Zoals dat schijnbaar onschuldige instrumentaaltje ‘7’ zich keer op keer dieper onder de huid gaat nestelen. Hoe de doom van ‘Withdrawal’ elke keer een hypnotiserend effect teweegbrengt. Hoe de song ‘Empyrean’ altijd weer evenveel indruk maakt als de machtige gestalte die Dante Alighieri eraan gaf in zijn Divina Commedia.

Van mij mogen ze die platendeal die ik hierboven noemde nakomen. Dat zou betekenen dat er nog 3 albums zitten aan te komen, en zoals deze band z’n tijd neemt, kan je er op aan dat het vakwerk zal zijn. Zolang het van dit niveau is, hoor je mij niet klagen. En ook al legt de mens het ruimschoots af tegen het insect (zoals in één van de spoken word gedeeltes te horen is: “The insect, in a frightening tour de force of adaptability, proved conclusively that he could endure where man would ultimately fail.”), als de Apocalyps ooit zou komen, dan mag dit album zeker als naargeestige, ontluisterende soundtrack weerklinken.

4,5 sterren

Fates Warning - Long Day Good Night (2020)

poster
3,0
Fates Warning neemt ons op Long Day Good Night, hun dertiende worp alweer, mee op een wel erg lange reis doorheen hun universum. Matheos en co. maken er soms wel een vermoeiende zit van, jammer genoeg. Vooral in het lijvige middenrif (lees: van track 4 t/m 11) hoor ik nogal veel standaard nummertjes die bij mij niets losmaken. The Way Home, Under the Sun, Begin Again, Liar: weinig opwindend allemaal.

Gelukkig staat er ook genoeg moois op om een voldoende te rechtvaardigen (mag ook wel, de plaat duurt bijna 5 kwartier). Zo begint het album wel erg sterk met de eerste twee songs (en ook de derde is meer dan prima), is Scars een forse prijsvogel als single en voegen de heren met The Longest Shadow of the Day toch een ware parel toe aan hun catalogus. Deze track trekt je meteen mee in een zinderende sfeer, met een prominente rol voor Joey Vera, die op deze plaat uitblinkt op bas en voor een aantal lichtpuntjes zorgt. Maar het is niet de bas alleen, natuurlijk. Deze track zit gewoon ongelooflijk goed in elkaar, met spetterend gitaarwerk en veel dynamiek in het drumwerk, waardoor een frisheid tentoon wordt gespreid die ik graag wat meer had gehoord op dit album. Overdonderend, werkelijk waar.

Afsluiten doen we met het akoestische en treffend getitelde The Last Song, dat ik ook best mooi vind. En vooruit, laten we When Snow Falls ook maar onder de sterkhouders scharen, vooral op het vlak van sfeer (die melancholische snik die in het nummer zit, trek ik wel). Helaas staan tegenover dat aantal geweldige tracks dus ook een aantal zwakke songs, wat dit album voor mij een groot zwart-witkarakter geeft. De score is dan ook navenant.

3 sterren

Feist - Metals (2011)

poster
4,0
De zang doet me denken aan de zang van PJ Harvey. De muziek doet me denken aan de muziek van PJ Harvey. En toch is Feist op en top Feist. Deze Canadese zangeres, Leslie Feist heet ze voluit, kruist pas voor het eerst mijn pad, met haar vierde, ‘Metals’. En het bevalt me ten zeerste; Feist maakt muziek die niet in één bepaalde categorie in te delen valt, zij haalt uit verschillende stijlen haar inspiratie, en heeft uit die klei 11 nummers geboetseerd, soms groots, soms klein.

De variatie van dit album is een sterkhouder, zeker weten. Feist laat horen dat ze heel wat aankan, niet alleen met haar stem, maar ook gewoonweg als songschrijfster. Ik weet nu niet of zij ook helemaal verantwoordelijk is voor de muziek zelve, ik ga er van uit dat dit het geval is, maar hoe dan ook, die muziek zit goed. Meer dan goed, zelfs. Moeiteloos wordt er van bombast overgeschakeld op intimiteit. ‘Graveyard’ is daar een treffend voorbeeld van.

De basis van deze plaat ligt wel in de folkmuziek, denk ik, maar daarbuiten heeft Feist ook inspiratie geput uit andere traditionele muziekgenres, zoals jazz. Dat laat zich het prominentst horen op ‘Anti-Pioneer’, mijn favoriete song op deze plaat. Het nummer lijkt op het eerste gehoor maar wat te zwalpen en te sudderen, maar het is niets minder dan een, jawel, rustig nummer, met een akelig grote spanningsboog.

Andere sterkhouders zijn ‘Undiscovered First’, dat een aantal ijzersterke wendingen kent, het aanstekelijke ‘How Come You Never Go There?’ en het majestueuze, op mooie pianoklanken drijvende en zichzelf door middel van weifelende strijkers ontspinnende ‘Caught a Long Wind’. Buiten dit laatste nummer staan er nog enkele mooie rustpunten op, waaronder de afsluiter. ‘A Commotion’ is dan weer zo nerveus als de pest.

Deze Feist tapt uit verscheidene vaatjes, en doet dat bijna altijd vlekkeloos. Haar andere platen zou ik ook eens moeten gaan beluisteren, temeer ik haar origineel van ‘The Limit to Your Love’ vele malen beter vind dan de versie van James Blake, en die is al vrij goed. Feist heeft er met mij al een tijdje een fan bij, maar het heeft toch nog heel lang geduurd vooraleer ik iets nuttigs kwijt kon over het album. Dat is er nu dan toch van gekomen, en dan hangen we daar maar meteen een score aan vast:

4 sterren

Fiction Plane - Sparks (2010)

poster
3,5
De eerste drie nummers zijn erg aanstekelijk, en ook gewoon heel goed gedaan.

'Talking' is ook aanstekelijk, maar zoals hierboven al gezegd, het zou zo van Anouk kunnen zijn. Toch wat minder dus.. Al is die gitaarsolo wel lekker.

'Revenge' is ook niet slecht, maar zeker geen favoriet van mij. 'Two Sparks' daarentegen is dan weer op het niveau van de eerste drie nummers, zij het van een heel ander type.

In 'Tommy' klinkt het gitaargeluid een stuk smeriger, maar persoonlijk vind ik dat de stem van de zanger (zoon van Gordon Sumner aka Sting van The Police, wist ik niet..) er niet echt bij past. Maar als je dat wegdenkt, heb je gewoon een heerlijk, duister nummer. Vooral rond minuut 3 krijgen we een lekker tussenstuk.

Over 'Humanoid' heb ik hier nog niets gelezen, maar dat is toch ook weer een lekker nummer.

In 'Zero' klinkt de zang inderdaad erg Sting, maar het nummer klinkt ook gewoon erg The Police, vind ik. Leuk, rustig tussendoortje, in tegenstelling tot de andere nummers dan toch, meer niet.

'Russian LSD' heeft z'n titel niet gestolen, het nummer wijkt af van de rest van de nummers. Het nummer begint heel erg rustig, relaxed zelfs, maar barst dan toch uit na iets minder dan 3 minuten in lekker gitaargedrein. Gewaagd maar geslaagd, zou ik zeggen!

'Denied' is een leuke afsluiter, begint rustig, ingetogen zelfs, en ontvouwt zich op geheel eigen manier tot een wederom leuk in het gehoor liggende rocksong.

Een plaat met over het algemeen leuke rocksongs, en dan nog zoiets als 'Russian LSD', daar teken ik voor!

3,5 sterren

Fionn Regan - 100 Acres of Sycamore (2011)

poster
4,0
Heel goeie plaat van deze Ier, landgenoot van de veel bekendere Damien Rice. Waarom ik die naam er meteen bijsleur? Wel, het heeft er wel wat van weg, in het titelnummer hoor ik ook dat lichtelijk bombastische terug. Geweldig nummer trouwens, misschien meteen het beste van de plaat. In ieder geval een mooi lokmiddel om het hele album te gaan beluisteren.

En je komt niet bedrogen uit. De titelsong mag dan wel het beste nummer zijn, '100 Acres of Sycamore' heeft zoveel meer te bieden. Naast de wat meer met strijkers opgesmukte nummers staan er ook enkele kleine nummers op, van die "kleine" liedjes waar ook naamgenoot Damien Jurado een patent op heeft. Daar ga ik het verder niet mee vergelijken, het stemgeluid van deze Regan laat dat niet toe. Hij zingt zalvend, zacht en aanlokkelijk. Zoals het refrein weerklinkt op het tweede nummer, daar ga je spontaan van meezingen (of fluisteren, zo u wil).

Een van m'n stiekeme favorietjes op deze plaat is 'Dogwood Blossom', een juweeltje, verpakt in soberheid en bescheidenheid. 'The Lake District', een andere favoriet, houdt zich het merendeel van de tijd ook klein, maar weet af en toe toch prachtig uit te barsten, met aandoenlijke strijkers. En uiteindelijk altijd ingehouden, alsof Regan het bewust doet. Zo klinkt het. 'North Star Lover' is ook erg sterk, met een sterk refrein, en in 'Vodka Sorrow' ziet Regan zijn kans om eens lekker uit te blèren.

Gevarieerde plaat dus ook. Opmerkelijk, want Regan hanteert toch altijd min of meer hetzelfde stramien, en krijgt hulp van dezelfde instrumenten; stem, gitaar, piano, strijkers. Het is geen plaat voor de grote avonturier, want experimentele en gewaagde muziek krijg je zeker niet te horen. Regan staat wel garant voor constante hausse in kwaliteit, al sluipt er - eerlijk is eerlijk - na talrijke luisterbeurten toch af en toe moeheid in. Zo zijn de twee korte songs op het eind zeker niet slecht, maar ik zit nu meer te wachten tot ze gedaan zijn dan in het begin. Ook het duo 'List of Distractions' en '1st Day of May' behoort niet tot de sterkste passages op het album, maar zijn nog altijd oké.

Tekstueel is het een sterk staaltje van Regan, hij zingt over de gebruikelijke thema's (waar kan je het op den duur anders over hebben?), maar doet dat met fraaie, originele bewoordingen. Een fragment uit 'Dogwood Blossom':

"Keep climbing into my head without knockin';
And you fix yourself there like a map pin;
On this ghost of this street where I'm livin';
I'm in a chrysalis and I'm snowed in."

Daar word ik wel even stil van. Of het aparte, duistere sfeertje dat er over de titelsong hangt, als een dreigende wolk. Telkens als ik de tekst lees (of hoor in het nummer natuurlijk), voel ik me niet helemaal op m'n gemak. De ondertoon is een beetje grimmig, als een verhaal dat men niet afmaakt, uit vrees voor het trieste, desastreuse einde. Deze zin in het bijzonder geeft mij dat gevoel:

"Rise up from the black ships that sail through the swan of your heart"

Je vraagt jezelf af wat Regan er precies mee bedoelt, maar in je binnenste heb je al een gitzwart vermoeden, en daarom wil je ook weer niet weten wat hij ermee bedoelt. Dat vind ik erg knap van Fionn Regan.

Kortom: fraai plaatje van Fionn Regan, en zeker één van de beste die ik dit jaar al gehoord heb in het singer-songwritergenre. Terwijl het maar wachten blijft op een nieuwe plaat van Damien Rice, is het ondertussen Regan die het mooie weer maakt in Ierland.

4 sterren

First Aid Kit - Drunken Trees (2008)

poster
4,0
In 2010 ontdekte ik First Aid Kit, met hun eerste langspeler ‘The Big Black And The Blue’. Met terugwerkende kracht heb ik nu ook de EP ‘Drunken Trees’ ontdekt, die het album zowat inleidde. En net als ‘The Big Black And The Blue’ vind ik dit werkelijk prachtig.

‘Little Moon’ begint met een spoken wordgedeelte, waarin meteen de titel van deze EP voorkomt. Daarna komt de echte zang, en wie deze twee meisjes kent, weet dat ze heel erg mooi kunnen zingen. Wat me wel opvalt: meestal zingt men “lalalalala”, en hier is het “rarararara”. Zweedse variant of zo? Wel verrassend, en geslaagd.

‘You’re Not Coming Home Tonight’ is een prachtig luisterliedje, met een mooie tekst. De liefde die je niet krijgt; het is een universeel thema. In het begin was dit mijn favoriet nummer, maar nu al lang niet meer. En dat zegt wat mij betreft heel veel over de kwaliteit van de andere nummers.

Nummers zoals ‘Tangerine’. Tja, wat moet je daar nu van zeggen? Fantastisch nummer, aangrijpend verhaal. “They say that I should leave you; yeah, go and find someone new; who doesn’t love a girl that smells like Tangerine”. De meisjes zijn nog zo jong, en hebben het toch al over dit soort onderwerpen; dat verraadt alleen maar dat zij al erg volwassen zijn voor hun leeftijd, en over het leven nadenken.

‘Jagadamba, You Might’ klinkt toch wat anders dan de rest. De zang klinkt ook wat scherper. Het toont een wat excentriekere kant van de zusjes Söderberg, meer aanleunend bij bijvoorbeeld een Julia Stone (al is deze EP al van 2008, al zeggen sommige bronnen 2009). ‘Our Own Pretty Ways’ klinkt vrolijk, opgewekt. En dat ze over hun projecten nadenken, dat wil ik even bewijzen met een fragmentje tekst:

“Let’s not spill the truth
It’s easier being alone
You’re a shadow of the old
And I want something new.
You’ve quit dreaming again
I can see it now clear
But I’ll wake up every morning
With the big black and the blue.”

Ziedaar, in de laatste regel, de titel van hun door mij in dit stukje reeds vermelde langspeler. Die is dus vernoemd naar dat zinsdeel, en gelijk hebben ze. Prachtige titel!

Het beste nummer van de plaat dan. Dat is ‘Pervigilo’. Als je de tekst erbij neemt, de troosteloze zang en de lijdende gitaar beluisterd, dan weet je het wel. Wie blijft daar onberoerd bij? Ik alvast niet, ik ga er enorm in op. Verder heb ik hier geen woorden voor, een song van wereldklasse.

Afsluiter is het vrij korte maar net wat snellere ‘Cross Oceans’, dat wat meer in de lijn van ‘Jagadamba, You Might’ ligt. Een song met pit. Met een geheel eigen willetje. Handgeklap. Bezwerende zang. Beklemmend sfeertje. Een afsluiter die naar meer smaakt.

4 sterren

First Aid Kit - The Big Black and the Blue (2010)

poster
4,5
Het zijn zusjes, ze heten Johanna en Klara Söderberg, ze komen uit Zweden, en hebben beiden een ongelooflijke stem. De instrumentatie is sober, akoestische gitaar en hier en daar een piano of viool ertussen. Deze sobere instrumentatie zet hun vocalen extra in de verf, en daar kan ik alleen maar verheugd om zijn. Bekend geworden op Youtube met een cover van Fleet Foxes’ ‘Tiger Mountain Peasant Song’, dacht ik, en die wekte ook mijn interesse.

Over de nummers op deze plaat niets dan goeds. Echte uitschieters staan er niet op, daarvoor is het niveau van de songs simpelweg te hoog. Toch heb ik een persoonlijke voorkeur voor een drietal songs, ‘Hard Believer’, ‘Waltz For Richard’ en ‘I Met Up With A King’. ‘Hard Believer’ is een tekstueel pareltje, en als je bedenkt dat haar schrijfster (Klara) slechts 16 (ZESTIEN!) jaar is, dan mag men toch het beste verhopen voor de toekomst. Doorleefd atheïsme voor gevorderden.

‘Waltz For Richard’ springt er voor mij uit omdat de vocalen hier het meest tot hun recht komen. Het nummer duurt een kleine drie minuten, maar het is van ongekende schoonheid. Ik durf het nu al uit te roepen tot track van het jaar, al is dat wel een beetje prematuur.

‘I Met Up With A King’ viel me op, omdat ik het een erg imaginair nummer vind, waarmee ik wil zeggen dat het heel wat beelden oproept bij me. Het lijkt wel dat elke strofe een kort sprookje is, waarvan de interpretatie afhangt van de fantasie en inbeelding van de luisteraar. Dat ze hierin slagen, vind ik vraiment fantastisch.

Eervolle vermeldingen zijn er zeker ook voor het prachtige, bluesy beginnende, prachtig ontluikende ‘Heavy Storm’ en het ingetogen pareltje dat ‘Ghost Town’ is. Maar eigenlijk doe ik de andere nummers daar onrecht mee aan; elk nummer op deze plaat verdient z’n plaatsje. Wat gedacht van het schitterende a capella-begin van ‘In The Morning’, of het verslavende melodietje van ‘Josefin’?

First Aid Kit levert met ‘The Big Black And The Blue’ een geweldige plaat af, niks geen opvullers, 100% pure kwaliteit en schoonheid in al z’n eenvoud. Tekstueel is dit ook erg hoogstaand, en ik verwacht alvast veel van deze meisjes in de toekomst.

4,5 sterren

First Aid Kit - The Lion's Roar (2012)

poster
3,5
Na één sterke EP en een uitmuntend debuut, dat hen de nodige bekendheid verschafte, is er de plaat van de bevestiging. Een ongeschreven regel, en ook voor het Zweedse First Aid Kit geldt die regel. ‘The Big Black and the Blue’ was een debuut dat de verwachtingen erg hoog legde voor deze plaat, zeker bij mij; het debuut stond in 2010 in m’n eindejaarstop 10. Sobere doch mooie folkmuziek, en die stemmen… die hemelse stemmen. Van een nummer als ‘Waltz for Richard’ krijg ik nu nog altijd een prettig gevoel. Maar over tot de orde van de dag.

‘The Lion’s Roar’ dus, de langverwachte opvolger. Op MuMe is dit in korte tijd een succesverhaal geworden voor de Zweedse zusjes, en niet alleen op MuMe, getuige hun samenwerking met Conor Oberst van Bright Eyes op de afsluiter. In een interview werd hen gevraagd met wie ze nog wel zouden willen samenwerken. De naam Dylan viel. Altijd maar Dylan. Maar dat is lang niet hun enige held, als je goed naar het plaatje hebt geluisterd, vind je er zeker nog wel een paar. In het refrein van ‘Emmylou’ vind je er algauw vier. En niet van de minste.

Het titelnummer opent de plaat, en is meteen één van de beste nummers. Het folkgeluid van deze song doet meer denken aan het debuut, maar het is toch wat rijker, een wat voller geluid. Net als de hele plaat in z’n geheel, eigenlijk. Waar de folk heerste op het debuut, komen nu country-invloeden om de hoek loeren. ‘Emmylou’ en afsluiter ‘King of the World’ zijn daar de beste voorbeelden van.

Ingetogenheid staat er natuurlijk ook nog wel op; zo is ‘In the Hearts of Men’ een ietwat verdoken pareltje, al is het geluid nog altijd voller dan dat op het debuut. Dat zal ongetwijfeld met de productie te maken hebben; die is in handen van dat andere bekende lid van Bright Eyes; Mike Mogis. Hij neemt trouwens een prominente rol in op het album, want naast het aannemen van de rol van producer, speelt hij ook onder andere viool, mandoline, steel guitar en vibrafoon (op het naar die bekende plaat van Joni Mitchell knipogende ‘Blue’). Ook de vader van Johanna en Klara speelt mee; Benkt Söderberg speelt basgitaar op een aantal tracks. En zo blijkt de huiselijke warmte, die toch duidelijk uit deze muziek klinkt, ook echt aanwezig te zijn. Mooi is dat!

Op vocaal vlak is het nog altijd van erg hoog niveau, een valse noot zingen de zusjes Söderberg niet, het is een glashelder geluid, maar zeker niet saai of eentonig. Daar zorgt de samenzang, die je met momenten hoort, wel voor. Het refrein van ‘This Old Routine’ bijvoorbeeld; bloedmooi. Dat geldt eigenlijk voor alle aspecten van die song. Knap gezongen, erg leuke melodie (met heerlijke dromerige steel guitar) en een aangrijpende, voor velen hoogstwaarschijnlijk herkenbare tekst. “This old routine will drive you mad; it’s just a mumble never spoken out loud; and sometimes you don’t even know why you loved her; well you look at her now, and you see why”. Ik bedoel maar.

Na ‘This Old Routine’ volgt het bijzonder fraaie ‘To a Poet’. Het langste nummer op de plaat, met een geduldige opbouw. Het nummer kent een erg rustige aanloop, met ergens middenin een stukje van die hemelse stemmenpracht, bijna a capella samenzang. Daarna kent het nummer nog een mooi georkestreerde uitloper van pakweg anderhalve minuut, die toch wel iets teweegbrengt. Kippenvelnummer.

Dan volgen een tweetal nummers die me wat minder doen, al zijn ze op zich niet slecht. ‘I Found a Way’ is een goeie song, maar ik verwacht altijd dat die song helemaal open gaat bloeien, en dan blijft ie toch steeds een beetje op de vlakte. Kabbelen. ‘Dance to Another Tune’ daarentegen is dan eigenlijk het tegenovergestelde; alleen komt het een beetje te gemaakt over. Het suggereert een groteske opbouw, terwijl het er ook weer nooit echt helemaal uitkomt. Na drieënhalve minuut wordt dan overgeschakeld op een ander tempo, aangegeven door frivole strijkers.

‘New Year’s Eve’ zet in met autoharp, en is één van de rustigste nummers. Van het soort soberheid dat aan het debuut doet denken. De zang is wederom bedwelmend, en het contrast met de vrolijk klinkende afsluiter, die trouwens geschreven is door Conor Oberst, kon bijna niet groter zijn. Het country-gevoel keert nog één keertje terug, de nodige warmte wordt toegevoegd door een accordeon, en het vioolspel mag ook niet ontbreken. Een fraaie trompetpassage is de kers op de taart. Toch hoop ik niet dat dit de koers is die ze op hun volgende plaat gaan varen, want ik hoor ze toch gewoon het liefst bezig zoals op hun debuut; spaarzame folkmuziek met prachtige meerstemmigheid en sterke teksten. Daarom krijgt deze ook een sterretje minder dan het debuut.

3,5 sterren

Fishmans - Uchu Nippon Setagaya (1997)

Alternatieve titel: 宇宙 日本 世田谷

poster
3,0
Uchū Nippon Setagaya van de eigenzinnige band Fishmans (ik heb gelezen dat ze wel 'ns de Japanse Radiohead worden genoemd - nu zijn dat soort vergelijkingen natuurlijk altijd gevaarlijk) werd uitgebracht in 1997, een dik halfjaar na de release van Long Season, hun meest bekende plaat als ik op het aantal stemmen op deze site mag afgaan. Het album duurt een klein uur, en in dat uur gebeurt er van alles, worden er elfendertig verschillende genres bijgetrokken, en haast nog meer instrumenten. De experimenteerdrift draaide dus op volle toeren in Japan.

De genre-aanduiding bij dit album is Pop/Reggae, maar dat had evengoed Electronic/Avant-Garde of zelfs Rock/Jazz kunnen zijn voor mijn part. De enorme diversiteit maakt dit tot een interessant werk, en dankzij een anonieme tipgever (laten we hem aerobag noemen ), heb ik dit leren kennen.

Een onverdeeld succes is het zeer zeker niet, daar ik het geheel nogal wisselvallig vind. Zo begint het album wel goed met de opener, en is Weather Report nog wat straffer (wat een geweldige vibe, wat een opbouw - vooral in het tweede deel!). De twee daaropvolgende tracks zakt het echter als een kaartenhuisje in; twee tracks die me helemaal niet weten te boeien, meer zelfs, ronduit irritant klinken. Ook de gekke gekkigheid in Magic Love trek ik niet zo, al moet ik toegeven dat dit me dan wel weer ergens intrigeert.

Het laatste halfuur (lees: de laatste drie nummers) zijn dan weer erg goed, zo niet weergaloos. Walking in the Rhythm lijkt wel eindeloos, maar de subtiele variaties zorgen ervoor dat de track geen seconde gaat vervelen. Het eerste deel van de compositie maakt op muzikaal vlak het meeste indruk, het tweede deel houdt je in de ban met de titel die als een soort mantra wordt gedeclareerd (en zo de luisteraar hypnotiseert), en uiteindelijk traag maar o zo fraai naar de uitgang konkelt. Daydream is een - no pun intended - gedroomde afsluiter.

Ik heb de plaat deze week een keer of 4 gedraaid, en hink na afloop steeds op twee gedachten: enerzijds is dit werkelijk interessant, en gebeurt er ook genoeg fraais om me met een voldaan gevoel achter te laten. Anderzijds heb je dat slappe middenstuk, en het feit dat de vocalen me iets te vaak tegenstaan (het werkt op den duur op de zenuwen, maar ook op de mentale frisheid).

3 sterren

Fleet Foxes - Helplessness Blues (2011)

poster
4,0
In 2008 brachten Fleet Foxes hun eerste plaat uit. Die heb ik toch al eventjes in mijn bezit, en ik vind ‘m nog steeds erg goed. Ik zat ook al een tijdje te wachten op een nieuwe plaat. Die hebben ze dit jaar dan uitgebracht, onder de titel ‘Helplessness Blues’. Het titelnummer werd al even voor de release op onder andere Pitchfork beschikbaar gesteld, en ik heb ‘m toch een keer of vijf beluisterd. Het was een voorbode van een tweede sterke plaat. Pecknold en de zijnen hebben bevestigd.

De hoes is ook weer erg mooi, net als die van het debuut. Een mooie, kleurrijke wereld wordt opgetekend. Het boekje, waarvan ik eerst dacht dat het gewoon een boekje was, blijkt een groter model van de hoes, maar dan in grijstinten. Waar de hoes zelf me een warm, zomers gevoel geeft; geeft dit me een grauwer gevoel. En zo klinkt de muziek ook, eerlijk gezegd. Alsof de zon schijnt en het regent tegelijkertijd. De regenboog die door de 12 nummers op deze plaat wordt gecreëerd, is dan ook erg fraai.

De basis is nog altijd grotendeels hetzelfde als op het debuut. Meerstemmigheid, een licht melancholische klank, met wortels in de folkmuziek. Toch bespeur ik ook meer variatie; het lijkt erop dat Fleet Foxes erop vooruit zijn gegaan. Twee nummers op de plaat bewijzen dat: ‘The Plains/Bitter Dancer’ en ‘The Shrine/An Argument’. Eigenlijk tweeledige nummers, zoals uit de titel ook al valt op te maken. Daarover later meer, laten we het eerst eens over de overige 10 songs hebben. Veelal simpele folknummertjes, zoals op het debuut, maar toch iets meer variatie. Dat ze hun gevoel voor aanstekelijkheid nog niet verloren zijn, bewijzen nummers als ‘Battery Kinzie’ en ‘Grown Ocean’, al vind ik laatstgenoemde toch een wat minder nummer.

Dat niet elke song raak is, wijst erop dat Fleet Foxes wel degelijk nog progressiemarge hebben. ‘The Cascades’ is een tussendoortje, niet zo veel aan, maar dat kan ik wel gedogen. ‘Blue Spotted Tail’ klinkt ook wat simplistisch (ook qua tekst), en is dus ook zeker niet het sterkste nummer op de plaat. Nog één van die korte songs, ‘Someone You’d Admire’, is daarentegen wel een voltreffer; ik kan er maar niet genoeg van krijgen, terwijl dat nummer ook best simpel is, als je het objectief bekijkt. Maar het raakt me gewoon, de tekst klinkt ook zo oprecht en mooi, ik kan er niet onderuit. Niet het beste nummer op de plaat, maar wel het nummer dat ik veruit het meest beluister.

Met ‘The Plains/Bitter Dancer’ geven Fleet Foxes een eerste keer uiting aan hun ambitie om van simpel folkbandje toch wat meer gedifferentieerde horizonten te gaan verkennen. De intro (The Plains) plaveit mooi de weg voor het tweede deel van de song, dat een haast hypnotiserend effect heeft, nog versterkt door het fluitje. Om correct te wezen, moet men eigenlijk zeggen dat de song uit drie delen bestaat; want eens de grens van de vier minuten gepasseerd, wordt het geheel weer opgeluisterd met zo’n mooi meerstemmige passage, dat vrolijk en onbekommerd klinkt. Het hele nummer heeft eigenlijk een middeleeuws sfeertje, als je ’t mij vraagt.

De titelsong, daar kan ik misschien wel het meeste over zeggen. Een pracht van een nummer, misschien wel het beste dat Fleet Foxes tot nu hebben gemaakt. De kracht van het nummer zit ‘m in twee dingen; de variatie en uitgesproken vastberadenheid om er iets van te maken. Hier steekt veel tijd in, daar durf ik m’n hand voor in het vuur te steken. De overgang na drie strofen naar een heel andere sound, met Arcade Fire-achtige riff bijvoorbeeld; of de erg sterke, goed doordachte tekst (“What good is it to sing helplessness blues? Why should I wait for anyone else?”).

‘The Shrine/An Argument’ is by far het beste nummer van de plaat. Met zijn speeltijd van ruim 8 minuten en erg fraaie opbouw is het iets dat Fleet Foxes voorheen nog niet gedaan hadden. Het mooiste voorbeeld van vooruitgang in hun songwriting. Pecknold heeft dit gezegd: “For the second album, I tried to sound less poppy, less upbeat and more groove-based”. Daar is ie aardig in gelukt, al moet ik wel de opmerking maken dat de meeste nummers, alsmede passages in dit langste nummer, nog altijd erg poppy klinken. Maar er is inderdaad een verandering in de sound, en dat is het voornaamste.

De veelheid aan instrumenten die op de plaat gebruikt zijn, geeft ook de ambitie van ‘Helplessness Blues’ aan. Fleet Foxes hebben nu twee platen uitgebracht, die allebei sterk zijn, maar nog niet bijzonder. De band heeft het wel in zich om zo’n plaat te maken, die boven alle andere platen uitsteekt, en als dat pas moest gebeuren na nog twee à drie platen van dit kaliber, dan zal ik daar niet om treuren; Fleet Foxes hebben in mijn ogen hun kunnen wederom gedemonstreerd, en bewezen dat ze ook kunnen groeien. Nu ben ik vooral benieuwd waar die groei hen gaat brengen.

4 sterren

Flogging Molly - Alive Behind the Green Door (1997)

poster
3,5
Flogging Molly zal één van de weinige bands zijn die een live-plaat uitbrachten voor hun studio-debuut, vermoed ik. De band werd in 1997 opgericht door Dave King, die eerder zong bij Fastway en Katmandü, maar pas met Flogging Molly écht succes kende (in Fastway speelde ook o.a. Motörhead-gitarist "Fast" Eddie Clarke).

Naar verluidt werd de band vernoemd naar de pub Molly Malone's in LA, die erg achter de band stond, althans volgens een quote van King:

"We used to play there every monday night, and we felt like we were flogging it to death, so we called the band Flogging Molly."

Tja, zo simpel kan het soms dus zijn.

Maar goed, dit album is de registratie van een concert dat ze gaven in 1997, niet toevallig in diezelfde pub. Het is goed te horen dat de band nog in de kinderschoenen staat, wat een charmante rommeligheid met zich meebrengt. Gelukkig weet de band, onder leiding van de charismatische King, het gewillige publiek moeiteloos voor zich te winnen.

Interessant punt is waar deze songs dan uiteindelijk terecht zijn gekomen. Drie songs verschenen uit studio-debuut Swagger, twee op opvolger (en mijn favoriet) Drunken Lullabies. Het mooie Laura verscheen op de verzamelplaat Whiskey on a Sunday, en Between a Man and a Woman zelfs pas op hun vierde album Float, dat maar liefst 11 jaar na dit concert werd uitgebracht.

Never Met a Girl Like You Before werd nooit in de studio opgenomen, bij mijn weten. Daarnaast staan er ook nog enkele covers op het album, met Whatever Made Milwaukee Famous (Made a Loser Out of Me), geschreven door Glenn Sutton en ooit een single van Jerry Lee Lewis; en de afsluiter, een mix van Delilah (u wel bekend van Tom Jones) en That's All Right (u wel bekend van Elvis Presley). Fraaie keuzes, dus.

Deze live-plaat laat nog geen band op de top van zijn kunnen horen, maar energiek, sympathiek en amusant is dit plaatje zeer zeker.

3,5 sterren

Flogging Molly - Speed of Darkness (2011)

poster
3,5
Aanvankelijk vond ik dit het minst goede album van Flogging Molly tot nu toe, maar ik moet zeggen, de meest recente luisterbeurten heb ik 'Speed of Darkness' leren waarderen. Natuurlijk, 'Don't Shut 'em Down' blijf ik ontieglijk zwak vinden, maar het is niet de enige song op deze plaat. Er staan toch weer een aantal frisse songs op, barstensvol energie. Ook nieuwe elementen vallen me op, zoals blazers op 'Revolution'(kan me niet herinneren dat Flogging Molly daar ooit mee heeft gewerkt).

Het basisgeluid van de band is wel weer aanwezig; beïnvloed door Ierse folkbands zoals The Pogues en The Dubliners, en ook door de punkrock-beweging. Dave King blijf ik een erg goede zanger vinden, die veel emotie in z'n zang legt. Voeg daarbij de nieuwe sound die ze aan het ontwikkelen zijn (zie ook 'Float'), en je hebt weer een plaat die niet ontgoochelt. Laten we dat ene rotslechte nummer vergeten, en ons concentreren op de 11 overige nummers.

De opener is meteen een lekkere binnenkomer, 'The Power's Out' is een feestelijk rustpunt (lijkt wel een oude hymne in een nieuw jasje), dat op het einde nog flink openbarst. Het nummer heeft echter geen feestelijk thema; CEO's zijn de schuldigen van de crisis, vinden ze bij Flogging Molly. 'So Sail On' is al helemaal een rustig nummer, om met 'Saints And Sinners' weer archetypisch te ontploffen. Helemaal Flogging Molly, deze song, en toch geen herhalingsoefening. Zo hoor ik ze het liefst.

'The Cradle of Humankind' is een langer nummer, dat erg rustig en statig is; één van de mooiste nummers op deze plaat naar mijn mening (met zowaar een aandoenlijke piano!). Daarna komt het nijdige 'Oliver Boy (All Of Our Boys)', dat ook zo een hymne van weleer zou kunnen zijn. 'A Prayer For Me In Silence' is dan een (mooi) tussenstukje van ongeveer 2 minuten, om te eindigen met 'Rise Up'. Dat is zeker niet het beste nummer, maar toch een gepaste afsluiter. Wat ook opvalt, is de lading van sommige songs; over revolutie, protest, aanklacht.

Een goeie plaat is dit dus toch geworden, die ik met plezier herbeluister.

3,5 sterren

Fluisteraars - Bloem (2020)

poster
4,0
Deze band uit Gelderland (in 2016 brachten ze zelfs een EP met die titel uit) leerde ik kennen dankzij het nummer Oeverloos, dat op de split met land- en genregenoten Turia staat, en dat wist me meteen van m'n sokken te blazen. Dit jaar zag ik dat ze met een nieuwe plaat kwamen, dus ging ik deze natuurlijk in al mijn enthousiasme beluisteren!

Op Bloem jaagt de band vijf composities op de luisteraar af, die in de basis behoorlijk repetitief zijn. Gelukkig kan je er, als je op de details let, meer dan genoeg uithalen. De subtiele tempowisselingen, de felle vocalen van Bob Mollema, die ook nog 'ns prima verstaanbaar zijn (al vind ik het Nederlands soms toch best potsierlijk overkomen, maar dat zal wel aan mij liggen), het gebruik van niet voor de hand liggende instrumenten als trompet, trombone en pauk, die voor het verrassingselement zorgen, nét wanneer de song in kwestie het nodig heeft.. het zorgt allemaal voor een meeslepend festijn van een dik halfuur.

Ik heb trouwens ergens gelezen dat alle instrumenten werden ingespeeld door Mink Koops. Nu ga ik er van uit dat het om de zogezegd traditionele black metal-instrumenten gaat, maar dan nog is het erg knap. Luister alleen maar hoe de accenten in het drumspel voor een prachtige dynamiek zorgen in prijsnummer Vlek.

Deze elementen zorgen allemaal voor een verfrissend geluid, waardoor de plaat niet gauw zal verwelken binnen het genre. Kortom, een erg knappe plaat dus!

4 sterren

Fluisteraars - Gegrepen door de Geest der Zielsontluiking (2021)

poster
4,5
AOVV schreef:
Twee keer beluisterd ondertussen, en deze bevalt me heel erg, misschien nog wat beter dan voorganger Bloem. Luistert eigenlijk als één lang nummer, deze plaat.


Een aantal maanden én luisterbeurten later moet ik concluderen dat ik deze effectief beter vind dan Bloem. Dat terwijl de instrumentatie hier beperkter is (op Bloem werd geëxperimenteerd met pauk, trompet en trombone), wat erg knap is. Zoals Don Cappuccino al zegt, weten multi-instrumentalist Mink Koops en vocalist Bob Mollema als geen ander dat de basis zo ontzettend belangrijk is, en ze lijken zich hier dan ook op de essentie te richten, met ook meer focus op de oude school (zie ook die albumhoes).

Want ja, ondanks het beperkter instrumentarium is het duo er wel in geslaagd de horizon te verruimen, wat ik een hele prestatie vind. De composities klinken gelaagder dan ooit, het "less is more"-principe wordt met succes gehanteerd. In de basis horen we hier ziedende black metal met de gekende karakteristieken (grootse, nijdige riffs; blast beats en dondergeroffel; ijzingwekkende schreeuwen) en hoewel dit op zich al erg goed wordt uitgevoerd, is het niet de grote troef van deze plaat in mijn ogen. Neen, de genialiteit schuilt 'm net in het onverwachte. En waar ze dat op Bloem brachten middels de introductie van onconventionele instrumenten, doen ze dat hier door rustposes in te bouwen, door onverwachte doch meesterlijke overgangen te initiëren zonder dat het ook maar een tikkeltje geforceerd lijkt, en ook qua sfeer subtiele transities door te voeren (in de tweede track wordt zo bijvoorbeeld van "pisnijdig" naar "licht euforisch" geschakeld zonder dat je er zelf erg in hebt).

Baslijntjes zijn ook steeds meer een dingetje aan het worden in mijn muziekbeleving. Het zijn subtiele penseelstreken op een canvas, die je na een eerste, wat oppervlakkige inspectie niet meteen opmerkt, maar zich - zeker met de koptelefoon! - per luisterbeurt prijsgeven. Ik merk dan ook dat Gegrepen door de Geest der Zielsontluiking op dat vlak een rijk voorziene vijver betoont om in te vissen. De overgangen tussen de composities zijn daarnaast ook fantastisch gedaan, naadloos eigenlijk, zodat het lijkt alsof je naar één lang nummer zit te luisteren. Opener Het Overvleugelen der Meute wordt afgesloten met een soort bevreemdend tribaal ritme, waarna Brand Woedt in Mijn Graf ziedend openbarst (is het natuurlijk ook aan zijn titel verplicht). Dit openingskwartier vormt slechts het voorprogramma, want Verscheuring in de Schemering is met zijn 20 minuten pas echt een tour de force.

De teksten zijn, hoewel Mollema in feite goed verstaanbaar is, voor mij van minder belang. Ik schreef bij Bloem al dat ze wat potsierlijk overkomen, en de titels van album en songs zeggen wat dat betreft al genoeg, denk ik. Op muzikaal/instrumentaal/compositorisch vlak is dit echter zo meesterlijk, dat het slechts een microscopisch euvel is.

Indrukwekkend ook, tot slot, dat Fluisteraars reeds na een jaar met deze nieuwe plaat komt, en het er dan nog eentje is van torenhoog niveau. Van de eerste riff over elke geweldige sfeershift en de schitterende, beklemmende soundscape-passage (met donderende drums en machinale geluiden, uiteindelijk uitmondend in een heerlijk euforisch klinkende riff) in het slotstuk tot het absolute einde, dat je nog eens helemaal door elkaar husselt en vervolgens op z'n Pink Floyd's naar de exit stuitert.

4,5 sterren

Françoise Hardy - Tous les Garçons et les Filles (1962)

Alternatieve titel: Françoise Hardy

poster
3,5
Toen ik dit album voorstelde in het Review Album van de maand-topic, had ik geen laaiend enthousiaste reacties verwacht, maar ook weer niet zulke lage scores. Ik ben wel blij dat er wat animo is gemaakt omtrent dit album, want dat verdient Hardy wel.

We schrijven 1962. Voor The Beatles uit Engeland moest het nog helemaal beginnen, zij zouden enkele jaren later heersen over de wereld van de popmuziek met talloze hits. In Frankrijk had je voornamelijk chansonniers, Serge Gainsbourg, Georges Brassens en vele anderen. Françoise Hardy zorgde voor wat tegengewicht door als vrouw haar debuutplaat uit te brengen, een aangenaam in het gehoor liggende plaat. Twaalf eenvoudige popliedjes, samen goed voor nog geen 30 minuten.

De hoes is meteen uitnodigend. Françoise Hardy kijkt je vanonder een paraplu (al past de muziek beter bij een parasol) aan, met een melange van ondeugendheid en onschuld in haar blik. Dat het waait, kan je opmaken uit de lichtjes wapperende haren van mevrouw Hardy. Ze draagt dan ook een jas. Mooi beeld, vind ik persoonlijk.

The Yeh-Yeh Girl from Paris, wordt Hardy genoemd in de ondertitel van het plaatje. Die 'yeh-yeh' komt er inderdaad geregeld aan te pas, en dan kan dat algauw iets zijn waaraan men zich kan storen. Ook aan de simplistische opbouw van de nummers kan men zich storen. En dan vergeet ik nog het feit dat de nummers inwisselbaar zijn en op elkaar gelijken. Dat zijn redelijk wat aspecten die in het nadeel van Hardy spelen.

En toch, en toch. Guilty pleasures bestaan, iedereen heeft ze, en dit lijkt er één van mij te worden. Françoise Hardy weet me gewoonweg te betoveren met haar stem, die misschien niet al te hard opvalt, maar mij toch erg weet te charmeren. Ik hoor er iets in dat ik niet kan benoemen, laat ik het erop houden dat het gewoon één van die dingen is die je overkomen.

Hardy zingt over liefde, genegenheid en dat soort dingen. Helemaal zoals je het kan verwachten van popmuziek in de jaren '60 van vorige eeuw. De komende decennia zou er een enorme verbreding qua thema's aan bod komen in de muziekwereld, zoals dat in de literatuur al veel eerder het geval was.

Mijn conclusie: ik vind het wel goed zo. Geen uitmuntende plaat, wel een plaat om van tijd tot tijd eens op te leggen. Lekker luieren in je stoel, achterover leunen. Wachten op de lente.

3,5 sterren

Franz Ferdinand - Right Thoughts, Right Words, Right Action (2013)

poster
3,5
Alweer een goeie plaat van Franz Ferdinand, zonder meer. Right Action is een solide opener, die alvast de toon zet; de volgende twee nummers luidden het feestgedruis helemaal in. Vooral Love Illumination vind ik een erg knappe song. Aanstekelijk en vooral ook verrassend gevarieerd. Dit soort song weet m'n aandacht er wel bij te houden.

Stand on the Horizon is vervolgens eigenlijk meer van hetzelfde, maar in deze verpakking maakt me dat niet zoveel uit. Fresh Strawberries is een guitig, fruitig liedje, terwijl Bullet dan weer wat feller door richting einder zoeft. Soms hebben songs hun titel echt niet gestolen.

Zes songs gehad, en eigenlijk allemaal single-waardig materiaal. Een kwaliteit, maar een album vol singles hoeft van mij ook niet, wegens teveel van het goede. Daarom is het fijn te horen dat Kapranos en co het in de tweede helft van de plaat over een andere boeg gooien, met wat meer zin voor experiment, en wat minder druk op het gaspedaal. The Universe Expanded is daar een stemmig, zelfs wat melancholisch aandoend voorbeeld van. Goodbye Lovers & Friends is een aardige slotsong, maar verder niets speciaals.

Na een ijzersterk debuut en twee knappe vervolgplaten, is ook Right Thoughts, Right Words, Right Actions een goeie worp. Geen schot in de roos, maar 't komt soms toch verdomd dichtbij.

3,5 sterren

Freddie Hubbard - Straight Life (1971)

poster
4,5
Wat Hubbard begin jaren '70 bezielde weet ik niet, maar het moet haast fabeltastisch van aard zijn. Straight Life kan in alle opzichten als opvolger van het terecht bejubelde Red Clay worden gezien; net als op die plaat laat Hubbard zich omringen door Joe Henderson (tenor sax), Herbie Hancock (elektrische piano) en Ron Carter (bas), drie giganten uit de jazzmuziek die hun sporen in de jaren '60 verdienden en daarna lustig verder deden (Hancock en Carter zijn zelfs nog onder ons). Drummer Jack DeJohnette, drummer/percussionist Richard Landrum, gitarist George Benson en tamboer Weldon Irvine maken de indrukwekkende line-up compleet.

Het titelnummer mocht van mij gerust een uur duren. Verschrikkelijk goede, funky fusion-jazz! Hubbard schudt je meteen wakker met krankzinnig getoeter, daarna word je ruim een kwartier meegenomen op een adembenemende reis door kleurrijke, caleidoscopische landschappen, zich uitstrekkend tot in de altijd wat mysterieuze verte. Het tweede stuk, gecomponeerd door Irvine, is wat meer ingehouden van aard, maar teert nog net iets meer op coole, zwoele grooves. Late night jazz, maar dan ook weer niet bepaald om half knockout met dat derde glas whisky voor je neus aan de bar te zitten. George Benson steelt hier echt de show.

Here's That Rainy Day is een adaptatie van een popsong uit 1953, en biedt als besluit nog een dikke 5 minuten heerlijke melancholie. Het Kind of Blue-gevoel wordt opgeroepen in mij, en het zou me niet verbazen dat een Tom Waits deze uitvoering heeft gehoord en daardoor inspiratie heeft opgedaan voor de slotsongs van zijn debuutalbum. By far het minst uitdagende nummer van de plaat, maar bloedmooi hoor!

4,5 sterren

Freddie Hubbard & İlhan Mimaroğlu - Sing Me a Song of Songmy (1971)

poster
4,5
Geweldige plaat van trompettist Freddie Hubbard en de Turkse componist İlhan Mimaroğlu, die wat mij betreft wel wat meer aandacht verdient. Alle stukken zijn geschreven door Mimaroğlu, en de luisteraar krijgt een blend van musique concrète, gereciteerde poëzie en andere stukken tekst (met zeer kritische sociaal-maatschappelijk inslag) en het wat meer conventionele klassewerk van Hubbard en zijn kwintet, dat verder bestaat uit saxofonist Junior Cook, pianist Kenny Barron, bassist Art Booth en drummer Louis Hayes.

De teneur kan gelijk uit de albumtitel worden gedistilleerd, want die verwijst naar het Vietnamese dorp Son My, waar tijdens de Vietnamoorlog burgers werden gemarteld, verminkt, vermoord en verkracht door Amerikaanse troepen alsof het hun tweede natuur was. Het openingsstuk verwijst naar de moord op Sharon Tate door volgelingen van Charles Manson, What a Good Time for Kent State (wat een ironische, bijtende titel) is dan weer een erg intens stuk over de tragedie op de gelijknamige universiteit in 1970. De namen van de slachtoffers worden ook gereciteerd in dat stuk.

Intens. Dat is wel een sleutelwoord wat dit album betreft. Het hakt er stevig in, moet ik zeggen, ook de andere composities zijn zeer de moeite waard, en de thematiek (helaas) nog steeds erg actueel. De productie klinkt ook erg goed, maar dat mag op zich niet verbazen: Mimaroğlu was namelijk als producer zelf betrokken bij het label (Atlantic), en heeft zijn invloed binnen de platenmaatschappij aangewend om een aanzienlijk budget in dit project te pompen. Commercieel was het dan geen succes (had iemand dat dan verwacht?), maar dit vind ik best een baanbrekend werk dat nog steeds relevant is en bovenal krachtige sentimenten in me oproept.

4,5 sterren