Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Gene Clark - No Other (1974)

4,5
9
geplaatst: 23 april 2020, 21:39 uur
Gene Clark. Een naam die zeker een belletje doet rinkelen, en wel meer dan één. Ik kende van hem, alvorens Edgar18 dit album aan wist te bevelen in dit fijne topic, vooral zijn samenwerking met Doug Dillard uit 1968, The Fantastic Expedition. En ik wist ook wel dat hij, vooral in de vroege jaren, songschrijver was bij The Byrds, een band waar Clark een soort haat-liefdeverhouding mee had, in die zin dat de liefde steeds weer om de hoek kwam loeren, maar uiteindelijk altijd omsloeg in desillusie.
Het typeert de man wel een beetje, die knipperlichtrelatie. Gene Clark was naar verluidt niet bepaald een vrolijke spring-in-het-veld, en wist zijn ziel gelukkig nog grotendeels bloot te leggen in zijn muziek, anders was hij wellicht al veel eerder naar de Eeuwige Jachtvelden verwezen door overmatige drugsconsumptie. Maar goed, over naar de muziek.
No Other is het vierde solo-album van Gene Clark, en - als ik de ratings hier op MuMe, maar bijvoorbeeld ook op RYM mag geloven - is het zijn beste. Nochtans werd de plaat kort na de release verguisd door de critici, een klap die Clark nooit echt te boven is gekomen. De erkenning kwam, zoals wel vaker, postuum. Dan wordt je er ook alweer aan herinnerd dat de wereld een cynische modderpoel is.
Nou, wat mij betreft is die erkenning meer dan terecht. No Other is een singer-songwriterplaat met country-invloeden, maar tegelijk zoveel meer. Zo is de titeltrack overgoten met een heerlijk psychedelisch sausje, dat me aan oude Pink Floyd (mét Syd Barrett) doet denken, maar ook aan Grateful Dead. Silver Raven is een masterclass in songschrijven. Strength of Strings breekt na een perfecte intro van anderhalve minuut open met scheurende gitaar, keyboard en imposante samenzang. De tekst heeft iets van een psychedelische apocalyps.
Zo valt er voor elke song wel iets te zeggen, maar mijn favoriet is de langste song van het album, Some Misunderstanding. Hoe mooi Clark hier zingt, het lijkt wel van een andere wereld. Zo breekbaar en rotsvast tegelijk. Telkens de passage "We all need a fix, at a time like this, but doesn't it feel good to stay alive" de revue passeert, treft het me onverbiddelijk. De gitaarcoda aan het eind is ook erg fraai.
Wonderschone plaat. Deze zou na verloop van tijd wel eens kunnen toetreden tot mijn gekoesterde kring met favoriete albums.
4,5 sterren
Het typeert de man wel een beetje, die knipperlichtrelatie. Gene Clark was naar verluidt niet bepaald een vrolijke spring-in-het-veld, en wist zijn ziel gelukkig nog grotendeels bloot te leggen in zijn muziek, anders was hij wellicht al veel eerder naar de Eeuwige Jachtvelden verwezen door overmatige drugsconsumptie. Maar goed, over naar de muziek.
No Other is het vierde solo-album van Gene Clark, en - als ik de ratings hier op MuMe, maar bijvoorbeeld ook op RYM mag geloven - is het zijn beste. Nochtans werd de plaat kort na de release verguisd door de critici, een klap die Clark nooit echt te boven is gekomen. De erkenning kwam, zoals wel vaker, postuum. Dan wordt je er ook alweer aan herinnerd dat de wereld een cynische modderpoel is.
Nou, wat mij betreft is die erkenning meer dan terecht. No Other is een singer-songwriterplaat met country-invloeden, maar tegelijk zoveel meer. Zo is de titeltrack overgoten met een heerlijk psychedelisch sausje, dat me aan oude Pink Floyd (mét Syd Barrett) doet denken, maar ook aan Grateful Dead. Silver Raven is een masterclass in songschrijven. Strength of Strings breekt na een perfecte intro van anderhalve minuut open met scheurende gitaar, keyboard en imposante samenzang. De tekst heeft iets van een psychedelische apocalyps.
Zo valt er voor elke song wel iets te zeggen, maar mijn favoriet is de langste song van het album, Some Misunderstanding. Hoe mooi Clark hier zingt, het lijkt wel van een andere wereld. Zo breekbaar en rotsvast tegelijk. Telkens de passage "We all need a fix, at a time like this, but doesn't it feel good to stay alive" de revue passeert, treft het me onverbiddelijk. De gitaarcoda aan het eind is ook erg fraai.
Wonderschone plaat. Deze zou na verloop van tijd wel eens kunnen toetreden tot mijn gekoesterde kring met favoriete albums.
4,5 sterren
Georgia - Seeking Thrills (2020)

3,0
1
geplaatst: 20 januari 2020, 20:18 uur
Seeking Thrills is het tweede album van de Britse Georgia, née Georgia Barnes, en - mede door de lancering van een tweetal goeie singles op voorhand - kan dit wel 'ns haar doorbraakplaat gaan worden. Vooral About Work the Dancefloor (wat toch een beetje een bizarre titel is) is een zeer fijne, frisse, aanstekelijke popsong. Deze torent voor mij, eerlijk gezegd, wel boven de rest uit.
Georgia brengt op haar tweede een plaat die bol staat van de nogal luchtig klinkende popmuziek, met een aantal invloeden uit o.a. synthpop en disco. De combinatie van de muziek en haar stemgeluid doet me denken aan de landgenoten van CHVRCHES, maar ook Ellie Goulding en de Zweedse Robyn schieten me te binnen. Vooral voor die laatste heb ik wel een zwak, dus da 's een compliment.
De vader van Georgie is overigens Neil Barnes, co-oprichter van Leftfield, een groep die in de jaren '90 furore maakte met het album Leftism. Zo te horen is de appel dus niet ver van de boom gevallen!
Tot slot nog een fait divers: Georgia is geboren op 6 februari 1990, en dat maakt haar exact twee dagen ouder dan ik. Ik hou mezelf dan ook haar nog prille carrière als een spiegel voor, om even de illusie te wekken dat ik nog jong ben.
3 sterren
Georgia brengt op haar tweede een plaat die bol staat van de nogal luchtig klinkende popmuziek, met een aantal invloeden uit o.a. synthpop en disco. De combinatie van de muziek en haar stemgeluid doet me denken aan de landgenoten van CHVRCHES, maar ook Ellie Goulding en de Zweedse Robyn schieten me te binnen. Vooral voor die laatste heb ik wel een zwak, dus da 's een compliment.
De vader van Georgie is overigens Neil Barnes, co-oprichter van Leftfield, een groep die in de jaren '90 furore maakte met het album Leftism. Zo te horen is de appel dus niet ver van de boom gevallen!
Tot slot nog een fait divers: Georgia is geboren op 6 februari 1990, en dat maakt haar exact twee dagen ouder dan ik. Ik hou mezelf dan ook haar nog prille carrière als een spiegel voor, om even de illusie te wekken dat ik nog jong ben.

3 sterren
Ghost Brigade - Until Fear No Longer Defines Us (2011)

4,0
0
geplaatst: 1 november 2011, 20:56 uur
Mijn aandacht werd op deze plaat gevestigd dankzij ‘Clawmaster’, één van de 10 songs op ‘Until Fear No Longer Defines Us’, de 3de langspeler van Ghost Brigade, een Finse metalband. ‘Clawmaster’ is een ontzettend intens nummer, ik vond het meteen geweldig. In ieder geval meer dan genoeg aanleiding om deze plaat te gaan beluisteren. Blij dat ik dat gedaan heb.
Want ‘Until Fear No Longer Defines Us’ herbergt nog veel meer moois. Zo is die opener, ‘In the Woods’, prachtig ingetogen, geschoeid op akoestische gitaar en mooie, cleane zang. Diens tegenpool, ‘Clawmaster’, het nummer waar ik het eerder over had, komt als een wervelstorm binnen na die mooie opener. IJselijke grunts en gitaargeweld komen je tegemoet, en laten geen spaander van je heel. De rustigere momenten zijn ook mooi, maar voor mij doen vooral die harde, intensieve momenten het.
Finnen hebben grappige namen. Zo heten de leden van deze band Manne Ikonen, Veli-Matti Suihkonen, Janne Julin, Tommi Kiviniemi en Wille Naukkarinen. Maar ik vind het ook vooral mooie namen, waarin een zekere duisternis schuilt. Finnen zijn ook een apart volk, met een heel apart taaltje. Ik heb eens geprobeerd om wat Fins te leren via één of andere site, en ik begreep er geen jota van. Een zweem van mysterie. Kortom, perfect om een metalband uit de grond te stampen. Beïnvloed door het gure weer en hun eigen mythologie en geschiedenis is dit daar dan een mooi resultaat van. De teksten zijn vaag en obscuur, vatbaar voor verschillende interpretaties.
Dat weet ik doordat er bij de CD een mooi boekje zit, dat je kan uitplooien, zodat de voorkant een soort poster is, en op de achterkant de lyrics staan. De hoes toont ons een mystieke berg, in nevelen gehuld, met op de voorgrond een oude, afbladderende boom. Zwart en wit zijn de overheersende kleuren, zoals wel vaker bij dit soort albums. Een mix van kilte en duisternis straalt van de hoes af, en het vlaagje mysterie zou me erg nieuwsgierig maken naar de muziek, mocht ik het al niet eerder gehoord hebben natuurlijk.
Enfin, verder met de muziek dan maar? ‘Chamber’ is een groots nummer, met prachtige gitaarlijnen en cleane zang die de boventoon voert. De tekst is echt prachtig, en heeft heel wat weg van een gedicht. Erg mooi, om met dit soort kwaliteit voor de dag te komen, in een taal die niet eens je moedertaal is. ‘Traces of Liberty’ is wat harder, met een gitaarlijn die me een beetje doet denken aan jaren ’80-metal à la Metallica. Er wordt weer gegrunt, zoals dat bij dit nummer het beste past. De Finnen weten welke passages ze hoe moeten invullen, dat moet je ze nageven. De gitaarlijn die je hoort tijdens het refrein doet me vaag denken aan bands zoals Watain, en dan kan je wel indenken hoe het klinkt; erg donker en vooral alsof het recht uit de hel voortkomt. In combinatie met de wat meer langgerekte, ijzingwekkende grunts krijg je kippenvel.
‘Divine Act of Lunacy’ begint met een drumintro, alvorens uit de startblokken te schieten met een lekker logge riff. Cleane zang wordt daaraan toegevoegd, het gaat over totale verlorenheid, en de woorden zijn meedogenloos. Het refrein vind ik persoonlijk iets minder, omdat het de logge sfeer een beetje doorbreekt. Maar ach, in een wereld waarin maar weinig perfect is, is dat zeker geen reden om te gaan klagen. Ik zie dat Joy4ever dit net het hoogtepunt van de plaat vindt, opmerkelijk toch hoe mensen er verschillende meningen kunnen op nahouden.
Met ‘Grain’ hebben we een nummer dat vooral ingetogen is, maar toch ook enkele malen heerlijk uitbarst, namelijk tijdens het refrein. Wat hier wel in voorkomt, is een erg lekkere gitaarsolo, die me altijd doet wegdromen. En dan… ‘Breakwater’. Geheimzinnige geluiden zetten een korte intro op, waarna er een werkelijk geweldige gitaarlijn komt aanzetten, die me elke keer weer weet weg te blazen. Daar dit één van de hevigere nummers is, krijgen we natuurlijk gegrunt. Verschillende users hebben hier al te kennen gegeven dat ze de grunts niet zo smaken op dit album, maar voor mij vormen ze net een absolute meerwaarde. ‘Breakwater’ heeft heel wat post-metalinvloeden (memorabele gitaarlijn, ingebouwde rustmomenten), en toch heb ik op bepaalde momenten de neiging om luidop mee te brullen. Onberekenbaar en aanstekelijk tegelijk, erg fraaie krachttoer is dit nummer! Met name de gitaarlijn die tijdens het refrein opduikt (“Reaching for the surface…”) is opzwepend. De laatste twee minuten (eigenlijk nog iets langer) zijn volledig instrumentaal, en vooral erg beklemmend, met die outro, waarin ik zoveel ingehouden spanning bemerk.
‘Cult of Decay’ klinkt wat meer afwijkend dan andere nummers, met z’n fragmentarische gitaarriff. Midtempo lijkt het wel, maar even later klinkt er toch weer één van die typische, grootse gitaaruitbarstingen in het refrein. Het gruntstuk vond ik er aanvankelijk niet zo bij passen, maar ik ben er nu uiteindelijk aan gewend geraakt. Een hoogtepunt is het niet, maar ik vind het al een stuk beter te behappen dan bij de eerste beluistering. ‘Torn’ doet z’n titel alle eer aan, want meteen van bij het begin wordt je aan stukken gescheurd, met één van de meest agressieve riffs op deze plaat. Veel meer valt er niet over dit nummer te zeggen, behalve dan dat het een fantastische kick in the face is.
De afsluiter ‘Soulcarvers’ verdient wel een eigen alinea. Het is een song met alweer een prachtige tekst, en de eerste minuten blijft het erg ingetogen (bekijk het als een soort variant op de opener). Maar na net geen 3 minuten barst het kortstondig open, om daarna weer langdurig tot rust te komen. De tweede uitbarsting voel je net iets duidelijker aankomen, maar is even lekker, en nog ietwat steviger. Er wordt zelfs nog gegrunt! De titel wordt op het eind nog ettelijke malen gescandeerd, en wanneer de gitaar stilletjes wegebt, wordt je achtergelaten met een gevoel van voldaanheid en beslistheid; omdat de plaat aan de ene kant intens genoeg is zodat je wel even voort kan, maar aan de andere kant ontstaat er ook een zekere drang om ‘Until Fear No Longer Defines Us’ opnieuw te gaan draaien. Een mooi dilemma.
4 sterren
Want ‘Until Fear No Longer Defines Us’ herbergt nog veel meer moois. Zo is die opener, ‘In the Woods’, prachtig ingetogen, geschoeid op akoestische gitaar en mooie, cleane zang. Diens tegenpool, ‘Clawmaster’, het nummer waar ik het eerder over had, komt als een wervelstorm binnen na die mooie opener. IJselijke grunts en gitaargeweld komen je tegemoet, en laten geen spaander van je heel. De rustigere momenten zijn ook mooi, maar voor mij doen vooral die harde, intensieve momenten het.
Finnen hebben grappige namen. Zo heten de leden van deze band Manne Ikonen, Veli-Matti Suihkonen, Janne Julin, Tommi Kiviniemi en Wille Naukkarinen. Maar ik vind het ook vooral mooie namen, waarin een zekere duisternis schuilt. Finnen zijn ook een apart volk, met een heel apart taaltje. Ik heb eens geprobeerd om wat Fins te leren via één of andere site, en ik begreep er geen jota van. Een zweem van mysterie. Kortom, perfect om een metalband uit de grond te stampen. Beïnvloed door het gure weer en hun eigen mythologie en geschiedenis is dit daar dan een mooi resultaat van. De teksten zijn vaag en obscuur, vatbaar voor verschillende interpretaties.
Dat weet ik doordat er bij de CD een mooi boekje zit, dat je kan uitplooien, zodat de voorkant een soort poster is, en op de achterkant de lyrics staan. De hoes toont ons een mystieke berg, in nevelen gehuld, met op de voorgrond een oude, afbladderende boom. Zwart en wit zijn de overheersende kleuren, zoals wel vaker bij dit soort albums. Een mix van kilte en duisternis straalt van de hoes af, en het vlaagje mysterie zou me erg nieuwsgierig maken naar de muziek, mocht ik het al niet eerder gehoord hebben natuurlijk.
Enfin, verder met de muziek dan maar? ‘Chamber’ is een groots nummer, met prachtige gitaarlijnen en cleane zang die de boventoon voert. De tekst is echt prachtig, en heeft heel wat weg van een gedicht. Erg mooi, om met dit soort kwaliteit voor de dag te komen, in een taal die niet eens je moedertaal is. ‘Traces of Liberty’ is wat harder, met een gitaarlijn die me een beetje doet denken aan jaren ’80-metal à la Metallica. Er wordt weer gegrunt, zoals dat bij dit nummer het beste past. De Finnen weten welke passages ze hoe moeten invullen, dat moet je ze nageven. De gitaarlijn die je hoort tijdens het refrein doet me vaag denken aan bands zoals Watain, en dan kan je wel indenken hoe het klinkt; erg donker en vooral alsof het recht uit de hel voortkomt. In combinatie met de wat meer langgerekte, ijzingwekkende grunts krijg je kippenvel.
‘Divine Act of Lunacy’ begint met een drumintro, alvorens uit de startblokken te schieten met een lekker logge riff. Cleane zang wordt daaraan toegevoegd, het gaat over totale verlorenheid, en de woorden zijn meedogenloos. Het refrein vind ik persoonlijk iets minder, omdat het de logge sfeer een beetje doorbreekt. Maar ach, in een wereld waarin maar weinig perfect is, is dat zeker geen reden om te gaan klagen. Ik zie dat Joy4ever dit net het hoogtepunt van de plaat vindt, opmerkelijk toch hoe mensen er verschillende meningen kunnen op nahouden.
Met ‘Grain’ hebben we een nummer dat vooral ingetogen is, maar toch ook enkele malen heerlijk uitbarst, namelijk tijdens het refrein. Wat hier wel in voorkomt, is een erg lekkere gitaarsolo, die me altijd doet wegdromen. En dan… ‘Breakwater’. Geheimzinnige geluiden zetten een korte intro op, waarna er een werkelijk geweldige gitaarlijn komt aanzetten, die me elke keer weer weet weg te blazen. Daar dit één van de hevigere nummers is, krijgen we natuurlijk gegrunt. Verschillende users hebben hier al te kennen gegeven dat ze de grunts niet zo smaken op dit album, maar voor mij vormen ze net een absolute meerwaarde. ‘Breakwater’ heeft heel wat post-metalinvloeden (memorabele gitaarlijn, ingebouwde rustmomenten), en toch heb ik op bepaalde momenten de neiging om luidop mee te brullen. Onberekenbaar en aanstekelijk tegelijk, erg fraaie krachttoer is dit nummer! Met name de gitaarlijn die tijdens het refrein opduikt (“Reaching for the surface…”) is opzwepend. De laatste twee minuten (eigenlijk nog iets langer) zijn volledig instrumentaal, en vooral erg beklemmend, met die outro, waarin ik zoveel ingehouden spanning bemerk.
‘Cult of Decay’ klinkt wat meer afwijkend dan andere nummers, met z’n fragmentarische gitaarriff. Midtempo lijkt het wel, maar even later klinkt er toch weer één van die typische, grootse gitaaruitbarstingen in het refrein. Het gruntstuk vond ik er aanvankelijk niet zo bij passen, maar ik ben er nu uiteindelijk aan gewend geraakt. Een hoogtepunt is het niet, maar ik vind het al een stuk beter te behappen dan bij de eerste beluistering. ‘Torn’ doet z’n titel alle eer aan, want meteen van bij het begin wordt je aan stukken gescheurd, met één van de meest agressieve riffs op deze plaat. Veel meer valt er niet over dit nummer te zeggen, behalve dan dat het een fantastische kick in the face is.
De afsluiter ‘Soulcarvers’ verdient wel een eigen alinea. Het is een song met alweer een prachtige tekst, en de eerste minuten blijft het erg ingetogen (bekijk het als een soort variant op de opener). Maar na net geen 3 minuten barst het kortstondig open, om daarna weer langdurig tot rust te komen. De tweede uitbarsting voel je net iets duidelijker aankomen, maar is even lekker, en nog ietwat steviger. Er wordt zelfs nog gegrunt! De titel wordt op het eind nog ettelijke malen gescandeerd, en wanneer de gitaar stilletjes wegebt, wordt je achtergelaten met een gevoel van voldaanheid en beslistheid; omdat de plaat aan de ene kant intens genoeg is zodat je wel even voort kan, maar aan de andere kant ontstaat er ook een zekere drang om ‘Until Fear No Longer Defines Us’ opnieuw te gaan draaien. Een mooi dilemma.
4 sterren
Gil Scott-Heron & Makaya McCraven - We're New Again (2020)
Alternatieve titel: A Reimagining by Makaya McCraven

4,0
4
geplaatst: 14 april 2020, 19:33 uur
Deze plaat werd getipt door ArthurDZ, in dit topic, dat ik nu al fijn vind. 
Een mooie start, want een mooie plaat is dit zeker. Ik ben niet echt bekend met het werk van Gil Scott-Heron (veel verder dan The Revolution Will Not Be Televised kom ik tot mijn scha en schande niet), dus durf ik dit wel een ontdekking noemen. Sowieso is mijn kennis van soulmuziek niet echt breed, maar ik kan er wel van genieten (Otis Redding voorop).
In 2010 bracht Gil Scott-Heron I'm New Here uit, een jaar voor zijn overlijden. In 2011 kwam vervolgens een samenwerking met Jamie xx van The xx uit, een herwerking van deze plaat naar verluidt (ik heb beide platen nog niet beluisterd). En nu is er dus We're New Again, een interpretatie van de in Parijs geboren jazzdrummer en producer Makaya McCraven, zoon van Stephen McCraven, eveneens jazzdrummer, die met o.a. Archie Shepp en Yusef Lateef (toch niet de minsten) heeft samengespeeld.
De soulvolle productie van McCraven past erg goed bij de vaak declamerende Gil Scott-Heron, met zijn lijzige stem die me beter geschikt lijkt om te vertellen dan echt te zingen. Daarbij moet ik wel meteen vermelden dat Gil Scott-Heron bijvoorbeeld I'll Take Care of You net op dat vlak (het zingen, dus) grote indruk maakt. Andere songs die ik als geweldig bestempel, zijn I'm New Here, New York Is Killing Me en het door Robert Johnson geschreven [/i]Me and the Devil[/i]. Als ik Scott-Heron zo bezig hoor, denk ik stiekem dat hij het best had kunnen vinden met Johnson.
Deze plaat telt 18 stukken, al staan er volgens mij slechts een handvol songs op. De vele kortere stukken (meer dan de helft haalt de kaap van de twee minuten niet) zitten boordevol sfeer, en ademen een bepaald gevoel uit dat ik niet helemaal kan plaatsen. Laat ik het - om net vaag genoeg te blijven - maar doorrookt naargeestige gezelligheid noemen. Daar kan je alle kanten mee op, natuurlijk.
De teksten van Scott-Heron zijn maatschappelijk relevant, jammer genoeg ook in 2020 nog steeds, en bijten van zich af. Een aantal songs heeft hij niet zelf geschreven, maar bijvoorbeeld de Broken Home-stukken zijn vlijmscherp. De instrumentatie op deze plaat is, zoals reeds eerder gezegd, soulvol, en bevat ook heel wat jazz- (die saxofoon in New York Is Killing Me!) en hip-hopinvloeden.
De teksten alleen zouden voor mij al een motivatie zijn om in 's mans oeuvre te duiken, maar daar komen ook nog 'ns de muzikale omkadering en opzet van deze plaat bij, en dat is een fraaie verdienste van Makaya McCraven. Fijne ontdekking!
4 sterren

Een mooie start, want een mooie plaat is dit zeker. Ik ben niet echt bekend met het werk van Gil Scott-Heron (veel verder dan The Revolution Will Not Be Televised kom ik tot mijn scha en schande niet), dus durf ik dit wel een ontdekking noemen. Sowieso is mijn kennis van soulmuziek niet echt breed, maar ik kan er wel van genieten (Otis Redding voorop).
In 2010 bracht Gil Scott-Heron I'm New Here uit, een jaar voor zijn overlijden. In 2011 kwam vervolgens een samenwerking met Jamie xx van The xx uit, een herwerking van deze plaat naar verluidt (ik heb beide platen nog niet beluisterd). En nu is er dus We're New Again, een interpretatie van de in Parijs geboren jazzdrummer en producer Makaya McCraven, zoon van Stephen McCraven, eveneens jazzdrummer, die met o.a. Archie Shepp en Yusef Lateef (toch niet de minsten) heeft samengespeeld.
De soulvolle productie van McCraven past erg goed bij de vaak declamerende Gil Scott-Heron, met zijn lijzige stem die me beter geschikt lijkt om te vertellen dan echt te zingen. Daarbij moet ik wel meteen vermelden dat Gil Scott-Heron bijvoorbeeld I'll Take Care of You net op dat vlak (het zingen, dus) grote indruk maakt. Andere songs die ik als geweldig bestempel, zijn I'm New Here, New York Is Killing Me en het door Robert Johnson geschreven [/i]Me and the Devil[/i]. Als ik Scott-Heron zo bezig hoor, denk ik stiekem dat hij het best had kunnen vinden met Johnson.
Deze plaat telt 18 stukken, al staan er volgens mij slechts een handvol songs op. De vele kortere stukken (meer dan de helft haalt de kaap van de twee minuten niet) zitten boordevol sfeer, en ademen een bepaald gevoel uit dat ik niet helemaal kan plaatsen. Laat ik het - om net vaag genoeg te blijven - maar doorrookt naargeestige gezelligheid noemen. Daar kan je alle kanten mee op, natuurlijk.
De teksten van Scott-Heron zijn maatschappelijk relevant, jammer genoeg ook in 2020 nog steeds, en bijten van zich af. Een aantal songs heeft hij niet zelf geschreven, maar bijvoorbeeld de Broken Home-stukken zijn vlijmscherp. De instrumentatie op deze plaat is, zoals reeds eerder gezegd, soulvol, en bevat ook heel wat jazz- (die saxofoon in New York Is Killing Me!) en hip-hopinvloeden.
De teksten alleen zouden voor mij al een motivatie zijn om in 's mans oeuvre te duiken, maar daar komen ook nog 'ns de muzikale omkadering en opzet van deze plaat bij, en dat is een fraaie verdienste van Makaya McCraven. Fijne ontdekking!
4 sterren
Giles Corey - Giles Corey (2011)

4,0
1
geplaatst: 29 december 2011, 11:23 uur
Dit is een uitermate boeiende plaat. Zoals aERo al spitsvondig opmerkte, klinkt Giles Corey als het naargeestige broertje van Radical Face. En ik vind de teksten van Radical Face soms al behoorlijk naargeestig. Op zijn debuutalbum presenteert hij ons een melange van bestofte folk, door GYBE! beïnvloede epiek en een zondvloed van emoties. Een niet erg gebruikelijke combinatie, maar ze werkt wonderwel, want ik voel tijdens het kleine uur dat deze plaat lang is, meerdere malen het haar op m’n armen overeind komen; ik schuif meer dan eens naar het puntje van m’n stoel, met de tong halvelings tussen de lippen, innig geconcentreerd om deze aparte muziek zo goed en kwaad als ’t kan te vatten. Althans, een poging daartoe.
De cover van deze plaat vind ik prachtig; grauwe, donkere kleuren, wazige details, waardoor de verbeelding al snel in overdrive gaat. Een waas van rookwolken drijft op de voorgrond, geproduceerd door staalfabrieken, waar de werknemers gebukt gaan onder de tirannie van een hardvochtige fabrieksbaas. Hij draagt altijd een gedeukte hoed en gekreukte vest, en gaat niet naar het theater; dat vindt hij waste of time. De Kerk is in dit asgrauwe stadje nog een instituut met stevige fundamenten, rotsvaste gelovigen en, naast de immense begraafplaats, een brandstapel voor de ketters. De arbeiders wonen in identieke huisjes, overleven soms dagen op water en brood, en vinden dat ze desondanks niet te klagen hebben. Elk gezin heeft minstens 4 kinderen.
Om maar een idee te geven van hetgeen je kunt bedenken, alleen maar door de cover te bestuderen. Uiteraard kan je ook andere kanten opgaan, maar mijn geest vertelt me bij elke cover zijn eigen verhaal, en vandaag zag ik de kans om het eens neer te pennen in bovenstaande paragraaf. Giles Corey preekt op deze plaat voor zijn eigen kerk; hij vreest de dood, maar soms vreest hij het leven nog meer. Dat uit zich in negen songs, de één nog bloedmooier dan de andere. Sterkhouders zijn voor mij ‘Blackest Bile’, een gitzwarte song over de insluiping van de dood, zo meeslepend als maar kan zijn; en ‘No One Is Ever Going to Want Me’, een song zo nijdig dat je na afloop checkt of je niet in je enkels bent gebeten.
Dat dit een apart album is, uit zich in verschillende vormen; ‘Empty Churches’ begint met een sample van Raymond Cass, een wetenschapper bekend van zijn onderzoek op het vlak van paranormale begaafdheid. Hij heeft het over buitenaards leven, en de eerste vermeende tekenen daarvan. Een begeesterend nummer. ‘’I’m Going to Do It!’’ gaat over het uitwissen van de eigen persoon, en ‘Spectral Bride’ is ook een bijzonder intens nummer, met een thematiek die je wit doet wegtrekken. De instrumentatie is fantastisch, en de piano komt precies op het juiste moment invallen.
‘Giles Corey’ is een project van de Amerikaan Dan Barrett, die deel uitmaakt van de obscure band Have a Nice Life. Zijn huidige project is genoemd naar een Amerikaanse boer, die leefde in het koloniale Amerika, en die werd gedood in 1692, tijdens de befaamde Salem witch trials. Markant: hij gaf naar het schijnt geen kik tijdens zijn doodstrijd, wat erg bijzonder was, want de methodes om iemand ter dood te brengen, waren in die tijd bijzonder pijnlijk. De laatste woorden van Giles Corey: “More weight!”.
“Acoustic music from the industrial revolution”, lees ik ergens als onderschrift bij deze plaat. Daar kan ik me in zekere zin wel in vinden; dat metalen geluid klinkt hier wel in door. Toch mogen we niet vergeten dat er ook andere tijdsgewrichten opgezocht worden. De opener gaat volgens mij over de Giles Corey waar ik het in de vorige alinea over had, en lijkt me een soort bekentenis, ruim 300 jaar na datum. “There’s a devil on my back; there’s a devil on my legs; there’s a devil on my chest; there’s a devil on my neck” zingt Corey getormenteerd en quasi krankzinnig. Een poging tot uitdrijving.
De details zitten allemaal als gegoten; zo breekt ‘No One Is Ever Going to Want Me’ fantastisch open met blazers, en het huiveringwekkende zinnetje “I want to feel like I feel when I’m asleep’ wordt als een mantra uitgespuwd. Dit is een bijzonder intense plaat, met verschillende gezichten, en niet iedereen zal dit goed vinden, neem ik aan. Maar wat Dan Barrett hier doet, is zijn beslijkte ziel blootleggen. Hopend op verlichting. Hopend op hoop.
4 sterren
De cover van deze plaat vind ik prachtig; grauwe, donkere kleuren, wazige details, waardoor de verbeelding al snel in overdrive gaat. Een waas van rookwolken drijft op de voorgrond, geproduceerd door staalfabrieken, waar de werknemers gebukt gaan onder de tirannie van een hardvochtige fabrieksbaas. Hij draagt altijd een gedeukte hoed en gekreukte vest, en gaat niet naar het theater; dat vindt hij waste of time. De Kerk is in dit asgrauwe stadje nog een instituut met stevige fundamenten, rotsvaste gelovigen en, naast de immense begraafplaats, een brandstapel voor de ketters. De arbeiders wonen in identieke huisjes, overleven soms dagen op water en brood, en vinden dat ze desondanks niet te klagen hebben. Elk gezin heeft minstens 4 kinderen.
Om maar een idee te geven van hetgeen je kunt bedenken, alleen maar door de cover te bestuderen. Uiteraard kan je ook andere kanten opgaan, maar mijn geest vertelt me bij elke cover zijn eigen verhaal, en vandaag zag ik de kans om het eens neer te pennen in bovenstaande paragraaf. Giles Corey preekt op deze plaat voor zijn eigen kerk; hij vreest de dood, maar soms vreest hij het leven nog meer. Dat uit zich in negen songs, de één nog bloedmooier dan de andere. Sterkhouders zijn voor mij ‘Blackest Bile’, een gitzwarte song over de insluiping van de dood, zo meeslepend als maar kan zijn; en ‘No One Is Ever Going to Want Me’, een song zo nijdig dat je na afloop checkt of je niet in je enkels bent gebeten.
Dat dit een apart album is, uit zich in verschillende vormen; ‘Empty Churches’ begint met een sample van Raymond Cass, een wetenschapper bekend van zijn onderzoek op het vlak van paranormale begaafdheid. Hij heeft het over buitenaards leven, en de eerste vermeende tekenen daarvan. Een begeesterend nummer. ‘’I’m Going to Do It!’’ gaat over het uitwissen van de eigen persoon, en ‘Spectral Bride’ is ook een bijzonder intens nummer, met een thematiek die je wit doet wegtrekken. De instrumentatie is fantastisch, en de piano komt precies op het juiste moment invallen.
‘Giles Corey’ is een project van de Amerikaan Dan Barrett, die deel uitmaakt van de obscure band Have a Nice Life. Zijn huidige project is genoemd naar een Amerikaanse boer, die leefde in het koloniale Amerika, en die werd gedood in 1692, tijdens de befaamde Salem witch trials. Markant: hij gaf naar het schijnt geen kik tijdens zijn doodstrijd, wat erg bijzonder was, want de methodes om iemand ter dood te brengen, waren in die tijd bijzonder pijnlijk. De laatste woorden van Giles Corey: “More weight!”.
“Acoustic music from the industrial revolution”, lees ik ergens als onderschrift bij deze plaat. Daar kan ik me in zekere zin wel in vinden; dat metalen geluid klinkt hier wel in door. Toch mogen we niet vergeten dat er ook andere tijdsgewrichten opgezocht worden. De opener gaat volgens mij over de Giles Corey waar ik het in de vorige alinea over had, en lijkt me een soort bekentenis, ruim 300 jaar na datum. “There’s a devil on my back; there’s a devil on my legs; there’s a devil on my chest; there’s a devil on my neck” zingt Corey getormenteerd en quasi krankzinnig. Een poging tot uitdrijving.
De details zitten allemaal als gegoten; zo breekt ‘No One Is Ever Going to Want Me’ fantastisch open met blazers, en het huiveringwekkende zinnetje “I want to feel like I feel when I’m asleep’ wordt als een mantra uitgespuwd. Dit is een bijzonder intense plaat, met verschillende gezichten, en niet iedereen zal dit goed vinden, neem ik aan. Maar wat Dan Barrett hier doet, is zijn beslijkte ziel blootleggen. Hopend op verlichting. Hopend op hoop.
4 sterren
Gillian Welch - The Harrow & The Harvest (2011)

4,5
0
geplaatst: 2 september 2011, 15:27 uur
‘The Harrow & The Harvest’, de vijfde plaat alweer van Gillian Welch. Haar vorige dateert al van 2003, lang wachten dus voor de fans. Ik ken haar nog niet zo lang (ben nog maar een paar jaar echt serieus muziek aan het luisteren), maar ik heb haar oude albums maar eens opgesnord, met uitzondering van ‘Soul Journey’, die vorige plaat. Haar debuut ‘Revival’ en opvolger ‘Hell Among the Yearlings’ vind ik zeer goed, maar ‘Time (The Revelator)’ spant wat mij betreft toch wel de kroon. Gillian Welch heeft een geweldige stem, die me ontzettend pakt. Muzikaal wordt zij bijgestaan door David Rawlings.
In 2009 was Welch nog te horen op diens plaat ‘A Friend of a Friend’. De twee zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar, en passen in het rijtje hedendaagse countrymuzikanten die ertoe doen, waartoe naar mijn mening ook onder andere Ryan Adams en Ryan Bingham behoren. Gillian Welch heeft een select maar trouw publiek hier op MusicMeter; dat spreekt uit de gemiddeldes van haar platen. Deze heeft momenteel wel een erg hoog gemiddelde, en wat mij betreft volkomen terecht. ‘The Harrow & the Harvest’ bestaat uit 10 ijzersterke songs, met de prachtige stem van onze favoriete roodharige zangeres in de hoofdrol. Zij draagt songs als ‘Dark Turn of Mind’ en het fabelachtige ‘Tennessee’ met grandeur en tegelijk ook bescheidenheid.
‘Scarlet Town’ mag de plaat openen, met vinnig gitaarspel van David Rawlings. Één van de uptempo nummers op de plaat, en meteen een geweldige binnenkomer. Het meest vinnige nummer op de plaat, achteraf bekeken. De meeste nummers zijn dan ook heerlijk ingetogen. Ik krijg er zowaar tranen van in mijn ogen, zo mooi is dit plaatje. ‘Six White Horses’ heeft een hoog “traditional”-gehalte, het kon zomaar uit de opnamen van Alan Lomax komen. ‘The Way It Goes’ is ook ietwat vinniger dan de ingetogen nummers, met alweer dat kenmerkende gitaarspel van Rawlings. Fingerpicking noemen ze dat toch, niet?
De ondertoon van de plaat lijkt somber, een waarneming die je ook al uit de titels kan opmaken. ‘Hard Times’ en ‘The Way the Whole Thing Ends’ zijn twee prachtige songs, met van die sombere titels, waaruit alle hoop lijkt te zijn vervlogen. En vergis u niet, ook de meer uptempo nummers, die ik hierboven al aanhaalde, zijn qua tekst niet al te optimistisch. Maar over de teksten later meer. En avant la musique!
‘The Way It Will Be’ doet me denken aan Neil Young. Het lijkt alsof Welch ieder moment kan gaan overschakelen naar het titelnummer van diens LP ‘On the Beach’ uit 1974. Maar op het ogenblik dat dit ietwat storend dreigt te worden, wordt er toch weer een andere richting ingeslagen. Verrassende wendingen zijn niet uit den boze bij Gillian Welch. Het mooiste nummer op de plaat zou zomaar ‘Tennessee’ kunnen zijn. Een meedogenloze sleper van zo’n 6 minuten en een half lang. “Fa la la la; fa la la lee; now let me go, my honey oh; back to Tennessee; it’s beefsteak when I’m working; whiskey when I’m dry; sweet heaven when I die” zingt Welch, en iets in haar stem doet me denken dat ze het nog meent ook. Verdriet is een grote, bepalende factor in het leven, en Welch begrijpt dat als geen ander. Dit is dan ook niet het enige nummer dat over dit onderwerp gaat.
‘Down Along the Dixie Line’ wordt hier en daar genoemd als zwakke broeder, maar ik vind het gewoon een leuk nummer, countrysong in hart en nieren. Beheerst gitaarspel. Tekstueel misschien niet zo hoogstaand als andere nummers, maar Welch contempleert op haar eigen manier over het verleden. ‘Silver Dagger’ is ook weer zo’n nummer met een torenhoog “traditional”-gehalte. Een simpel nummer, zoals de meeste op ‘The Harrow & the Harvest’. Eigenlijk is deze plaat een prima bewijs voor het feit dat het niet altijd moeilijk moet. In combinatie met een geweldige zangeres en tot de verbeelding sprekende teksten kan dat ook erg goed zijn.
En dat die teksten wel degelijk tot de verbeelding spreken, is een feit. Welch staat bekend om haar mooie, zwaar op de hand liggende teksten. Mijn mening zou dus geen volledige mening zijn zonder een korte bloemlezing:
“Standing in the backdoor crying;
Now you wanna be my friend;
That’s the way the cornbread crumbles;
That’s the way the whole thing ends.” (‘The Way the Whole Thing Ends’)
“I lost you awhile ago, but still I don’t know why;
I can’t say your name, without a crow flying by;
I got to watch my back, now that you turned me around;
Got me walking backwards, into my hometown.” (‘The Way It Will Be’)
“But of all the little ways I’ve found to hurt myself;
Well you might be my favorite one of all.” (‘Tennessee’)
“I don’t mind a little town;
Or drinking my coffee cold;
But the things I seen in Scarlet Town;
Done mortify my soul.” (‘Scarlet Town’)
'Seems every castle, is made of sand;
And the great destroyer, sleeps in every man." ('Silver Dagger')
Nu rest mij nog volgende vraag: “heeft Gillian Welch met dit album PJ Harvey naar de kroon gestoken wat betreft vrouwelijke singer songwriters in 2011?” Wat mij betreft, luidt het antwoord daarop: “ja”. Maar het is een close catch; ook PJ Harvey heeft dit jaar een prachtige plaat uitgebracht, zij het een totaal andere, maar toch ook met raakvlakken. Het voornaamste raakvlak is natuurlijk dat beide platen me enorm weten te raken. Op verschillende vlakken.
4,5 sterren
In 2009 was Welch nog te horen op diens plaat ‘A Friend of a Friend’. De twee zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar, en passen in het rijtje hedendaagse countrymuzikanten die ertoe doen, waartoe naar mijn mening ook onder andere Ryan Adams en Ryan Bingham behoren. Gillian Welch heeft een select maar trouw publiek hier op MusicMeter; dat spreekt uit de gemiddeldes van haar platen. Deze heeft momenteel wel een erg hoog gemiddelde, en wat mij betreft volkomen terecht. ‘The Harrow & the Harvest’ bestaat uit 10 ijzersterke songs, met de prachtige stem van onze favoriete roodharige zangeres in de hoofdrol. Zij draagt songs als ‘Dark Turn of Mind’ en het fabelachtige ‘Tennessee’ met grandeur en tegelijk ook bescheidenheid.
‘Scarlet Town’ mag de plaat openen, met vinnig gitaarspel van David Rawlings. Één van de uptempo nummers op de plaat, en meteen een geweldige binnenkomer. Het meest vinnige nummer op de plaat, achteraf bekeken. De meeste nummers zijn dan ook heerlijk ingetogen. Ik krijg er zowaar tranen van in mijn ogen, zo mooi is dit plaatje. ‘Six White Horses’ heeft een hoog “traditional”-gehalte, het kon zomaar uit de opnamen van Alan Lomax komen. ‘The Way It Goes’ is ook ietwat vinniger dan de ingetogen nummers, met alweer dat kenmerkende gitaarspel van Rawlings. Fingerpicking noemen ze dat toch, niet?
De ondertoon van de plaat lijkt somber, een waarneming die je ook al uit de titels kan opmaken. ‘Hard Times’ en ‘The Way the Whole Thing Ends’ zijn twee prachtige songs, met van die sombere titels, waaruit alle hoop lijkt te zijn vervlogen. En vergis u niet, ook de meer uptempo nummers, die ik hierboven al aanhaalde, zijn qua tekst niet al te optimistisch. Maar over de teksten later meer. En avant la musique!
‘The Way It Will Be’ doet me denken aan Neil Young. Het lijkt alsof Welch ieder moment kan gaan overschakelen naar het titelnummer van diens LP ‘On the Beach’ uit 1974. Maar op het ogenblik dat dit ietwat storend dreigt te worden, wordt er toch weer een andere richting ingeslagen. Verrassende wendingen zijn niet uit den boze bij Gillian Welch. Het mooiste nummer op de plaat zou zomaar ‘Tennessee’ kunnen zijn. Een meedogenloze sleper van zo’n 6 minuten en een half lang. “Fa la la la; fa la la lee; now let me go, my honey oh; back to Tennessee; it’s beefsteak when I’m working; whiskey when I’m dry; sweet heaven when I die” zingt Welch, en iets in haar stem doet me denken dat ze het nog meent ook. Verdriet is een grote, bepalende factor in het leven, en Welch begrijpt dat als geen ander. Dit is dan ook niet het enige nummer dat over dit onderwerp gaat.
‘Down Along the Dixie Line’ wordt hier en daar genoemd als zwakke broeder, maar ik vind het gewoon een leuk nummer, countrysong in hart en nieren. Beheerst gitaarspel. Tekstueel misschien niet zo hoogstaand als andere nummers, maar Welch contempleert op haar eigen manier over het verleden. ‘Silver Dagger’ is ook weer zo’n nummer met een torenhoog “traditional”-gehalte. Een simpel nummer, zoals de meeste op ‘The Harrow & the Harvest’. Eigenlijk is deze plaat een prima bewijs voor het feit dat het niet altijd moeilijk moet. In combinatie met een geweldige zangeres en tot de verbeelding sprekende teksten kan dat ook erg goed zijn.
En dat die teksten wel degelijk tot de verbeelding spreken, is een feit. Welch staat bekend om haar mooie, zwaar op de hand liggende teksten. Mijn mening zou dus geen volledige mening zijn zonder een korte bloemlezing:
“Standing in the backdoor crying;
Now you wanna be my friend;
That’s the way the cornbread crumbles;
That’s the way the whole thing ends.” (‘The Way the Whole Thing Ends’)
“I lost you awhile ago, but still I don’t know why;
I can’t say your name, without a crow flying by;
I got to watch my back, now that you turned me around;
Got me walking backwards, into my hometown.” (‘The Way It Will Be’)
“But of all the little ways I’ve found to hurt myself;
Well you might be my favorite one of all.” (‘Tennessee’)
“I don’t mind a little town;
Or drinking my coffee cold;
But the things I seen in Scarlet Town;
Done mortify my soul.” (‘Scarlet Town’)
'Seems every castle, is made of sand;
And the great destroyer, sleeps in every man." ('Silver Dagger')
Nu rest mij nog volgende vraag: “heeft Gillian Welch met dit album PJ Harvey naar de kroon gestoken wat betreft vrouwelijke singer songwriters in 2011?” Wat mij betreft, luidt het antwoord daarop: “ja”. Maar het is een close catch; ook PJ Harvey heeft dit jaar een prachtige plaat uitgebracht, zij het een totaal andere, maar toch ook met raakvlakken. Het voornaamste raakvlak is natuurlijk dat beide platen me enorm weten te raken. Op verschillende vlakken.
4,5 sterren
Glaciation - Sur les Falaises de Marbre (2015)

4,5
0
geplaatst: 16 november 2015, 20:05 uur
Om maar meteen met de deur in huis te vallen (iets wat Glaciation helemaal niet doet, overigens): dit is een geweldige plaat. Veel meer uitleg hoeft eigenlijk niet eens; gewoon luisteren! Maar omdat ik, eens ik in een enthousiaste bui ben, wel ‘ns een wat pittigere mening durf te poneren, zal ik hier eindelijk ‘ns een stukje aan wijden.
Glaciation is een Franse metalband, bestaande uit 5 leden, waarvan enkel de naam Winterhalter (drummer) een belletje deed denken. Die ken ik namelijk van vooral Alcest en Les Discrets (en hij heeft ook even bij Peste Noire gezeten). Enig opzoekwerk leert me dat ook Indria Saray (bassist) bij Alcest actief is. Het mag dan ook niet verrassen dat de grootste naam een gast is; Neige. Genoeg schoon volk dus, maar dat betekent niet altijd dat je automatisch een sterk album hebt.
‘Sur les Falaises de Marbre’ is echter een driepunter zoals ik ze al eventjes niet meer in de korf heb zien belanden. Zowat het gehele plaatje klopt, van de dynamiek over de schitterende gitaarriffs tot de rake vocalen van een kerel genaamd RMS Hreidmarr. Het twaalf minuten durende, bloedmooie ‘Les Fiancées Sont Froides’ breekt al, na een intrigerende intro (hoor ik daar bijen- of wespengezoem?), meteen de ban. Het gepolijste geluid dat Alcest steeds meer tentoon begint te spreiden, galmt hier vaag na, en geeft de rauwe ondertoon een melancholisch tintje. De afwisseling houdt het nummer constant boeiend, zonder “too much” te gaan worden. De gasten van Glaciation hebben alles onder controle, rond de negende minuut barst een schitterend, onweerachtig refrein los, dat uitmondt tot een steeds wederkerend mantra:
“Ni tristesse, ni colère mais l’ennui;
Ni la vie, ni la mort mais la nuit.”
Vanitas, met een duistere strik errond.
Waar het openingsnummer rustig op gang komt en de luisteraar kortstondig de illusie geeft dat hij nog kan ademhalen, nijpt ‘La Mer, les Ruines’ meteen de strot dicht. De snedige gitaarriffs en drums zorgen voor een perfecte ondersteuning van de tekst (“GLORIA! GLORIA!”). De climax die rond de derde minuut in vol ornaat tot bloeit, staat in schril contrast met het zweverige, spookachtige toetsenwerk van François Duguest (wat in het CD-boekje heel mooi “Claviers” wordt genoemd). Ook in deze song wordt uiteindelijk ademruimte geboden, maar weer is het tijdelijk, schijn; je weet namelijk dat er nog veel geweld op je zal afkomen. De schitterende outro (weer die toetsen!) zorgt voor een mooie brug richting het volgende nummer.
‘Le Soleil et l’Acier’ begint met een gitaar die zich van de rest weet te onderscheiden, en duidelijk op het voorplan treedt, tot Hreidmarr het overneemt en zijn ruwe vocalen in het uitspansel gooit. De break is wederom verbazend, en weet me vreemd genoeg weer te verrassen. Waarom dat vreemd is? Wel, omdat dat het sterke punt van deze band blijkt te zijn; dynamiek en afwisseling. Dat ze het dan toch steeds presteren om verrassend uit de hoek te blijven komen, maakt deze plaat tot een zeer straffe stoot.
En dan moet het prijsnummer nog komen (in mijn ogen, dan toch), aangekondigd door het gezoem van de eerste minuten; ‘Kaputt’. Moest het één van de mindere broeders geweest zijn, had ik kunnen zeggen: “Goede song, maar ik ben er niet kapot van”. Dat is echter helemaal niet het geval, wel integendeel. Het duurt niet lang alvorens de hele song in stukken wordt gescheurd door een nietsontziende gitaarriff, even verder vergezeld door Hreidmarr. De dynamiek waarover ik het eerder had, is in dit nummer het sterkst aanwezig, volgens mij. Die climax die begint tussen minuut 2 en 3, en later nog wat straffer terugkeert, is onthutsend mooi, en ik moet soms zelfs denken aan Enslaved (zowat de Koningen van de Dynamiek). Telkens ‘Kaputt’ is afgelopen, zit ik er overdonderd bij, ongelovig zelfs, alsof wat ik net gehoord heb je reinste fictie is, gecreëerd in het diepste binnenste van mijn ego. Het is één van die songs waarmee ik me kan vereenzelvigen, waarin ik voor de volle honderd procent geloof en kracht uit put.
Naar het einde van de song worden de instrumenten één voor één naar de achtergrond verdrongen, waarna uiteindelijk enkel Winterhalter nog blijft doormeppen. De saxofoon die ‘Cinq’ inzet, liet zich in ‘Kaputt’ aan de goede verstaander ook al horen, maar klinkt – grappig genoeg – kapot. Ik moet toegeven dat ik van dit intermezzo in eerste instantie niet weg was, maar ondertussen zie ik het als een klein, maar essentieel deeltje van het geheel, en zet het de loutering, die in ‘Kaputt’ reeds was ingezet, voort. Een klassiek orkest klinkt ergens ver weg op de achtergrond, door een dun laagje ruis; de wind waait, maar doet niet erg veel moeite om op te vallen. De pellen vallen losgeweekt en langzaam op de grond.
De plaat wordt afgesloten door het titelnummer, waarop dus een bijdrage van Neige te horen is. Klinkt helemaal logisch, want als er één song op dit album de spirit van Alcest in zich heeft, zal het deze afsluiter wel zijn. Natuurlijk is de immer weemoedig klinkende stem van Neige uit de duizenden te herkennen, maar ook de gitaar lijkt te mijmeren, en Winterhalter is achter zijn drumstel zachtjes aan het indommelen. Ik blijf het toch an sich het minste nummer van het album vinden, maar op een eigenaardige manier klopt het toch ook weer. Na al dat geweld en de razernij, volgt de catharsis. De song is in feite niet echt een song, eerder een hele lange outro, ontdaan van al zijn gewicht, als een muzikale synthese. Associaties met de titel van Milan Kundera’s beroemdste roman, ‘De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan’ (mijn Tsjechisch is niet je dat), dringen zich op. Uiteindelijk krijgt de outro aan de coda een eigen outro, die stilletjes wegdeemstert.
Op de hoes zie je, in sfeervolle zwart-wittinten, een panoramagezicht waarop een weg van boven aan een ruïne naar het dal leidt. Dante’s Inferno, maar dan omgekeerd; hoe dieper je het dal ingaat, hoe gemoedelijker het eraan toe gaat.
Glaciation is een band waarvan we hopelijk nog veel gaan horen. Met ‘Sur les Falaises de Marbre’ hebben ze een schitterend debuut uitgebracht, dat ik nog met de regelmaat van de klok zal laten draaien in mijn CD-speler, en absoluut tot het strafste van 2015 behoort. Betoverend.
4,5 sterren
Glaciation is een Franse metalband, bestaande uit 5 leden, waarvan enkel de naam Winterhalter (drummer) een belletje deed denken. Die ken ik namelijk van vooral Alcest en Les Discrets (en hij heeft ook even bij Peste Noire gezeten). Enig opzoekwerk leert me dat ook Indria Saray (bassist) bij Alcest actief is. Het mag dan ook niet verrassen dat de grootste naam een gast is; Neige. Genoeg schoon volk dus, maar dat betekent niet altijd dat je automatisch een sterk album hebt.
‘Sur les Falaises de Marbre’ is echter een driepunter zoals ik ze al eventjes niet meer in de korf heb zien belanden. Zowat het gehele plaatje klopt, van de dynamiek over de schitterende gitaarriffs tot de rake vocalen van een kerel genaamd RMS Hreidmarr. Het twaalf minuten durende, bloedmooie ‘Les Fiancées Sont Froides’ breekt al, na een intrigerende intro (hoor ik daar bijen- of wespengezoem?), meteen de ban. Het gepolijste geluid dat Alcest steeds meer tentoon begint te spreiden, galmt hier vaag na, en geeft de rauwe ondertoon een melancholisch tintje. De afwisseling houdt het nummer constant boeiend, zonder “too much” te gaan worden. De gasten van Glaciation hebben alles onder controle, rond de negende minuut barst een schitterend, onweerachtig refrein los, dat uitmondt tot een steeds wederkerend mantra:
“Ni tristesse, ni colère mais l’ennui;
Ni la vie, ni la mort mais la nuit.”
Vanitas, met een duistere strik errond.
Waar het openingsnummer rustig op gang komt en de luisteraar kortstondig de illusie geeft dat hij nog kan ademhalen, nijpt ‘La Mer, les Ruines’ meteen de strot dicht. De snedige gitaarriffs en drums zorgen voor een perfecte ondersteuning van de tekst (“GLORIA! GLORIA!”). De climax die rond de derde minuut in vol ornaat tot bloeit, staat in schril contrast met het zweverige, spookachtige toetsenwerk van François Duguest (wat in het CD-boekje heel mooi “Claviers” wordt genoemd). Ook in deze song wordt uiteindelijk ademruimte geboden, maar weer is het tijdelijk, schijn; je weet namelijk dat er nog veel geweld op je zal afkomen. De schitterende outro (weer die toetsen!) zorgt voor een mooie brug richting het volgende nummer.
‘Le Soleil et l’Acier’ begint met een gitaar die zich van de rest weet te onderscheiden, en duidelijk op het voorplan treedt, tot Hreidmarr het overneemt en zijn ruwe vocalen in het uitspansel gooit. De break is wederom verbazend, en weet me vreemd genoeg weer te verrassen. Waarom dat vreemd is? Wel, omdat dat het sterke punt van deze band blijkt te zijn; dynamiek en afwisseling. Dat ze het dan toch steeds presteren om verrassend uit de hoek te blijven komen, maakt deze plaat tot een zeer straffe stoot.
En dan moet het prijsnummer nog komen (in mijn ogen, dan toch), aangekondigd door het gezoem van de eerste minuten; ‘Kaputt’. Moest het één van de mindere broeders geweest zijn, had ik kunnen zeggen: “Goede song, maar ik ben er niet kapot van”. Dat is echter helemaal niet het geval, wel integendeel. Het duurt niet lang alvorens de hele song in stukken wordt gescheurd door een nietsontziende gitaarriff, even verder vergezeld door Hreidmarr. De dynamiek waarover ik het eerder had, is in dit nummer het sterkst aanwezig, volgens mij. Die climax die begint tussen minuut 2 en 3, en later nog wat straffer terugkeert, is onthutsend mooi, en ik moet soms zelfs denken aan Enslaved (zowat de Koningen van de Dynamiek). Telkens ‘Kaputt’ is afgelopen, zit ik er overdonderd bij, ongelovig zelfs, alsof wat ik net gehoord heb je reinste fictie is, gecreëerd in het diepste binnenste van mijn ego. Het is één van die songs waarmee ik me kan vereenzelvigen, waarin ik voor de volle honderd procent geloof en kracht uit put.
Naar het einde van de song worden de instrumenten één voor één naar de achtergrond verdrongen, waarna uiteindelijk enkel Winterhalter nog blijft doormeppen. De saxofoon die ‘Cinq’ inzet, liet zich in ‘Kaputt’ aan de goede verstaander ook al horen, maar klinkt – grappig genoeg – kapot. Ik moet toegeven dat ik van dit intermezzo in eerste instantie niet weg was, maar ondertussen zie ik het als een klein, maar essentieel deeltje van het geheel, en zet het de loutering, die in ‘Kaputt’ reeds was ingezet, voort. Een klassiek orkest klinkt ergens ver weg op de achtergrond, door een dun laagje ruis; de wind waait, maar doet niet erg veel moeite om op te vallen. De pellen vallen losgeweekt en langzaam op de grond.
De plaat wordt afgesloten door het titelnummer, waarop dus een bijdrage van Neige te horen is. Klinkt helemaal logisch, want als er één song op dit album de spirit van Alcest in zich heeft, zal het deze afsluiter wel zijn. Natuurlijk is de immer weemoedig klinkende stem van Neige uit de duizenden te herkennen, maar ook de gitaar lijkt te mijmeren, en Winterhalter is achter zijn drumstel zachtjes aan het indommelen. Ik blijf het toch an sich het minste nummer van het album vinden, maar op een eigenaardige manier klopt het toch ook weer. Na al dat geweld en de razernij, volgt de catharsis. De song is in feite niet echt een song, eerder een hele lange outro, ontdaan van al zijn gewicht, als een muzikale synthese. Associaties met de titel van Milan Kundera’s beroemdste roman, ‘De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan’ (mijn Tsjechisch is niet je dat), dringen zich op. Uiteindelijk krijgt de outro aan de coda een eigen outro, die stilletjes wegdeemstert.
Op de hoes zie je, in sfeervolle zwart-wittinten, een panoramagezicht waarop een weg van boven aan een ruïne naar het dal leidt. Dante’s Inferno, maar dan omgekeerd; hoe dieper je het dal ingaat, hoe gemoedelijker het eraan toe gaat.
Glaciation is een band waarvan we hopelijk nog veel gaan horen. Met ‘Sur les Falaises de Marbre’ hebben ze een schitterend debuut uitgebracht, dat ik nog met de regelmaat van de klok zal laten draaien in mijn CD-speler, en absoluut tot het strafste van 2015 behoort. Betoverend.
4,5 sterren
Glen Hansard - Rhythm and Repose (2012)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2012, 19:01 uur
Eerlijk is eerlijk; Glen Hansard kende ik voorheen enkel van naam. Lid van The Frames, en de laatste jaren ook enkele platen uitgebracht met de Tsjechische Markéta Irglová, waarmee hij even een relatie had. Maar daar gaat het natuurlijk niet om; zijn nieuwe plaat ‘Rhythm and Repose’ kwam namelijk eerder dit jaar uit, en ik wilde, nieuwsgierig als ik ben in mijn zoektocht naar muzikale schoonheid, maar al te graag kennis maken met de muziek van deze Ier.
Hansard is 42 jaar oud, en ‘Rhythm and Repose’ is zijn eerste echte soloplaat. En het is een goeie geworden. De 11 songs die de plaat hebben gehaald, verdienen ook allemaal hun plaatsje, het ene nummer al wat meer dan het andere. Sterkhouders zijn wat mij betreft het intense ‘Bird of Sorrow’, dat een fraaie opbouw kent, en waarin Hansard zich op vocaal vlak soms helemaal laat gaan. Dat zou hij wat meer moeten doen trouwens, want het klinkt echt goed, en het raakt me. Een andere topper is de trage, knap omkaderde song ‘Maybe Not Tonight’, met van die weemoedige strijkers op de achtergrond. Steel guitar, als ik me niet vergis, wat ook altijd datzelfde sfeertje oproept. Hansard klinkt een beetje als zijn landgenoot Van Morrison, hoor ik terug in het uitmuntende ‘Love Don’t Leave Me Waiting’.
De strijkersarrangementen zijn trouwens van de hand van onder andere Nico Muhly, die we ook kennen van Antony and the Johnsons. En de zangeres die op enkele nummers (o.a. het mij iets te fletse ‘Talking with the Wolves) wat meezingt, is dat niet gewoon Markéta Irglová? Ik vind er niet al te veel informatie over terug.
Glen Hansard is een man die veel in huis heeft, naar mijn mening. Ik zal echter zijn oeuvre met The Frames moeten doorspitten om daar helemaal achter te komen, beweert de meerderheid. Dat zal ik dan ook doen, alles op zijn tijd. Maar voorlopig geniet ik nog wel even van deze plaat, die al bij al toch wel erg puik is. De stem van Hansard doet bij momenten, zoals eerder aangegeven, denken aan Van Morrison, meerbepaald de Van Morrison van ‘Astral Weeks’. Vooral wanneer hij zich echt smijt, zoals ook in ‘High Hope’ te horen is, wat mooi contrasteert met de gemoedelijke piano- en gitaarakkoorden, komt hij aardig in de buurt.
Een fijne plaat dus, moet ik constateren. Geen uitzonderlijk album, geen lichtend meesterwerk. Maar wel een fijne plaat, die zich aan de middelmaat onttrekt dankzij enkele uitmuntende songs, en een goeie basis die kwaliteit en vakmanschap verraadt.
3,5 sterren
Hansard is 42 jaar oud, en ‘Rhythm and Repose’ is zijn eerste echte soloplaat. En het is een goeie geworden. De 11 songs die de plaat hebben gehaald, verdienen ook allemaal hun plaatsje, het ene nummer al wat meer dan het andere. Sterkhouders zijn wat mij betreft het intense ‘Bird of Sorrow’, dat een fraaie opbouw kent, en waarin Hansard zich op vocaal vlak soms helemaal laat gaan. Dat zou hij wat meer moeten doen trouwens, want het klinkt echt goed, en het raakt me. Een andere topper is de trage, knap omkaderde song ‘Maybe Not Tonight’, met van die weemoedige strijkers op de achtergrond. Steel guitar, als ik me niet vergis, wat ook altijd datzelfde sfeertje oproept. Hansard klinkt een beetje als zijn landgenoot Van Morrison, hoor ik terug in het uitmuntende ‘Love Don’t Leave Me Waiting’.
De strijkersarrangementen zijn trouwens van de hand van onder andere Nico Muhly, die we ook kennen van Antony and the Johnsons. En de zangeres die op enkele nummers (o.a. het mij iets te fletse ‘Talking with the Wolves) wat meezingt, is dat niet gewoon Markéta Irglová? Ik vind er niet al te veel informatie over terug.
Glen Hansard is een man die veel in huis heeft, naar mijn mening. Ik zal echter zijn oeuvre met The Frames moeten doorspitten om daar helemaal achter te komen, beweert de meerderheid. Dat zal ik dan ook doen, alles op zijn tijd. Maar voorlopig geniet ik nog wel even van deze plaat, die al bij al toch wel erg puik is. De stem van Hansard doet bij momenten, zoals eerder aangegeven, denken aan Van Morrison, meerbepaald de Van Morrison van ‘Astral Weeks’. Vooral wanneer hij zich echt smijt, zoals ook in ‘High Hope’ te horen is, wat mooi contrasteert met de gemoedelijke piano- en gitaarakkoorden, komt hij aardig in de buurt.
Een fijne plaat dus, moet ik constateren. Geen uitzonderlijk album, geen lichtend meesterwerk. Maar wel een fijne plaat, die zich aan de middelmaat onttrekt dankzij enkele uitmuntende songs, en een goeie basis die kwaliteit en vakmanschap verraadt.
3,5 sterren
Glenn Branca - The Ascension (1981)

4,0
4
geplaatst: 29 juni 2021, 20:36 uur
Dit album van de experimentele gitarist/componist Glenn Branca heeft z'n naam niet gestolen. De titel zou namelijk een afgeleide zijn van het illustere Ascension van John Coltrane (en ook van een cyclus van Olivier Messiaen). En zoals Coltrane in 1965 een indrukwekkende keur aan jazzmuzikanten rondom zich verzamelde, deed Branca dat met een aantal gitaristen. Belangrijk verschil is misschien wel dat op The Ascension niet expliciet wordt gesoleerd, maar het een erg orkestrale plaat is. Zoals Don Cappuccino hierboven reeds aanhaalt: een echt gitaarorkest.
Dit album klinkt enorm coherent. Branca nodigde o.a. Lee Ranaldo, bekend van Sonic Youth, uit om mee te spelen. De twee langste stukken, The Spectacular Commodity en The Ascension, laten indrukwekkende gitaargeluidsbrijen horen, met een flink bezwerend karakter. Er zit wel wat repetitie in de songs, maar bovenal hoor ik flink wat variatie, wat zelfs na de zesde luisterbeurt nog steeds nieuwe inzichten verschaft, tot dan verborgen gebleven elementen onthult, subtiele verschuivinkjes in de dynamiek blootlegt.
Het zijn wel vooral die twee stukken waar dit album het van moet hebben, maar die zijn dan ook best waanzinnig bij momenten. Het vreemd-claustrofobische sfeertje van The Spectactular Commodity (terwijl het toch ook weer ruimtelijk klinkt) is bij vlagen erg creepy, ik krijg er gewoon de rillingen van. De intensiteit van de verschillende gitaren ligt er dik op, maar door een surplus aan technisch vernuft en creativiteit is het verbazend behapbaar, een soort prettige trip waarbij je met de ogen dicht door het zwerk zweeft.
Ik moet zeggen dat, toen dit album me door Koenr werd aangeraden, ik meteen begeesterd werd door de albumhoes. Zwart-wit, met twee mannen, keurig in het pak gestoken. De achterste (naar verluidt Glenn Branca zelf) lijkt de voorste man naar achteren te trekken, of net op te vangen. Zijn gelaatsuitdrukking toont een zekere afkeer van het hele tafereel, alsof hij liever ergens anders was. Of is het net minachting voor een zopas geliquideerde Nemesis? Afijn, ik vond het meteen intrigerend omdat je er op meerdere manieren naar kan kijken. Vreemd genoeg past het ook wel bij de muziek.
Eerder gaf ik aan dat dit album verbazend behapbaar was, maar daarmee bedoel ik niet dat het ook toegankelijk of conventioneel klinkt. Al te moeilijk wordt er heus niet gedaan, maar compositorisch zit dit heel goed in elkaar en door dat orkestrale karakter heeft het ook wel wat weg van klassieke muziek en jazz; de link met Coltrane en Messiaen ligt dus ook daar.
Het is met name de ritmesectie die voor balans zorgt, met heerlijk stuwende maar steeds in functie van het geheel opererende drums, met op de achtergrond quasi verloren gelopen maar toch prettig klinkend basspel. Vooral de drums leveren wat mij betreft echt een meerwaarde; Stephan Wischerth leek wel een zevende zintuig te hebben voor het aanvoelen van de juiste momenten om net wat sneller of trager, net wat stuwender of zachter, net wat feller of lichtzinniger te gaan spelen.
De gitaren vormen echter de hoofdmacht van deze plaat, wat in het fabelachtige titelstuk prominent wordt bewezen. Een wat lugubere sfeer wordt neergezet, een waas wordt gecreëerd door de verschillende gitaristen die weer aan een indrukwekkende geluidsbrij beginnen te puzzelen, de punten en komma's en accentjes nauwgezet invullend. Enkele wisselingen in het tempo houden de aandacht er moeiteloos bij, en da 's maar goed ook, want als je het hoofd koel en bij de zaak kan houden, valt hier een hoop te ontdekken en te genieten.
The Ascension is dan ook echt een album op met de koptelefoon te beluisteren, liefst met zo min mogelijk interferentie van buitenaf. Het is een plaat waarop huiveren en genieten volle neven van elkaar zijn. Waar de Hemelvaart (refererend naar de albumtitel) evengoed een helletocht zou kunnen zijn - een kwestie van zintuiglijke interpretatie. En, bovenal, een erg goeie plaat.
4 sterren
Dit album klinkt enorm coherent. Branca nodigde o.a. Lee Ranaldo, bekend van Sonic Youth, uit om mee te spelen. De twee langste stukken, The Spectacular Commodity en The Ascension, laten indrukwekkende gitaargeluidsbrijen horen, met een flink bezwerend karakter. Er zit wel wat repetitie in de songs, maar bovenal hoor ik flink wat variatie, wat zelfs na de zesde luisterbeurt nog steeds nieuwe inzichten verschaft, tot dan verborgen gebleven elementen onthult, subtiele verschuivinkjes in de dynamiek blootlegt.
Het zijn wel vooral die twee stukken waar dit album het van moet hebben, maar die zijn dan ook best waanzinnig bij momenten. Het vreemd-claustrofobische sfeertje van The Spectactular Commodity (terwijl het toch ook weer ruimtelijk klinkt) is bij vlagen erg creepy, ik krijg er gewoon de rillingen van. De intensiteit van de verschillende gitaren ligt er dik op, maar door een surplus aan technisch vernuft en creativiteit is het verbazend behapbaar, een soort prettige trip waarbij je met de ogen dicht door het zwerk zweeft.
Ik moet zeggen dat, toen dit album me door Koenr werd aangeraden, ik meteen begeesterd werd door de albumhoes. Zwart-wit, met twee mannen, keurig in het pak gestoken. De achterste (naar verluidt Glenn Branca zelf) lijkt de voorste man naar achteren te trekken, of net op te vangen. Zijn gelaatsuitdrukking toont een zekere afkeer van het hele tafereel, alsof hij liever ergens anders was. Of is het net minachting voor een zopas geliquideerde Nemesis? Afijn, ik vond het meteen intrigerend omdat je er op meerdere manieren naar kan kijken. Vreemd genoeg past het ook wel bij de muziek.
Eerder gaf ik aan dat dit album verbazend behapbaar was, maar daarmee bedoel ik niet dat het ook toegankelijk of conventioneel klinkt. Al te moeilijk wordt er heus niet gedaan, maar compositorisch zit dit heel goed in elkaar en door dat orkestrale karakter heeft het ook wel wat weg van klassieke muziek en jazz; de link met Coltrane en Messiaen ligt dus ook daar.
Het is met name de ritmesectie die voor balans zorgt, met heerlijk stuwende maar steeds in functie van het geheel opererende drums, met op de achtergrond quasi verloren gelopen maar toch prettig klinkend basspel. Vooral de drums leveren wat mij betreft echt een meerwaarde; Stephan Wischerth leek wel een zevende zintuig te hebben voor het aanvoelen van de juiste momenten om net wat sneller of trager, net wat stuwender of zachter, net wat feller of lichtzinniger te gaan spelen.
De gitaren vormen echter de hoofdmacht van deze plaat, wat in het fabelachtige titelstuk prominent wordt bewezen. Een wat lugubere sfeer wordt neergezet, een waas wordt gecreëerd door de verschillende gitaristen die weer aan een indrukwekkende geluidsbrij beginnen te puzzelen, de punten en komma's en accentjes nauwgezet invullend. Enkele wisselingen in het tempo houden de aandacht er moeiteloos bij, en da 's maar goed ook, want als je het hoofd koel en bij de zaak kan houden, valt hier een hoop te ontdekken en te genieten.
The Ascension is dan ook echt een album op met de koptelefoon te beluisteren, liefst met zo min mogelijk interferentie van buitenaf. Het is een plaat waarop huiveren en genieten volle neven van elkaar zijn. Waar de Hemelvaart (refererend naar de albumtitel) evengoed een helletocht zou kunnen zijn - een kwestie van zintuiglijke interpretatie. En, bovenal, een erg goeie plaat.
4 sterren
God Dethroned - Passiondale (2009)

4,5
2
geplaatst: 9 oktober 2020, 21:49 uur
Erg goeie conceptplaat van de Nederlandse band God Dethroned over de Eerste Wereldoorlog. De albumtitel is een ironische knipoog naar het plaatsje Passendale nabij Ieper, waar zich in 1917 een vuile, vuige, verschrikkelijke veldslag afspeelde tussen het Duitse leger en de geallieerden (bestaande uit Britse, Belgische, Canadese en ANZAC-troepen).
De tracktitels spreken, als je de geschiedenis een beetje kent, voor zich. Tekstueel kon het misschien allemaal nog wat scherper, maar op Passiondale is het toch vooral het muzikale gedeelte dat hoge ogen werpt bij mij.
Het album begint met een sfeervol intro, waarin ik een taal hoor spreken die ik niet echt kan plaatsen (Sir Spamalot suggereert Japans; zou kunnen). Dat intro zet in elk geval meteen de toon, waarna er met Under a Darkening Sky (met onheilspellend klokkengelui) en No Man’s Land meteen flink de beuk in wordt gegooid. Snerpende gitaarriffs, brute grunts en vooral heerlijk drumwerk; de machinegeweer- en kanonsalvo’s vliegen je rond de oren!
Poison Gas is daarna voor mij hét hoogtepunt van de plaat (het is niet toevallig ook met voorsprong het langste nummer). De eerste twee minuten zijn weer behoorlijk bruut en in your face, maar daarna horen we opeens een heerlijk melancholisch klinkende gitaarriff, en wordt er overgeschakeld op bijzonder effectieve cleane vocalen. Tussen zoveel vuigheid valt een plotselinge oprisping van schoonheid des te meer op. En die gitaarsolo aan het eind gaat ook door merg en been, zeg!
De volgende drie nummers weten het gevoel van hopeloosheid dat de titel uitspreekt op knappe wijze te vatten (De Slag bij Passendale wordt heden ten dage gezien als één van de voorbeelden bij uitstek van een zinloze veldslag). Vooral het drumwerk maakt het behoorlijk verbeeldend; als ik naar deze plaat luister en mijn ogen dichtdoe, waan ik me ook zo op het slagveld, onder het bloed en tot de enkels in de modder, met een armetierige pothelm op mijn langzaam tot waanzin gedreven kop en een geweer halfslachtig om de arm, klaar om te vuren. Ik of de vijand; iemand moet eraan geloven, maar voor wat uiteindelijk? ”No escape from Passchendaele!”
In No Survivors wordt het trucje van Poison Fog in iets bescheidener mate nog ‘ns opgevoerd, met ook hier een mengeling van nietsontziende bruutheid, melancholische riffs en gevoelig klinkende cleane vocalen. Het soleerwerk op de gitaar is daarentegen een pak vinniger. En de tekst vind ik hier wel erg scherp:
”Shellshocked, paralyzed, staring into the gloom;
Penalties for desertion;
Death the reward for cowardice;
Salvos, cannonades, unleashing hysteria of rage;
The senselessness of it all;
Grew like a cancer in the minds of the troops.”
Behind Enemy Lines is daarna één van de snelste, meest rechttoe-rechtaan songs op de plaat, in de eerste minuten althans. Want richting het einde krijgen we toch weer een break, waarna het geweld nog een laatste keer losbarst in deze song. Fallen Empires werpt vervolgens al een licht op de nabije toekomst van op het slagveld, want de Eerste Wereldoorlog luidde ook het einde van enkele grote rijken in, met het Britse en Ottomaanse Rijk als grootste slachtoffers. De tekst spitst zich echter vooral toe op de hachelijke situatie van de miljoenen oorlogsslachtoffers – zowel de gesneuvelden als de overlevenden, want veel onder hen kregen te kampen met shellshock (wat toen vaak zelfs werd afgedaan als doen-alsof!), blijvende handicaps en trauma’s voor de eeuwigheid.
Het album kent een bijzonder ontroerende outro, de leidende riff lijkt wel een weemoedige mijmering over al dat zinloze leed. En zo is Passiondale in mijn ogen een belangrijk artefact geworden (om dat woord maar ‘ns te gebruiken) dat een nuchtere maar vooral bikkelharde en realistische kijk biedt op de gruwelen die zich nu ruim 100 jaar geleden hebben afgespeeld daar tussen de heuvels van dat onooglijke dorpje in de Westhoek.
4,5 sterren
De tracktitels spreken, als je de geschiedenis een beetje kent, voor zich. Tekstueel kon het misschien allemaal nog wat scherper, maar op Passiondale is het toch vooral het muzikale gedeelte dat hoge ogen werpt bij mij.
Het album begint met een sfeervol intro, waarin ik een taal hoor spreken die ik niet echt kan plaatsen (Sir Spamalot suggereert Japans; zou kunnen). Dat intro zet in elk geval meteen de toon, waarna er met Under a Darkening Sky (met onheilspellend klokkengelui) en No Man’s Land meteen flink de beuk in wordt gegooid. Snerpende gitaarriffs, brute grunts en vooral heerlijk drumwerk; de machinegeweer- en kanonsalvo’s vliegen je rond de oren!
Poison Gas is daarna voor mij hét hoogtepunt van de plaat (het is niet toevallig ook met voorsprong het langste nummer). De eerste twee minuten zijn weer behoorlijk bruut en in your face, maar daarna horen we opeens een heerlijk melancholisch klinkende gitaarriff, en wordt er overgeschakeld op bijzonder effectieve cleane vocalen. Tussen zoveel vuigheid valt een plotselinge oprisping van schoonheid des te meer op. En die gitaarsolo aan het eind gaat ook door merg en been, zeg!
De volgende drie nummers weten het gevoel van hopeloosheid dat de titel uitspreekt op knappe wijze te vatten (De Slag bij Passendale wordt heden ten dage gezien als één van de voorbeelden bij uitstek van een zinloze veldslag). Vooral het drumwerk maakt het behoorlijk verbeeldend; als ik naar deze plaat luister en mijn ogen dichtdoe, waan ik me ook zo op het slagveld, onder het bloed en tot de enkels in de modder, met een armetierige pothelm op mijn langzaam tot waanzin gedreven kop en een geweer halfslachtig om de arm, klaar om te vuren. Ik of de vijand; iemand moet eraan geloven, maar voor wat uiteindelijk? ”No escape from Passchendaele!”
In No Survivors wordt het trucje van Poison Fog in iets bescheidener mate nog ‘ns opgevoerd, met ook hier een mengeling van nietsontziende bruutheid, melancholische riffs en gevoelig klinkende cleane vocalen. Het soleerwerk op de gitaar is daarentegen een pak vinniger. En de tekst vind ik hier wel erg scherp:
”Shellshocked, paralyzed, staring into the gloom;
Penalties for desertion;
Death the reward for cowardice;
Salvos, cannonades, unleashing hysteria of rage;
The senselessness of it all;
Grew like a cancer in the minds of the troops.”
Behind Enemy Lines is daarna één van de snelste, meest rechttoe-rechtaan songs op de plaat, in de eerste minuten althans. Want richting het einde krijgen we toch weer een break, waarna het geweld nog een laatste keer losbarst in deze song. Fallen Empires werpt vervolgens al een licht op de nabije toekomst van op het slagveld, want de Eerste Wereldoorlog luidde ook het einde van enkele grote rijken in, met het Britse en Ottomaanse Rijk als grootste slachtoffers. De tekst spitst zich echter vooral toe op de hachelijke situatie van de miljoenen oorlogsslachtoffers – zowel de gesneuvelden als de overlevenden, want veel onder hen kregen te kampen met shellshock (wat toen vaak zelfs werd afgedaan als doen-alsof!), blijvende handicaps en trauma’s voor de eeuwigheid.
Het album kent een bijzonder ontroerende outro, de leidende riff lijkt wel een weemoedige mijmering over al dat zinloze leed. En zo is Passiondale in mijn ogen een belangrijk artefact geworden (om dat woord maar ‘ns te gebruiken) dat een nuchtere maar vooral bikkelharde en realistische kijk biedt op de gruwelen die zich nu ruim 100 jaar geleden hebben afgespeeld daar tussen de heuvels van dat onooglijke dorpje in de Westhoek.
4,5 sterren
Godspeed You! Black Emperor - Asunder, Sweet and Other Distress (2015)

3,5
0
geplaatst: 9 juni 2015, 21:02 uur
Wederom een goede plaat van Godspeed You! Black Emperor, ik vind 'm zelf een tikkeltje beter dan de voorganger. Het niveau van de begindagen wordt echter niet gehaald, maar dat is geen schande; die eerste twee "echte" albums zijn ongelooflijk goed, en ook die EP 'Slow Riot for New Zero Kanada' mag er meer dan wezen. De plaat die Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra vorig jaar uitbracht, is echter nog een pak beter. Daar zat wat meer afwisseling in, en ook een strakkere, meer beklemmende sfeer.
Waar het in het olijke VIER-programma (Belgische TV-zender) 'Komen Eten' om "sfeer en gezelligheid" gaat, luister ik naar deze band vooral voor sfeer en grimmigheid. Onheil wil ik horen van GY!BE, hier en daar doorspekt met een euforische climax. Daar slaagt wat mij betreft enkel de opener echt in (hoewel je dit album het best beschouwt als één lang nummer, opgedeeld in vier hoofdstukken). Dat is dan ook het enige nummer (pardon, hoofdstuk) dat me écht zal bijblijven.
Godspeed You! Black Emperor heeft z'n hoogtijdagen al lang achter zich liggen, maar blijft nog steeds aan de top van het postrock-gebeuren. Dat zegt genoeg, dunkt mij.
3,5 sterren
Waar het in het olijke VIER-programma (Belgische TV-zender) 'Komen Eten' om "sfeer en gezelligheid" gaat, luister ik naar deze band vooral voor sfeer en grimmigheid. Onheil wil ik horen van GY!BE, hier en daar doorspekt met een euforische climax. Daar slaagt wat mij betreft enkel de opener echt in (hoewel je dit album het best beschouwt als één lang nummer, opgedeeld in vier hoofdstukken). Dat is dan ook het enige nummer (pardon, hoofdstuk) dat me écht zal bijblijven.
Godspeed You! Black Emperor heeft z'n hoogtijdagen al lang achter zich liggen, maar blijft nog steeds aan de top van het postrock-gebeuren. Dat zegt genoeg, dunkt mij.
3,5 sterren
Great Lake Swimmers - New Wild Everywhere (2012)

3,5
0
geplaatst: 15 juni 2012, 14:25 uur
Ik ben deze plaat gaan beluisteren omdat mij gezegd werd dat het wat leek op 'Oh My God, Charlie Darwin' van The Low Anthem. Dat vind ik namelijk een bijzonder knappe plaat, en als die naam opduikt als vergelijkingsmateriaal, word ik algauw nieuwsgierig. Toen ik de plaat voor het eerst beluisterde, was ik dan ook lichtjes teleurgesteld. 'New Wild Everywhere' van Great Lake Swimmers is toch een pak minder. Maar de teleurstelling maakte vrij snel plaats voor waardering.
En die waardering is er nu, na zo'n 6 à 7 luisterbeurten, nog altijd. Het is geen fantastisch plaat, maar gewoon oerdegelijk, met enkele uitschieters. De opener is meteen erg mooi, met een nostalgisch geluid eromheen geweven (daar zorgen de strijkers voor, en het dromerige gitaarspel). De titelsong is wat meer uptempo, maar zeker niet slecht. De zang valt me wel mee, maar raakt me niet zo als bij The Low Anthem. 'The Great Exhale' klinkt weer wat weemoediger, met dat mooie vioolspel van Miranda Mulholland.
Ook 'The Knife' is wat zachter en is vooral sterk tijdens het refrein, met de samenzang Dekker-Mulholland. 'Changes with the Wind' is wat anders, met een zweem country (dankzij het vioolspel). Toch wel één mijner favorieten op deze plaat. 'Cornflower Blue' is folk met een nostalgisch tintje. Daar lijkt deze band wel in uit te blinken; ze weten heel goed wat hun sterke punten zijn; samenzang en rustig wegtokkelen.
En zo staat de plaat alsnog vol oerdegelijke liederen, met hier en daar een echt sterke song. 'Fields of Progeny' vind ik persoonlijk niet zo'n geweldig succes (iets te clichématig geluid), maar voor de rest hoor je mij helemaal niet klagen. Neen, het is geen hoogvlieger, maar toch wel een plaat die boven de middelmaat uitsteekt. Dat verdient een mooie score.
3,5 sterren
En die waardering is er nu, na zo'n 6 à 7 luisterbeurten, nog altijd. Het is geen fantastisch plaat, maar gewoon oerdegelijk, met enkele uitschieters. De opener is meteen erg mooi, met een nostalgisch geluid eromheen geweven (daar zorgen de strijkers voor, en het dromerige gitaarspel). De titelsong is wat meer uptempo, maar zeker niet slecht. De zang valt me wel mee, maar raakt me niet zo als bij The Low Anthem. 'The Great Exhale' klinkt weer wat weemoediger, met dat mooie vioolspel van Miranda Mulholland.
Ook 'The Knife' is wat zachter en is vooral sterk tijdens het refrein, met de samenzang Dekker-Mulholland. 'Changes with the Wind' is wat anders, met een zweem country (dankzij het vioolspel). Toch wel één mijner favorieten op deze plaat. 'Cornflower Blue' is folk met een nostalgisch tintje. Daar lijkt deze band wel in uit te blinken; ze weten heel goed wat hun sterke punten zijn; samenzang en rustig wegtokkelen.
En zo staat de plaat alsnog vol oerdegelijke liederen, met hier en daar een echt sterke song. 'Fields of Progeny' vind ik persoonlijk niet zo'n geweldig succes (iets te clichématig geluid), maar voor de rest hoor je mij helemaal niet klagen. Neen, het is geen hoogvlieger, maar toch wel een plaat die boven de middelmaat uitsteekt. Dat verdient een mooie score.
3,5 sterren
Gregory Alan Isakov - The Weatherman (2013)

4,0
0
geplaatst: 24 september 2013, 20:29 uur
Gregory Alan Isakov (prachtige naam, overigens) is één van die artiesten die wat verlegen boven de radar komt piepen, maar meer ook niet. Tot voor kort dan toch. Zoals dat zo vaak gaat, zorgt een nieuwe plaat voor heel wat animo, en omdat ik al heel veel goeds over de in Zuid-Afrika geboren Amerikaan had gelezen, wilde ik toch ‘ns wat van ‘m gaan beluisteren. Te beginnen met die nieuwe plaat. En ik was meteen betoverd.
Vooruitgeschoven single ‘Saint Valentine’ is een gemoedelijk liedje, dat al meteen een goed overzicht biedt op de kwaliteiten van Isakov; hij bespeelt de luisteraar met zijn schijnbaar zoetgevooisde folkpopmelodietjes en het langzaam, meanderende gitaar- of banjospel waarmee hij zijn warme stemgeluid ondersteunt. Als de tekst van het liedje dan ook nog eens tamelijk sterk blijkt te zijn, was er nog maar één ding mogelijk, natuurlijk. Mezelf onderdompelen in ‘The Weatherman’, zoals die nieuwe plaat heet.
Even tussendoor: ik ben me naderhand ook gaan richten op zijn eerdere platen, en daaruit kan ik concluderen dat dit niet eens zijn beste werk is. ‘This Empty Northern Hemisphere’ wordt op de albumpagina door gewaardeerd mede-user Tha)Sven genoemd als mogelijk hét folkpareltje sinds ‘For Emma, Forever Ago’, en ‘That Sea, the Gambler’ is dan weer mijn persoonlijke favoriet. Adelbrieven zorgen altijd voor hoge verwachtingen, en dan is de kans op een sof natuurlijk niet klein.
Maar niets daarvan, dus. ‘The Weatherman’ staat vol fraai gestileerde, doodgewone liedjes van een man die vrede heeft met zichzelf, maar niet altijd met het leven dat hij leidt (lijdt) en de dingen die hij daardoor meemaakt. Ik maak hier nu even geen gewag van fictie of non-fictie. De teksten zijn nooit straight forward, en vatbaar voor meerdere interpretaties. Dat is voor mij één van de belangrijkste redenen om Isakov als een goeie tekstschrijver te beschouwen. Met slagzinnetjes als “Oh time will tell, we always knew” en “it ain’t me behind the wheel, this time” kan je alle kanten op.
Isakov is van 1979, en dus de 30 al gepasseerd. En die rijpende volwassenheid wordt in zijn teksten vooral tentoongespreid in de nuchterheid en zelfkennis van de singer-songwriter. De bottom line van ‘Second Chances’ (“if it weren’t for second chances, we’d all be alone”) is een voorbeeld van het type wijsheid dat pas met de jaren (en het milderen) in de geest ontkiemt, en ‘Honey, It’s Alright’ verklapt diezelfde nuchterheid. Het is geen schande om alleen te zijn, meent Isakov te weten. En dat kan je alleen maar weten wanneer je echt alleen bent geweest. ‘The Universe’ is dan weer een erg fraaie allegorie van het heelal als ultieme biotoop die, naarmate je beter luistert, steeds meer van die kleine, ontroerende details onthult.
Niet elk nummer vind ik geslaagd op dit album. Zo is ‘California Open Back’, de instrumental die tussen – dat mag dan ook weer gezegd worden – twee prachtsongs als ‘Astronaut’ en ‘The Universe’ geprangd staat, een tikkeltje overbodig. ‘Suitcase Full of Sparks’ overschrijdt mijns inziens dan weer de grens van het zoetgevooisde waarmee Isakov meerdere keren flirt. Al kan je niet ontkennen dat het in essentie gewoon een oerdegelijk popliedje is, maar het verbleekt gewoon tussen al die andere pareltjes. Frappant ook: net in dit nummer is de door mij zo geliefde mondharmonica te horen. Er zijn dus ook nog andere factoren die spelen, heerlijke wetenschap.
Omdat de lichtpunten echter overheersen, moet ik het toch nog over enkele nummers in het bijzonder hebben. Opener ‘Amsterdam’ legt de lat meteen vrijwel onmetelijk hoog, en zou, moest het een dode zijn, in de autopsiekamer steevast geïdentificeerd worden als perfecte popsong. ‘Astronaut’ mag puur qua duur misschien een niemendalletje lijken, maar het is in wezen een meeslepend, puur liedje over twee geliefden die zich verwonderen om al de pracht die ver buiten onze leefwereld te vinden is.
Tot slot heb je ook nog ‘All Shades of Blue’, dat een zekere schwung in zich heeft, en wanneer de “country fiddle” (er schiet me even niets anders te binnen) ten tonele verschijnt, ongenaakbaar uitnodigt tot een energieke wals met je geliefde (dans)partner. Bovendien vind ik dit nummer gezegend met de mooiste tekst die Isakov aflevert op dit album. een clevere knipoog naar zijn eigen, fantastische ‘The Stable Song’, het sterk verbeeldende refrein en de titelstrofe (“When the horseflies are biting, but the fish never do; when your heart’s a thousand colours, but they’re all shades of blue”) maken de song al meer dan de moeite waard. Isakov’s gemoedelijke gefluit aan het eind plaatst de kers op de taart.
‘The Weatherman’ is een aanrader voor eenieder die de betere singer-songwriter met voeten in de folkaarde kan waarderen, en als deze plaat u bevalt, beschouw haar dan ook meteen als een charmante uitnodiging om Isakov’s eerste drie platen te gaan beluisteren. Deze muziekliefhebber is alvast helemaal mee.
4 sterren
Vooruitgeschoven single ‘Saint Valentine’ is een gemoedelijk liedje, dat al meteen een goed overzicht biedt op de kwaliteiten van Isakov; hij bespeelt de luisteraar met zijn schijnbaar zoetgevooisde folkpopmelodietjes en het langzaam, meanderende gitaar- of banjospel waarmee hij zijn warme stemgeluid ondersteunt. Als de tekst van het liedje dan ook nog eens tamelijk sterk blijkt te zijn, was er nog maar één ding mogelijk, natuurlijk. Mezelf onderdompelen in ‘The Weatherman’, zoals die nieuwe plaat heet.
Even tussendoor: ik ben me naderhand ook gaan richten op zijn eerdere platen, en daaruit kan ik concluderen dat dit niet eens zijn beste werk is. ‘This Empty Northern Hemisphere’ wordt op de albumpagina door gewaardeerd mede-user Tha)Sven genoemd als mogelijk hét folkpareltje sinds ‘For Emma, Forever Ago’, en ‘That Sea, the Gambler’ is dan weer mijn persoonlijke favoriet. Adelbrieven zorgen altijd voor hoge verwachtingen, en dan is de kans op een sof natuurlijk niet klein.
Maar niets daarvan, dus. ‘The Weatherman’ staat vol fraai gestileerde, doodgewone liedjes van een man die vrede heeft met zichzelf, maar niet altijd met het leven dat hij leidt (lijdt) en de dingen die hij daardoor meemaakt. Ik maak hier nu even geen gewag van fictie of non-fictie. De teksten zijn nooit straight forward, en vatbaar voor meerdere interpretaties. Dat is voor mij één van de belangrijkste redenen om Isakov als een goeie tekstschrijver te beschouwen. Met slagzinnetjes als “Oh time will tell, we always knew” en “it ain’t me behind the wheel, this time” kan je alle kanten op.
Isakov is van 1979, en dus de 30 al gepasseerd. En die rijpende volwassenheid wordt in zijn teksten vooral tentoongespreid in de nuchterheid en zelfkennis van de singer-songwriter. De bottom line van ‘Second Chances’ (“if it weren’t for second chances, we’d all be alone”) is een voorbeeld van het type wijsheid dat pas met de jaren (en het milderen) in de geest ontkiemt, en ‘Honey, It’s Alright’ verklapt diezelfde nuchterheid. Het is geen schande om alleen te zijn, meent Isakov te weten. En dat kan je alleen maar weten wanneer je echt alleen bent geweest. ‘The Universe’ is dan weer een erg fraaie allegorie van het heelal als ultieme biotoop die, naarmate je beter luistert, steeds meer van die kleine, ontroerende details onthult.
Niet elk nummer vind ik geslaagd op dit album. Zo is ‘California Open Back’, de instrumental die tussen – dat mag dan ook weer gezegd worden – twee prachtsongs als ‘Astronaut’ en ‘The Universe’ geprangd staat, een tikkeltje overbodig. ‘Suitcase Full of Sparks’ overschrijdt mijns inziens dan weer de grens van het zoetgevooisde waarmee Isakov meerdere keren flirt. Al kan je niet ontkennen dat het in essentie gewoon een oerdegelijk popliedje is, maar het verbleekt gewoon tussen al die andere pareltjes. Frappant ook: net in dit nummer is de door mij zo geliefde mondharmonica te horen. Er zijn dus ook nog andere factoren die spelen, heerlijke wetenschap.
Omdat de lichtpunten echter overheersen, moet ik het toch nog over enkele nummers in het bijzonder hebben. Opener ‘Amsterdam’ legt de lat meteen vrijwel onmetelijk hoog, en zou, moest het een dode zijn, in de autopsiekamer steevast geïdentificeerd worden als perfecte popsong. ‘Astronaut’ mag puur qua duur misschien een niemendalletje lijken, maar het is in wezen een meeslepend, puur liedje over twee geliefden die zich verwonderen om al de pracht die ver buiten onze leefwereld te vinden is.
Tot slot heb je ook nog ‘All Shades of Blue’, dat een zekere schwung in zich heeft, en wanneer de “country fiddle” (er schiet me even niets anders te binnen) ten tonele verschijnt, ongenaakbaar uitnodigt tot een energieke wals met je geliefde (dans)partner. Bovendien vind ik dit nummer gezegend met de mooiste tekst die Isakov aflevert op dit album. een clevere knipoog naar zijn eigen, fantastische ‘The Stable Song’, het sterk verbeeldende refrein en de titelstrofe (“When the horseflies are biting, but the fish never do; when your heart’s a thousand colours, but they’re all shades of blue”) maken de song al meer dan de moeite waard. Isakov’s gemoedelijke gefluit aan het eind plaatst de kers op de taart.
‘The Weatherman’ is een aanrader voor eenieder die de betere singer-songwriter met voeten in de folkaarde kan waarderen, en als deze plaat u bevalt, beschouw haar dan ook meteen als een charmante uitnodiging om Isakov’s eerste drie platen te gaan beluisteren. Deze muziekliefhebber is alvast helemaal mee.
4 sterren
Grift - Fyra Elegier (2013)

3,5
0
geplaatst: 18 september 2015, 16:05 uur
Goeie EP van Grift, een Zweedse metalband die dit jaar met de eerste langspeler 'Syner' op de proppen komt. De hoes doet me denken aan zo'n archaïsche onderlegger; een bierviltje met een weemoedig shot van een onguur dorpje, waar al diverse malen op gemorst is.
De muziek van Grift heeft ook wel iets weemoedig, hoewel ik vooral woede voel opborrelen, net onder de oppervlakte. Dat komt de sfeer en intensiteit wel ten goede, want ik merk dat ik vaak op het puntje van mijn stoel beland, deze helse muziek aandachtig in me opnemend.
Maar wat is dit nu concreet? Black metal? Niet voor de volle 100%, ik hoor er, in de traditie van het Oekraïense Drudkh, ook de nodige liefde voor de natuur in terug, alsmede enkele folk-elementen. Nog iets wat deze EP gelijk heeft met de muziek van Drudkh, is het kolkende karakter; dat laat zich moeilijk uitleggen, maar ik gebruik het woord "kolkend", omdat het zo aanvoelt; de intensiteit van de muziek zet iets in gang, waardoor je heel even met stomheid wordt geslagen door een soort bevlogenheid, waarna de schoonheid van het geheel des te meer indruk maakt. Schoolvoorbeeld hiervan is de derde song, 'Den Fångne'. Die opbouw naar een zich wat schuilhoudende climax is majestueus, en de ontknoping zelf, die mag er uiteraard ook zijn.
Kortom; een aanrader! Met zijn 24 minuten niet al te lang, en ideaal als voorgerechtje, om die eerste langspeler (die trouwens ook op Bandcamp te beluisteren valt) dan ook eens te gaan consumeren. Wat ik ook spoedig zal doen.
3,5 sterren
De muziek van Grift heeft ook wel iets weemoedig, hoewel ik vooral woede voel opborrelen, net onder de oppervlakte. Dat komt de sfeer en intensiteit wel ten goede, want ik merk dat ik vaak op het puntje van mijn stoel beland, deze helse muziek aandachtig in me opnemend.
Maar wat is dit nu concreet? Black metal? Niet voor de volle 100%, ik hoor er, in de traditie van het Oekraïense Drudkh, ook de nodige liefde voor de natuur in terug, alsmede enkele folk-elementen. Nog iets wat deze EP gelijk heeft met de muziek van Drudkh, is het kolkende karakter; dat laat zich moeilijk uitleggen, maar ik gebruik het woord "kolkend", omdat het zo aanvoelt; de intensiteit van de muziek zet iets in gang, waardoor je heel even met stomheid wordt geslagen door een soort bevlogenheid, waarna de schoonheid van het geheel des te meer indruk maakt. Schoolvoorbeeld hiervan is de derde song, 'Den Fångne'. Die opbouw naar een zich wat schuilhoudende climax is majestueus, en de ontknoping zelf, die mag er uiteraard ook zijn.
Kortom; een aanrader! Met zijn 24 minuten niet al te lang, en ideaal als voorgerechtje, om die eerste langspeler (die trouwens ook op Bandcamp te beluisteren valt) dan ook eens te gaan consumeren. Wat ik ook spoedig zal doen.
3,5 sterren
