MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Karl als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Art Blakey - Orgy in Rhythm, Vol. 1-2 (1957)

poster
Ik snap wel dat een album van drummer Art Blakey dat nota bene Orgy In Rhythm heet, zich zal concentreren op het drumgeweld van meneer Blakey en zijn percussionisten, maar dit is wel erg veel van het goede: de meer dan zes minuten durende liedjes bestaan namelijk uit niet veel meer dan percussie, afgezien van een hier en daar aardig themaatje waar nog wel eens een piano of fluit te horen is. Alsof dit alle nummers nog niet genoeg op elkaar doet lijken, is alles - afgezien van Come Out and Meet Me Tonight, dat dan ook de vreemde eend in de bijt is - ook nog eens ondergedoopt in een wereldmuzieksausje dat aan clichématige junglestammen doet denken. Mocht je daarin meegesleurd worden, dan zou je Orgy in Rhythm als 'hypnotizerend' kunnen omschrijven. Ik daarentegen vind het gebrek aan afwisseling behoorlijk vervelend. Elephant Walk is echter nog wel een heel aardig nummertje.

Art Blakey and the Jazz Messengers - Moanin' (1959)

Alternatieve titel: Art Blakey and the Jazz Messengers

poster
Titelnummer Moanin' is een schot in de roos: catchy, swingend, meeslepend - het belooft wat voor de rest van het album, maar weet dat helaas niet waar te maken. Na de fantastische opener glijdt het album namelijk meer en meer af, om tot een dieptepunt te komen bij Drum Thunder Suite en vooral Blues March, waar Blakey veel te veel op de voorgrond treedt. Dat is natuurlijk zijn goed recht als bandleider, maar het zit de nummers wel in de weg. Vooral laatstgenoemde is niet om aan te horen, overigens niet alleen dankzij Blakey, maar ook doordat het gespeelde thema eenvoudigweg irritant is. Met de afsluiter Come Rain or Come Shine, die toch wel net zo genietbaar is als de nog niet genoemde nummers, weet men zich toch nog wat te herpakken, maar het niveau van Moanin' wordt echt niet meer gehaald. Toch valt dit album aan iedereen aan te raden, niet alleen omdat het titelnummer zo geweldig is, maar ook omdat deze vrijwel overal voor een aangenaam prijsje te vinden is.

3,0*

Cold War Kids - Live from SoHo (2007)

poster
De Cold War Kids zijn live lang niet slecht. Het probleem is alleen dat ze ook lang niet goed zijn. Ofschoon het te horen is dat ze allemaal erg goed hun best doen, voegen deze liveversies maar weinig toe aan hun origineel op de debuutplaat. Het is daarom dan ook dat Live From Soho vrij oninteressant is voor degenen die Robbers & Cowards al kenden; als eerste kennismaking met de Cold War Kids is deze EP echter wel heel goed geschikt. Dat is jammer, want met een B-kantje en/of een covertje (bijvoorbeeld in plaats van God, Make Up Your Mind, waarin de zanger in het reffrein een bijzonder afgeknepen stemmetje laat horen) had dit euvel al kunnen verhelpen.

3,0*

Creedence Clearwater Revival - Cosmo's Factory (1970)

poster
Het eerste nummer dat ik van Kwiedèns Klierwotter Riefaifal kende, was Midnight Rider. Dat beviel mij zo, dat ik besloot wat meer van deze band te beluisteren, en warempel: het klonk zowaar vet. Het zal de gemiddelde lezer dan ook niet als een verrassing komen, dat dit album algauw verwelkomd mocht worden in mijn bescheiden CD-collectie.

Cosmo's Factory begint met de lekkere openingsriff van Ramble Tamble, die een liedje (en tevens album) inluidt zoals je dat mag verwachten. Na een paar minuten wordt de knop echter omgezet en verandert het liedje in een iets te lange solo, wat jammer is, maar erg overkomelijk.

Before You Accuse Me is een heel aardig nummertje, maar die voor mij meer als bruggetje naar het vanaf het eerste moment al fantastische Travelin' Band. Toegegeven, een originaliteitsprijs zal het niet winnen, maar verdomme, wat is dat nummer vét. Ik kan dan ook onmogelijk in mijn stoel blijven zitten en sta binnen de kortste keren als een malloot luchtgitaar te spelen op een heerlijke solo.

Ooby Dooby - lollige tekst, overigens - gaat op dezelfde voet verder, maar weet toch iets minder te beklijven. Gewoon een erg lekker tussendoortje.

Lookin' Out My Back Door is dan weer iets heerlijks. Hier kan ik nou vrolijk van worden; 'tututu, lookin' out my back door'. Ik zie mezelf al liggen in het hooi met een strohalmpje tussen mijn lippen geklemd. De hete zomeravond gaat aan mij voorbij, terwijl ik mijn cowboyhoed (jaja) over mijn ogen schuif en naar dromenland vertrek, alwaar ik, overmeesterd door spanning, door de jungle ren.

Up Around The Bend kent een leuk openingsriffje en een lekker meezingreffreintje; zo mag ik het graag horen. My Baby Left Me is dan weer wat minder, een nummertje dat niet echt blijft hangen; Who'll Stop The Rain volgt in die traditie.

I Heard It Through The Grapevine is dan weer wel zéér goed. Aanvankelijk lijken elf minuten erg lang, maar daar merk je onder het luisteren helemaal niets van. De eerste solo scheurt er lekker doorheen, waarna je nog één keertje mee kunt brullen met het reffrein, om vervolgens verzwolgen te worden door een übervette jamsessie. Ik ben niet zo van de ellenlange solo's, maar dit bevalt mij zeer, zeer goed.
(De versie van Marvin Gaye, uit 1968, vind ik overigens nog ietsjes beter; die is heerlijk stijlvol.)

De afsluiter Long As I Can See The Light is prachtig, met een mooie zang van John Fogerty. Een meer dan waardig afsluit van een zeer mooi album.

4,0* - met een klein kansje nog op verhoging.

Fever Ray - Fever Ray (2009)

poster
4,0
Toch ietsjes minder dan Silent Shout, doch niettemin een album van formaat. De openingstrack (die van mij overigens nog zeker tien minuten langer had mogen duren - het liefst met een mooie climax!) en I'm Not Done zijn fantastisch; de rest is zeer goed, maar toch mis ik een knaller als We Share Our Mother's Health of Like A Pen. Qua sfeer zijn de twee echter gelijkwaardig: ook Fever Ray dompelt de luisteraar onder in een vervreemde(nde) wereld die tegelijkertijd prachtig en angstaanjagend is, ditmaal echter consistenter en serener. Als het volgende album van The Knife van hetzelfde niveau is als dit soloproject, mogen we ons allemaal flink in de handjes wrijven!

4,0*

De twee bonustracks zijn overigens meer dan de moeite waard: Stranger Than Kindness ligt perfect in het verlengde van het album en is zowaar nog beklemmender dan Concrete Walls. Here Before past door het samplegebruik niet echt tussen de rest van de nummers, maar is wel erg mooi en rustgevend.

John Coltrane - A Love Supreme (1965)

poster
5,0
Alle vooroordelen over jazz komen hier toch wel aan bod: A Love Supreme is (te) druk en (te) friemelig, de nummers zijn (te) lang en kennen (te) weinig op het eerste gehoor hoorbare structuur, (te) veel lange solo's... Nee, een goede instapper kan ik het niet bepaald noemen. Wel is het knap dat de plaat tegelijkertijd spontaan en overdacht klinkt. Ook mag het duidelijk zijn dat de muzikanten op dit album hun instrument uitstekend beheersen. Maar: muziek is emotie, en op dit moment roept deze plaat niet veel meer dan een lichte irritatie bij me op. Ik kan me er niet in verliezen, het raakt me niet echt, en daarom begin ik dan ook met een lage 2,0*. Ik sluit echter niet uit dat het hier en daar wel wat kan stijgen, A Love Supreme klinkt namelijk wel als een plaat die je honderd keer met lichte tegenzin opzet en vervolgens geniaal vindt

John Coltrane - Olé Coltrane (1961)

poster
4,0
Met zo'n opener kan de rest natuurlijk alleen maar tegen vallen... en dat doet het ook, maar dat is niet zo heel erg, want de rest is meer dan behoorlijk. Vooral afsluiter Aisha is erg fijn in het overbrengen van dat regenachtige stadse gevoel - een scherp contrast met de voorgaande, vrolijkere en 'zonnigere' nummers -, al zijn de solo's af en toe iets te druk om dat gevoel helemaal te behouden. Verder is dit een heel degelijke Coltrane, waarin de grootmeester zelf (samen met de twee bassisten) vooral in het eerste nummer laat zien wat 'ie in huis heeft, zonder overigens zijn toegankelijkheid te verliezen. Een prima album, niet alleen voor jazzliefhebbers maar ook voor beginners - zoals wel bleek uit het feit dat al mijn dronken (en jazzhatende) vrienden op nieuwjaarsavond dit prima konden waarderen. Goed werk, meneer Coltrane!

3,5*

John Williams - Jurassic Park (1993)

poster
Toen ik een klein jongetje was, was Jurassic Park één van mijn favoriete films, en ik heb heel wat tijd doorgebracht de muziek van John Williams te neuriën. Het thema van de film en Journey To The Island mogen dan ook wel jeugdsentimentjes van me genoemd worden - helaas is de rest van de soundtrack volgestouwd met behoorlijk inwisselbare avonturenfilmmuziek. Spannend of verrassend is het nergens, helaas: als ondersteuning van de film werkt het prima, maar op zichzelf valt er weinig leuks te beleven. De afwezigheid van dinosaurussen haalt alle spanning uit de muziek.

2,5*

Kashmir - No Balance Palace (2005)

poster
3,0
Leuk, toegankelijk rockplaatje voor tussendoor: distortiongitaren, boem-boem-boembas en prima ondersteunend drumwerk. Het zou zomaar elk ander bandje kunnen zijn, wat je jammer zou kunnen vinden, maar het ligt wel prettig in het gehoor en dat is in dit geval belangrijker dan originaliteit, als je het mij vraagt - hoe innovatief kun je tegenwoordig immers nog zijn in het poprockgenre?; alleen Black Building onderscheidt zich echt van de rest, en dat is niet meer dan een (bijzonder prettig) intermezzo. Voor het overige zet Kashmir gewoon een stuk of wat prettige luisterliedjes met gitaren neer, al willen ze soms hun nummers iets te lang rekken, zoals bij de opener en afsluiter. The Cynic en The Curse Of Being A Girl zijn de hoogtepunten.

3,0*

Kyuss - Blues for the Red Sun (1992)

poster
4,0
Wederom een moddervette - want dat is wat mij betreft het woord dat Kyuss het best omschrijf: moddervet - plaat van de heren van Kyuss. De eerste woorden van Thumb, die de plaat inleiden, zetten al meteen de juiste toon: You don't seem to understand the deal / I don't give two shits 'bout how you feel - en vanaf dat punt wordt het eigenlijk nog alleen maar vetter. Green Machine, Thong Song (hilarische tekst: My hair is... REAL LONG!!) en Freedom Run zijn schandalig memorabel, maar de rest mag er ook zeker zijn. Het enige minpunt, dat hierboven - inmiddels anderhalf jaar geleden, ha! - ook al terecht is opgemerkt, is dat het geheel nog enigszins fragmentarisch aanvoelt; dit in tegenstelling tot de fenomenale opvolger, dat een volwassener en meer uitgebalanceerde Kyuss ten gehore brengt. Desondanks blijft Blues For The Red Sun modder- en moddervet.

4,0*

Miles Davis - Porgy and Bess (1959)

poster
Een toegankelijk albumpje met aangename nummers die me helaas niet echt weten te raken. Het klinkt aangenaam, maar hiet gaat het ene oor in en het andere weer uit. De afwezigheid van de piano - als enige Miles Davis-album in mijn collectie - ervaar ik ook als een gemis, al onderscheidt het Porgy and Bess wel van zijn andere cd's. Prayer (Oh Doctor Jesus) is wat mij betreft het mooiste nummer; een prachtige climax.

2,5*

Nine Inch Nails - The Downward Spiral (1994)

poster
3,0
Nine Inch Nails - The Downward Spiral: een analyse

Een lange tijd heb ik de symboliek van The Downward Spiral nooit begrepen. Doch, toen ik vandaag deze plaats eens opzette in de hoop dat ik het plotseling een meesterwerk zou vinden, viel er toch wel ergens een kwartje. En dat is, zeker voor een gierige Nederlander zoals ik, natuurlijk nooit weg.

Het album begint met het lekkere Mr. Self Destruct, waarin het hoofdpersonage - een atheïstische zelfmoordterrorist, die dankzij zijn gebrek aan geloof een doel in zijn leven mist - op een bekorige wijze wordt geïntroduceerd. Helaas voor dit personage zit Trent Reznor in zijn hoofd en, jawel hoor, lijkt hij hem ook nog op alle punten te beheersen. 'Tjonge, als dat maar goed gaat,' zou je denken.

Maar nee: we zijn nog maar amper begonnen of meneer Reznor begint over zijn voorliefde voor varkens. Dientengevolge verliest de hoofdpersoon zijn 'shit', hetgeen zijn opstipatie drastisch vermindert en zijn depressiviteit doet afnemen. Chapeau!

Vervolgens begint onze trieste figuur over zijn atheïsme. In een gevoelige ballade vertelt hij dat hij zijn geloof kwijt is (geraakt?) en daarom nog altijd in leven is. Onze arme zelfmoordterrorist probeert op het eind de gelovige medemens er nog van te overtuigen dat het christendom nou niet bepaald fantastisch is, met behulp van een retorische vraag, maar het mocht niet meer baten.

Op dat moment barst er een opstand los. Doch, niet zomaar een opstand, nee, het is een ware opstand der varkens. Onze hoofdpersoon is daar natuurlijk niet helemaal ongevoelig voor, en wordt halsoverkop verliefd op een van de protestanten. In het volgende nummer bezingt hij zijn liefde voor het prachtige varkentje dat hij heeft ontmoet. Zou alles dan toch nog goed komen met onze verdrietige hoofdpersoon? Je zou haast denken van wel.

Spijtig genoeg bevindt meneer Reznor zich nog altijd aan het stuur, en het varken en de zelfmoordterrorist gaan op onplezierige wijze uit elkaar. Hier komt de symboliek om de hoek kijken. Compleet verraden stort de hoofdpersoon zich in het ongeluk, treffend gesymboliseerd door de vrije val die het album op dit moment maakt qua kwaliteit.

Want de zes voorgaande nummers waren allemaal goed. Zeer goed, zelfs. Agressief, gestoord, ietwat verontrustend, maar wel heerlijk om naar te luisteren. Zo bevielen de willekeurige drums in Piggy mij prima, waren de hoge stemmetjes en de uitbarstingen in Heresy erg plezierig, wist March of the Pigs mij heerlijk opgefokt te maken en is de gitaarsolo in Ruiner te kek voor woorden. Vanaf The Becoming schiet meneer Reznor helaas richting de ongelukkige zijde van zijn muzikale spectrum. Het nummer rammelt aan alle kanten en lijkt nergens echt 'lekker' te worden. Maar - het moet gezegd worden - als collage van diverse geluiden die helemaal niet bij elkaar passen, is het hartstikke geslaagd.

De reis van ons hoofdpersonage gaat verder. Alsof hij nog niet ongelukkig genoeg was, krijgt hij een knallende hoofdpijn. "I do not want this," zegt hij in het volgende nummer, en dat is hartstikke begrijpelijk, want hoofdpijn is nu eenmaal niet eens wat men graag heeft. Ook hier treffend verbee... vergeluidt door meneer Reznor, door een nummer in elkaar te knutselen waar je een knallende koppijn van krijgt. "You don't know just how I feel" - nou, nu dus wel.

In een poging zijn hoofdpijn te verminderen, koopt onze hoofdpersoon een geweer. Doch, het complete gebrek aan logica is ietwat storend. Waarom denkt hij dat een pistool zijn hoofdpijn kan verzachten? De makkelijkste oplossing lijkt het afknallen van zichzelf te zijn, al is dit wel ietwat kortzichtig. Zou hij dan soms zijn ex-varken willen vermoorden? We zullen het nooit te weten komen. Hoe dan ook, hij schijnt bijzonder tevreden te zijn met zijn pistool. Zo tevreden zelfs, dat hij het volgende nummer van pure verbazing geen woord uit weet te brengen. In Eraser weet hij iets van zijn spraakvermogen terug te veroveren, doch erg veel nuttigs weet hij niet uit te brengen. Spijtig, maar overkomelijk. Functioneel is het wel, want het moge duidelijk zijn dat onze zelfmoordterrorist niet meer zo heel erg gelukkig is met zijn geweer en uit verdriet een snor heeft laten staan.

Eenzaam en door iedereen verlaten, behalve zijn snor, grijpt hij het moment aan om terug te denken aan de mooie tijden die hij met zijn ex-varken heeft gehad. Helaas weet dit hem niet op te peppen: hij voelt zich behoorlijk imperfect en besluit zijn geweer tegen zijn hoofd te zetten, opdat hij Trent Reznor dood zal schieten. Het levert een wat bloederig gezicht op, maar dan heb je ook wat.

"I hurt myself today" - wat wil je ook met een gat in je kop? - en plotseling is het moment van bezinning daar. Wat is er toch verworden van ons eens zo groot zelfmoordterroristje? Welnu, hij draagt een kroon gemaakt van poep, dus bijzonder veel zal het wel niet zijn. Doch zijn ogen zijn geopend. Hij weet eindelijk wat hij moet doen, hoe hij zijn levensdoel moet vervullen. Met een knal neemt de hoofdpersoon afscheid van de trouwe luisteraar: hij heeft zichzelf dan eindelijk opgeblazen.

3,0*

Phoenix - United (2000)

poster
Wisselend succes dit. Too Young en If I Ever Feel Better zijn twee uitschieters van heb ik jou daar, Honeymoon en On Fire zijn uitstekend, maar de rest is niet altijd even interessant. Opener School's Rules is bijvoorbeeld een van de minst nietszeggende liedjes die ik ooit heb gehoord en Party Time is een garagebandje nog net waardig. Funky Squaredance is een leuk experimentje, maar wordt eigenlijk pas ruim na de eerste helft een beetje interessant, en zelfs dan valt het nummer - met die over the top gitaarsolo - eerder melig dan echt goed te noemen. Toch laat Phoenix met de vier eerst genoemde nummers horen dat er enorm veel potentieel in zit. Een album vol met Too Youngs zou zich wat mij betreft één van de beste popplaten van het afgelopen decennium mogen noemen, maar of de band dat hoge niveau vast kan houden, is nog maar de vraag.

Radiohead - Pablo Honey (1993)

poster
2,0
'Zo tenenkrommend middelmatig is dit album niet eens,' aldus luidden de gedachtewolkjes, zwevende boven mijn hoofd. Daar zit ik dan, voor m'n computertje, luisterend naar het debuutplaatje van een bandje dat ik een tijd terug zeer, zeer straf vond. Natuurlijk kende ik Pablo Honey al, maar omdat Pablo Honey net zo goed elk ander gitaarplaatje uit het begin van de jaren '90 had kunnen zijn - wat op zich best ironisch is, met al die alternatieve pubers die zichzelf proberen te onderscheiden van de rest van de wereld door maar naar Radiohead te luisteren (...zoals elke andere alternatieve puber, doch dit terzijde) - besloot ik haar bestaan slechts op zon- en feestdagen te erkennen. En vandaag is het een woensdag; jottem.

'Geef toe, Karl, You is toch best wel een leuk liedje?' vraagt een van mijn gedachtenwolkjes aan me. En ja, ik vrees dat ik 'm nog gelijk moet geven ook: You weet mijn rechtervoet prima in beroering te brengen.
Helaas kan dit niet gezegd worden van Creep. Doch ook hier geldt: 'Karl, zo uitzonderlijk slecht kun je dit toch niet noemen?' En inderdaad: zo afgrijselijk als in mijn herinnering is Creep niet. Goed, de tekst is walgelijk zelfmedelijdend en erg verheffend is de melodie ook niet, maar geheel tegen de verwachtingen in begonnen mijn oren niet spontaan te bloeden en viel mijn achterste kies aan de rechterkant van mijn mond ook niet uit, dus al met al valt dit allemaal nog best mee.
Via het onopvallende bakje lawaai dat zich How Do You? noemt gaan we naar het hoogtepunt van Pablo Honey: Stop Whispering. Verrek, dit klinkt zowaar plezierig; afgezien van die belachelijke tekst natuurlijk. Hou op met fluisteren? Oké...
Thinking About You was in mijn herinnering toch ook wel een leuk liedje - althans, dit is wat een gedachtewolkje mij vertelt -, doch blijkt bij herbeluistering flink tegen te vallen. Ik bedoel, op zich is het niet belachelijk slecht, maar... het beeld van een langharige, geblondeerde Thom Yorke die in het donker in zijn bed aan zijn fluit zit te lurken - gezien de rest van de teksten op dit album, waarschijnlijk jankend - vervult me toch met een zekere afkeer. Aldus moet ik tot de conclusie komen dat - daar ik de tekst zoveel mogelijk probeer te negeren - Thinking About You een 'gewoon' middelmatig nummerke is.
Anyone Can Play Guitar? Nou, ik niet. Wel leuke coupletjes, overigens; jammer van dat vervelende reffreintje.

'Zo tenenkrommend middelmatig is dit album niet eens,' klonk mijn gedachtewolkje op dit moment, halverwege het album. Tot mijn grote tevredenheid moest ik zelfs concluderen dat ik naar vrij aangename - inwisselbare, doch aangename - muziek heb zitten luisteren. Maar dan...

...gaat het mis. Ripcord is onopvallend en nietszeggend. Vegetable is vrij aardig, al hou ik niet van die uitzonderlijk puberale 'ik ben verdeurie geen nummer, meneer!'-tekst.
Prove Yourself lijkt wel een variatie op Vegetable; eveneens met een uitzonderlijk puberale 'ik wil verdeurie dood, meneer!'-tekst (goddank voor dat zoetsappige reffrein, waarin de overige bandleden onze langharige, geblondeerde lieverd Thom Yorke moed inspreken door hem te vertellen dat hij... zichzelf moet bewijzen?).
I Can't kan tien seconden lang boeien; vanaf daar klinkt het opnieuw als een variatie op voorgaande nummers en ook Lurgee weet niet te blijven hangen.
Blow Out... tja, dat zal het einde dan wel zijn. Ook deze is weinig opvallend, wat teleurstellend is en een teleurstellende smaak achterlaat in mijn mond.

Pablo Honey is een plaat die met een meetikkende rechtervoet begon en eindigde met het volgende gedachtewolkje:
'Octo: "Als mensen interessant willen lijken, praten ze gewoon hard, toch?"
Plankton: "Correct!"
Octo: "Dus als wij gewoon hard genoeg spelen..."'
Verwijzingen naar Spongebob Squarepants laten mij nimmer in de steek.

3,0*

Rick Astley - Whenever You Need Somebody (1987)

poster
Het toffe aan Rick Astley is dat al zijn nummers hetzelfde klinken; en gelukkig voor ons betekent dat ruim 37 minuten aan Never Gonna Give You Up. Voor altijd samen, Rick, voor altijd samen.

4,5*

Sleepy Sun - Embrace (2009)

poster
Embrace is niet direct een album dat zich moeilijk in woorden laat vangen: het debuutalbum van psychedelische rockband Sleepy Sun is dromerig, dromerig en nog eens dromerig. Dat uit zich vooral in de productie, die ontzettend vaag is, veel echo kent en eigenlijk eenvoudigweg klinkt alsof je door een muur door de muziek zit te luisteren. Bij opener New Age werkt dat; bij de rest van de nummers helaas niet - speelt ook mee dat die van los zand aan elkaar hangen, natuurlijk, of überhaupt niet opvallend zijn. Het meer dan negen minuten durende White Dove lijkt vooral van dat eerste last te hebben, al is de riff tof genoeg om je als luisteraar een tijdje bezig te houden (de climax daarentegen is zwak en bestaat uit niet veel meer dan de riff, plus enkele psychedelische geluiden daar overheen), nummers als Sleepy Son, Golden Artefact of Snow Goddess meer van dat tweede, van dat onopvallende. Lord is een dromerige balade die enigszins zeurderig is, maar tenminste wel blijft hangen en Red Black kan ik als niet veel meer omschrijven dan als een leuk grapje. Van de eerste zeven nummers zijn er dus maar twee echt de moeite waard, waarbij vooral New Age opvalt als een episch meesterwerk. Afsluiter Duet With The Northern Sky biedt vervolgens een leuk opstapje naar het volgende album dat de verwachtingen gelukkig wel waar kan maken: Sleepy Sun kan beter dan deze middelmatige stroom aan geluid, en dat zouden ze laten horen ook.

2,5*

Sleepy Sun - Fever (2010)

poster
Minder toegankelijk dan zijn voorganger, maar verder eigenlijk op elk punt beter: Sleepy Sun lijkt minder te leunen en opeengestapelde muren van distortiongitaren en meer op subtielere, psychedelische, al dan niet akoestische rockliedjes, waarbij ruim baan wordt gemaakt voor afwisseling binnen een nummer. Een good voorbeeld daarvan is Marina - waar ze overigens ook mee openden bij hun optreden op het Zomerparkfeest in Venlo -, dat begint als een dromeringe en langzame psychedelische trip maar je halverwege wakker schudt door de gitaren in te ruilen voor een percussie-intermezzo. Hoewel dit nummer best representatief is voor het album, zou het Fever tekort doen het hierbij te laten: Rigamaroo is bijvoorbeeld een mooi akoestisch popliedje en Freedom Line is haast dansbaar, zo catchy als dat de baslijn is. Alle tussenliggende nummers liggen tussen deze drie prachtliedjes in, waarbij vooral de bezielde zang van zangeres Rachel Fannan opvalt, die elke keer als ze haar strot opentrekt wel een kippenvelmomentje weet te bewerkstelligen. Afsluiter Sandstorm Woman is lang en episch en laat de luisteraar met een bevredigd gevoel achter. Een van de beste albums van de jaren '70 - en dat veertig jaar na dato.

4,0*

The Band - The Last Waltz (1978)

poster
Op het eerste gehoor vond ik deze toch wel tegenvallen, eerlijk gezegd. Waar het door kwam kan ik moeilijk zeggen, maar ik denk dat het komt doordat ik The Band (zoals ik die ken van hun eerste twee albums) beschouw en me voorstel als een vrij klein en intiem bandje dat in kleine zaaltjes helemaal hun dak uit gaat. Dan is zo'n groots concert met allemaal gastartiesten toch wat anders - en helaas pakt 't niet altijd even goed uit.

Coyote met Joni Mitchell vind ik bijvoorbeeld niks (Neil Diamond die daarna zegt 'I'm only gonna do one song, but I'm gonna do it right' is overigens wel hilarisch). Hetzelfde kan gezegd worden van Dr. John met zijn vervelende stem, Paul Butterfield die niet wilt blijven hangen, Muddy Waters die het standaard 'tanananana' ten gehore brengt, Eric Clapton die er weer eens op los pingelt, Van Morrison's Tura Lura Lural dat weinig verheffend is, I Shall Be Released dat copmleet over de top is... Ook Bob Dylan weet maar amper te overtuigen; de knipoog naar zijn legendarische concert uit 1966 is leuk, maar de nummers die hij ten gehore brengt, bracht hij bij dat beruchte concert een stuk overtuigender, en de reprise van Baby Let Me Follow You Down is ook behoorlijk overbodig.

The Band is sterk genoeg om het zonder al deze bijkomende sterren te doen, en de sterkste nummers op dit album zijn dan ook veelal de nummers die The Band zelf heeft uitgebracht - The Night They Drove Old Dixie Down als hoogtepunt. Dat neemt overigens niet weg dat het af en toe wél raak is: Who Do You Love is erg leuk - dat geschreeuw van Hawkins, prachtig -, en Down South In New Orleans is een heerlijk opbeurend nummer.

Al met al kom ik toch op een 3,5* uit, want hoewel de gastartiesten in mijn ogen niet altijd even sterk zijn, brengt The Band hun liedjes wel op een prima manier, en zijn hun eigen nummers natuurlijk fantastisch.

The Knife - Deep Cuts (2003)

poster
Nou, dat The Knife erop vooruit is gegaan met Silent Shout is evident: wat een ontzettend wisselvallig album is dit, waarbij de uiteindelijke balans toch ver negatief doorslaat. De eerste twee nummers (waarvan de opener ook direct het sterkste nummer van het album is), You Take My Breath Away en You Make Me Like Charity liggen prima in het gehoor en zijn zelfs plezierig te noemen, maar de rest is gevuld met hier en daar enigszins catchy, maar veelal vervelende en stinkende en aan je schoen plakkende hoopjes stront: vooral One For You, Listen Now en Rock Classics zijn er een stel om met gevloek aan de stoeprand af te vegen. Je zou haast denken dat zangeres Karin er met haar vervelende zanglijntjes op uit is je ofwel te irriteren - en met succes! - ofwel onverschillig te laten. Het valt vreemd te noemen, want ze heeft een prachtige stem, zoals ze op de opvolger en als Fever Ray (en op The Colouring Of Pigeons) al uitgebreid heeft gedemonstreerd. Deep Cuts is echter van een compleet ander niveau: hier en daar aardig, hier en daar strontvervelend, maar vooral vaak oninteressant. Tijd om nieuwe schoenen te kopen.

1,5*

The Knife in Collaboration with Mt. Sims and Planningtorock - Tomorrow, in a Year (2010)

poster
2,0
Tomorrow, in a Year is een ontzettend experimenteel, ontoegankelijk en daarom ook, weinig verrassend, onderschat album. Nu is electro-opera sowieso al niet het meest populaire genre in de muziekwereld, maar The Knife maakt het hier en daar ook wel erg bont door muziekstukken op hun nieuwste langspeler te zetten waarin amper wat lijkt te gebeuren (Intro) of die uit herrie (Variation Of Birds) bijna volledig uit natuurgeluiden bestaan (Schoal Swarm Orchestra). Dergelijke stukken zijn zo abstract dat ze de gemiddelde luisteraar ernstig kunnen ontmoedigen, maar dat is onterecht, want qua sfeer is dit album onovertroffen: ik kan me maar moeilijk voorstellen dat wie dan ook met een goed stel oren en een open blik/gehoor niet valt voor het beklemmende Epochs, een surrealistische trip door de gangen van een doods, verroest schip*, begeleid onder een kippenvelopwekkend operagezang. Het is een foute verwachting op dit album liedjes aan te treffen: er staan geen liedjes op Tomorrow, in a Year - geen beats, verdeeld in een nette couplet-reffreinstructuur -, er staat louter sfeer op, sfeer die dient te worden geconsumeerd met het volume op zijn hardst en met de ogen dicht: pas dan kun je je mee laten voeren door de verontrustende, duistere reis van The Knife over Darwin...

...althans, dat geldt voor het eerste gedeelte van dit album. Het wonderschone Annie's Box, dat het tweede gedeelte opent, ligt in het verlengde van het eerste deel, al is het nummer toegankelijker en zou het met die prachtige vioolklanken zo op de soundtrack van een Hollywoodfilm kunnen staan. Het nog altijd abstracte Tumult baant de weg vrij voor The Colouring Of Pigeons, een huzarenstukje dat elke keer wel weer opnieuw kippenvel teweeg weet te brengen. Hoewel dit nummer zonder twijfel tot de top van het album behoort, is het duidelijk dat de zuivere sfeerstukken van de eerste disc baan hebben gemaakt voor iets dat meer op muziek lijkt zoals we die kennen: er ligt minder nadruk op psychedelische electronicabliepjes en opera en meer op zang en melodie; er is zelfs een (vrij bombastische) ritmesectie te bespeuren. De titelsong ligt in het verlengde van The Colouring Of Pigeons - al weet het nergens hetzelfde niveau te halen: de intro is te lang en de melodie minder pakkend -, maar wordt gescheiden door het vreemde intermezzo Seeds, dat door zijn strakke beat ("boem-tsss") behoorlijk uit de toon valt. Conceptueel is het echter een ijzersterk nummer: de beat in combinatie met bliepjes doet inderdaad denken aan ontkiemende zaadjes. Van de afsluiter kan dat helaas minder gezegd wordt: daar waar het niet-passende van Seeds nog goed werd gemaakt door de gedachte erachter, lijkt The Height Of Summer haast wel een B-kantje van Deep Cuts met een andere zanger. Toegegeven, hoewel het lang geen onplezierig nummer is met een prima reffrein, is het een wel erg vreemde eend in de bijt, die de beklemmende sfeermuziek op het eerste gedeelte en de bombastische opera op het tweede op een rare manier afsluit.

* Voor de duidelijkheid: ik heb geen idee of de tekst daar over gaat, maar dergelijke beelden doemen bij me op bij het luisteren van dit nummer.

The Whitest Boy Alive - Rules (2009)

poster
De toevoeging van een toetsenist is 'n goeie en ook de productie is wat strakker dan op het debuut, maar een echt sterk album wilt het helaas nog niet helemaal worden. Dat ligt vooral aan de inwisselbaarheid van het materiaal - het is veel van het zelfde - en het ontbreken van een spanningsboog op het album, maar ook de ontzettend slechte teksten, de zang die afhankelijk van je gemoedstoestand ofwel relaxed ofwel saai is en de meeste liedjes eigenlijk gewoon niet willen blijven hangen. Het gitaarspel is helder maar het instrument wordt voornamelijk gebruikt om de hele tijd twee noten aan te slaan tijdens de ontzettend lange outro's. Opnieuw prima geschikt als achtergrondmuziek, maar meer lijkt het maar niet te willen worden met The Whitest Boy Alive. Als singlesband vind ik ze overigens wel geslaagd.

2,5*

The xx - xx (2009)

poster
3,0
Het minimalisme van The xx balanceert op de moeilijk te onderscheiden lijn van mooie rustgevendheid en doodsaaie verveling - en valt regelmatig te verkeerde kant op. Het grootste mankement bevindt zich echter niet bij de liedjes op zich - die gaan namelijk op plezierige wijze het ene oor in en het andere weer uit -, maar het feit dat er totaal geen afwisseling in het album zit: xx is elf keer een variatie op hetzelfde liedje, wat ervoor zorgt dat het album na drie nummers vervelend begint te worden. Intro, Crystalized en in mindere mate Shelter zijn best aardig; de rest is doodsaai en doet verlangen naar het eind van het album. Een hypeje zoals zovelen: om volgende maand weer vergeten te zijn.

1,5*

Thelonious Monk - Solo Monk (1965)

poster
Ik had aanvankelijk mijn twijfels of mijnheer Monk het klaar zou kunnen spelen een heel album te boeien, in zijn eentje, maar die twijfel was nergens voor nodig: Solo Monk overtuigt prima, voornamelijk door zijn compacte vorm. Natuurlijk, door de beperkte instrumentatie lijkt het een en ander wel behoorlijk op elkaar en voelt het ook meer aan als een tussendoortje, maar dat maakt het niet minder leuk om naar te luisteren. En - en dit bedoel ik zeker niet beledigend - als achtergrondmuziek voor bijvoorbeeld bij het lezen, is het al helemaal perfect!

3,0*

Thelonious Monk Quartet - Monk's Dream (1963)

poster
3,0
Monk doet eigenlijk precies hetzelfde op deze plaat als op al zijn andere, wat tegelijkertijd een voor- en een nadeel is. Want hoewel de nummers op zich nog lang niet slecht klinken, kan ik het gevoel niet onderdrukken dat ik acht keer naar een variatie op hetzelfde nummer aan het luisteren ben. In tegenstelling tot zijn andere albums, heeft Monk's Dream geen enkel nummer dat er bovenuit steekt, wat ervoor zorgt dat je na een paar nummers een enorme behoefte aan iets anders krijgt. Het album is, ondanks dat het korter is dan bijvoorbeeld Straight, No Chaser, een lange zit, en dat is jammer.

Tool - Ænima (1996)

Alternatieve titel: Aenima

poster
5,0
Dit album had ik al 'n hele tijd niet geluisterd. Wellicht had dat een waarschuwing moeten zijn, want toen ik 'm vandaag weer eens opzette, viel het me ineens op dat Ænima af en toe tegen het strontvervelende aan zit (waarmee ik voor het gemak even alle nuance uit het raam gooi).

De eerste twee nummers zijn alleraardigst, maar H. vind ik nogal 'n zeiknummer dat niet echt wil lukken. Het is alsof de heren van Tool het heel hard probeerden, wat een redelijk reffreintje en wat zeurderige coupletten oplevert. Het staat me op de een of andere manier nogal tegen allemaal. Gelukkig weet men na een korte filler terug te komen met 46&2, die - net als Stinkfist en Eulogy - onder de noemer 'alleraardigst' valt, maar me - nét als Stinkfist en Eulogy - totaal niet wist te raken vandaag.

Hierna leek het Tool wel grappig om een of ander vaag bericht op 'n antwoordapparaat op hun album te zetten, begeleidt met een vervelend pianootje op de achtergrond. Ik kan het niet echt geslaagd noemen, het haalt me compleet uit het album en voegt naar mijn gevoel weinig toe. Jammer.

Hooker With A Penis is dan wel weer gewoon leuk. Vroeger vond ik 't geweldig, allemaal die haat jegens een of ander pisventje met Vans 501's, nu weet het een vaag glimlachje op mijn gezicht te brengen, meer niet.

Via Interlude gaan we naar Jimmy, en daar hadden we het maar bij moeten laten, want de overgang van het ene nummer naar het andere, dat is het enige noemenswaardige aan deze twee liedjes. Op zichzelf vind ik Jimmy maar matig en geforceerd klinken. Het is niet bijzonder slecht, maar ik sta er nou niet bepaald om te springen.

Verrek, weer een filler! Die Eier Von Satan is vast en zeker hilarisch en, goed, vervelend klinkt het ook niet. Helaas is dat wel het geval bij Pushit. Dat vond ik vroeger een bijzonder middelmatig nummer en nu, tja, is er niet zo heel erg veel veranderd, al lijkt 'ie wel minder slecht vergeleken bij de andere nummers van dit album, nu ik erop terugkijk. Tool lijkt niet echt te weten wat ze met Pushit aanwillen, wat resulteert in een liedje dat niet echt ergens naartoe gaat en dat ook helemaal niet lijkt te willen. De laatste minuut is dan weer wel redelijk plezierig, maar dat is toch wel 'n erg teleurstellende conclusie bij een liedje van bijna tien minuten.

De volgende filler had net zo goed een reeks gesamplede scheten kunnen zijn, ik had het verschil niet eens gemerkt. Babygehuil en vaagheid, daar komt het wel op neer, wat niet héél storend is, maar ook hier niet echt veel toevoegt, naar mijn mening. Hadden ze meteen het gehijg van Ænema ingezet, ik zou er totaal geen problemen mee hebben, want Ænema is ook hartstikke aardig. En, tja, meer kan ik ook hier niet over zeggen. Wellicht mis ik iets, want vroeger vond ik dit 'n geweldig nummer.

Na een adempauze van vier minuten - waar ik in dit geval helemaal geen problemen mee heb - komt het hoogtepunt van dit album eindelijk: Third Eye. Wat de andere nummers missen, dat heeft deze dan weer wél. Waar dat aan ligt, ik zou het bijgod niet weten, maar met Third Eye weet Tool me eindelijk eens een beetje te ráken op dit album. Nog 'n geluk dat 'ie dertien minuten duurt, anders had ik 'm vandaag met nog een halfje meer verlaagd dan dat ik dat nu doe.
Het wordt namelijk een 3,0*, voor een handvol nummers die 'aardig' zijn, maar niet echt de middelmaat ontstijgen, een handjevol strontvervelende fillers en richtingloze gevalletjes en Third Eye. Goddank voor Lateralus, die wel doet wat dit album maar niet lijkt te lukken.