MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Koenr als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Alva Noto - Xerrox Vol.1 (2007)

poster
3,5
Koen's sonische reizen - deel #953

Vol.4 komt over enkele weken uit. De perfecte timing dus om eens in Alva Noto's Xerrox serie te duiken. En waar beter te beginnen dan bij Vol.1.

2006 en 2007 waren mijn jaren van de electronische muziek. Deze 2 jaar vormden electronic de hoofdmoot van mijn muzikale dieet, met daarin een hoofdrol voor EDM, Deephouse, Ambient en Breakcore. Na die 2 jaar trad er een soort tijdelijke verzadiging op en namen andere genres het over. Electronic verdween wat naar de achtergrond, maar de liefde is altijd gebleven.

'Gruizig en prettig' is een term die destijds is geïntroduceerd op de website. Ik denk door Sietse. Deze term is altijd blijven hangen. Een omschrijving van het grijze gebied ergens tussen ambient en industrial. Warme geluidsgolven die bedekt worden met dekentjes van ruis, knisper, geratel, glitch, etc. Het contrast zorgt voor een rijke luisterervaring. Dit specifieke subgenre is altijd een favoriet gebleven bij mij, vooral tijdens het studeren, lezen en schrijven. De ruis filtert omgevingsgeluiden weg en zorgt ervoor dat ik me goed kan concentreren, beter nog dan met pure ambient. Echter, elke nieuwe plaat zal zich moeten meten met oude favorieten. De hoogtepunten uit het genre. In mijn geval zijn dat Gridlock en Yasume.

En deze plaat komt een aardig eind. De stukken (g)ruis, ik zal het de bovenste laag noemen, vind ik hier heel erg tof. Ze zijn erg sfeervol, gevarieerd, en vormen een afwisselend geheeld met enkele donkere drones en stukjes glitch en geratel. De stukken waar deze gruizige laag de boventoon voert zijn mijn favoriete stukken op de plaat. De warme ambient-laag - de 'onderste' laag - vind ik iets minder speciaal op deze plaat. De ambient is wel mooi, maar de momenten waarop het de boventoon voert zijn mijn minst favoriete stukken. In Haliod Xerrox Copy 3 (Paris) zitten enkele momenten waar de ambient zodanig aanzwelt dat het geheel behoorlijk dramatisch wordt. Hier neemt het effectbejag het voor mijn gevoel over van de muziek, en dan verlies ik mijn interesse een beetje. Het is wel erg mooi hoe de ambient-laag op het einde wegvalt en er een soort holle, resonerende galm overblijft. Met Haliod Xerrox Copy 6 heb ik een soortgelijke ervaring, alhoewel de ruis hier aanweziger blijft.

Haliod Xerrox Copy 2 (Airfrance) is mijn favoriete nummer op de plaat. Het geruis en gepiep neemt hier vrij snel de overhand en de ambient-laag voelt een beetje als stroken zonlicht die af en toe even door al het stof en gruis op een zolderkamer lijken te schemeren, om vervolgens toch weer uit zicht te verdwijnen. Ongrijpbaar, maar ontzettend fijn dat je er toch steeds even een glimp van op kan vangen. Deze 5 minuten zijn voor de volle speelduur fascinerend.

Haliod Xerrox Copy 11 is een ander hoogtepunt. Het samenspel tussen ruis, drone en ambient is hier erg boeiend en levert een behoorlijk dreigend sfeertje op. Bijna als een stuk muziek voor een duistere scene uit Twin Peaks. Mijn derde favoriet is afsluiter Haliod Xerrox Copy 9. Dit nummer begint heel erg fraai om na 2 minuten even helemaal stil te vallen en dan ineens op te bloeien in een prachtige mix van ruis & ambient. Het voelt als een trip aan boord van een ruimteschip waar de signalen niet altijd even goed doorkomen, en het geeft me hele sterke Déjà Vu’s naar een eerdere ervaring, maar ik kan er helaas niet opkomen welke ervaring dat is. Een game denk ik. Hopelijk kom ik er nog achter. Ook de korte intermezzo's tussen de langere composities zijn allemaal erg fraai.

Live zou ik hier heel goed op gaan denk ik. Heerlijk wegdromen een uur lang. Thuis vind ik een uur iets te veel van het goede voor een actieve luisterervaring als de verschillende lagen niet bijzonderder zijn dan hier het geval is. Dat klinkt misschien kritisch, maar het is enkel de reden dat mijn score niet hoger uitvalt, want verder is dit wel een erg fraaie, gruizige ambient plaat waar ik al een behoorlijk aantal fijne luisterbeurten mee heb doorgebracht, zowel op de voorgrond als op de achtergrond.

Busdriver - Fear of a Black Tangent (2005)

poster
3,5
Zoals verwacht iets beter dan z'n beetje wisselvallige nieuwe plaat. Zelfde maffe (af en toe absurd snelle) flow, accent en enthousiasme, maar dit keer gecombineerd met net wat apartere en betere beats.

De eerste paar nummers zijn wel goed maar nog niet helemaal waar ik op hoopte. Vanaf Happiness wordt het allemaal gelukkig nog wat leuker. Paar erg toffe nummertjes (Avantcore, Befriend the Friendless Friendster ), paar keer zoveel mogelijk tekst in zo weinig mogelijk tijd proppen en een aantal leuke samples. Het werkt inderdaad niet overal even goed (bijv. op het door BoordAppel al genoemde Note Boom), maar dat zijn slechts een paar nummertjes op een verder vooral erg vermakelijke plaat.

Ruime 3,5*, alweer een tijdje geleden dat ik zo'n fijn hiphop album heb gehoord.

En weer Mush, tof label, toch maar eens wat meer van opzoeken. Grappig ook dat z'n andere albums op Temporary Residence en Epitaph zijn uitgekomen, toch vooral een rock en een punk/emo label.

Digable Planets - Blowout Comb (1994)

poster
4,0
Ah, de 90s. Dat tijdperk dat ik wel heb meegemaakt maar wat achteraf toch grotendeels aan me voorbij blijkt te zijn gegaan. De afgelopen 15 jaar heb ik ervan genoten om allerlei klasse-platen die destijds het licht zagen langzaam te ontdekken. Van het werk van Morphine tot Fishmans en van Autechre tot de vele hip-hop klassiekers uit die tijd. Te veel muziek en veel te weinig tijd. Het lijstje essentiële hip-hop albums is echter nog lang niet afgewerkt, en zo hadden de twee klassiekers van Digable Planets - uiteraard al jaren op het lijstje - tot mijn schaamte nooit eerder in hun geheel mijn oren bereikt. De hoogste tijd voor een rectificatie.

Jazz Rap dus. De meest voordehandliggende vergelijking is wellicht ATCQ (naast Jazzmataz, Guru doet niet voor niks ook mee op deze plaat), en ik verwachtte dan ook een album in die lijn, maar de vibe, humor en politieke lading zijn hier behoorlijk anders. De muziek leunt ook dichter tegen 'echte' jazz aan, wat deels te danken is aan het feit dat deze plaat tot stand is gekomen tijdens lange jam-sessies in de studio met lokale jazz-muzikanten. Dat hoor je dan ook aan het resultaat: er hangt een organische en ongeforceerde vibe over het hele album heen. Ook live werden de drie MC's regelmatig vergezeld door bas-, drum- en saxofoonspelers.

Maar het blijft niet enkel bij een fijne sfeer; de plaat staat ook gewoon vol kleine en grote hoogtepunten. Van de diepe grooves op Dial 7 en 9th Wonder, de extreem chille en minimalistische vibrafoon op Graffiti, de slicke bastonen van Black Ego, de liefdevolle ode aan muziek & Brooklyn in The Art of Easing, tot de realisatie dat de MC's van dienst liever opscheppen over hun haar dan over materiële zaken, ondertussen achteloos jazz-legendes zoals Milt Jackson en Eric Dolphy namedroppend. Er is zelfs een referentie naar Walt Whitman. Bovendien zorgt Ladybug Mecca voor een fijne variatie in het geluid, vrouwelijke emcee's blijven toch een zeldzaamheid - zeker destijds. (Mecca doet overigens ook mee aan Brookzill!, deze Braziliaans-Amerikaanse hip-hop fusie-plaat die nu ook mijn interesse heeft gewekt.)

De gastbijdrages zijn verder mooi gedoseerd over het album en vinden elk een fraaie balans tussen het brengen van hun eigen stijl en zich schikken naar de overkoepelende sound van het album. Guru slide met zijn diepe stem sowieso perfect het album binnen op Borough Check en Jeru klinkt opvallend ontspannen op Graffiti. Sarah Anne Webb's bijdrage op Dial 7 geeft me bij momenten flinke Erykah Badu vibes, op de best mogelijke manier. Ik ken haar verder niet en de albums van haar band D-Influence stonden tot voor kort niet eens op de site, maar het zou me niet verbazen als Badu een aantal maal naar dit nummer heeft geluisterd voor ze in 1996 de studio indook.

For Corners, tenslotte, is een perfecte afsluiter. Alsof de laatste tonen van het album langzaam uit de boxen sijpelen, terwijl de zon langzaam ondergaat aan het eind van een lome zomerdag, enkele auto's op de achtergrond naar huis rijden over asfalt dat nog nazindert van de hitte, een handvol tieners bezweet ergens op een veldje hun potje basketbal afmaken, de laatste kooltjes in de bbq op gehoorafstand nog wat nasissen, en je ergens op een dakterras de laatste slok uit je inmiddels veel te lauwe biertje neemt.

Het productiewerk van Dave Darlington is daarnaast werkelijk subliem. De plaat klinkt ontzettend fris, helder en organisch. Het geluid is vol en gedetailleerd, jazzy zonder dat het ook maar ergens glad of gelikt wordt of aan eigenzinnigheid hoeft in te boeten. Een absolute '90s-klassieker dus, die ik na enkele maanden luisteren al voorzichtig tot mijn favoriete albums uit de '90s durf te rekenen. Of de plaat die status waar kan maken, en wellicht nog verder gaat groeien, zal de tijd moeten uitwijzen. Voorlopig ben ik er nog niet op uitgeluisterd, en nu de temperaturen weer stijgen ga ik hier de komende zomer nog eens extra van genieten, gok ik zo.

Husky Rescue - Ghost Is Not Real (2007)

poster
3,5
Erg schattig album. Een beetje electronic, een zangeres met een heel erg lieve stem en vooral erg veel sfeer. Hoogtepunten zijn wat mij betreft het prachtige Diamonds in the Sky en het uiterst schattige Blueberry Tree, Part I (”Close your eyes, we shall follow the melody”).

Helaas weten niet alle nummers te overtuigen. Nightless Night weet niet echt welke kant het op wil en blijft 6 minuten lang een beetje dreutelen. Ook met Shadow Run kan ik niet zo veel, nummer probeert een donker sfeertje te creëren maar faalt nogal wanneer er twijfelachtig half gezongen/half gepraat wordt. Gelukkig zijn dit de enige 2 minpuntjes en zijn het verder de warme sferen die overheersen.

3,5*, fijne verrassing.

Iva Bittová & Vladimír Václavek - Bílé Inferno (1997)

poster
4,5
Ahhh. Folk.

Mijn grote liefde op muzikaal gebied. Sinds ik in 2004 Iron & Wine en Nick Drake ontdekte, was er geen weg meer terug. Het genre is de afgelopen jaren wat naar de achtergrond verdwenen in mijn luistergedrag, ten faveure van hip-hop en jazz, maar om de zo veel tijd komt er een artiest op m'n pad die mijn liefde voor het genre weer helemaal doet opleven. Het afgelopen jaar waren dat er zelfs opvallend veel; opvallend veel niet-anglosaxische artiesten vooral.

Zo raakte ik in september 2019 verslaafd aan de stem van Tetê Espíndola. Begin dit jaar dook ik dieper in Ichiko Aoba's werk, nadat ze haar prachtige, nieuwe single op ons los liet. In februari zag ik Elaha Soroor (met Kefaya) nog optreden in Utrecht en later die maand ontdekte ik de Oekraïense Svitlana Nianio. Eind maart kwam het werk van José Mário Branco op mijn pad, vervolgens de Boliviaanse Luzmila Carpio en tenslotte dook ik ook nog even de intieme, regionale, out-back folk van Elomar in. Dat zijn al meer dan genoeg nieuwe folk-artiesten binnen een korte tijd, zou je zeggen, maar in mei geeft aerobag mij doodleuk een eersteklas ticket richting Tsjechië, om daar een nieuw hoofdstuk aan mijn reis toe te voegen.

Ook na 16 jaar behoorlijk actief muziek luisteren, zijn er nog genoeg hiaten in mijn muzikale referentiekader te vinden. Experimentele Tsjechische Folk was er daar dus één van. Terwijl ik Tsjechische cinema uit de jaren '60 een warm hart toedraag, en enkele Tsjechische boeken uit diezelfde periode ook erg tof vind, is mijn muziek-kennis uit dat land nihil. Waarom? Geen idee. Iva Bittová stond ergens wel op mijn radar als interessante artiest (in bepaalde kringen is ze een gevestigde naam), maar die radar van mij vertoond soms wat kuren. Een combinatie van overbelasting en gebrekkig onderhoud denk ik. Dus ben ik nooit eerder aan haar werk begonnen. Oja, en haar bekendste plaat heeft een speelduur van 77 minuten, dat is wat aan de lange kant. Maar gelukkig was aero er dus voor het nodige zetje in haar richting.

Iva Bittová speelt vanaf jonge leeftijd viool, maar begint haar carrière in de 70s als actrice. In de 80s switched ze gelukkig alsnog van film naar muziek, ze is dan onder meer actief als zangeres en violist in de band Dunaj. Een kleine 15 jaar later zal ze samen met Vladimír Václavek deze plaat opnemen: haar meest gevierde werk. En hoewel de plaat onder hun beider namen is uitgebracht, is het toch vooral Iva die hier de show steelt. Gelukkig maar.

Geheel toevallig is de eerder genoemde Espíndola één van de eerste associaties die bij me opkomt tijdens opener Vzpomínka. Vooral tijdens het stukje na zo'n 5 min in het nummer klinkt Bittová in haar uithalen - de 'iiihs' en 'aaahs' - behoorlijk als Espíndola. Een vergelijkbare, hoge stem, vocale acrobatiek en geen enkele concessie naar de luisteraar. Er zijn slechtere referentie-kaders dan een vrouw waar ik al maanden geen genoeg van kan krijgen.

Het eerste nummer bestaat uit een samenspel tussen verschillende stemmen in verschillende registers, terwijl rustig gitaarspel en prachtig vioolspel elkaar zowel aanvullen als afwisselen. De lage stem van Václavek speelt hier ook een prominente rol. Het is een bijzondere luisterervaring, zeker om de plaat mee te beginnen. Na 4 minuten valt het nummer (of vooral Iva's stem-acrobatiek) een klein beetje in herhaling, en de scepticus in mij neemt het dan over. 7 minuten aan stemacrobatiek, met in het achterhoofd dat er nog 70 zouden volgen? Dat kan wel eens een behoorlijke zit worden. Gelukkig houdt het vioolspel het nummer wel boeiend.

Uspávanka begint een stuk ingetogener. Mijn twijfel ebt tijdens dit nummer langzaamaan weg, om plaats te maken voor mild enthousiasme: dit zou wel eens helemaal mijn ding kunnen zijn. Iva wordt hier bijgestaan door cello, contrabas en speelgoedgeluiden(?). Ondertussen zingt ze alsof ze een slaapliedje voordraagt, maar dan op geheel eigen en unieke manier. Als enkele kinderstemmen haar even later in het nummer ineens bijvallen, maakt dat die associatie helemaal compleet. Bijzondere en prachtige compositie.

Op het 3e nummer horen we vervolgens een kalimba. Op het 4e nummer een trompet en contrabas. Op Kdoule horen we o.a. een ghatam en Zelený věneček is dan weer het enige nummer op de plaat met piano. Hierdoor krijgt elk nummer, ondanks de terugkerende elementen aan zang, gitaar en viool, een behoorlijk eigen klankkleur en identiteit. Tijdens het 4e nummer ben ik eigenlijk al helemaal om. Mijn enthousiasme heeft plaatsgemaakt voor euforie; Iva Bittová zou zich zo maar tussen mijn favoriete artiesten kunnen gaan scharen. Wat een geweldig stemgebruik en wat een ontzettend fraaie, tegendraadse, speelse composities. En dan moet die hele 2e kant nog komen.

Want wat is het heerlijk hoe een nummer als Kdoule na 4 minuten ineens een onverwachte wending neemt. Of hoe Moře na een vocale uitbarsting in een soort hoorspel verandert, om zich vervolgens weer rustig richting folknummer te ontvouwen. En hoe Iva op Je tma - haar enige solo-nummer op de plaat - ontzettend bedeesd zingt terwijl ze aan de snaren van haar viool plukt. Op de achtergrond geven krakende deuren(?) en enkele andere geluiden het geheel een vervreemdend sfeertje. Een genot om naar te luisteren. Het is misschien een klein intermezzo binnen deze 77 minuten aan muziek, maar het is zo ontzettend sfeervol uitgevoerd. Het tekent Iva's muzikale visie.

En dan heb Ik het nog niet eens over de hoogtepunten van de plaat gehad. Het duo Churý Churuj / Svon, wat samen ongeveer een kwart van de plaat in beslag neemt, is namelijk het mooiste stuk muziek dat ik in 2020 heb ontdekt. Oké, vlak achter enkele nummers van Ichiko Aoba dan. Na een op zichzelf al hemeltergend mooie intro, krijg ik elke keer kriebels in mijn buik zodra Václavek begint te neuriën en Bittová hem langzaam bijvalt na 2,5 min. Als er na 5 minuten ook nog een flugelhorn de muzikale omlijsting komt verrijken, schiet het kippenvel m'n rug op en kan ik enkel ademloos luisteren. Ik ga niet eens een poging doen om onder woorden te brengen hoe dierbaar deze twee nummers me nu al zijn. Wat een pracht.

Vladimír Václavek z'n lage stem is ook een prachtige aanvulling en afwisseling ten opzichte van Bittová’s zang, maar het is duidelijk haar stem & presence die dominant zijn op deze plaat. En gelukkig maar, want als Václavek aan het woord is, zit ik stiekem vooral te wachten tot Iva weer gaat zingen.

Als ik dan toch 1 minpuntje op deze plaat moet aanwijzen, is dat het laatste nummer. Hier zingt Bittová in het Yiddish, vrij naar een gedicht van Mordechai Gebirtig. Los vind ik het nummer eigenlijk heel fraai, maar na het eerder genoemde duo valt het wat uit de toon en heb ik er eigenlijk niet zo'n zin in.

Ik durfde Bittová na 1 luisterbeurt al voorzichtig tot mijn favoriete zangeressen te rekenen, en de beluistering van ouder werk heeft dat inmiddels bevestigd. Haar 80s platen met drummer Pavel Fajt zijn ook allebei prachtig. Daarop is wat meer ruimte voor percussie en iets minder voor de gitaar, maar de stempel van Iva is op al deze projecten zo prominent en dominant dat ze zeker vergelijkbaar zijn met deze plaat. Gaat dat horen, aerobag. En anderen. Vooral deze.

Zowel Václavek als Bittová hebben naast hun solo-werk ook werk met andere muzikanten en muziek met de bands Rune en Dunaj uitgebracht. Een rijk oeuvre waar ik nog wel even zoet mee ben dus. Oftwel: Jezus aero, wat heb je gedaan? Ik moest Braziliaanse platen checken deze periode, niet diep de Tsjechische folk-scene induiken. Ugh. Dat heb ik weer.

Iva.

Joanna Newsom - Ys (2006)

poster
5,0
En een half jaar later gooi ik hier toch het laatste halfje bij.

In het begin was ik nogal sceptisch. The Milk-Eyed Mender was heel erg mooi, maar met de toevoeging van flink wat orkestratie zag ik Joanna's muziek al snel in vervelend bombasme verzanden. Gelukkig bleek daar niks van waar en is de toevoeging van het orkest niet alleen subtiel genoeg, maar vooral érg sterk. Het geeft het album zelfs flink wat meerwaarde, iets waar ik vooraf bijna niet op durfde te hopen. Joanna heeft zich verder ontwikkeld en plaatst zich met deze plaat definitief buiten het ‘freak-folk’ hoekje. Het hele album staat vol prachtige muziek, en de composities lijken soms haast perfect.

Als ik echt een hoogtepunt van het album moet noemen, zou het de samenzang tussen Bill en Joanna aan het einde van Only Skin zijn. Denk je dat het haast niet meer mooier kan, komt Bill het nummer even naar een nog hoger niveau tillen.

Maar eigenlijk bestaat heel Ys gewoon uit pure pracht, en mag Joanna zich met dit album ook nog eens toevoegen aan het kleine rijtje artiesten waarvan de teksten me ook echt wat doen. Dat stukje in Emily waar ze aan het water zit hoort wat mij betreft tot de allermooiste teksten ooit geschreven. Onvoorstelbaar mooi.

Naar de 5*, en een plekje in m’n top 10.

Wel jammer van de spuuglelijke cover.

José Afonso - Cantigas do Maio (1971)

poster
4,0
José Afonso (ook bekend als Zeca Afonso) begon zijn carrière eind jaren '40 als fado gitarist en zanger, gespecialiseerd in de variant uit Coimbra. Wanneer hij niet ziek was of moest vechten aan het front, nam hij nummers op in een kleine studio, waarvan het merendeel uit deze periode helaas verloren is gegaan. Tijdens zijn studie geschiedenis & filosofie sluit hij zich aan bij het Orfeon Académico de Coimbra, één van de beroemdste academische koren van Portugal, waarmee hij onder meer in Angola and Mozambique optreed. Hij reist in deze periode ook met verschillende andere muzikanten door Portugal en treed regelmatig op voor boeren en fabriekswerkers.

Ergens in de jaren '60, terwijl de politieke onrust in de straten van Coimbra blijft groeien - zowel rondom de situatie in de Portugese koloniën als door de jarenlange dictatuur onder Salazar - begint de fado voor Afonso een beetje achterhaalt te klinken: die eindeloze trieste liedjes met een inmiddels toch wel enigszins rigide structuur. Bovendien wordt het genre steeds meer geassocieerd met de dictatoriale regering, die de kunstvorm steunt en promoot.

Niet zo gek dus dat er onder verschillende Portugese muzikanten langzaam een verlangen groeit om nieuwe, ambitieuzere muziek te maken. Samen met gitarist Rui Pato dwaalt José Afonso eindeloze nachten langs cafés en barretjes in Coimbra, luisterend naar recent verkregen platen van Brel & Brassens, en beginnen ze een serie eigenzinnige ballades te schrijven die de basis van Afonso's debuutalbum Baladas e Canções zullen vormen. Het zijn nummers die nog steeds Fado ademen, maar met eigenschappen die al duidelijk in een nieuwe richting wijzen. De teksten worden langzaam cryptischer, politieker, radicaler, de muzikale structuren eigenzinniger.

En Afonso blijkt inderdaad niet de enige met die ambitie, want midden jaren '60 wordt er zo een nieuw genre geboren: Música de intervenção. Uitgesproken protestliederen tegen het fascistische regime - die dan uiteraard nog wel vol met onontkoombare invloeden uit de fado en folk-tradities zitten. Afonso's eerste liedjes in deze stijl verschijnen niet op zijn debuut, maar er staat er wel eentje op een EP uit 1964: Coro dos Caídos. Uit dezelfde periode stammen ook de eerste protestliederen van de in Angola geboren Luís Cília. Mensen die een indruk van dit genre (en de muzikanten die ermee geassocieerd worden) willen krijgen, kunnen dit album eens opzoeken.

Ergens in 1968 biedt Orfeu Afonso een contract aan en deze vaste bron van inkomsten biedt hem de ruimte om zich meer te focussen op muziek . Zijn eerste album voor het label is Cantares do Andarilho, met daarop het wonderschone slaapliedje Canção de Embalar. Het jaar daarop verschijnt Contos Velhos, Rumos Novos, waarop we niet alleen voor het eerst een uitgebreider instrumentarium horen (o.a. ukelele, harmonica, xylofoon), maar waarop de protestliederen ook voor het eerst echt de overhand nemen. Afonso's fado-roots lijken hier voor het eerst zo goed als verdwenen.

In deze periode neemt Afonso elk jaar een plaat op, en het hoogtepunt van zijn carrière verschijnt eind 1971: Cantigas do Maio. De situatie in Portugal is dan al een tijdje onhoudbaar en net als veel andere Portugese kunstenaars heeft Afonso zijn heil gezocht in Parijs. Hier werkt hij samen met de ruim 10 jaar jongere en daardoor ook een stuk radicalere José Mário Branco. Samen sleutelen ze aan de arrangementen van wat uiteindelijk Cantigas do Maio zal worden. Een breed scala aan instrumenten wordt geregeld en enkele Franse muzikanten worden gestrikt om naar de studio te komen. Rond deze tijd heeft de Tropicália Europa ook bereikt, waardoor er ook enkele Braziliaanse invloeden op dit album doorsijpelen.

Bij het horen van de eerste percussietonen van opener Senhor arcanjo, terwijl Delaporte op zijn congo het ritme aangeeft en er nog wat mensen op de achtergrond discussiëren over het volume, weet je al dat je met een bijzondere plaat te maken hebt. Het daaropvolgende titelnummer maakt dit album op zichzelf al een luisterbeurt waard; de combinatie van het slepende gitaar-motiefje, Afonso's intense stem en de spookachtige, schokkerige accordeon (gespeeld door Branco) geeft me elke keer kippenvel, zeker als al deze elementen richting het einde steeds meer aan intensiteit toenemen.

Grândola, Vila Morena, met de marcherende voetstappen in de achtergrond, zou 3 jaar na de release van dit album onsterfelijk blijken en voor eeuwig deel van het collectieve geheugen van Portugal worden. Het nummer vormde de achtergrond van protesten, verhitte discussies, en later van de feestende mensen op de straten. Het werd de belichaming van het einde van de dictatuur en het nummer zou in de jaren daarop eindeloos gecovered worden en de soundtrack van films en documentaires vormen. Ook op afsluiter Coro da Primavera lijkt de plaat al vooruit te blikken naar 1974:

ouvem-se já os rumores / ouvem-se já os clamores / ouvem-se já os tambores
We can hear the rumours already / We can hear the clamours already / We can hear the drums already

Op de rest van de plaat staan nog een aantal andere pareltjes verborgen, zoals een eerbetoon aan een in de jaren '50 door de militaire politie vermoorde vrouw. Tussen alle eigenzinnige nummers en cynische (maar ook hoopvolle) teksten is er echter ook nog ruimte voor een klein liedje: Milho Verde is een prachtige, ingetogen uitvoering van een traditional, waarvan de basis door een Adufe-ritme wordt gevormd. (Op deze Gal Costa plaat is overigens ook een (wat uitbundigere) versie van dit nummer te vinden.)

Monsoon - Third Eye (1983)

Alternatieve titel: Monsoon featuring Sheila Chandra

poster
3,5
Recensie voor Super Tip-Topper

Monsoon, actief tussen 1980 en 1982, was hoofdzakelijk het resultaat van het muzikale huwelijk tussen muzikant en producer Steve Coe en de getalenteerde, op dat moment pas 16 jaar oude Britse zangeres Sheila Chandra. Door onenigheid met hun label over de beoogde muzikale richting - het zal ook eens niet - was de band alweer uit elkaar voor in 1983 alsnog hun eerste album uit zou komen. De hierdoor vrijgekomen energie werd door Coe en Chandra vervolgens in een redelijk succesvolle solo-carrière gestopt van laatstgenoemde, eerst via het kleinere Indipop label en later op Peter Gabriel's wereld-label. En waar Third Eye nog een echte pop-plaat is, zou Chandra's latere werk steeds meer richting drone verschuiven en een steeds grotere variatie aan invloeden verkennen. Dat er hier en daar enkele new age muzak smetjes in haar oeuvre zijn te vinden - voornamelijk in de vorm van bijdrages aan compilaties en soundtracks - valt daarbij gemakkelijk door de vingers te zien. Tegenwoordig is Chandra helaas niet meer in staat om te zingen vanwege BMS, maar ze heeft gelukkig een rijk oeuvre achtergelaten.

Op Third Eye wordt voornamelijk een brug geslagen tussen Indiase muziek en Westerse Synth Pop. Een lastige grens om te bewandelen zonder in kitsch-valkuilen te vallen, maar Monsoon slaagt er met verve in. Bij de eerste tonen van opener Wings of the Dawn (Prem Kavita) had ik nog even mijn twijfels - de zang geeft een behoorlijke new agy-vibe af - maar zodra de instrumentatie invalt en het nummer echt begint, hebben Chandra's vocalen me eigenlijk al ingepalmd. Vervolgens neemt ze je 40 minuten lang mee op reis langs haar muzikale visie, terwijl de beekjes links en rechts kalm voortkabbelen en een Bollywood film ergens op de achtergrond geruisloos staat te spelen. Er komt een scala aan ongebruikelijke instrumenten langs (we horen onder meer een celesta, sitar, tabla, accordion en tambura), maar de band lijkt behoorlijk hun best te doen om te bewijzen dat dit niet ten koste hoeft te gaan van de toegankelijkheid van de liedjes. Third Eye staat namelijk vol repetitieve, hypnotiserende en catchy ritmes. "Zou tegenwoordig niet meer zo opvallen" schrijft sq hierboven, 15 jaar geleden. En hoewel de fusie van pop en rock met allerlei vormen van wereld-muziek tegenwoordig behoorlijk wijdverspreid is, vind ik dat Monsoon hier nog steeds een behoorlijk fris en eigen geluid brengt. Anno 2021 zou je hier ook gewoon mee voor de dag kunnen komen. Het is eigenlijk ook verbazingwekkend dat de plaat zo coherent klinkt, gezien de variatie aan muzikale elementen en invloeden.

Op hun debuut-EP uit 1981, waarvan enkel Ever So Lonely op dit album terug is te vinden, beslaan de overige drie nummers nog overwegend de Westerse pop-kant van de band. Op Third Eye is de muzikale visie en fusie gelukkig een stuk meer uitgesproken. Zo draait de cover van Tomorrow Never Knows de culturele appropriation handig om en maakt Monsoon er overtuigend een eigen rustgevende en ietwat lome ervaring van. Waar het origineel een beetje als een psychedelische trip voelt, voelt deze adaptatie meer als een stoned-in-het-gras-versie. Relax and float downstream klonk zelden toepasselijker. Muzikaal gezien is het origineel wel wat uitdagender, maar Chandra is een betere en interessantere vocalist dan Lennon. De zanglijnen die Chandra even later op Third Eye and Tikka T.V. (één van de hoogtepunten op het album) over de luisteraar uitstrooit - vooral na een seconde of 50 - klinken dan weer meer als die van Elizabeth Fraser, terwijl andere passages van het nummer me gek genoeg doen denken aan het werk van The Magnetic Fields uit hun beginperiode. Het zal een vergelijkbaar gevoel voor a-typische en toch catchy popliedjes zijn. Qua zanglijnen klinkt de eerste minuut van Eyes daarna echter gewoon als een alternatieve take van Tomorrow Never Knows, maar gelukkig gaat het nummer daarna wel een andere kant op. Ever So Lonely - in 1981 al op single verschenen - vormt het middelpunt van de plaat en is de meest succesvolle fusie van New Wave met Indiase instrumentatie. Voortgedreven door tabla & sitar zweven Chandra's vocalen ongrijpbaar over de luisteraar heen, tot er na 4 minuten een mond-harp mee komt jammen en het nummer daar enkel dansbaarder van wordt. Heerlijke track, met andere woorden.

De 2e helft van het album gaat verder volgens hetzelfde stramien, met vrij weinig variatie tussen de verschillende nummers. Dat is enerzijds jammer, maar het voordeel is wel dat de plaat behoorlijk consistent aanvoelt en nergens inkakt. Het volledig instrumentale Kashmir is de welkome uitzondering op deze regel. De Engelse lyrics zijn over de gehele linie helaas wel vrij matig en het is dan ook jammer dat de Hindi versies van Ever so Lonely en opener Wings of the Dawn (Prem Kavita) het album niet hebben gehaald in plaats van de Engelstalige variaties. Een logische keuze vanuit marketing-perspectief, een jammere vanuit elk ander perspectief.

Maar dat doet verder weinig af aan de magie van dit album. Chandra heeft mij in ieder geval voor zich gewonnen en ik ga ook zeker nog enkele solo-albums van haar checken. Nada Brahma lijkt me een goede eerste stop, maar haar 90's, drony werk lijkt me ook behoorlijk interessant. Third Eye is alvast een fraaie introductie. Het is een bijzondere pop-plaat met een eigen klankkleur, die net iets te gepolijst en eenvormig is om echt een diepe indruk achter te laten.

Novos Baianos - Acabou Chorare (1972)

poster
4,5
Tegen de achtergrond van de militaire dictatuur werd veel Braziliaanse muziek in de late jaren '60 kritischer en experimenteler dan ooit. Terwijl artiesten als Gal Costa en Tom Zé traditionele structuren afbreken en Caetano Veloso de ene na de andere satirische lyrics op zijn landgenoten afvuurt, besluit een grote groep bevriende muzikanten uit Bahia het eind jaren '60 radicaal anders aan te pakken: de traditionele samba en bossa nova worden afgestoft en juist weer met liefde omarmd. Niet dat de mensen achter Os Novos Baianos niet politiek geëngageerd waren, maar ze besloten dat er in muziek ook andere emoties door mochten schijnen dan die van frustratie, verdriet en kritiek. Een oprechte uiting van levenslust bijvoorbeeld. Of een gevoel van optimisme en jeugdige zorgeloosheid.

'Acabou Chorare' betekent 'No More Crying'. 1 van de ambities achter de plaat was om de melancholie en het verdriet van veel Braziliaanse muziek uit de jaren '60 om te zetten in een geluid waar meer ruimte is voor positiviteit en plezier. Het resultaat is een opgewekte, speelse plaat vol levensvreugde, zomerse klanken en prachtige melodieën. Grappig genoeg is het titelnummer uiteindelijk juist het meest melancholische nummer op de plaat. Een soort slaapliedje, troostend, om de pijn te verzachten, maar tegelijkertijd ook gekenmerkt door hoopvolle, optimistische klanken.

Alles komt samen op deze plaat. Van de traditionele samba-vibes op A Menina Dança tot de psychedelische rock-invloeden en de plotselinge forró-breaks op Tinindo Trincando. Swing de Campo Grande is dan weer een warme ode aan het Braziliaanse carnaval. Het totaalplaatje is een rijke plaat vol kleine, gepassioneerde liedjes en prachtige (samen)zang. Een fusie van pop, folk, samba en bossa nova. Met vleugjes Tropicália.

Acabou Chorare is overigens een aparte titel. 'Chorare' is geen correcte vervoeging van het werkwoord 'choro', Portugees voor 'huilen'. Ik vroeg een Braziliaanse vriendin naar het verhaal achter de titel van de plaat. Dit was haar antwoord:

Luiz Galvao was writing the text which would become Acabou Chorare, without a title in mind yet, about some bees that entered his apartment in the summer. He called João Gilberto to talk about the song and during the conversation, João told him a story about his daughter: when she was little, she accidentally hurt herself and he ran off to help her. But he didn't need to comfort her, she told him: "I'm okay dad, no more crying!" "Acabou chorare", which is a funny, childish way of saying 'no more crying', as an act of bravery. Moraes Moreira then wrote the melody to this story.

Os Tubarões - Pépé Lopi (1976)

Alternatieve titel: Musica de Cabo Verde

poster
4,0
In 1987 - toen was er van mij nog geen sprake - woonden mijn ouders in Rotterdam schuin boven Bar Cabo Verde, waar dag en nacht muziek uit de boxen danste. Het lijkt me vrij zeker dat ik in met enige regelmaat ben blootgesteld aan Kaapverdische muziek al voor ik deze wereld betrad.

Misschien is de mix tussen verschillende culturen nergens zo sterk als in Kaapverdië. De 10 oorspronkelijk onbewoonde, vulkanische eilanden werden in de 15e eeuw door Portugezen (en een Italiaan) ontdekt en lagen op een ideale plek om de slavenhandel te faciliëren. Het werd een stop-over plek tussen Europa, Afrika en Zuid-Amerika, rijk aan grondstoffen en enorm winstgevend voor Portugal in de daaropvolgende eeuwen. Onder invloed van een constante stroom aan mensen uit drie verschillende continenten ontstonden er verschillende handelssteden en lokale bevolkingen, verspreid over 9 v/d 10 eilanden, met eigen cultuur, eigen talen en dialecten, een eigen keuken en - niet geheel oninteressant voor deze site - eigen vormen van muziek. Tot de dag van vandaag staat de Kaapverdische bevolking bekend om hun muzikaliteit en de centrale rol die muziek in het dagelijks leven speelt.

Na de afschaffing van slavernij werden de eilanden minder interessant voor Europeanen en werd Kaapverdië 'vergeten' door de buitenwereld. De meeste Portugezen vertrokken, armoede en voedseltekorten troffen een groot deel van de lokale bevolking. Veel Kaapverdianen zochten in deze periode hun heil in het buitenland. Ze reisden af met de schepen die aankwamen in de handelshavens van plekken als Boston, Lissabon, en hier, in Rotterdam; steden waar de Kaapverdische gemeenschappen tegenwoordig enorm groot zijn (er wonen zo'n 15-20,000 Kaapverdianen in Rotterdam). Als ik hier de Binnenweg afloop richting Delfshaven zie ik meerdere Kaapverdische winkeltjes en restaurants (al dan niet gecombineerd met Portugese of Braziliaanse waar en vlaggen). Portugal was echter niet van plan 'hun' kolonie zo maar op te geven en Kaapverdië bleef lange tijd een overzeese provincie. En hoewel de onafhankelijkheidsstrijd langzaam op gang kwam, werd deze gehinderd door meerdere periodes van droogte, voedseltekort en natuurrampen die de eilanden troffen, waarbij vele mensen omkwamen en opnieuw veel mensen emigreerden op zoek naar meer geluk en werkgelegenheid elders. Als gevolg hiervan wonen er tegenwoordig meer Kaapverdianen buiten Kaapverdië dan in het land zelf. Onder hen bevinden zich uiteraard ook veel muzikanten. Als ik lokale bands zie optreden in kleine kroegjes en podia hier in Rotterdam speelt er regelmatig iemand met Kaapverdische roots mee.

In de Kaapverdische muziek zijn drie hoofdgenres te onderscheiden: Morna, Coladeira en Funaná.

Morna is enigszins vergelijkbaar met de Portugese Fado - gezongen in eenzelfde melancholische, dramatische stijl. In het Engels is er een mooi woord voor deze zangstijl: to lament. Morna klinkt misschien ook niet voor niets als to mourn. De Morna is doorgaans nog iets mistroostiger, aangezien er een zwaarder stuk koloniaal en door armoede geteisterd verleden meeweegt in de bezongen onderwerpen. De bekendste vertolkster van dit genre was Cesária Évora.

Funaná is de tegenpool van Morna. Over het ontstaan van de naam van het genre is enige onenigheid, maar het zou heel goed een samenvoeging kunnen zijn van 2 van de grootste lokale muzikanten van de 20ste eeuw, Funa (een Accordeon speler) en Naná (een Ferrinho speler). Daarmee hebben we ook gelijk de 2 meest kenmerkende instrumenten van deze muziekstijl te pakken. In deze uptempo muziek is niet alleen ruimte om de strijd voor vrijheid en onafhankelijk te behandelen, maar ook om het leven te vieren en de eindeloze mogelijkheden die ze biedt te bezingen. Deze stijl is een aantal jaar geleden kortstondig een klein beetje onder de aandacht gekomen met de release van Bitori's Legend of Funaná.

Coladeira tenslotte, is de moderne variant van de Colá (een traditionele muziek- en dansstijl) en ontstond in eerste instantie als een sneller gespeelde Morna, maar is in de loop der jaren veelvuldig beïnvloedt door de vele stijlen die via Zuid-Amerika (voornamelijk uit Brazilië, maar bijvoorbeeld ook uit Haïti) en andere Afrikaanse landen (met name Angola en Guinee-Bissau) de eilanden bereikten. Dit is de meest internationale en gemengde muziekstijl van de drie. Tekstueel wordt dit genre voornamelijk gekenmerkt door (al dan niet politieke) satire en sociale kritiek.

In 1975 werd Kaapverdië eindelijk onafhankelijk van Portugal. Nog geen jaar later scoorde Tavaras wereldwijd een grote hit met Heaven Must Be Missing an Angel. Deze groep bestond uit 5 broertjes, kinderen van Kaapverdische immigranten in Rhode Island. Wie weet was de onafhankelijkheid in het thuisland van hun ouders dé inspiratie die ze nodig hadden voor hun grootste hit. In datzelfde jaar bracht ook Os Tubarões aan de andere kant van de oceaan hun eerste album uit: Pépé Lopi. Op deze debuutplaat wordt in een combinatie van de drie eerder genoemde genres de net bereikte onafhankelijkheid gevierd en het verleden beklaagd. Het ontstaan en de verdere ontwikkeling van deze band loopt dan ook gelijk met de onafhankelijkheid en democratisering van het land in de jaren die zouden volgen. Iemand op RYM verwoordt het treffend: "Pépé lopi captures the conflicted mindset of all liberated people; hopeful for the future, but weighed down by the bitterness of history."

De eerste regels tekst van de plaat zetten meteen de toon: "Labanta braço, grita por liberdade", verkondigt frontman Ildo Lobo: "Raise your arms, shout for freedom". Dit nummer is in de loop van de jaren symbool geworden voor de onafhankelijkheid en is nog steeds regelmatig op speciale gelegenheden te horen, in verschillende uitvoeringen. Dit nummer, en enkele andere nummers van de band, zijn ook een ode aan dichter, vrijheidsstrijder en volksheld Amílcar Cabral, die helaas de onafhankelijkheid (en dus ook de release van deze plaat) niet meer mee heeft mogen maken.

En uiteraard is het album in het Creools gezongen, niet in het koloniale Portugees (wat ook vandaag nog steeds de officiële taal van Kaapverdië is).

Pole - 3 (2000)

poster
4,0
Recensie voor Super Tip-Topper

De Duitste electronic scene is er een die tot de verbeelding spreekt. Zeker in de '90s stikte het van de artiesten die vol drang zaten om nieuwe wegen te bewandelen en geluiden tot hun uiterste potentieel te rekken. Ik heb als puber nog een staartje meegekregen richting het einde van de jaren '00, toen mijn muzikale reis definitief begon en artiesten als Pantha du Prince en Efdemin op mijn pad kwamen, maar de definitieve prikkel om eens goed tussen al die 90s releases te deepdiven, ontbrak vooralsnog. Barney Rubble spotte dit feilloos tussen mijn stemmen en kwam met Pole aanzetten voor deze editie. Het bleek een schot in de roos.

Dub 'n Bass zou een mooie naam zijn voor de muziek op de eerste drie platen van Pole, het alias waaronder Stefan Betke sinds 1998 muziek uitbrengt. Al zal die benaming wellicht andere associaties oproepen dan de muziek die daadwerkelijk op dit schijfje te vinden is. Rondom deze twee hoofdelementen bouwt Betke echter een fascinerend luisterspel op zijn trilogie. Enkele ver in de mix weggedrukte voice-samples en een kapotte Waldorf 4-Pole sound filter maken het geluidspalet af. Het is alsof die verschillende elementen in een langzame, eindeloze dans met elkaar verstrikt zijn. Zo is Taxi 7 minuten lang behoorlijk minimaal en toch rete-interessant. Het knispert, het kraakt, het borrelt aan alle kanten en de hele compositie ademt, danst, en net wanneer alles even tot rust lijkt te komen, leeft het net zo snel weer op. De voice-samples op de achtergrond eisen af en toe de aandacht op, om vervolgens weer tussen de andere geluiden weg te zakken. Het resultaat voelt een beetje alsof je je ergens onder water begeeft, terwijl je nieuw, vreemd leven & hun natuurlijke symbiose observeert.

Het absolute hoogtepunt van de plaat is Karussell. Deze track bestaat uit vier elementen: een constant geknisper en gekraak, alsof we naar oud vinyl aan het luisteren zijn, de warme, dubby bass die constant meandert en ronddobbert, een aantal diep in de mix verstopte samples (hoor ik daar wat Japans voorbijkomen?) en een geluid wat nog het meest klinkt alsof iemand constant dingen heen en weer aan het schuiven is. Vooral dit laatste element, dit eindeloze geschuif (in mijn gedachte schuift iemand constant kisten over de bodem van de oceaan, verstrikt in een eeuwige puzzel) is zó fascinerend, dat ik de volle 400 seconden probeer te ontcijferen waar ik precies naar aan het luisteren ben. Als het geschuif af en toe ineens intensifieert, maar vervolgens direct weer tot rust komt, klinkt het alsof de persoon in kwestie even bang is om in tijdnood te komen, vooraleer te beseffen dat haast sowieso niet tot de juiste oplossing gaat leiden. Het resultaat is in elk geval dat ik volledig de track in wordt gezogen, keer op keer. Voor ik het weet is het nummer afgelopen en gaat de plaat verder terwijl ik nog steeds probeer te achterhalen op welke zeebodem ik me daarnet heb begeven. Niets dan lof voor Betke voor dit ingenieuze spel van geluiden.

Ik kan alle nummers wel los proberen te beschrijven (keer op keer worden er kleine, verrassende, nieuwe elementen toegevoegd aan het geluidspalet), maar het album vormt - meer nog dan deel 1 & 2 - vooral een geheel. 3 is een warme, gevoelige en zelfs helende trip waar wat mij betreft nooit een einde aan hoeft te komen. Dit zou ik zo live, ergens in een club, willen horen. Een uur lang deze minimale variaties, de diepe, zalvende bassen en het intrigerende geknisper, en ik met m'n stonede hoofd - ogen dicht - de nacht wegdromend en -dansend. Maar, nu dat niet kan, werkt het ook behoorlijk goed als een warme deken om 's avonds in weg te duiken, om na een uur loom je ogen weer te openen en te beseffen dat er eigenlijk nog werk op je ligt te wachten.

Deze plaat is het overigens waard om op vinyl te halen: "with every year the disk (the vinyl variety, not the CD) ages, the real scratches and cracks increase in number. Just like a good wine, Pole vinyl gets more valuable with age." Muziek als levend organisme dus, net als de muziek van The Future Eve die ik de vorige keer op mijn recensie-bordje kreeg. Mocht je deze plaat ooit in een tweedehands zaak tegenkomen, twijfel niet om 'm mee te nemen. En bevalt de muziek niet, dan neem ik de LP met liefde van je over.

3 is wat mij betreft het hoogtepunt van bijzonder geslaagde, eigenzinnige trilogie. Eentje voor de nachtelijke uurtjes, op de koptelefoon. Muziek om je in onder te dompelen, over je heen te laten komen en om de wereld om je heen te vergeten. Ik voel me telkens een beetje herboren als die trip na een klein uurtje weer is afgelopen.

Shiina Ringo - Karuki Zamen Kuri No Hana (2003)

Alternatieve titel: Kalk Samen Chestnut Flower

poster
4,5
Goh, Shiina Ringo. Ze kwam op mijn radar ergens in 2006 gok ik - deels dankzij de lofzang van Sven hierboven - maar zoals wel vaker het geval: er was te veel andere muziek om te beluisteren en de aandacht die haar oeuvre ongetwijfeld verdiende, heb ik er uiteindelijk nooit aan gegeven. Terwijl de singles die ik door je jaren heen her en der heb gehoord toch stuk voor stuk behoorlijk tof waren. Gelukkig kan ik deze omissie in 2021 eindelijk recht te zetten. Dank voor het duwtje, hoi123, en mijn welgemeende excuses aan Shiina dat ze zo lang op haar beurt heeft moeten wachten.

Op haar debuut 無罪モラトリアム (1999) kondigt Shiina zichzelf meteen aan als veelzijdige artiest; een muzikale duizendpoot die rock, noise en (J-)pop in de blender gooit en het resultaat vervolgens van een eigen smoel voorziet. Op opvolger 勝訴ストリップ (2000) omarmt ze de noise nog meer en lijkt ze definitief haar eigen pad te vinden. Maar waar die eerste platen nog een klein beetje vast zitten in een rock-keurslijf, zijn daar 4 jaar later op 加爾基 精液 栗ノ花 eigenlijk enkel wat gitaren van overgebleven. Voor de rest is dit toch echt een volle pop-plaat. Inclusief de bijna verplichte - maar hier gelukkig volkomen originele en eigenzinnige - piano-ballad.

Opener 宗教 is elke keer even inkomen. De eerste 3 minuten leunen, ondanks het bescheiden bakje noise, nog iets te dicht tegen de gemiddelde anime-soundtrack-J-pop aan. Als het nummer na 3 minuten echter langzaam begint af te brokkelen tot er bijna niks anders overblijft dan Shiina's stem en een soort vastgelopen beat, weet je dat er een bijzondere plaat aan zit te komen. En vanaf de eerste tonen die de inleiding vormen tot de eigenzinnige, bouncy J-pop waar ドツペルゲンガー bol van staat, is het eigenlijk instant liefde tussen mij en dit album. Na 56 seconden kan dit nummer niets anders dan helemaal uit zijn voegen barsten en alle duizend kleuren pop, die tevergeefs in bedwang werden gehouden, onherroepelijk over de luisteraar heen storten. Kyary Pamyu Pamyu heeft vast goed opgelet als tiener.

Het daaropvolgende 迷彩 voegt vervolgens een jazzy contrabass, een stoïcijnse didgeridoo, wat loslopende drums en een ontspoorde viool aan de mix toe, terwijl Shiina zich als een ware chanteuse naar de voorgrond van dit alles komt slingeren. Uiteindelijk komt een opgestoken aansteker een einde maken aan dit feestje, even snel een sigaret roken voor we verder gaan. En hoewel de schurende, piepende gitaar die na 1 minuut おだいじに binnenvalt klinkt alsof er dan toch weer een stevig rock-nummer ingezet gaat worden, trekt Shiina zich daar gewoon helemaal niks van aan en blijft ze onverstoorbaar haar ballad spelen. Op de achtergrond blijven er tegelijkertijd samples (die klinken alsof ze van de maanlanding afkomstig zijn?) om de aandacht van de luisteraar vragen. Het is een heerlijk tegendraadse combinatie die het nummer een unieke spanning geeft en voor de volle duur interessant houdt.

Dit gaat vervolgens net zo makkelijk over in de intro van やっつけ仕事, waar het geluid van een televisie en een stofzuiger de luisteraar bezighouden, voordat de opgeruimde chaos uiteindelijk plaatsmaakt voor een ware Disney-banger die klinkt alsof Akiko Yano en Van Dyke Parks samen de studio in zijn gedoken. Wie beweert stil te kunnen zitten of een glimlach te kunnen onderdrukken bij dit nummer, geloof ik voortaan nooit meer. Het onheilspellende 茎 was de enige track van dit album die ik al kende. Hier vormen een melancholische bass, doorleefde zang en een duister orkest een fascinerend en mysterieus klankspel. Alsof we ineens in een film-noir zijn beland die langzaam richting climax gaat. Het refrein is dan juist weer van een onverwachte schoonheid. Shiina blijkt een meesteres in het uitspelen van contrasten.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. 意識 lijkt even te beginnen als een Stereolab-compositie, maar na 15 seconden besluit Shiina dat ze toch een andere kant op wil. Ze neemt heel even een stapje terug om zich vervolgens, voortgedreven door onder meer bass, didgeridoo, drums en een Japanse dwarsfluit, naar wellicht het meest swingende en zwoele refrein van de plaat te wervelen, waarin ze haar innerlijke chanteuse weer volledig de vrije loop kan geven. Met ポルターガイスト krijgen we vervolgens nog even een hypnotiserende draaiorgel-trip (oké, oké, het is eigenlijk een mellotron) waarvan de melodie in de verte zelfs aan My Favourite Things doet denken. De spitsvondigheid van deze plaat is ongeëvenaard en ik ken weinig popplaten die zo volgepropt staan met creatieve liedjes vol inventieve wendingen.

Het moge duidelijk zijn, deze plaat bevat eigenlijk alles wat ik leuk vind aan pop-muziek. 加爾基 精液 栗ノ花 is speels, eigenwijs, plagerig, met hier en daar een ruw randje en met composities die constant verrassen en verwonderen. Er staan een paar uitschieters op waarvan ik nu al weet dat ze nog heel vaak langs gaan komen en wellicht (hoogstwaarschijnlijk) tot persoonlijke favorieten zullen uitgroeien. Shiina's stem gaat bovendien van manisch naar zwoel en van intiem naar speels, zonder dat het haar enige moeite lijkt te kosten. Ze speelt met taal, met de composities en met de luisteraar.

Met 44 minuten en 44 seconden heeft de plaat tenslotte ook nog eens de ideale lengte voor een pop-plaat. Ik hoopte al dat Shiina in mijn straatje zou liggen, maar bij deze is dat meer dan bevestigd.

SoKo - Not Sokute (2007)

poster
3,5
Leukste verrassing op Crossing Border afgelopen week was dit Franse duo. Aanstekelijke liedjes, superschattige teksten, cute zangeresje in een tof jurkje met een Frans accent, wat vrolijke dansjes erbij en ik ben gewonnen. Op plaat is het misschien iets minder aanstekelijk, maar nog steeds erg cute allemaal.

Erg lief. 3,5*

Squirrel Nut Zippers - Hot (1996)

poster
3,0
Misschien leuk voor de Andrew Bird liefhebbers die ook wat met z'n eerste 2 Bowl of Fire albums konden. Voordat Bird ambitieus genoeg was om z'n eigen weg in te slaan, speelde hij viool bij deze swing/gyspy jazz band.

Z'n rol is vrij beperkt en zingen doet hij ook nog niet, maar het is in ieder geval duidelijk te horen waar de sound van de eerste 2 Bowl of Fire albums vandaan komt. Leuk om een keertje te horen. 3*

The Boy Least Likely To - The Best Party Ever (2005)

poster
4,0
Soms heb je van die momenten dat je best wel weer een klein kind zou willen zijn: je nergens zorgen om maken, alle tijd van de wereld voor jezelf, helemaal niks moeten, fantaseren hoe de regendruppels op het raam een race houden tegen elkaar... Gelukkig bestaan ook hiervoor dingen als film en muziek. Jammer genoeg snappen de meeste volwassenen er geen ruk van, wat elke keer resulteert in de meest vreselijke gedrochten. Maar met een beetje geluk ontstaat er heel af en toe iets waar het allemaal wel lukt, en The Best Party Ever is in die categorie misschien wel het beste wat ik tot nu toe ben tegengekomen

Het album klinkt eigenlijk precies zoals de hoes doet vermoeden; schattig, speels, vrolijk, kleurrijk en lief. Naast het gebruik van glockenspiel, het bekende handgeklap, synths en banjo, onderscheidt The Boy Least Likely To zich vooral door de erg geslaagde teksten - vanuit een kinderlijk perspectief - over monsters, opgroeien, bang zijn voor spinnen en het drinken van 'warme panda cola' in de zon.

Opener Be Gentle with Me is een van de beste nummers en zet meteen de toon voor de rest van het album, het nummer begint met een schattig glockenspiel en bevat een paar van de leukste stukjes tekst op het album. In Monsters zit de stad vol met monsters (-> volwassenen), maar ook de vriendjes van school veranderen langzaam allemaal in monsters. Ze zitten op bankjes in het park, maken trouwplannen, willen baby's, en vinden allemaal dat de ik-persoon net zo moet worden.

Op de rest van het album worden allerlei andere 'kinderproblemen' op een erg schattige manier behandeld. Van hoe lastig het is om dingen los te moeten laten tot hoe eng het is om op te groeien, en van het oprichten van je eigen Country-Disco band ("we never did get famous, but it made us kinda happy and it kept me off the drugs.") tot hoe moeilijk het is om vriendjes te zijn met "something that eats butterflies".

Maar ondanks dat is het album vooral erg vrolijk. Enige minpuntje vind ik Sleeping with a Gun Under My Pillow. De melodie en de constante herhaling zijn een beetje vervelend. Verder weinig op aan te merken.

4*

The Future Eve featuring Robert Wyatt - KiTsuNe / Brian the Fox (2019)

poster
3,5
Er zijn van die platen die alleen al de moeite waard zijn voor het verhaal dat er achter schuil gaat. KiTsuNe / Brian the Fox kwam vorig jaar uit, maar er gaat ruim 20 jaar correspondentie aan vooraf.

The Future Eve is de samenwerking tussen multi-instrumentalist Tomoyasu Hayakawa en sound-engineer Takaaki Hanya. De heren ontmoeten elkaar in de jaren '80 en richten samen de band Beata Beatrix op. Tomoyasu Hayakawa heeft dan al enkele singles en een album op de wereld losgelaten onder zijn alias Tomo Akikawabaya. Hij heeft zijn eigen labeltje: Castle Records, waarop hij in 1983 debuteert met Mars. Het is enigszins vreemde, minimale, duistere, matig gezongen, lo-fi synth-pop. Een beetje de John Maus van de 80s. Al zijn releases werden gesierd door een foto van Anju - een Japans model, op dat moment bekend van haar eerdere samenwerking met Yellow Magic Orchestra - op de cover. Maar vrouwelijk schoon is niet altijd een garantie tot succes. De muziek staat te ver verwijderd van de geluiden die wel populair zijn in Japan rond die tijd: City Pop. Van Hayakawa zelf zijn er dan 0 foto's te vinden. Niemand weet hoe hij eruit ziet, en dat is niet veranderd in de afgelopen 37 jaar.

Maar we kunnen ook rustig nog een paar jaar verder terug in de tijd. In de jaren ‘70 is Hayakawa uitwisselingsstudent in Engeland en speelt hij een periode als gitarist bij de punk-band The Desperate Bicycles. "[...] so suddenly I was in the band. And I made some waves by introducing improvisation… in a new wave / punk band! Other members played only basic chords, and there I was. They were quite surprised having a guitar player like me." zegt hij daarover. Improv-punk dus. De samenwerking beviel wel; ze traden veel op en zouden een plaat opnemen met hem in de line-up. Visa-problemen zorgden er echter voor dat Hayakawa niet langer in London kon blijven en de band ging uiteindelijk zonder hem de geschiedenisboeken in. Eenmaal terug in Tokyo probeert hij nog kort een solo-carrière als improvisatie-gitarist uit, maar hij merkt al snel dat hij daar niet gelukkig van wordt. De synth-hype en de studio liggen hem echter wel en zullen al snel zijn nieuwe habitat worden. In 1 van die studio's (Bea Pot Studio) ontmoet hij vervolgens Hanya. Er is een klik, en vanaf dat moment werken de heren samen.

Fast-fordward naar de '90s: Hayakawa & Hanya zijn beiden fan van Robert Wyatt en ze besluiten hem wat van hun nummers toe te sturen. Waarom ook niet. Niet veel later stuurt Robert Wyatt 4 alternatieve takes terug, gezamenlijk genaamd "Brian the Fox". H&H voegen vervolgens wat viool en gitaar toe en creëren nog meer versies. Er ontstaat een back-and-forth met Wyatt waarin eindeloze verschillende versies ontstaan. 1 van deze variaties belandde in 2003 op Wyatt's album Cuckooland. Wyatt vernoemt die versie van het nummer naar Hayakawa: Tom Hay's Fox. Hij vertelt de mannen in eerste instantie helemaal niks, maar stuurt gewoon een exemplaar van het album naar ze op. Ruim 20 jaar lang loopt dit contact inmiddels, allemaal via handgeschreven brieven en fysieke media. Wyatt stuurt bovendien elke keer tekeningen mee met zijn brieven. Kleine kunstwerkjes, zegt Hayakawa.

Weer een sprong in de tijd, naar de jaren '10. Hayakawa is zijn 80's-werk onder zijn Tomo Akikawabaya-alias dan eigenlijk al lang weer vergeten. Niemand gaf immers iets om die singletjes destijds. Tot er op een dag een kort mailtje uit Zweden komt: "Your music is great." Hayakawa is eerst verrast, maar een korte online zoektocht later komt hij erachter dat zijn oude singles inmiddels een kleine cult-status hebben vergaard op diverse plekken op het internet. Niet veel later volgen er ook mailtjes van labels, of het niet tijd wordt voor een re-issue? In 2016 verschijnt vervolgens deze verzamelaar van zijn jaren '80 werk, opnieuw met een foto van Anju als cover, uitgebracht op het Minimal Wave label.

"We had attempted to reach him for many years without any luck. Finally at some point in 2014, a conversation was struck and one thing lead to the next." valt er op hun website te lezen. En "The songs that span this double LP are personal and unique; they are dark synthpop gems. The artist still remains a mystery, as does his relationship to the model Rena Anju featured on this and all but one of his album covers". Dankzij de hernieuwde interesse in zijn muziek kreeg Hayakawa zelf ook een hernieuwde interesse in moderne electronica. Zo is hij onder meer liefhebber van Andy Stott.

Tot zover dit verhaal. We zijn hier immers niet voor zijn oude solo-werk, maar bij deze plaat met Robert Wyatt. Uit de eindeloze correspondentie ontstond uiteindelijk een soort organische, in theorie eeuwig-durende, duistere ambient die zich in verschillende bochten om Wyatt's stem heen morpht. Het idee achter deze plaat was een zoektocht naar muziek als een soort zelfstandige levensvorm, een onafhankelijk organisme. Je kan elk moment van de plaat pakken, er naar luisteren, en je dan inbeelden hoe dit verder zou groeien, veranderen, evolueren door de tijd. Helaas is er nog geen manier om muziek echt een eigen 'leven' te laten leiden, zonder dat we weten wanneer het eindigt. Bovendien was het sowieso te duur om diepere research serieus te overwegen. We zullen de beperkingen van het medium (voorlopig) dus voor lief moeten nemen.

Het resultaat is wel fraai. Eigenlijk luister je naar één lange trip, zonder hoogte- of dieptepunten. Het merendeel van deze luistertrip ervaar ik alsof ik me onder water bevind. Terwijl ik langzaam dieper wegzink, probeer ik de verschillende geluiden en lichtvormen die mij langzaam vanaf het wateroppervlak bereiken te onderscheiden. Om me heen hoor ik de stemmen van communicerende walvissen en andere zee-creaturen. Om de zo veel tijd rijst Wyatt’s stem onverwacht uit de diepte op, om me vervolgens langzaam te passeren en uit het water te verdwijnen, mij als luisteraar enigszins verdwaasd achterlatend. Het heeft iets ongrijpbaars, maar het is van een bijzondere schoonheid.

Toch ben ik niet extreem enthousiast. Een uur is lang. Als achtergrond bij het lezen of schrijven werkt het erg goed, maar als actieve luistermuziek ben ik wat minder overtuigd. Ik merk dat ik soms na een minuut of 40 zin krijg in iets anders. Eigenlijk denk ik dat dit project beter zou werken als installatie, met mysterieuze visuals, ergens in een donkere kamer. Ik zie mezelf zo een uur zitten, verwonderd om me heen kijken, af en toe mijn ogen dichtdoen, wegdromen, zweven. Thuis achter mijn laptop gaat dat iets moeilijker.

Maar het is wel heel mooi. En bijzonder.

The Microphones - Microphones in 2020 (2020)

poster
4,0
Goh. Ik zit momenteel 37 minuten in deze plaat en ik voel de drang om hier een berichtje te plaatsen.

Ik heb deze release vanavond voor het eerst beluisterd, aandachtig, met een biertje en de tekst erbij. Ik was eigenlijk best wel sceptisch over dit album, veel werk dat onder Mount Eerie is uitgebracht de afgelopen 10 jaar is ook langs mij heen gegaan, maar ik werd toch behoorlijk emotioneel van deze ervaring.

Phil mag dan zo'n 10 jaar ouder zijn dan ik, zijn mijmeringen hier zijn niet alleen ontzettend persoonlijk, maar ook ontzettend herkenbaar en invoelbaar. Ze raken bij mij in ieder geval een bijzondere, gevoelige snaar, zoals maar weinig muziek dat kan. Ik voel me tegelijkertijd 32 en 20 terwijl ik naar dit album luister: aan de ene kant stevig verankerd in het heden, in dit rare 2020 - sowieso het meest vreemde jaar uit mijn leven - gevuld met rouw, nieuwe liefde, extreme focus en zowel gemiste als nieuwe kansen, en aan de andere kant terugblikkend op een jongere versie van mezelf, op de Koen die in 2008 naar concerten ging van 'indie' acts zoals Microphones (Stereolab, Song: Ohia, Deerhoof, Six Organs of Admittance, etc.). Onzeker over zichzelf, zijn toekomst, maar altijd troost, hoop, en liefde vindend in muziek.

Een vreemde en emotionele ervaring dus. Deze plaat geeft ook meteen een hele nieuwe lading aan The Glow, Pt. 2 en ik krijg nu direct zin om die weer op te zetten en daar weer even helemaal in te verdrinken, zoals een jongere versie van mij dat, ooit, ergens tussen 2006 en 2008, veelvuldig heeft gedaan. Dat ga ik zo dan ook doen.

Phil, nog bedankt. Voor alles.

Uncle Tupelo - Anodyne (1993)

poster
2,0
Recensie voor Super Tip-Topper.

Johnny Marr is een waaghals. Waar andere users me iets tippen wat op het eerste gezicht behoorlijk binnen mijn straatje, interessegebied of comfortzone valt, komt Uncle Johnny met Anodyne op de proppen. Je had me ook gewoon dikke hip-hop of bijzondere metal kunnen tippen. Maar ik waardeer je lef - Grouper was immers ook een gok.

Uncle Tupelo is de band waar Wilco en Son Volt uit voort komen. Na enige onenigheid besloten beide frontmannen hun eigen weg te gaan. 2 stuurmannen op 1 schip is wel vaker iets te veel van het goede. Son Volt ken ik verder niet, maar Wilco heb ik niet heel hoog zitten. Ik vind de muziek te generiek en Tweedy’s zang is niet zo mijn ding. De muziek van Uncle Tupelo valt echter onder Alt-Country, dus ik had goede hoop op iets eigenzinnigers. En dat klopt ook wel. Deels.

De plaat begint goed. Het eerste nummer opent met een fraaie fiddle/gitaar combinatie. Nou is de viool wel een instrument waar ik een groot zwak voor heb, dus dat is altijd lekker. Vanaf het moment dat Farrar begint te zingen, weet ik echter al dat dit een lastige plaat gaat worden voor mij. Maar dit 1e nummer is verder wel behoorlijk fraai, met een erg mooi samenzang-momentje zelfs: working the halls of shame. De 2e track begint zelfs nog beter; fiddle en mandoline! Maar als Jeff hier begint te zingen is de magie snel verdwenen. Zijn stem klinkt heel dof op dit nummer, een beetje verstopt in de mix? Ik vind het een vreemde keuze, alsof het er later aan is toegevoegd. Jammer, want muzikaal vind ik dit nummer zeker sterk. Hier had wel een klein pareltje ingezeten met een andere producer achter de knoppen.

Daarna maakt de plaat een soort 180 graden kanteling en krijgen we met The Long Cut een straight-forward 90s-rocker. Aardig nummer, maar niet echt bijzonder. Give Back the Key to My Heart is dan weer een soort country-ballad. De zang klinkt hier ook behoorlijk dof, en ik mis elke vorm van connectie tussen zang en muziek, ze lijken compleet los te staan van elkaar. Tekstueel is dit ook het minste nummer op de plaat. De tekst gaat van klef naar onsubtiel uitleggerig. Een stukje als dit bijvoorbeeld:

Well, you've got a friend named cocaine
And to me, he is to blame


…. oké, het rijmt, maar was die 2e zin nou echt nog nodig na de 1e? Om je punt er in te wrijven ofzo?

Anodyne gaat vervolgens verder met Chickamauga, weer een aardige, wat onopvallende straight-forward rocker. Daarna horen we ineens een banjo op New Madrid. Lekker! Dat houdt de plaat wel afwisselend. Ook tekstueel vind ik dit nummer beter dan de eerdere nummers, met fijne story-telling. De zang stoort me wel weer een beetje, zowel de stemmen van Farrar als Tweedy. Het klinkt mij allemaal wat ongepassioneerd in de oren.

De 2e helft van het album verschuiven de Americana invloeden helaas wat meer naar achtergrond. Met vijf nummers op rij zonder banjo, fiddle of mandolin verslapt mijn aandacht toch wel heel erg. En zo'n High Water klinkt gewoon als een opgewarmd '70s-country-nummer dat nog op Willie Nelson zijn plank lag te verstoffen. Bij de 3e en 4e luisterbeurt bevalt de eerste helft van de plaat me iets beter. Er is wat gewenning aan de sound, zang en het totaalplaatje opgetreden. Zodra de variatie tussen straight-forward rockers en fiddle/banjo-based nummers wegvalt, verlies ik echter steevast mijn aandacht en interesse, en de 2e helft van de plaat gaat me elke luisterbeurt meer tegenstaan.

Een onevenwichtig album dus. Instrumentaal nog wel een krappe voldoende, maar qua vocals/lyrics/eigenzinnigheid een onvoldoende. Ik hoor niet de passie van een 16 Horsepower, de intensiteit of ongebruikelijke songstructuren van de eerste 2 platen van Phosphorescent, of de fraaie arrangementen van een Gene Clark. Na mijn eerste luisterbeurt zat ik nog op een kleine voldoende, maar elke luisterbeurt gaat de score hier een klein beetje verder omlaag.

Op RYM vond ik nog deze mini-review die de plaat samenvat:

Anodyne means "not likely to cause offence or disagreement and somewhat dull", so congratulations, Uncle Tupelo, your album's title is also its one-word review.

Ófwel betere zang, ófwel meer eigenzinnige songstructuren hadden Anodyne kunnen redden voor me, maar het gebrek aan beiden doet de plaat uiteindelijk de das om. Ik vond het op zich wel leuk om de plaat en de band een keer gehoord te hebben, maar dit ga ik niet vaak meer draaien. Enkel Acuff-Rose en New Madrid zal ik nog wel eens opzetten.

Yapoos - Yapoos Keikaku (1987)

Alternatieve titel: ヤプーズ計画

poster
4,0
Jun Togawa (戸川純) is één van de meest fascinerende figuren uit de Japanse underground van de '80s. Na een korte carrière als actrice begon ze begin jaren '80 aan het bouwen van een bijzonder oeuvre dat van donker & grotesk (Tamahime-Sama), naar intiem & gevoelig, naar absurd & cabaretesque (Guernica), naar speels & verleidelijk springt, altijd gekenmerkt door haar quirky en bij momenten zeer intense voordracht, evenals een duister gevoel voor humor. Ze is een voorloper van latere artiesten zoals Shiina Ringo, en lijkt geïnspireerd door eigenzinnige vrouwen die haar voor gingen zoals Akiko Yano. De invloed van die laatste (en ook van traditionele Japanse muziek) komt op deze plaat vooral naar voren op een nummer als 労働慰安唱歌. Bovendien is ze verantwoordelijk voor een van de tofste covers voor een single ooit. Deze cassette. ❤️

In 1987 is ze een gevestigde naam. Haar muziek en stijl zijn te eigenzinnig om écht mainstream succes te boeken, maar ze heeft inmiddels een behoorlijk sterke solo-carrière, samengewerkt met toonaangevende muzikanten zoals Hosono Haruomi en een trouwe schare fans opgebouwd. Haar verschillende optredens op de Japanse televisie, gekleed in eigenzinnige en soms extravagante outfits, trekken bovendien de aandacht. Ook maakt ze deel uit van een van de meest eigenzinnige en toonaangevende bands binnen de Japanse New Wave: Synth Pop band Guernica, wiens stijl zich laat omschrijven als een cabaretesque, communistische pastiche op oorlogsmuziek. De cover-art is wat dat betreft alleszeggend.

Dit alles stelt haar in staat om een hele waslijst aan muzikanten bij elkaar te brengen voor de opnames van ヤプーズ計画. Deze muzikanten brengen invloeden mee uit allerlei genres die de 80s interessant maakten: Synth Pop, Zolo, Post-Punk, City Pop en Video Game muziek. Het is Togawa's meest commerciële en toegankelijke project; een wervelende, geïnspireerde, even poppy als punky New Wave plaat, met Togawa's unieke en onnavolgbare persoonlijkheid voorop. En - net zoals al haar andere werk - het is verdomde catchy.

De plaat staat vol met futuristische new-wave/post-(cyber)-punk liedjes, met teksten over robotspionnen die mannen verleiden met seks en machinale lolita's die met existentiële vraagstukken kampen. Op opener バーバラ・セクサロイド [Sexaroid Barbara] zingt ze verleidelijk en dreigend Ik ben een machine zonder mensenrechten / Een 8ste generatie sex-droid / Ik heb je data gedownload / Ik bezit niet wat jullie 'trots' noemen, maar vanavond zal ik je iets belangrijkers leren / Mijn code-naam is Barbara en even later besluit ze Dit is een pessimistisch verhaal, maar ik ben een optimist - ik zie haar al grijnzen.

Op prijsnummer 肉屋のように [Like a Butcher] vraagt ze, in haar lage en meest lugubere zangstijl, of iemand haar niet tegen kan houden voor ze haar lover met huid en haar gaat verslinden. Ze heeft de kettingzaag en drilboor al klaar liggen.

Het zal wellicht niet ieders kopje thee zijn, maar ヤプーズ計画 is een heerlijk speelse, vooruitstrevende en gevarieerde plaat. Een van de vele hoogtepunten in een zeer consistente discografie.