Hier kun je zien welke berichten Martin Visser als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Ark - State of The Ark (2004)

3,5
0
geplaatst: 10 november 2005, 10:24 uur
Suikerspinnenrock
Lekker hoor, zo’n glamrockplaat uit Zweden. The Ark bestaat al sinds 1991, maar ik ken de band pas sinds een paar dagen. Op State of The Ark staan makkelijk in het gehoor liggende discorockliedjes. De liedjes zitten goed in elkaar, zijn lekker vet aangezet en vervelen niet snel. De band vergelijken met de Scissor Sisters is niet zo aardig, want deze jongens van The Ark timmeren al veel langer aan de weg. Maar ja, er is niets aan te doen: The Ark is een grote onbekende in Nederland, terwijl de Scissor Sisters in veel landen een klein hypje veroorzaakte. Ze stonden nota bene deze zomer op Live 8.
De muziek van beide bands lijkt op elkaar; beide maken ze een soort edelkitsch. Daarbij vind ik de Scissor Sisters vooral een zeer goed geslaagde grap en een geweldige imitator van artiesten als Elton John, Bee Gees en George Michael, terwijl The Ark op mij serieuzer overkomt. Blijft staan dat beide bands op vakkundige manier suikerspinnenpop maken. The Ark onderscheidt zich wel van Scissor Sisters met het gitaarwerk. Het is minder disco en meer rock.
Lekker hoor, zo’n glamrockplaat uit Zweden. The Ark bestaat al sinds 1991, maar ik ken de band pas sinds een paar dagen. Op State of The Ark staan makkelijk in het gehoor liggende discorockliedjes. De liedjes zitten goed in elkaar, zijn lekker vet aangezet en vervelen niet snel. De band vergelijken met de Scissor Sisters is niet zo aardig, want deze jongens van The Ark timmeren al veel langer aan de weg. Maar ja, er is niets aan te doen: The Ark is een grote onbekende in Nederland, terwijl de Scissor Sisters in veel landen een klein hypje veroorzaakte. Ze stonden nota bene deze zomer op Live 8.
De muziek van beide bands lijkt op elkaar; beide maken ze een soort edelkitsch. Daarbij vind ik de Scissor Sisters vooral een zeer goed geslaagde grap en een geweldige imitator van artiesten als Elton John, Bee Gees en George Michael, terwijl The Ark op mij serieuzer overkomt. Blijft staan dat beide bands op vakkundige manier suikerspinnenpop maken. The Ark onderscheidt zich wel van Scissor Sisters met het gitaarwerk. Het is minder disco en meer rock.
The Knife - Silent Shout (2006)

4,5
0
geplaatst: 6 april 2006, 19:50 uur
Origineel, authentiek en moedig
José González scoorde ermee, maar de oorsprong van het akoestische gitaarliedje Heartbeats ligt bij electronica-duo The Knife. Het blijft een vervreemdende ervaring om het origineel te horen dat op The Knife’s tweede plaat Deep cuts staat. Plots hoor je geen warme gitaarsnaren meer, maar veel hardere electronische begeleiding. Maar toch klinkt dan de bekende melodie en de bekende teksten.
Het Zweedse tweemanschap The Knife, bestaand uit broer en zus Olof en Karin Dreijer, heeft een derde plaat gemaakt, Silent shout, en die is ronduit fantastisch. Zo hoort het dus: vernieuwend, verrassend, vervreemdend, dan weer op het verkeerde been zettend, dan weer de luisteraar bij de lurven grijpend. En vooral: uitdagend.
Silent shout is niet te bevatten in een paar keer draaien. Deze plaat moet je langzaam ontdekken. Opener Silent shout doet vermoeden dat dit een Tiësto-achtige tranceplaat is, maar dat is slecht schijn. The Knife laat je alle kanten van je eigen gemoed zien. Op het ene moment wordt je meegesleept door goed klinkende ritmes en lekkere melodiën, het andere moment ben je volstrekt de draad kwijt vanwege de eigenzinnige wendingen in de muziek.
The Knife maakt donkere, bijna morbide muziek. Pitchfork omschrijft de plaat treffend als ‘haunted house’. De recensent gaat zelfs zo ver de plaat te vergelijken met Kid A van Radiohead. Silent shout is beurtelings duivels en liefelijk. Knap is dat The Knife maximaal effect bereikt zonder zich te verliezen in complexiteit en moeilijkdoenerij. De muziek is rechtdoorzee, helder, soms zelfs verrassend simpel.
In de muziek van The Knife hoor je allerlei andere muzikanten terug. Synthi-loopjes van Kraftwerk, de zang van Björk en Kate Bush, de ritmes van Röyksopp, de spookachtigheid van de IJslanders van Múm. Voor de duidelijkheid: The Knife is geen kopieerfabriek, deze referenties geven alleen aan waar de verschillende liedjes aan doen denken. Björk blijft als vergelijking het sterkst achter. Je zou kunnen zeggen dat The Knife verdergaat waar Björk is opgehouden. Ook zij combineerde melodieuse zang met electronica. The Knife gaat daar nog wat verder in. Dance en electonica is hier de basis, maar dat wordt wonderwel met gezongen coupletten en refreintjes gecombineerd.
Bijzonder is ook dat de plaat niet onpersoonlijk en afstandelijk is. The Knife raakt je in je ziel, grijpt je bij de strot. Olof Dreijer zegt daarover tegen online muziekblad KindaMuzik: ‘We hebben in het verleden veel moeite gehad om mensen ervan te overtuigen dat je niet met een gitaar aan het kampvuur over verloren liefdes hoeft te zingen om toch heel persoonlijke, ontroerende muziek te maken. Juist met uitgesproken personages en complexe synthesizers heb je de vrijheid om je volledig uit te drukken zoals je dat zelf wilt, zonder je in de vertelling te hoeven beperken tot een instrument of je eigen persoon.’
Silent shout is een onwaarschijnlijk creatieve, authentieke en moedige plaat. Natuurlijk zijn niet alle nummers meteen even mooi, daarvoor is de plaat te experimenteel. Maar na verloop van tijd overtuigt de plaat volkomen.
José González scoorde ermee, maar de oorsprong van het akoestische gitaarliedje Heartbeats ligt bij electronica-duo The Knife. Het blijft een vervreemdende ervaring om het origineel te horen dat op The Knife’s tweede plaat Deep cuts staat. Plots hoor je geen warme gitaarsnaren meer, maar veel hardere electronische begeleiding. Maar toch klinkt dan de bekende melodie en de bekende teksten.
Het Zweedse tweemanschap The Knife, bestaand uit broer en zus Olof en Karin Dreijer, heeft een derde plaat gemaakt, Silent shout, en die is ronduit fantastisch. Zo hoort het dus: vernieuwend, verrassend, vervreemdend, dan weer op het verkeerde been zettend, dan weer de luisteraar bij de lurven grijpend. En vooral: uitdagend.
Silent shout is niet te bevatten in een paar keer draaien. Deze plaat moet je langzaam ontdekken. Opener Silent shout doet vermoeden dat dit een Tiësto-achtige tranceplaat is, maar dat is slecht schijn. The Knife laat je alle kanten van je eigen gemoed zien. Op het ene moment wordt je meegesleept door goed klinkende ritmes en lekkere melodiën, het andere moment ben je volstrekt de draad kwijt vanwege de eigenzinnige wendingen in de muziek.
The Knife maakt donkere, bijna morbide muziek. Pitchfork omschrijft de plaat treffend als ‘haunted house’. De recensent gaat zelfs zo ver de plaat te vergelijken met Kid A van Radiohead. Silent shout is beurtelings duivels en liefelijk. Knap is dat The Knife maximaal effect bereikt zonder zich te verliezen in complexiteit en moeilijkdoenerij. De muziek is rechtdoorzee, helder, soms zelfs verrassend simpel.
In de muziek van The Knife hoor je allerlei andere muzikanten terug. Synthi-loopjes van Kraftwerk, de zang van Björk en Kate Bush, de ritmes van Röyksopp, de spookachtigheid van de IJslanders van Múm. Voor de duidelijkheid: The Knife is geen kopieerfabriek, deze referenties geven alleen aan waar de verschillende liedjes aan doen denken. Björk blijft als vergelijking het sterkst achter. Je zou kunnen zeggen dat The Knife verdergaat waar Björk is opgehouden. Ook zij combineerde melodieuse zang met electronica. The Knife gaat daar nog wat verder in. Dance en electonica is hier de basis, maar dat wordt wonderwel met gezongen coupletten en refreintjes gecombineerd.
Bijzonder is ook dat de plaat niet onpersoonlijk en afstandelijk is. The Knife raakt je in je ziel, grijpt je bij de strot. Olof Dreijer zegt daarover tegen online muziekblad KindaMuzik: ‘We hebben in het verleden veel moeite gehad om mensen ervan te overtuigen dat je niet met een gitaar aan het kampvuur over verloren liefdes hoeft te zingen om toch heel persoonlijke, ontroerende muziek te maken. Juist met uitgesproken personages en complexe synthesizers heb je de vrijheid om je volledig uit te drukken zoals je dat zelf wilt, zonder je in de vertelling te hoeven beperken tot een instrument of je eigen persoon.’
Silent shout is een onwaarschijnlijk creatieve, authentieke en moedige plaat. Natuurlijk zijn niet alle nummers meteen even mooi, daarvoor is de plaat te experimenteel. Maar na verloop van tijd overtuigt de plaat volkomen.
The Mountain Goats - The Sunset Tree (2005)

4,5
2
geplaatst: 9 juni 2005, 23:07 uur
Gekwelde luisterpop
Het is een beetje suf om een band te ontdekken die al meer dan vierhonderd liedjes heeft gemaakt. Blijkbaar heb je dan niet goed opgelet. Dat overkwam me toen ik The sunset tree ontdekte. Als mij was verteld dat dit het debuut van The Mountain Goats is, had ik het direct geloofd. Maar The Mountain Goats (zie ook deze fansite, lelijk maar degelijk) blijkt al een megaproductie aan liedjes, platen en cassettes op zijn naam te hebben staan. Waarom heeft niemand mij ooit iets verteld van deze band?
Gelukkig is de ontdekking nu een feit. Mooie aanleiding om meteen ouder werk te gaan beluisteren. The Mountain Goats is eigenlijk een eenmansband van John Darnielle. Zijn teksten zijn Bob Dylan-achtig, in de zin ze vertellend zijn, hele verhalen met kop en staart. De muziek is echter minder monotoon dan die van Dylan en doet dan ook meer denken aan Elliott Smith. Ook John Darnielle maakt zeer melodieuze, maar ingetogen muziek. Met beide zangers deelt hij dat hij (in ieder geval op de plaat) persoonlijke en enigszins gekwelde liedjes maakt.
Op The sunset tree zingt Darnielle over zijn jeugd. Het zijn niet de prettigste verhalen, want zijn stiefvader met losse handjes en dronken buien speelt een prominente rol. Toch slaagt hij erin de liedjes niet zwaarmoedig te maken. Hij creëert daardoor een mooie spanning tussen de toon van de liedjes en de inhoud van de teksten. In recensies worden zijn liedjes bejubeld om de teksten (zoals ook in dit artikel in weekblad The New Yorker). Ik vind dat moeilijk te beoordelen. Je zou willen dat de teksten bij je binnenkwamen net zoals Engelstaligen ze horen, namelijk in hun moerstaal.
Ik vond de plaat van begin af aan fascinerend. Zijn afgeknepen stem intrigeert vanaf de eerste minuut en je hebt direct door dat deze man wat te vertellen heeft. Tegelijkertijd zijn de liedjes (veel akoestisch gitaar) prima toegankelijk en zelfs speels te noemen. Hoewel hij zich als band presenteert, is het hoorbaar een singer-songwriter-product. En ja, iemand die emotie en ziel en zaligheid in zijn kunstwerken legt, heeft al snel mijn warme aandacht. Dat wordt knokken met Antony & the Johnsons en Patrick Wolf om een mooi plekje in mijn top-3 van platen van dit jaar.
Het is een beetje suf om een band te ontdekken die al meer dan vierhonderd liedjes heeft gemaakt. Blijkbaar heb je dan niet goed opgelet. Dat overkwam me toen ik The sunset tree ontdekte. Als mij was verteld dat dit het debuut van The Mountain Goats is, had ik het direct geloofd. Maar The Mountain Goats (zie ook deze fansite, lelijk maar degelijk) blijkt al een megaproductie aan liedjes, platen en cassettes op zijn naam te hebben staan. Waarom heeft niemand mij ooit iets verteld van deze band?
Gelukkig is de ontdekking nu een feit. Mooie aanleiding om meteen ouder werk te gaan beluisteren. The Mountain Goats is eigenlijk een eenmansband van John Darnielle. Zijn teksten zijn Bob Dylan-achtig, in de zin ze vertellend zijn, hele verhalen met kop en staart. De muziek is echter minder monotoon dan die van Dylan en doet dan ook meer denken aan Elliott Smith. Ook John Darnielle maakt zeer melodieuze, maar ingetogen muziek. Met beide zangers deelt hij dat hij (in ieder geval op de plaat) persoonlijke en enigszins gekwelde liedjes maakt.
Op The sunset tree zingt Darnielle over zijn jeugd. Het zijn niet de prettigste verhalen, want zijn stiefvader met losse handjes en dronken buien speelt een prominente rol. Toch slaagt hij erin de liedjes niet zwaarmoedig te maken. Hij creëert daardoor een mooie spanning tussen de toon van de liedjes en de inhoud van de teksten. In recensies worden zijn liedjes bejubeld om de teksten (zoals ook in dit artikel in weekblad The New Yorker). Ik vind dat moeilijk te beoordelen. Je zou willen dat de teksten bij je binnenkwamen net zoals Engelstaligen ze horen, namelijk in hun moerstaal.
Ik vond de plaat van begin af aan fascinerend. Zijn afgeknepen stem intrigeert vanaf de eerste minuut en je hebt direct door dat deze man wat te vertellen heeft. Tegelijkertijd zijn de liedjes (veel akoestisch gitaar) prima toegankelijk en zelfs speels te noemen. Hoewel hij zich als band presenteert, is het hoorbaar een singer-songwriter-product. En ja, iemand die emotie en ziel en zaligheid in zijn kunstwerken legt, heeft al snel mijn warme aandacht. Dat wordt knokken met Antony & the Johnsons en Patrick Wolf om een mooi plekje in mijn top-3 van platen van dit jaar.
The Rakes - Capture / Release (2005)

4,0
0
geplaatst: 10 september 2005, 18:52 uur
Sombere Londenaren
Sommigen zijn al lang moe van al die nieuwe bandjes: Bloc Party, Kaiser Chiefs, Franz Ferdinand, The Bravery enzovoort enzovoort. Allemaal pittige gitaarbandjes die allemaal in de afgelopen anderhalf jaar hun debuut hebben uitgebracht. Met de komst van Capture/Release van de Londense band The Rakes kun je denken: alweer een? Maar in een poging de plaat toch op waarde te schatten en niet meteen als de zoveelste post-punkband aan de kant te schuiven, heb ik ook dit debuut meermaals beluisterd.
En hij is blijven hangen. The Rakes doen denken aan alle bovengenoemde bands. Vooral Bloc Party en soms ook The Strokes (alweer wat ouder) hoor ik terug in deze plaat. Daarmee is het niet meteen een goedkope rip off, want de bands zijn allemaal ongeveer gelijktijdig opgekomen. Alleen waren sommige platen nét even eerder en zijn sommige bands misschien ook slimmer in de markt gezet.
The Rakes maken energieke gitaarmuziek. De liedjes zijn ongecompliceerd in de zin dat er (op het gehoor althans) geen ingewikkelde capriolen worden uitgehaald. Het is recht toe recht aan, zonder virtuoze solo’s, ingenieuze akkoordenschema’s of innovatieve ritmes. De muziek is duidelijk beïnvloed door punk, maar is de meeste tijd wel melodieus.
Opvallend aan de liedjes is dat de teksten allen een zelfde sfeer uitstralen. En dat is geen sfeer om vrolijk van te worden. De meeste liedjes gaan over de zinloosheid en de doelloosheid van het dagelijkse leven. In The guilt zingt Alan Donohoe over de voortdurende herhaling in het leven van iemand die zonder zin zijn dagelijkse werk doet. Hij zoekt zijn plezier in voortdurend uitgaan en dronken worden. Maar dat plezier is nogal relatief:
” I just woke up
Everything was fucked
From the night before
I was beyond repair”
Retreat refereert ook aan een dergelijk zinloos bestaan en lijkt tekstueel hier erg op:
”I don't wanna miss out on anything
At the same time I feel the need to retreat
Everything is temporary these days
Might as well go out for a fifth night in a row”
In Open book heeft deze doelloosheid en verlorenheid tenminste nog een reden.
” I hope that you come back”
Maar de belabberde situatie is er niet minder om:
” Pick up a book, put down a book
Turn on the TV
It's 2 AM, there's nothing on
I just need something to focus on”
Meest opmerkelijke liedje is We are all animals waarin The Rakes hun visie op de mens behoorlijk direct verwoorden. Daarin wordt de mens als dier neergezet. Dat is biologisch gezien misschien niet zo opmerkelijk, maar als dat de basis vormt voor je mensbeeld en wereldbeeld dan is het niet zo eenvoudig om ook af en toe de zonnige kant van het leven te zien:
” We are the machines
Carrying on various genes
Then discarded
When the job is done
We are the disciples
Who have lost our way
Kicked from our pedestal
When Darwin burnt the book
Its hard enough to retain control
When our instincts are egging us on
With biologists and chemists
Reducing our souls
To four letters
When genes replace Genesis
We're like a masterpiece
Who's glimpsed the artist”
En als deze somberheid is dan wel weer verpakt in pakkende, energieke liedjes. Op een zodanig ongecompliceerde manier dat je bij The Rakes absoluut niet het gevoel hebt dat ze bewust aan een bepaalde muziekhype meedoen.
De plaat is te beluisteren op hun site.
Sommigen zijn al lang moe van al die nieuwe bandjes: Bloc Party, Kaiser Chiefs, Franz Ferdinand, The Bravery enzovoort enzovoort. Allemaal pittige gitaarbandjes die allemaal in de afgelopen anderhalf jaar hun debuut hebben uitgebracht. Met de komst van Capture/Release van de Londense band The Rakes kun je denken: alweer een? Maar in een poging de plaat toch op waarde te schatten en niet meteen als de zoveelste post-punkband aan de kant te schuiven, heb ik ook dit debuut meermaals beluisterd.
En hij is blijven hangen. The Rakes doen denken aan alle bovengenoemde bands. Vooral Bloc Party en soms ook The Strokes (alweer wat ouder) hoor ik terug in deze plaat. Daarmee is het niet meteen een goedkope rip off, want de bands zijn allemaal ongeveer gelijktijdig opgekomen. Alleen waren sommige platen nét even eerder en zijn sommige bands misschien ook slimmer in de markt gezet.
The Rakes maken energieke gitaarmuziek. De liedjes zijn ongecompliceerd in de zin dat er (op het gehoor althans) geen ingewikkelde capriolen worden uitgehaald. Het is recht toe recht aan, zonder virtuoze solo’s, ingenieuze akkoordenschema’s of innovatieve ritmes. De muziek is duidelijk beïnvloed door punk, maar is de meeste tijd wel melodieus.
Opvallend aan de liedjes is dat de teksten allen een zelfde sfeer uitstralen. En dat is geen sfeer om vrolijk van te worden. De meeste liedjes gaan over de zinloosheid en de doelloosheid van het dagelijkse leven. In The guilt zingt Alan Donohoe over de voortdurende herhaling in het leven van iemand die zonder zin zijn dagelijkse werk doet. Hij zoekt zijn plezier in voortdurend uitgaan en dronken worden. Maar dat plezier is nogal relatief:
” I just woke up
Everything was fucked
From the night before
I was beyond repair”
Retreat refereert ook aan een dergelijk zinloos bestaan en lijkt tekstueel hier erg op:
”I don't wanna miss out on anything
At the same time I feel the need to retreat
Everything is temporary these days
Might as well go out for a fifth night in a row”
In Open book heeft deze doelloosheid en verlorenheid tenminste nog een reden.
” I hope that you come back”
Maar de belabberde situatie is er niet minder om:
” Pick up a book, put down a book
Turn on the TV
It's 2 AM, there's nothing on
I just need something to focus on”
Meest opmerkelijke liedje is We are all animals waarin The Rakes hun visie op de mens behoorlijk direct verwoorden. Daarin wordt de mens als dier neergezet. Dat is biologisch gezien misschien niet zo opmerkelijk, maar als dat de basis vormt voor je mensbeeld en wereldbeeld dan is het niet zo eenvoudig om ook af en toe de zonnige kant van het leven te zien:
” We are the machines
Carrying on various genes
Then discarded
When the job is done
We are the disciples
Who have lost our way
Kicked from our pedestal
When Darwin burnt the book
Its hard enough to retain control
When our instincts are egging us on
With biologists and chemists
Reducing our souls
To four letters
When genes replace Genesis
We're like a masterpiece
Who's glimpsed the artist”
En als deze somberheid is dan wel weer verpakt in pakkende, energieke liedjes. Op een zodanig ongecompliceerde manier dat je bij The Rakes absoluut niet het gevoel hebt dat ze bewust aan een bepaalde muziekhype meedoen.
De plaat is te beluisteren op hun site.
The Shins - Wincing the Night Away (2007)

4,0
0
geplaatst: 3 februari 2007, 16:06 uur
Popliedjes neigen naar perfectie
Wincing the night away begint zacht, mysterieus, spacy. Rustige synthesizerklanken zwellen aan en een voorzichtige zang zet in. Geen CD die het uitschreeuwt: "hier ben ik". De muziek dringt zich niet aan je op, jij moet de eerste stap zetten. Maar halverwege slaat het nummer om en verraadt het zijn ware aard: dat van een poppy nummer.
Pop heeft snel de bijklank van kauwgomballen en priklimonade. Wegwerpmuziek. Je kauwt er een paar keer op en dan is de smaak weg. Maar ware popmuziek maken is een hele kunst. Een kunst die bijvoorbeeld de Nederlandse band Johan verstaat. Dan gaat het om toegankelijke, harmonieuze nummers die beklijven, die iets extra's hebben en die niet vervelen maar erom vragen keer op keer gedraaid te worden. Repeatknopmuziek, zeg maar.
The Shins zijn de meester van díe poppy muziek. Wincing the night away, The Shins' derde plaat, is een genot om naar te luisteren. De muziek is toegankelijk, maar geeft ook weer niet te snel zijn geheimen prijs. De plaat wint aan pracht en kracht als die keer op keer gedraaid wordt. De muziek is helder, glad bijna, maar na meerdere keren luisteren komen de verschillende laagjes boven.
En dan begint het grote genieten. Op deze plaat staan zeker drie pareltjes, echt mooie nummers die dit jaar begonnen zijn aan een tijdloos bestaan: Australia, Phantom limb en Red rabbit. Als je deze nummers de eerste keer hoort, vraag je af waarom niet veel meer artiesten zulke nummers maken. Zo vanzelfsprekend, soepeltjes, drie cadeautjes die van menige band ineens een stelletje klunzen maakt. Zo moet het dus: universeel, harmonieus, maar niet te gemakkelijk of te oppervlakkig. Alles klopt: de zang, de gitaren, de toetsen, de drums.
Ik heb slechts één persoonlijke punt van kritiek. Op den duur mis ik een rauw randje, een onvolkomenheid, iets eigens. Ik schrijf "persoonlijk" omdat ik me realiseer dat dit heel veel met eigen smaak te maken heeft. The Shins maken prachtmuziek, maar uiteindelijk val ik voor het meer excentrieke, het meer emotionele, het onaffe desnoods.
Wincing the night away begint zacht, mysterieus, spacy. Rustige synthesizerklanken zwellen aan en een voorzichtige zang zet in. Geen CD die het uitschreeuwt: "hier ben ik". De muziek dringt zich niet aan je op, jij moet de eerste stap zetten. Maar halverwege slaat het nummer om en verraadt het zijn ware aard: dat van een poppy nummer.
Pop heeft snel de bijklank van kauwgomballen en priklimonade. Wegwerpmuziek. Je kauwt er een paar keer op en dan is de smaak weg. Maar ware popmuziek maken is een hele kunst. Een kunst die bijvoorbeeld de Nederlandse band Johan verstaat. Dan gaat het om toegankelijke, harmonieuze nummers die beklijven, die iets extra's hebben en die niet vervelen maar erom vragen keer op keer gedraaid te worden. Repeatknopmuziek, zeg maar.
The Shins zijn de meester van díe poppy muziek. Wincing the night away, The Shins' derde plaat, is een genot om naar te luisteren. De muziek is toegankelijk, maar geeft ook weer niet te snel zijn geheimen prijs. De plaat wint aan pracht en kracht als die keer op keer gedraaid wordt. De muziek is helder, glad bijna, maar na meerdere keren luisteren komen de verschillende laagjes boven.
En dan begint het grote genieten. Op deze plaat staan zeker drie pareltjes, echt mooie nummers die dit jaar begonnen zijn aan een tijdloos bestaan: Australia, Phantom limb en Red rabbit. Als je deze nummers de eerste keer hoort, vraag je af waarom niet veel meer artiesten zulke nummers maken. Zo vanzelfsprekend, soepeltjes, drie cadeautjes die van menige band ineens een stelletje klunzen maakt. Zo moet het dus: universeel, harmonieus, maar niet te gemakkelijk of te oppervlakkig. Alles klopt: de zang, de gitaren, de toetsen, de drums.
Ik heb slechts één persoonlijke punt van kritiek. Op den duur mis ik een rauw randje, een onvolkomenheid, iets eigens. Ik schrijf "persoonlijk" omdat ik me realiseer dat dit heel veel met eigen smaak te maken heeft. The Shins maken prachtmuziek, maar uiteindelijk val ik voor het meer excentrieke, het meer emotionele, het onaffe desnoods.
The Whitest Boy Alive - Rules (2009)

3,5
0
geplaatst: 30 juli 2009, 21:22 uur
Minimalistische pop met fijne jazzsaus
De Noorse zanger en gitarist Erlend Øye duikt in verschillende verschijningsvormen op. Als soloartiest op de plaat Unrest, als nerdy helft van softpopduo Kings of Convenience, als gast bij Röyksopp, en sinds een tijdje ook als zanger en gitarist in ultralight-bandje The Whitest Boy Alive. Het debuut Dreams is alweer van 2006 en nu heeft de band een nieuwe plaat uit.
Voor een 33 jarige heeft hij al een knap omvangrijke muzikaal oeuvre neergezet. En in al die verschijningsvormen klinkt steeds de stem van Øye duidelijk door. En dan bedoel ik niet per se zijn vocalen, maar zijn stijl, zijn vorm. Kings of Convenience wijken met hun Simon^& Garfunkel-achtige sound misschien nog het meest af, maar in alle andere hoedanigheden is Øye de meester van de lichtvoetige, dansbare melodie.
Het prettige aan The Whitest Boy Alive is dat de sound van Øye een beetje body krijgt. Hij heeft nogal de neiging ijl en licht te klinken. Met een bandje om zich heen, verdwijnt dat een beetje. Een beetje, schrijf ik niet voor niets, want ook het handelsmerk van deze band is minimalistische pop. Maar de opvoger Rules heeft duidelijk meer om het lijf dan het debuut. Op deze plaat begint The Whitest Boy Alive echt als een bandje te klinken.
Met een heerlijk plukkende bas (luister naar Gravity), swingende drums en een warme keyboard, doet deze plaat zelfs jazzy aan. De keyboards zouden zo op een soulalbum kunnen staan. Zo ontstaat een prettige mix van pop, jazz en soul, die boeiender is dan de recht toe recht aan popdeuntjes op de voorganger. Minimalistisch blijft het, want de productie is heel erg kaal. Stem, gitaar, bas, drum en keyboard, dat is het en meer hoor je ook niet. Een tweede (vrouwen)stem is een ongekende extra, maar bijna de hele plaat lang houdt de band het bij de basics.
Die basics zijn zowel Øye's kracht als zijn zwakte. Het is ongekend hoeveel moois hij uit zo weinig weet te halen. Hij beheerst de kracht van het simpele. Daarmee pik je dit album heel snel en makkelijk op. De lekker swingende melodietjes zijn makkelijk verteerbaar. Maar daarin schuilt dan ook het nadeel van de eentonigheid. Het lijkt soms maar een trucje. Een heel lekker trucje, maar wel een die op den duur uitwerkt. Hopelijk slaat meneer Øye nu ook weer eens nieuwe wegen in.
De Noorse zanger en gitarist Erlend Øye duikt in verschillende verschijningsvormen op. Als soloartiest op de plaat Unrest, als nerdy helft van softpopduo Kings of Convenience, als gast bij Röyksopp, en sinds een tijdje ook als zanger en gitarist in ultralight-bandje The Whitest Boy Alive. Het debuut Dreams is alweer van 2006 en nu heeft de band een nieuwe plaat uit.
Voor een 33 jarige heeft hij al een knap omvangrijke muzikaal oeuvre neergezet. En in al die verschijningsvormen klinkt steeds de stem van Øye duidelijk door. En dan bedoel ik niet per se zijn vocalen, maar zijn stijl, zijn vorm. Kings of Convenience wijken met hun Simon^& Garfunkel-achtige sound misschien nog het meest af, maar in alle andere hoedanigheden is Øye de meester van de lichtvoetige, dansbare melodie.
Het prettige aan The Whitest Boy Alive is dat de sound van Øye een beetje body krijgt. Hij heeft nogal de neiging ijl en licht te klinken. Met een bandje om zich heen, verdwijnt dat een beetje. Een beetje, schrijf ik niet voor niets, want ook het handelsmerk van deze band is minimalistische pop. Maar de opvoger Rules heeft duidelijk meer om het lijf dan het debuut. Op deze plaat begint The Whitest Boy Alive echt als een bandje te klinken.
Met een heerlijk plukkende bas (luister naar Gravity), swingende drums en een warme keyboard, doet deze plaat zelfs jazzy aan. De keyboards zouden zo op een soulalbum kunnen staan. Zo ontstaat een prettige mix van pop, jazz en soul, die boeiender is dan de recht toe recht aan popdeuntjes op de voorganger. Minimalistisch blijft het, want de productie is heel erg kaal. Stem, gitaar, bas, drum en keyboard, dat is het en meer hoor je ook niet. Een tweede (vrouwen)stem is een ongekende extra, maar bijna de hele plaat lang houdt de band het bij de basics.
Die basics zijn zowel Øye's kracht als zijn zwakte. Het is ongekend hoeveel moois hij uit zo weinig weet te halen. Hij beheerst de kracht van het simpele. Daarmee pik je dit album heel snel en makkelijk op. De lekker swingende melodietjes zijn makkelijk verteerbaar. Maar daarin schuilt dan ook het nadeel van de eentonigheid. Het lijkt soms maar een trucje. Een heel lekker trucje, maar wel een die op den duur uitwerkt. Hopelijk slaat meneer Øye nu ook weer eens nieuwe wegen in.
Thom. - Istory (2004)

3,5
0
geplaatst: 9 juni 2005, 23:12 uur
thom mist nog eigen sound
In januari zag ik op het filmfestival van Rotterdam de Wim Wenders-film Land of plenty (nu in de bioscoop). Toen viel me onder andere de zeer goede muziek in de film op. De meeste liedjes waren van een Duitse zanger, genaamd thom. En eindelijk heb ik zijn debuut-CD Istory eens beluisterd.
thom. is een complete band. Hij heeft de plaat dan wel alleen gemaakt, hij klinkt als een volwaardige groep. De liedjes klinken afwisselend als U2, Radiohead, Coldplay en The Notwist. Het nummer Principle of joy, dat in Duitsland voor een BMW-reclame is gebruikt, had zo van U2 kunnen zijn. En op openingsnummer Where you are slaat thom. een Coldplay-toontje aan.
Halverwege heeft thom. een dip. Vier liedjes op rij zijn wat gewoontjes. En dan sluit thom. af met vier liedjes waarop vooral Radiohead en The Notwist doorklinken. Van deze serie van vier liedjes heeft Wenders er drie gebruikt voor zijn film. Dit zijn meteen de beste songs. The last good year doet een gooi naar het niveau van Pick up the phone van The Notwist, maar is net iets minder gevoelig.
Voor een debuut is het al met al sterk, maar uit de overvloed aan andere bandnamen is af te leiden dat thom. nog te weinig een eigen sound heeft. Dat is jammer. Maar wat is niet is kan nog komen. Deze plaat maakt in ieder geval wel duidelijk dat deze Duitse zanger nogal wat in zijn mars heeft.
Op de site van thom. zijn fragmenten te zien en te horen. Onder Discografie zijn audiofragmenten te horen en bij Galerie kun je video’s zien, waaronder een BMW-commercial waarvoor zijn lied Principle of joy is gebruikt.
In januari zag ik op het filmfestival van Rotterdam de Wim Wenders-film Land of plenty (nu in de bioscoop). Toen viel me onder andere de zeer goede muziek in de film op. De meeste liedjes waren van een Duitse zanger, genaamd thom. En eindelijk heb ik zijn debuut-CD Istory eens beluisterd.
thom. is een complete band. Hij heeft de plaat dan wel alleen gemaakt, hij klinkt als een volwaardige groep. De liedjes klinken afwisselend als U2, Radiohead, Coldplay en The Notwist. Het nummer Principle of joy, dat in Duitsland voor een BMW-reclame is gebruikt, had zo van U2 kunnen zijn. En op openingsnummer Where you are slaat thom. een Coldplay-toontje aan.
Halverwege heeft thom. een dip. Vier liedjes op rij zijn wat gewoontjes. En dan sluit thom. af met vier liedjes waarop vooral Radiohead en The Notwist doorklinken. Van deze serie van vier liedjes heeft Wenders er drie gebruikt voor zijn film. Dit zijn meteen de beste songs. The last good year doet een gooi naar het niveau van Pick up the phone van The Notwist, maar is net iets minder gevoelig.
Voor een debuut is het al met al sterk, maar uit de overvloed aan andere bandnamen is af te leiden dat thom. nog te weinig een eigen sound heeft. Dat is jammer. Maar wat is niet is kan nog komen. Deze plaat maakt in ieder geval wel duidelijk dat deze Duitse zanger nogal wat in zijn mars heeft.
Op de site van thom. zijn fragmenten te zien en te horen. Onder Discografie zijn audiofragmenten te horen en bij Galerie kun je video’s zien, waaronder een BMW-commercial waarvoor zijn lied Principle of joy is gebruikt.
Tim Knol - Tim Knol (2010)

4,0
0
geplaatst: 24 augustus 2010, 18:28 uur
Tim Knol debuteert met een verrekt goede plaat
Dit is het jaar van Tim Knol, buiten twijfel. Zijn titelloze debuutplaat kwam begin dit jaar uit en langzamerhand verovert hij de muziekharten van steeds meer mensen. Je zou van een stil groeiende hype kunnen spreken. Hij lijkt steeds vaker bij radio en televisie op te duiken. Zo ontstijgt hij al snel de alternatieve indie-hoek, waarin het Nederlandse label Excelsior natuurlijk uitblinkt. De muziek van Tim Knol is toegankelijk genoeg om ook bij een breed 3FM-publiek in de smaak te vallen.
Het allereerste dat opvalt aan zijn plaat is dat die met grote zorg is gemaakt. Er is duidelijk liefde én tijd gestoken in het opnemen en produceren ervan. Knol kreeg dan ook vakkundige hulp van andere Excelsior-kanonnen als Anne Soldaat en Jacco de Greeuw. Knol is een singer/songwriter, maar heeft geen kale plaat afgeleverd. Er staat een mooi bandje om hem heen en de sound is ronduit warm te noemen.
Bij DWDD is Knol eerder dit jaar al binnengehaald als de nieuwe Neil Young. Natuurlijk is dat een veel te groteske vergelijking, maar in die hoek moet je zijn muziek wel zoeken. En dan vooral de Young van de rustiger en melodieuzere liedjes, beetje CSNY-stijl. Maar meer dan aan Young doet Knol aan Daryll-Ann denken, de Nederlandse band van Anne Soldaat en Jelle Paulusma die helaas alweer een tijdje ter ziele is. Daryll-Ann was misschien wat verrassender en vernieuwender, maar de warme Americana-klank delen ze. En als je bij de Amerikaanse band Wilco de experimentele kant wegdenkt dan zit je qua referentie ook aardig in de richting (Sky blue sky uit 2007 doet enigszins aan dit debuut denken).
Knol wisselt melancholische, verstilde liedjes af met meer uptempo-nummers (zoals de huidige single Sam). Beide stijlen zijn mooi, maar overduidelijk gaat mijn voorkeur naar het rustiger werk uit. Dan komen de warme, bijna lieve stem van Knol en zijn mooie melodieën prachtig samen. Music in my room, een ode van een vroeg overleden jongen aan zijn ouders, grijpt je in al zijn eenvoud naar de strot. Driving home is ronduit aandoenlijk en Sounds familiar geeft een warm sixties-gevoel.
Uit al deze verwijzingen en referenties is al op te maken dat de inspiratie van Knol niet diep verborgen ligt. Hij vindt de popmuziek dan ook niet bepaald opnieuw uit. Maar Knol luister je vanwege de sfeer, de warmte en de ongekende kwaliteit. On-Nederlands goed, zegt men dan. Dat vind ik altijd een beetje een onzinnige uitdrukking vanuit een misplaatst Calimero-syndroom. Verrekt goed, laat ik het daar maar op houden.
Dit is het jaar van Tim Knol, buiten twijfel. Zijn titelloze debuutplaat kwam begin dit jaar uit en langzamerhand verovert hij de muziekharten van steeds meer mensen. Je zou van een stil groeiende hype kunnen spreken. Hij lijkt steeds vaker bij radio en televisie op te duiken. Zo ontstijgt hij al snel de alternatieve indie-hoek, waarin het Nederlandse label Excelsior natuurlijk uitblinkt. De muziek van Tim Knol is toegankelijk genoeg om ook bij een breed 3FM-publiek in de smaak te vallen.
Het allereerste dat opvalt aan zijn plaat is dat die met grote zorg is gemaakt. Er is duidelijk liefde én tijd gestoken in het opnemen en produceren ervan. Knol kreeg dan ook vakkundige hulp van andere Excelsior-kanonnen als Anne Soldaat en Jacco de Greeuw. Knol is een singer/songwriter, maar heeft geen kale plaat afgeleverd. Er staat een mooi bandje om hem heen en de sound is ronduit warm te noemen.
Bij DWDD is Knol eerder dit jaar al binnengehaald als de nieuwe Neil Young. Natuurlijk is dat een veel te groteske vergelijking, maar in die hoek moet je zijn muziek wel zoeken. En dan vooral de Young van de rustiger en melodieuzere liedjes, beetje CSNY-stijl. Maar meer dan aan Young doet Knol aan Daryll-Ann denken, de Nederlandse band van Anne Soldaat en Jelle Paulusma die helaas alweer een tijdje ter ziele is. Daryll-Ann was misschien wat verrassender en vernieuwender, maar de warme Americana-klank delen ze. En als je bij de Amerikaanse band Wilco de experimentele kant wegdenkt dan zit je qua referentie ook aardig in de richting (Sky blue sky uit 2007 doet enigszins aan dit debuut denken).
Knol wisselt melancholische, verstilde liedjes af met meer uptempo-nummers (zoals de huidige single Sam). Beide stijlen zijn mooi, maar overduidelijk gaat mijn voorkeur naar het rustiger werk uit. Dan komen de warme, bijna lieve stem van Knol en zijn mooie melodieën prachtig samen. Music in my room, een ode van een vroeg overleden jongen aan zijn ouders, grijpt je in al zijn eenvoud naar de strot. Driving home is ronduit aandoenlijk en Sounds familiar geeft een warm sixties-gevoel.
Uit al deze verwijzingen en referenties is al op te maken dat de inspiratie van Knol niet diep verborgen ligt. Hij vindt de popmuziek dan ook niet bepaald opnieuw uit. Maar Knol luister je vanwege de sfeer, de warmte en de ongekende kwaliteit. On-Nederlands goed, zegt men dan. Dat vind ik altijd een beetje een onzinnige uitdrukking vanuit een misplaatst Calimero-syndroom. Verrekt goed, laat ik het daar maar op houden.
tunng - Comments of the Inner Chorus (2006)

4,0
0
geplaatst: 29 mei 2006, 23:57 uur
Wonderlijk moderne retro
Amper een jaar na hun fantastische debuut Mother's daughter and other songs heeft tweemansband Tunng alweer een nieuwe plaat uitgebracht. En opnieuw weten Sam Genders en Mike Lindsay zo'n magische sfeer vast te leggen. Hun muziekstijl wordt meestal aangeduid als folktronica en die term is de duidelijkste karakterisering van hun muziek: folky zang en liedstructuren gecombineerd met wonderlijke electronica.
Tunng klinkt mystiek, sprookjesachtig, spacy, maar die moderne sferen worden gecombineerd met heel klassieke zang. Niet voor niets noem ik Simon & Garfunkel en The Notwist als referenties. Het is alsof je heel klassieke pop/folk mengt met electronica. Vooral de zang van Tunng heeft die bijzondere klank die samenzang in de Simon & Garfunkel-sfeer kan hebben. Twee stemmen die samen optellen tot meer dan twee. De zang klinkt als een mini-koor, bijna devoot en sacraal. Daardoor heen mengen de mannen van Tunng de meest wonderlijke bliepjes, drummetjes en samples van stemmen.
De verwondering die er vorig jaar nog was, valt nu een beetje weg. De nieuwigheid is er wel af. Maar dat neemt niet weg dat Tunng weer een zeer sterke plaat heeft gemaakt. Helaas is Tunng niet in staat te ontroeren, zoals bijvoorbeeld The Notwist wel kan, ondanks hun veelgebruikte electronica. Tunng blijft meer op afstand, maar behoudt daardoor wel dat mystieke en ongrijpbare. En tussen al die moeilijk grijpbare liedjes staan wederom beeldschone pareltjes, zoals Jenny again. Hoe vreemd en wonderlijk zo'n liedje ook mag klinken, door die rariteiten heen klinkt een verrekt goed liedje.
Het blijft onbegrijpelijk hoe de heren van Tunng dit weer voor elkaar krijgen. Alle moderne geluidjes verzekeren je ervan dat dit muziek van hier en nu is, maar tegelijkertijd is het zo retro als het maar zijn kan. Dit kan zo uit de jaren zestig komen, alleen hadden muzikanten toen al die electronica nog niet tot hun beschikking. Zo ontstaat een interessante botsting van twee geluiden, twee gevoelens die hun muziek de juiste spanning bezorgt. Voor die spanning heeft Tunng weinig hulpgrepen nodig. Geen bombast, geen snerende gitaren, de mix van ingrediënten doet hier automatisch zijn vervreemdende werk.
Amper een jaar na hun fantastische debuut Mother's daughter and other songs heeft tweemansband Tunng alweer een nieuwe plaat uitgebracht. En opnieuw weten Sam Genders en Mike Lindsay zo'n magische sfeer vast te leggen. Hun muziekstijl wordt meestal aangeduid als folktronica en die term is de duidelijkste karakterisering van hun muziek: folky zang en liedstructuren gecombineerd met wonderlijke electronica.
Tunng klinkt mystiek, sprookjesachtig, spacy, maar die moderne sferen worden gecombineerd met heel klassieke zang. Niet voor niets noem ik Simon & Garfunkel en The Notwist als referenties. Het is alsof je heel klassieke pop/folk mengt met electronica. Vooral de zang van Tunng heeft die bijzondere klank die samenzang in de Simon & Garfunkel-sfeer kan hebben. Twee stemmen die samen optellen tot meer dan twee. De zang klinkt als een mini-koor, bijna devoot en sacraal. Daardoor heen mengen de mannen van Tunng de meest wonderlijke bliepjes, drummetjes en samples van stemmen.
De verwondering die er vorig jaar nog was, valt nu een beetje weg. De nieuwigheid is er wel af. Maar dat neemt niet weg dat Tunng weer een zeer sterke plaat heeft gemaakt. Helaas is Tunng niet in staat te ontroeren, zoals bijvoorbeeld The Notwist wel kan, ondanks hun veelgebruikte electronica. Tunng blijft meer op afstand, maar behoudt daardoor wel dat mystieke en ongrijpbare. En tussen al die moeilijk grijpbare liedjes staan wederom beeldschone pareltjes, zoals Jenny again. Hoe vreemd en wonderlijk zo'n liedje ook mag klinken, door die rariteiten heen klinkt een verrekt goed liedje.
Het blijft onbegrijpelijk hoe de heren van Tunng dit weer voor elkaar krijgen. Alle moderne geluidjes verzekeren je ervan dat dit muziek van hier en nu is, maar tegelijkertijd is het zo retro als het maar zijn kan. Dit kan zo uit de jaren zestig komen, alleen hadden muzikanten toen al die electronica nog niet tot hun beschikking. Zo ontstaat een interessante botsting van twee geluiden, twee gevoelens die hun muziek de juiste spanning bezorgt. Voor die spanning heeft Tunng weinig hulpgrepen nodig. Geen bombast, geen snerende gitaren, de mix van ingrediënten doet hier automatisch zijn vervreemdende werk.
