Hier kun je zien welke berichten Martin Visser als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Madonna - Confessions on a Dance Floor (2005)

1,5
0
geplaatst: 19 november 2005, 13:43 uur
Martin Visser schreef:
Ik heb deze CD nog niet zo vaak gedraaid, maar ik kan - voorlopig - alle opwinding niet goed plaatsen.
Ik heb deze CD nog niet zo vaak gedraaid, maar ik kan - voorlopig - alle opwinding niet goed plaatsen.
Aangezien ik geen overtuigende argumenten heb gelezen, ben ik bij mijn eerste gevoel over deze plaat gebeleven:
Madonna beledigt
Ik kan er weinig anders van maken: Madonna beledigt muziekliefhebbers. Als ze niet tot iets beters in staat is, kan ze beter stoppen met muziek maken. Dit is zo ontzettend jammer. Zo'n naam en zo'n staat van dienst en dan met zo'n simpel disco/dance/trance-plaatje komen. Madonna was al jaren een grote ster, toen ze in 1998 iedereen verraste met Ray of light. Daarmee kreeg ze eindelijk ook de serieuzere muziekliefhebber om. Muzikaal gezien lijkt het een eenmalig hoogtepunt te zijn geweest. Sinds dat prachtige album is het alleen maar bergafwaarts gegaan.
Confessions on a dance floor is net kauwgom. Als je 'm net in de mond steekt, is het nog lekker en fris. Maar al snel vervlakt de smaak en binnen een kwartier heb je een vieze prop in de mond. Uitspugen! Zo begint de CD best lekker met Hung up, het lekker opzwepende disconummertje met de Gimme gimme gimme-sample. Als je aan het album begint, denk je nog: leuk, zo'n fris begin, deze single zal vooral het lokkertje zijn, het interessantste moet natuurlijk nog komen. Maar nee, nergens op het album wordt het meer zo aanstekelijk als bij Hung up.
Wat volgt zijn allemaal gladgeproduceerde dansliedjes. Niets mis met dansliedjes, maar van mevrouw Madonna verwacht ik dan wel dat ze goed zijn. En niet van het niveau van queen of de kauwgomballenpop Kylie Minogue. Veel van de liedjes lijken op die niemendallerige dance-singletjes van vijf jaar geleden. Ze klinken lekker op de radio, je dans er misschien wel eens op op een feestje, maar het is eendagswerk.
Het wordt bijna flauw om van dit album ook nog naar de teksten te kijken. Maar ik kan het niet laten. Van het hele CD-project is daar nog wel de minste tijd en aandacht aan besteed. Ze spreken voor zichzelf:
"I don't like cities
But I like New York
Other places
make me feel like a dork
Los Angeles is for
people who sleep
Paris and London
Baby you can keep"
"you push me!
to go the extra mile
you push me!
when it's dificult to smile
you push me!
a better version of myself
you push me!
only you and no one else"
"iek ben droeviek" (poging tot Nederlands zinnetje)
Manyfingers - Our Worn Shadow (2006)

3,5
0
geplaatst: 26 augustus 2006, 18:16 uur
Bijzonder, maar net iets te tam
Manyfingers debuteerde met een mini-album, Our worn shadow is de eerste volwaardige plaat van de eenmansband van Chris Cole. Manyfingers is een bijzondere en unieke band. Cole maakt muziek die nog het meest doet denken aan de postrock van bands als Mogwai en Sigur Rós. Lang uitgesponnen nummers met een steeds repeterend thema waarbij de spanning komt door de opbouw van instrumenten en soms door kleine zijpaden die worden ingeslagen. Alleen is Manyfingers geen gitaarband. Het klinkt eerder klassiek, met veel piano, blazers, drums en strijkers.
Cole speelt bijna alles zelf op deze nagenoeg instrumentale plaat. Hij maakt deze muziek door steeds een instrument op te pakken, een themaatjes te spelen en dat in een 'loop' te zetten. Dan loopt hij naar een volgend instrument om ook daarmee weer een 'loop' in te spelen. Zo ontstaat repeterende muziekloopjes die steeds voller en voller klinken, doordat meer instrumenten worden toegevoegd.
Het is kunstig gemaakt en de herhaling heeft vooral een hypnotiserend effect. Ook wordt de spanning op die manier in een nummer opgebouwd. Tegelijkertijd is er ook het nadeel dat er niet veel verrassing in de muziek zit. Is een thema eenmaal ingezet, dan wordt daar nauwelijks van afgeweken. En met de keurige, klassieke instrumenten heeft Cole ook niet het bombast tot zijn beschikking die gitaarbands wel kunnen inzetten. Cole heeft een mooi album afgeleverd. Het is smaakvol, knap gemaakt, vernieuwend, maar het blijft allemaal net iets te tam. Met net iets meer verrassing en creativiteit had deze plaat nog veel beter kunnen zijn.
Manyfingers debuteerde met een mini-album, Our worn shadow is de eerste volwaardige plaat van de eenmansband van Chris Cole. Manyfingers is een bijzondere en unieke band. Cole maakt muziek die nog het meest doet denken aan de postrock van bands als Mogwai en Sigur Rós. Lang uitgesponnen nummers met een steeds repeterend thema waarbij de spanning komt door de opbouw van instrumenten en soms door kleine zijpaden die worden ingeslagen. Alleen is Manyfingers geen gitaarband. Het klinkt eerder klassiek, met veel piano, blazers, drums en strijkers.
Cole speelt bijna alles zelf op deze nagenoeg instrumentale plaat. Hij maakt deze muziek door steeds een instrument op te pakken, een themaatjes te spelen en dat in een 'loop' te zetten. Dan loopt hij naar een volgend instrument om ook daarmee weer een 'loop' in te spelen. Zo ontstaat repeterende muziekloopjes die steeds voller en voller klinken, doordat meer instrumenten worden toegevoegd.
Het is kunstig gemaakt en de herhaling heeft vooral een hypnotiserend effect. Ook wordt de spanning op die manier in een nummer opgebouwd. Tegelijkertijd is er ook het nadeel dat er niet veel verrassing in de muziek zit. Is een thema eenmaal ingezet, dan wordt daar nauwelijks van afgeweken. En met de keurige, klassieke instrumenten heeft Cole ook niet het bombast tot zijn beschikking die gitaarbands wel kunnen inzetten. Cole heeft een mooi album afgeleverd. Het is smaakvol, knap gemaakt, vernieuwend, maar het blijft allemaal net iets te tam. Met net iets meer verrassing en creativiteit had deze plaat nog veel beter kunnen zijn.
Marc Almond - Stardom Road (2007)

3,5
0
geplaatst: 12 juni 2007, 23:18 uur
Almond zingt via anderen over zichzelf
Een album vol covers kan wel degelijk ook een ego-document zijn. Als die covers iets zeggen over jezelf, over je leven, je muziekstijl, je carrière. En zo heeft Marc Almond cover-album Stardom road opgezet. Het zijn covers van artiesten die hem na aan het hart liggen of nummers die dicht bij hemzelf staan.
Stardom road klinkt dan ook niet als een gemakkelijk tussendoortje van een artiest die meedeint op andermans successen. Als Almond I have lived van Charles Aznavour inzet, zou je zweren dat het nummer over hemzelf ging. Hij eigent zich dit nummer geheel toe en dat maakt dat het boven het niveau van de doorsnee cover uitkomt. Op zijn site noemt Almond dit nummer "the soundtrack of my life". En zo klinkt het dan ook.
Alles op deze plaat ademt de typische Almond-sfeer: dik aangezette muziek, zware orkestratie, larmoyante zang. Over the top! En steeds die typische, merkwaardige manier van zingen van Almond, iets waaraan ik nog steeds niet kan wennen. Hij zingt strak, helder, met vaste stem, maar regelmatig nét niet zuiver. Vals kun je het ook niet noemen, maar hij zit soms net tegen de juiste noot aan. Ondertussen doet hij dat met een overtuigingskracht en stevigheid dat het authentiek wordt. En juist in die vreemde manier van zingen zit het gevoel en de emotie. Almond moet het niet hebben van de warmte van zijn stem of van de vibrato, nee, hij ontleent gevoel en kracht aan de helder, bijna onzuivere zang.
De beide duetten (I close my eyes and count to ten met Sarah Cracknell van St. Etienne en The ballad of the sad young men met Antony Hagerty van Antony & the Johnsons) zijn twee hoogtepunten op de plaat. Met Cracknell overschrijdt Almond verre de kitsch-grens, met Antony zingt hij intieme jazz. De meeste andere nummers brengen de crooner in Almond naar boven. Alleen op Strangers in the night van Frank Sinatra vliegt Almond uit de bocht. Zo'n overbekend nummer vraagt om een heel bijzondere behandeling. Die krijgt de evergreen niet. Helaas.
Een album vol covers kan wel degelijk ook een ego-document zijn. Als die covers iets zeggen over jezelf, over je leven, je muziekstijl, je carrière. En zo heeft Marc Almond cover-album Stardom road opgezet. Het zijn covers van artiesten die hem na aan het hart liggen of nummers die dicht bij hemzelf staan.
Stardom road klinkt dan ook niet als een gemakkelijk tussendoortje van een artiest die meedeint op andermans successen. Als Almond I have lived van Charles Aznavour inzet, zou je zweren dat het nummer over hemzelf ging. Hij eigent zich dit nummer geheel toe en dat maakt dat het boven het niveau van de doorsnee cover uitkomt. Op zijn site noemt Almond dit nummer "the soundtrack of my life". En zo klinkt het dan ook.
Alles op deze plaat ademt de typische Almond-sfeer: dik aangezette muziek, zware orkestratie, larmoyante zang. Over the top! En steeds die typische, merkwaardige manier van zingen van Almond, iets waaraan ik nog steeds niet kan wennen. Hij zingt strak, helder, met vaste stem, maar regelmatig nét niet zuiver. Vals kun je het ook niet noemen, maar hij zit soms net tegen de juiste noot aan. Ondertussen doet hij dat met een overtuigingskracht en stevigheid dat het authentiek wordt. En juist in die vreemde manier van zingen zit het gevoel en de emotie. Almond moet het niet hebben van de warmte van zijn stem of van de vibrato, nee, hij ontleent gevoel en kracht aan de helder, bijna onzuivere zang.
De beide duetten (I close my eyes and count to ten met Sarah Cracknell van St. Etienne en The ballad of the sad young men met Antony Hagerty van Antony & the Johnsons) zijn twee hoogtepunten op de plaat. Met Cracknell overschrijdt Almond verre de kitsch-grens, met Antony zingt hij intieme jazz. De meeste andere nummers brengen de crooner in Almond naar boven. Alleen op Strangers in the night van Frank Sinatra vliegt Almond uit de bocht. Zo'n overbekend nummer vraagt om een heel bijzondere behandeling. Die krijgt de evergreen niet. Helaas.
Midlake - The Courage of Others (2010)

4,5
0
geplaatst: 8 maart 2010, 15:44 uur
Midlake vervolmaakt folky sound
"Deze plaat blijf ik maar draaien. Ik vrees dat ik verslaafd ben." Met deze woorden deed ik een kleine vier jaar geleden verslag van mijn eerste luisterervaring met Midlake. Hun tweede album, The trials of Van Occupanther, was mijn introductie tot deze wonderschone muziek. Nu, vier jaar later, heeft Midlake een derde plaat uitgebracht en opnieuw is het raak. Ook The courage of others kan ik blijven draaien en draaien zonder dat die gaat vervelen.
Midlake heeft een opvallende ontwikkeling doorgemaakt. Hun debuut, Bamnan and slivercork, was een echte lofi-plaat, in de trant van Sparklehorse en Grandaddy. De zang deed denken aan die van Rufus Wainwright en verder werd redelijk experimenteel gemusiceerd. Opvolger The trials of Van Occupanter gaf een meer solide Americana-geluid te horen. De referentie was duidelijk jaren zeventig folkrock, denk aan Crosby, Stills & Nash. Maar ook deze plaat was nog behoorlijk verrassend en afwisselend.
Dat laatste kan van nummer drie niet gezegd worden. Op The courage of others heeft Midlake die folkrock-kant consequent vastgehouden. Maar ook, en dat is het belangrijkste, vervolmaakt. Het eindresultaat is een plaat die bijna eentonig is, maar - bestaat dat? - in de goede zin van het woord. Deze plaat staat vol perfecte popliedjes, waarbij het moeilijk favorieten kiezen is. De nummers zijn over het algemeen iets trager en rustiger dan het prijsnummer Roscoe op het vorige album. Maar ze zijn wel stuk voor stuk wonderschoon.
Daardoor is de plaat een lange trip, zeker als hij op repeat staat en het op den duur niet meer duidelijk is waar je op de plaat bent. The courage of others is absoluut niet meer alternatief en ook niet erg vernieuwend. Maar waarom zou je iets veranderen als je in staat bent ronduit hemelse liedjes te maken? Wat dat betreft doet de muziek denken aan Johan (RIP), die andere band die geroemd werd om de perfectie van zijn liedjes.
De zang, soms meerstemmig, is prachtig, beheerst en gepolijst. De begeleiding is meestal subtiel, heel soms met een uitgesproken gitaar, maar vaker met zachte fluit en rustig tokkelende akoestische gitaar. Sloom of saai wordt de plaat nergens, daarvoor zit er toch net te veel pit in. Maar het resultaat is een lieflijke sound met zachtaardige liedjes. Eén hoogtepunt aanwijzen is niet mogelijk. Maar inmiddels is Bring down mij dierbaar geworden. Hierop is ook een vrouwenstem te horen en de opbouw van dit nummer is anders dan van de anderen. Hier wordt repeterend naar een mooi en intens hoogtepunt toegewerkt. Daardoor blijf ik dit nummer in het bijzonder maar steeds draaien. Maar uiteindelijk geldt dat voor de hele plaat. Voor toppers als deze is de repeat-knop uitgevonden.
"Deze plaat blijf ik maar draaien. Ik vrees dat ik verslaafd ben." Met deze woorden deed ik een kleine vier jaar geleden verslag van mijn eerste luisterervaring met Midlake. Hun tweede album, The trials of Van Occupanther, was mijn introductie tot deze wonderschone muziek. Nu, vier jaar later, heeft Midlake een derde plaat uitgebracht en opnieuw is het raak. Ook The courage of others kan ik blijven draaien en draaien zonder dat die gaat vervelen.
Midlake heeft een opvallende ontwikkeling doorgemaakt. Hun debuut, Bamnan and slivercork, was een echte lofi-plaat, in de trant van Sparklehorse en Grandaddy. De zang deed denken aan die van Rufus Wainwright en verder werd redelijk experimenteel gemusiceerd. Opvolger The trials of Van Occupanter gaf een meer solide Americana-geluid te horen. De referentie was duidelijk jaren zeventig folkrock, denk aan Crosby, Stills & Nash. Maar ook deze plaat was nog behoorlijk verrassend en afwisselend.
Dat laatste kan van nummer drie niet gezegd worden. Op The courage of others heeft Midlake die folkrock-kant consequent vastgehouden. Maar ook, en dat is het belangrijkste, vervolmaakt. Het eindresultaat is een plaat die bijna eentonig is, maar - bestaat dat? - in de goede zin van het woord. Deze plaat staat vol perfecte popliedjes, waarbij het moeilijk favorieten kiezen is. De nummers zijn over het algemeen iets trager en rustiger dan het prijsnummer Roscoe op het vorige album. Maar ze zijn wel stuk voor stuk wonderschoon.
Daardoor is de plaat een lange trip, zeker als hij op repeat staat en het op den duur niet meer duidelijk is waar je op de plaat bent. The courage of others is absoluut niet meer alternatief en ook niet erg vernieuwend. Maar waarom zou je iets veranderen als je in staat bent ronduit hemelse liedjes te maken? Wat dat betreft doet de muziek denken aan Johan (RIP), die andere band die geroemd werd om de perfectie van zijn liedjes.
De zang, soms meerstemmig, is prachtig, beheerst en gepolijst. De begeleiding is meestal subtiel, heel soms met een uitgesproken gitaar, maar vaker met zachte fluit en rustig tokkelende akoestische gitaar. Sloom of saai wordt de plaat nergens, daarvoor zit er toch net te veel pit in. Maar het resultaat is een lieflijke sound met zachtaardige liedjes. Eén hoogtepunt aanwijzen is niet mogelijk. Maar inmiddels is Bring down mij dierbaar geworden. Hierop is ook een vrouwenstem te horen en de opbouw van dit nummer is anders dan van de anderen. Hier wordt repeterend naar een mooi en intens hoogtepunt toegewerkt. Daardoor blijf ik dit nummer in het bijzonder maar steeds draaien. Maar uiteindelijk geldt dat voor de hele plaat. Voor toppers als deze is de repeat-knop uitgevonden.
Midlake - The Trials of Van Occupanther (2006)

4,5
1
geplaatst: 20 juni 2006, 15:02 uur
Alles klopt bij Midlake
Deze plaat blijf ik maar draaien. Ik vrees dat ik verslaafd ben. Ik kan maar geen genoeg krijgen van Roscoe, Head home, Chasing after deer en You never arrived. En eigenlijk ook niet van de andere zeven nummers op deze topplaat.
Midlake komt uit een klein plaatsje in Texas en The trials of Van Occupanther is Midlakes tweede plaat. De voedingsbodem van deze plaat is overduidelijk de jaren zeventig en daarom noem ik Crosby, Stills & Nash als referentie. Met hen deelt Midlake dat prachtig harmonieuze geluid en die gestroomlijnde meerstemmige zang. Het is muziek waaraan alles klopt, geen wanklank of dissonant te horen.
Dit klinkt misschien saai of retro, maar geloof me, Midlake is dat allebei niet. Want ze zijn niet in de jaren zeventig blijven steken. Hun geluid doet weliswaar aan die muziekperiode denken, maar Midlake heeft wel degelijk een eigentijdse plaat gemaakt met een geheel eigen geluid. De zang doet vaak denken aan de wat zeurderige stemmen van Rufus Wainwright en Thom Yorke. Resultaat hiervan is dat Midlake klinkt alsof Wainwright gestopt is met zijn singer/songwriter-schap en hij een pure Americana-band is begonnen.
Midlake is voornamelijk een gitaarband met opvallend mooie zang. Maar ook dwarsfluit en piano is op deze plaat te horen. En zelfs een lekker ouderwetse synthesizer op We gathered in spring. Al met al zijn alle liedjes van een onwaarschijnlijk hoog niveau, de plaat zakt geen moment in. En op de een of andere manier weet Midlake te voorkomen dat de plaat op den duur gaat vervelen, terwijl de plaat als een solide geheel klinkt. Grote variaties biedt de plaat niet, maar dat is juist prettig. Als de prachtige afsluiter You never arrived al na 1 minuut 40 is afgelopen wil je meer. Dan rest niets anders dan de CD op repeat te zetten en de plaat van begin af aan nog maar eens en nog maar eens te beluisteren.
Deze plaat blijf ik maar draaien. Ik vrees dat ik verslaafd ben. Ik kan maar geen genoeg krijgen van Roscoe, Head home, Chasing after deer en You never arrived. En eigenlijk ook niet van de andere zeven nummers op deze topplaat.
Midlake komt uit een klein plaatsje in Texas en The trials of Van Occupanther is Midlakes tweede plaat. De voedingsbodem van deze plaat is overduidelijk de jaren zeventig en daarom noem ik Crosby, Stills & Nash als referentie. Met hen deelt Midlake dat prachtig harmonieuze geluid en die gestroomlijnde meerstemmige zang. Het is muziek waaraan alles klopt, geen wanklank of dissonant te horen.
Dit klinkt misschien saai of retro, maar geloof me, Midlake is dat allebei niet. Want ze zijn niet in de jaren zeventig blijven steken. Hun geluid doet weliswaar aan die muziekperiode denken, maar Midlake heeft wel degelijk een eigentijdse plaat gemaakt met een geheel eigen geluid. De zang doet vaak denken aan de wat zeurderige stemmen van Rufus Wainwright en Thom Yorke. Resultaat hiervan is dat Midlake klinkt alsof Wainwright gestopt is met zijn singer/songwriter-schap en hij een pure Americana-band is begonnen.
Midlake is voornamelijk een gitaarband met opvallend mooie zang. Maar ook dwarsfluit en piano is op deze plaat te horen. En zelfs een lekker ouderwetse synthesizer op We gathered in spring. Al met al zijn alle liedjes van een onwaarschijnlijk hoog niveau, de plaat zakt geen moment in. En op de een of andere manier weet Midlake te voorkomen dat de plaat op den duur gaat vervelen, terwijl de plaat als een solide geheel klinkt. Grote variaties biedt de plaat niet, maar dat is juist prettig. Als de prachtige afsluiter You never arrived al na 1 minuut 40 is afgelopen wil je meer. Dan rest niets anders dan de CD op repeat te zetten en de plaat van begin af aan nog maar eens en nog maar eens te beluisteren.
MIKA - Life in Cartoon Motion (2007)

3,5
0
geplaatst: 21 februari 2007, 22:33 uur
Vaardig gemaakte popplaat
Het maken van goede kitsch is ook een kunst.
En sommige artiesten doen dat weer zo goed en zo serieus, dat je geneigd bent die kitsch echt goed te vinden. Niemendallerlige pophitjes kunnen heerlijk zijn: Aqua's Barbie girl, The Farms All toghether now en Arthur Baker & Al Greens The message is love, maar in die sferen is ook muziek te maken die net wat slagen serieuzer en beter is. Dan kom je in de buurt van Scissor Sisters en Tiga.
Mika is zo'n artiest. Life is cartoon motion lijkt veel op het debuut van Scissor Sisters. Met die band heeft Mika gemeen dat er kwistig wordt gestrooid met popclichés, dat daardoor veel herkenbaars te horen is (Bee Gees, Elton John, Robbie Williams), maar ook komt overeen dat de muziek retegoed in elkaar zit. En fijn aan deze plaat van Mika is dat het zo verzorgd klinkt. Pophitjes worden goedkoop in elkaar gedraaid, liefst met zo veel mogelijk electronica zodat er op manuren bespaard kan worden. Op Life in cartoon motion daarentegen klinken goede stemmen, echte trompetten en echte strijkers.
Op die manier zorgt Mika voor een mooi contrast: wegwerpmuziek gemaakt alsof het bloed- en bloedserieus is. Maar hét fijne aan de plaat is de enorme aanstekelijkheid van de liedjes. Bijna de hele plaat swingt de pan uit. Alleen de hidden track na afsluiter Happy ending is een echte ballad en daarmee ook totaal anders dan de overige nummers.
Mika maakt je vrolijk. Door het tempo en de vrolijkheid is het een echte autoplaat. Kunstig gemaakt en ook nog met hitpotentie (blijkens de hit Grace Kelly in Groot-Brittannië). Diepgang heeft de muziek niet. Of Mika echt blijft hangen, is dan ook zeer de vraag. Ook nu zet ik nog af en toe Scissor Sisters op, maar dan vooral om nog even dit of dat nummertje te horen, niet om het hele album weer eens te beluisteren.
Het maken van goede kitsch is ook een kunst.
En sommige artiesten doen dat weer zo goed en zo serieus, dat je geneigd bent die kitsch echt goed te vinden. Niemendallerlige pophitjes kunnen heerlijk zijn: Aqua's Barbie girl, The Farms All toghether now en Arthur Baker & Al Greens The message is love, maar in die sferen is ook muziek te maken die net wat slagen serieuzer en beter is. Dan kom je in de buurt van Scissor Sisters en Tiga.
Mika is zo'n artiest. Life is cartoon motion lijkt veel op het debuut van Scissor Sisters. Met die band heeft Mika gemeen dat er kwistig wordt gestrooid met popclichés, dat daardoor veel herkenbaars te horen is (Bee Gees, Elton John, Robbie Williams), maar ook komt overeen dat de muziek retegoed in elkaar zit. En fijn aan deze plaat van Mika is dat het zo verzorgd klinkt. Pophitjes worden goedkoop in elkaar gedraaid, liefst met zo veel mogelijk electronica zodat er op manuren bespaard kan worden. Op Life in cartoon motion daarentegen klinken goede stemmen, echte trompetten en echte strijkers.
Op die manier zorgt Mika voor een mooi contrast: wegwerpmuziek gemaakt alsof het bloed- en bloedserieus is. Maar hét fijne aan de plaat is de enorme aanstekelijkheid van de liedjes. Bijna de hele plaat swingt de pan uit. Alleen de hidden track na afsluiter Happy ending is een echte ballad en daarmee ook totaal anders dan de overige nummers.
Mika maakt je vrolijk. Door het tempo en de vrolijkheid is het een echte autoplaat. Kunstig gemaakt en ook nog met hitpotentie (blijkens de hit Grace Kelly in Groot-Brittannië). Diepgang heeft de muziek niet. Of Mika echt blijft hangen, is dan ook zeer de vraag. Ook nu zet ik nog af en toe Scissor Sisters op, maar dan vooral om nog even dit of dat nummertje te horen, niet om het hele album weer eens te beluisteren.
Mogwai - Mr. Beast (2006)

4,0
0
geplaatst: 14 maart 2006, 12:18 uur
Mogwai houdt het kort
De Schotse postrock-band Mogwai maakt doorgaans lang uitgesponnen, instrumentale nummers. Veel gitaar, trage opbouw en veel, dramatisch aandoende herhalingen. Op hun jongste plaat, Mr. Beast, houdt Mogwai zich in. Geen enkel nummer gaat over de zes minuten heen en sommige nummers zijn zelfs binnen de vier minuten afgerond. Nu hoeft de lengte van een nummer niets te zeggen, maar in dit geval doet het dat wel. Mogwai heeft de opbouw van veel nummers sterk bekort vergeleken bij hun vroegere werk. Dat is jammer, want de dramatiek en de zeggingskracht van de liedjes is daardoor minder.
Mr. Beast is wel degelijk een sterke plaat, maar na een paar draaibeurten heb je toch het gevoel dat er meer in had gezeten. Opener Auto rock heeft iets in zich van die dramatische opbouw als eerst een voorzichtige piano inzet. Later komen daar stevige gitaren bij, maar dan is het feestje na 4 minuut 18 weer over. Geen verrassende wendingen of lang aangehouden thema’s. In deze serie kortjes is Glasgow-mega snake nog wel het lekkerst, al was het maar vanwege het forse gitaarwerk. Een kort hoogtepunt, zal ik maar zeggen.
Op de plaat staan twee nummers met zang, Acid food en Travel is dangerous. Vooral Acid food is verrassend op deze plaat, omdat Mogwai in dat nummer ineens bescheiden electronica gebruikt. Maar uitpakken doen ze niet. Op I chose horses is ook een stem te horen, geen zang, maar een murmelende Japanner. Het is een van de mindere momenten op de plaat.
Het klinkt wat negatief, maar Mr. Beast is ondanks deze kritiek wel degelijk een goed plaat. Mogwai heeft weer heel wat in huis. De band kan als geen ander dramatische muziek maken en dat lukt zelfs in de geheel instrumentale nummers. Al verlang je zo nu en dan naar een vervreemdende stem zoals we die kennen uit de muziek van Sigur Rós. Als er dan gezongen wordt, is de zang ondergeschikt aan de instrumenten. Mogwai moet het dan ook niet hebben van de frivoliteiten of noviteiten, zeker niet op dit album. Het is recht-toe-recht-aan drama, maar dan wel interessanter en krachtiger dan bij menige ‘liedjes-band’.
De Schotse postrock-band Mogwai maakt doorgaans lang uitgesponnen, instrumentale nummers. Veel gitaar, trage opbouw en veel, dramatisch aandoende herhalingen. Op hun jongste plaat, Mr. Beast, houdt Mogwai zich in. Geen enkel nummer gaat over de zes minuten heen en sommige nummers zijn zelfs binnen de vier minuten afgerond. Nu hoeft de lengte van een nummer niets te zeggen, maar in dit geval doet het dat wel. Mogwai heeft de opbouw van veel nummers sterk bekort vergeleken bij hun vroegere werk. Dat is jammer, want de dramatiek en de zeggingskracht van de liedjes is daardoor minder.
Mr. Beast is wel degelijk een sterke plaat, maar na een paar draaibeurten heb je toch het gevoel dat er meer in had gezeten. Opener Auto rock heeft iets in zich van die dramatische opbouw als eerst een voorzichtige piano inzet. Later komen daar stevige gitaren bij, maar dan is het feestje na 4 minuut 18 weer over. Geen verrassende wendingen of lang aangehouden thema’s. In deze serie kortjes is Glasgow-mega snake nog wel het lekkerst, al was het maar vanwege het forse gitaarwerk. Een kort hoogtepunt, zal ik maar zeggen.
Op de plaat staan twee nummers met zang, Acid food en Travel is dangerous. Vooral Acid food is verrassend op deze plaat, omdat Mogwai in dat nummer ineens bescheiden electronica gebruikt. Maar uitpakken doen ze niet. Op I chose horses is ook een stem te horen, geen zang, maar een murmelende Japanner. Het is een van de mindere momenten op de plaat.
Het klinkt wat negatief, maar Mr. Beast is ondanks deze kritiek wel degelijk een goed plaat. Mogwai heeft weer heel wat in huis. De band kan als geen ander dramatische muziek maken en dat lukt zelfs in de geheel instrumentale nummers. Al verlang je zo nu en dan naar een vervreemdende stem zoals we die kennen uit de muziek van Sigur Rós. Als er dan gezongen wordt, is de zang ondergeschikt aan de instrumenten. Mogwai moet het dan ook niet hebben van de frivoliteiten of noviteiten, zeker niet op dit album. Het is recht-toe-recht-aan drama, maar dan wel interessanter en krachtiger dan bij menige ‘liedjes-band’.
Monks - Black Monk Time (1966)

4,0
0
geplaatst: 9 juni 2005, 23:10 uur
Prepunk van Amerikaanse monniken
In Kim’s Video, de beste platenzaak van New York (volgens Oor tenminste), heb ik gevraagd om een bijzondere CD die in Europa nog niet zo bekend is. De verkoper drukte mij Monk time van The Monks in handen. Volgens hem was dat een bijzondere, bizarre en waardevolle plaat. De afgelopen dagen heb ik ‘m geluisterd en ik heb een en ander op internet nagelezen. Een typisch Amerikaans product is het bepaald niet. The Monks was een groep van Amerikaanse soldaten die in Duitsland gelegerd waren. Vanwege hun recalcitrante en anti-VS-teksten is de plaat lange tijd niet in de VS verkrijgbaar geweest. Het is dus eerder een verlicht Europees product dan een staaltje van Amerikaanse muziekvernieuwing.
Maar bijzonder en bizar is het allemaal wel. Krankzinnig zelfs. De originele plaat komt alweer uit 1966, maar de huidige CD is een heruitgave daarvan plus twee extra nummers. The Monks maakten agressieve, sarcatische rebellenmuziek. Op internet las ik kwalificaties als de voorlopers van de punk. Het is inderdaad punk-achtig, maar dan met een jarenzestigsausje. Agressiviteit met een sfeer van kneuterigheid. Tenminste, dat kun je achteraf stellen. Destijds was er niks kneuterigs aan. In die jaren stonden The Beach Boys, The Mama’s and the Papa’s en The Beatles hoog in de hitlijsten. En de rebellie kwam van Boudewijn de Groot en Bob Dylan. Het debuut van The Doors moest nog verschijnen.
The Monks komen in 1966 met deze teksten:
You know we don't like the army.
What army?
Who cares what army?
Why do you kill all those kids over there in Vietnam?
Mad Viet Cong.
My brother died in Vietnam!
en:
People cry,
People die for you.
People kill,
People will for you.
People run,
Ain't it fun for you.
People go
To their deaths for you
En dat brengen ze niet met zoetgevooide (De Groot) of met neuzelstem (Dylan), maar ze schreeuwen en overschreeuwen. Verschillende titels van liedjes zijn ook al veelzeggend over hun stijl: I hate you, Shut up. De muziek is redelijk minimalistisch en een belangrijke rol is weggelegd voor een dreinerig orgeltje, dat mij doet denken aan het orgelgeluid dat ook bij The Doors is te horen.
Ik vind het heel moeilijk om te beoordelen hoe innovatief en shockerend dit was in 1966, maar van deze uitstekende beschrijving en van allmusic.com begrijp ik dat deze typische lui hun tijd ver vooruit waren. En hun optredens veroorzaakten nogal wat reacties, al was het alleen maar vanwege hun monnikenuiterlijk. Al met al vind ik het een leuk album om in mijn collectie te hebben. Maar ik zie het vooral als interessante curiositeit van een eendagsvlieg.
In Kim’s Video, de beste platenzaak van New York (volgens Oor tenminste), heb ik gevraagd om een bijzondere CD die in Europa nog niet zo bekend is. De verkoper drukte mij Monk time van The Monks in handen. Volgens hem was dat een bijzondere, bizarre en waardevolle plaat. De afgelopen dagen heb ik ‘m geluisterd en ik heb een en ander op internet nagelezen. Een typisch Amerikaans product is het bepaald niet. The Monks was een groep van Amerikaanse soldaten die in Duitsland gelegerd waren. Vanwege hun recalcitrante en anti-VS-teksten is de plaat lange tijd niet in de VS verkrijgbaar geweest. Het is dus eerder een verlicht Europees product dan een staaltje van Amerikaanse muziekvernieuwing.
Maar bijzonder en bizar is het allemaal wel. Krankzinnig zelfs. De originele plaat komt alweer uit 1966, maar de huidige CD is een heruitgave daarvan plus twee extra nummers. The Monks maakten agressieve, sarcatische rebellenmuziek. Op internet las ik kwalificaties als de voorlopers van de punk. Het is inderdaad punk-achtig, maar dan met een jarenzestigsausje. Agressiviteit met een sfeer van kneuterigheid. Tenminste, dat kun je achteraf stellen. Destijds was er niks kneuterigs aan. In die jaren stonden The Beach Boys, The Mama’s and the Papa’s en The Beatles hoog in de hitlijsten. En de rebellie kwam van Boudewijn de Groot en Bob Dylan. Het debuut van The Doors moest nog verschijnen.
The Monks komen in 1966 met deze teksten:
You know we don't like the army.
What army?
Who cares what army?
Why do you kill all those kids over there in Vietnam?
Mad Viet Cong.
My brother died in Vietnam!
en:
People cry,
People die for you.
People kill,
People will for you.
People run,
Ain't it fun for you.
People go
To their deaths for you
En dat brengen ze niet met zoetgevooide (De Groot) of met neuzelstem (Dylan), maar ze schreeuwen en overschreeuwen. Verschillende titels van liedjes zijn ook al veelzeggend over hun stijl: I hate you, Shut up. De muziek is redelijk minimalistisch en een belangrijke rol is weggelegd voor een dreinerig orgeltje, dat mij doet denken aan het orgelgeluid dat ook bij The Doors is te horen.
Ik vind het heel moeilijk om te beoordelen hoe innovatief en shockerend dit was in 1966, maar van deze uitstekende beschrijving en van allmusic.com begrijp ik dat deze typische lui hun tijd ver vooruit waren. En hun optredens veroorzaakten nogal wat reacties, al was het alleen maar vanwege hun monnikenuiterlijk. Al met al vind ik het een leuk album om in mijn collectie te hebben. Maar ik zie het vooral als interessante curiositeit van een eendagsvlieg.
Mono - You Are There (2006)

3,5
0
geplaatst: 5 april 2006, 21:17 uur
Mono is monotoon
Mono zou je het Japanse broertje van Mogwai kunnen noemen. Ook Mono maakt languitgesponnen, spannende gitaarmuziek. De muziek is melancholisch, donker, orkestraal en bombastisch. En Mono is volledig instrumentaal, een verschil met het Schotse Mogwai dat heel soms naar de microfoon grijpt.
You are there verschilt wel van Mogwais laatste plaat Mr. Beast omdat uitgerekend op die plaat relatief korte nummer staan. Daardoor ontbeert die plaat soms de tergend langzame opbouw die dit soort muziek zijn spanning en verrassing kan geven. Vier van de zes nummer op You are there overtijgen de tien minuten-grens ruim.
Het recept van de Mono-nummers is bij al die lange nummers hetzelfde. De muziek zwelt heel langzaam aan en eenvoudige thema’s worden herhaald en herhaald. Als na enkele minuten de bekkens worden beroerd is dat het signaal dat het volume zal toenemen en dat een gitaareruptie volgt. In de langste nummers zitten doorgaans twee van die erupties waar Mono klinkt als een dreigende vulkaan die meermaals uitbarst.
Het recept kán leiden tot heel spannende muziek, maar juist hier zit Mono’s zwakte. De nummers lijken te veel op elkaar en de variatie tussen en binnen de nummers is te gering. Dat is zonde, want ik heb de indruk dat de jongens van Mono het wel in zich hebben. Je mist toch de variëteit van Mogwai en de creativiteit van Sigur Rós. Het doet het goed op de achtergrond, maar voor intensieve luisterbeurten is dit alles toch te monotoon.
Mono zou je het Japanse broertje van Mogwai kunnen noemen. Ook Mono maakt languitgesponnen, spannende gitaarmuziek. De muziek is melancholisch, donker, orkestraal en bombastisch. En Mono is volledig instrumentaal, een verschil met het Schotse Mogwai dat heel soms naar de microfoon grijpt.
You are there verschilt wel van Mogwais laatste plaat Mr. Beast omdat uitgerekend op die plaat relatief korte nummer staan. Daardoor ontbeert die plaat soms de tergend langzame opbouw die dit soort muziek zijn spanning en verrassing kan geven. Vier van de zes nummer op You are there overtijgen de tien minuten-grens ruim.
Het recept van de Mono-nummers is bij al die lange nummers hetzelfde. De muziek zwelt heel langzaam aan en eenvoudige thema’s worden herhaald en herhaald. Als na enkele minuten de bekkens worden beroerd is dat het signaal dat het volume zal toenemen en dat een gitaareruptie volgt. In de langste nummers zitten doorgaans twee van die erupties waar Mono klinkt als een dreigende vulkaan die meermaals uitbarst.
Het recept kán leiden tot heel spannende muziek, maar juist hier zit Mono’s zwakte. De nummers lijken te veel op elkaar en de variatie tussen en binnen de nummers is te gering. Dat is zonde, want ik heb de indruk dat de jongens van Mono het wel in zich hebben. Je mist toch de variëteit van Mogwai en de creativiteit van Sigur Rós. Het doet het goed op de achtergrond, maar voor intensieve luisterbeurten is dit alles toch te monotoon.
My Latest Novel - Deaths and Entrances (2009)

4,5
1
geplaatst: 19 oktober 2009, 15:10 uur
Schotse folkrockers overtroeven glorieus eigen debuut
Drie jaar geleden debuteerde het Schotse gezelschap My Latest Novel met de prachtige folkrockplaat Wolves. Voor die plaat kwam ik toen al superlatieven tekort en hun nieuweling Deaths & entrances is eigenlijk nog ietsje beter. Het Schotse vijftal viel bij hun debuut al op door de gedurfde en verrassende aanpak. Ze speelden wondermooie liedjes die telkens een onverwachte wending maakten. En ze schuwden een stevige climax niet. Dat alles deed toen al aan Arcade Fire denken.
Die referentie is nu nog steeds terecht. Maar wat mij betreft neemt My Latest Novel wel degelijk een eigen plek in. Het prettige aan Arcade Fire is dat ze steeds tegen de ontsporing aanhangen, My Latest Novel blijft meer binnen een strakker pad, maar zoekt de schoonheid elders. Bijvoorbeeld: in mooie melodieën en harmonieën en dan in het bijzonder in de schitterende samenzang. Neem If the accident will, dat rustig met gitaar en zang begint, warm en intiem, en waar na anderhalve minuut onverwacht een glashelder begeleidingszanglijntje wordt ingezet.
Of afsluiter The greatest shakedown, dat met mooi verstilde meerstemmige zang inzet. Deze keer met de zang van violiste Laura MacFarlaneerbij. Opvallend, want op de meeste nummers komt de meerstemmige zang volledig voor rekening van drie mannen. Juist dat laatste maakt My Latest Novel zo anders dan anders. Meestal krijgt samenzang gelaagdheid door mannen- en vrouwenstemmen te combineren. Hier dragen mannen bijna alle zang, waarbij prachtig gebruikt wordt gemaakt van de verschillende klankkleuren die de stemmen hebben.
Grote pré ten opzichte van het debuut is dat deze plaat volwassener klinkt. En daar heeft de zang voor een belangrijk deel aan bijgedragen. Wolves is echt een jongensachtige plaat, terwijl Deaths & entrances juist meer neigt naar The Frames en Madrugada, vanwege de wat zwaardere zang. Het geeft de muziek nog meer diepte dan het op het debuut al had. Misschien hoor ik er dingen in die er niet zijn, maar de muziek komt ook net wat trefzekerder over.
De basis van de muziek is nog steeds gitaar en viool. Daarmee zetten ze een onbetwist folkgeluid neer. Als het moet worden ook andere instrumenten tevoorschijn getoverd, zoals accordeon, maar een bonte boel wordt het nergens. Steeds balanceren ze op het snijvlak van emotie en theater. De band kan heel ingehouden zijn en daarmee je rechtstreeks emotioneel raken, maar de stevige opbouw en de ontlading hoort ook absoluut bij My Latest Novel. En het liefst stoppen ze beide kanten in één nummer. Het Duitse Get Well Soon zou zomaar een muzikaal broertje kunnen zijn.
Veel Get Well Soon'er dan I declare a ceasefire krijg je het niet op deze plaat. Het is het prijsnummer van Deaths & entrances. Hier komt de veel krachtiger en diepere stem van Chris Deveney echt goed tot zijn recht. Als je al van My Latest Novel-klassiekers kan spreken bij een zo jonge band, dan is dit er een. Zacht en ingehouden begin op de gitaar, in de verte ondersteund door keyboardgeluiden, dan de krakende zangstem. We zijn al weer even op weg als de drums bijvallen en ook de achtergrondzang aanzwelt. Dan voel je al wel aan waar dit heen gaat. En die belofte wordt helemaal ingelost: na tweënhalve minuut zet de versnelling in, komen er steviger gitaren bij en wordt de zang uitbundig. Dan maakt de kracht van de herhaling het nummer af, tot je na bijna vijf minuten baalt dat dit prachtigs weer voorbij is.
Drie jaar geleden debuteerde het Schotse gezelschap My Latest Novel met de prachtige folkrockplaat Wolves. Voor die plaat kwam ik toen al superlatieven tekort en hun nieuweling Deaths & entrances is eigenlijk nog ietsje beter. Het Schotse vijftal viel bij hun debuut al op door de gedurfde en verrassende aanpak. Ze speelden wondermooie liedjes die telkens een onverwachte wending maakten. En ze schuwden een stevige climax niet. Dat alles deed toen al aan Arcade Fire denken.
Die referentie is nu nog steeds terecht. Maar wat mij betreft neemt My Latest Novel wel degelijk een eigen plek in. Het prettige aan Arcade Fire is dat ze steeds tegen de ontsporing aanhangen, My Latest Novel blijft meer binnen een strakker pad, maar zoekt de schoonheid elders. Bijvoorbeeld: in mooie melodieën en harmonieën en dan in het bijzonder in de schitterende samenzang. Neem If the accident will, dat rustig met gitaar en zang begint, warm en intiem, en waar na anderhalve minuut onverwacht een glashelder begeleidingszanglijntje wordt ingezet.
Of afsluiter The greatest shakedown, dat met mooi verstilde meerstemmige zang inzet. Deze keer met de zang van violiste Laura MacFarlaneerbij. Opvallend, want op de meeste nummers komt de meerstemmige zang volledig voor rekening van drie mannen. Juist dat laatste maakt My Latest Novel zo anders dan anders. Meestal krijgt samenzang gelaagdheid door mannen- en vrouwenstemmen te combineren. Hier dragen mannen bijna alle zang, waarbij prachtig gebruikt wordt gemaakt van de verschillende klankkleuren die de stemmen hebben.
Grote pré ten opzichte van het debuut is dat deze plaat volwassener klinkt. En daar heeft de zang voor een belangrijk deel aan bijgedragen. Wolves is echt een jongensachtige plaat, terwijl Deaths & entrances juist meer neigt naar The Frames en Madrugada, vanwege de wat zwaardere zang. Het geeft de muziek nog meer diepte dan het op het debuut al had. Misschien hoor ik er dingen in die er niet zijn, maar de muziek komt ook net wat trefzekerder over.
De basis van de muziek is nog steeds gitaar en viool. Daarmee zetten ze een onbetwist folkgeluid neer. Als het moet worden ook andere instrumenten tevoorschijn getoverd, zoals accordeon, maar een bonte boel wordt het nergens. Steeds balanceren ze op het snijvlak van emotie en theater. De band kan heel ingehouden zijn en daarmee je rechtstreeks emotioneel raken, maar de stevige opbouw en de ontlading hoort ook absoluut bij My Latest Novel. En het liefst stoppen ze beide kanten in één nummer. Het Duitse Get Well Soon zou zomaar een muzikaal broertje kunnen zijn.
Veel Get Well Soon'er dan I declare a ceasefire krijg je het niet op deze plaat. Het is het prijsnummer van Deaths & entrances. Hier komt de veel krachtiger en diepere stem van Chris Deveney echt goed tot zijn recht. Als je al van My Latest Novel-klassiekers kan spreken bij een zo jonge band, dan is dit er een. Zacht en ingehouden begin op de gitaar, in de verte ondersteund door keyboardgeluiden, dan de krakende zangstem. We zijn al weer even op weg als de drums bijvallen en ook de achtergrondzang aanzwelt. Dan voel je al wel aan waar dit heen gaat. En die belofte wordt helemaal ingelost: na tweënhalve minuut zet de versnelling in, komen er steviger gitaren bij en wordt de zang uitbundig. Dan maakt de kracht van de herhaling het nummer af, tot je na bijna vijf minuten baalt dat dit prachtigs weer voorbij is.
My Summer As a Salvation Soldier - Anarchists Are Hopeless Romantics (2005)

4,5
0
geplaatst: 14 november 2005, 21:55 uur
Getourmenteerde IJslander
Uit IJsland komt fantastische muziek. Van dat eiland komt niet alleen Björk en Sigur Rós, maar het bijzondere van IJsland is dat er in verhouding ontzettend veel alternatieve bandjes actief zijn. IJslanders zijn bovenmatig creatief en dat is te merken: Múm, Johann Johannsson, Mugison, Bang Gang, Slowblow, stuk voor stuk heel interessante bands en artiesten. Eens per kwartaal krijg ik de email-nieuwsbrief van de IJslandse internetmuziekwinkel Smekkleysa en de laatste keer kon ik me niet inhouden. Drie CD’s besteld, puur op de gok (alleen een korte omschrijving en af en toe een track te beluisteren).
Vorige week kwam het exotische pakketje binnen. 7oi met de aparte electronicaplaat Þið eruð ekki að taka mig nógu bókstaflega, Kira Kira’s debuutplaat Skotta (ook vooral electronische muziek) en Anarchists are hopeless romantics van My summer as a salvation soldier. Het geeft een ongelofelijk genoegen om drie van zulke totaal onbekende platen in huis te hebben. Dit is pas een muzikale ontdekkingstocht.
Op de eerste twee platen is iets van IJslands verstildheid terug te horen. Anarchists are hopeless romantics heeft weinig IJslands, maar is vooral een heel intense singer-songwriterplaat. Muzikant Þórir Georg is de eenmansband My summer as a salvation soldier. (Op de vraag naar het waarom van die bandnaam antwoordt Þórir Georg: “I needed a name really quickly, and oddly enough, this was the first thing that came to mind.”)
Þórir Georg maakt heel persoonlijke liedjes, met intense en scherpte teksten. Op de meeste liedjes begeleidt hij zichzelf alleen met gitaar, op een paar worden ook drums en piano uit de kast gehaald. De muziek doet mij het meest denken aan Mountain Goats (zie een eerdere log) al is deze singer-songwriter nog net een graadje aggressiever. De melodieën lijken soms een beetje op This Beautiful Mess, een beetje dezelfde zware aanzet van de liedjes.
Het meest opmerkelijke van de liedjes vind ik dat deze Þórir Georg op 21-jarige leeftijd wel erg volwassen, doorleefde en getourmenteerde teksten heeft. Mooie tekst vind ik bijvoorbeeld van The river, waarin de hoofdpersoon op zoek is naar houvast en geloof in het leven. Hij smeekt of Jezus alsjeblieft zijn werk wil doen, maar constateert dat de boodschap van God in deze wereld geen rol meer speelt:
“take me to the river
where I can drown my sorrows
I can fill my lungs with water
and reminisce better days
(…)
and sweet Jesus if you’re my saviour
I’m writing you this letter
today would be a good day
for you to do your thing
and I’m trying not to be greedy
Ttough I’m feeling pretty needy
it’s just that I could do a lot
with a little shot of faith”
Zoveel hunkering en teleurstelling en dan nog met die scherpe en onvaste stem van Þórir Georg maakt dit tot het mooiste liedje van de plaat. Luister hier Placebos and plastic knifes, ook van deze plaat.
Uit IJsland komt fantastische muziek. Van dat eiland komt niet alleen Björk en Sigur Rós, maar het bijzondere van IJsland is dat er in verhouding ontzettend veel alternatieve bandjes actief zijn. IJslanders zijn bovenmatig creatief en dat is te merken: Múm, Johann Johannsson, Mugison, Bang Gang, Slowblow, stuk voor stuk heel interessante bands en artiesten. Eens per kwartaal krijg ik de email-nieuwsbrief van de IJslandse internetmuziekwinkel Smekkleysa en de laatste keer kon ik me niet inhouden. Drie CD’s besteld, puur op de gok (alleen een korte omschrijving en af en toe een track te beluisteren).
Vorige week kwam het exotische pakketje binnen. 7oi met de aparte electronicaplaat Þið eruð ekki að taka mig nógu bókstaflega, Kira Kira’s debuutplaat Skotta (ook vooral electronische muziek) en Anarchists are hopeless romantics van My summer as a salvation soldier. Het geeft een ongelofelijk genoegen om drie van zulke totaal onbekende platen in huis te hebben. Dit is pas een muzikale ontdekkingstocht.
Op de eerste twee platen is iets van IJslands verstildheid terug te horen. Anarchists are hopeless romantics heeft weinig IJslands, maar is vooral een heel intense singer-songwriterplaat. Muzikant Þórir Georg is de eenmansband My summer as a salvation soldier. (Op de vraag naar het waarom van die bandnaam antwoordt Þórir Georg: “I needed a name really quickly, and oddly enough, this was the first thing that came to mind.”)
Þórir Georg maakt heel persoonlijke liedjes, met intense en scherpte teksten. Op de meeste liedjes begeleidt hij zichzelf alleen met gitaar, op een paar worden ook drums en piano uit de kast gehaald. De muziek doet mij het meest denken aan Mountain Goats (zie een eerdere log) al is deze singer-songwriter nog net een graadje aggressiever. De melodieën lijken soms een beetje op This Beautiful Mess, een beetje dezelfde zware aanzet van de liedjes.
Het meest opmerkelijke van de liedjes vind ik dat deze Þórir Georg op 21-jarige leeftijd wel erg volwassen, doorleefde en getourmenteerde teksten heeft. Mooie tekst vind ik bijvoorbeeld van The river, waarin de hoofdpersoon op zoek is naar houvast en geloof in het leven. Hij smeekt of Jezus alsjeblieft zijn werk wil doen, maar constateert dat de boodschap van God in deze wereld geen rol meer speelt:
“take me to the river
where I can drown my sorrows
I can fill my lungs with water
and reminisce better days
(…)
and sweet Jesus if you’re my saviour
I’m writing you this letter
today would be a good day
for you to do your thing
and I’m trying not to be greedy
Ttough I’m feeling pretty needy
it’s just that I could do a lot
with a little shot of faith”
Zoveel hunkering en teleurstelling en dan nog met die scherpe en onvaste stem van Þórir Georg maakt dit tot het mooiste liedje van de plaat. Luister hier Placebos and plastic knifes, ook van deze plaat.
