Hier kun je zien welke berichten verm1973 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Tamino - Every Dawn's a Mountain (2025)

4,5
2
geplaatst: 20 maart 2025, 10:49 uur
Recensie | Tamino - Every Dawn's A Mountain | Nieuweplaat.nl
Een van de vele lessen die de Egyptische mythologie ons leert is: niets verdwijnt voorgoed, alles transformeert. Denk bijvoorbeeld aan de zonnegod Ra of de mythe van Osiris. Op Every Dawn’s A Mountain lijkt de Belgisch-Egyptische zanger Tamino die eeuwenoude wijsheid te verweven met zijn eigen melancholische klankwereld. Rouw, verlies en loslaten zijn de drijvende krachten achter dit derde album, dat volgt op Sahar (2022) en Amir (2018).
Every Dawn’s A Mountain is een meer ingetogen album, waarop de aandacht vooral uitgaat naar sfeer en samenhang. My Heroine is het akoestische vertrekpunt. Het zijn met name de spaarzame kleine versieringen, de accenten op bepaalde noten in dit openingslied, die je direct meenemen naar de wereld van Sheherazade en Sjahriaar. My Heroine is een schoolvoorbeeld van de wijze waarop Tamino’s zang niet alleen melodie, maar ook emotie etaleert.
Babylon is een lied dat zich niet zomaar volledig blootgeeft. Het is intiem en zacht, maar houdt ook iets mysterieus. Alsof het je uitnodigt om langzaam dichterbij te komen. Die afstandelijkheid maakt het juist een intrigerend lied met een eigen wil. Alleen degene die écht luistert krijgt toegang tot de diepere lagen. De stad Babylon ging uiteindelijk ten onder aan corruptie en hoogmoed. Dit gegeven dient in het lied Babylon als beeldspraak over het bewust laten gaan van iets waardevols omdat het niet langer kan bestaan zoals het was. Bijzonder fraai.
Titeltrack Every Dawn’s a Mountain is een melancholisch en diep doorleefd nummer over rouw, vervreemding en de zoektocht naar een thuis dat niet meer bestaat. ‘Cleaning off the dust, drinking from the fountain/Toiling in the blood, every dawn’s a mountain.’ Hoewel de dageraad normaliter symbool staat voor een nieuw begin, is het hier een berg—iets dat overwonnen moet worden, een last. De songtekst ademt verlies, rouw en suggereert dat elke nieuwe dag voelt als een zware klim, een uitdaging die de ik-persoon uit het lied zonder de ander moet aangaan. De begeleidende ritmesessie met haast tranceachtige klanken geeft extra lading aan de emotie. Betoverend beklemmend.
Het duet Sanctuary met de Japans-Amerikaanse zangeres Mitski tapt uit een wat rijker bedeeld vaatje. Drums en elektrische gitaar zijn prominenter aanwezig dan de voorgaande tracks op deze plaat. Hoe mooi die tracks ook waren, Sanctuary komt op een geschikt moment om het drukkende gewicht even los te laten. In de wiegende driekwartsmaat voel je de lente die zich aandient, ook al biedt de tekst daar geen enkele aanleiding toe. Die gaat over twee personen die vanuit verschillend perspectief dezelfde pijn ervaren: de een is afgedwaald en vervreemd geraakt, de ander houdt vast aan een verleden dat teleurstelt.
Het kraakheldere geluid van de stem van Tamino verdient bijzondere aandacht. In songs als Elegy en Dissolve laat hij die de vrije ruimte in alle windrichtingen. Het Damien Rice-achtige breekbare en emotioneel fragiele, het Tom Chaplin-achtige (Keane) helder engelachtige timbre in de hoogte, het intens melancholische van Jeff Buckley en het dromerig etherische bereik van Thom Yorke (Radiohead). En dat alles vervat in één persoon. De eerder genoemde kleine versieringen die Tamino toevoegt aan sommige noten in een lied ‘“verklappen’” zijn Arabische roots. Het gebruik van de oed (een druppelvormig houten snaarinstrument) benadrukt dit nogmaals.
Waar veel nummers op Every Dawn’s A Mountain worstelen met rouw, verlies en loslaten, voelt het afsluitende Amsterdam meer als een reflectie met een zekere berusting. Het verdriet en de herinneringen zijn er nog, maar ze worden niet meer op dezelfde manier bevochten als het geval was in de voorafgaande negen tracks. De herhaling van de zin ‘I know now how it ends’ voelt eerder als een aanvaarding dan als een dramatische conclusie. Amsterdam is een fijne afsluiter: het brengt een soort afronding, een eindpunt waarop alles samenkomt en een plek krijgt.
Bij de albumpresentatie vertelde Tamino dat Every Dawn’s A Mountain “de meest harmonieuze plaat [is] die ik tot nu toe heb gemaakt.” Rustend op snaarinstrumenten als cello, oed en gitaar, en veelal ingetogen percussie en drums, is Every Dawn’s A Mountain meer een folkalbum geworden—meer een sobere luisterplaat. De mal waarin lijvige thema’s als rouw, verlies en loslaten nu gegoten zijn luistert veel vrijer, dieper en intenser. Je zou kunnen zeggen (als we de Egyptische mythologie er nogmaals bij pakken) ze zijn getransformeerd. En hoe!
Een van de vele lessen die de Egyptische mythologie ons leert is: niets verdwijnt voorgoed, alles transformeert. Denk bijvoorbeeld aan de zonnegod Ra of de mythe van Osiris. Op Every Dawn’s A Mountain lijkt de Belgisch-Egyptische zanger Tamino die eeuwenoude wijsheid te verweven met zijn eigen melancholische klankwereld. Rouw, verlies en loslaten zijn de drijvende krachten achter dit derde album, dat volgt op Sahar (2022) en Amir (2018).
Every Dawn’s A Mountain is een meer ingetogen album, waarop de aandacht vooral uitgaat naar sfeer en samenhang. My Heroine is het akoestische vertrekpunt. Het zijn met name de spaarzame kleine versieringen, de accenten op bepaalde noten in dit openingslied, die je direct meenemen naar de wereld van Sheherazade en Sjahriaar. My Heroine is een schoolvoorbeeld van de wijze waarop Tamino’s zang niet alleen melodie, maar ook emotie etaleert.
Babylon is een lied dat zich niet zomaar volledig blootgeeft. Het is intiem en zacht, maar houdt ook iets mysterieus. Alsof het je uitnodigt om langzaam dichterbij te komen. Die afstandelijkheid maakt het juist een intrigerend lied met een eigen wil. Alleen degene die écht luistert krijgt toegang tot de diepere lagen. De stad Babylon ging uiteindelijk ten onder aan corruptie en hoogmoed. Dit gegeven dient in het lied Babylon als beeldspraak over het bewust laten gaan van iets waardevols omdat het niet langer kan bestaan zoals het was. Bijzonder fraai.
Titeltrack Every Dawn’s a Mountain is een melancholisch en diep doorleefd nummer over rouw, vervreemding en de zoektocht naar een thuis dat niet meer bestaat. ‘Cleaning off the dust, drinking from the fountain/Toiling in the blood, every dawn’s a mountain.’ Hoewel de dageraad normaliter symbool staat voor een nieuw begin, is het hier een berg—iets dat overwonnen moet worden, een last. De songtekst ademt verlies, rouw en suggereert dat elke nieuwe dag voelt als een zware klim, een uitdaging die de ik-persoon uit het lied zonder de ander moet aangaan. De begeleidende ritmesessie met haast tranceachtige klanken geeft extra lading aan de emotie. Betoverend beklemmend.
Het duet Sanctuary met de Japans-Amerikaanse zangeres Mitski tapt uit een wat rijker bedeeld vaatje. Drums en elektrische gitaar zijn prominenter aanwezig dan de voorgaande tracks op deze plaat. Hoe mooi die tracks ook waren, Sanctuary komt op een geschikt moment om het drukkende gewicht even los te laten. In de wiegende driekwartsmaat voel je de lente die zich aandient, ook al biedt de tekst daar geen enkele aanleiding toe. Die gaat over twee personen die vanuit verschillend perspectief dezelfde pijn ervaren: de een is afgedwaald en vervreemd geraakt, de ander houdt vast aan een verleden dat teleurstelt.
Het kraakheldere geluid van de stem van Tamino verdient bijzondere aandacht. In songs als Elegy en Dissolve laat hij die de vrije ruimte in alle windrichtingen. Het Damien Rice-achtige breekbare en emotioneel fragiele, het Tom Chaplin-achtige (Keane) helder engelachtige timbre in de hoogte, het intens melancholische van Jeff Buckley en het dromerig etherische bereik van Thom Yorke (Radiohead). En dat alles vervat in één persoon. De eerder genoemde kleine versieringen die Tamino toevoegt aan sommige noten in een lied ‘“verklappen’” zijn Arabische roots. Het gebruik van de oed (een druppelvormig houten snaarinstrument) benadrukt dit nogmaals.
Waar veel nummers op Every Dawn’s A Mountain worstelen met rouw, verlies en loslaten, voelt het afsluitende Amsterdam meer als een reflectie met een zekere berusting. Het verdriet en de herinneringen zijn er nog, maar ze worden niet meer op dezelfde manier bevochten als het geval was in de voorafgaande negen tracks. De herhaling van de zin ‘I know now how it ends’ voelt eerder als een aanvaarding dan als een dramatische conclusie. Amsterdam is een fijne afsluiter: het brengt een soort afronding, een eindpunt waarop alles samenkomt en een plek krijgt.
Bij de albumpresentatie vertelde Tamino dat Every Dawn’s A Mountain “de meest harmonieuze plaat [is] die ik tot nu toe heb gemaakt.” Rustend op snaarinstrumenten als cello, oed en gitaar, en veelal ingetogen percussie en drums, is Every Dawn’s A Mountain meer een folkalbum geworden—meer een sobere luisterplaat. De mal waarin lijvige thema’s als rouw, verlies en loslaten nu gegoten zijn luistert veel vrijer, dieper en intenser. Je zou kunnen zeggen (als we de Egyptische mythologie er nogmaals bij pakken) ze zijn getransformeerd. En hoe!
Taylor Swift - The Tortured Poets Department (2024)
Alternatieve titel: The Anthology

4,5
4
geplaatst: 19 april 2024, 13:54 uur
Een albumrelease van Taylor Swift gaat de laatste jaren niet zonder opvallende en/of afwijkende gebeurtenissen, zo ook niet bij haar nieuwste plaat The Tortured Poets Department. Kranten, tijdschriften en muziekplatforms waren er vanochtend in alle vroegte bij om hun recensies over deze zestien tracks tellende lp met de wereld te delen. En toen kwam Swift met een verrassing: enkele uren na het uitbrengen van The Tortured Poets Department verschenen nog eens vijftien nieuwe songs en werd de titel van de plaat aangevuld tot The Tortured Poets Department: The Anthology. In totaal dus eenendertig tracks met een lengte van iets meer dan twee uur!
Het album begint met Fortnight, een duet met Post Malone. Of duet, eigenlijk is het meer het muzikale equivalent van de ‘Where’s Waldo?’-zoekplaatjes, want het is flink zoeken om ergens de stem van Malone te ontdekken. Deze voorzichtige, veilige opener wordt opgevolgd door titeltrack The Tortured Poets Department. ‘You left your typewriter at my apartment/ Straight from the tortured poets department’ zingt Swift in de twee openingszinnen, waarin ze lijkt te verwijzen naar Matty Healy. Met deze zanger van The 1975 heeft Swift enkele jaren een relatie gehad en volgens ingewijden staat een deel van de liedjes op dit album in het teken van het verwerken van het stuklopen van de relatie tussen de twee. Maar zoals we inmiddels gewend zijn van Swift schrijft ze haar teksten met subtiele verwijzingen, veel metaforen en een scala aan protagonisten. De échte betekenis blijkt pas na verloop van tijd.
Over Swift als songwriter wordt nog wel eens badinerend gedaan, maar al jarenlang toont zij zich een grootmeester in het schrijven van songs en mag zich met gemak meten aan levende legendes als Billy Joel, Carole King en Bruce Springsteen. Het lied Fresh Out The Slammer bijvoorbeeld. Deze songtekst kent een kwadratische benadering en gaat in letterlijke zin over iemand die terugkeert naar huis, naar zijn of haar geliefde, na het ervaren van gevangenisstraf. In metaforische zin gaat het over het vinden van vergeving, zowel van anderen als in jezelf, en het omarmen van een nieuw begin. Daarnaast is deze tekst ook persoonlijk op Swift van toepassing, maar tegelijkertijd universeel verwoord waardoor het voor iedereen een eigen betekenis in zich herbergt. Bijzonder knap geschreven.
Over het lied Florida!!!, een duet met Florence + The Machine, kunnen we kort zijn: een lelijke mispeer. Daar staat even verderop wel het prachtig verstilde loml tegenover. Waar deze afkorting normaliter gebruikt wordt voor ‘love of my life’, betekent het in Swift-taal ‘loss of my life’. ‘When your impressionist paintings of heaven turned out to be fakes/ Well, you took me to hell too.’ Hier voegt Swift nog een vijfde element toe aan een songtekst. Deze zinnen verwijzen namelijk naar het lied peace van het album Folkore dat hierdoor op The Tortured Poets Department: The Anthology een soort sequal krijgt.
Al eerder viel de naam Billy Joel. Welnu, het lied Peter – een typische Swift bad break-up song – had rechtsreeks van zijn hand kunnen komen. Het pianospel, akkoordenschema en het gevoel van hoop tegen beter weten in; alles ademt Joel. Een van de vele hoogtepunten die The Tortured Poets Department: The Anthology rijk is. De laatste klanken van het slotlied The Manuscript bieden onderdak aan misschien wel de meest droevige zinnen van de hele plaat. ‘One last souvenir from my trip to your shore/ Now and then I reread the manuscript, but the story isn’t mine anymore.’ Je voelt het verdriet, de ontnuchterende werking van de realiteit en de dappere (falende) poging tot berusting uit de speakers druipen. Neem de tijd u even te herpakken na dit slotakkoord.
Na iets meer dan twee uur luistergenot is de conclusie dat we verbaasd zijn dat Taylor Swift ons wéér weet te verbazen. Niet meteen in het eerste deel van The Tortured Poets Department: The Anthology dat qua sound meer naar de albums Midnights (2022) en 1989 (2014) hangt. In de eerste vijftien à zestien songs zijn het de dreampop-klanken die te horen zijn op Midnights die de boventoon voeren, maar de r&b-georiënteerde synthpop van 1989 is niet ver weg. Dit deel van The Tortured Poets Department: The Anthology heeft – oneerbiedig geschetst – de neiging iets meer als achtergrondmuziek te fungeren. Het tweede deel eist veel meer de aandacht op en tilt de gehele plaat naar een verwonderende luisterervaring die sterke overeenkomsten vertoont met de indiefolk-georiënteerde albums Folklore en Evermore (beiden uit 2020). Swift weet je tegelijkertijd haar (of jouw eigen) verdriet te laten voelen en biedt in hetzelfde moment een troostrijke, dichterlijke schouder vol compassie en mededogen. Of zoals Stef Bos ooit zong: ‘Was ik maar een dichter, dan kon in dichter bij jou zijn…’
Taylor Swift - The Tortured Poets Department: The Anthology - nieuweplaat.nl
Het album begint met Fortnight, een duet met Post Malone. Of duet, eigenlijk is het meer het muzikale equivalent van de ‘Where’s Waldo?’-zoekplaatjes, want het is flink zoeken om ergens de stem van Malone te ontdekken. Deze voorzichtige, veilige opener wordt opgevolgd door titeltrack The Tortured Poets Department. ‘You left your typewriter at my apartment/ Straight from the tortured poets department’ zingt Swift in de twee openingszinnen, waarin ze lijkt te verwijzen naar Matty Healy. Met deze zanger van The 1975 heeft Swift enkele jaren een relatie gehad en volgens ingewijden staat een deel van de liedjes op dit album in het teken van het verwerken van het stuklopen van de relatie tussen de twee. Maar zoals we inmiddels gewend zijn van Swift schrijft ze haar teksten met subtiele verwijzingen, veel metaforen en een scala aan protagonisten. De échte betekenis blijkt pas na verloop van tijd.
Over Swift als songwriter wordt nog wel eens badinerend gedaan, maar al jarenlang toont zij zich een grootmeester in het schrijven van songs en mag zich met gemak meten aan levende legendes als Billy Joel, Carole King en Bruce Springsteen. Het lied Fresh Out The Slammer bijvoorbeeld. Deze songtekst kent een kwadratische benadering en gaat in letterlijke zin over iemand die terugkeert naar huis, naar zijn of haar geliefde, na het ervaren van gevangenisstraf. In metaforische zin gaat het over het vinden van vergeving, zowel van anderen als in jezelf, en het omarmen van een nieuw begin. Daarnaast is deze tekst ook persoonlijk op Swift van toepassing, maar tegelijkertijd universeel verwoord waardoor het voor iedereen een eigen betekenis in zich herbergt. Bijzonder knap geschreven.
Over het lied Florida!!!, een duet met Florence + The Machine, kunnen we kort zijn: een lelijke mispeer. Daar staat even verderop wel het prachtig verstilde loml tegenover. Waar deze afkorting normaliter gebruikt wordt voor ‘love of my life’, betekent het in Swift-taal ‘loss of my life’. ‘When your impressionist paintings of heaven turned out to be fakes/ Well, you took me to hell too.’ Hier voegt Swift nog een vijfde element toe aan een songtekst. Deze zinnen verwijzen namelijk naar het lied peace van het album Folkore dat hierdoor op The Tortured Poets Department: The Anthology een soort sequal krijgt.
Al eerder viel de naam Billy Joel. Welnu, het lied Peter – een typische Swift bad break-up song – had rechtsreeks van zijn hand kunnen komen. Het pianospel, akkoordenschema en het gevoel van hoop tegen beter weten in; alles ademt Joel. Een van de vele hoogtepunten die The Tortured Poets Department: The Anthology rijk is. De laatste klanken van het slotlied The Manuscript bieden onderdak aan misschien wel de meest droevige zinnen van de hele plaat. ‘One last souvenir from my trip to your shore/ Now and then I reread the manuscript, but the story isn’t mine anymore.’ Je voelt het verdriet, de ontnuchterende werking van de realiteit en de dappere (falende) poging tot berusting uit de speakers druipen. Neem de tijd u even te herpakken na dit slotakkoord.
Na iets meer dan twee uur luistergenot is de conclusie dat we verbaasd zijn dat Taylor Swift ons wéér weet te verbazen. Niet meteen in het eerste deel van The Tortured Poets Department: The Anthology dat qua sound meer naar de albums Midnights (2022) en 1989 (2014) hangt. In de eerste vijftien à zestien songs zijn het de dreampop-klanken die te horen zijn op Midnights die de boventoon voeren, maar de r&b-georiënteerde synthpop van 1989 is niet ver weg. Dit deel van The Tortured Poets Department: The Anthology heeft – oneerbiedig geschetst – de neiging iets meer als achtergrondmuziek te fungeren. Het tweede deel eist veel meer de aandacht op en tilt de gehele plaat naar een verwonderende luisterervaring die sterke overeenkomsten vertoont met de indiefolk-georiënteerde albums Folklore en Evermore (beiden uit 2020). Swift weet je tegelijkertijd haar (of jouw eigen) verdriet te laten voelen en biedt in hetzelfde moment een troostrijke, dichterlijke schouder vol compassie en mededogen. Of zoals Stef Bos ooit zong: ‘Was ik maar een dichter, dan kon in dichter bij jou zijn…’
Taylor Swift - The Tortured Poets Department: The Anthology - nieuweplaat.nl
The Black Crowes - Happiness Bastards (2024)

3,0
0
geplaatst: 15 maart 2024, 12:49 uur
De Amerikaanse bluesrockband The Black Crowes kent een lange geschiedenis van ruzies, twisten en vetes zoals alleen broers dat kunnen. De samenstelling van The Black Crowes is in de afgelopen decennia meermaals gewijzigd, maar wat bleef was het centrale duo: de broers Chris en Rich Robinson. Na elkaar weer eens een periode van jaren niet gesproken te hebben werd het tijd voor de zoveelste reünie en een nieuw album: Happiness Bastards. Het ‘Happiness’-deel van de titel van dit tiende studioalbum verwijst naar de verzoening tussen de broers. Het ‘Bastards’-deel naar het gegeven ‘dat we zijn nog steeds klootzakken zijn’, zoals gitarist Rich Robinson liet optekenen in een interview met het Britse boulevardblad The Sun. Al met al voldoende ingrediënten als voedingsbodem voor de nieuwsgierigheid.
Bij de eerste luisterbeurt van Happiness Bastards vallen twee dingen op: het enorme plezier waarmee de tien nieuwe nummers gespeeld worden en de stem van zanger Chris Robinson. Zijn nasale, wat scherpe stemgeluid is altijd het ‘unique selling point’ van de Crowes geweest. Op hun laatste studioalbum uit 2009, Before the Frost…Until the Freeze, was al wat sleetsheid te horen. Op albumopener van Happiness Bastards – het stampende Bedside Manners – doet de stem van Robinson zich nog minder gelden dan op de vorige plaat. Op zichzelf hoeft dit geen bezwaar te zijn, er zijn immers genoeg artiesten waarvan met de jaren de klankkleur van hun stem verandert. In dit geval echter lijkt door de verandering, de aantrekkingskracht van de band een deuk opgelopen te hebben. Tekstueel zit het echter prima in elkaar met originele vondsten als ‘Ride the Black Mariah’; een zwart politiebusje dat dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw.
In het lied Cross Your Fingers horen we wél (vleugjes) van de kwaliteit van het ‘oude’ The Black Crowes. Het is wat minder bombastisch, minder vol qua geluid dan de voorgaande tracks op deze plaat, waardoor er meer ruimte en aandacht is voor de zangpartijen. Toch blijft het allemaal een beetje neutraal en ondanks de energie waarmee de nummers aan de man worden gebracht, echt overtuigen doet het nog niet. Wanting And Waiting doet dat wél. Aangename en aantrekkelijke southern rock zoals we die kennen van The Allman Brothers Band, Lynyrd Skynyrd en ZZ Top. Wanting And Waiting ademt een soortgelijke sfeer als Jealous Again van het debuutalbum Shake Your Money Maker van de Crowes uit 1990.
Kindred Friend (dat de eerste dertig seconden klinkt als Acda en de Munnik) is tegelijkertijd albumafsluiter en –hoogtepunt. Mooie mondharmonica, sterke vocalen van zowel Robinson als de achtergrondzang, sfeervol strijkorkest en oprechte lyriek. ‘Oh, kindred friend, where have you been?/ Guess it’s been a while.’ Het heeft alle facetten van een make-up-song, waarbij de onverbrekelijk geachte band tussen broers opnieuw gesmeed wordt met behulp van tijd. Prachtig.
Over tijd gesproken; tijd is de enige dimensie die ons in staat stelt het verleden te herinneren. In het geval van The Black Crowes gaat die herinnering al snel uit naar het succes van de beginjaren met nummers als Hard To Handle, She Talks To Angels, het eerder genoemde Jealous Again en uiteraard hun grootste hit Remedy. Sinds die gloriejaren is er veel gebeurd en is ook voor de gebroeders Robinson de tijd een dimensie gebleken waaruit wijsheid te destilleren valt. Dat is terug te horen op Happiness Bastards. Het album steekt boven het maaiveld uit door goede songteksten, maar muzikaal is de scherpte er misschien wat af waardoor Happiness Bastards een doorsnee album geworden is. Aan plezier en energie ontbreekt het de band echter zeker niet. Wie daar met eigen ogen en oren getuige van wil zijn kan op 22 mei terecht in de AFAS Live als The Black Crowes Amsterdam aandoet.
The Black Crowes - Happiness Bastards - nieuweplaat.nl
Bij de eerste luisterbeurt van Happiness Bastards vallen twee dingen op: het enorme plezier waarmee de tien nieuwe nummers gespeeld worden en de stem van zanger Chris Robinson. Zijn nasale, wat scherpe stemgeluid is altijd het ‘unique selling point’ van de Crowes geweest. Op hun laatste studioalbum uit 2009, Before the Frost…Until the Freeze, was al wat sleetsheid te horen. Op albumopener van Happiness Bastards – het stampende Bedside Manners – doet de stem van Robinson zich nog minder gelden dan op de vorige plaat. Op zichzelf hoeft dit geen bezwaar te zijn, er zijn immers genoeg artiesten waarvan met de jaren de klankkleur van hun stem verandert. In dit geval echter lijkt door de verandering, de aantrekkingskracht van de band een deuk opgelopen te hebben. Tekstueel zit het echter prima in elkaar met originele vondsten als ‘Ride the Black Mariah’; een zwart politiebusje dat dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw.
In het lied Cross Your Fingers horen we wél (vleugjes) van de kwaliteit van het ‘oude’ The Black Crowes. Het is wat minder bombastisch, minder vol qua geluid dan de voorgaande tracks op deze plaat, waardoor er meer ruimte en aandacht is voor de zangpartijen. Toch blijft het allemaal een beetje neutraal en ondanks de energie waarmee de nummers aan de man worden gebracht, echt overtuigen doet het nog niet. Wanting And Waiting doet dat wél. Aangename en aantrekkelijke southern rock zoals we die kennen van The Allman Brothers Band, Lynyrd Skynyrd en ZZ Top. Wanting And Waiting ademt een soortgelijke sfeer als Jealous Again van het debuutalbum Shake Your Money Maker van de Crowes uit 1990.
Kindred Friend (dat de eerste dertig seconden klinkt als Acda en de Munnik) is tegelijkertijd albumafsluiter en –hoogtepunt. Mooie mondharmonica, sterke vocalen van zowel Robinson als de achtergrondzang, sfeervol strijkorkest en oprechte lyriek. ‘Oh, kindred friend, where have you been?/ Guess it’s been a while.’ Het heeft alle facetten van een make-up-song, waarbij de onverbrekelijk geachte band tussen broers opnieuw gesmeed wordt met behulp van tijd. Prachtig.
Over tijd gesproken; tijd is de enige dimensie die ons in staat stelt het verleden te herinneren. In het geval van The Black Crowes gaat die herinnering al snel uit naar het succes van de beginjaren met nummers als Hard To Handle, She Talks To Angels, het eerder genoemde Jealous Again en uiteraard hun grootste hit Remedy. Sinds die gloriejaren is er veel gebeurd en is ook voor de gebroeders Robinson de tijd een dimensie gebleken waaruit wijsheid te destilleren valt. Dat is terug te horen op Happiness Bastards. Het album steekt boven het maaiveld uit door goede songteksten, maar muzikaal is de scherpte er misschien wat af waardoor Happiness Bastards een doorsnee album geworden is. Aan plezier en energie ontbreekt het de band echter zeker niet. Wie daar met eigen ogen en oren getuige van wil zijn kan op 22 mei terecht in de AFAS Live als The Black Crowes Amsterdam aandoet.
The Black Crowes - Happiness Bastards - nieuweplaat.nl
The Doobie Brothers - Walk This Road (2025)

2,5
3
geplaatst: 6 juni 2025, 11:38 uur
De kern van de Amerikaanse band The Doobie Brothers wordt gevormd door Patrick Simmons, Tom Johnston en Michael McDonald. In de periode Simmons/Johnston leidde dat tot internationaal succes met hits als Listen To The Music en Long Train Runnin’. In de periode Simmons/McDonald werd de sound soulvoller met hits als What A Fool Believes en Takin’ It To The Streets.
Johnston en McDonald konden moeilijk door één deur, waardoor de unieke situatie is ontstaan dat beide bandleden in het 54-jarige bestaan van The Doobie Brothers nog nooit samen aan één album gewerkt hebben. Tot nu, want op Walk This Road treffen de drie hoofdrolspelers elkaar voor het eerst tegelijk op een en dezelfde plaat.
Nu is ‘treffen’ wat eufemistisch; het lijkt er meer op dat Johnston en McDonald elkaar gedogen. Als we de credits bij dit album erop naslaan blijkt dat beide heren zich beperken tot het zingen van liedjes die zij zelf geschreven hebben. Enige vorm van kruisbestuiving is tot een minimum beperkt. Mocht er al sprake zijn van een pikorde dan is McDonald de winnaar, want hij mag de openingstrack en tevens naamgever van de albumtitel Walk This Road voor zijn rekening nemen.
Het onmiskenbare stemgeluid van Michael McDonald is ook op zijn drieënzeventigste nog steeds om kippenvel van te krijgen. Fluweel schuurpapier afgewerkt met een vernislaagje van honing en whisky. ‘Walk this road with me/And we'll see just where it goes’ zijn de eerste veelzeggende zinnen. Alsof hij op deze manier laat blijken hoe hij tegen deze hernieuwde samenwerking aankijkt. Vrij vertaald: we zien wel waar het schip strandt. De toevoeging van gospel-zangeres Mavis Staples is niet meer dan een voetnoot, want een meerwaarde heeft het niet. Gemiste kans, want hier had Johnston een rol van betekenis kunnen vervullen. Op Angels & Mercy neemt Simmons de leadzang voor zijn rekening en laat hij de meer countryrock-sound van The Doobie Brothers horen. Het klinkt prima verzorgd, maar tekstueel wel sleets en clichématig. Je kunt er een bingokaart van opendeuren uit de popmuziek mee samenstellen. In één moeite kun je de derde track Call Me hierbij betrekken.
Is het dan een album vol kommer en kwel? Zeker niet. Tenminste, niet als McDonald de leadzang voor zijn rekening neemt. Dat geeft de songs een andere energie, beleving en overtuiging. Learn To Let Go is daar een uitstekend voorbeeld van, hoewel daar bij gezegd moet worden dat dit mede komt doordat dit lied nadrukkelijk herinnert aan McDonalds wereldhit I Keep Forgettin' (Every Time You're Near) uit 1982. Volautomatisch – voor de kenners van McDonalds solowerk – hoor je op Learn To Let Go Kenny Loggins de backingvocals zingen, hoewel daar nergens melding van gemaakt wordt.
Met The Kind That Lasts doen The Doobie Brothers een poging om ook eens uit een ander vaatje te tappen. Het resulteert in quasi-reggae die wat houterig ten uitvoer wordt gebracht. New Orleans compenseert dat, want deze prima bluesrock klinkt als The Rolling Stones in energieke tijden.
"We zijn allemaal ouder geworden. De muziek verbindt ons weer, en het verleden is geen blok aan het been meer", zo liet McDonald recent optekenen in een interview met MusiCast. Toch is dat niet hoe Walk This Road luistert. Door de tien tracks te verdelen over de drie leadzangers, in genre naar persoonlijke voorkeur, is Walk This Road een weinig samenhangend album geworden. Er lijkt eerder sprake te zijn van een gedoogconstructie dan van samenwerking. De gezamenlijke aanwezigheid van Johnston, McDonald en Simmons op dit zestiende studioalbum van de band is toch vooral symbolisch. Daarmee is deze plaat een plaat van gemiste kansen, want aan alles voel je dat er meer in had gezeten. Een gevoel dat met honing niet is weg te krijgen. Met whisky misschien.
Johnston en McDonald konden moeilijk door één deur, waardoor de unieke situatie is ontstaan dat beide bandleden in het 54-jarige bestaan van The Doobie Brothers nog nooit samen aan één album gewerkt hebben. Tot nu, want op Walk This Road treffen de drie hoofdrolspelers elkaar voor het eerst tegelijk op een en dezelfde plaat.
Nu is ‘treffen’ wat eufemistisch; het lijkt er meer op dat Johnston en McDonald elkaar gedogen. Als we de credits bij dit album erop naslaan blijkt dat beide heren zich beperken tot het zingen van liedjes die zij zelf geschreven hebben. Enige vorm van kruisbestuiving is tot een minimum beperkt. Mocht er al sprake zijn van een pikorde dan is McDonald de winnaar, want hij mag de openingstrack en tevens naamgever van de albumtitel Walk This Road voor zijn rekening nemen.
Het onmiskenbare stemgeluid van Michael McDonald is ook op zijn drieënzeventigste nog steeds om kippenvel van te krijgen. Fluweel schuurpapier afgewerkt met een vernislaagje van honing en whisky. ‘Walk this road with me/And we'll see just where it goes’ zijn de eerste veelzeggende zinnen. Alsof hij op deze manier laat blijken hoe hij tegen deze hernieuwde samenwerking aankijkt. Vrij vertaald: we zien wel waar het schip strandt. De toevoeging van gospel-zangeres Mavis Staples is niet meer dan een voetnoot, want een meerwaarde heeft het niet. Gemiste kans, want hier had Johnston een rol van betekenis kunnen vervullen. Op Angels & Mercy neemt Simmons de leadzang voor zijn rekening en laat hij de meer countryrock-sound van The Doobie Brothers horen. Het klinkt prima verzorgd, maar tekstueel wel sleets en clichématig. Je kunt er een bingokaart van opendeuren uit de popmuziek mee samenstellen. In één moeite kun je de derde track Call Me hierbij betrekken.
Is het dan een album vol kommer en kwel? Zeker niet. Tenminste, niet als McDonald de leadzang voor zijn rekening neemt. Dat geeft de songs een andere energie, beleving en overtuiging. Learn To Let Go is daar een uitstekend voorbeeld van, hoewel daar bij gezegd moet worden dat dit mede komt doordat dit lied nadrukkelijk herinnert aan McDonalds wereldhit I Keep Forgettin' (Every Time You're Near) uit 1982. Volautomatisch – voor de kenners van McDonalds solowerk – hoor je op Learn To Let Go Kenny Loggins de backingvocals zingen, hoewel daar nergens melding van gemaakt wordt.
Met The Kind That Lasts doen The Doobie Brothers een poging om ook eens uit een ander vaatje te tappen. Het resulteert in quasi-reggae die wat houterig ten uitvoer wordt gebracht. New Orleans compenseert dat, want deze prima bluesrock klinkt als The Rolling Stones in energieke tijden.
"We zijn allemaal ouder geworden. De muziek verbindt ons weer, en het verleden is geen blok aan het been meer", zo liet McDonald recent optekenen in een interview met MusiCast. Toch is dat niet hoe Walk This Road luistert. Door de tien tracks te verdelen over de drie leadzangers, in genre naar persoonlijke voorkeur, is Walk This Road een weinig samenhangend album geworden. Er lijkt eerder sprake te zijn van een gedoogconstructie dan van samenwerking. De gezamenlijke aanwezigheid van Johnston, McDonald en Simmons op dit zestiende studioalbum van de band is toch vooral symbolisch. Daarmee is deze plaat een plaat van gemiste kansen, want aan alles voel je dat er meer in had gezeten. Een gevoel dat met honing niet is weg te krijgen. Met whisky misschien.
The Last Dinner Party - From the Pyre (2025)

3,5
0
geplaatst: 17 oktober 2025, 08:09 uur
https://www.nieuweplaat.nl/album/the-last-dinner-party-from-the-pyre/
Er zijn in 2024 weinig debuutalbums geweest die meer indruk hebben gemaakt dan dat van The Last Dinner Party: Prelude To Ecstasy. En slechts anderhalf jaar later is daar al de opvolger met de titel From The Pyre. De weinige tijd tussen het debuut en haar opvolger kan meerdere redenen hebben: blakende creativiteit en het benutten van het momentum zijn er twee van. Het zorgt ervoor dat we From The Pyre enigszins met argusoren beluisteren.
De songteksten hebben, wellicht nog meer dan op de eerste lp, (wederom) een eigenaardige inhoud. Zo heeft het lied Agnus Dei (vertaald: het lam van God) een vreemde mix van Bijbelse symboliek en romantische erotiek, waarbij het klinkt alsof religieuze verering de bron is van persoonlijk lijden dat uiteindelijk leidt tot de ondergang. Een tekst die zowel geopolitiek als individueel geïnterpreteerd kan worden. Wat te denken van een openingszin als ‘Let the snake bite/Let her crawl under your skin’ in het nummer Count The Ways. De slang – een klassiek symbool van verleiding en kennis – doet hier dienst als brenger van vergif en besmetting. Daarmee verandert een liefdesverhaal met een paar pennenstreken in een doodsritueel. Op deze manier krijgen veel van de tien tracks op dit album iets Halloween-achtigs: macabere beeldtaal, theatrale overdrijving en speelse horrorromantiek.
Muzikaal wordt een minstens zo grote trukendoos opengetrokken: dramatische orkestraties, vocalen die klinken als heksenbezweringen en onvoorspelbare ritmes. Woman In A Tree en Second Best zijn exemplarisch voor al wat The Last Dinner Party aan hectische, ontregelende barokpop in huis heeft. En daarin schuilt een beetje het probleem met deze plaat: het is nieuw, het is volgepropt, en toch klinkt het als een herhaling van zetten. The Last Dinner Party beweegt zich op From The Pyre ergens tussen artpop en theatrale rockopera, met evenveel overdaad als emotie en evenveel plezier als ernst. Zelf zeggen ze daarover: “We hebben gekozen voor het maken van plezier, in plaats van het voelen van de gigantische druk na zo’n succesvol debuut.” Toch ligt het gevaar op de loer dat het vijftal, in een vlaag van overkill, je soms op de lachspieren gaat werken.
Ter compensatie (mocht het nodig zijn) heeft The Last Dinner Party richting het einde van het album nog een mooie klassieke ballade in petto met Sail Away. De slotzinnen van dit lied – ‘Take you with me anywhere/I’ll take you everywhere’ – vormen een aardig, bedoeld of onbedoeld, bruggetje naar het laatste lied Inferno. Dat nummer hangt fonetisch tegen Fleetwood Macs Everywhere uit 1987 aan, met Elton John op piano á la Tiny Dancer uit 1972. In dit slotlied worden religieuze martelaren en symbolen van lijden en zonde kriskras door elkaar gebruikt om uiting te geven aan de gedachte dat lijden een vorm van kunst is. ‘And cowardice is prettiest in a nice dress,’ zingt Abigail Morris. Ze raakt hier een alomvattend The Last Dinner Party-motief: zonde, al dan niet verpakt in schoonheid. De voorzichtige conclusie is daarmee dat From The Pyre misschien wel ’s werelds eerste echte Halloweenalbum is geworden – bedoeld of onbedoeld.
Er zijn in 2024 weinig debuutalbums geweest die meer indruk hebben gemaakt dan dat van The Last Dinner Party: Prelude To Ecstasy. En slechts anderhalf jaar later is daar al de opvolger met de titel From The Pyre. De weinige tijd tussen het debuut en haar opvolger kan meerdere redenen hebben: blakende creativiteit en het benutten van het momentum zijn er twee van. Het zorgt ervoor dat we From The Pyre enigszins met argusoren beluisteren.
De songteksten hebben, wellicht nog meer dan op de eerste lp, (wederom) een eigenaardige inhoud. Zo heeft het lied Agnus Dei (vertaald: het lam van God) een vreemde mix van Bijbelse symboliek en romantische erotiek, waarbij het klinkt alsof religieuze verering de bron is van persoonlijk lijden dat uiteindelijk leidt tot de ondergang. Een tekst die zowel geopolitiek als individueel geïnterpreteerd kan worden. Wat te denken van een openingszin als ‘Let the snake bite/Let her crawl under your skin’ in het nummer Count The Ways. De slang – een klassiek symbool van verleiding en kennis – doet hier dienst als brenger van vergif en besmetting. Daarmee verandert een liefdesverhaal met een paar pennenstreken in een doodsritueel. Op deze manier krijgen veel van de tien tracks op dit album iets Halloween-achtigs: macabere beeldtaal, theatrale overdrijving en speelse horrorromantiek.
Muzikaal wordt een minstens zo grote trukendoos opengetrokken: dramatische orkestraties, vocalen die klinken als heksenbezweringen en onvoorspelbare ritmes. Woman In A Tree en Second Best zijn exemplarisch voor al wat The Last Dinner Party aan hectische, ontregelende barokpop in huis heeft. En daarin schuilt een beetje het probleem met deze plaat: het is nieuw, het is volgepropt, en toch klinkt het als een herhaling van zetten. The Last Dinner Party beweegt zich op From The Pyre ergens tussen artpop en theatrale rockopera, met evenveel overdaad als emotie en evenveel plezier als ernst. Zelf zeggen ze daarover: “We hebben gekozen voor het maken van plezier, in plaats van het voelen van de gigantische druk na zo’n succesvol debuut.” Toch ligt het gevaar op de loer dat het vijftal, in een vlaag van overkill, je soms op de lachspieren gaat werken.
Ter compensatie (mocht het nodig zijn) heeft The Last Dinner Party richting het einde van het album nog een mooie klassieke ballade in petto met Sail Away. De slotzinnen van dit lied – ‘Take you with me anywhere/I’ll take you everywhere’ – vormen een aardig, bedoeld of onbedoeld, bruggetje naar het laatste lied Inferno. Dat nummer hangt fonetisch tegen Fleetwood Macs Everywhere uit 1987 aan, met Elton John op piano á la Tiny Dancer uit 1972. In dit slotlied worden religieuze martelaren en symbolen van lijden en zonde kriskras door elkaar gebruikt om uiting te geven aan de gedachte dat lijden een vorm van kunst is. ‘And cowardice is prettiest in a nice dress,’ zingt Abigail Morris. Ze raakt hier een alomvattend The Last Dinner Party-motief: zonde, al dan niet verpakt in schoonheid. De voorzichtige conclusie is daarmee dat From The Pyre misschien wel ’s werelds eerste echte Halloweenalbum is geworden – bedoeld of onbedoeld.
The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024)

4,5
6
geplaatst: 3 februari 2024, 11:59 uur
Het nastreven van genot, dat is het hoogst bereikbare binnen het hedonisme. Deze filosofische levenshouding zorgt bij het bereiken van dit streven voor zelfontplooiing en zingeving. En hoewel deze filosofie al dateert uit de tijd van Epicurus (341-270 v.Chr.), is het anno nu aan een zekere opmars bezig. Zo ook bij de leden van de vrouwelijke Britse barok-rockband The Last Dinner Party. Hun oorspronkelijke naam ‘The Dinner Party’ was geïnspireerd op het beeld van een weelderig hedonistisch Romeins banket met alle vertoon van liederlijke losbandigheid, macht en genot. Het muzikale equivalent daarvan heeft The Last Dinner Party op voortreffelijk theatrale wijze weten te vangen op hun debuutalbum Prelude To Ecstasy.
Het album begint met de anderhalve minuut durende instrumentale titeltrack, gevolgd door Burn Alive. Een lied waarin zangeres Abigail Morris een intense, destructieve relatie bezingt waarin ze worstelt met pijn en zelfopoffering. ‘I am not the girl I set out to be’ en ‘I’d break off my ribs to make another you’ zijn opvallende zinnen uit dit Depeche Mode-achtige nummer over verandering van identiteit en de bereidheid om lichamelijke pijn te doorstaan om de ander te behagen. Maar wie dieper luistert hoort tevens een krachtige Bijbelse verwijzing, waarin Morris, gelijk het verhaal Genesis (2:22-24), een rib uit eigen lichaam gebruikt om een mens te creëren. Tekstueel is Burn Alive enorm indrukwekkend, zeker ook omdat het ambacht van de zeventiende-eeuwse barokke dichtkunst erin te ontwaren is. En deze schrijfkwaliteit duikt op in bijna alle songs, zoals Caesar On A TV Screen; de meest recente single van het vijftal. Opvallend zijn de tempo- en stijlwisselingen in dit lied, waardoor de songtekst over genderrollen, empowerment van vrouwen en het streven naar gelijkheid een extra dimensie krijgt. De historische verwijzingen in de tekst verraden een meer dan basale kennis van de wereldgeschiedenis, die The Last Dinner Party ook nog eens weet te verbinden aan het huidige tijdgewricht. Uiterst indrukwekkend.
De ballade Beautiful Boy is een intrigerend rustpunt halverwege de plaat. Morris zei in een interview met NME het volgende over dit lied: ‘Als je een mooie vrouw bent, is dat niet per se een voorrecht, het heeft ook verschrikkingen. Maar hoe is het om niet alleen een man te zijn, maar een man die zo mooi is dat niemand ooit nee tegen je zou zeggen?’ (ondergetekende moet het antwoord hierop schuldig blijven). Een boeiende en originele benadering van de complexiteit van genderidentiteit. Zowel het lied Sinner als Nothing Matters beginnen verraderlijk aantrekkelijk ABBA-esk. Sinner ontpopt zich al snel tot een energiek rocknummer dat zondigen niet alleen als iets religieus beschouwt, maar ook ziet als een vorm van corruptie van liefde als lust en passie om de hoek komen kijken. Nothing Matters begint onschuldig, maar ademt plots een einde-der-tijden-sfeer waarin de hoofdpersonen proberen te navigeren door een wereld die onzeker is en wellicht niet geschikt is voor hen. De herhaling van de zin ‘And I will fuck you like nothing matters’ benadrukt dit gevoel van dystopie. Mirror is het onheilspellend slotakkoord van Prelude To Ecstasy, waarin The Last Dinner Party een spiegel als metafoor gebruikt om de fragiliteit van het zelfbeeld en de afhankelijkheid van externe percepties bloot te leggen.
Geen makkelijke kost wat de vijf leden van The Last Dinner Party je voorschotelen op hun debuutalbum. Wel uiterst smaakvolle, authentieke en eigenzinnige kost. Het valt nauwelijks in een genre te vatten. Sterker nog, het lijkt alsof The Last Dinner Party direct een eigen genre geworden is. Er is zowel muzikaal als tekstueel zoveel te ontdekken op deze plaat. Elke zin is weldoordacht en voorzien van meerdere lagen van betekenis- en interpretatiemogelijkheden. En dat mét behoud van emotie, persoonlijkheid en invoelbaarheid. Het sterkste songwriters-collectief in jaren! Muzikaal verdient Prelude To Ecstasy ook alle lof. De twaalf tracks klinken spannend, enerverend en uitdagend. Volgens de ongeschreven wetten van het hedonisme zouden individuen moeten streven naar het maximaliseren van plezier en het elimineren van emotionele pijn, zonder zich te veel zorgen te maken over toekomstige generaties. In het maximaliseren van plezier is The Last Dinner Party met deze debuutplaat zonder meer geslaagd. Over het elimineren van pijn zijn wij niet in de positie een oordeel te vellen en kan slechts gezegd worden dat de vijf leden een aantrekkelijk platform gecreëerd hebben om er uiting te geven. Nu maar hopen dat ze zich wél bekommeren om toekomstige generaties, want het zou toch een zonde zijn als de muzikale schoonheid van The Last Dinner Party zich zou beperken tot een enkele generatie.
The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy - nieuweplaat.nl
Het album begint met de anderhalve minuut durende instrumentale titeltrack, gevolgd door Burn Alive. Een lied waarin zangeres Abigail Morris een intense, destructieve relatie bezingt waarin ze worstelt met pijn en zelfopoffering. ‘I am not the girl I set out to be’ en ‘I’d break off my ribs to make another you’ zijn opvallende zinnen uit dit Depeche Mode-achtige nummer over verandering van identiteit en de bereidheid om lichamelijke pijn te doorstaan om de ander te behagen. Maar wie dieper luistert hoort tevens een krachtige Bijbelse verwijzing, waarin Morris, gelijk het verhaal Genesis (2:22-24), een rib uit eigen lichaam gebruikt om een mens te creëren. Tekstueel is Burn Alive enorm indrukwekkend, zeker ook omdat het ambacht van de zeventiende-eeuwse barokke dichtkunst erin te ontwaren is. En deze schrijfkwaliteit duikt op in bijna alle songs, zoals Caesar On A TV Screen; de meest recente single van het vijftal. Opvallend zijn de tempo- en stijlwisselingen in dit lied, waardoor de songtekst over genderrollen, empowerment van vrouwen en het streven naar gelijkheid een extra dimensie krijgt. De historische verwijzingen in de tekst verraden een meer dan basale kennis van de wereldgeschiedenis, die The Last Dinner Party ook nog eens weet te verbinden aan het huidige tijdgewricht. Uiterst indrukwekkend.
De ballade Beautiful Boy is een intrigerend rustpunt halverwege de plaat. Morris zei in een interview met NME het volgende over dit lied: ‘Als je een mooie vrouw bent, is dat niet per se een voorrecht, het heeft ook verschrikkingen. Maar hoe is het om niet alleen een man te zijn, maar een man die zo mooi is dat niemand ooit nee tegen je zou zeggen?’ (ondergetekende moet het antwoord hierop schuldig blijven). Een boeiende en originele benadering van de complexiteit van genderidentiteit. Zowel het lied Sinner als Nothing Matters beginnen verraderlijk aantrekkelijk ABBA-esk. Sinner ontpopt zich al snel tot een energiek rocknummer dat zondigen niet alleen als iets religieus beschouwt, maar ook ziet als een vorm van corruptie van liefde als lust en passie om de hoek komen kijken. Nothing Matters begint onschuldig, maar ademt plots een einde-der-tijden-sfeer waarin de hoofdpersonen proberen te navigeren door een wereld die onzeker is en wellicht niet geschikt is voor hen. De herhaling van de zin ‘And I will fuck you like nothing matters’ benadrukt dit gevoel van dystopie. Mirror is het onheilspellend slotakkoord van Prelude To Ecstasy, waarin The Last Dinner Party een spiegel als metafoor gebruikt om de fragiliteit van het zelfbeeld en de afhankelijkheid van externe percepties bloot te leggen.
Geen makkelijke kost wat de vijf leden van The Last Dinner Party je voorschotelen op hun debuutalbum. Wel uiterst smaakvolle, authentieke en eigenzinnige kost. Het valt nauwelijks in een genre te vatten. Sterker nog, het lijkt alsof The Last Dinner Party direct een eigen genre geworden is. Er is zowel muzikaal als tekstueel zoveel te ontdekken op deze plaat. Elke zin is weldoordacht en voorzien van meerdere lagen van betekenis- en interpretatiemogelijkheden. En dat mét behoud van emotie, persoonlijkheid en invoelbaarheid. Het sterkste songwriters-collectief in jaren! Muzikaal verdient Prelude To Ecstasy ook alle lof. De twaalf tracks klinken spannend, enerverend en uitdagend. Volgens de ongeschreven wetten van het hedonisme zouden individuen moeten streven naar het maximaliseren van plezier en het elimineren van emotionele pijn, zonder zich te veel zorgen te maken over toekomstige generaties. In het maximaliseren van plezier is The Last Dinner Party met deze debuutplaat zonder meer geslaagd. Over het elimineren van pijn zijn wij niet in de positie een oordeel te vellen en kan slechts gezegd worden dat de vijf leden een aantrekkelijk platform gecreëerd hebben om er uiting te geven. Nu maar hopen dat ze zich wél bekommeren om toekomstige generaties, want het zou toch een zonde zijn als de muzikale schoonheid van The Last Dinner Party zich zou beperken tot een enkele generatie.
The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy - nieuweplaat.nl
The National - Laugh Track (2023)

2,5
4
geplaatst: 18 september 2023, 13:17 uur
Afgelopen vrijdagavond trad de Amerikaanse band The National op op haar eigen Homecoming Festival in Cincinnati, Ihio. Tijdens dat optreden maakten de leden van The National bekend dat op 18 september hun tweede album van dit jaar verschijnt. Laugh Track heet de onverwachte opvolger van First Two Pages of Frankenstein die eind april werd uitgebracht. En hoewel de fysieke plaat pas in november uitkomt viel een aantal bezoekers van het festival het geluk ten deel om nu al een vinylversie van Laugh Track te bemachtigen. Hoewel geluk, dat valt te betwijfelen na het beluisteren van deze tergend lang durende plaat.
Laugh Track is het tiende studio-album van The National, waarvan twee singles - Space Invader en Alphabet City – al eerder werden uitgebracht. De plaat begint met laatstgenoemde. Zoals veel liedjes van The National gaat ook Alphabet City over verbroken relaties. Op reflectieve wijze wordt het hartzeer dat daarmee gepaard gaat bezongen: ‘Sometimes I barely recognize this place/ When you're with me, I don't miss the world’. Zowel tekst als muziek voelen zwaar en bedompt. Het tweede stuk getiteld Deep End put thematisch uit hetzelfde vat, maar het arrangement is een stuk aantrekkelijker. Lekker uptempo met uitstekend drumwerk van Bryan Devendorf. Groot is de verbazing als blijkt dat Weird Goodbyes, een samenwerking met Bon Iver die al in augustus 2022 werd gelanceerd, op deze plaat is gezet. Het blijft onduidelijk waarom deze single First Two Pages of Frankenstein niet gehaald heeft en nu wel is toegevoegd aan Laugh Track. Desalniettemin een goed lied waarbij de stemmen van Matt Berninger (The National) en Justin Vernon (Bon Iver) bijzonder aangenaam samensmelten.
De plaat is dan zo’n twaalf minuten onderweg en helaas waren dit ook meteen de beste minuten, want vanaf dat moment gaat het bergafwaarts. In het lied Turn Off The House lijken drum en zang van twee werelden te komen die elkaar nauwelijks begrijpen. Titelstuk Laugh Track is een duet met – ja hoor, daar is ze weer – Phoebe Bridgers. Op First Two Pages of Frankenstein was ze al tweemaal te horen. Nou ja, horen; ze fungeerde voornamelijk als luxueuze achtergrondzangeres. Deze keer is haar aandeel groter, ze mag welgeteld twee hele zinnen solo zingen. Onbegrijpelijk van twee kanten: dat The National een van ’s werelds populairste zangeressen zo marginaal aan bod laat komen en dat Bridgers daarmee heeft ingestemd. Coat On A Hook is een kabbelend allegaartje, waarvan de tekst nog best te pruimen is. Maar het gaat continu over hetzelfde thema en dat begint zo langzamerhand wel op de zenuwen te werken. ‘From the beginning I've had you in my mind/ Been dеad slow swimming to you in the dead low tide’ zijn mooie zinnen om een gevoel van inspanning en vastberadenheid uit te drukken om de protagonist in het lied te bereiken, ondanks de uitdagingen en moeilijkheden. Het is echter de zwaarmoedigheid en traagheid waarmee het lied zich tot de luisteraar richt, waardoor het op de zenuwen werkt. Ook het trucje met het crescendo opbouwen van een lied kennen we nu wel.
Ook Crumble is weer een onbegrijpelijk duet, deze keer met Rosanne Cash (oudste dochter van country-legende Johnny Cash). Ook haar solo-bijdrage beperkt zich tot twee zinnen, alhoewel ze die wel twee keer mag zingen. Als je denkt dat je dan alles gehad hebt, ontpopt zich tot slot het bijna acht minuten durende Smoke Detector. Als een halfdronken Tom Waits praat, brabbelt en zingt Berninger een onsamenhangende woordenbrij aaneen. Tegen de tijd dat dit lied zich aandient ben je als luisteraar al wel een beetje murw geslagen door de voorafgaande elf songs, waardoor Smoke Detector – nog meer dan het als zelfstandig lied al is – één vreemde eend in de bijt teveel is.
In een recent interview onthulde tekstschrijver en gitarist Bryce Dessner dat The National met een aantal creatieve problemen kampte, waardoor ze grotendeels gericht waren op het werk, maar veel minder op de relatie. Als Laugh Track daarvan het muzikale verbeterproces is en het bewijs moet leveren dat The National op zowel creatief als relationeel vlak weer dezelfde kant op kijkt, dan zal de komende periode een spannende worden. De twaalf songs overtuigen helaas weinig om de toekomt van The National met vertrouwen tegemoet te zien. Laugh Track als album voelt als versuikerde honing die nauwelijks meer in staat is te vloeien. Met de smaak is niet zoveel mis, maar de tergende traagheid en het bijbehorend geduld dat opgebracht moet worden om een beetje zoetheid te verkrijgen is veel gevraagd. Misschien wel teveel. The Beatles hadden dat probleem aan het einde van hun carrière ook en we weten allemaal hoe dat is afgelopen…
The National - Laugh Track - nieuweplaat.nl
Laugh Track is het tiende studio-album van The National, waarvan twee singles - Space Invader en Alphabet City – al eerder werden uitgebracht. De plaat begint met laatstgenoemde. Zoals veel liedjes van The National gaat ook Alphabet City over verbroken relaties. Op reflectieve wijze wordt het hartzeer dat daarmee gepaard gaat bezongen: ‘Sometimes I barely recognize this place/ When you're with me, I don't miss the world’. Zowel tekst als muziek voelen zwaar en bedompt. Het tweede stuk getiteld Deep End put thematisch uit hetzelfde vat, maar het arrangement is een stuk aantrekkelijker. Lekker uptempo met uitstekend drumwerk van Bryan Devendorf. Groot is de verbazing als blijkt dat Weird Goodbyes, een samenwerking met Bon Iver die al in augustus 2022 werd gelanceerd, op deze plaat is gezet. Het blijft onduidelijk waarom deze single First Two Pages of Frankenstein niet gehaald heeft en nu wel is toegevoegd aan Laugh Track. Desalniettemin een goed lied waarbij de stemmen van Matt Berninger (The National) en Justin Vernon (Bon Iver) bijzonder aangenaam samensmelten.
De plaat is dan zo’n twaalf minuten onderweg en helaas waren dit ook meteen de beste minuten, want vanaf dat moment gaat het bergafwaarts. In het lied Turn Off The House lijken drum en zang van twee werelden te komen die elkaar nauwelijks begrijpen. Titelstuk Laugh Track is een duet met – ja hoor, daar is ze weer – Phoebe Bridgers. Op First Two Pages of Frankenstein was ze al tweemaal te horen. Nou ja, horen; ze fungeerde voornamelijk als luxueuze achtergrondzangeres. Deze keer is haar aandeel groter, ze mag welgeteld twee hele zinnen solo zingen. Onbegrijpelijk van twee kanten: dat The National een van ’s werelds populairste zangeressen zo marginaal aan bod laat komen en dat Bridgers daarmee heeft ingestemd. Coat On A Hook is een kabbelend allegaartje, waarvan de tekst nog best te pruimen is. Maar het gaat continu over hetzelfde thema en dat begint zo langzamerhand wel op de zenuwen te werken. ‘From the beginning I've had you in my mind/ Been dеad slow swimming to you in the dead low tide’ zijn mooie zinnen om een gevoel van inspanning en vastberadenheid uit te drukken om de protagonist in het lied te bereiken, ondanks de uitdagingen en moeilijkheden. Het is echter de zwaarmoedigheid en traagheid waarmee het lied zich tot de luisteraar richt, waardoor het op de zenuwen werkt. Ook het trucje met het crescendo opbouwen van een lied kennen we nu wel.
Ook Crumble is weer een onbegrijpelijk duet, deze keer met Rosanne Cash (oudste dochter van country-legende Johnny Cash). Ook haar solo-bijdrage beperkt zich tot twee zinnen, alhoewel ze die wel twee keer mag zingen. Als je denkt dat je dan alles gehad hebt, ontpopt zich tot slot het bijna acht minuten durende Smoke Detector. Als een halfdronken Tom Waits praat, brabbelt en zingt Berninger een onsamenhangende woordenbrij aaneen. Tegen de tijd dat dit lied zich aandient ben je als luisteraar al wel een beetje murw geslagen door de voorafgaande elf songs, waardoor Smoke Detector – nog meer dan het als zelfstandig lied al is – één vreemde eend in de bijt teveel is.
In een recent interview onthulde tekstschrijver en gitarist Bryce Dessner dat The National met een aantal creatieve problemen kampte, waardoor ze grotendeels gericht waren op het werk, maar veel minder op de relatie. Als Laugh Track daarvan het muzikale verbeterproces is en het bewijs moet leveren dat The National op zowel creatief als relationeel vlak weer dezelfde kant op kijkt, dan zal de komende periode een spannende worden. De twaalf songs overtuigen helaas weinig om de toekomt van The National met vertrouwen tegemoet te zien. Laugh Track als album voelt als versuikerde honing die nauwelijks meer in staat is te vloeien. Met de smaak is niet zoveel mis, maar de tergende traagheid en het bijbehorend geduld dat opgebracht moet worden om een beetje zoetheid te verkrijgen is veel gevraagd. Misschien wel teveel. The Beatles hadden dat probleem aan het einde van hun carrière ook en we weten allemaal hoe dat is afgelopen…
The National - Laugh Track - nieuweplaat.nl
The Paper Kites - At the Roadhouse (2023)

4,0
1
geplaatst: 1 september 2023, 14:58 uur
Op de dag dat meteorologisch het seizoen van de vergankelijkheid begint, presenteert de Australische formatie The Paper Kites haar zesde studioalbum getiteld At The Roadhouse. Die titel mag vrij letterlijk opgevat worden, want At The Roadhouse is daadwerkelijk opgenomen in een roadhouse: een etablissement met faciliteiten als een restaurant, overnachtingsmogelijkheden, tankstation en soms livemuziek. The Paper Kites had in het nog geen tweeduizend zielen tellende Campbells Creek (zo’n 150 kilometer buiten Melbourne) een periode lang haar intrek genomen in een roadhouse om daar in betrekkelijke anonimiteit op doordeweekse dagen te werken aan nieuwe muziek, die ze vervolgens in het weekend aldaar speelde voor dinerende passanten, overnachtende truckchauffeurs en vermaak zoekende inwoners. Zodoende zijn zestien nieuwe liedjes ontstaan met een gezamenlijke duur van maar liefst 79 minuten.
Midnight Moon opent met de geluiden van een volle zaal, waarna de pedalsteel-gitaar de aandacht opeist en een poëtische ode wordt gebracht aan de plek waar het allemaal om draait op dit album: ‘All of the boys, well they drink at the bar /And they’ll tell you that where you been ain’t where you are.’ Daarmee is de zachte toon en de laidback sfeer van At The Roadhouse meteen geborgd. Till The Flame Turns Blue is zowel tekstueel als muzikaal zwanger van nostalgie en gaat over de wens om speciale momenten uit het verleden te herbeleven. Ergens in de verte hoor je een vleugje Eagles en Poco, zeker als het refrein een aanstekelijk gitaarrifje laat horen. Dan is het de beurt aan de banjo op Rolling On Easy en Hurts So Good. In bijna opdringerige melancholie wordt een portret geschilderd van een rondtrekkende ziel, geleid door onzichtbare draden naar onbekende bestemmingen. De plaat is dan ongeveer halverwege en hoewel de individuele songs allemaal aangenaam en oorstrelend zijn, begint de monotonie slaperig te maken.
Het is dan ook even schrikken als het snelle, afwijkende en luide June’s Stolen Car uit de boxen knalt. Een welkome verademing. ‘It’s a long, long ride to the next town boy if you want to start something new /Give me just a little and I’ll give it back to you’, zingt de bijna verlegen klinkende leadzanger Sam Bentley onder begeleiding van licht vervormde, rauwe gitarenklanken. Deze boost kon At The Roadhouse wel even gebruiken!
Daarna volgen weer een stuk of zes liedjes volgens het vertrouwde, rustgevende stramien, waarin The Paper Kites sonische landschapsschilderingen weet te vervaardigen die bijna formulematig zijn. En toch… stuk voor stuk zijn het kleine tempeltjes van sentiment. Prachtig mooie composities. Een van de uitblinkers is The Sweet Sound Of You, dat met bedachtzame pianoakkoorden herinneringen oproept aan Ol’ 55 van de eerdergenoemde Eagles. At The Roadhouse eindigt met Darkness At My Door. Een folkrock-lied met een religieus karakter dat Neil Young-achtig aandoet. Wanneer aan het eind het applaus van het publiek wegebt, volgt een korte bijna gospel-klinkende toegift. Die lijkt weinig passend en de bedoeling ervan wordt ook niet duidelijk.
Na ruim vijf kwartier is wel duidelijk dat veel van de zestien liedjes dusdanig op elkaar lijken (in sfeer, tempo, instrumentatie en thematiek) dat ze de aandacht van de luisteraar niet echt weten vast te houden. Hoewel er vaak kritiek is dat albums te kort duren, is At The Roadhouse een lied of vier te lang. Daar staat tegenover dat er bijna anderhalf uur lang genoten kan worden van de langzame, rustgevende stem van zanger Sam Bentley die op dit album klinkt als een warme deken van herfstkleuren, terwijl de overige bandleden hun vocalen laten samensmelten als de zachte streling van een herfstbries. Wie een remedie zoekt tegen de gelijkklinkende en slaapopwekkende songs, hoeft niet lang te zoeken want met het album wordt ook een film gepresenteerd. In wat lijkt op een MTV Unplugged-sessie uit de jaren negentig, worden in de film de zestien liedjes op locatie gespeeld. Het podium huisvest voornamelijk de band, bijna op gelijke hoogte met de aanwezige toeschouwers. De verlichting is subtiel opgebouwd uit de kleuren sepia en scharlakenrood, kaarsen werpen hun gloed over de tafels. De kalmerende muziek waarin logischerwijs net als op de plaat de pedalsteel-gitaar en banjo een centrale rol spelen, krijgt juist door het beeldmateriaal – gek genoeg – meer diepgang en lading.
De klank van liedjes op At The Roadhouse mag dan wat eenzijdig zijn, als je eenmaal de sfeerbeelden uit de film tot je hebt genomen, luistert het album vanaf dat moment anders. Betekenisvoller en bedachtzamer. Kalm en bij kans betoverend weet The Paper Kites de rustige kleuren van herfst te laten resoneren in hun folkachtige klanken. At The Roadhouse nodigt je uit om te vertragen, te reflecteren en te genieten. En terwijl de dagen korter worden en de bomen de verhalen fluisteren van loslaten, brengt deze plaat je een wereld in schakeringen van amber en karmijn. Het vangt de laatste zonnestralen van de zomer in sfeervolle, schilderachtige muziek waar wegdromen mag. Onder begeleiding van het beeldmateriaal wordt At The Roadhouse een prachtige plaat die past bij het seizoen van de vergankelijkheid.
The Paper Kites - At The Roadhouse - nieuweplaat.nl
Midnight Moon opent met de geluiden van een volle zaal, waarna de pedalsteel-gitaar de aandacht opeist en een poëtische ode wordt gebracht aan de plek waar het allemaal om draait op dit album: ‘All of the boys, well they drink at the bar /And they’ll tell you that where you been ain’t where you are.’ Daarmee is de zachte toon en de laidback sfeer van At The Roadhouse meteen geborgd. Till The Flame Turns Blue is zowel tekstueel als muzikaal zwanger van nostalgie en gaat over de wens om speciale momenten uit het verleden te herbeleven. Ergens in de verte hoor je een vleugje Eagles en Poco, zeker als het refrein een aanstekelijk gitaarrifje laat horen. Dan is het de beurt aan de banjo op Rolling On Easy en Hurts So Good. In bijna opdringerige melancholie wordt een portret geschilderd van een rondtrekkende ziel, geleid door onzichtbare draden naar onbekende bestemmingen. De plaat is dan ongeveer halverwege en hoewel de individuele songs allemaal aangenaam en oorstrelend zijn, begint de monotonie slaperig te maken.
Het is dan ook even schrikken als het snelle, afwijkende en luide June’s Stolen Car uit de boxen knalt. Een welkome verademing. ‘It’s a long, long ride to the next town boy if you want to start something new /Give me just a little and I’ll give it back to you’, zingt de bijna verlegen klinkende leadzanger Sam Bentley onder begeleiding van licht vervormde, rauwe gitarenklanken. Deze boost kon At The Roadhouse wel even gebruiken!
Daarna volgen weer een stuk of zes liedjes volgens het vertrouwde, rustgevende stramien, waarin The Paper Kites sonische landschapsschilderingen weet te vervaardigen die bijna formulematig zijn. En toch… stuk voor stuk zijn het kleine tempeltjes van sentiment. Prachtig mooie composities. Een van de uitblinkers is The Sweet Sound Of You, dat met bedachtzame pianoakkoorden herinneringen oproept aan Ol’ 55 van de eerdergenoemde Eagles. At The Roadhouse eindigt met Darkness At My Door. Een folkrock-lied met een religieus karakter dat Neil Young-achtig aandoet. Wanneer aan het eind het applaus van het publiek wegebt, volgt een korte bijna gospel-klinkende toegift. Die lijkt weinig passend en de bedoeling ervan wordt ook niet duidelijk.
Na ruim vijf kwartier is wel duidelijk dat veel van de zestien liedjes dusdanig op elkaar lijken (in sfeer, tempo, instrumentatie en thematiek) dat ze de aandacht van de luisteraar niet echt weten vast te houden. Hoewel er vaak kritiek is dat albums te kort duren, is At The Roadhouse een lied of vier te lang. Daar staat tegenover dat er bijna anderhalf uur lang genoten kan worden van de langzame, rustgevende stem van zanger Sam Bentley die op dit album klinkt als een warme deken van herfstkleuren, terwijl de overige bandleden hun vocalen laten samensmelten als de zachte streling van een herfstbries. Wie een remedie zoekt tegen de gelijkklinkende en slaapopwekkende songs, hoeft niet lang te zoeken want met het album wordt ook een film gepresenteerd. In wat lijkt op een MTV Unplugged-sessie uit de jaren negentig, worden in de film de zestien liedjes op locatie gespeeld. Het podium huisvest voornamelijk de band, bijna op gelijke hoogte met de aanwezige toeschouwers. De verlichting is subtiel opgebouwd uit de kleuren sepia en scharlakenrood, kaarsen werpen hun gloed over de tafels. De kalmerende muziek waarin logischerwijs net als op de plaat de pedalsteel-gitaar en banjo een centrale rol spelen, krijgt juist door het beeldmateriaal – gek genoeg – meer diepgang en lading.
De klank van liedjes op At The Roadhouse mag dan wat eenzijdig zijn, als je eenmaal de sfeerbeelden uit de film tot je hebt genomen, luistert het album vanaf dat moment anders. Betekenisvoller en bedachtzamer. Kalm en bij kans betoverend weet The Paper Kites de rustige kleuren van herfst te laten resoneren in hun folkachtige klanken. At The Roadhouse nodigt je uit om te vertragen, te reflecteren en te genieten. En terwijl de dagen korter worden en de bomen de verhalen fluisteren van loslaten, brengt deze plaat je een wereld in schakeringen van amber en karmijn. Het vangt de laatste zonnestralen van de zomer in sfeervolle, schilderachtige muziek waar wegdromen mag. Onder begeleiding van het beeldmateriaal wordt At The Roadhouse een prachtige plaat die past bij het seizoen van de vergankelijkheid.
The Paper Kites - At The Roadhouse - nieuweplaat.nl
The Swell Season - Forward (2025)

3,5
2
geplaatst: 11 juli 2025, 12:16 uur
Recensie | The Swell Season - Forward | Nieuweplaat.nl
Vele aspecten rondom The Swell Season zijn bijzonder. Neem alleen al de ontstaansgeschiedenis: de samenwerking tussen de Ier Glen Hansard (1970) en Merketa Irglova (1988) begint als beiden de hoofdrol spelen in de film Once uit 2007. Ze winnen een Oscar in de categorie Best Original Song. Niet lang daarna volgt een romantische klik het tussen de twee. Er verschijnen twee albums van het koppel, maar een relatiebreuk in 2009 zorgt voor een abrupt einde. Spaarzame optredens worden echter zo goed ontvangen dat ze besluiten na zestien jaar (bijna) muzikale radiostilte de studio in te duiken en hun intermitterende samenwerking een vervolg te geven met het album Forward als resultaat.
Dat ze beiden hun weg gegaan zijn blijkt uit de eerste track getiteld Factory Street Bells. Deze titel verwijst naar een straat in de Finse hoofdstad Helsinki waar de nu twee jaar oude zoon van Hansard geboren werd. Muzikaal zet dit lied meteen de toon: sober gitaarspel en subtiele piano, die in het tweede couplet worden aangevuld met een troostrijk klinkend kerkorgel, en die typische samenzang van Hansard en Irglová. Vooral de uithalen van Hansard zullen menigeen kippenvel bezorgen. Het crescendo aan geluid vervolmaakt deze prachtige song.
Irglova schetst haar kant van het verhaal in het tweede lied, People We Used To Be, dat gaat over het moment in een relatie waarin de eerste barstjes zichtbaar worden en je jezelf op het kruispunt voelt staan voor de relatie te vechten of het te laten gaan. ‘I will not stand by and watch this fire burn down everything we worked so hard to build’, is in betrekkelijk eenvoudige bewoordingen zowel herkenbaar als invoelbaar. Dat de Tsjechische Irglova klassiek geschoold is qua pianospel is in dit lied verfijnd terug te horen en zorgt voor een sfeer van existentiële weemoed die vaker terug te vinden is in Tsjechische muziek en literatuur. Hansons Ierse expressievere folk-aanvulling hierop werkt wederom uitstekend.
I Leave Everything Up To You doet in de manier waarop Irglova de pianotoetsen streelt en de ingetogen zachtheid waarmee ze haar zorgvuldig gekozen woorden zingt, denken aan het lied Now At Last van Feist uit 2004. Thema’s als vergankelijkheid, loslaten en acceptatie worden als vorm van muzikale therapie van taal voorzien: ‘And certainty is my new friend, the only one I comprehend.’ Pretty Stories lijkt in eerste aanzet een wat eenzijdig lied, totdat Hansard zich in de strijd mengt. Alsof Irglova zich pas helemaal los durft te laten gaan onder de beschermende vleugels van Hansard. Wie zingt over introspectieve thema’s hoeft niet introspectief c.q. ingetogen te zingen zou onze oproep aan het adres van Irglova zijn.
Het afsluitende Hundred Words zal niet bij iedereen in de smaak vallen. In eerste instantie heeft het iets weg van Up Where We Belong van Joe Cocker en Jennifer Warnes uit 1982, maar tegen de tijd dat Hundred Words wordt voorzien van een koor bestaande uit de kinderen, neefjes en nichtjes van Irglova krijgt het iets stichtelijk moralistisch. Zinnen als ‘Don’t give up/Don’t stop believing/Keep the faith’, zijn te algemeen voor de schrijverskwaliteiten van The Swell Season en helpen de boel de verkeerde kant top. Deze track past zowel in thema als in sfeer minder goed op Forward en dat is jammer, want deze – tot op dat moment prima – plaat eindigt daardoor in lichte mineur.
De naam The Swell Season laat zich lastig vertalen, maar wie zich onderdompelt in de muziek, begrijpt op gevoel wel wat ermee bedoeld wordt. Vrij vertaald komt “Het Getijden Seizoen” het best in de buurt. Zoals eb en vloed komen en gaan, is het die voortdurende beweging - het bijna natuurlijke ritme van verlies, loslaten en hervinden dat in elke song weerklinkt. Forward is zodoende een zachtmoedig album zolang het achterom kijkt. Vooruit kijken is niet waar The Swell Season in uitblinkt. Wie vooruit wil kijken naar de getijden kan gelukkig altijd nog bij de Enkhuizer Almanak terecht.
Vele aspecten rondom The Swell Season zijn bijzonder. Neem alleen al de ontstaansgeschiedenis: de samenwerking tussen de Ier Glen Hansard (1970) en Merketa Irglova (1988) begint als beiden de hoofdrol spelen in de film Once uit 2007. Ze winnen een Oscar in de categorie Best Original Song. Niet lang daarna volgt een romantische klik het tussen de twee. Er verschijnen twee albums van het koppel, maar een relatiebreuk in 2009 zorgt voor een abrupt einde. Spaarzame optredens worden echter zo goed ontvangen dat ze besluiten na zestien jaar (bijna) muzikale radiostilte de studio in te duiken en hun intermitterende samenwerking een vervolg te geven met het album Forward als resultaat.
Dat ze beiden hun weg gegaan zijn blijkt uit de eerste track getiteld Factory Street Bells. Deze titel verwijst naar een straat in de Finse hoofdstad Helsinki waar de nu twee jaar oude zoon van Hansard geboren werd. Muzikaal zet dit lied meteen de toon: sober gitaarspel en subtiele piano, die in het tweede couplet worden aangevuld met een troostrijk klinkend kerkorgel, en die typische samenzang van Hansard en Irglová. Vooral de uithalen van Hansard zullen menigeen kippenvel bezorgen. Het crescendo aan geluid vervolmaakt deze prachtige song.
Irglova schetst haar kant van het verhaal in het tweede lied, People We Used To Be, dat gaat over het moment in een relatie waarin de eerste barstjes zichtbaar worden en je jezelf op het kruispunt voelt staan voor de relatie te vechten of het te laten gaan. ‘I will not stand by and watch this fire burn down everything we worked so hard to build’, is in betrekkelijk eenvoudige bewoordingen zowel herkenbaar als invoelbaar. Dat de Tsjechische Irglova klassiek geschoold is qua pianospel is in dit lied verfijnd terug te horen en zorgt voor een sfeer van existentiële weemoed die vaker terug te vinden is in Tsjechische muziek en literatuur. Hansons Ierse expressievere folk-aanvulling hierop werkt wederom uitstekend.
I Leave Everything Up To You doet in de manier waarop Irglova de pianotoetsen streelt en de ingetogen zachtheid waarmee ze haar zorgvuldig gekozen woorden zingt, denken aan het lied Now At Last van Feist uit 2004. Thema’s als vergankelijkheid, loslaten en acceptatie worden als vorm van muzikale therapie van taal voorzien: ‘And certainty is my new friend, the only one I comprehend.’ Pretty Stories lijkt in eerste aanzet een wat eenzijdig lied, totdat Hansard zich in de strijd mengt. Alsof Irglova zich pas helemaal los durft te laten gaan onder de beschermende vleugels van Hansard. Wie zingt over introspectieve thema’s hoeft niet introspectief c.q. ingetogen te zingen zou onze oproep aan het adres van Irglova zijn.
Het afsluitende Hundred Words zal niet bij iedereen in de smaak vallen. In eerste instantie heeft het iets weg van Up Where We Belong van Joe Cocker en Jennifer Warnes uit 1982, maar tegen de tijd dat Hundred Words wordt voorzien van een koor bestaande uit de kinderen, neefjes en nichtjes van Irglova krijgt het iets stichtelijk moralistisch. Zinnen als ‘Don’t give up/Don’t stop believing/Keep the faith’, zijn te algemeen voor de schrijverskwaliteiten van The Swell Season en helpen de boel de verkeerde kant top. Deze track past zowel in thema als in sfeer minder goed op Forward en dat is jammer, want deze – tot op dat moment prima – plaat eindigt daardoor in lichte mineur.
De naam The Swell Season laat zich lastig vertalen, maar wie zich onderdompelt in de muziek, begrijpt op gevoel wel wat ermee bedoeld wordt. Vrij vertaald komt “Het Getijden Seizoen” het best in de buurt. Zoals eb en vloed komen en gaan, is het die voortdurende beweging - het bijna natuurlijke ritme van verlies, loslaten en hervinden dat in elke song weerklinkt. Forward is zodoende een zachtmoedig album zolang het achterom kijkt. Vooruit kijken is niet waar The Swell Season in uitblinkt. Wie vooruit wil kijken naar de getijden kan gelukkig altijd nog bij de Enkhuizer Almanak terecht.
The Weather Station - Humanhood (2025)

4,0
3
geplaatst: 15 januari 2025, 14:19 uur
Recensie | The Weather Station – Humanhood | Nieuweplaat.nl
Het was een opvallende uitspraak die Tamara Lindeman, de drijvende kracht achter de Canadese band The Weather Station, deed bij de aankondiging van het nieuwe album Humanhood begin oktober vorig jaar bij de collega’s van muziekwebsite Pitchfork: “de verwarring van relaties waarin dwang verpakt is in de taal van de liefde.” Hiermee doelde ze op een van de vele uitdagingen die ze tijdens het schrijfproces ervoer. Zonder dat Lindeman verder in details trad zegt het meer dan genoeg om de titel van het zevende album van The Weather Station te duiden. Humanhood betekent zoveel als de schoonheid en de complexiteit van het mens-zijn.
De plaat laat een duidelijk ander geluid horen dan op voorgaande albums het geval was. Daar waar voorganger How Is It That I Should Look At The Stars excelleerde in folk en jazz-folk, laat opvolger Humanhood een dwingender geluid horen dat meer neigt naar artpop en avantpop. Het gebruik van onregelmatige maatsoorten als een 7/8e of een 5/4e maat verstoren her en der op de lp het gevoel van een natuurlijk ritme. Dit roept – doelbewust en dus geslaagd! – een licht gevoel van onbehagen op. Dit wordt nog eens versterkt door technieken als sul ponticello, waarbij violen een wat schurend en spookachtig geluid produceren.
De eerste speldenprikjes hiervan zijn te horen in het instrumentale openingsnummer Descent dat direct overgaat in de eerst verschenen single Neon Signs. Een bijzonder aantrekkelijke track in zowel woord als geluid. Uptempo en omlijst met een soort ‘wall of sound’ zingt Lindeman over de zoektocht naar betekenis, authenticiteit en verbinding in een chaotische, misleidende wereld. Een wereld die gespannen balanceert tussen verlangen, vervulling, liefde en lust. Het verstrooide einde van het lied, met fragmentarisch en aritmisch klinkende dwarsfluiten benadrukt de staat van verwarring waarover Lindeman eerder sprak.
Mirror gebruikt – hoe kan het ook anders – de spiegelmetafoor om je de onvermijdelijke reflectie van jezelf te laten zien in alles wat we ervaren. En dat is lang niet altijd een fraai beeld om naar te kijken. Of naar te luisteren in dit geval: ‘You were dousing your fields in a chemical rain/You were cutting my arm to transcend your own pain.’ Diep menselijk leed omwikkeld met fijne en geruststellende muzikale klanken. Indrukwekkend! De licht ‘out-of-tune’ klinkende saxofoon richting het einde doet dienst als comfortabel ongemak. En het werkt ook nog.
In elk van de op Mirror volgende tracks wordt effectief geëxperimenteerd met het omzetten van het mens-zijn in geluid. Zo zijn er tracks die onverwachts worden afgebroken of niet tot een logisch einde komen. Maar ook liedjes met een palet aan ongebruikelijke klankkleuren (scherpe tonen, overlappingen en niet-syncroom lopende ritmes). Het draagt allemaal bij aan het ongemakkelijke – en wonderwel tegelijkertijd aangenaam aantrekkelijke – gevoel van existentiële en emotionele ontwrichting dat The Weather Station driekwartier lang over je uitstort.
Titeltrack Humanhood doet er nog een schepje bovenop. Doordat Lindeman een deel van de songtekst op willekeurige momenten niet zingt maar uitspreekt, krijg je als luisteraar het gevoel getuige te zijn van iets dat geïmproviseerd en vanuit iets diepers dan het hart tot stand is gekomen. Alsof de muziek er reeds was en de woorden die in een verlaten studio ter plekke opborrelden er ongecensureerd overheen gelegd zijn. In de daarop volgende track Irriversible Damage wordt dit concept nóg een stapje verder doorgevoerd, waardoor het een voyeuristisch gevoel oproept.
‘The thought I can’t get near to is the place I always disappear to’ zijn zowel de meest tegenstrijdige als meest invoelbare woorden gezongen in de prachtige ballade Lonely. Zo wordt toegewerkt naar het evenzo prachtige slotstuk Sewing, waar berusting en een voorzichtige blik op heling en verbinding worden bezongen. De laatste bijna jazzy-nachtclub klinkende pianoklanken doven langzaam uit als Humanhood na drie innemende kwartieren tot een einde komt. Humanhood is een bijzonder aantrekkelijk album geworden dat garant staat voor een diepgaande en emotionele luisterervaring zoals je die zelden tegenkomt. Dit is een album waar nog veel, heel veel meer over te zeggen en schrijven valt. Maar de stilte die je na vijfenveertig minuten overvalt zegt het meest…
Het was een opvallende uitspraak die Tamara Lindeman, de drijvende kracht achter de Canadese band The Weather Station, deed bij de aankondiging van het nieuwe album Humanhood begin oktober vorig jaar bij de collega’s van muziekwebsite Pitchfork: “de verwarring van relaties waarin dwang verpakt is in de taal van de liefde.” Hiermee doelde ze op een van de vele uitdagingen die ze tijdens het schrijfproces ervoer. Zonder dat Lindeman verder in details trad zegt het meer dan genoeg om de titel van het zevende album van The Weather Station te duiden. Humanhood betekent zoveel als de schoonheid en de complexiteit van het mens-zijn.
De plaat laat een duidelijk ander geluid horen dan op voorgaande albums het geval was. Daar waar voorganger How Is It That I Should Look At The Stars excelleerde in folk en jazz-folk, laat opvolger Humanhood een dwingender geluid horen dat meer neigt naar artpop en avantpop. Het gebruik van onregelmatige maatsoorten als een 7/8e of een 5/4e maat verstoren her en der op de lp het gevoel van een natuurlijk ritme. Dit roept – doelbewust en dus geslaagd! – een licht gevoel van onbehagen op. Dit wordt nog eens versterkt door technieken als sul ponticello, waarbij violen een wat schurend en spookachtig geluid produceren.
De eerste speldenprikjes hiervan zijn te horen in het instrumentale openingsnummer Descent dat direct overgaat in de eerst verschenen single Neon Signs. Een bijzonder aantrekkelijke track in zowel woord als geluid. Uptempo en omlijst met een soort ‘wall of sound’ zingt Lindeman over de zoektocht naar betekenis, authenticiteit en verbinding in een chaotische, misleidende wereld. Een wereld die gespannen balanceert tussen verlangen, vervulling, liefde en lust. Het verstrooide einde van het lied, met fragmentarisch en aritmisch klinkende dwarsfluiten benadrukt de staat van verwarring waarover Lindeman eerder sprak.
Mirror gebruikt – hoe kan het ook anders – de spiegelmetafoor om je de onvermijdelijke reflectie van jezelf te laten zien in alles wat we ervaren. En dat is lang niet altijd een fraai beeld om naar te kijken. Of naar te luisteren in dit geval: ‘You were dousing your fields in a chemical rain/You were cutting my arm to transcend your own pain.’ Diep menselijk leed omwikkeld met fijne en geruststellende muzikale klanken. Indrukwekkend! De licht ‘out-of-tune’ klinkende saxofoon richting het einde doet dienst als comfortabel ongemak. En het werkt ook nog.
In elk van de op Mirror volgende tracks wordt effectief geëxperimenteerd met het omzetten van het mens-zijn in geluid. Zo zijn er tracks die onverwachts worden afgebroken of niet tot een logisch einde komen. Maar ook liedjes met een palet aan ongebruikelijke klankkleuren (scherpe tonen, overlappingen en niet-syncroom lopende ritmes). Het draagt allemaal bij aan het ongemakkelijke – en wonderwel tegelijkertijd aangenaam aantrekkelijke – gevoel van existentiële en emotionele ontwrichting dat The Weather Station driekwartier lang over je uitstort.
Titeltrack Humanhood doet er nog een schepje bovenop. Doordat Lindeman een deel van de songtekst op willekeurige momenten niet zingt maar uitspreekt, krijg je als luisteraar het gevoel getuige te zijn van iets dat geïmproviseerd en vanuit iets diepers dan het hart tot stand is gekomen. Alsof de muziek er reeds was en de woorden die in een verlaten studio ter plekke opborrelden er ongecensureerd overheen gelegd zijn. In de daarop volgende track Irriversible Damage wordt dit concept nóg een stapje verder doorgevoerd, waardoor het een voyeuristisch gevoel oproept.
‘The thought I can’t get near to is the place I always disappear to’ zijn zowel de meest tegenstrijdige als meest invoelbare woorden gezongen in de prachtige ballade Lonely. Zo wordt toegewerkt naar het evenzo prachtige slotstuk Sewing, waar berusting en een voorzichtige blik op heling en verbinding worden bezongen. De laatste bijna jazzy-nachtclub klinkende pianoklanken doven langzaam uit als Humanhood na drie innemende kwartieren tot een einde komt. Humanhood is een bijzonder aantrekkelijk album geworden dat garant staat voor een diepgaande en emotionele luisterervaring zoals je die zelden tegenkomt. Dit is een album waar nog veel, heel veel meer over te zeggen en schrijven valt. Maar de stilte die je na vijfenveertig minuten overvalt zegt het meest…
The Weeknd - Hurry Up Tomorrow (2025)

4,0
2
geplaatst: 31 januari 2025, 12:49 uur
Recensie | The Weeknd - Hurry Up Tomorrow | Nieuweplaat.nl
Het nieuwste en potentieel laatste album van The Weeknd, getiteld Hurry Up Tomorrow, is het anderhalf uur durend slotstuk van een drieluik dat in 2020 begon met After Hours. Op After Hours worden thema’s als duisternis, fouten, schuldgevoel en verlies verkend. Het doet denken aan de “zondige mens” of de periode van dwaling zoals die te lezen is in de Bijbel. Het in 2022 verschenen Dawn FM vormt de liminele fase. Door Dawn FM als een radioshow te produceren, creëerde The Weeknd een luisterervaring die voelt als een tussenstation tussen leven en dood, spijt en verlossing, verleden en toekomst. Het drieluik wordt nu vervolmaakt met Hurry Up Tomorrow.
De eerste single die hiervan werd vrijgegeven halverwege september vorig jaar, Dancing In The Flames, blijkt bij het screenen van de tracktitels blijkt helemaal niet op het album te staan. Toch vervult Dancing In The Flames een belangrijke rol met een duale boodschap. De ene is die van de zelfdestructie of – om in Bijbelse analogie te blijven: de hel. De andere is die van vuur als transformerend en zuiverend element: in de Bijbel benoemd als de wedergeboorte en wederopstanding. Het roept de vraag op: gaat The Weeknd ten onder of vindt hij juist verlossing in de vlammen? Het antwoord – voor zover je van een antwoord kunt spreken – op die vraag ligt als een onzichtbare sluier gedrapeerd over alle tweeëntwintig tracks die Hurry Up Tomorrow rijk is.
Zoals op openingstrack Wake Me Up. Na twee minuten van gewichtige (kerk)orgels en onheilspellende bijklanken die de stem van The Weeknd iets engelachtigs geven, stappen we vol de jaren tachtig in met een beat en basgitaar die erg leunen op Thriller van Michael Jackson. Abel Tesfaye (echte naam van The Weeknd) zingt over een leven waarin hij wordt opgeslokt door demonen en illusies. De herhaalde oproep ‘Wake me up’ doet een worsteling met realiteit en bewustzijn vermoeden, alsof hij vastzit in een nachtmerrie waaruit hij niet kan ontsnappen.
Wake Me Up vloeit naadloos over in het veel eigentijdser klinkende Cry For Me, een lied over verlies van een geliefde en een steeds dieper afzinken in een gevoel van eenzaamheid. Leeggezogen door roem en succes lijkt Tesfaye tot de slotsom te komen een leven te hebben opgebouwd dat hem uiteindelijk kapot maakt. Wat opvalt is dat de individuele tracks een zogenaamde ‘continuous mix’ vormen, waarbij (bijna) alle nummers in elkaar doorlopen. Deze structuur lijkt te willen zeggen dat Hurry Up Tomorrow als één grote reis beschouwd moet worden, zonder onderbrekingen.
En die reis lijkt toe te werken naar één specifiek lied: The Abyss. Hierin is een diep existentiële strijd te horen. ‘I’d rather leave somewhat of a legacy’ suggereert het afscheid van The Weeknd, maar een mogelijk vervolg als Abel Tesfaye. Hoewel een regel als ‘Now I see you on the other side’ tegelijkertijd een zwaarwichtige doodsmetafoor herbergt die ook anders gehoord kan worden. De herhaalde oproep ‘Mama, I’ll pray’ volgt na een bijdrage van Lana Del Rey die de stem en reactie van zijn moeder op dit alles lijkt te vertolken. The Abyss markeert dus een cruciaal punt op het album: geen triomfantelijke verlossing, geen wedergeboorte, eerder een pijnlijk en onvermijdelijk loslaten. Maar van wat en wie, dat blijft de vraag.
Ook het beklemmende en aangrijpende slotlied Hurry Up Tomorrow geeft geen eenduidig antwoord. Diepe betuigingen van spijt en teleurstelling in alles, maar bovenal in zichzelf, voelen uiterst ongemakkelijk: ‘With my mother trying to save every ounce of my innocence/I failed her life, I failed myself, I’m sorry/Mama, I’m sorry.’ Als de laatste synth-klanken langzaam doven is het enige wat resteert het aangrijpende geluid van de wind.
In elk van de tweeëntwintig liedjes op Hurry Up Tomorrow zijn in woord en geluid verwijzingen naar een sterk gevoel van desoriëntatie en existentiële angst te beluisteren. Bijvoorbeeld over het verlies van zijn stem tijdens een concert in Los Angeles. Maar ook worden er stevige sneren uitgedeeld aan critici: ‘No one thought I’d make it past twenty-four/And when the curtains call, I hope you mourn/And if you don’t, I hopе you enjoy the fuckin’ show.’ Enige verbittering en rancune zijn The Weeknd niet vreemd en klinken als rechtvaardigende bestaansmotieven. Maar Hurry Up Tomorrow is veel, heel veel. En tegen het einde bijna te veel. Een pop-opera die voelt alsof The Weeknd te biecht gaat bij zijn fans en niet zozeer eindigt met verlossing, maar eerder met loslaten — van zichzelf, van zijn persona, en misschien van het leven zelf. Het blijft in het midden of Tesfaye werkelijk hoopt op een nieuw begin, of dat hij accepteert dat dit het einde is. Deze vertwijfeling maakt van Hurry Up Tomorrow een aangrijpend en somber slot van het drieluik. Waar After Hours de zonde representeerde en Dawn FM de reflectie, zou Hurry Up Tomorrow vanuit een christelijk narratief de verlossing moeten zijn. Misschien is het dat ook wel. De tijd zal het leren. Net als de betekenis van dit album, want het lijkt iets veel groters te huisvesten dan nu op de dag waarop het album uitkomt kan worden overzien.
Het nieuwste en potentieel laatste album van The Weeknd, getiteld Hurry Up Tomorrow, is het anderhalf uur durend slotstuk van een drieluik dat in 2020 begon met After Hours. Op After Hours worden thema’s als duisternis, fouten, schuldgevoel en verlies verkend. Het doet denken aan de “zondige mens” of de periode van dwaling zoals die te lezen is in de Bijbel. Het in 2022 verschenen Dawn FM vormt de liminele fase. Door Dawn FM als een radioshow te produceren, creëerde The Weeknd een luisterervaring die voelt als een tussenstation tussen leven en dood, spijt en verlossing, verleden en toekomst. Het drieluik wordt nu vervolmaakt met Hurry Up Tomorrow.
De eerste single die hiervan werd vrijgegeven halverwege september vorig jaar, Dancing In The Flames, blijkt bij het screenen van de tracktitels blijkt helemaal niet op het album te staan. Toch vervult Dancing In The Flames een belangrijke rol met een duale boodschap. De ene is die van de zelfdestructie of – om in Bijbelse analogie te blijven: de hel. De andere is die van vuur als transformerend en zuiverend element: in de Bijbel benoemd als de wedergeboorte en wederopstanding. Het roept de vraag op: gaat The Weeknd ten onder of vindt hij juist verlossing in de vlammen? Het antwoord – voor zover je van een antwoord kunt spreken – op die vraag ligt als een onzichtbare sluier gedrapeerd over alle tweeëntwintig tracks die Hurry Up Tomorrow rijk is.
Zoals op openingstrack Wake Me Up. Na twee minuten van gewichtige (kerk)orgels en onheilspellende bijklanken die de stem van The Weeknd iets engelachtigs geven, stappen we vol de jaren tachtig in met een beat en basgitaar die erg leunen op Thriller van Michael Jackson. Abel Tesfaye (echte naam van The Weeknd) zingt over een leven waarin hij wordt opgeslokt door demonen en illusies. De herhaalde oproep ‘Wake me up’ doet een worsteling met realiteit en bewustzijn vermoeden, alsof hij vastzit in een nachtmerrie waaruit hij niet kan ontsnappen.
Wake Me Up vloeit naadloos over in het veel eigentijdser klinkende Cry For Me, een lied over verlies van een geliefde en een steeds dieper afzinken in een gevoel van eenzaamheid. Leeggezogen door roem en succes lijkt Tesfaye tot de slotsom te komen een leven te hebben opgebouwd dat hem uiteindelijk kapot maakt. Wat opvalt is dat de individuele tracks een zogenaamde ‘continuous mix’ vormen, waarbij (bijna) alle nummers in elkaar doorlopen. Deze structuur lijkt te willen zeggen dat Hurry Up Tomorrow als één grote reis beschouwd moet worden, zonder onderbrekingen.
En die reis lijkt toe te werken naar één specifiek lied: The Abyss. Hierin is een diep existentiële strijd te horen. ‘I’d rather leave somewhat of a legacy’ suggereert het afscheid van The Weeknd, maar een mogelijk vervolg als Abel Tesfaye. Hoewel een regel als ‘Now I see you on the other side’ tegelijkertijd een zwaarwichtige doodsmetafoor herbergt die ook anders gehoord kan worden. De herhaalde oproep ‘Mama, I’ll pray’ volgt na een bijdrage van Lana Del Rey die de stem en reactie van zijn moeder op dit alles lijkt te vertolken. The Abyss markeert dus een cruciaal punt op het album: geen triomfantelijke verlossing, geen wedergeboorte, eerder een pijnlijk en onvermijdelijk loslaten. Maar van wat en wie, dat blijft de vraag.
Ook het beklemmende en aangrijpende slotlied Hurry Up Tomorrow geeft geen eenduidig antwoord. Diepe betuigingen van spijt en teleurstelling in alles, maar bovenal in zichzelf, voelen uiterst ongemakkelijk: ‘With my mother trying to save every ounce of my innocence/I failed her life, I failed myself, I’m sorry/Mama, I’m sorry.’ Als de laatste synth-klanken langzaam doven is het enige wat resteert het aangrijpende geluid van de wind.
In elk van de tweeëntwintig liedjes op Hurry Up Tomorrow zijn in woord en geluid verwijzingen naar een sterk gevoel van desoriëntatie en existentiële angst te beluisteren. Bijvoorbeeld over het verlies van zijn stem tijdens een concert in Los Angeles. Maar ook worden er stevige sneren uitgedeeld aan critici: ‘No one thought I’d make it past twenty-four/And when the curtains call, I hope you mourn/And if you don’t, I hopе you enjoy the fuckin’ show.’ Enige verbittering en rancune zijn The Weeknd niet vreemd en klinken als rechtvaardigende bestaansmotieven. Maar Hurry Up Tomorrow is veel, heel veel. En tegen het einde bijna te veel. Een pop-opera die voelt alsof The Weeknd te biecht gaat bij zijn fans en niet zozeer eindigt met verlossing, maar eerder met loslaten — van zichzelf, van zijn persona, en misschien van het leven zelf. Het blijft in het midden of Tesfaye werkelijk hoopt op een nieuw begin, of dat hij accepteert dat dit het einde is. Deze vertwijfeling maakt van Hurry Up Tomorrow een aangrijpend en somber slot van het drieluik. Waar After Hours de zonde representeerde en Dawn FM de reflectie, zou Hurry Up Tomorrow vanuit een christelijk narratief de verlossing moeten zijn. Misschien is het dat ook wel. De tijd zal het leren. Net als de betekenis van dit album, want het lijkt iets veel groters te huisvesten dan nu op de dag waarop het album uitkomt kan worden overzien.
Tim Knol - Long Live Your Friends (2023)

3,5
0
geplaatst: 25 augustus 2023, 13:54 uur
De persoonlijke metamorfose die Tim Knol zichzelf enige jaren geleden gunde, resulteerde vorig jaar in het uitstekende album Lightyears Better. Zijn nieuwe en vooral gezondere levensstijl heeft blijkbaar een nog onontgonnen bron van inspiratie en creativiteit opgeleverd, want binnen een jaar na Lightyears Better ziet Long Live Your Friends het daglicht.
Long Live Your Friends is alweer het achtste album (alle delen Lost And Found Tapes beschouwd als één plaat) van de toch pas 33-jarige zanger, gitarist en tekstschrijver. En als er één constante factor is in deze acht albums, dan is dat ze allen een net wat ander geluid laten horen. Zo ook album nummer negen, dat op een andere manier tot stand kwam dan zijn tot nu toe gebruikelijke werkwijze. De tien songs op Long Live Your Friends liet Knol ontstaan op de dag van opname. Het tekstuele deel kwam voor rekening van Knol, de productie werd gedaan door Sam Verbeek. Een slimme zet en sterke samenwerking, want de songs klinken mede daardoor fris en aantrekkelijk. Qua stijl hangt Long Live Your Friends meer naar independent Britpop met een lichte flirt naar janglepop. Daarbij klinken de tien liedjes ook spontaner dan op vorige albums van Knol.
Albumopener Brand New Day is daar meteen het beste voorbeeld van en is tegelijkertijd ook het sterkste nummer van de tien. Het lied is een ode aan de vriendschap, maar verwijst tevens naar een moment van terugval in zijn nieuwe leefstijl. Qua compositie en productie heeft het veel weg van Crowded House, maar ook het geluid van The Jayhawks en My Morning Jacket is niet ver weg. Die lijn wordt doorgetrokken in Under The Gun, een Engelse uitdrukking die zoveel betekent als je zorgen maken om iets dat je op een bepaalde tijd of op een bepaalde manier moet doen. Misschien draagt juist de afwezigheid van deze stressfactoren ertoe bij dat Long Live Your Friends als geheel open en spontaan klinkt. Maar schijn bedriegt in dit geval wel een beetje, want Knol ervaart wel degelijk een vorm van stress over allerlei zaken. Van de wijze waarop mensen elkaar vandaag de dag bejegenen tot de manier waarop de mens met haar leefwereld en klimaat omgaat. Dit komt onder andere aan bod in To The Darkness, waarin Knol zingt: ‘It’s lonely sometimes without kindness around/ Tell me what happened to the innocent people in this town’. Openhartig en kritisch is Knol een innemend mens.
Titelstuk Long Live Your Friends klinkt (net als Brand New Day) als een ode aan de vriendschap. Maar zowel titel als songtekst verbergen een cynische boodschap: je ontdekt pas wie écht een vriend is in tijden van tegenspoed en verandering. In die zin heeft zijn gezondere leefstijl het kaf van het koren gescheiden en heeft hij ontdekt dat er binnen vriendschap geen ruimte is voor jaloezie. Gelukkig is Knol echter nog niet zo gedesillusioneerd als de heren van Het Goede Doel in 1982. Wat volgt is een vijftal goedbedoelde en goed uitgevoerde songs, die weliswaar prettig in het gehoor liggen, maar tegelijkertijd inwisselbaar aanvoelen. Zowel muzikaal als tekstueel is het wat braaf en netjes binnen de lijnen van het genre gekleurd. Met aforismen als ‘Change, you defeated it and led it astray/Change, now it’s time to go your own way’ lijkt Knol vooral met zichzelf in gesprek en bezig zichzelf goede moed in te praten. Daar is overigens in zijn geheel niet mis mee, alleen de scherpte en verrassing zijn er voor de luisteraar dan wel af. Het gevolg is dat de songs wat minder beklijven en daardoor inwisselbaar klinken.
Long Live Your Friends is een prettig, toegankelijk album dat geënt is op harmonie in tekst en productie. De lyriek is daardoor dusdanig – sfeervol – verpakt dat de inhoud wat verloren gaat. En dat is jammer, want Knol heeft prima observaties en voldoende levenservaring om daar zinnige dingen over te schrijven. Daarentegen heeft het bands als het eerder genoemde Crowded House nooit dwars gezeten dat het nergens wilde schuren, dus die vlieger gaat niet per definitie op. Tim Knol heeft uiteindelijk tien prima nieuwe liedjes op plaat gezet. En bij wie toch die jaloezie komt opzetten, doet er goed aan de woorden de zeventiende-eeuwse dichter John Dryden tot zich te nemen: ‘Jaloezie is de geelzucht van de ziel’. Gevoelens van waardering en erkenning zijn passender bij het luisteren naar Long Live Your Friends.
Tim Knol - Long Live Your Friends - nieuweplaat.nl
Long Live Your Friends is alweer het achtste album (alle delen Lost And Found Tapes beschouwd als één plaat) van de toch pas 33-jarige zanger, gitarist en tekstschrijver. En als er één constante factor is in deze acht albums, dan is dat ze allen een net wat ander geluid laten horen. Zo ook album nummer negen, dat op een andere manier tot stand kwam dan zijn tot nu toe gebruikelijke werkwijze. De tien songs op Long Live Your Friends liet Knol ontstaan op de dag van opname. Het tekstuele deel kwam voor rekening van Knol, de productie werd gedaan door Sam Verbeek. Een slimme zet en sterke samenwerking, want de songs klinken mede daardoor fris en aantrekkelijk. Qua stijl hangt Long Live Your Friends meer naar independent Britpop met een lichte flirt naar janglepop. Daarbij klinken de tien liedjes ook spontaner dan op vorige albums van Knol.
Albumopener Brand New Day is daar meteen het beste voorbeeld van en is tegelijkertijd ook het sterkste nummer van de tien. Het lied is een ode aan de vriendschap, maar verwijst tevens naar een moment van terugval in zijn nieuwe leefstijl. Qua compositie en productie heeft het veel weg van Crowded House, maar ook het geluid van The Jayhawks en My Morning Jacket is niet ver weg. Die lijn wordt doorgetrokken in Under The Gun, een Engelse uitdrukking die zoveel betekent als je zorgen maken om iets dat je op een bepaalde tijd of op een bepaalde manier moet doen. Misschien draagt juist de afwezigheid van deze stressfactoren ertoe bij dat Long Live Your Friends als geheel open en spontaan klinkt. Maar schijn bedriegt in dit geval wel een beetje, want Knol ervaart wel degelijk een vorm van stress over allerlei zaken. Van de wijze waarop mensen elkaar vandaag de dag bejegenen tot de manier waarop de mens met haar leefwereld en klimaat omgaat. Dit komt onder andere aan bod in To The Darkness, waarin Knol zingt: ‘It’s lonely sometimes without kindness around/ Tell me what happened to the innocent people in this town’. Openhartig en kritisch is Knol een innemend mens.
Titelstuk Long Live Your Friends klinkt (net als Brand New Day) als een ode aan de vriendschap. Maar zowel titel als songtekst verbergen een cynische boodschap: je ontdekt pas wie écht een vriend is in tijden van tegenspoed en verandering. In die zin heeft zijn gezondere leefstijl het kaf van het koren gescheiden en heeft hij ontdekt dat er binnen vriendschap geen ruimte is voor jaloezie. Gelukkig is Knol echter nog niet zo gedesillusioneerd als de heren van Het Goede Doel in 1982. Wat volgt is een vijftal goedbedoelde en goed uitgevoerde songs, die weliswaar prettig in het gehoor liggen, maar tegelijkertijd inwisselbaar aanvoelen. Zowel muzikaal als tekstueel is het wat braaf en netjes binnen de lijnen van het genre gekleurd. Met aforismen als ‘Change, you defeated it and led it astray/Change, now it’s time to go your own way’ lijkt Knol vooral met zichzelf in gesprek en bezig zichzelf goede moed in te praten. Daar is overigens in zijn geheel niet mis mee, alleen de scherpte en verrassing zijn er voor de luisteraar dan wel af. Het gevolg is dat de songs wat minder beklijven en daardoor inwisselbaar klinken.
Long Live Your Friends is een prettig, toegankelijk album dat geënt is op harmonie in tekst en productie. De lyriek is daardoor dusdanig – sfeervol – verpakt dat de inhoud wat verloren gaat. En dat is jammer, want Knol heeft prima observaties en voldoende levenservaring om daar zinnige dingen over te schrijven. Daarentegen heeft het bands als het eerder genoemde Crowded House nooit dwars gezeten dat het nergens wilde schuren, dus die vlieger gaat niet per definitie op. Tim Knol heeft uiteindelijk tien prima nieuwe liedjes op plaat gezet. En bij wie toch die jaloezie komt opzetten, doet er goed aan de woorden de zeventiende-eeuwse dichter John Dryden tot zich te nemen: ‘Jaloezie is de geelzucht van de ziel’. Gevoelens van waardering en erkenning zijn passender bij het luisteren naar Long Live Your Friends.
Tim Knol - Long Live Your Friends - nieuweplaat.nl
Tom Odell - A Wonderful Life (2025)

4,0
2
geplaatst: 5 september 2025, 17:47 uur
Recensie | Tom Odell - A Wonderful Life | Nieuweplaat.nl
Op zijn zevende studioalbum – met de ironisch bedoelde titel A Wonderful Life – gooit de Britse singer-songwriter Tom Odell het over een andere boeg. Op zijn debuutplaat Long Way Down uit 2013 koos hij voor intieme en live-geïnspireerde opnamesetting met voltallige band om zo de authenticiteit van zijn muziek te benadrukken. Maar op de daarop volgende albums werd deze aanpak steeds minder hoorbaar. Op A Wonderful Life keert Odell terug naar die opnamestijl.
Om dat te benadrukken trapt A Wonderful Life – niet bijster origineel - af met een hoorbaar tellende drummer als opmaat naar de eerste klanken van Don’t Let Me Go. Maar eerlijk is eerlijk, hoewel het alle tekenen van effectbejag heeft, werkt het wel degelijk. Don’t Let Me Go klinkt warm, organisch en levendig. Het zijn details als de klank van de cimbalen en de doffe dreunen van de basedrum die opvallen. Deze zijn het gevolg van ‘bleeding’: het verschijnsel dat een microfoon niet alleen het bedoelde instrument oppikt, maar ook geluid van de andere instrumenten in de ruimte. Het is een nadeel van deze vorm van opnemen, als je al van een nadeel kunt spreken.
Prayer is een soort innerlijk tweegesprek over verdriet en het zoeken naar troost. Odell lijkt hier een persoonlijk intiem verhaal uit de doeken te doen. Een verhaal dat qua sound meer past bij zijn vorige plaat Black Friday uit 2024. Wat verder opvalt aan deze rustige, op strijkers leunende, ballade is dat de zangpartij van Odell uit twee losse sporen (link en rechts) bestaat. Weliswaar mooi, maar toch niet in lijn met het door hem gewenste live-gevoel. Daar staat gelukkig Can We Just Go Home Now tegenover. Een Radiohead-aandoende track, waarop Odell overtuigt in emotionele zang, rauwe oprechtheid en creatieve urgentie die doet terugdenken aan tracks als Sirens uit zijn beginjaren. Dit geldt misschien nog wel meer voor het als single uitgebrachte Ugly. Deze Tom Odell-variant van Creep (Radiohead, 1993) is het beste nummer op deze plaat en een – terecht – snelle stijger op de playlist van liedjes die bezoekers van zijn concerten willen horen (3 en 4 november in de Ziggo Dome te Amsterdam).
Toch wordt de ironie van de albumtitel (en daarmee ook een deel van de lyrieken) pas duidelijk bij het beluisteren van het titelstuk. Elk couplet in het lied A Wondeful Life bestaat uit een viertal vignetten; korte scènes die een vorm van pijn, verlies of existentiële spanning in zich dragen. Bijvoorbeeld deze twee uit het eerste couplet: ‘The little boy at the airport waving his father goodbye/The lover in the bedroom saying "I'm sorry I lied"’. Doordat vervolgens in het refrein herhaaldelijk ‘What a wonderful life’ klinkt, krijgt het lied als totaal een bitterzoete cynische lading. Schril contrast is vervolgens een track als Strange House dat weer veel meer een Nick Cave-vibe ademt. Luister daarbij vooral naar de laatste twee woorden van dit lied. Die berusting in onzekerheid is ontroerend pijnlijk en mooi tegelijk.
Geheel in stijl (wie verwacht er nu géén crescendo-uitgeleide) neemt A Wonderful Life afscheid van de luisteraar met The End Of Suffering (ook voorzien van een telmoment, zoals in het openingsnummer). Dit slotakkoord rechtvaardigt nogmaals de keuze voor live-opname setting. Het zorgt ervoor dat dit slotlied, en daarmee de plaat in zijn geheel, een levendige en veelal emotioneel intense sfeer krijgt. Een sfeer die ergens iets wegheeft van het album Sea Change van Beck uit 2002.
A Wonderful Life doet, als we het naar de kern terugbrengen, twee dingen: het globaliseert ellende en het personaliseert liefde. Het eerdergenoemde bleed-effect versterkt daarbij het gevoel van de chaotische en overweldigende werkelijkheid, terwijl Odells stemgeluid juist de kant van de kwetsbare, intieme liefde benadrukt. Dit getuigt van artistieke groei. Wat echter nog ontbreekt is een tussenlaag die de brug vormt tussen “dit neem ik waar” en “dit raakt me op deze manier”. Maar ook zonder die brug is A Wonderful Life een pracht van een plaat geworden die Tom Odell laat klinken zoals velen hem het liefst horen: doordrenkt met emotie, drama en intens overtuigend.
Op zijn zevende studioalbum – met de ironisch bedoelde titel A Wonderful Life – gooit de Britse singer-songwriter Tom Odell het over een andere boeg. Op zijn debuutplaat Long Way Down uit 2013 koos hij voor intieme en live-geïnspireerde opnamesetting met voltallige band om zo de authenticiteit van zijn muziek te benadrukken. Maar op de daarop volgende albums werd deze aanpak steeds minder hoorbaar. Op A Wonderful Life keert Odell terug naar die opnamestijl.
Om dat te benadrukken trapt A Wonderful Life – niet bijster origineel - af met een hoorbaar tellende drummer als opmaat naar de eerste klanken van Don’t Let Me Go. Maar eerlijk is eerlijk, hoewel het alle tekenen van effectbejag heeft, werkt het wel degelijk. Don’t Let Me Go klinkt warm, organisch en levendig. Het zijn details als de klank van de cimbalen en de doffe dreunen van de basedrum die opvallen. Deze zijn het gevolg van ‘bleeding’: het verschijnsel dat een microfoon niet alleen het bedoelde instrument oppikt, maar ook geluid van de andere instrumenten in de ruimte. Het is een nadeel van deze vorm van opnemen, als je al van een nadeel kunt spreken.
Prayer is een soort innerlijk tweegesprek over verdriet en het zoeken naar troost. Odell lijkt hier een persoonlijk intiem verhaal uit de doeken te doen. Een verhaal dat qua sound meer past bij zijn vorige plaat Black Friday uit 2024. Wat verder opvalt aan deze rustige, op strijkers leunende, ballade is dat de zangpartij van Odell uit twee losse sporen (link en rechts) bestaat. Weliswaar mooi, maar toch niet in lijn met het door hem gewenste live-gevoel. Daar staat gelukkig Can We Just Go Home Now tegenover. Een Radiohead-aandoende track, waarop Odell overtuigt in emotionele zang, rauwe oprechtheid en creatieve urgentie die doet terugdenken aan tracks als Sirens uit zijn beginjaren. Dit geldt misschien nog wel meer voor het als single uitgebrachte Ugly. Deze Tom Odell-variant van Creep (Radiohead, 1993) is het beste nummer op deze plaat en een – terecht – snelle stijger op de playlist van liedjes die bezoekers van zijn concerten willen horen (3 en 4 november in de Ziggo Dome te Amsterdam).
Toch wordt de ironie van de albumtitel (en daarmee ook een deel van de lyrieken) pas duidelijk bij het beluisteren van het titelstuk. Elk couplet in het lied A Wondeful Life bestaat uit een viertal vignetten; korte scènes die een vorm van pijn, verlies of existentiële spanning in zich dragen. Bijvoorbeeld deze twee uit het eerste couplet: ‘The little boy at the airport waving his father goodbye/The lover in the bedroom saying "I'm sorry I lied"’. Doordat vervolgens in het refrein herhaaldelijk ‘What a wonderful life’ klinkt, krijgt het lied als totaal een bitterzoete cynische lading. Schril contrast is vervolgens een track als Strange House dat weer veel meer een Nick Cave-vibe ademt. Luister daarbij vooral naar de laatste twee woorden van dit lied. Die berusting in onzekerheid is ontroerend pijnlijk en mooi tegelijk.
Geheel in stijl (wie verwacht er nu géén crescendo-uitgeleide) neemt A Wonderful Life afscheid van de luisteraar met The End Of Suffering (ook voorzien van een telmoment, zoals in het openingsnummer). Dit slotakkoord rechtvaardigt nogmaals de keuze voor live-opname setting. Het zorgt ervoor dat dit slotlied, en daarmee de plaat in zijn geheel, een levendige en veelal emotioneel intense sfeer krijgt. Een sfeer die ergens iets wegheeft van het album Sea Change van Beck uit 2002.
A Wonderful Life doet, als we het naar de kern terugbrengen, twee dingen: het globaliseert ellende en het personaliseert liefde. Het eerdergenoemde bleed-effect versterkt daarbij het gevoel van de chaotische en overweldigende werkelijkheid, terwijl Odells stemgeluid juist de kant van de kwetsbare, intieme liefde benadrukt. Dit getuigt van artistieke groei. Wat echter nog ontbreekt is een tussenlaag die de brug vormt tussen “dit neem ik waar” en “dit raakt me op deze manier”. Maar ook zonder die brug is A Wonderful Life een pracht van een plaat geworden die Tom Odell laat klinken zoals velen hem het liefst horen: doordrenkt met emotie, drama en intens overtuigend.
