MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten stoepkrijt als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Silversun Pickups - Neck of the Woods (2012)

poster
4,5
Neck of the Woods is het derde album van deze vierkoppige band uit Los Angeles. Dit album staat vol alternatieve rocknummers met flink wat pit en volume, zo hier en daar ondersteund door een flinke dosis elektronica. Een fijne toevoeging, die in sommige nummers voor de kers op de taart zorgt en in andere gevallen zelfs het hele nummer draagt. Neck of the Woods is een vlot album, dat het goed zal doen bij liefhebbers van alternatieve rock, maar biedt genoeg variatie om ook andere muziekliefhebbers tevreden te stellen.

Dit album opent met een langgerekt intro waarin na een minuut de eerste synthesizertonen invallen. Donker, spannend en een tikkeltje onheilspellend. Het zet meteen de toon voor het album dat volgt. Het refrein van opener Skin Graph knalt er meteen goed in en zanger Brian Aubert kan meteen flink wat volume uit zijn stem trekken. Een stevig begin, hoewel het nummer ook een mooi rustpunt bevat voordat het refrein weer terugkeert.

Make Believe is een wat ‘puurder’ rocknummer, omdat de synthesizer even naar de achtergrond is geschoven. Het bezwerende gitaarloopje in de intro brengt meteen een spannende sfeer met zich mee die het hele nummer blijft aanhouden. Dit is een van de stoerdere nummers van het album, zeker wanneer vanaf ongeveer 3 minuten de gitaar even in de spotlights wordt gezet. Beheerst gitaargeweld zoals dit kan ik wel waarderen.

En dan komt de synthesizer weer terug. En hoe! Dit is bijna geen rock meer, dit is elektronica. Bloody Mary (Nerve Endings) had zo een nummer van MGMT kunnen zijn. Dit is zonder enige twijfel het meest aanstekelijke nummer van het album en dat komt voornamelijk door het heerlijke refrein. Het mag dan misschien een buitenbeentje zijn, doordat dit nummer wel erg veel op de synths leunt, maar Bloody Mary is zonder twijfel één van de sterkste nummers van dit album.

Die intro! Ik krijg er maar geen genoeg van. Gelukkig blijft dit gitaarloopje nog lang doorklinken tijdens Busy Bees, het vierde nummer van dit album. Het rustige en beheerste gitaarspel bevalt me uitstekend en zorgt voor een fijn contrast met het hardere spel in het refrein. Pas als tegen het einde van het nummer het gitaarloopje uit de intro weer opduikt valt op hoeveel dit nummer aan kracht en volume heeft gewonnen gedurende de laatste 4 minuten. Busy Bees is toch een behoorlijke knaller!

Noemde ik Bloody Mary een buitenbeentje? Dít is pas een buitenbeentje: Here We Are (Chancer) heeft meer met triphop van doen dan met rock of synthpop en steekt daardoor behoorlijk af bij de rest van dit album. Is het daardoor ook meteen een ongenode gast? Absoluut niet! Here We Are brengt wat rust in de tent en dat is nodig ook. Zeker als je weet wat je nog te wachten staat. En bovendien: Dit is gewoon een bloedmooi nummer.

Mean Spirits is het prijsnummer van Neck of the Woods. Dit nummer bevat zoveel kracht en venijn dat de gemiddelde hardrockband er jaloers op zou worden. In het eerste couplet is het venijn in de gitaar al duidelijk hoorbaar. Je zou bijna bang worden van het idee dat er nog een refrein aan zit te komen. Dat refrein knalt er dan ook genadeloos hard in. Oké, dit heeft natuurlijk niks met hardrock te maken, maar knallen doet het zeker. De eerste 4 minuut 20 van Mean Spirits zijn al geweldig, maar dan is de koek nog niet op. Er volgt nog een instrumentaal toegift van een halve minuut. Heerlijk!

Het kruitvat is al ontploft, terwijl er nog een half album te gaan is. Die tweede helft is dan ook een stuk minder gepeperd (en minder goed, naar mijn mening), maar is nog altijd erg sterk. Simmer is het langste nummer van deze plaat en kan het zich dan ook veroorloven om langzaam op gang te komen. Jammer, maar gelukkig maakt het refrein een hoop goed. Aubert’s zang klinkt wel wat tam, maar de backing vocals compenseren een hele hoop.

Met The Pit staat er weer een van de beste nummers van dit album voor de deur. Voor het eerst klinkt er iets zeurderigs door in de stem van Aubert, iets wat ik gek genoeg als positief ervaar. Het doet me aan Brian Molko (zanger van Placebo) denken en het bevalt me wel. Ook dit nummer heeft weer een superaanstekelijk refrein, terwijl dat refrein eigenlijk maar weinig om het lijf heeft. De enige muziek die je hoort is een simpel drumritme en een gitaar die elke vier maten een akkoord aanslaat. Dat het refrein tóch zo catchy is, is te danken aan de zang. Niet alleen de zang van Aubert, maar vooral de backing vocals van Nikki Monninger zijn erg sterk.

Dots and Dashes (Enough Already) spreekt me vooral aan vanwege de tekst. Dit album bevat sowieso veel sterke teksten, al zijn ze lang niet allemaal even duidelijk. De meeste teksten laten genoeg ruimte over voor eigen interpretaties en invullingen. Dots and Dashes gaat over iemand die op het punt staat het slechte pad op te gaan. I just saw innocence spinning around. Should I step in and burn it all down? geeft de kern van de tekst (en daarmee misschien ook wel de boodschap) van dit nummer weer en is een van mijn favoriete zinnen van dit album.

Het volgende nummer is het zwakste nummer van Neck of the Woods. Het doet pijn om te zeggen, maar er moet er nu eenmaal één de slechtste zijn. Deze twijfelachtige eer valt ten deel aan Gun-Shy Sunshine, maar een slecht nummer is het eigenlijk niet. Net als in The Pit is de zang hier wat zeurderig en qua stijl wijkt dit nummer toch enigszins af van de rest. Het doet een beetje psychedelisch aan, al blijft het wel duidelijk Silversun Pickups die we hier horen.

De afsluiter Out of Breath begint lekker onheilspellend en dat mag wel weer eens. Dat spannende sfeertje is een paar nummers weggeweest en ik kan wel zeggen dat ik dat gemist heb. Dat onheilspellende wordt na bijna 2 minuten weer omgeruild voor een wat ruiger geluid en zo ontpopt dit nummer zich als een typisch Pickups-nummer. Dat komt ook doordat Brian Aubert in het refrein weer eens voluit zingt. Out of Breath is een waardig nummer om dit album mee af te sluiten.

Na deze elf nummers is het tijd om de balans op te maken: Neck of the Woods staat vol met sterke songs en bevat eigenlijk geen zwakke broeders. Gun-Shy Sunshine is het enige nummer dat moeite heeft om het niveau van de rest bij te benen, maar haalt nog steeds een aardig niveau. De andere nummers zijn dan ook wel vreselijk sterk met Bloody Mary, Busy Bees, Mean Spirits en The Pit als positieve uitschieters.
Silversun Pickups heeft een duidelijk eigen geluid en ook de songs op dit album vormen een hechte eenheid. Toch is er op Neck of the Woods ook ruimte voor wat afwisseling. Zo staan er op dit album zowel nummers die door elektronica worden gedomineerd (Bloody Mary) en pure rocknummers (Make Believe, Mean Spirits). En dan is het buitenbeentje Here We Are er ook nog!
Voor mij is het overduidelijk: Dit album is nu al een van de beste albums van 2012 en zal dat aan het eind van het jaar ongetwijfeld nog steeds zijn. Voor iedereen die alternatieve rock een warm hart toedraagt is Neck of the Woods een absolute aanrader!

Silversun Pickups - Widow's Weeds (2019)

poster
3,5
Ook worp numero vijf van Silverun Pickups is weer een uiterst degelijk rockalbum vol goed uitgewerkte songs. Toch boeit Widow's Weeds wat minder dan hun vorige albums. Compositioneel is het misschien wel weer een tikje interessanter dan Better Nature dat over de gehele linie iets poppier en oppervlakkiger aandeed ('oppervlakkig' voor SSPU-begrippen welteverstaan, echt plat en oninteressant zal hun muziek nooit worden), maar de liedjes beklijven wat minder.

Slappe hap is het nergens. Sterker nog: Eigenlijk is Widow's Weeds behoorlijk stevig en het bevat niet meer ballads dan ik van ze gewend ben. Wel hoor ik hierop meer zeurderige zanglijntjes dan me lief is. Bag of Bones, Simpatico en titeltrack Widow's Weeds zijn de meest sprekende voorbeelden. Dat ik de twee singles niet razend boeiend vind helpt ook niet direct mee, want dat heeft mijn eerste indruk flink beïnvloed.

De traditie van sterke openingstracks schrijven zet Silversun Pickups hier gelukkig voort: Neon Wound is verrukkelijk en combineert hun klassieke alternatieve rocksound met een elektronische touch. Het andere prijsnummer is voor mij Songbirds, het meest vinnige rockanthem van het tiental. Ook Don't Know Yet en Straw Man kunnen mij goedkeuring wegdragen, de rest is op zijn minst solide te noemen.

Al met al kom ik wat gereserveerd over, maar ik ben toch best te spreken over dit album. De heren en dame van Silversun Pickups zijn sterren in het schrijven van boeiende rockcomposities en daar gaan ze dertien jaar na meesterwerk Carnavas nog altijd mee door. Het is allemaal niet zo geniaal en beklijvend als hun beste werk, maar voor een rockliefhebber als ik is het absoluut goed te genieten.

Sinéad O'Connor - The Lion and the Cobra. (1987)

poster
3,5
Troy was voor mij aanleiding genoeg om dit album aan te schaffen. Troy was tevens de enige aanleiding, de andere nummers had ik nog nooit gehoord. Het was daarom wel even schrikken toen ik een aantal eenvoudige popdeuntjes langs hoorde komen. Ik had zwaardere kost verwacht.

Begrijp me niet verkeerd: Een licht verteerbaar album is The Lion and the Cobra zeker niet. Sommige liedjes (o.a. Mandinka en I Want Your Hands on Me) mogen op het eerste gehoor dan eenvoudig klinken, uiteindelijk ben ik er achtergekomen dat ieder liedje heus wat interessants te bieden heeft. Soms is het de tekst, soms de songstructuur, soms de opbouw, maar vaak een combinatie. Het zorgt ervoor dat ieder nummer iets eigenzinnigs heeft en een duidelijk Sinéad O'Connor-stempel met zich meedraagt.

Is The Lion and the Cobra interessant? Dat zeker. Zijn alle liedjes even goed? Nee. Persoonlijk vind ik Never Get Old niet muzikaal genoeg, I Want Your Hands on Me te eenvoudig en Just Call Me Joe ronduit vervelend. De andere liedjes bevallen me wel en over de gehele linie heeft Sinéad O'Connor hier een boeiend en kwalitatief zeer behoorlijk album afgeleverd. Het mag dan geen 42 minuten muziek van het kaliber Troy zijn, de moeite waard is het zeker.

Siskiyou - Nervous (2015)

poster
3,5
Op Nervous hoor ik rijke arrangementen, bij vlagen met Arcade Fire-allure. Ik hoor gevarieerde liedjes, van ingetogen tot uitbundig. Ik hoor koortjes, Simon Gallup-basloopjes en een ontwapenende speelsheid die me sterk aan Neutral Milk Hotel doet denken. Siskiyou levert een zeer afwisselend en bovendien origineel album af, want ondanks al de vergelijkingen die ik noem hebben ze een overduidelijk eigen geluid. Een interessante ontdekking, deze band.

De grote variatie tussen alle liedjes – het is nauwelijks te doen om meer dan twee liedjes in hetzelfde hokje te stoppen – is niet alleen een zegen, maar ook een valkuil. Het is moeilijk om een en dezelfde luisteraar met al die liedjes te boeien. Bij mij lukt ze dat in ieder geval niet. Gelukkig weten ze de zwakkere nummers goed te compenseren.

Om de kritische noot maar meteen gehad te hebben: Het zijn vooral de rustige liedjes die me niet weten te pakken. Bank Accounts and Dollar Bills, Nervous en Babylonian Proclivities vind ik gewoon te saai.
De band is het best op dreef in de vlottere liedjes en dan met name in de meest uitbundige, speelse stukken. Dan heb ik het over Oval Window, Imbecile Thoughts en de heerlijke uitbarsting in Wasted Genius, misschien wel het lekkerste stukje muziek van het hele album. Dit zijn niet per se de beste liedjes, maar er spat wel de meeste spelvreugde vanaf.
De beste nummers zijn voor mij de somberste en meest onheilspellende: Violent Motion Pictures en Jesus in the 70’s. De basgitaar steelt in die laatste duidelijk de show.

Er staan behoorlijk wat goede liedjes op dit album, maar toch laat Siskiyou op muzikaal vlak wat steekjes vallen. De meeste nummers zijn weliswaar rijk en zeer fraai gearrangeerd, maar dat maakt nog niet ieder liedje meteen aantrekkelijk. Interessant is het voortdurend, maar écht aanstekelijk (in de vlotte nummers) of emotioneel (in de rustigere liedjes) wordt het eigenlijk nooit. Zelfs de beste liedjes missen dat laatste extra zetje dat ze van goed tot memorabel promoveert. De liedjes zijn stuk voor stuk eigenlijk net iets te bleu.

Een ander minpuntje is de stem van de zanger. Hij heeft een markant geluid, van zijn hoge noten moet je maar net houden. Ik kan ze gelukkig goed hebben. Het is zijn manier van zingen die me niet echt aanstaat. Op af en toe wat klagerige, hoge noten na is het voornamelijk mompelen en fluisteren wat hij doet. Dat heb ik na twee liedjes wel zo’n beetje gehoord.

Siskiyou is een razend interessante band die zeer fraaie liedjes kan maken. Voor mij persoonlijk zijn ze echter net wat te flets, waardoor ik ze leuk vind om naar te luisteren, maar er nooit verslaafd aan zal raken. De fraaie composities en de speelse passages geven echter genoeg aanleiding om dit album zo af en toe toch nog eens op te zetten.

Skyharbor - Guiding Lights (2014)

poster
3,5
Dat Skyharbor uit India komt is ze niet aan te horen. Dat is voor een belangrijk deel te danken aan zanger Daniel Tompkins, een geboren Brit. Als ik de muziek van Skyharbor zou moeten vergelijken met een andere band is de eerste referentie die in me opkomt Karnivool. Moderne progressie metal/rock met zorgvuldig opgebouwde composities, bestaande uit zowel sfeervolle passages als pittige uitbarstingen.

Kaikoma, Evolution en New Devil zijn de stevigste, meest 'aanstekelijke' en hierdoor ook meest toegankelijke nummers. De rest van het album bevat ook rustigere (Patience), langzamer opbouwende (Guiding Lights) en flitsende (Allure) composities. Op het eerste gehoor zullen veel nummers op elkaar lijken, maar als je de composities eenmaal goed op je hebt laten inwerken blijken ze goed te onderscheiden en verrassend divers.

Van de lekkerst in het gehoor liggende songs zijn Kaikoma en Evolution het interessants en kwalitatief het best. Andere persoonlijke favorieten zijn het met een mysterieus, ingetogen en met vrouwelijke vocalen opgesierde outro gezegende Halogen en het fraai opbouwende slotstuk The Constant.

Slint - Spiderland (1991)

poster
4,0
Ik zie net dat ik mijn laatste bericht bij dit album als 'recensie' heb aangevinkt. Nou vond ik dat bericht sowieso al niet echt recensiewaardig, maar voor een album als dit vind ik het helemaal een schrale bedoening. En omdat Spiderland 27 maart jongstleden 20 jaar is geworden lijkt dit me een mooie gelegenheid om een nieuwe, fatsoenlijke recensie te schrijven!

Spiderland opent met het nummer Breadcrumb Trail. Hard en vuil gitaarspel, gecombineerd met stevig drumwerk en de schreeuwerige zang van Brian MacMahan maken dit nummer meteen tot een toonzetter. Het nummer gaat over een waarzegster en heeft een leuke tekst. Dit nummer mag dan hard en gemeen klinken, het gaat juist over een heel luchtig onderwerp: Een ritje in de achtbaan met een waarzegster.
Ook de opbouw van dit nummer vind ik mooi, hoewel het niet eens zo ingewikkeld in elkaar zit: Een rustige intro, dan een ruig middenstuk en vervolgens weer een terugkeer naar de rust van de intro. Een hele mooie intro, dat wel.

Waar het vorige nummer al redelijk kwaadaardig klonk, gaat Nosferatu Man daar met gemak overheen. De continu afwisselende maatsoorten in dit nummer zijn een groot pluspunt voor mij. Ze maken dit nummer complex, maar dat stoort me totaal niet. Sterker nog, ik vind het juist mooi! Het brengt veel variatie in het nummer en dat houdt me scherp. Dat zorgt er mede voor dat dit nummer me van seconde tot seconde weet te boeien.
Verder wil ik over dit nummer nog even kwijt dat ik de intro briljant vind! Hoewel alle andere riffs die tijdens dit nummer passeren stuk voor stuk bijna net zo lekker klinken…

Na de drukte van de eerste twee nummers wordt het rustig. Don, Aman begint met gefluister en een kalm, maar spannend gitaardeuntje. Het nummer gaat over een man (Don) die tijdens een avond in het café ruzie krijgt met een goede vriend. Na twee minuten versnelt het nummer. Don voelt zich eenzaam, omdat de andere cafégangers hem negeren en gemener aankijken dan ooit tevoren. De sfeer wordt grimmig. Weer een tweetal minuten later barst het nummer echt los: Een harde gitaarriff verstoort de rust en Don’s emoties barsten los. Hij vertrekt.
De volgende dag wordt hij wakker (onder dezelfde rustige tonen uit het begin van het nummer) en heeft hij spijt: He knew what he had to do. He was responsible. In the mirror, he saw his friend.

Dan is het nu tijd voor een van de beste post-rocknummers aller tijden: Washer. Het heeft lang geduurd voor ik dit nummer ben gaan waarderen. Om eerlijk te zijn: Tot nu ongeveer. Het gitaarspel is mooi en subtiel, de zang is ingetogen en goed verstaanbaar. Maar in de songtekst of de betekenis van dit nummer heb ik me eigenlijk nooit verdiept.
De betekenis van Washer is eigenlijk niet eens zo speciaal: Het nummer gaat over een man en vrouw die uit elkaar zijn gegaan. Waarom is niet helemaal duidelijk. Ze kunnen gescheiden zijn, maar ze kunnen ook gedwongen uit elkaar zijn gegaan: I won’t be back here, though we may meet again. Het kan van alles betekenen.
De zanger heeft het er duidelijk moeilijk mee en dat is terug te horen in zijn stem: Zijn zachte stem bevat veel emotie. Maar welke emoties? Troost, hoop, angst, verlangen of spijt? Het blijft onduidelijk. Hij zingt alsof hij ieder moment in tranen kan uitbarsten.
Wat het echte verhaal achter dit nummer is blijft voor mij gissen, maar dat het een mooi nummer is staat voor mij als een paal boven water. De zang en muziek sluiten perfect op elkaar aan en de mooie tekst maakt het nummer helemaal af: Wash yourself in your tears. Prachtig toch?

For Dinner is een nummer waar ik, zelfs na vaak luisteren, niet veel mee kan. Een instrumentaal nummer met veel stiltes en bijna-stiltes. Er bestaat natuurlijk genoeg instrumentale post-rock, maar daarvan is de betekenis van het nummer vaak makkelijker te achterhalen. Na ruim drie minuten komt er (onverwacht) ineens wat pit in het nummer, maar dat zakt daarna weer weg. De outro is vervolgens erg eentonig (letterlijk!) en het nummer sterft een stille dood.
For Dinner vind ik op zichzelf geen bijzonder nummer, maar het vormt wel een mooie opstap naar het pronkstuk van dit album: Good Morning, Captain.

Dit nummer behoort tot mijn favoriete nummers aller tijden. Dat het alvast even duidelijk is.
Good Morning, Captain is gebaseerd op een oud gedicht van Samuel Taylor Coleridge: The Rime of the Ancient Mariner. Dit gedicht gaat over een zeeman die met zijn schip verdwaalt in Antarctica. Een albatros wijst hem echter de weg en brengt ze terug naar veilig vaarwater. Desondanks schiet de zeeman de albatros dood. Daarvoor zal hij moeten boeten. Een voor een sterven al zijn bemanningsleden, maar de zeeman blijft in leven. Hij moet zijn verhaal namelijk navertellen aan iedereen die hij tegenkomt om ze te laten leren van de fout die hij heeft begaan. Hij vaart zijn schip terug naar huis, waar hij vlak voor de kust zinkt. Hij overleeft het wel, omdat hij gered wordt door een vliegenier en zijn zoon.
Good Morning, Captain gaat eigenlijk verder waar het gedicht is gestopt. De zeeman is doorweekt en verkleumd en klopt aan bij een huis. Hij smeekt om binnengelaten te worden. Er verschijnt een jongen voor het raam. De jongen trekt wit weg: Hij herkent de man. Hij draait zich om en de zeeman wordt niet binnen gelaten.
Dan krijgt de zeeman spijt. Hij biedt zijn verontschuldigingen aan, maar er is niemand die hem hoort. Hij heeft spijt van wat hij de albatros en zijn bemanning heeft aangedaan. Hij loopt over van emotie en gooit alles er in een keer uit: I miss you!
Dit verhaal, de emotie in MacMahan’s stem, de treffende tekst, de prachtige, haast hypnotiserende muziek en natuurlijk de oerkeet aan het einde maken Good Morning, Captain voor mij zo’n fantastisch nummer. Een waardige afsluiter van dit album.

Twintig jaar geleden stond de post-rock nog in de kinderschoenen. Met Spiderland is dit genre op de kaart gezet. Het heeft nog wel wat jaren geduurd voor dit genre echt vorm kreeg, maar Slint heeft daar sowieso een grote bijdrage aan geleverd. Ik kende dit album in 1991 nog niet, want toen moest ik nog geboren worden. Ik kan me echter wel voorstellen dat dit album tegenwoordig veel groter is dan het in 1991 was. Spiderland is een cultalbum, een mijlpaal in de muziekgeschiedenis. Daarvoor verdient dit album heel veel waardering en die krijgt Spiderland dan ook van mij: In de vorm van 4 sterren.

Soap&Skin - Lovetune for Vacuum (2009)

poster
4,0
‘Klassiek aangezette duisternis’ schreef hoi123 toen hij me dit album tipte. Best een treffende omschrijving. Soap&Skin maakt folkmuziek, erg somber en duister en met een klassiek randje door het frêle pianospel.

Even vooraf: Ik las ergens dat Anja Plaschg pas 18 jaar was toen ze dit album schreef. Dit is wel even andere koek dan wat een Birdy, een Lorde of een Billie Eilish op die leeftijd deed. Respect voor Anja en een beetje medelijden, want als je op zo’n leeftijd zulke duistere muziek schrijft betwijfel ik of je een heel fijne jeugd hebt gehad, maar dat terzijde.

De piano maakt overuren en steelt hier duidelijk de show. Ingewikkelde melodieën zijn het niet echt, maar ze weten me te raken en dat telt. In zo’n piano zit enorm veel emotie verscholen, maar het is een kunst om die eruit te krijgen, liefst op een manier die mij raakt. Regina Spektor is iemand die dat kan, Soap&Skin flikt het hier ook.

Naast die piano is er meer te horen. Veel meer. Strijkers gaan altijd goed samen met piano, maar de belangrijkste en bijzonderste toevoegingen zijn toch de elektronica en gekke samples die eigenlijk keihard vloeken met het pianospel, maar soms best goed blijken te werken. Onderlagen van synths zijn soms prominent aanwezig en zetten een liedje helemaal naar hun hand (DDMMYYYY), soms blijft het ook subtieler of zijn het alleen wat vreemde samples en bliepjes die een liedje een twist meegeven.
Turbine Womb is misschien het beste voorbeeld. De piano klinkt nergens zo mooi als in dit liedje, maar dat getik, geklik en geratel dat na twee minuten invalt slaat als een tang op een varken. Het past niet, maar in Turbine Womb kan ik het hebben. Sowieso houd ik van de experimentele insteek, of het nu lekker klinkt (wat meestal wel zo is, begrijp me niet verkeerd!) of niet.

In Cry Wolf werkt het bijvoorbeeld heel goed: Net zo bont als een draaiorgel, maar ook net zo samenhangend. Door het accordeon krijg ik het gevoel dat ieder moment Amélie Poulain kan langslopen. De opgewekte sound past er uitstekend bij.
Ook een goed voorbeeld is Marche Funèbre. Dit nummer staat bol van het experiment en leunt stevig op elektronische klanken. Dag en nacht verschil met Cry Wolf, maar ook dit werkt. Dit nummer is beklemmend, luguber bijna. Die valse stoomfluit (of wat het ook mag zijn) jaagt me iedere keer weer de stuipen op het lijf.

Ik ga niet over ieder liedje wat schrijven. Dat zou me ook niet lukken, want ze hebben lang niet allemaal een eigen smoel en zijn ook niet allemaal eenvoudig uit elkaar te houden. Dat de meeste te kort zijn voor een kop, een middenstuk én een staart maakt het er niet makkelijker op. Dat maakt ze redelijk inwisselbaar, al hoor ik ze best graag.

De zang moet ook even benoemd worden. Fraai is het niet: Anja heeft geen zangstem en een draak van een accent, maar echt storend vind ik het niet. Een engelenstemmetje zou totaal niet bij de muziek passen, maar een wat betere stem had deze muziek zeker mooier kunnen maken dan het nu is. Je kunt veel zeggen over dit album, maar ‘mooi’ is geen woord dat snel in me opkomt.

Muziek hoeft niet ‘mooi’ te zijn om goedgevonden te worden – kwaliteit kan op heel veel andere manier tot uiting komen – en dus heb ik een heel net cijfer over voor Lovetune for Vacuum, een experimenteel, duister en af en toe behoorlijk freaky folkalbum.