MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Art Blakey And The Jazz Messengers - Tough! (1966)

poster
2,5
Met Art Blakey (drums); Jackie McLean (altsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano); 'Spanky' DeBrest (bas)

Opnames uit het voorjaar van 1957 of wellicht eerder, aangezien zoals hierboven al wordt gezegd twee composities ook al voorkomen op het in januari en februari van dat jaar opgenomen Ritual. Volgens mij zijn het niet dezelfde takes, alhoewel ik niet zover ben gegaan ze op twee spelers tegelijk af te spelen ter vergelijking. Hoe dan ook werden deze opnames in 1966 als nieuwe Jazz Messengers-plaat uitgebracht door Chess-sublabel Cadet.

De plaat is te vinden op Spotify, maar klinkt daar ondanks de belofte 'Hd Remastered' te zijn alsof iemand een stoffige vinylplaat draait over een transistorradio. Dikke foei voor de rechthebbenden, als je mensen nieuwsgierig wil maken naar je catalogus dan is dit niet de manier. Men mag hopen dat de oorspronkelijke lp beter klinkt, maar het versterkt wel het gevoel (samen met de korte speelduur) dat hier wat inferieure opnames bij elkaar worden geharkt om wat geld te slaan uit een band die halverwege de jaren zestig een 'household name' was geworden in de jazz. Hoesje met random witte dame eromheen en verkopen maar.

Ondanks dit alles toch wel het aanhoren waard, 'Flight to Jordu' bevat misschien wel de lekkerste solo die Hardman voor de Jazz Messengers speelde. Verder niets dan lekkere hardbop, zoals je verwacht van de Messengers. Het is alleen moeilijk een argument te noemen om dit album nog een keer te draaien als je de vorige Messengersplaten Hard Bop en Ritual ook tot je beschikking hebt.

Art Blakey Quintet - A Night at Birdland, Vol. 1 (1954)

poster
4,5
Met: Art Blakey (drums); Horace Silver (piano); Clifford Brown (trompet); Lou Donaldson (tenorsax); Curly Russel (bas)

Deze wilde liveplaat ben ik wel redelijk grijs aan het draaien, de laatste weken. Ik kan me voorstellen dat mensen bij het horen hiervan roepen dat er wel subtielere of meer diepgaande jazzplaten zijn. Deze oerversie van de Jazz Messengers (die naam werd voor het eerst gebruikt op een album dat later dat jaar onder Horace Silver's naam werd opgenomen) speelt duidelijk om een zaal in 1954 plat te krijgen, en niet zozeer om jazzsnobs in 2021 te behagen. Er wordt met zoveel energie gespeeld dat vooral de ritmesectie soms in een ruis dreigt te verzanden.

Het getoonde speelplezier compenseert dat ruimschoots, en anders zijn het wel de blazers die het album naar de stratosfeer tillen. Clifford Brown was al één van mijn favoriete jazzmuzikanten, maar ook Lou Donaldson komt hiermee hoger op mijn lijstje 'moet ik echt vaker naar luisteren.' De ene na de andere krankzinnige topsolo wordt uit het verre verleden over me heengeblazen als ik deze plaat luister, ik kan daar alleen maar diep voor buigen.

Op zich ben ik na veertig minuten dan ook wel weer verzadigd, waarbij ik aanteken dat mijn oordeel vooral is gebaseerd op de LP uit 1956 (t/m de track 'Mayreh', die net zoals 'A Night in Tunesia' niet op de oorspronkelijke 10'' LP uit 1954 staat. 'Wee-dot' en 'Blues' staan dan weer enkel op CD-heruitgaves). Met dat in het achterhoofd ga ik gewoon even 4,5 uitdelen, omdat het soms gewoon wel goed is je te laten meeslepen door je enthousiasme (wellicht dat ik dat later nog iets moet nuanceren maar who cares).

Art Blakey's Jazz Messengers - A Night in Tunisia (1958)

poster
4,0
Met: Art Blakey (drums); Johnny Griffin (tenorsax); Jackie McLean (altsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano); 'Spanky' DeBrest (bas)

Verwarrend genoeg maakte Blakey een paar jaar later, en met een andere incarnatie van de Jazz Messengers, Nog een plaat met dezelfde naam, waarmee deze niet te verwarren is. Deze eerdere Tunesische nacht werd opgenomen in april 1957. Jackie McLean is dan al vervangen voor Johnny Griffin op saxofoon, maar keert hier nog eenmaal terug voor een toegift. Kennelijk had hij contractuele verplichtingen elders, waardoor hij op de hoes staat vermeld onder het alias 'Ferris Benda'.

Met drie blazers zijn er genoeg details te bewonderen: Griffin is vaak wel de uitblinker, met zijn tegelijk romige en pijlsnelle saxofoonsalvo's is hij helemaal in sync met Blakey's muzikale wereld. Trompettist steekt met soepele, swingende notenregens vaak zijn voorgangers Kenny Dorham en Donald Byrd naar de kroon, en de hoekige, inventieve stijl van McLean opent vaak weer hele andere mogelijkheden.

Van de Messengers-platen met McLean is dit wel ongeveer de beste, al moet de plaat het hebben van de individuele klasse. Echt gewaagde artistieke keuzes worden niet gemaakt, in deze vijfde studiosessie in zes maanden voor de band. Ik merk dat als ik niet aandachtig naar de solo's luister, de muziek dan een beetje op de achtergrond verdwijnt. Desondanks wel vier sterren, met de voetnoot dat de plaat niet zo interessant is als je niet bij uitstek een liefhebber bent van Blakey-achtige hardbop. Dat zit bij mezelf gelukkig wel goed.

Art Blakey's Jazz Messengers - Art Blakey's Jazz Messengers with Thelonious Monk (1958)

poster
5,0
Deze plaat pikte ik een jaartje geleden op uit een lijstje met platen die een zogenaamde ‘Crown’ hebben gekregen in één of meerdere edities van de Penguin Guide to Jazz Recordings. Dit soort lijstjes blijven natuurlijk leuk, al staan hier onvermijdelijk platen in die de enigszins ingevoerde luisteraar al lang kent (Hot Fives And Sevens, A Love Supreme, etc.), en platen die, omdat jazz nou eenmaal een nogal brede tent is, totaal buiten je interessegebied liggen. Maar onvermijdelijk pik je uit dit soort lijstjes ook één of twee juweeltjes op waarvan het bestaan je nog onbekend was, en dit was er voor mij zo eentje.

Een plaat met een merkwaardig bescheiden status voor de grootheden die erop samenkomen: Als eerste Monk, de patroonheilige van alle idiosyncratische muzikanten. Met zijn atypische spel en composities wist hij zowel bewondering als onbegrip op te wekken, vaak tegelijkertijd en in dezelfde oren. En dan meesterdrummer Blakey, die mede de standaard zette voor hoe jazz vanaf de jaren vijftig zou klinken, en die als leider van de Jazz Messengers een mentor zou zijn voor verschillende toekomstige jazzgrootheden.

Voorbeelden te over van klassieke jazzalbums waarop een compositie van Monk wordt gespeeld, maar de vijf hier geselecteerde nummers hoorde ik eigenlijk nooit in betere versies. Zelfs de oerversie van ‘In Walked Bud’ door Monk zelf (te beluisteren op het in 1951 uitgebrachte Genius of Modern Music) moet onderdoen voor de versie op deze plaat.

Blakey speelt natuurlijk een belangrijke rol hierin: hij kende Monk al jaren, en speelde ook mee op Genius of Modern Music. Hier, met nog een aantal jaren ervaring achter de rug, is Blakey zowel de aanjager als de man die zorgt voor ruimte. Ruimtes waarin anderen kunnen excelleren.

Als muzikant was Monk zelden beter dan hier, zelden zo duidelijk in zijn element. Hij kan alle registers opentrekken en op zijn unieke manier meandert hij van swingend naar lomp, van lieflijk naar confronterend, van minimalistisch tot kakofonisch, zonder een moment zijn scherpte te verliezen. Vergelijk dit voor de grap eens met zijn opnamen met Miles Davis van een paar jaar eerder (uitgesmeerd over Bags' Groove (1954) en Miles Davis and the Modern Jazz Giants uit hetzelfde jaar), waarop de verwarring in de band bijna hoorbaar is zodra Monk begint te soleren.

De ster van het album is echter de saxofonist, Johnny Griffin, een naam die me eigenlijk nooit eerder was opgevallen. Nader onderzoek vertelde me dat hij een verleden had met Monk, en bekend stond als de snelst spelende, en een van de technisch meest vaardige saxofonisten van zijn tijd. Op basis van deze plaat verbaasde ik me erover dat hij niet meer ‘star power’ heeft onder jazzfans. Toen ik later luisterde naar zijn solowerk snapte ik het wel: Griffin speelt ongelooflijk goed, met veel soul en gevoel voor swing, maar qua artistieke zeggingskracht blijft hij toch wel achter bij de Coltrane’s en Shorters van deze wereld.

De composities van Monk lijken de creativiteit van Griffin maximaal te stimuleren, en zorgen dat hij ver boven zichzelf uitstijgt. Luister bijvoorbeeld eens naar albumopener ‘Evidence’ (Youtube-linkje) en beluister de solo van Griffin op 3:04 - 4:26. Dat soort solo’s, vol energie en swing en fraaie vondsten, daar grossiert Griffin in op deze plaat. Alsof de rare akkoorden en tegendraadse gedachtewereld van Monk hem precies dat beetje extra peper in zijn reet heeft om echt in de stratosfeer te belanden.
(disclaimer: sinds ik deze plaat ontdekte heb ik ook andere platen van Monk beluisterd waarop Griffin meespeelt, b.v. liveplaat Misterioso (1958), en daar was ik eerlijk gezegd minder onder de indruk.)

Verder is de trompettist van dienst Bill Hardman, van wie de eerder genoemde Penguin Guide opmerkt dat hij op deze plaat niets doet om zich voor te schamen. Een beetje een rotopmerking, maar wel dicht bij de waarheid. Fijne trompetsolo’s, niets meer of minder. Over de bassist kan ik al helemaal niets zinnigs zeggen, behalve dat hij bekend stond onder de onwaarschijnlijke naam ‘Spanky DeBrest’.

Hoe dan ook, dankzij de creatieve energie van supertrio Blakey/ Monk/ Griffin zeker één van mijn meest beluisterde platen van het afgelopen jaar. Krijgt bij deze een plekje in mijn nieuwe top tien, en ook van mij een kroontje. Prachtmuziek.

Art Blakey's Jazz Messengers - Hard Drive (1957)

poster
3,0
Met: Art Blakey (drums); Johnny Griffin (tenorsax); Bill Hardman (trompet); Junior Mance (piano); 'Spanky' DeBrest (bas); Sam Dockery (piano op 'Deo-X')

Hard Drive! En dan een vuurspugende raket op de voorkant! Whoa, easy on the Freudian imagery, Art! Met deze release voor Bethlehem komt er een einde aan de Hardman/ DeBrest/ Dockery- periode van de Jazz Messengers, een opstelling die in krap een jaar tijd genoeg materiaal opnam voor ongeveer een dozijn studioplaten. Pas twee jaar later, als Wayne Shorter toetreedt tot de band, wordt dat niveau van productiviteit in de studio weer behaald.

Dockery is op de plaat al vervangen (op één nummer na) door Junior Mance, die een wat romiger, zwaarder pianogeluid toevoegt. Verder een wat routineuze plaat, en ironisch genoeg gezien de titel, ook een relatief bedeesde sessie van de Messengers. Binnen hun grote discografie is er weinig reden om specifiek deze plaat uit de kast te pakken, wat Hardmans solo op 'For Minors Only' of die van Griffin op 'Sweet Sakeena' niet minder lekker maakt. En vooruit, ik voeg 'For Miles and Miles' ook nog wel toe aan mijn jazz-playlist.

Daar staat tegenover dat op Griffins compositie 'Right Down Front' de Messengers klinken als een tweederangs circusbandje. Ook niet één van de best geproduceerde Messengers-platen, helaas, althans de Spotify-stream klinkt als een liefdeloze digitale remaster.

Art Blakey's Jazz Messengers - Selections from Lerner and Loewe's... (1957)

Alternatieve titel: Play Lerner and Loewe's

poster
3,0
Met Art Blakey (drums); Johnny Griffin (tenorsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano); 'Spanky' DeBrest (bas)

Zoals de oplettende luisteraar al aan de hoes zal aflezen, bevat deze plaat zes composities van Alan Jay Lerner en Frederick Loewe, musicalschrijvers uit de tijd dat populaire liedjes nog veelal werden geschreven door mannen die op foto's fronsend met één arm op een piano leunden.

Verder is dit de eerste Messengers plaat waarop tenorsaxofonist Johnny Griffin te horen is, die hier soms zo sterk klinkt als een altoïst dat ik vermoed dat de muziek iets te snel is opgenomen (al stond Griffin uiteraard sowieso bekend om zijn halsbrekende snelheid).

Lekker hectisch dus, waarbij de Messengers van alle drie op de hoes genoemde musicals enthousiast twee liedjes ten gehore brengen. Dikke pret, maar ook zo oppervlakkig dat, behalve misschien de meeswingende heupen, weinig bij de luisteraar in beroering wordt gebracht.

Asaf Avidan - Different Pulses (2012)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met deze Israëliet, die met zijn oude band de Mojo's al een paar jaar aan de weg timmerde. Tot mijn verdediging moet ik zeggen dat het niet de remix van 'Reckoning Song' was die me op deze man attendeerde (inmiddels internationaal bekend als, zoals een vriend het verwoordt: 'dat kutnummer met die vrouw die steeds hetzelfde zingt'), maar het filmpje dat iemand begin dit jaar plaatste op Mume (waarschijnlijk Aerodynamic) van de single 'Different Pulses'.

Van het nummer, of eigenlijk de combinatie nummer en videoclip, was ik best ondersteboven, al leek een hele cd ervan me wellicht iets te zwaarmoedig. Bovendien bleef de aandacht voor deze plaat een beetje uit door een onbegrijpelijk lang uitgestelde release, waardoor ik uiteindelijk pas een maand of twee geleden het album voor het eerst draaide.

Met die zwaarmoedigheid valt het alleszins mee: met zijn toegankelijke, folky melodieën en soms wat malle muzikale keuzes blijft de cd over de volle lengte behapbaar. Hoewel niet lichtvoetig: de emotionele belevingswereld is die van de staat waarin de frisse lenteweide van de liefde is verdord tot een woestijnlandschap, Avidan kweelt in zelfverwijt, donkere en soms misdadige gedachtes, obscure referenties naar religie (dat laatste trekt altijd de aandacht bij een muzikant uit Israël: zo is 613 het totaal aantal ge- en verboden in de boeken van Mozes. Maar we zullen ons niet blindstaren op dit thema).

Zoals misschien is te verwachten van een muzikant die voor het eerst zonder zijn vaste band werkt, lijkt Avidan soms bewust bezig om de mogelijkheden die de studio zijn songs biedt te onderzoeken. Een liefde voor filmische muziek komt naar boven, een duidelijk Ennio Morricone-sfeertje. Vertrekkend vanuit die sfeer en de betrekkelijk simpele songs, kleurt hij de liedjes verder in op een uitermate eigenzinnige manier. Dit resulteert in een paar vreemde keuzes, zoals de 'lalala'- koortjes in 'Cyclamen'. Het is knap dat al deze bokkensprongen ook nog vrij goed werken, er zijn een aantal momenten op de plaat dat ik dacht, what the...., maar eigenlijk geen enkele dat ik me echt ging storen. Wellicht dat de meer eenkennige luisteraar daar anders over denkt, maar de vraag is of die niet sowieso al afhaakt bij de stem van Avidan.

Het album heeft die klankkleuren ook wel nodig, want buiten de emotionele lading en de boeiende arrangementen zijn de liedjes behoorlijk eenvoudig van vorm. Eenvormigheid ligt soms zelfs op de loer: zeker op de tweede helft van de plaat onderscheiden de meeste liedjes zich niet genoeg van elkaar in sfeer en opzet om mij volledig bij de les te houden.

Wellicht dat dit laatste ook de reden is dat deze plaat bij mijzelf nog niet tot de buitencategorie is doorgedrongen. Maar het is moeilijk aan te geven waarom precies want laat er geen twijfel over bestaan: dit is met gemak één van de beste tien popplaten van 2012. Ik zou graag naar één van zijn concerten gaan, en/of de plaat over een half jaar nog een paar keer draaien, om te kijken of dit een plaat is die rijpt of gaat tegenstaan. Een aanrader voor liefhebbers van mooi opgezette en meeslepende folkpop is het allicht wel zeker.