Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Jacco Gardner - Cabinet of Curiosities (2013)

2,5
0
geplaatst: 13 februari 2013, 21:12 uur
Ik zet mezelf toch in het hokje 'begrijpt de (mini)hype niet'.
Dat die jongen in feite niets anders doet dan het tot halflauwe temperatuur opwarmen van de grootste open deuren van Arthur Lee en Colin Blunstone is nog te vergeven, sterker nog, het is de belangrijkste kwaliteit van de plaat, simpelweg omdat het best aardig is uitgevoerd.
Maar die liedjes vind ik echt niet goed genoeg. Saaie, lijzige melodieën, domme, nietszeggende teksten en flauwe refreintjes die maar doorzeuren en -zeuren en -zeuren. En zeuren. En dan die zaaddodende stem van die man! Nee sorry, veel plezier ermee, ik ga verder kijken wat 2013 nog meer te bieden heeft.
Dat die jongen in feite niets anders doet dan het tot halflauwe temperatuur opwarmen van de grootste open deuren van Arthur Lee en Colin Blunstone is nog te vergeven, sterker nog, het is de belangrijkste kwaliteit van de plaat, simpelweg omdat het best aardig is uitgevoerd.
Maar die liedjes vind ik echt niet goed genoeg. Saaie, lijzige melodieën, domme, nietszeggende teksten en flauwe refreintjes die maar doorzeuren en -zeuren en -zeuren. En zeuren. En dan die zaaddodende stem van die man! Nee sorry, veel plezier ermee, ik ga verder kijken wat 2013 nog meer te bieden heeft.
Jack Nitzsche - The Hot Spot (1990)

3,0
0
geplaatst: 23 augustus 2025, 11:49 uur
Deze kwam ik nog tegen in de discografie van Miles Davis, al had ik nog nooit van de film en de soundtrack gehoord. Van die laatste verbaast me dat een beetje, als je ziet welke titanen hier bij elkaar komen. Davis, John Lee Hooker en Taj Mahal zijn namen die in het oog springen, maar iedereen hier heeft zijn sporen dik verdiend: zo was Earl Palmer de drummer op klassieke Little Richard hits als 'Tutti Frutti' en 'Long Tall Sally'. Jack Nitzsche zelf kennen we natuurlijk van zijn werk met Phil Spector, The Rolling Stones en Neil Young.
Behoorlijke 'all star band' dus, zij het allemaal muzikanten die hun glorieperiode inmiddels (ver) achter zich hadden liggen. Die hoogtijdagen komen hier eigenlijk nooit in beeld, hoewel het allemaal behoorlijk sfeervol is en prettig wegluistert. Misschien past het allemaal heel goed bij de film (die ik dus niet ken), en als dit soort 'droevig mijmeren op de veranda van de juke joint'-blues je ding is, kun je er misschien veel plezier aan beleven.
Voor mij komt het helaas allemaal een beetje onbeduidend over, dus ook omdat het mijn smaak niet echt is. De film scoort een magere 6,4 op IMDB en een nette 3,28* op Moviemeter. De soundtrack zou ik ongeveer dezelfde waardering geven.
Behoorlijke 'all star band' dus, zij het allemaal muzikanten die hun glorieperiode inmiddels (ver) achter zich hadden liggen. Die hoogtijdagen komen hier eigenlijk nooit in beeld, hoewel het allemaal behoorlijk sfeervol is en prettig wegluistert. Misschien past het allemaal heel goed bij de film (die ik dus niet ken), en als dit soort 'droevig mijmeren op de veranda van de juke joint'-blues je ding is, kun je er misschien veel plezier aan beleven.
Voor mij komt het helaas allemaal een beetje onbeduidend over, dus ook omdat het mijn smaak niet echt is. De film scoort een magere 6,4 op IMDB en een nette 3,28* op Moviemeter. De soundtrack zou ik ongeveer dezelfde waardering geven.
James Brandon Lewis / Red Lily Quintet - Jesup Wagon (2021)

4,0
10
geplaatst: 21 augustus 2021, 18:40 uur
James Brandon Lewis (tenorsax); Kirk Knuffke (kornet); William Parker (bas, gimbri [die moest ik ook even opzoeken: het is een soort Marokkaanse bas-luit]); Chris Hoffman (cello); Chad Taylor (drums, duimpiano)
Weergaloze plaat van de in populariteit groeiende (en veelzijdige) saxofonist Lewis. Een conceptalbum over de agrarische wetenschapper George Washington Carver (1864-1943), een vooraanstaand intellectueel in een tijd dat weinig zwarte mensen een dergelijke status wisten te verwerven in Amerika. De 'Jesup Wagon' was een soort rijdend laboratorium waarmee hij rondreisde om kleine boeren te helpen gewassen te verbouwen op zo'n manier dat de bodem niet werd uitgeput.
Goed, de muziek dan. Een conceptalbum, dus, maar op twee korte stukjes poëzie aan het einde van twee tracks na, gewoon een instrumentale jazzplaat. Wel is de manier van spelen vrij 'verhalend', met veel aandacht voor opbouw, veel avontuurlijke zijwegen, en volop ruimte voor de individuele klasse van alle vijf de muzikanten.
Ondanks dat de plaat wel wat tijd en aandacht vraagt, vind ik het niet echt ontoegankelijk. Lewis en Co durven voor avontuur te kiezen en dingen te doen die niet per se 'mooi' klinken, maar durven ook hun liefde voor melodie en ritme uit te venten. Je hoort aan alles dat er écht een idee achter zit (hoewel ik geen kenner ben van het leven of werk van Carver word ik zo wel nieuwsgierig gemaakt) en dat maakt dat het album coherent blijft, en de gevoelens en ideeën goed en authentiek overkomen. Zo overtuigend hoor je ze eigenlijk zelden.
Dat de hoes ook nog mooi is, was nog een extra reden om de lp van Bandcamp te bestellen. Ik moet even tot oktober wachten, maar er wordt me een deluxe 'gatefold' beloofd met tekeningen van Carver zelf. Als het niet tegenvalt, kan dit best weleens boven mijn huidige vier sterren gaan groeien.
Weergaloze plaat van de in populariteit groeiende (en veelzijdige) saxofonist Lewis. Een conceptalbum over de agrarische wetenschapper George Washington Carver (1864-1943), een vooraanstaand intellectueel in een tijd dat weinig zwarte mensen een dergelijke status wisten te verwerven in Amerika. De 'Jesup Wagon' was een soort rijdend laboratorium waarmee hij rondreisde om kleine boeren te helpen gewassen te verbouwen op zo'n manier dat de bodem niet werd uitgeput.
Goed, de muziek dan. Een conceptalbum, dus, maar op twee korte stukjes poëzie aan het einde van twee tracks na, gewoon een instrumentale jazzplaat. Wel is de manier van spelen vrij 'verhalend', met veel aandacht voor opbouw, veel avontuurlijke zijwegen, en volop ruimte voor de individuele klasse van alle vijf de muzikanten.
Ondanks dat de plaat wel wat tijd en aandacht vraagt, vind ik het niet echt ontoegankelijk. Lewis en Co durven voor avontuur te kiezen en dingen te doen die niet per se 'mooi' klinken, maar durven ook hun liefde voor melodie en ritme uit te venten. Je hoort aan alles dat er écht een idee achter zit (hoewel ik geen kenner ben van het leven of werk van Carver word ik zo wel nieuwsgierig gemaakt) en dat maakt dat het album coherent blijft, en de gevoelens en ideeën goed en authentiek overkomen. Zo overtuigend hoor je ze eigenlijk zelden.
Dat de hoes ook nog mooi is, was nog een extra reden om de lp van Bandcamp te bestellen. Ik moet even tot oktober wachten, maar er wordt me een deluxe 'gatefold' beloofd met tekeningen van Carver zelf. Als het niet tegenvalt, kan dit best weleens boven mijn huidige vier sterren gaan groeien.
jasmine.4.t - You Are the Morning (2025)

3,5
0
geplaatst: 13 juli 2025, 15:53 uur
Dit album heb ik sinds half januari in een playlistje staan, omdat aERodynamIC met toen hierbij tagde. Dat ik bijna een half jaar later nog niet gestemd heb, heeft met mijn wispelturige luistergedrag te maken, maar ook met deze plaat.
Ik heb You Are The Morning namelijk al een aantal keer met veel plezier beluisterd, maar ik vind het nog steeds moeilijk er echt een sterke mening over te hebben. De liedjes zijn eigenlijk allemaal meer dan prima, en Jasmine Cruikshank kiest voor elk nummer een andere aanpak (binnen de indiepop-lijntjes) waardoor elke track echt iets bijdraagt.
Als ik kritiek zou moeten bedenken, zou ik wijzen naar de zang van Cruikshank, een beetje ijl en afgeknepen als een vrouwelijke Bon Iver, niet echt een manier van zingen die ik prettig vind. En ondanks de mooie arrangementen blijft de plaat een beetje in een somber sfeertje hangen waardoor hij voor mij altijd langer aanvoelt dan de 40 minuten die hij is.
Verder echt wel een mooie plaat, maar buiten 'Breaking in Reverse' en 'Guy Fawkes Tesco Dissociation' (voor mij wel echt de twee hoogtepunten) wacht ik nog een beetje op een vallend kwartje na een keer of tien luisteren. Daarom nét geen vier sterren.
Ik heb You Are The Morning namelijk al een aantal keer met veel plezier beluisterd, maar ik vind het nog steeds moeilijk er echt een sterke mening over te hebben. De liedjes zijn eigenlijk allemaal meer dan prima, en Jasmine Cruikshank kiest voor elk nummer een andere aanpak (binnen de indiepop-lijntjes) waardoor elke track echt iets bijdraagt.
Als ik kritiek zou moeten bedenken, zou ik wijzen naar de zang van Cruikshank, een beetje ijl en afgeknepen als een vrouwelijke Bon Iver, niet echt een manier van zingen die ik prettig vind. En ondanks de mooie arrangementen blijft de plaat een beetje in een somber sfeertje hangen waardoor hij voor mij altijd langer aanvoelt dan de 40 minuten die hij is.
Verder echt wel een mooie plaat, maar buiten 'Breaking in Reverse' en 'Guy Fawkes Tesco Dissociation' (voor mij wel echt de twee hoogtepunten) wacht ik nog een beetje op een vallend kwartje na een keer of tien luisteren. Daarom nét geen vier sterren.
Jeff Tweedy - Twilight Override (2025)

4,5
2
geplaatst: 4 november 2025, 20:36 uur
Ik ben niet echt een fan van dubbel(/tripel)albums, waarbij ik toch vaak denk: had gewoon de beste liedjes op één lp gezet. Jeff Tweedy zei in interviews: 'Ik voelde me vaak overweldigd door de situatie in de wereld, dus ik besloot de wereld terug te overweldigen.'
In plaats van met Wilco neemt hij zijn hoos liedjes dit keer op met een soloband waarin zijn beide zoons meedoen. Van Spencer Tweedy wisten we al dat hij een puike drummer was geworden, over de bijdragen van andere zoon Sammy valt weinig te zeggen. Een experimenteel meesterwerk zoals in Wilco's hoogtijdagen is het niet, al vind ik de laatste jaren de meer sobere Tweedy eigenlijk ook beter (Love Is The King; Cruel Country).
Overweldigen doen de dertig liedjes niet eens, wel langzaam inpakken, intrigeren, fraaie details onthullen waardoor een nummer dat vijf keer ongemerkt voorbij is gegaan bij de zesde luisterbeurt ineens met volle kracht binnenkomt. Dat is me nog niet met alle liedjes op Twilight Override overkomen, maar ik zou oprecht moeite moeten doen om er één te noemen die ik van de plaat af zou hebben gehouden.
Meer dan overweldigen biedt Tweedy een fijne herfstquilt waarin het lekker melancholisch sluimeren is. Zowaar meer dan de som der delen: daarvoor een halve ster bonus bovenop de kwaliteit van de songs op zich.
Ook ik heb de LP-box inmiddels aangeschaft. Voor een iets hoger bedrag dan hierboven wordt genoemd, onder het mom van: 'support your local retailer.'
In plaats van met Wilco neemt hij zijn hoos liedjes dit keer op met een soloband waarin zijn beide zoons meedoen. Van Spencer Tweedy wisten we al dat hij een puike drummer was geworden, over de bijdragen van andere zoon Sammy valt weinig te zeggen. Een experimenteel meesterwerk zoals in Wilco's hoogtijdagen is het niet, al vind ik de laatste jaren de meer sobere Tweedy eigenlijk ook beter (Love Is The King; Cruel Country).
Overweldigen doen de dertig liedjes niet eens, wel langzaam inpakken, intrigeren, fraaie details onthullen waardoor een nummer dat vijf keer ongemerkt voorbij is gegaan bij de zesde luisterbeurt ineens met volle kracht binnenkomt. Dat is me nog niet met alle liedjes op Twilight Override overkomen, maar ik zou oprecht moeite moeten doen om er één te noemen die ik van de plaat af zou hebben gehouden.
Meer dan overweldigen biedt Tweedy een fijne herfstquilt waarin het lekker melancholisch sluimeren is. Zowaar meer dan de som der delen: daarvoor een halve ster bonus bovenop de kwaliteit van de songs op zich.
Ook ik heb de LP-box inmiddels aangeschaft. Voor een iets hoger bedrag dan hierboven wordt genoemd, onder het mom van: 'support your local retailer.'
Jeff Tweedy - WARM (2018)

4,0
2
geplaatst: 25 december 2018, 13:36 uur
Mooie recensie van deze plaat in het laatste nummer van Mojo, waarin de schrijver begint te stellen dat Jeff Tweedy nooit een man is geweest van het Grote Gebaar, nooit een songwriter die gezien werd als een ‘stem van een generatie’, of zoiets dergelijks. Zijn werk is daarvoor altijd te ‘genuanceerd en ambigue’ geweest, schrijft het blad, ‘desondanks, voor een publiek dat te sceptisch is om te denken dat ze ooit een held nodig hadden, en nu te oud en wijs zijn om daarnaar op zoek te gaan, is Tweedy naar een belangrijke rol gegroeid.’
Mojo opent het recensiekatern van hun eindejaarsnummer met deze uitgebreide review, en deelt vier sterren uit aan de plaat. De welwillendheid waarmee de plaat wordt ontvangen verrast me een beetje. Niet alleen Mojo is enthousiast, Pitchfork deelt ook een 8,3 uit, Allmusic vier sterren, en op Musicmeter zien we soortgelijke waarderingen. Het is verrassend, omdat de -vaak onuitgesproken- consensus over Tweedy toch lijkt te zijn dat hij de afgelopen tien jaar, na zijn experimentele meesterwerken met Wilco van pakweg 1998-2005, een stuk minder spannend en relevant is geworden.
Wie stiekem hoopt op een terugkeer naar de geluidsexperimenten van Yankee Hotel Foxtrot of A Ghost Is Born heeft bij deze plaat weinig te zoeken. De muziek op Warm is intiem, vrij traditioneel, sober. Op deze eerste echte soloplaat, althans met nieuw materiaal, zoekt Tweedy het in eenvoudige songstructuren, authentieke teksten, kalmte en subtiliteit.
De plaat is eigenlijk de helft van een tweeling, samen met zijn geslaagde memoires Let’s Go (So We Can Get Back), van een paar weken eerder. De twee releases kunnen het best samen op waarde worden geschat, als een kop sterke koffie en een stuk pure chocolade. Je krijgt niet de indruk, noch bij het boek, noch bij dit album, dat Tweedy zich iets aantrekt van het verwijt dat hij de laaste jaren ‘dad rock’ is gaan maken. Integendeel: zonder opsmuk doet hij waar hij zich het meest comfortabel bij voelt, en zegt tegen de luisteraar (of lezer): dit is waar ik sta, dit is hoe ik werk, dit is hoe ik me voel. Zelfs zijn zoons zijn weer van de partij, 'dad rock' in de meest letterlijk zin van het woord dus, en ik stel verheugd vast dat Spencer Tweedy een behoorlijk goede drummer is geworden. Op ‘From Far Away’ had ik gezworen dat het Wilco’s Glenn Kotche is die ik hoorde roffelen, maar nee, het is toch echt Spencer volgens het cd-boekje.
De afwezigheid van priegelende Wilco-leden (Kotche speelt nog wel mee op ‘How Will I Find You’) maakt de plaat niet per se toegankelijker. Net als bij Wilco duurde het even voordat de liedjes bij me ‘binnenkwamen’, echter in dit geval juist omdat de muziek zo conventioneel lijkt te zijn. Naarmate ik de plaat vaker draai zijn het juist de dromerige, wat richtingloos klinkende stukken die voor mij het hart vormen van de plaat: ‘How Hard It Is For A Desert To Die’; ‘How Will I Find You’; het titelnummer: in die dromerige, bijna verstilde momenten blijkt de plaat een weelde aan subtiele details te bevatten, die zich langzaam maar zeker openbaren aan de geduldige luisteraar.
Tweedy lijkt ons, zoals altijd, welkom te heten onder zijn voorwaarden, en zich opnieuw uit te vinden juist door meer dan ooit zichzelf te zijn, en zijn kunst te ontdoen van elke zweem van opsmuk of obscuriteit. Op misschien wel het mooiste liedje van de plaat, ‘Having Been Is No Way To Be’ (dat tijdens zijn recente solotournee, waarop ik zijn prachtige concert in Utrecht mocht zien, volgens mij nog ‘New Wave Theater’ heette) maakt hij gehakt van de mythe rondom zijn persoon: ‘And people say/ what drugs did you take/ and why don’t you start taking them again?/ They’re not my friends…’
Een dergelijke ontboezeming zou lichtelijk gênant zijn bij de meeste andere artiesten, maar Tweedy is altijd op zijn best geweest als hij de aspecten van het leven omschrijft die een beetje genant zijn, ongemakkelijk, als een naaktportret van een verlegen vader met overgewicht. Grote antwoorden biedt hij niet, maar hij is oud en wijs genoeg om te weten hoe hij maximaal effect sorteert met zijn eigen neurotische belevingswereld. En de sceptische, maar verstandige luisteraar waardeert hem precies zoals hij is. Ik sluit me daarom aan bij de regen van vier sterren.
Mojo opent het recensiekatern van hun eindejaarsnummer met deze uitgebreide review, en deelt vier sterren uit aan de plaat. De welwillendheid waarmee de plaat wordt ontvangen verrast me een beetje. Niet alleen Mojo is enthousiast, Pitchfork deelt ook een 8,3 uit, Allmusic vier sterren, en op Musicmeter zien we soortgelijke waarderingen. Het is verrassend, omdat de -vaak onuitgesproken- consensus over Tweedy toch lijkt te zijn dat hij de afgelopen tien jaar, na zijn experimentele meesterwerken met Wilco van pakweg 1998-2005, een stuk minder spannend en relevant is geworden.
Wie stiekem hoopt op een terugkeer naar de geluidsexperimenten van Yankee Hotel Foxtrot of A Ghost Is Born heeft bij deze plaat weinig te zoeken. De muziek op Warm is intiem, vrij traditioneel, sober. Op deze eerste echte soloplaat, althans met nieuw materiaal, zoekt Tweedy het in eenvoudige songstructuren, authentieke teksten, kalmte en subtiliteit.
De plaat is eigenlijk de helft van een tweeling, samen met zijn geslaagde memoires Let’s Go (So We Can Get Back), van een paar weken eerder. De twee releases kunnen het best samen op waarde worden geschat, als een kop sterke koffie en een stuk pure chocolade. Je krijgt niet de indruk, noch bij het boek, noch bij dit album, dat Tweedy zich iets aantrekt van het verwijt dat hij de laaste jaren ‘dad rock’ is gaan maken. Integendeel: zonder opsmuk doet hij waar hij zich het meest comfortabel bij voelt, en zegt tegen de luisteraar (of lezer): dit is waar ik sta, dit is hoe ik werk, dit is hoe ik me voel. Zelfs zijn zoons zijn weer van de partij, 'dad rock' in de meest letterlijk zin van het woord dus, en ik stel verheugd vast dat Spencer Tweedy een behoorlijk goede drummer is geworden. Op ‘From Far Away’ had ik gezworen dat het Wilco’s Glenn Kotche is die ik hoorde roffelen, maar nee, het is toch echt Spencer volgens het cd-boekje.
De afwezigheid van priegelende Wilco-leden (Kotche speelt nog wel mee op ‘How Will I Find You’) maakt de plaat niet per se toegankelijker. Net als bij Wilco duurde het even voordat de liedjes bij me ‘binnenkwamen’, echter in dit geval juist omdat de muziek zo conventioneel lijkt te zijn. Naarmate ik de plaat vaker draai zijn het juist de dromerige, wat richtingloos klinkende stukken die voor mij het hart vormen van de plaat: ‘How Hard It Is For A Desert To Die’; ‘How Will I Find You’; het titelnummer: in die dromerige, bijna verstilde momenten blijkt de plaat een weelde aan subtiele details te bevatten, die zich langzaam maar zeker openbaren aan de geduldige luisteraar.
Tweedy lijkt ons, zoals altijd, welkom te heten onder zijn voorwaarden, en zich opnieuw uit te vinden juist door meer dan ooit zichzelf te zijn, en zijn kunst te ontdoen van elke zweem van opsmuk of obscuriteit. Op misschien wel het mooiste liedje van de plaat, ‘Having Been Is No Way To Be’ (dat tijdens zijn recente solotournee, waarop ik zijn prachtige concert in Utrecht mocht zien, volgens mij nog ‘New Wave Theater’ heette) maakt hij gehakt van de mythe rondom zijn persoon: ‘And people say/ what drugs did you take/ and why don’t you start taking them again?/ They’re not my friends…’
Een dergelijke ontboezeming zou lichtelijk gênant zijn bij de meeste andere artiesten, maar Tweedy is altijd op zijn best geweest als hij de aspecten van het leven omschrijft die een beetje genant zijn, ongemakkelijk, als een naaktportret van een verlegen vader met overgewicht. Grote antwoorden biedt hij niet, maar hij is oud en wijs genoeg om te weten hoe hij maximaal effect sorteert met zijn eigen neurotische belevingswereld. En de sceptische, maar verstandige luisteraar waardeert hem precies zoals hij is. Ik sluit me daarom aan bij de regen van vier sterren.
Joanna Newsom - The Milk-Eyed Mender (2004)

4,0
0
geplaatst: 3 november 2010, 21:13 uur
Mijn eerste kennismaking met Joanna Newsom, niet al te lang geleden, was de plaat Ys. Dat beviel goed genoeg (met enige reserve) om me voor te nemen binnenkort ook eens naar deze te gaan luisteren. Mijn planning werd enigszins versneld door een bericht van Hoi123, die me sommeerde deze plaat eens snel te gaan beluisteren, of anders…
Nu ik zijn orders gezwind heb opgevolgd en The Milk-Eyed Mender tot me heb genomen, ben ik een stuk beter gaan begrijpen waarom veel mensen dit meisje zo’n genie vinden, maar ook waarom veel andere mensen afhaken bij haar stem. Mensenlief: het is aan te raden voor het luisteren uw tandglazuur te beschermen met goede tandpasta, en uw familiekristal veilig weg te bergen.
Nou goed, laat me niet overdrijven, maar mijn kaakspieren spanden zich wel een paar keer, op de momenten dat Newsom uithaalt met haar stem.
De manier waarop ze voor deze plaat liedjes schrijft en zingt, doet soms een beetje denken aan de spontaniteit van kinderen die muziek maken. Het zoontje van mijn zus, die met een plastic brandweerwagen beukt op een speelgoedxylofoon. Minutenlang beng, beng, beng. Muziek spelen, in de meest letterlijke, natuurlijke betekenis van het woord. Dit vormt dan weer een raar contrast met het zuivere, subtiele harpspel waarmee de muzikante de meeste nummers inkleurt, en Newsoms feilloze gevoel voor romantiek en melodie.
‘Moeilijke vocalen’ en muzikale mafheid daargelaten, biedt The Milk-Eyed Mender toch vooral 12 folkliedjes, beknopt, kaal en verrassend aanstekelijk. Een plaat die je na één keer al goed vindt, als je tandglazuur het overleeft tenminste. Je zou de refreinen al de tweede keer kunnen meezingen, ware het niet dat Newsom een al te voorspelbare couplet/refrein-structuur meestal slim weet te ontwijken.
Dit laatste spreekt voor haar talent, net als haar geschifte teksten, waarvan de soepele woordkeuze en rijmschema’s vaak een vertederde glimlach op mijn gezicht brengen. Uit ‘Sadie’: ‘Down where I darn with the milk-eyed mender/ you and I and a love so tender/ is stretched – on a hoop where I stitch- this adage/ bless our heart and its heart so savage.’
Al met al een album dat makkelijker in het hart is te sluiten dan het soms een beetje in zijn eigen ambitie verdwalende Ys. Ik ben wel een beetje verliefd, in ieder geval. Al zou ik deze plaat toch niet zo snel opzetten op de lichtgeraakte momenten, tijdens het ochtendhumeur of de vermoeide avonduren. Dan zijn de periodieke krolse uithalen van Newsom toch iets teveel gevraagd van mijn kaakspieren, vrees ik.
Nu ik zijn orders gezwind heb opgevolgd en The Milk-Eyed Mender tot me heb genomen, ben ik een stuk beter gaan begrijpen waarom veel mensen dit meisje zo’n genie vinden, maar ook waarom veel andere mensen afhaken bij haar stem. Mensenlief: het is aan te raden voor het luisteren uw tandglazuur te beschermen met goede tandpasta, en uw familiekristal veilig weg te bergen.
Nou goed, laat me niet overdrijven, maar mijn kaakspieren spanden zich wel een paar keer, op de momenten dat Newsom uithaalt met haar stem.
De manier waarop ze voor deze plaat liedjes schrijft en zingt, doet soms een beetje denken aan de spontaniteit van kinderen die muziek maken. Het zoontje van mijn zus, die met een plastic brandweerwagen beukt op een speelgoedxylofoon. Minutenlang beng, beng, beng. Muziek spelen, in de meest letterlijke, natuurlijke betekenis van het woord. Dit vormt dan weer een raar contrast met het zuivere, subtiele harpspel waarmee de muzikante de meeste nummers inkleurt, en Newsoms feilloze gevoel voor romantiek en melodie.
‘Moeilijke vocalen’ en muzikale mafheid daargelaten, biedt The Milk-Eyed Mender toch vooral 12 folkliedjes, beknopt, kaal en verrassend aanstekelijk. Een plaat die je na één keer al goed vindt, als je tandglazuur het overleeft tenminste. Je zou de refreinen al de tweede keer kunnen meezingen, ware het niet dat Newsom een al te voorspelbare couplet/refrein-structuur meestal slim weet te ontwijken.
Dit laatste spreekt voor haar talent, net als haar geschifte teksten, waarvan de soepele woordkeuze en rijmschema’s vaak een vertederde glimlach op mijn gezicht brengen. Uit ‘Sadie’: ‘Down where I darn with the milk-eyed mender/ you and I and a love so tender/ is stretched – on a hoop where I stitch- this adage/ bless our heart and its heart so savage.’
Al met al een album dat makkelijker in het hart is te sluiten dan het soms een beetje in zijn eigen ambitie verdwalende Ys. Ik ben wel een beetje verliefd, in ieder geval. Al zou ik deze plaat toch niet zo snel opzetten op de lichtgeraakte momenten, tijdens het ochtendhumeur of de vermoeide avonduren. Dan zijn de periodieke krolse uithalen van Newsom toch iets teveel gevraagd van mijn kaakspieren, vrees ik.
Joanna Newsom - Ys (2006)

4,0
0
geplaatst: 20 augustus 2010, 14:39 uur
Naar aanleiding van de hele mini-hype rondom Joanna Newsom van de afgelopen jaren, ben ik ook maar eens in haar muziek gedoken, te beginnen met Ys.
Eigenlijk verbaasde ik me, bij het beluisteren van deze plaat, een beetje over de heftige reacties op haar stemgeluid. Ik zou zeggen: neem de articulatie van Björk, denk het IJslandse accentje weg en voeg wat toe van Kate Bush' 'dansen om de meipaal'-lyriek, en je zit redelijk in de buurt. Helemaal niet zo ontoegankelijk, relatief gezien. Natuurlijk is het niet aan mij om te bepalen hoe anderen muziek ervaren, maar als ik sommigen hoor over gruwelijk gekrijs kan ik me daar toch niet bij aansluiten.
In de wereld van de alternatieve muziek, waar het credo nog steeds vaak is: monkey see, monkey do, krijgt Newsom van mij alleen door haar eigenzinnigheid al bonuspunten. Een dame die zichzelf begeleid op haar harp, in uitgesponnen folkliedjes die werkelijk het hele leven lijken te bespreken zonder ooit terug te vallen op platgetreden couplet/refrein-paden? Zo zien we ze niet vaak.
Een pretentieuze plaat, dan? Ik denk het wel. Maar het is te makkelijk om elke poging om iets complex en diepgaands te maken op te zadelen met dat label, en niet verder te kijken. Sommige muzikanten hebben ook echt iets te zeggen buiten 'laten we losgaan op de dansvloer', en dat valt te waarderen en te steunen.
Newsom trakteert ons vaak genoeg op prachtige melodieën en boeiende teksten om de aandacht die het kost om deze plaat te doorgronden waard te zijn.
Voor de hand ligt, om ook de productie te prijzen. De dame huurde Steve Albini voor de basisopnames, Van Dyke Parks voor de arrangementen, en Jim O' Rourke voor de geluidsmix. Een groter dreamteam is nauwelijks denkbaar.
Toch wil ik deze plaat ook weer niet zonder meer lauweren als meesterwerk. Newsoms monologen, vaak tien minuten of langer, vind ik vaak te veel voortkabbelen. Niet alle passages zijn even sterk of boeiend. Maar in de eindbalans ben ik toch een flink aantal mooie muzikale momenten rijker, en heb ik genoeg aanleiding om ook The Milk-eyed Mender eens te gaan beluisteren.
Eigenlijk verbaasde ik me, bij het beluisteren van deze plaat, een beetje over de heftige reacties op haar stemgeluid. Ik zou zeggen: neem de articulatie van Björk, denk het IJslandse accentje weg en voeg wat toe van Kate Bush' 'dansen om de meipaal'-lyriek, en je zit redelijk in de buurt. Helemaal niet zo ontoegankelijk, relatief gezien. Natuurlijk is het niet aan mij om te bepalen hoe anderen muziek ervaren, maar als ik sommigen hoor over gruwelijk gekrijs kan ik me daar toch niet bij aansluiten.
In de wereld van de alternatieve muziek, waar het credo nog steeds vaak is: monkey see, monkey do, krijgt Newsom van mij alleen door haar eigenzinnigheid al bonuspunten. Een dame die zichzelf begeleid op haar harp, in uitgesponnen folkliedjes die werkelijk het hele leven lijken te bespreken zonder ooit terug te vallen op platgetreden couplet/refrein-paden? Zo zien we ze niet vaak.
Een pretentieuze plaat, dan? Ik denk het wel. Maar het is te makkelijk om elke poging om iets complex en diepgaands te maken op te zadelen met dat label, en niet verder te kijken. Sommige muzikanten hebben ook echt iets te zeggen buiten 'laten we losgaan op de dansvloer', en dat valt te waarderen en te steunen.
Newsom trakteert ons vaak genoeg op prachtige melodieën en boeiende teksten om de aandacht die het kost om deze plaat te doorgronden waard te zijn.
Voor de hand ligt, om ook de productie te prijzen. De dame huurde Steve Albini voor de basisopnames, Van Dyke Parks voor de arrangementen, en Jim O' Rourke voor de geluidsmix. Een groter dreamteam is nauwelijks denkbaar.
Toch wil ik deze plaat ook weer niet zonder meer lauweren als meesterwerk. Newsoms monologen, vaak tien minuten of langer, vind ik vaak te veel voortkabbelen. Niet alle passages zijn even sterk of boeiend. Maar in de eindbalans ben ik toch een flink aantal mooie muzikale momenten rijker, en heb ik genoeg aanleiding om ook The Milk-eyed Mender eens te gaan beluisteren.
Joe Henderson - In Pursuit of Blackness (1971)

3,0
3
geplaatst: 6 maart 2022, 12:54 uur
Met: Joe Henderson (tenorsax); George Cables (elektrische piano); Lenny White (drums)
En op 'No Me Esqueca', 'A Shade of Jade' en 'Mind over Matter': Curtis Fuller (trombone); Pete Yellin (altsax, fluit, basklarinet); Stanley Clarke (bas)
Overige tracks: Woody Shaw (trompet); Ron McClure (bas); Tony Waters (congas)
SNOR!
Hendersons vierde plaat voor het Milestone-label, en hij houdt zijn sterke reeks vast al weet ik niet of deze nog vaak opgezet gaat worden. De twee meest interessante tracks zijn waarschijnlijk wel 'Invitation' en 'Gazelle', die live zijn opgenomen in het Lighthouse Café (vlakbij L.A.). De geluidskwaliteit is oké maar niet fantastisch, maar vooral de aanwezigheid van Shaw maken deze opnames interessant. Voor 'Gazelle' zou ik deze plaat nog best eens opzetten, van 'Invitation' prefereer ik toch wel de versie op Hendersons eerdere plaat Tetragon.
De studio-opnames (zonder Shaw) zijn wat tammer, ondanks dat Henderson bij momenten wel laat horen waarom hij een van de meest creatieve saxofonisten uit de jazzgeschiedenis is. Daarbij inspireert hij hoorbaar de rest van de band, maar het heilige vuur laait zelden écht hoog op. 'A Shade of Jade' kende ik al in een superieure versie op Mode for Joe.
Heel erg prettige plaat om te luisteren, maar in vergelijking met sommige van zijn eerdere LP's (en de snor op de voorkant) mis ik een beetje echte urgentie. Maar het album heeft zeker zijn momenten.
En op 'No Me Esqueca', 'A Shade of Jade' en 'Mind over Matter': Curtis Fuller (trombone); Pete Yellin (altsax, fluit, basklarinet); Stanley Clarke (bas)
Overige tracks: Woody Shaw (trompet); Ron McClure (bas); Tony Waters (congas)
SNOR!
Hendersons vierde plaat voor het Milestone-label, en hij houdt zijn sterke reeks vast al weet ik niet of deze nog vaak opgezet gaat worden. De twee meest interessante tracks zijn waarschijnlijk wel 'Invitation' en 'Gazelle', die live zijn opgenomen in het Lighthouse Café (vlakbij L.A.). De geluidskwaliteit is oké maar niet fantastisch, maar vooral de aanwezigheid van Shaw maken deze opnames interessant. Voor 'Gazelle' zou ik deze plaat nog best eens opzetten, van 'Invitation' prefereer ik toch wel de versie op Hendersons eerdere plaat Tetragon.
De studio-opnames (zonder Shaw) zijn wat tammer, ondanks dat Henderson bij momenten wel laat horen waarom hij een van de meest creatieve saxofonisten uit de jazzgeschiedenis is. Daarbij inspireert hij hoorbaar de rest van de band, maar het heilige vuur laait zelden écht hoog op. 'A Shade of Jade' kende ik al in een superieure versie op Mode for Joe.
Heel erg prettige plaat om te luisteren, maar in vergelijking met sommige van zijn eerdere LP's (en de snor op de voorkant) mis ik een beetje echte urgentie. Maar het album heeft zeker zijn momenten.
Joe Henderson - Our Thing (1964)

4,5
3
geplaatst: 25 januari 2019, 22:44 uur
Met Joe Henderson (tenorsax), Kenny Dorham (trompet), Andrew Hill (piano), Eddie Khan (bas), Pete LaRoca (drums)
Our Thing staat op de discografie van Henderson op Musicmeter boven het bekendere Page One. Laatstgenoemde is echter zijn debuut, en dit is de tweede plaat, een maand of vier later opgenomen.
Weer met Kenny Dorham in de gelederen, op trompet en feitelijk als co-leider (drie van de vijf composities zijn van hem). Ik was daar een beetje huiverig voor na Page One, waarop ik toch niet altijd heel enthousiast word van Dorham. Ook op deze plaat moet ik bekennen dat ik de twee composities van Henderson (‘Teeter Totter’ (heerlijke titel alleen al!) en ‘Our Thing’) afgemeten het beste vind. Die nummers zijn echt één groot muzikaal avontuur.
De composities van Dorham blijven wat meer op het veilige hardbop/ blues/ latin-terrein, dat we kennen van Page One, en het gevoel blijft hangen dat vooral Henderson daar wel een beetje uit aan het groeien was. Tegelijkertijd is het fascinerend om te horen hoe de band zich ontwikkeld heeft in een paar maanden: er wordt veel avontuurlijker gesoleerd, veel slinkser op elkaar ingespeeld.
Ten opzichte van het debuut is de band op twee plekken veranderd. Eddie Khan speelt bas, en brengt een lekkere dosis extra pit in de ritmesectie. En Andrew Hill speelt piano, en Andrew Hill op deze plaat, pfff… jongens, jongens. Bij hem merk je niet het verschil tussen de composities van Henderson of die van Dorham. Overal is hij buitencategorie. Zijn begeleiding, zijn solo’s, alles. Pete LaRoca, ten slotte, zal niet snel mijn favoriete drummer worden denk ik, maar hier is hij lekker losjes en gevarieerd.
Overwegend zitten de heren al lekker in de postbop-vibe die de jazz aan het binnensluipen was, en is Our Thing een lekker tegendraadse, speelse, ontzettend spannende plaat met in het centrum, zoals het hoort, een warm kloppend hart. Misschien zou de relatieve voorspelbaarheid van Dorham me tot vier sterren kunnen bewegen, maar vanwege Henderson en Hill toch een halve ster erbij. Dikke aanrader.
Our Thing staat op de discografie van Henderson op Musicmeter boven het bekendere Page One. Laatstgenoemde is echter zijn debuut, en dit is de tweede plaat, een maand of vier later opgenomen.
Weer met Kenny Dorham in de gelederen, op trompet en feitelijk als co-leider (drie van de vijf composities zijn van hem). Ik was daar een beetje huiverig voor na Page One, waarop ik toch niet altijd heel enthousiast word van Dorham. Ook op deze plaat moet ik bekennen dat ik de twee composities van Henderson (‘Teeter Totter’ (heerlijke titel alleen al!) en ‘Our Thing’) afgemeten het beste vind. Die nummers zijn echt één groot muzikaal avontuur.
De composities van Dorham blijven wat meer op het veilige hardbop/ blues/ latin-terrein, dat we kennen van Page One, en het gevoel blijft hangen dat vooral Henderson daar wel een beetje uit aan het groeien was. Tegelijkertijd is het fascinerend om te horen hoe de band zich ontwikkeld heeft in een paar maanden: er wordt veel avontuurlijker gesoleerd, veel slinkser op elkaar ingespeeld.
Ten opzichte van het debuut is de band op twee plekken veranderd. Eddie Khan speelt bas, en brengt een lekkere dosis extra pit in de ritmesectie. En Andrew Hill speelt piano, en Andrew Hill op deze plaat, pfff… jongens, jongens. Bij hem merk je niet het verschil tussen de composities van Henderson of die van Dorham. Overal is hij buitencategorie. Zijn begeleiding, zijn solo’s, alles. Pete LaRoca, ten slotte, zal niet snel mijn favoriete drummer worden denk ik, maar hier is hij lekker losjes en gevarieerd.
Overwegend zitten de heren al lekker in de postbop-vibe die de jazz aan het binnensluipen was, en is Our Thing een lekker tegendraadse, speelse, ontzettend spannende plaat met in het centrum, zoals het hoort, een warm kloppend hart. Misschien zou de relatieve voorspelbaarheid van Dorham me tot vier sterren kunnen bewegen, maar vanwege Henderson en Hill toch een halve ster erbij. Dikke aanrader.
Joe Henderson - Power to the People (1970)

4,0
4
geplaatst: 17 september 2022, 11:02 uur
Met: Joe Henderson (tenorsax); Herbie Hancock (piano, elektrische piano); Ron Carter (elektrische en akoestische bas); Jack DeJohnette (drums); Mike Lawrence (trompet op 'Afro-centric' en 'Power to the People')
Nog wel een verrassend goede plaat eigenlijk, al zou dat met deze muzikanten ook bijna niet anders kunnen. Misschien baarde de opmerking 'Joe Henderson gaat elektrisch' me een beetje zorgen. Het gaat dan vooral om de Fender Rhodes van Herbie Hancock op drie van de tracks, en zoals ik al weet uit Miles Davis' elektrische periode, zet hij daarmee gewoon een superfijne sound neer. Zover dit fusion is, heeft het nog een fijne postbop-feel en wordt het nooit een wirwar van 'spirituele' geluidjes.
Het zijn juist de tracks die worden gedomineerd door de elektrische piano die de plaat meerwaarde geven, m.n. de heerlijk groovende opener en het titelnummer. Je merkt verder niet zoveel van de instrumentale wisselingen, omdat het album goed zijn eigen sfeer vasthoudt. Als mijn aandacht daarbij af en toe verslapt, wordt die weer op scherp gezet als op het einde toch nog even wat meer wordt gefreakt. In combinatie met Hendersons speelse, inventieve saxofoonspel, ondersteund door een ritmesectie uit de buitencategorie, zo niet de beste dan wel de meest consistente plaat van Henderson op Milestone tot dusver.
Nog wel een verrassend goede plaat eigenlijk, al zou dat met deze muzikanten ook bijna niet anders kunnen. Misschien baarde de opmerking 'Joe Henderson gaat elektrisch' me een beetje zorgen. Het gaat dan vooral om de Fender Rhodes van Herbie Hancock op drie van de tracks, en zoals ik al weet uit Miles Davis' elektrische periode, zet hij daarmee gewoon een superfijne sound neer. Zover dit fusion is, heeft het nog een fijne postbop-feel en wordt het nooit een wirwar van 'spirituele' geluidjes.
Het zijn juist de tracks die worden gedomineerd door de elektrische piano die de plaat meerwaarde geven, m.n. de heerlijk groovende opener en het titelnummer. Je merkt verder niet zoveel van de instrumentale wisselingen, omdat het album goed zijn eigen sfeer vasthoudt. Als mijn aandacht daarbij af en toe verslapt, wordt die weer op scherp gezet als op het einde toch nog even wat meer wordt gefreakt. In combinatie met Hendersons speelse, inventieve saxofoonspel, ondersteund door een ritmesectie uit de buitencategorie, zo niet de beste dan wel de meest consistente plaat van Henderson op Milestone tot dusver.
Joe Henderson Quartets - Tetragon (1968)

4,0
2
geplaatst: 9 oktober 2021, 16:48 uur
Met: Joe Henderson (tenorsax); Ron Carter (bas); en:
Track 1, 2, 3, en 5: Don Friedman (piano); Jack DeJohnette (drums)
De overige tracks: Kenny Barron (piano); Louis Hayes (drums)
De volgende van een reeks sterke platen onder Hendersons leiding. Deze lijkt hier wat minder geliefd te zijn dan zijn oude werk voor Blue Note. Dat vind ik toch wel jammer, want hier valt veel te genieten.
'Invitation', de bruisende cover waar het album mee opent (mij verder onbekend), is direct een hoogtepunt. Ron Carter, die een hoofdrol speelt, draagt twee composities bij, waarvan ik 'R.J.' al kende van zijn tijd bij Miles Davis. Deze versie doet me eigenlijk meer: op deze plaat staan meer schoolvoorbeelden van hoe je prikkelende postbop kunt maken zonder te vervallen in artistiekerig geneuzel. Mooiste voorbeeld is Walter Bishop's 'Waltz for Zweetie', het tweede grote hoogtepunt van de plaat.
Veel is te danken aan het vakmanschap en de passie van de muzikanten hier. Het spel en samenspel zijn uitstekend, hooguit kan ik erover zeggen dat ik de toetsen in de tracks met Don Friedman persoonlijk iets beter vind dan die met Kenny Barron.
Een kritiekpunt is dat de twee composities van Henderson zelf ('The Bead Game' en het titelstuk), waarop hij zich een vrijere stijl aanmeet, wat minder uit de verf komen. Dat Henderson 'chops' heeft op de saxofoon, daar hoeft niemand aan te twijfelen, maar vooral bij 'The Bead Game' wordt het toch snel een beetje saxofoongymnastiek van bijna negen minuten, waarbij ik na de plotselinge fade out wat schouderophalend achterblijf. Zonder die track was ik denk ik naar 4,5 sterren gegaan, want dit is echt een jazzplaat naar mijn hart.
Track 1, 2, 3, en 5: Don Friedman (piano); Jack DeJohnette (drums)
De overige tracks: Kenny Barron (piano); Louis Hayes (drums)
De volgende van een reeks sterke platen onder Hendersons leiding. Deze lijkt hier wat minder geliefd te zijn dan zijn oude werk voor Blue Note. Dat vind ik toch wel jammer, want hier valt veel te genieten.
'Invitation', de bruisende cover waar het album mee opent (mij verder onbekend), is direct een hoogtepunt. Ron Carter, die een hoofdrol speelt, draagt twee composities bij, waarvan ik 'R.J.' al kende van zijn tijd bij Miles Davis. Deze versie doet me eigenlijk meer: op deze plaat staan meer schoolvoorbeelden van hoe je prikkelende postbop kunt maken zonder te vervallen in artistiekerig geneuzel. Mooiste voorbeeld is Walter Bishop's 'Waltz for Zweetie', het tweede grote hoogtepunt van de plaat.
Veel is te danken aan het vakmanschap en de passie van de muzikanten hier. Het spel en samenspel zijn uitstekend, hooguit kan ik erover zeggen dat ik de toetsen in de tracks met Don Friedman persoonlijk iets beter vind dan die met Kenny Barron.
Een kritiekpunt is dat de twee composities van Henderson zelf ('The Bead Game' en het titelstuk), waarop hij zich een vrijere stijl aanmeet, wat minder uit de verf komen. Dat Henderson 'chops' heeft op de saxofoon, daar hoeft niemand aan te twijfelen, maar vooral bij 'The Bead Game' wordt het toch snel een beetje saxofoongymnastiek van bijna negen minuten, waarbij ik na de plotselinge fade out wat schouderophalend achterblijf. Zonder die track was ik denk ik naar 4,5 sterren gegaan, want dit is echt een jazzplaat naar mijn hart.
John Carter & Bobby Bradford - Self Determination Music (1970)

4,0
2
geplaatst: 9 juli 2022, 17:05 uur
Mijn tweede Carter/ Bradford, en wederom geen gemakkelijke plaat. Jazz voor gevorderden, zou je bijna zeggen, maar dat klinkt altijd zo aanmatigend (alsof je een cursus gedaan zou moeten hebben om iets van waarde te kunnen ontdekken in deze muziek). Laten we het erop houden dat deze bij mij best lang in de playlist is blijven hangen, ook omdat ik niet elke dag zin of aandacht had om me hierin te laten onderdompelen.
Met geen pianist, maar wel twee bassisten, is de ritmesectie er percussief en vrij hectisch, waar ik me, in combinatie met de vrije, meanderende opzet van de nummers, soms wat verloren bij voel. Zoals Soledad in het bericht hierboven zegt, het is een plaat die wat aandacht vraagt. Aandacht eist, zelfs, want als achtergrondmuziek klinkt het inderdaad bijna als oeverloos gepriegel.
De sfeer die de muziek oproept, en de bijna verhalende blaaspartijen van de twee bandleiders, zijn dan wel weer echt totaal uniek. Inmiddels heb ik er vaak genoeg met plezier naar geluisterd om een voorzichtige vier sterren uit te delen. Meer nog dan dat ik verwacht dat die waardering in de toekomst nog zal stijgen of dalen, heb ik het gevoel dat dit zo'n plaat is waarbij elk oordeel in sterren eigenlijk tekortschiet om de luisterervaring te beschrijven (ja, dat is nogal een open deur, sorry).
Met geen pianist, maar wel twee bassisten, is de ritmesectie er percussief en vrij hectisch, waar ik me, in combinatie met de vrije, meanderende opzet van de nummers, soms wat verloren bij voel. Zoals Soledad in het bericht hierboven zegt, het is een plaat die wat aandacht vraagt. Aandacht eist, zelfs, want als achtergrondmuziek klinkt het inderdaad bijna als oeverloos gepriegel.
De sfeer die de muziek oproept, en de bijna verhalende blaaspartijen van de twee bandleiders, zijn dan wel weer echt totaal uniek. Inmiddels heb ik er vaak genoeg met plezier naar geluisterd om een voorzichtige vier sterren uit te delen. Meer nog dan dat ik verwacht dat die waardering in de toekomst nog zal stijgen of dalen, heb ik het gevoel dat dit zo'n plaat is waarbij elk oordeel in sterren eigenlijk tekortschiet om de luisterervaring te beschrijven (ja, dat is nogal een open deur, sorry).
John Coltrane - A Love Supreme (1965)

4,5
0
geplaatst: 26 januari 2010, 01:09 uur
Ik heb deze plaat zojuist verhoogd naar 4,5*, dus ik neem aan dat 'het kwartje' inmiddels gevallen is, of zoiets.
Eerlijk gezegd kan ik me niet herinneren wanneer ik deze plaat precies goed ben gaan vinden. Eigenlijk weet ik niet eens meer wanneer ik hem voor de eerste keer heb beluisterd, of wat mijn eerste indruk toen was. Deze plaat wás er gewoon, op een gegeven moment, en op bepaalde momenten stapt ie ineens weer je leven binnen, steeds met compleet nieuwe dieptes en betekenissen.
Bijna iedereen worstelt met woorden bij dit album, en terecht: omschrijven wat er zo goed is aan Coltranes muziek is hetzelfde als een gedicht schrijven over het zonlicht: het blijft een indirecte ervaring.
Waar klinkt het naar? Naar een drummer, een bassist, een pianist en een saxofonist, die via muziek één proberen te worden met hun schepper. En dat is eigenlijk het enige wat je erover kunt zeggen.
Intussen een soort recensie geworden, toch? Geel sterretje dan maar.
Eerlijk gezegd kan ik me niet herinneren wanneer ik deze plaat precies goed ben gaan vinden. Eigenlijk weet ik niet eens meer wanneer ik hem voor de eerste keer heb beluisterd, of wat mijn eerste indruk toen was. Deze plaat wás er gewoon, op een gegeven moment, en op bepaalde momenten stapt ie ineens weer je leven binnen, steeds met compleet nieuwe dieptes en betekenissen.
Bijna iedereen worstelt met woorden bij dit album, en terecht: omschrijven wat er zo goed is aan Coltranes muziek is hetzelfde als een gedicht schrijven over het zonlicht: het blijft een indirecte ervaring.
Waar klinkt het naar? Naar een drummer, een bassist, een pianist en een saxofonist, die via muziek één proberen te worden met hun schepper. En dat is eigenlijk het enige wat je erover kunt zeggen.
Intussen een soort recensie geworden, toch? Geel sterretje dan maar.
John Coltrane - Ascension (1966)
Alternatieve titel: Edition II

4,5
0
geplaatst: 13 maart 2011, 00:44 uur
Ascension: een moeilijke plaat. Een makkelijke plaat. Een plaat die ik meteen goed vond, toen ik hem voor de eerste keer hoorde. Een plaat waar ik nu nog steeds geen hout van begrijp.
Ascension betovert, Ascension begeestert, Ascension neemt je mee naar grote hoogte. Ascension, dat ook maar gewoon een plastic schijfje is, zoals alle andere cd’s, met muziek die je leuk kunt vinden, of niet. Je leven zal er geen centimeter mee achteruit of vooruit gaan, naarmate je de ene keuze maakt of de andere.
Ascension: een wervelstorm van wilde passie, met in het oog een bijna goddelijke rust en beheersing. Een kunstuiting die de bereidheid, nee, de drang toont om de emoties en de gedachtes te uiten die we allemaal herkennen uit het menselijk bestaan, zonder filter.
Die dingen te uiten, op de meest intelligente, waarachtige manier mogelijk.
Ascension heeft geen intellectuele bagage, stelt geen voorwaarden, sluit geen compromissen.
Ascension, waarin Coltrane als een bezetene de vernieuwing zoekt.
(Twee jaar later is hij dood.)
Coltrane, en zijn veelkoppige band, samen, alleen, door elkaar, met elkaar, achter elkaar. Elkaar versterkend, afwisselend, uitdagend. Allemaal samen, sprekend voor zichzelf, in de taal die ze het beste spraken: de muziek.
Met, door en na elkaar pratend creëren ze een meesterwerk/ een kakofonie van irritant getoeter/ (…luister en oordeel zelf).
Ascension vertelt, zoals alle goede jazzplaten, een soort verhaal. Een verhaal in muzieknoten en ritme. Blazers, piano, donderende drumslagen. Een verhaal geladen met kracht, adem, en leven.
Zijn er nog vragen? Nee, het zou oorverdovend duidelijk moeten zijn. Ascension kan namelijk volkomen op zichzelf worden beoordeeld, en wij gaan toch wel door met leven, en ademen, en liefhebben, zoals altijd.
Het kan alleen maar een verrijking zijn, dat het ook mogelijk is de wilde dans genaamd Ascension lief te hebben.
Ik zou het overigens willen aanraden.
Ascension betovert, Ascension begeestert, Ascension neemt je mee naar grote hoogte. Ascension, dat ook maar gewoon een plastic schijfje is, zoals alle andere cd’s, met muziek die je leuk kunt vinden, of niet. Je leven zal er geen centimeter mee achteruit of vooruit gaan, naarmate je de ene keuze maakt of de andere.
Ascension: een wervelstorm van wilde passie, met in het oog een bijna goddelijke rust en beheersing. Een kunstuiting die de bereidheid, nee, de drang toont om de emoties en de gedachtes te uiten die we allemaal herkennen uit het menselijk bestaan, zonder filter.
Die dingen te uiten, op de meest intelligente, waarachtige manier mogelijk.
Ascension heeft geen intellectuele bagage, stelt geen voorwaarden, sluit geen compromissen.
Ascension, waarin Coltrane als een bezetene de vernieuwing zoekt.
(Twee jaar later is hij dood.)
Coltrane, en zijn veelkoppige band, samen, alleen, door elkaar, met elkaar, achter elkaar. Elkaar versterkend, afwisselend, uitdagend. Allemaal samen, sprekend voor zichzelf, in de taal die ze het beste spraken: de muziek.
Met, door en na elkaar pratend creëren ze een meesterwerk/ een kakofonie van irritant getoeter/ (…luister en oordeel zelf).
Ascension vertelt, zoals alle goede jazzplaten, een soort verhaal. Een verhaal in muzieknoten en ritme. Blazers, piano, donderende drumslagen. Een verhaal geladen met kracht, adem, en leven.
Zijn er nog vragen? Nee, het zou oorverdovend duidelijk moeten zijn. Ascension kan namelijk volkomen op zichzelf worden beoordeeld, en wij gaan toch wel door met leven, en ademen, en liefhebben, zoals altijd.
Het kan alleen maar een verrijking zijn, dat het ook mogelijk is de wilde dans genaamd Ascension lief te hebben.
Ik zou het overigens willen aanraden.
John Coltrane - Coltrane Plays the Blues (1962)

4,0
4
geplaatst: 29 mei 2022, 20:29 uur
Bij het beluisteren van Coltrane's platen voor Atlantic had ik deze eerder helemaal over het hoofd gezien, toch een plaat met een wat lagere status dan zijn meeste andere werk voor het label. Het werd opgenomen in dezelfde sessies als die voor My Favorite Things, die nogal succesvol werd ondanks dat er geen eigen composities van Coltrane op staan. Op deze staan alléén maar eigen composities, al wordt 'Blues for Elvin' toegeschreven aan drummer Elvin Jones, die blijkbaar het nummer aan zichzelf cadeau deed.
Het behoort bij de vroegste opnames van Coltrane met McCoy Tyner en Elvin Jones, waarmee de legendarische band waarmee hij in de komende jaren furore zou maken bijna compleet is. Je hoort ze hier werken aan de sound die ze later zouden perfectioneren, waarmee het voor iedere fan van het Coltrane-kwartet een fascinerende luisterervaring is.
Die duidelijke link naar het toekomstige geluid is niet alleen de kracht maar ook de zwakte van deze plaat. Met 'de kennis van nu' zoals politici het zeggen, klinken deze tracks soms als schetsen voor later en meer uitdagend werk. Maar vanwege de kwaliteit van de spelers (vooral Tyner is op de tweede helft van de plaat echt woest goed bezig) kan ik er toch wel vier sterren aan kwijt.
Het behoort bij de vroegste opnames van Coltrane met McCoy Tyner en Elvin Jones, waarmee de legendarische band waarmee hij in de komende jaren furore zou maken bijna compleet is. Je hoort ze hier werken aan de sound die ze later zouden perfectioneren, waarmee het voor iedere fan van het Coltrane-kwartet een fascinerende luisterervaring is.
Die duidelijke link naar het toekomstige geluid is niet alleen de kracht maar ook de zwakte van deze plaat. Met 'de kennis van nu' zoals politici het zeggen, klinken deze tracks soms als schetsen voor later en meer uitdagend werk. Maar vanwege de kwaliteit van de spelers (vooral Tyner is op de tweede helft van de plaat echt woest goed bezig) kan ik er toch wel vier sterren aan kwijt.
John Coltrane - Impressions (1963)

4,0
1
geplaatst: 23 december 2018, 13:57 uur
Een plaat die ik altijd wat links heb laten liggen, omdat 80% van de speelduur is geplukt van de live-opnames in de Village Vanguard van november 1961, die gezamenlijk mijn meest beluisterde en geliefde Coltrane-plaat vormen. Daarvan is 'India' prima, al vind ik het wel jammer dat ze niet gekozen hebben voor één van de versies met Indiase instrumenten, die het nummer toch net wat meer sfeer en kleur meegeven. Wel een prachtige solo op basklarinet van Eric Dolphy, wiens bijdrage aan deze periode van Coltrane altijd een beetje onderbelicht is gebleven. 'Impressions' is dan wel weer een van de betere dingen die Coltrane maakte, denk ik.
De twee kortere studiotracks dateren van later, en zijn iets te opvallend restmateriaal. Geen straf om te beluisteren, en nuttig als rustpunten tussen de behoorlijk hectische Village Vanguard-tracks, maar op zichzelf staand geen hoogvliegers binnen het canon van Coltrane. Al moet elke kritiek natuurlijk in de context worden gezien van hoe briljant zijn werk voor het Impulse-label was: een luxeprobleem dus.
De twee kortere studiotracks dateren van later, en zijn iets te opvallend restmateriaal. Geen straf om te beluisteren, en nuttig als rustpunten tussen de behoorlijk hectische Village Vanguard-tracks, maar op zichzelf staand geen hoogvliegers binnen het canon van Coltrane. Al moet elke kritiek natuurlijk in de context worden gezien van hoe briljant zijn werk voor het Impulse-label was: een luxeprobleem dus.
John Coltrane - Meditations (1966)

4,5
5
geplaatst: 25 december 2018, 12:42 uur
Nadat hij ruim drie jaar bijna exclusief met dezelfde bandleden had gewerkt (McCoy Tyner- piano; Elvin Jones- drums; Jimmy Garrison- bas), luidde John Coltrane hier definitief het einde in van zijn klassieke kwartet. Kennelijk ontevreden met de eerdere opnames van zijn band van zijn cyclus Meditations, qua ambitie en samenhang de artistieke opvolger van A Love Supreme, nam hij de muziek in november 1965 opnieuw op, met een iets andere tracklisting en twee extra muzikanten: Pharoah Sanders (tenorsax) en Rashied Ali (drums).
Dit was de plaat die het jaar daarna als Meditations zou uitkomen, de oorspronkelijke versie met het kwartet zou pas in 1977, tien jaar na Coltrane’s dood, het licht zien als First Meditations (For Quartet).
Een paar dagen geleden heb ik een lijstje op de site gezet van mijn favoriete Coltrane-platen. Daarin staat de First Meditations-versie één plek hoger dan deze. Daar heb ik eigenlijk geen goede argumenten voor, behalve dat ik die kalere versie vaker heb beluisterd de laatste maanden. Nogal een flut-argument, maar goed, zo gaat dat met muzikale voorkeuren.
Bij herbeluistering moet ik toegeven dat Pharoah Sanders wel echt een aanwinst is voor deze plaat. De laatste keer dat Coltrane een tweede blazer in zijn band toeliet (op vaste basis) is, volgens mij, de grote Eric Dolphy in 1961, en ik begrijp wel waarom uitgerekend Sanders de eer te beurt viel om die schoenen te vullen. Waar Coltrane op Meditations al redelijk ver de avant-garde induikt, klinkt wat Sanders uit zijn saxofoon perst, op veel momenten, nog het meest als een baby-olifant die achter een auto aan over een grindpad wordt gesleept. Dat wil zeggen, het is niet altijd even mooi wat je hoort, maar saai wordt het nooit, en op een onverklaarbare manier is het ook nog emotioneel overtuigend. Zijn solo op ‘Consequences’ tart elk vooropgezet idee dat je hebt over hoe muziek hoort te klinken, bijna op het onbeluisterbare af, maar ik heb nog nooit de skipknop ingedrukt.
In schril contrast daarmee is de toevoeging van een tweede drummer moeilijker te plaatsen. Goede drummer, Rashied Ali, maar niemand kan volgens mij Elvin Jones verwijten dat zijn drumgeluid op eerdere Coltrane-platen niet vol genoeg was. Het effect van verschillende drumtapijten uit twee verschillende kanalen werkt af en toe niet eens onaardig, maar het voegt te weinig toe aan de plaat om het gevoel weg te nemen dat Coltrane toe was aan een verandering binnen zijn band, maar te laf was om het hardop te zeggen. Als dat inderdaad de insteek was, dan sorteerde het effect: Jones zou, net als Tyner, twee maanden later uit de band stappen.
De plaat wint daarnaast aan historische waarde omdat dit één van die weinige platen is, naast A Love Supreme en misschien nog een paar andere, waar Coltrane echt een eenduidige visie neerzette: een stuk muziek met kop en staart, dat bouwt en sloopt terwijl het beweegt tussen kakofonie en rust, en dat in zijn geheel beluisterd moet worden.
Misschien zijn, in dat verband, de rustmomenten op deze plaat me nog wel het meest dierbaar. Ik kan erg genieten van de twaalf minuten chaos waar deze plaat mee opent, maar de majestueuze pianosolo van McCoy Tyner daarna, op ‘Compassion’, is daarna toch ook wel weer erg mooi. Het meest ontroerende moment van de plaat is echter een bijna volkomen stilte, aan het begin van ‘Love’, als een paar minuten lang alleen Garrison te horen is, en het moment waarop Coltrane invalt, als de zon die door de wolken breekt, zo teder en romantisch als hij ooit geweest is. Juist de wanorde die nog natoetert in mijn oren maakt dit moment zo effectief: Meditations is een plaat waar de herrie en de stiltes elkaar echt betekenis geven.
Nu ik deze zo beluister, vind ik hem eigenlijk weer beter dan de versie met alleen het kwartet. Maar ik kan me zo voorstellen dat ik weer van mening verander, de volgende keer dat ik die beluister. Het is een strijd die van mij nog wel even mag duren.
Dit was de plaat die het jaar daarna als Meditations zou uitkomen, de oorspronkelijke versie met het kwartet zou pas in 1977, tien jaar na Coltrane’s dood, het licht zien als First Meditations (For Quartet).
Een paar dagen geleden heb ik een lijstje op de site gezet van mijn favoriete Coltrane-platen. Daarin staat de First Meditations-versie één plek hoger dan deze. Daar heb ik eigenlijk geen goede argumenten voor, behalve dat ik die kalere versie vaker heb beluisterd de laatste maanden. Nogal een flut-argument, maar goed, zo gaat dat met muzikale voorkeuren.
Bij herbeluistering moet ik toegeven dat Pharoah Sanders wel echt een aanwinst is voor deze plaat. De laatste keer dat Coltrane een tweede blazer in zijn band toeliet (op vaste basis) is, volgens mij, de grote Eric Dolphy in 1961, en ik begrijp wel waarom uitgerekend Sanders de eer te beurt viel om die schoenen te vullen. Waar Coltrane op Meditations al redelijk ver de avant-garde induikt, klinkt wat Sanders uit zijn saxofoon perst, op veel momenten, nog het meest als een baby-olifant die achter een auto aan over een grindpad wordt gesleept. Dat wil zeggen, het is niet altijd even mooi wat je hoort, maar saai wordt het nooit, en op een onverklaarbare manier is het ook nog emotioneel overtuigend. Zijn solo op ‘Consequences’ tart elk vooropgezet idee dat je hebt over hoe muziek hoort te klinken, bijna op het onbeluisterbare af, maar ik heb nog nooit de skipknop ingedrukt.
In schril contrast daarmee is de toevoeging van een tweede drummer moeilijker te plaatsen. Goede drummer, Rashied Ali, maar niemand kan volgens mij Elvin Jones verwijten dat zijn drumgeluid op eerdere Coltrane-platen niet vol genoeg was. Het effect van verschillende drumtapijten uit twee verschillende kanalen werkt af en toe niet eens onaardig, maar het voegt te weinig toe aan de plaat om het gevoel weg te nemen dat Coltrane toe was aan een verandering binnen zijn band, maar te laf was om het hardop te zeggen. Als dat inderdaad de insteek was, dan sorteerde het effect: Jones zou, net als Tyner, twee maanden later uit de band stappen.
De plaat wint daarnaast aan historische waarde omdat dit één van die weinige platen is, naast A Love Supreme en misschien nog een paar andere, waar Coltrane echt een eenduidige visie neerzette: een stuk muziek met kop en staart, dat bouwt en sloopt terwijl het beweegt tussen kakofonie en rust, en dat in zijn geheel beluisterd moet worden.
Misschien zijn, in dat verband, de rustmomenten op deze plaat me nog wel het meest dierbaar. Ik kan erg genieten van de twaalf minuten chaos waar deze plaat mee opent, maar de majestueuze pianosolo van McCoy Tyner daarna, op ‘Compassion’, is daarna toch ook wel weer erg mooi. Het meest ontroerende moment van de plaat is echter een bijna volkomen stilte, aan het begin van ‘Love’, als een paar minuten lang alleen Garrison te horen is, en het moment waarop Coltrane invalt, als de zon die door de wolken breekt, zo teder en romantisch als hij ooit geweest is. Juist de wanorde die nog natoetert in mijn oren maakt dit moment zo effectief: Meditations is een plaat waar de herrie en de stiltes elkaar echt betekenis geven.
Nu ik deze zo beluister, vind ik hem eigenlijk weer beter dan de versie met alleen het kwartet. Maar ik kan me zo voorstellen dat ik weer van mening verander, de volgende keer dat ik die beluister. Het is een strijd die van mij nog wel even mag duren.
John Coltrane - One Down, One Up (2005)
Alternatieve titel: Live at the Half Note

4,0
0
geplaatst: 29 september 2020, 12:07 uur
Mmmja toch wel wat langdradig bij momenten.Het briljante kwartet Coltrane/ Tyner/ Garrison/ Jones nadert zijn natuurlijke eindpunt, wat zich misschien uit in een wat zoekend geluid. Desondanks hoor ik op de studio-opnames uit die periode ('First Meditations' 'Sun Ship') toch meer een creatieve richting, waar het hier af en toe te veel neigt naar gaten dichtplamuren.
Ook is Coltrane wel eens beter opgenomen, met vooral die irritante radio-DJ's als stoorzender. Daardoor kan ik toch niet hoger gaan dan een - voor klassiek Coltrane kwartet - magere vier sterren, hoewel het een waardige uitgave is waar zeker nog genoeg op valt te genieten (als er al sprake is van geldwolverij vanwege het uitbrengen van wat oude radio-opnames, dan compenseert de band dat ruimschoots gelukkig).
Ook is Coltrane wel eens beter opgenomen, met vooral die irritante radio-DJ's als stoorzender. Daardoor kan ik toch niet hoger gaan dan een - voor klassiek Coltrane kwartet - magere vier sterren, hoewel het een waardige uitgave is waar zeker nog genoeg op valt te genieten (als er al sprake is van geldwolverij vanwege het uitbrengen van wat oude radio-opnames, dan compenseert de band dat ruimschoots gelukkig).
John Coltrane - Settin' the Pace (1961)

3,5
0
geplaatst: 23 april 2022, 13:01 uur
Echt zo'n plaat waar je eigenlijk weinig negatiefs over kunt zeggen, maar waarvan ik niet denk dat ik hem nog héél vaak ga draaien. Coltrane speelt uitstekend, op moment van opname (maart 1958) was hij echt grote stappen aan het zetten als saxofonist, hoewel hij toen dit uiteindelijk door Prestige werd uitgebracht (eind 1961) alweer héél veel verder was. Toch horen we hier al vlagen van het moois dat nog ging komen.
Verder is het een beetje typische hardbop uit 1958, al is de beste solo inderdaad voor Garland in het openingsnummer. Indruk die blijft hangen is dat het allemaal erg voor de hand ligt, en dat de plaat toch een beetje ondersneeuwt binnen het imposante oeuvre van deze geweldige muzikant.
Verder is het een beetje typische hardbop uit 1958, al is de beste solo inderdaad voor Garland in het openingsnummer. Indruk die blijft hangen is dat het allemaal erg voor de hand ligt, en dat de plaat toch een beetje ondersneeuwt binnen het imposante oeuvre van deze geweldige muzikant.
John Coltrane - Tanganyika Strut (1958)

3,5
5
geplaatst: 20 oktober 2020, 21:17 uur
Met: John Coltrane - Tenorsax; Wilbur Warden- trompet, flügelhorn; Curtis Fuller- Trombone; Tommy Flanagan- piano op 'Tanganyika Strut'; Howard Williams- piano op de overige tracks; Ali Jackson- Bas; Art Taylor- drums
Het eerste bericht pas, en dat bij een plaat van Coltrane. Je kunt je wel voorstellen, met de productiviteit van Coltrane, dat bepaalde albums een beetje ondersneeuwen.
Desondanks een erg lekker plaatje, wat aan de korte kant en keurig binnen de lijntjes van de bop uit de jaren vijftig, maar energiek en met een lekker afro-centrische smeuïgheid waarbij het moeilijk is het niet zelf warm te krijgen ('Tanganyika' was destijds de naam van Brits Oost-Afrika).
Coltrane was toen al écht goed, dit is de saxofonist ná zijn periode bij Monk, en in aanloop naar Giant Steps, al klinkt hij hier veel meer ongedwongen dan op laatstgenoemde lp. Hij steelt wel de show (eigenlijk is de minder opvallende Warden co-bandleider), maar de twee koperblazers zijn ook niet van gisteren, natuurlijk, en de ritmesectie houdt lekker de swing erin.
Niet per se een onontdekt pareltje in Coltrane's oeuvre, maar de 27 minuten gaan wel op een prima tempo voorbij.
Het eerste bericht pas, en dat bij een plaat van Coltrane. Je kunt je wel voorstellen, met de productiviteit van Coltrane, dat bepaalde albums een beetje ondersneeuwen.
Desondanks een erg lekker plaatje, wat aan de korte kant en keurig binnen de lijntjes van de bop uit de jaren vijftig, maar energiek en met een lekker afro-centrische smeuïgheid waarbij het moeilijk is het niet zelf warm te krijgen ('Tanganyika' was destijds de naam van Brits Oost-Afrika).
Coltrane was toen al écht goed, dit is de saxofonist ná zijn periode bij Monk, en in aanloop naar Giant Steps, al klinkt hij hier veel meer ongedwongen dan op laatstgenoemde lp. Hij steelt wel de show (eigenlijk is de minder opvallende Warden co-bandleider), maar de twee koperblazers zijn ook niet van gisteren, natuurlijk, en de ritmesectie houdt lekker de swing erin.
Niet per se een onontdekt pareltje in Coltrane's oeuvre, maar de 27 minuten gaan wel op een prima tempo voorbij.
John Grant - Pale Green Ghosts (2013)

4,0
0
geplaatst: 30 maart 2013, 12:30 uur
De discussie bij dit album lijkt zich vooral toe te spitsen op de controverse over de productie: de beats en synthesizers van Gus Gus die we hier horen vs. de folkarrangementen van het debuut. Naar mijn mening wordt Pale Green Ghosts daarmee bijna achteloos tekort gedaan.
Ik begrijp het wel. Veel mensen die zich voelden aangetrokken tot Queen Of Denmark mede door de zoete gelaagde instrumentatie van de heren van Midlake, zullen in esthetisch opzicht minder hebben met, bijvoorbeeld, de sarcastische bijna-aerobicsmuziek van Sensitive New Age Guy. Het is bijna onvermijdelijk dat Grant hier luisteraars van zich vervreemdt.
Echter buiten het feit dat het behoorlijk dapper is om na een relatieve succesplaat niet terug te komen met een slappe poging nogmaals exact hetzelfde trucje uit te halen (hoe vaak zien we dat laatste niet gebeuren?), vind ik de elektronische saus uit IJsland ook gewoon prima in elkaar gezet, en goed passen bij de liedjes. Tevens zorgt het voor variatie, en een soort speelsheid, dingen die het debuut wat minder wist te bieden, waardoor Pale Green Ghosts in bepaalde opzichten een meer behapbare plaat is, die meer uitnodigt om vaak te draaien dan het soms wel wat wollige Queen of Denmark.
Dat ik die laatste vooralsnog als superieur beschouw aan de nieuweling, heeft dan ook niets te maken met veranderingen in stijl of genre. En ook niet met de aanwezigheid van Sinead O'Connor, zacht gezegd niet mijn favoriete muzikante: ik moet bekennen dat haar smaakvol ingebrachte backing vocals echt iets toevoegen aan het album.
Ik stel ook vast dat de verpakking eigenlijk weinig verschil uitmaakt. Hoewel het pas zijn tweede plaat is, kunnen we nu al spreken van een typische John Grant-plaat, elektronica of niet. Niets mis mee, want hij is zeker een van de meest boeiende singer-songwriters die momenteel aan het werk is. Dit zijn weer elf echte John Grant liedjes, dramatisch en weemoedig, gedrenkt in een venijnig cynisme , intelligent en op een rare manier ook romantisch.
Net als op het debuut levert dat liedjes op die meestal erg mooi zijn, een enkele keer schitterend, en heel soms een beetje dreigen te verdrinken in hun eigen lijzige zwaarmoedigheid. Wat dat laatste betreft, hoewel het persoonlijke leven van een muzikant niet uit zou hoeven maken, moet ik wel bekennen dat ik de zwartgalligheid van Grants werk wat beter kan plaatsen toen ik hoorde dat hij in het openbaar had toegegeven HIV-positief te zijn. Maar dit terzijde.
Net als op Queen Of Denmark dus is het ene liedje me dierbaarder dan het andere, alleen vind ik op deze plaat de pieken net iets minder hoog en de dalen net ietsje dieper. Het titelnummer van deze plaat, bijvoorbeeld, is een prima single, maar ik vind als liedje 'Marz' toch wel iets geslaagder. 'It Doesn't Matter To Him' is in zekere zin het emotionele hart van het album, maar het mist de melodieuze rijkdom van 'Where Dreams Go To Die'. Het bijna kosmische afsluiter 'Glacier' is wellicht het beste nummer van de plaat, maar aan de door merg en been gaande intensiteit van het titelnummer van Queen Of Denmark kan het niet raken.
Niet alles hoeft te worden vergeleken met iets anders, en de nummers op Pale Green Ghosts zijn mooi genoeg om op eigen kracht te blijven boeien, waarbij zoals gezegd de elektronische arrangementen een prima bijdrage leveren aan het op smaak brengen van de liedjes. Sterker nog, ik ben bijzonder gecharmeerd van juist de elektronische niemendalletjes als 'Black Belt' en 'Sensitive New Age Guy', en in tegenstelling tot wat anderen hier aangeven zou ik erg benieuwd zijn wat er zou gebeuren als Grant deze kant van hemzelf verder zou uitdiepen.
Voor het overige levert Grant een meer dan geslaagde tweede soloplaat af. De enige domper op de feestvreugde blijft echter wel een knagend gevoel dat hij, als hij nog iets langer had geschaafd aan de liedjes en iets strenger had gefilterd, een echt meesterwerk had kunnen afleveren. Die laatste kwalificatie durf ik Pale Green Ghosts nog niet mee te geven.
Ik begrijp het wel. Veel mensen die zich voelden aangetrokken tot Queen Of Denmark mede door de zoete gelaagde instrumentatie van de heren van Midlake, zullen in esthetisch opzicht minder hebben met, bijvoorbeeld, de sarcastische bijna-aerobicsmuziek van Sensitive New Age Guy. Het is bijna onvermijdelijk dat Grant hier luisteraars van zich vervreemdt.
Echter buiten het feit dat het behoorlijk dapper is om na een relatieve succesplaat niet terug te komen met een slappe poging nogmaals exact hetzelfde trucje uit te halen (hoe vaak zien we dat laatste niet gebeuren?), vind ik de elektronische saus uit IJsland ook gewoon prima in elkaar gezet, en goed passen bij de liedjes. Tevens zorgt het voor variatie, en een soort speelsheid, dingen die het debuut wat minder wist te bieden, waardoor Pale Green Ghosts in bepaalde opzichten een meer behapbare plaat is, die meer uitnodigt om vaak te draaien dan het soms wel wat wollige Queen of Denmark.
Dat ik die laatste vooralsnog als superieur beschouw aan de nieuweling, heeft dan ook niets te maken met veranderingen in stijl of genre. En ook niet met de aanwezigheid van Sinead O'Connor, zacht gezegd niet mijn favoriete muzikante: ik moet bekennen dat haar smaakvol ingebrachte backing vocals echt iets toevoegen aan het album.
Ik stel ook vast dat de verpakking eigenlijk weinig verschil uitmaakt. Hoewel het pas zijn tweede plaat is, kunnen we nu al spreken van een typische John Grant-plaat, elektronica of niet. Niets mis mee, want hij is zeker een van de meest boeiende singer-songwriters die momenteel aan het werk is. Dit zijn weer elf echte John Grant liedjes, dramatisch en weemoedig, gedrenkt in een venijnig cynisme , intelligent en op een rare manier ook romantisch.
Net als op het debuut levert dat liedjes op die meestal erg mooi zijn, een enkele keer schitterend, en heel soms een beetje dreigen te verdrinken in hun eigen lijzige zwaarmoedigheid. Wat dat laatste betreft, hoewel het persoonlijke leven van een muzikant niet uit zou hoeven maken, moet ik wel bekennen dat ik de zwartgalligheid van Grants werk wat beter kan plaatsen toen ik hoorde dat hij in het openbaar had toegegeven HIV-positief te zijn. Maar dit terzijde.
Net als op Queen Of Denmark dus is het ene liedje me dierbaarder dan het andere, alleen vind ik op deze plaat de pieken net iets minder hoog en de dalen net ietsje dieper. Het titelnummer van deze plaat, bijvoorbeeld, is een prima single, maar ik vind als liedje 'Marz' toch wel iets geslaagder. 'It Doesn't Matter To Him' is in zekere zin het emotionele hart van het album, maar het mist de melodieuze rijkdom van 'Where Dreams Go To Die'. Het bijna kosmische afsluiter 'Glacier' is wellicht het beste nummer van de plaat, maar aan de door merg en been gaande intensiteit van het titelnummer van Queen Of Denmark kan het niet raken.
Niet alles hoeft te worden vergeleken met iets anders, en de nummers op Pale Green Ghosts zijn mooi genoeg om op eigen kracht te blijven boeien, waarbij zoals gezegd de elektronische arrangementen een prima bijdrage leveren aan het op smaak brengen van de liedjes. Sterker nog, ik ben bijzonder gecharmeerd van juist de elektronische niemendalletjes als 'Black Belt' en 'Sensitive New Age Guy', en in tegenstelling tot wat anderen hier aangeven zou ik erg benieuwd zijn wat er zou gebeuren als Grant deze kant van hemzelf verder zou uitdiepen.
Voor het overige levert Grant een meer dan geslaagde tweede soloplaat af. De enige domper op de feestvreugde blijft echter wel een knagend gevoel dat hij, als hij nog iets langer had geschaafd aan de liedjes en iets strenger had gefilterd, een echt meesterwerk had kunnen afleveren. Die laatste kwalificatie durf ik Pale Green Ghosts nog niet mee te geven.
John Grant - Queen of Denmark (2010)

4,5
0
geplaatst: 12 augustus 2010, 14:33 uur
Te oordelen naar de verhalen en de plaat zelf, moest Grant uit een diep dal komen om deze plaat te maken. Zijn vrienden van indie-grootheden Midlake stonden hem bij als backing band op Queen Of Denmark, en we herkennen het gelaagde maar ingetogen geluid van deze band in de prachtige arrangementen op dit album.
Grant en Midlake kleuren zijn gedragen composities rijkelijk in, altijd in dienst van het liedje, of het nou een aanvulling is op de sfeer of ermee contrasteert. Luister naar de hoempapa-blazers in het toch behoorlijk giftige Silver Platter Club, of de heavy keyboardakkoorden die de woede van JC Hates Faggots versterken. of de losse powerakkoorden op gitaar, waardoor het refrein van het naar Shearwater neigende titelnummer explodeert. Nice.
De heren van Midlake zullen zich misschien een paar keer achter de oren hebben gekrabd tijdens de opnamen, want eigenlijk troeft hun beschermeling hen op alle fronten af. Dit is het soort plaat dat zij hadden moeten of kunnen maken, als ze meer te melden hadden gehad tegen de wereld. Niet dat hun eigen A Courage Of Others, van eerder dit jaar, een slechte plaat is, maar dit is toch van een heel andere orde: een plaat die echt gemaakt moest worden, bijna huiverend van noodzaak.
Het is dan ook een bijzonder persoonlijk album: een afrekening met verraderlijke geliefden, mensen die zijn homoseksualiteit niet accepteerden, en ander uitschot dat hem de grond in praatte. Een plaat van een man die is getekend door het leven, vechtend voor zijn eigenwaarde en vastberaden om toch te blijven dromen, misschien tegen beter weten in. Grant is oud en wijs genoeg om zich precies zo te uiten als hij is, en weet dat te doen zonder plaatsvervangende gene te veroorzaken met een 'lief dagboek'- sfeertje.
Grant uit dit alles via twaalf liedjes met prachtige melodieën, zoals gezegd prachtig ingespeeld, met een keur aan instrumenten die nergens de liedjes in de weg zitten. Zijn stem is een beetje wennen, en een enkel nummer zit onder het niveau van de plaat (het melige Sigourney Weaver), maar perfectie is voor stukadoors, zullen we maar zeggen.
Alle niet homofobische liefhebbers van een goed liedje moeten hier eigenlijk naar gaan luisteren, want dit is de beste liedjesplaat die ik dit jaar heb gehoord. Twee duimen omhoog.
Favoriete Track: Queen Of Denmark
Grant en Midlake kleuren zijn gedragen composities rijkelijk in, altijd in dienst van het liedje, of het nou een aanvulling is op de sfeer of ermee contrasteert. Luister naar de hoempapa-blazers in het toch behoorlijk giftige Silver Platter Club, of de heavy keyboardakkoorden die de woede van JC Hates Faggots versterken. of de losse powerakkoorden op gitaar, waardoor het refrein van het naar Shearwater neigende titelnummer explodeert. Nice.
De heren van Midlake zullen zich misschien een paar keer achter de oren hebben gekrabd tijdens de opnamen, want eigenlijk troeft hun beschermeling hen op alle fronten af. Dit is het soort plaat dat zij hadden moeten of kunnen maken, als ze meer te melden hadden gehad tegen de wereld. Niet dat hun eigen A Courage Of Others, van eerder dit jaar, een slechte plaat is, maar dit is toch van een heel andere orde: een plaat die echt gemaakt moest worden, bijna huiverend van noodzaak.
Het is dan ook een bijzonder persoonlijk album: een afrekening met verraderlijke geliefden, mensen die zijn homoseksualiteit niet accepteerden, en ander uitschot dat hem de grond in praatte. Een plaat van een man die is getekend door het leven, vechtend voor zijn eigenwaarde en vastberaden om toch te blijven dromen, misschien tegen beter weten in. Grant is oud en wijs genoeg om zich precies zo te uiten als hij is, en weet dat te doen zonder plaatsvervangende gene te veroorzaken met een 'lief dagboek'- sfeertje.
Grant uit dit alles via twaalf liedjes met prachtige melodieën, zoals gezegd prachtig ingespeeld, met een keur aan instrumenten die nergens de liedjes in de weg zitten. Zijn stem is een beetje wennen, en een enkel nummer zit onder het niveau van de plaat (het melige Sigourney Weaver), maar perfectie is voor stukadoors, zullen we maar zeggen.
Alle niet homofobische liefhebbers van een goed liedje moeten hier eigenlijk naar gaan luisteren, want dit is de beste liedjesplaat die ik dit jaar heb gehoord. Twee duimen omhoog.
Favoriete Track: Queen Of Denmark
John Lennon & Yoko Ono - Two Virgins (1968)
Alternatieve titel: Unfinished Music No. 1

1,0
0
geplaatst: 21 februari 2023, 21:20 uur
Ik wil wat bekender worden met de soloplaten van de Beatles, maar deze kende ik natuurlijk al, zij het voornamelijk van reputatie. Zelfs de grootste fans van de plaat zullen toegeven dat hij voornamelijk vanwege de hoes bekend is. De laatste keer dat ik in een platenzaak was, stond deze LP zowel bij de collectors items als bij de nieuwe LP's, waarmee het grappig genoeg de best beschikbare Beatles-soloplaat was.
De muziek werd grotendeels opgenomen tijdens de eerste nacht van Lennon en Ono samen waarbij ze hun zelfingenomenheid de vrije loop lieten, dus daarin waren ze alvast een 'match made in heaven'. Lennon beweerde dat ze zochten naar de spontaniteit van een kind die muziek maakt, en daar zit op zich wel iets in. Nog preciezer is dat het klinkt als twee stonede mensen die wat met een taperecorder zitten te klooien.
Dat kan op zich best leuke of interessante muziek opleveren, maar behalve dat ik er niets avontuurlijks of spannends op hoor, zijn de onaangename stem van Ono en de flauwe humor van Lennon meer irritant dan iets anders. Voor mij niet weggelegd dus, maar aan o.a. hierboven te zien heeft ook deze plaat haar hartstochtelijke verdedigers. Zo hoort het ook natuurlijk. Peace!
De muziek werd grotendeels opgenomen tijdens de eerste nacht van Lennon en Ono samen waarbij ze hun zelfingenomenheid de vrije loop lieten, dus daarin waren ze alvast een 'match made in heaven'. Lennon beweerde dat ze zochten naar de spontaniteit van een kind die muziek maakt, en daar zit op zich wel iets in. Nog preciezer is dat het klinkt als twee stonede mensen die wat met een taperecorder zitten te klooien.
Dat kan op zich best leuke of interessante muziek opleveren, maar behalve dat ik er niets avontuurlijks of spannends op hoor, zijn de onaangename stem van Ono en de flauwe humor van Lennon meer irritant dan iets anders. Voor mij niet weggelegd dus, maar aan o.a. hierboven te zien heeft ook deze plaat haar hartstochtelijke verdedigers. Zo hoort het ook natuurlijk. Peace!
Johnathan Blake - Homeward Bound (2021)

4,0
2
geplaatst: 22 december 2021, 20:45 uur
Met: Johnathan Blake (drums); Immanuel Wilkins (altsax); Joel Ross (vibrafoon); David Virelles (toetsen); Dezron Douglas (bas)
Goed album wel, uit een sterke reeks vrij toegankelijke postbop-platen van Blue 'Nee, we zijn echt niet alleen een reissue-label' Note. Daaronder ook het debuut van saxofonist Immanuel Wilkins van vorig jaar, die op deze plaat ook een hoofdrol speelt. Al is dit vooral teamwork: op een plaat onder het leiderschap van een drummer verbaast het niet dat de groove een centrale rol speelt, maar Ross, Virelles en WIlkins pakken allemaal mooie momentjes in de spotlight, en spelen ook goed samen, soms om elkaar heen kronkelend in één mooie geluidsmozaiek, zoals bij het iets abstractere 'Shakin' the Biscuits.'
Waar ik de plaat van Wilkins iets te vermoeiend vond, zou je hier het omgekeerde kunnen zeggen: af en toe zou het wel iets onvriendelijker mogen. Toch vind ik dit album denk ik beter dan die van Wilkins: meer afwisseling, dynamiek en subtiliteit. Ja, dan mis je een stukje urgentie. Ja, dan kan ik niet precies een reden bedenken waarom je een album zou afsluiten met een instrumentale verjazzing van Joe Jacksons 'Steppin' Out.' Behalve dat muziek ook weleens gewoon lékker mag zijn, denk ik dan, als ik Wilkins' toch wel erg lekkere altsax op laatstgenoemde track hoor.
Goed album wel, uit een sterke reeks vrij toegankelijke postbop-platen van Blue 'Nee, we zijn echt niet alleen een reissue-label' Note. Daaronder ook het debuut van saxofonist Immanuel Wilkins van vorig jaar, die op deze plaat ook een hoofdrol speelt. Al is dit vooral teamwork: op een plaat onder het leiderschap van een drummer verbaast het niet dat de groove een centrale rol speelt, maar Ross, Virelles en WIlkins pakken allemaal mooie momentjes in de spotlight, en spelen ook goed samen, soms om elkaar heen kronkelend in één mooie geluidsmozaiek, zoals bij het iets abstractere 'Shakin' the Biscuits.'
Waar ik de plaat van Wilkins iets te vermoeiend vond, zou je hier het omgekeerde kunnen zeggen: af en toe zou het wel iets onvriendelijker mogen. Toch vind ik dit album denk ik beter dan die van Wilkins: meer afwisseling, dynamiek en subtiliteit. Ja, dan mis je een stukje urgentie. Ja, dan kan ik niet precies een reden bedenken waarom je een album zou afsluiten met een instrumentale verjazzing van Joe Jacksons 'Steppin' Out.' Behalve dat muziek ook weleens gewoon lékker mag zijn, denk ik dan, als ik Wilkins' toch wel erg lekkere altsax op laatstgenoemde track hoor.
Johnny Cash - At Folsom Prison (1968)
Alternatieve titel: At Folsom Prison Live

4,5
0
geplaatst: 17 september 2010, 15:21 uur
Gek dat ik hier nog niet op gestemd had, eigenlijk. De twee gevangenisconcerten heb ik toch al jaren in huis, hoewel ik meestal 'At San Quentin' pak als ik er iets van wil draaien, een plaat die nog een tijdje in mijn top 10 heeft gestaan, en een lichte voorkeur geniet boven deze.
Het zal wel een kwestie zijn van 'eerste liefde', want San Quentin ken ik al een stukje langer. Ik vind de opbouw en liedjeskeuze van die plaat ook ietsje slimmer dan van deze (met die reeks gospelnummers tegen het einde), en het publiek is wat duidelijker aanwezig, wat bijdraagt aan de sfeer.
'Folsom Prison' klinkt, in vergelijking, iets intiemer, en moet het -overwegend- vooral hebben van liedjes over prison cells en gallows.
Maar het is, zoals mijn moeder zou zeggen, lood om oud ijzer. Beide zijn gewoon standaardplaten, die meer dan veertig jaar na dato nog net zo scherp en urgent klinken toen ze uitkwamen.
Het uitbrengen van live-opnamen vanuit een zwaarbewaakte gevangenis is een ware meesterzet. Waar anders kun je dit soort rauwe coutry zo goed tot leven laten komen?
Deze heb ik gisteren nog beluisterd, en ik merk dat ik de neiging heb om met de gevangenen te gaan meejoelen als Cash 'Folsom Prison Blues' inzet.
'But I shot a man in Reno/ just to watch him die...'
Yeah!
(Maar dan tegelijkertijd die rilling op je rug, omdat je aan het meejoelen bent met een groep mensen die vastzitten omdat ze misschien wel iemand hebben neergeschoten, gewoon om hem te zien sterven. Of erger.)
Nog intenser is Cocaine Blues, een van de variaties op een standaard folkliedje (vergelijk o.a. Little Sadie, ooit nog prachtig gezongen door Mark Lanegan). Vergeet die suffe moraal waarmee het nummer afsluit ('Come on, you've gotta listen to me/ lay off that whiskey and let that cocaine be'), duidelijk alleen maar bedoeld om het nummer acceptabel te maken voor de moraalridders. Het doel van het nummer is natuurlijk vooral om op een zo grof mogelijke manier een lekker outlaw-verhaal te schreeuwen: 'I can't forget the day I shot that bad bitch down', zingt Cash. Gejoel in de zaal, rillingen op mijn rug.
De massale aanwezigheid van opgesloten mannen met waarschijnlijk aardig wat op hun kerfstok, is hier niet alleen een extra gimmick. Het is het ecosysteem waarin dit album zich bevindt.
De tinnen bekers, de mededelingen tussen de nummers door, de wolfachtige geilheid die voelbaar is in de zaal als June Carter het podium betreedt... Morele vraagstukken terzijde, verdient Cash hier alleen al een dikke pluim voor het vastleggen van zo'n unieke sonische ervaring.
Cash' band, en zijn geliefde June, blijven op de achtergrond en laten de man in het zwart zijn ding doen. Als ze al op de voorgrond treden, dan lijken ze een beetje nerveus (vooral June Carter). Zo niet Cash zelf.
Spelend en zingend laat hij zich hier zien als een geboren performer, die het maximale kan halen uit simpele folkliedjes. Hij speelt twee mondharpen tegelijkertijd op Orange Blossom Special, zingt een jarige gevangene toe op Joe Bean, en laat zijn gedoemde publiek lachen om de doodstraf in 25 Seconds To Go.
Na een kleine drie kwartier wordt omgeroepen dat de gevangenen op hun plek moeten blijven zitten totdat een bewaker ze naar buiten begeleid. In het geroezemoes dat achterblijft is één ding hoorbaar: er zijn misschien betere muzikanten zijn geweest dan Johnny Cash, maar weinig zullen het talent en de persoonlijkheid hebben gehad om dit publiek zo effectief te bespelen.
Men stelt zich voor dat de gevangenen terugliepen naar hun cel, misschien stil of misschien luidruchtig, maar allemaal in hun ziel geraakt, een klein beetje veranderd...
De luisteraar stopt de cd terug in het hoesje, en is vooral blij dat hij daarna gewoon naar buiten mag lopen, en decadent genoeg mag zijn om niet dieper deze wereld in te hoeven duiken dan via een plastic schijfje. En vooral blij dat Johnny Cash die dag een taperecorder mee heeft genomen.
Het zal wel een kwestie zijn van 'eerste liefde', want San Quentin ken ik al een stukje langer. Ik vind de opbouw en liedjeskeuze van die plaat ook ietsje slimmer dan van deze (met die reeks gospelnummers tegen het einde), en het publiek is wat duidelijker aanwezig, wat bijdraagt aan de sfeer.
'Folsom Prison' klinkt, in vergelijking, iets intiemer, en moet het -overwegend- vooral hebben van liedjes over prison cells en gallows.
Maar het is, zoals mijn moeder zou zeggen, lood om oud ijzer. Beide zijn gewoon standaardplaten, die meer dan veertig jaar na dato nog net zo scherp en urgent klinken toen ze uitkwamen.
Het uitbrengen van live-opnamen vanuit een zwaarbewaakte gevangenis is een ware meesterzet. Waar anders kun je dit soort rauwe coutry zo goed tot leven laten komen?
Deze heb ik gisteren nog beluisterd, en ik merk dat ik de neiging heb om met de gevangenen te gaan meejoelen als Cash 'Folsom Prison Blues' inzet.
'But I shot a man in Reno/ just to watch him die...'
Yeah!
(Maar dan tegelijkertijd die rilling op je rug, omdat je aan het meejoelen bent met een groep mensen die vastzitten omdat ze misschien wel iemand hebben neergeschoten, gewoon om hem te zien sterven. Of erger.)
Nog intenser is Cocaine Blues, een van de variaties op een standaard folkliedje (vergelijk o.a. Little Sadie, ooit nog prachtig gezongen door Mark Lanegan). Vergeet die suffe moraal waarmee het nummer afsluit ('Come on, you've gotta listen to me/ lay off that whiskey and let that cocaine be'), duidelijk alleen maar bedoeld om het nummer acceptabel te maken voor de moraalridders. Het doel van het nummer is natuurlijk vooral om op een zo grof mogelijke manier een lekker outlaw-verhaal te schreeuwen: 'I can't forget the day I shot that bad bitch down', zingt Cash. Gejoel in de zaal, rillingen op mijn rug.
De massale aanwezigheid van opgesloten mannen met waarschijnlijk aardig wat op hun kerfstok, is hier niet alleen een extra gimmick. Het is het ecosysteem waarin dit album zich bevindt.
De tinnen bekers, de mededelingen tussen de nummers door, de wolfachtige geilheid die voelbaar is in de zaal als June Carter het podium betreedt... Morele vraagstukken terzijde, verdient Cash hier alleen al een dikke pluim voor het vastleggen van zo'n unieke sonische ervaring.
Cash' band, en zijn geliefde June, blijven op de achtergrond en laten de man in het zwart zijn ding doen. Als ze al op de voorgrond treden, dan lijken ze een beetje nerveus (vooral June Carter). Zo niet Cash zelf.
Spelend en zingend laat hij zich hier zien als een geboren performer, die het maximale kan halen uit simpele folkliedjes. Hij speelt twee mondharpen tegelijkertijd op Orange Blossom Special, zingt een jarige gevangene toe op Joe Bean, en laat zijn gedoemde publiek lachen om de doodstraf in 25 Seconds To Go.
Na een kleine drie kwartier wordt omgeroepen dat de gevangenen op hun plek moeten blijven zitten totdat een bewaker ze naar buiten begeleid. In het geroezemoes dat achterblijft is één ding hoorbaar: er zijn misschien betere muzikanten zijn geweest dan Johnny Cash, maar weinig zullen het talent en de persoonlijkheid hebben gehad om dit publiek zo effectief te bespelen.
Men stelt zich voor dat de gevangenen terugliepen naar hun cel, misschien stil of misschien luidruchtig, maar allemaal in hun ziel geraakt, een klein beetje veranderd...
De luisteraar stopt de cd terug in het hoesje, en is vooral blij dat hij daarna gewoon naar buiten mag lopen, en decadent genoeg mag zijn om niet dieper deze wereld in te hoeven duiken dan via een plastic schijfje. En vooral blij dat Johnny Cash die dag een taperecorder mee heeft genomen.
Johnny Flynn - Been Listening (2010)

4,0
0
geplaatst: 3 december 2010, 16:03 uur
Even wennen dit, maar wat een buitengewoon verslavende plaat!
Flynn ziet eruit als een fotomodel, reist al zijn hele jeugd de wereld over, bezocht dure scholen en houdt er een acteercarriere op na (trivia-weetje: Flynn is de hoofdrolspeler in de verfilming van Kruistocht in Spijkerbroek). Hip! Wie hem nonchalant langs de camera ziet kijken met zijn hemelsblauwe oogjes, zou niet verwachten dat uit zo'n cosmopolitisch jochie 'Howl' zou kunnen komen. Een vuil, schreeuwerig nummer, dat je zou verwachten van een tegendraadse folkie van rond de veertig. Elders klinkt Flynn weer uitermate dandyesk (Kentucky Pill) of hangt hij tegen een ingetogen Nick Cave aan (Amazon Love).
Alleen maar gewaagde, onder de huid kruipende liedjes met fascinerende teksten en Flynns zwalkende maar prominente stem als middelpunt. Intelligente arrangementen, waar trompetten blazen of piano's tingelen, afhankelijk van wat het nummer nodig heeft. Dit, mensen, is waarlijk een Groots Visitekaartje van een Bijzonder Talent. Heeft een paar luisterbeurten nodig gehad bij mij, maar nu: een van de beste platen van het jaar.
Flynn ziet eruit als een fotomodel, reist al zijn hele jeugd de wereld over, bezocht dure scholen en houdt er een acteercarriere op na (trivia-weetje: Flynn is de hoofdrolspeler in de verfilming van Kruistocht in Spijkerbroek). Hip! Wie hem nonchalant langs de camera ziet kijken met zijn hemelsblauwe oogjes, zou niet verwachten dat uit zo'n cosmopolitisch jochie 'Howl' zou kunnen komen. Een vuil, schreeuwerig nummer, dat je zou verwachten van een tegendraadse folkie van rond de veertig. Elders klinkt Flynn weer uitermate dandyesk (Kentucky Pill) of hangt hij tegen een ingetogen Nick Cave aan (Amazon Love).
Alleen maar gewaagde, onder de huid kruipende liedjes met fascinerende teksten en Flynns zwalkende maar prominente stem als middelpunt. Intelligente arrangementen, waar trompetten blazen of piano's tingelen, afhankelijk van wat het nummer nodig heeft. Dit, mensen, is waarlijk een Groots Visitekaartje van een Bijzonder Talent. Heeft een paar luisterbeurten nodig gehad bij mij, maar nu: een van de beste platen van het jaar.
Jon Campbell - Sirens (2019)

4,5
2
geplaatst: 28 september 2019, 10:40 uur
Hoewel ik pas een week geleden deze release in het oog kreeg, weet ik zeker dat ik eerder iets van Jon Campbell heb beluisterd. Niet zozeer dat ik de muziek herkende, maar ik herinner me vaag dat ik eerder zijn artiestenfoto op Spotify had gezien, en toen dacht: mooie armen heeft die man. Zou hij nog op tournee gaan? Lijkt me leuk om dat een keer live te zien! En dan een beetje vooraan gaan staan. Je weet nooit, ik lees hier dat hij iets heeft gehad met Jamie van de Impressibles. Die is echt niet zoveel aantrekkelijker dan ik, volgens mij.
Nee, stop, Sandokan, je bent een serieuze muziekliefhebber. Geen bakvis die popmuziek ziet als een soort vleeskeuring. God! Wat ik eigenlijk wilde gaan zeggen was: Jon Campbell heeft een behoorlijk mooie debuut-lp afgeleverd. Hij toont zich een liefhebber van volle, gulle melodieën, hij houdt de uitvoering klein: folky songstructuren, kale arrangementen.
De hele plaat heeft daardoor een intieme sfeer waarbinnen elk detail op zijn plek valt, maximale impact heeft. We horen vooral akoestische gitaar en bijna fluisterende vocalen, aangevuld met dwarrelende pianonoten, subtiele accenten van strijkers en blazers, een paar gastzangers, een verdwaalde drummachine en, in één nummer, zo’n valse fluitsolo dat het lachwekkend is. En niet te vergeten, een koor van bears (in het sublieme ‘Rebels Without A Cause’).
Drie of vier van die ingrediënten per liedje, slim afgewogen, sober, maar dus altijd met één of twee opvallende details die zorgen dat het liedje zich meteen in je brein nestelt.
Ondanks de vaak droevige onderwerpkeuzes heeft Campbell ook een behoorlijke mate van humor/ zelfspot. Het nummer met het koor wordt bijvoorbeeld direct opgevolgd door het bijna belachelijk laag gezongen ‘Dumb’, een van de vele nummers waarop hij de draak lijkt te steken met zijn eigen liefdesverdriet:
‘Grant me the serenity to never say his name in a song/ that would be fucked up (fucked uuup).’
Campbell is duidelijk iemand die begrijpt dat komedie en tragedie van nature dicht bij elkaar liggen.
De intimiteit van de plaat is ook misschien het enige nadeel: het is allemaal zo ‘klein’, zo sober en teder, dat ondanks de beperkte speelduur mijn aandacht tegen het einde wat verslapt. Dat is het eigenlijk het enige dat me nog afhoudt van een 4,5*-waardering, zoals een paar mensen hierboven hebben gegeven.
Waarschijnlijk is dat een kwestie van tijd, want deze verslavende plaat weet me elke luisterbeurt volledig in te pakken. Warm aanbevolen, al is het zo’n overtuigd stuk queer songwriting dat ik niet weet of het kan aanslaan buiten de gebruikelijke progressieve clubjes. Maar dat hoeft ook niet altijd, gelukkig. Ondergetekende ouder wordende homo is in ieder geval behoorlijk in zijn nopjes met deze verzameling prachtige armen.
Liedjes! Verzameling prachtige liedjes, bedoelde ik natuurlijk.
Nee, stop, Sandokan, je bent een serieuze muziekliefhebber. Geen bakvis die popmuziek ziet als een soort vleeskeuring. God! Wat ik eigenlijk wilde gaan zeggen was: Jon Campbell heeft een behoorlijk mooie debuut-lp afgeleverd. Hij toont zich een liefhebber van volle, gulle melodieën, hij houdt de uitvoering klein: folky songstructuren, kale arrangementen.
De hele plaat heeft daardoor een intieme sfeer waarbinnen elk detail op zijn plek valt, maximale impact heeft. We horen vooral akoestische gitaar en bijna fluisterende vocalen, aangevuld met dwarrelende pianonoten, subtiele accenten van strijkers en blazers, een paar gastzangers, een verdwaalde drummachine en, in één nummer, zo’n valse fluitsolo dat het lachwekkend is. En niet te vergeten, een koor van bears (in het sublieme ‘Rebels Without A Cause’).
Drie of vier van die ingrediënten per liedje, slim afgewogen, sober, maar dus altijd met één of twee opvallende details die zorgen dat het liedje zich meteen in je brein nestelt.
Ondanks de vaak droevige onderwerpkeuzes heeft Campbell ook een behoorlijke mate van humor/ zelfspot. Het nummer met het koor wordt bijvoorbeeld direct opgevolgd door het bijna belachelijk laag gezongen ‘Dumb’, een van de vele nummers waarop hij de draak lijkt te steken met zijn eigen liefdesverdriet:
‘Grant me the serenity to never say his name in a song/ that would be fucked up (fucked uuup).’
Campbell is duidelijk iemand die begrijpt dat komedie en tragedie van nature dicht bij elkaar liggen.
De intimiteit van de plaat is ook misschien het enige nadeel: het is allemaal zo ‘klein’, zo sober en teder, dat ondanks de beperkte speelduur mijn aandacht tegen het einde wat verslapt. Dat is het eigenlijk het enige dat me nog afhoudt van een 4,5*-waardering, zoals een paar mensen hierboven hebben gegeven.
Waarschijnlijk is dat een kwestie van tijd, want deze verslavende plaat weet me elke luisterbeurt volledig in te pakken. Warm aanbevolen, al is het zo’n overtuigd stuk queer songwriting dat ik niet weet of het kan aanslaan buiten de gebruikelijke progressieve clubjes. Maar dat hoeft ook niet altijd, gelukkig. Ondergetekende ouder wordende homo is in ieder geval behoorlijk in zijn nopjes met deze verzameling prachtige armen.
Liedjes! Verzameling prachtige liedjes, bedoelde ik natuurlijk.
José James - Blackmagic (2010)

5,0
0
geplaatst: 3 november 2010, 15:57 uur
Bevredigd worden is, hoewel een passieve activiteit, niet altijd makkelijk. De dubbelzinnigheid in de vorige zin is een bewuste keuze, want in de wereld van de liefde zijn er, net als in de wereld van de muziek, diverse keuzes te maken. Kiezen we voor jong of ervaren? Hip of tijdloos? Een geliefde waar je een intelligent gesprek mee kan hebben, of dierlijke passie?
En dan is er zo’n nummer als Warrior, dat een paar maanden lang in een lijst van nieuwe nummers stond op mijn computer. Shuffelend tussen de andere nieuwe liedjes die ik om een of andere reden wilde horen. Wat hippe rock, hiphop, soul, veel oppervlakkig spul, vaak ‘best leuk om naar te luisteren.’ Liedjes als gewillige minnaars of minnaressen, allemaal vragend om aandacht van de overbelaste muziekliefhebber.
En dan is er zo’n nummer als Warrior, waar op een bepaald moment je hele onderbewustzijn op reageert, zich ronkend en spinnend nestelt rondom de groove van het nummer, totdat ook je afgestompte, bewuste geest ineens pas op de plaats maakt, en de vertaalslag maakt naar een gedachte in woorden: wat een briljant nummer!
Het onderbewuste knikt goedkeurend omdat het logge lijf eindelijk iets heeft verwoord wat hij zelf allang wist.
Het album dus in zijn geheel beluisterd. Blackmagic. Erg glad album. Soul met vele vocale jazz-elementen, geschoeid volgens een leest die al meer dan een halve eeuw kwaliteitsmuziek heeft opgeleverd (en een hoop troep), maar dat niet blind is voor de ontwikkelingen binnen de elektronische muziek, hiphop en nu-soul van de laatste jaren. We horen weinig geforceerd geflirt met retro-thema’s op deze plaat. De dienstdoende zanger tast in plaats daarvan het hele spectrum van de soul, vocale jazz en hiphop af, subtiel een web spinnend om de luisteraar in te pakken, te verleiden. De luisteraar is zijn meisje van keuze, en moet en zal zijn wereld binnen worden gesleept. Echte baanbrekers als Warrior zijn verder zeldzaam op deze plaat. Rustig schakelt James heen en weer van rinkelende jazzpiano’s naar gladde blazers, van minimale beats naar hemelse zangharmonie, van noisy geluidjes naar soepel samenspel, van een intelligent gesprek naar hijgerige, oneerbare voorstellen.
Mijn oren zijn hulpeloos, moeten wel achterover gaan liggen in deze muziek als op een luxe tweepersoonsbed met satijnen dekens. Als mijn oren konden roken, zouden ze na deze plaat een sigaretje opsteken, kijkend naar de sterren en met een grote, verzadigde glimlach.
José James. Wat een verleider. Wat een meesterwerk.
En dan is er zo’n nummer als Warrior, dat een paar maanden lang in een lijst van nieuwe nummers stond op mijn computer. Shuffelend tussen de andere nieuwe liedjes die ik om een of andere reden wilde horen. Wat hippe rock, hiphop, soul, veel oppervlakkig spul, vaak ‘best leuk om naar te luisteren.’ Liedjes als gewillige minnaars of minnaressen, allemaal vragend om aandacht van de overbelaste muziekliefhebber.
En dan is er zo’n nummer als Warrior, waar op een bepaald moment je hele onderbewustzijn op reageert, zich ronkend en spinnend nestelt rondom de groove van het nummer, totdat ook je afgestompte, bewuste geest ineens pas op de plaats maakt, en de vertaalslag maakt naar een gedachte in woorden: wat een briljant nummer!
Het onderbewuste knikt goedkeurend omdat het logge lijf eindelijk iets heeft verwoord wat hij zelf allang wist.
Het album dus in zijn geheel beluisterd. Blackmagic. Erg glad album. Soul met vele vocale jazz-elementen, geschoeid volgens een leest die al meer dan een halve eeuw kwaliteitsmuziek heeft opgeleverd (en een hoop troep), maar dat niet blind is voor de ontwikkelingen binnen de elektronische muziek, hiphop en nu-soul van de laatste jaren. We horen weinig geforceerd geflirt met retro-thema’s op deze plaat. De dienstdoende zanger tast in plaats daarvan het hele spectrum van de soul, vocale jazz en hiphop af, subtiel een web spinnend om de luisteraar in te pakken, te verleiden. De luisteraar is zijn meisje van keuze, en moet en zal zijn wereld binnen worden gesleept. Echte baanbrekers als Warrior zijn verder zeldzaam op deze plaat. Rustig schakelt James heen en weer van rinkelende jazzpiano’s naar gladde blazers, van minimale beats naar hemelse zangharmonie, van noisy geluidjes naar soepel samenspel, van een intelligent gesprek naar hijgerige, oneerbare voorstellen.
Mijn oren zijn hulpeloos, moeten wel achterover gaan liggen in deze muziek als op een luxe tweepersoonsbed met satijnen dekens. Als mijn oren konden roken, zouden ze na deze plaat een sigaretje opsteken, kijkend naar de sterren en met een grote, verzadigde glimlach.
José James. Wat een verleider. Wat een meesterwerk.
