Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
A$AP Rocky - Long. Live. A$AP (2013)

4,0
0
geplaatst: 13 februari 2013, 22:17 uur
Het blijkt maar weer dat ik een beetje roestig ben geworden in het luisteren van hiphop. Toen enige tijd geleden de video voor single 'Goldie' op het forum van Musicmeter werd geplaatst, met enthousiaste geluiden van de hiphopfans van deze site, zag ik er niets anders in dan een stonede donkere man die een beetje stoer stond te oudehoeren voor de Eiffeltoren over een nogal stroperige beat.
Het was, op zichzelf, een accurate analyse, maar het verklaart niet waarom een paar weken geleden datzelfde nummer ineens praktisch op repeat stond bij mij thuis. Maar misschien moet je ook niet alles willen verklaren, zijn sommige dingen gewoon Retegaaf. En dat lijkt het ding zo'n beetje te zijn wat A$ap Rocky te pakken heeft op deze plaat: retegaafheid.
Hoewel het album modern klinkt (of het echt 'vernieuwend' is laat ik aan de experts over) hoeft dat geen criterium te zijn voor genoemde retegaafheid. De ensemblerap '1Train' is het beste nummer van het album maar de productie is bijna vintage. Samen met de voorgangers, het heerlijk vuilbekkende 'Fuckin' Problems' en 'Wild For The Night' een samenwerking met de door electronicapuristen vervloekte Skrillex die net zo goed retegaaf uitpakt (wat sommige bovenstaande commentaren ook zeggen), is dit een blok op het album van zulke beukende, banale goddelijkheid dat het eigenlijk elke analyse overstijgt.
Niet alles is hallelujah, wisselvalligheid speelt deze plaat soms een beetje parten, net als de beslissing om veel gelijksoortige nummers bij elkaar te zetten. Dat laatste pakt niet echt goed uit. Als je het mij vraagt (doet niemand, ga het toch vertellen) had je het beste zo weinig mogelijk kunnen kunnen afklokken na het hoogtepunt van de plaat. Ik tel de bonustracks even niet mee, en stel voor dat we na '1Train' alleen nog 'Phoenix' zetten als passend deprimerende afsluiter, 'Fashion Killa' naar het begin verplaatsen ter vervanging van het flauwe 'PMW' en 'Suddenly' als hoognodig rustpunt zetten tussen 'Wild For The Night' en '1Train'. Had A$ap die sequentie aangehouden, en ook het saaie 'Pain' laten vallen, dan had ik met gemak een half sterretje hoger gestemd en wellicht een woord als 'meesterwerk' van stal gehaald.
Maar goed, haters gonna hate enzo, En die tracks die ik minder vind worden door anderen weer verdedigd als hoogtepunten, deze site kennende. We kunnen er ten slotte ook nog even aan twijfelen of A$ap Rocky als mc op zichzelf interessant genoeg is om meerdere jaren boeiend te blijven. Eén retegave plaat heeft ie in ieder geval al op zak.
Moraal van het verhaal: geen.
Het was, op zichzelf, een accurate analyse, maar het verklaart niet waarom een paar weken geleden datzelfde nummer ineens praktisch op repeat stond bij mij thuis. Maar misschien moet je ook niet alles willen verklaren, zijn sommige dingen gewoon Retegaaf. En dat lijkt het ding zo'n beetje te zijn wat A$ap Rocky te pakken heeft op deze plaat: retegaafheid.
Hoewel het album modern klinkt (of het echt 'vernieuwend' is laat ik aan de experts over) hoeft dat geen criterium te zijn voor genoemde retegaafheid. De ensemblerap '1Train' is het beste nummer van het album maar de productie is bijna vintage. Samen met de voorgangers, het heerlijk vuilbekkende 'Fuckin' Problems' en 'Wild For The Night' een samenwerking met de door electronicapuristen vervloekte Skrillex die net zo goed retegaaf uitpakt (wat sommige bovenstaande commentaren ook zeggen), is dit een blok op het album van zulke beukende, banale goddelijkheid dat het eigenlijk elke analyse overstijgt.
Niet alles is hallelujah, wisselvalligheid speelt deze plaat soms een beetje parten, net als de beslissing om veel gelijksoortige nummers bij elkaar te zetten. Dat laatste pakt niet echt goed uit. Als je het mij vraagt (doet niemand, ga het toch vertellen) had je het beste zo weinig mogelijk kunnen kunnen afklokken na het hoogtepunt van de plaat. Ik tel de bonustracks even niet mee, en stel voor dat we na '1Train' alleen nog 'Phoenix' zetten als passend deprimerende afsluiter, 'Fashion Killa' naar het begin verplaatsen ter vervanging van het flauwe 'PMW' en 'Suddenly' als hoognodig rustpunt zetten tussen 'Wild For The Night' en '1Train'. Had A$ap die sequentie aangehouden, en ook het saaie 'Pain' laten vallen, dan had ik met gemak een half sterretje hoger gestemd en wellicht een woord als 'meesterwerk' van stal gehaald.
Maar goed, haters gonna hate enzo, En die tracks die ik minder vind worden door anderen weer verdedigd als hoogtepunten, deze site kennende. We kunnen er ten slotte ook nog even aan twijfelen of A$ap Rocky als mc op zichzelf interessant genoeg is om meerdere jaren boeiend te blijven. Eén retegave plaat heeft ie in ieder geval al op zak.
Moraal van het verhaal: geen.
Al Grey / Lee Morgan / Billy Mitchell / Charlie Pership / Paul West / Billy Root / Wynton Kelly - Dizzy Atmosphere (1957)

3,5
2
geplaatst: 2 maart 2021, 21:04 uur
Met: Grey (trombone); Morgan (trompet); Mitchell (tenorsax); Pership (drums) West (bas); Root (baritonsax); Kelly (piano)
Niet zoals het eerder op de site stond een soloplaat van Lee Morgan, maar een album dat wordt toegeschreven aan alle deelnemende muzikanten, allen afkomstig uit het orkest van Dizzy Gillespie (vandaar de naam). Ook Allmusic beweert overigens dat Morgan bandleider is, maar volgens mij toch echt ten onrechte. Al is het moeilijk controleren zonder originele LP, die in goede staat al snel € 150 doet op Discogs. Deze staat niet eens op Spotify, en dus moet ik me wenden tot een behoorlijk matige Youtube-upload.
Te oordelen daaraan, verder een behoorlijk puik plaatje. Gillespie is nooit ver weg inderdaad, maar zonder te veel van zijn big band-neigingen ontstaat er meer ruimte voor de solisten, die perfect op elkaar ingespeelde ensemblestukken afwisselen met knetterende solo's. Inderdaad steelt Morgan vaak wel de show, vandaar misschien dat de plaat geregeld aan hem wordt toegeschreven? Lekker energiek plaatje, mooi voor op de achtergrond maar met genoeg muzikaal vernuft om ook tijdens meer aandachtige luisterbeurten te kunnen boeien.
Niet zoals het eerder op de site stond een soloplaat van Lee Morgan, maar een album dat wordt toegeschreven aan alle deelnemende muzikanten, allen afkomstig uit het orkest van Dizzy Gillespie (vandaar de naam). Ook Allmusic beweert overigens dat Morgan bandleider is, maar volgens mij toch echt ten onrechte. Al is het moeilijk controleren zonder originele LP, die in goede staat al snel € 150 doet op Discogs. Deze staat niet eens op Spotify, en dus moet ik me wenden tot een behoorlijk matige Youtube-upload.
Te oordelen daaraan, verder een behoorlijk puik plaatje. Gillespie is nooit ver weg inderdaad, maar zonder te veel van zijn big band-neigingen ontstaat er meer ruimte voor de solisten, die perfect op elkaar ingespeelde ensemblestukken afwisselen met knetterende solo's. Inderdaad steelt Morgan vaak wel de show, vandaar misschien dat de plaat geregeld aan hem wordt toegeschreven? Lekker energiek plaatje, mooi voor op de achtergrond maar met genoeg muzikaal vernuft om ook tijdens meer aandachtige luisterbeurten te kunnen boeien.
Alice Coltrane - Ptah the el Daoud (1970)

3,5
3
geplaatst: 15 januari 2019, 14:36 uur
Ik heb stukken gelezen waarin vurig werd beweerd dat er meer aandacht zou moeten komen voor Alice Coltrane als solomuzikant. Net zo vurig beweren weer andere schrijvers dat geen mens haar gekend zou hebben als ze niet getrouwd was geweest met één van de grootste iconen van de jazz. Wat mezelf betreft, ik vind haar pianospel op de latere platen van echtgenoot John wel tof (al hoor ik persoonlijk iets liever Tyner), en toch is dit pas de eerste plaat van Alice Coltrane die ik vaak genoeg luister om er een beoordeling aan te geven.
Onbewust 'vrouw van'- vooroordeel aan mijn kant? Wie weet, al denk ik eerder dat ik gewoon van nature niet zo neig naar 'spirituele' sfeertjes (haar man is een beetje een uitzondering hierop), en als je deze plaat ziet, met die bizarre titel en spuuglelijke hoes, zou je eerder een soort Trash Metal uit de jaren tachtig verwachten dan een mooie jazzplaat. Niet echt uitnodigend.
Een mooie plaat is het in ieder geval juist wel. Ik vond de muziek op Ptah eigenlijk heel toegankelijk, harmonieus, en ook verrassend, nou ja, normaal, eigenlijk. Meditatief? ja hoor. Oosterse invloeden? Meer dan genoeg. Maar altijd vanuit een sterke groove, en met ruimte voor rijke melodieën. Goede side men ook. Ik heb persoonlijk Joe Henderson als tenorsaxofonist hoger zitten dan Pharoah Sanders, en dat wordt hier wel bevestigd, al maken beide blazers zich ondergeschikt aan de totale sfeer. De ritmesectie wordt goed aangevuld door meesterbassist Ron Carter en bopveteraan Ben Riley. Toppersoneel.
Niet te vergeten mevrouw Coltrane zelf, die met veel beheersing en gevoel speelt. Op de tweede track (eigenlijk wel mijn favoriet) laat ze haar linkerhand de dienst uitmaken op een manier die bijna aandoet als Oscar Peterson of, ironisch genoeg, McCoy Tyner. Op track 3 verruilt ze de piano voor de harp, wat in ieder geval weer eens wat anders is, en eigenlijk best goed werkt.
De reden dat ik niet hoger kom dan 3,5* is alleen dat het me allemaal toch te weinig écht grijpt. In de weken dat deze plaat meedraait in mijn rotatie heb ik hem nooit met tegenzin opgezet, en me nooit geërgerd aan de muziek op de achtergrond, maar de klik die sommigen hierbij voelen, die beleving die je moet hebben om een plaat echt als favoriet te bestempelen, die ervaar ik nog niet.
Ik zie nergens aanleiding om nooit meer een plaat van Alice Coltrane te proberen, of om haar af te schrijven als iemand die zonder haar echtgenoot niets had bereikt. Ik denk echter niet dat het sfeertje dat wordt neergezet op Ptah, The El Daoud echt de mijne is. Wellicht dat de liefhebbers me een plaat kunnen aanraden die beter in mijn straatje past?
Onbewust 'vrouw van'- vooroordeel aan mijn kant? Wie weet, al denk ik eerder dat ik gewoon van nature niet zo neig naar 'spirituele' sfeertjes (haar man is een beetje een uitzondering hierop), en als je deze plaat ziet, met die bizarre titel en spuuglelijke hoes, zou je eerder een soort Trash Metal uit de jaren tachtig verwachten dan een mooie jazzplaat. Niet echt uitnodigend.
Een mooie plaat is het in ieder geval juist wel. Ik vond de muziek op Ptah eigenlijk heel toegankelijk, harmonieus, en ook verrassend, nou ja, normaal, eigenlijk. Meditatief? ja hoor. Oosterse invloeden? Meer dan genoeg. Maar altijd vanuit een sterke groove, en met ruimte voor rijke melodieën. Goede side men ook. Ik heb persoonlijk Joe Henderson als tenorsaxofonist hoger zitten dan Pharoah Sanders, en dat wordt hier wel bevestigd, al maken beide blazers zich ondergeschikt aan de totale sfeer. De ritmesectie wordt goed aangevuld door meesterbassist Ron Carter en bopveteraan Ben Riley. Toppersoneel.
Niet te vergeten mevrouw Coltrane zelf, die met veel beheersing en gevoel speelt. Op de tweede track (eigenlijk wel mijn favoriet) laat ze haar linkerhand de dienst uitmaken op een manier die bijna aandoet als Oscar Peterson of, ironisch genoeg, McCoy Tyner. Op track 3 verruilt ze de piano voor de harp, wat in ieder geval weer eens wat anders is, en eigenlijk best goed werkt.
De reden dat ik niet hoger kom dan 3,5* is alleen dat het me allemaal toch te weinig écht grijpt. In de weken dat deze plaat meedraait in mijn rotatie heb ik hem nooit met tegenzin opgezet, en me nooit geërgerd aan de muziek op de achtergrond, maar de klik die sommigen hierbij voelen, die beleving die je moet hebben om een plaat echt als favoriet te bestempelen, die ervaar ik nog niet.
Ik zie nergens aanleiding om nooit meer een plaat van Alice Coltrane te proberen, of om haar af te schrijven als iemand die zonder haar echtgenoot niets had bereikt. Ik denk echter niet dat het sfeertje dat wordt neergezet op Ptah, The El Daoud echt de mijne is. Wellicht dat de liefhebbers me een plaat kunnen aanraden die beter in mijn straatje past?
alt-J (∆) - An Awesome Wave (2012)

3,0
0
geplaatst: 24 februari 2013, 16:59 uur
Laten we de recensie maar meteen aftrappen met gezeur: wat een vre-se-lij-ke albumtitel, zeg. 'An Awesome Wave'. Je kunt je plaat wel net zo goed meteen 'The Great Love' noemen, of zoiets. Misschien mis ik hier een diepere betekenis of verwijzing, maar ik vind dat woorden, als ze in een creatieve context worden gebruikt, best wel iets mogen betekenen.
Soit, we laten dit punt rusten en gaan verder met een bekentenis: dit is een bespreking door iemand die deze plaat waarschijnlijk nooit meer dan één keer zou hebben beluisterd, ware hij niet met zulke overmacht de nummer 1 geworden over 2012 volgens de Nederlandse pers en Musicmeter. Niet eens dat het per se mijn soort muziek niet is, maar tussen alle platen die in de aandacht komen moet men een selectie maken, en als men bij de eerste keer luisteren denkt: klinkt niet zo interessant, is er meestal niet zo veel tijd of reden voor men om daarop terug te komen. Toch kan de populariteit van een plaat dan reden zijn om toch voor een tweede kans te gaan, bij deze dus. Ik zal mijn uiterste best doen deze recensie te vrijwaren van dat onuitstaanbare 'deze plaat is niks en jullie zijn allemaal hypegevoelige meelopers'-ondertoontje dat dit soort recensies vaak kenmerkt.
Verder kan ik helaas niet zo veel betekenen voor de liefhebbers, want dat ik nou echt ondersteboven geblazen ben door deze plaat, nou nee. De argumenten die ik meestal hoor om de populariteit van dit debuut te verklaren zijn dat de liedjes zo mooi zouden zijn, en dat de plaat zo fris en avontuurlijk zou zijn.
Wat de liedjes betreft hoor ik het in ieder geval niet echt. Goed, ik steek mijn duimen omhoog voor de fraaie afsluiter 'Taro' en 'Breezeblocks' krijgt ook een half puntje, maar verder? Ik heb wellicht een wat achterhaald beeld bij het fenomeen 'liedje', in zoverre dat ik me bij een 'goed liedje' iets voorstel dat ook in zijn meest kale versie, gespeeld door een zanger alleen met een akoestische gitaar, overeind blijft staan. Ik hoor persoonlijk niets in liedjes als 'Tessellate' of 'Matilda' dat volgens dat criterium beter dan pover zou scoren, tenzij de songschrijver misschien vocaal enorm sterk zou zijn.
Dan komen we tussendoor nog even langs een ander probleempje, die wat schelle, vlakke stem van de zanger, die me na drie nummers altijd al flink gaat tegenstaan. Maar dit is het meest subjectieve argument dat er bestaat. Ik heb een theorie dat de waardering van een bandje ten eerste samenhangt met de positieve klik die de luisteraar maakt met het geluid van de vocalen. In dit geval dus slecht nieuws voor mijn relatie met deze plaat.
Dan nog even over het 'avontuurlijke' van deze cd. Dit is sowieso een criterium waar ik wel wat moeite mee heb. Tegenwoordig lijkt iedereen die wat genre-elementen door elkaar husselt en wat rare geluidjes door de achtergrond mixt in aanmerking te komen voor het predikaat 'grensverleggend', maar hoeveel muzikanten zijn dat nou echt?
In het geval van Alt-J kunnen we vaststellen dat ze, voor een jonge band, al redelijk een eigen geluid hebben, dat niet heel erg klinkt als een kopie van iets anders. Dat is prima, en knap, en daarvoor verdienen ze enige waardering en aandacht. Toch zie ik niet hoe deze muziek qua 'avontuurlijkheid' iets zou toevoegen aan wat een - op bepaalde punten - vergelijkbare act als TV On The Radio al zes jaar geleden deed.
Wel staat de plaat vol van de gekke mixdingetjes, rare bokkensprongen, wazige gitaargeluidjes, en dat soort dingen. Op bepaalde momenten vind ik het eerder afleiden van de liedjes dan iets toevoegen, en soms lijkt het ook de gebreken van de liedjes te camoufleren.
Toch zit hier ergens de belangrijkste kwaliteit van de plaat. Elk nummer heeft wel één moment dat alles muzikaal even in elkaar valt. 'Fitzpleasure' bijvoorbeeld, kan me als liedje gestolen worden, maar die moes van zware ritmesectie, synthesizers en gitaren waar het refrein op drijft is wel echt enorm lekker gedaan.
Het is voldoende om de aandacht voor deze band in ieder geval begrijpelijk te maken voor mij, al is het plezier dat ik eraan beleef samen te vatten als: drie sterren.
Soit, we laten dit punt rusten en gaan verder met een bekentenis: dit is een bespreking door iemand die deze plaat waarschijnlijk nooit meer dan één keer zou hebben beluisterd, ware hij niet met zulke overmacht de nummer 1 geworden over 2012 volgens de Nederlandse pers en Musicmeter. Niet eens dat het per se mijn soort muziek niet is, maar tussen alle platen die in de aandacht komen moet men een selectie maken, en als men bij de eerste keer luisteren denkt: klinkt niet zo interessant, is er meestal niet zo veel tijd of reden voor men om daarop terug te komen. Toch kan de populariteit van een plaat dan reden zijn om toch voor een tweede kans te gaan, bij deze dus. Ik zal mijn uiterste best doen deze recensie te vrijwaren van dat onuitstaanbare 'deze plaat is niks en jullie zijn allemaal hypegevoelige meelopers'-ondertoontje dat dit soort recensies vaak kenmerkt.
Verder kan ik helaas niet zo veel betekenen voor de liefhebbers, want dat ik nou echt ondersteboven geblazen ben door deze plaat, nou nee. De argumenten die ik meestal hoor om de populariteit van dit debuut te verklaren zijn dat de liedjes zo mooi zouden zijn, en dat de plaat zo fris en avontuurlijk zou zijn.
Wat de liedjes betreft hoor ik het in ieder geval niet echt. Goed, ik steek mijn duimen omhoog voor de fraaie afsluiter 'Taro' en 'Breezeblocks' krijgt ook een half puntje, maar verder? Ik heb wellicht een wat achterhaald beeld bij het fenomeen 'liedje', in zoverre dat ik me bij een 'goed liedje' iets voorstel dat ook in zijn meest kale versie, gespeeld door een zanger alleen met een akoestische gitaar, overeind blijft staan. Ik hoor persoonlijk niets in liedjes als 'Tessellate' of 'Matilda' dat volgens dat criterium beter dan pover zou scoren, tenzij de songschrijver misschien vocaal enorm sterk zou zijn.
Dan komen we tussendoor nog even langs een ander probleempje, die wat schelle, vlakke stem van de zanger, die me na drie nummers altijd al flink gaat tegenstaan. Maar dit is het meest subjectieve argument dat er bestaat. Ik heb een theorie dat de waardering van een bandje ten eerste samenhangt met de positieve klik die de luisteraar maakt met het geluid van de vocalen. In dit geval dus slecht nieuws voor mijn relatie met deze plaat.
Dan nog even over het 'avontuurlijke' van deze cd. Dit is sowieso een criterium waar ik wel wat moeite mee heb. Tegenwoordig lijkt iedereen die wat genre-elementen door elkaar husselt en wat rare geluidjes door de achtergrond mixt in aanmerking te komen voor het predikaat 'grensverleggend', maar hoeveel muzikanten zijn dat nou echt?
In het geval van Alt-J kunnen we vaststellen dat ze, voor een jonge band, al redelijk een eigen geluid hebben, dat niet heel erg klinkt als een kopie van iets anders. Dat is prima, en knap, en daarvoor verdienen ze enige waardering en aandacht. Toch zie ik niet hoe deze muziek qua 'avontuurlijkheid' iets zou toevoegen aan wat een - op bepaalde punten - vergelijkbare act als TV On The Radio al zes jaar geleden deed.
Wel staat de plaat vol van de gekke mixdingetjes, rare bokkensprongen, wazige gitaargeluidjes, en dat soort dingen. Op bepaalde momenten vind ik het eerder afleiden van de liedjes dan iets toevoegen, en soms lijkt het ook de gebreken van de liedjes te camoufleren.
Toch zit hier ergens de belangrijkste kwaliteit van de plaat. Elk nummer heeft wel één moment dat alles muzikaal even in elkaar valt. 'Fitzpleasure' bijvoorbeeld, kan me als liedje gestolen worden, maar die moes van zware ritmesectie, synthesizers en gitaren waar het refrein op drijft is wel echt enorm lekker gedaan.
Het is voldoende om de aandacht voor deze band in ieder geval begrijpelijk te maken voor mij, al is het plezier dat ik eraan beleef samen te vatten als: drie sterren.
Arcade Fire - Everything Now (2017)

3,0
11
geplaatst: 1 augustus 2017, 11:42 uur
Arcade Fire is, arguably, 's werelds grootste alternatieve rockband zonder een echte hit. In de tussentijd hebben ze, over vier elpees, wel zo'n beetje een hele levenscyclus doorlopen, van jeugdige Sturm und Drang op Funeral ('When daddy comes home/ we always start a fight/ so the neighbors can dance/ to the police lights') tot een midlife crisis- achtige delusie op Reflektor ('We fell in love/ when I was nineteen/ and now we're staring at a screen'). Intussen is Win Butler pas 37, en is het misschien inderdaad tijd om werkelijk aansluiting te zoeken bij een mainstream-publiek.
Ik zou mezelf niet omschrijven als een groot Arcade Fire-fan, toch heb ik al hun albums redelijk grondig beluisterd. Hun veelgeprezen optreden op Best Kept Secret heb ik grotendeels gemist omdat ik op dat moment nog aan het grooven was op/ afkoelen was van het weergaloze optreden van Thurston Moore (no regrets, overigens).
Ik merk dat ik op elke AF-plaat dingen heb gevonden om van te houden, maar ook tegen steeds dezelfde irritaties aanloop, bijvoorbeeld een nogal pompeuze nadruk op diepzinnigheid die ze niet altijd kunnen waarmaken. Het maken van een pure popplaat zou die laatste irritatie kunnen wegnemen, maar... niet echt. Als ik Butler hoor kwelen over jongens en meisjes die zeggen: 'God/ make me famous/ or if you can't/ just make it painless', heb ik nog steeds de neiging om een beetje met mijn ogen te rollen.
Maar die track ('Creature Comfort') is nog altijd wel een goed liedje, en dat is ook altijd de verlossende kwaliteit geweest van Arcade Fire: ze kunnen soms verdomd mooie liedjes schrijven. Verder heb ik altijd de aangename tegendraadsheid van hun werk plezierig gevonden. Denk de maniakale gitaarsalvo's van 'Power Out', of de gorgelende kerkorgels op 'Intervention'.
De wat gladde productie op Everything Now weet dat laatste op een haar na te vernietigen. We moeten het doen met wat gerag op 'Infinite Content' (waardeloos nummer verder), en wat meer subtiele accenten in de andere nummers. Nu is het zeker mogelijk dat bij herhaalde beluistering het geluidsbeeld van deze plaat rijker is dan het lijkt, terwijl de songs meer in mijn systeem komen en kleine details gaan opvallen. Maar, en dit is wellicht een vooroordeel: Arcade Fire is nooit echt een band geweest die ik associeerde met 'subtiliteit.'
Het grootste probleem van deze laatste worp is echter, en ik weet dat ik niet de eerste ben die hiermee komt, dat een aantal songs echt van bedenkelijk niveau zijn. Met name het middenstuk van de plaat klinkt als een verzameling lauwe B-kantjes. Dit is een euvel waar Reflektor al onder leed, en in mindere maten de voorgaande platen ook, en in wezen is het hier minder irritant, omdat 'Everything Now' korter is, puntiger.
Maar de productie temt ook het heilige vuur waar de band eerder in hun loopbaan minder geslaagde tracks mee camoufleerde ('Normal Person' van hun vorige plaat is een voorbeeld wat in me opkomt van de gave van de band om een betrekkelijke drol op te poetsen tot een betrekkelijke crowdpleaser).
Al met al blijft de indruk hangen van een band die beter wat selectiever had kunnen zijn, of een paar maanden extra had kunnen besteden aan het schrijven van de songs. Met halfbakken tracks als 'Peter Pan' maakt Arcade Fire het wel erg makkelijk voor zijn criticasters.
Zonde, want in bijvoorbeeld het titelnummer (dat zich bij elke herbeluistering meer openbaart als een bona fide anthem) of het aandoenlijke We Don't Deserve Love hoor je de potentie voor wat, met wat extra zorg en aandacht, één van de meest weergaloze popplaten van het decennium had kunnen worden. Voor nu kan ik niet meer zeggen dan dat ik het zonder tegenzin vijf keer heb uitgeluisterd, en een paar keer echt opveerde uit mijn stoel. We mogen meer verwachten van Arcade Fire, denk ik, ook als 'niet echt superfan.'
Ik zou mezelf niet omschrijven als een groot Arcade Fire-fan, toch heb ik al hun albums redelijk grondig beluisterd. Hun veelgeprezen optreden op Best Kept Secret heb ik grotendeels gemist omdat ik op dat moment nog aan het grooven was op/ afkoelen was van het weergaloze optreden van Thurston Moore (no regrets, overigens).
Ik merk dat ik op elke AF-plaat dingen heb gevonden om van te houden, maar ook tegen steeds dezelfde irritaties aanloop, bijvoorbeeld een nogal pompeuze nadruk op diepzinnigheid die ze niet altijd kunnen waarmaken. Het maken van een pure popplaat zou die laatste irritatie kunnen wegnemen, maar... niet echt. Als ik Butler hoor kwelen over jongens en meisjes die zeggen: 'God/ make me famous/ or if you can't/ just make it painless', heb ik nog steeds de neiging om een beetje met mijn ogen te rollen.
Maar die track ('Creature Comfort') is nog altijd wel een goed liedje, en dat is ook altijd de verlossende kwaliteit geweest van Arcade Fire: ze kunnen soms verdomd mooie liedjes schrijven. Verder heb ik altijd de aangename tegendraadsheid van hun werk plezierig gevonden. Denk de maniakale gitaarsalvo's van 'Power Out', of de gorgelende kerkorgels op 'Intervention'.
De wat gladde productie op Everything Now weet dat laatste op een haar na te vernietigen. We moeten het doen met wat gerag op 'Infinite Content' (waardeloos nummer verder), en wat meer subtiele accenten in de andere nummers. Nu is het zeker mogelijk dat bij herhaalde beluistering het geluidsbeeld van deze plaat rijker is dan het lijkt, terwijl de songs meer in mijn systeem komen en kleine details gaan opvallen. Maar, en dit is wellicht een vooroordeel: Arcade Fire is nooit echt een band geweest die ik associeerde met 'subtiliteit.'
Het grootste probleem van deze laatste worp is echter, en ik weet dat ik niet de eerste ben die hiermee komt, dat een aantal songs echt van bedenkelijk niveau zijn. Met name het middenstuk van de plaat klinkt als een verzameling lauwe B-kantjes. Dit is een euvel waar Reflektor al onder leed, en in mindere maten de voorgaande platen ook, en in wezen is het hier minder irritant, omdat 'Everything Now' korter is, puntiger.
Maar de productie temt ook het heilige vuur waar de band eerder in hun loopbaan minder geslaagde tracks mee camoufleerde ('Normal Person' van hun vorige plaat is een voorbeeld wat in me opkomt van de gave van de band om een betrekkelijke drol op te poetsen tot een betrekkelijke crowdpleaser).
Al met al blijft de indruk hangen van een band die beter wat selectiever had kunnen zijn, of een paar maanden extra had kunnen besteden aan het schrijven van de songs. Met halfbakken tracks als 'Peter Pan' maakt Arcade Fire het wel erg makkelijk voor zijn criticasters.
Zonde, want in bijvoorbeeld het titelnummer (dat zich bij elke herbeluistering meer openbaart als een bona fide anthem) of het aandoenlijke We Don't Deserve Love hoor je de potentie voor wat, met wat extra zorg en aandacht, één van de meest weergaloze popplaten van het decennium had kunnen worden. Voor nu kan ik niet meer zeggen dan dat ik het zonder tegenzin vijf keer heb uitgeluisterd, en een paar keer echt opveerde uit mijn stoel. We mogen meer verwachten van Arcade Fire, denk ik, ook als 'niet echt superfan.'
Arcade Fire - The Suburbs (2010)

4,5
0
geplaatst: 22 februari 2011, 18:58 uur
Nu lijk ik misschien een grote meeloper, Arcade Fire ontdekken juist nadat ze een Grammy hebben gewonnen. Je weet nooit wat mensen gaan denken. Daarom, voor de goede orde, mijn ervaringen met de band tot een paar weken geleden: ik heb een keer of tien geprobeerd Funeral uit te zitten, en van Neon Bible heeft één nummer (Keep The Car Running) een tijdje op mijn mp3-speler rondgezworven. Ik heb sommige van hun nummers wel leren waarderen, maar op een of andere manier pakte hun muziek mij nooit echt bij de lurven. Als je het zou willen rationaliseren, zou je kunnen zeggen dat ik het te wollig en bombastisch vond, en dat ze die pseudo-zwaarmoedige underground cool naar mijn smaak te ver doordreven.
Van stijl zijn ze niet echt veranderd, zover ik kan nagaan, dus waarom dan mijn hoge cijfer voor deze cd? Geen idee, die dingen gebeuren vanzelf, neem ik aan. Een aanleiding voor mijn bekering valt wel aan te wijzen, omdat ik meespeelde met de Song van het Jaar 2010-competitie op deze site, waar een aantal nummers van deze plaat langskwamen. Zo ontdekte ik het titelnummer van The Suburbs, en na een paar keer luisteren begon ik te beseffen dat ik voor het eerst een Arcade Fire-nummer had gevonden dat ik niet alleen 'wel leuk´ vond, maar ronduit fantastisch.
De plaat staat hier inmiddels al een paar weken overuren te maken, en wordt in toenemende mate een van mijn favoriete platen van de laatste tijd. Hoewel dit thematisch waarschijnlijk een soort conceptalbum is, is juist de afwisseling tussen de songs wat ik het meest indrukwekkend vind. Eigenlijk onderscheidt iedere track zich van de rest van het album, ieder liedje is voedzaam, intrigerend, een wereldje op zich.
Referenties die in me opkwamen waren Neil Young en Abba. Van die eerste leent Arcade Fire de tegendraadse passie en de enigmatische, bedachtzame teksten, van Abba het gelikte gevoel voor melodie en productie. Ik dacht dat deze observatie ontzettend goed gevonden was van mezelf, maar toen ik een paar dagen geleden de recensies bij deze plaat doorbladerde bleek Aerodynamic dezelfde namen al te namedroppen in zijn bespreking.
Tsja, je hebt altijd mensen die er eerder bij zijn. Zelf ben ik voor dit moment tevreden met mijn late ontdekking van een band die vele anderen alweer hebben uitgekotst. Van mij had The Suburbs tien minuten korter mogen duren (geen enkele track is filler, maar sommige zijn wel aan de lange kant), en Win Butler zal bij mij nooit een lijstje halen van favoriete zangers, maar verder: weergaloze plaat.
Eens kijken of mijn waardering zo hoog blijft, en dan binnenkort op mijn gemak de rest van hun oeuvre eens doornemen, kijken of ik iets heb gemist.
Van stijl zijn ze niet echt veranderd, zover ik kan nagaan, dus waarom dan mijn hoge cijfer voor deze cd? Geen idee, die dingen gebeuren vanzelf, neem ik aan. Een aanleiding voor mijn bekering valt wel aan te wijzen, omdat ik meespeelde met de Song van het Jaar 2010-competitie op deze site, waar een aantal nummers van deze plaat langskwamen. Zo ontdekte ik het titelnummer van The Suburbs, en na een paar keer luisteren begon ik te beseffen dat ik voor het eerst een Arcade Fire-nummer had gevonden dat ik niet alleen 'wel leuk´ vond, maar ronduit fantastisch.
De plaat staat hier inmiddels al een paar weken overuren te maken, en wordt in toenemende mate een van mijn favoriete platen van de laatste tijd. Hoewel dit thematisch waarschijnlijk een soort conceptalbum is, is juist de afwisseling tussen de songs wat ik het meest indrukwekkend vind. Eigenlijk onderscheidt iedere track zich van de rest van het album, ieder liedje is voedzaam, intrigerend, een wereldje op zich.
Referenties die in me opkwamen waren Neil Young en Abba. Van die eerste leent Arcade Fire de tegendraadse passie en de enigmatische, bedachtzame teksten, van Abba het gelikte gevoel voor melodie en productie. Ik dacht dat deze observatie ontzettend goed gevonden was van mezelf, maar toen ik een paar dagen geleden de recensies bij deze plaat doorbladerde bleek Aerodynamic dezelfde namen al te namedroppen in zijn bespreking.
Tsja, je hebt altijd mensen die er eerder bij zijn. Zelf ben ik voor dit moment tevreden met mijn late ontdekking van een band die vele anderen alweer hebben uitgekotst. Van mij had The Suburbs tien minuten korter mogen duren (geen enkele track is filler, maar sommige zijn wel aan de lange kant), en Win Butler zal bij mij nooit een lijstje halen van favoriete zangers, maar verder: weergaloze plaat.
Eens kijken of mijn waardering zo hoog blijft, en dan binnenkort op mijn gemak de rest van hun oeuvre eens doornemen, kijken of ik iets heb gemist.
Archie Shepp - Fire Music (1965)

4,0
0
geplaatst: 18 maart 2010, 14:16 uur
Normaal gesproken als ik nieuwe platen luister komt er een moment, na vijf á tien luisterbeurten, waarop ik het idee heb grip op de muziek te hebben gekregen. Meestal volgt er dan een beslissing: óf ik ben fan en verslaafd en ik ga dit de komende tijd nog veel vaker luisteren, óf een album verdwijnt in de platenkast/op een usb-stick totdat ik -edelmoedig als ik ben- besluit de muziek een herkansing te geven.
Fire Music lijkt hierop een uitzondering te gaan worden: ik heb de cd al ergens in de herfst aangeschaft, en ik luister het elke week nog wel. Maar om nou te zeggen dat ik echt wordt meegesleept en geraakt als ik luister naar de freejazz-streken van Archie Shepp? Mwah.
Ik heb dus nog steeds, na maanden van oplettend luisteren, totaal geen grip op deze muziek: dit ergert en boeit me mateloos. Alleen al daarvoor krijgt deze plaat 3,5 sterren. Hoger wil me voorlopig niet lukken, hoewel ik niet echt kan aanwijzen waarom niet. Er wordt op zich prima gemusiceerd op Fire Music, vooral het drumwerk van Joe Chambers vind ik uitstekend. Maar ergens heb ik gewoon geen toegang tot deze muziek. Het is alsof je Buckingham Palace bezoekt: ik kan wel van buitenaf kijken hoe mooi het gemaakt is, maar ik kan moeilijk naar binnen stappen, op een bank neerploffen en me thuis voelen.
Dit wordt misschien één van die stukken die ik over een paar jaar nalees en dat ik dan denk: ‘Puh, wat was ik arrogant toen, als mannetje met misschien veertig jazz-cd’s, om te denken dat ik een oordeel kon vormen over Shepps meesterwerk.’
Nou ja, als je geen fouten durft te maken, dan kun je net zo goed geen mening vormen. Ofzo.
Dank is verschuldigd aan Heemskerktollie, voor de tip.
Fire Music lijkt hierop een uitzondering te gaan worden: ik heb de cd al ergens in de herfst aangeschaft, en ik luister het elke week nog wel. Maar om nou te zeggen dat ik echt wordt meegesleept en geraakt als ik luister naar de freejazz-streken van Archie Shepp? Mwah.
Ik heb dus nog steeds, na maanden van oplettend luisteren, totaal geen grip op deze muziek: dit ergert en boeit me mateloos. Alleen al daarvoor krijgt deze plaat 3,5 sterren. Hoger wil me voorlopig niet lukken, hoewel ik niet echt kan aanwijzen waarom niet. Er wordt op zich prima gemusiceerd op Fire Music, vooral het drumwerk van Joe Chambers vind ik uitstekend. Maar ergens heb ik gewoon geen toegang tot deze muziek. Het is alsof je Buckingham Palace bezoekt: ik kan wel van buitenaf kijken hoe mooi het gemaakt is, maar ik kan moeilijk naar binnen stappen, op een bank neerploffen en me thuis voelen.
Dit wordt misschien één van die stukken die ik over een paar jaar nalees en dat ik dan denk: ‘Puh, wat was ik arrogant toen, als mannetje met misschien veertig jazz-cd’s, om te denken dat ik een oordeel kon vormen over Shepps meesterwerk.’
Nou ja, als je geen fouten durft te maken, dan kun je net zo goed geen mening vormen. Ofzo.
Dank is verschuldigd aan Heemskerktollie, voor de tip.
Arctic Monkeys - AM (2013)

3,5
0
geplaatst: 24 september 2013, 21:05 uur
Oké, ja, mmm, oké.
Ik moest lang twijfelen over deze. De eerste paar keer leek Alex Turner wel erg ver weggedwaald naar dat klonterige neoromantische nepuniversum van de Richard Hawleys van deze wereld. Daar krijg ik een beetje jeuk van.
Dat probleem speelde ook al wel een beetje op hun vorige plaat, en AM gaat ook grotendeels verder op het pad waar die ophield (van een terugkeer naar hun 'oude werk' is duidelijk geen sprake, tot teleurstelling van ongetwijfeld velen). Waar 'Suck It And See' aanvoelde als incoherente maar fascinerende opiumdroom -tegelijkertijd de grote kracht en zwakte van die plaat- is deze nieuwe plaat coherenter, meer uitgedacht. Dus kun je wellicht toch zeggen dat de apen wat van de focus hebben teruggevonden die ze na hun tweede plaat een beetje waren kwijtgeraakt.
Niet dat deze plaat vrij is van rare bokkensprongen, of kleine details die de liedjes kruiden. Het zijn juist dat soort momenten (de solo in 'Arabella', het stukje r & b in 'Knee Socks') die het meest de aandacht trekken op de plaat. Maar meer dan ooit staan het liedje hier centraal, melodieën en refreinen vóór branie.
De meeste van die liedjes overtuigen uiteindelijk wel. Qua songwriting blijft dit een band die in het oog springt. Als tekstschrijver houdt Turner het redelijk recht door zee, maar een simpele regel als 'I've dreamt about you nearly every night this week' doet een gevoel voor klank en woordkeuze vermoeden waaraan dichters van tweemaal zijn leeftijd nog een puntje kunnen zuigen.
Wat aan AM echter vooral opvalt, is de precisie waarmee de liedjes in elkaar zitten. Overwegend wat bedeesde, simpele couplet/refrein liedjes, die bij de eerste beluistering een beetje van me afgeleden, maar uiteindelijk toch steeds weer opnieuw op de gekste momenten in mijn hoofd opkwamen. Knap werk op zich.
Wat alles hierboven betreft dus geen klachten. Blijft over: de discussie over urgentie. Ik ben het eens met een paar eerdere berichten hier dat urgentie belangrijk is, en ook dat het een probleem is voor deze plaat. Ik sluit me echter niet aan bij dat gelul (sorry) over zeitgeist of politieke betrokkenheid. Interesseert me niet, het is juist liefdesverdriet en seksuele frustratie die vaak de meest urgente platen veroorzaken. Nu is Alex Turner nog steeds gek op meisjes, daar niet van: de onbereikbare femme fatales, de liefjes voor één nacht, en alles daar tussenin, allemaal paraderen ze weer gracieus voorbij op deze plaat.
Het geflirt van Turner met mooie meisjes en lange avonden is onderhoudend, maar over het algemeen lijkt de band iets te comfortabel met zichzelf, met hun hipster-romantiek en fucking arpeggio gitaartjes, om echt bij de strot te grijpen. Is dit een urgente plaat, een plaat die gemaakt werd uit noodzaak? Waar de Monkeys in hun begindagen twee meesterwerken maakten zonder het echt zelf te beseffen, en hun eigen hype met een wantrouwende blik aankeken, lijken ze nu bijna naar de andere kant te zijn doorgeschoten. Professionals zijn het geworden, die slimme, effectieve popliedjes maken. Liedjes die boeien, die in mijn hoofd blijven plakken, maar me nog niet echt hebben doen ontvlammen in wild enthousiasme. Een geslaagde plaat dus, geen grootse.
Ik moest lang twijfelen over deze. De eerste paar keer leek Alex Turner wel erg ver weggedwaald naar dat klonterige neoromantische nepuniversum van de Richard Hawleys van deze wereld. Daar krijg ik een beetje jeuk van.
Dat probleem speelde ook al wel een beetje op hun vorige plaat, en AM gaat ook grotendeels verder op het pad waar die ophield (van een terugkeer naar hun 'oude werk' is duidelijk geen sprake, tot teleurstelling van ongetwijfeld velen). Waar 'Suck It And See' aanvoelde als incoherente maar fascinerende opiumdroom -tegelijkertijd de grote kracht en zwakte van die plaat- is deze nieuwe plaat coherenter, meer uitgedacht. Dus kun je wellicht toch zeggen dat de apen wat van de focus hebben teruggevonden die ze na hun tweede plaat een beetje waren kwijtgeraakt.
Niet dat deze plaat vrij is van rare bokkensprongen, of kleine details die de liedjes kruiden. Het zijn juist dat soort momenten (de solo in 'Arabella', het stukje r & b in 'Knee Socks') die het meest de aandacht trekken op de plaat. Maar meer dan ooit staan het liedje hier centraal, melodieën en refreinen vóór branie.
De meeste van die liedjes overtuigen uiteindelijk wel. Qua songwriting blijft dit een band die in het oog springt. Als tekstschrijver houdt Turner het redelijk recht door zee, maar een simpele regel als 'I've dreamt about you nearly every night this week' doet een gevoel voor klank en woordkeuze vermoeden waaraan dichters van tweemaal zijn leeftijd nog een puntje kunnen zuigen.
Wat aan AM echter vooral opvalt, is de precisie waarmee de liedjes in elkaar zitten. Overwegend wat bedeesde, simpele couplet/refrein liedjes, die bij de eerste beluistering een beetje van me afgeleden, maar uiteindelijk toch steeds weer opnieuw op de gekste momenten in mijn hoofd opkwamen. Knap werk op zich.
Wat alles hierboven betreft dus geen klachten. Blijft over: de discussie over urgentie. Ik ben het eens met een paar eerdere berichten hier dat urgentie belangrijk is, en ook dat het een probleem is voor deze plaat. Ik sluit me echter niet aan bij dat gelul (sorry) over zeitgeist of politieke betrokkenheid. Interesseert me niet, het is juist liefdesverdriet en seksuele frustratie die vaak de meest urgente platen veroorzaken. Nu is Alex Turner nog steeds gek op meisjes, daar niet van: de onbereikbare femme fatales, de liefjes voor één nacht, en alles daar tussenin, allemaal paraderen ze weer gracieus voorbij op deze plaat.
Het geflirt van Turner met mooie meisjes en lange avonden is onderhoudend, maar over het algemeen lijkt de band iets te comfortabel met zichzelf, met hun hipster-romantiek en fucking arpeggio gitaartjes, om echt bij de strot te grijpen. Is dit een urgente plaat, een plaat die gemaakt werd uit noodzaak? Waar de Monkeys in hun begindagen twee meesterwerken maakten zonder het echt zelf te beseffen, en hun eigen hype met een wantrouwende blik aankeken, lijken ze nu bijna naar de andere kant te zijn doorgeschoten. Professionals zijn het geworden, die slimme, effectieve popliedjes maken. Liedjes die boeien, die in mijn hoofd blijven plakken, maar me nog niet echt hebben doen ontvlammen in wild enthousiasme. Een geslaagde plaat dus, geen grootse.
Arctic Monkeys - Humbug (2009)

4,0
0
geplaatst: 9 september 2009, 11:38 uur
Ok, even weer over Humbug mensen. De cd is namelijk gisterenmiddag in de brievenbus gedaan, en maakt op dit moment zijn eerste draaibeurten op mijn computer. Voor het geval er meerdere versies zijn, ik heb de kartonnen versie met tien nummers erop.
Het hoesje is, in het echt, mooier dan het lijkt op de internetafbeelding. De voorkant is trouwens een foto van de heren zelf, en ook in het boekje staan een aantal bandfoto's. Het lijkt wel een fotoalbum van hun vakantie in de woestijn.
'Who cares?', zullen de puristen onder jullie zeggen, maar in vergelijking met de ontwerpen van hun vorige platen vind ik dit een opvallend en noemenswaardig detail.
Ook opvallend (en fijn) is dat de band voor de eerste keer heeft besloten de fraaie teksten van Alex Turner af te drukken in het boekje.
Hiervoor kende ik Humbug al een aantal weken. Natuurlijk zou ik nooit op een illegale manier naar muziek luisteren, maar een of andere onverlaat had een aantal weken geleden al een illegaal gelekte kopie van de plaat in mijn brievenbus gedaan. Ik wilde deze natuurlijk meteen in de vuilnisbak gooien, maar ik gooide per ongeluk mis, waardoor het schijfje klem kwam te zitten in mijn speler. (En wat is jullie excuus?)
Nadat ik ze had gezien op Pukkelpop, besloot ik 'm pas weer te gaan draaien als ik het orgineel in mijn handen had (eerst natuurlijk die illegale kopie met koevoet uit mijn speler moeten wrikken...).
Ik weet niet of het door de luisterpauze komt of door het kwaliteitsverschil tussen van het internet geplukt en the real thing, maar Humbug klinkt helderder en gedetailleerder dan ik me kan herinneren.
De groep, die zich tot nu toe heeft onderscheiden met twee minuten durende, stekelige, alle kanten uit springende rockliedjes vond het duidelijk tijd om een andere kant uit te gaan. In meer uitgesponnen liedjes, weven de Arctic Monkeys hier geluidstapijten met gitaren, bas, toetsen en achtergrondzang die vaak flirten met jaren '70 rock en het woestijngeluid van (voornaamste) producer Josh Homme.
(Mensen die ontkennen de invloed van Homme op dit album te kunnen horen zijn echt gek: zoiets als Potion Approaching is pure QOTSA ten tijde van Lullabies To Paralyse.)
Deze geluidslagen zijn vaak spannend, meestal moeilijk te doorgronden, maar op lange termijn verdacht verslavend.
Behalve Homme laten ook the Last Shadow Puppets wel degelijk hun sporen na op Humbug. Soms letterlijk, zoals in de coda van Secret Door (U weet wel: 'fooools on parade...'), maar vooral in de manier waarop Alex Turner zingt: gevarieerder, met meer drama maar ook meer beheersing. Volwassener, zullen we dan toch maar zeggen (al is het wel te hopen dat die shoegaze-houding die hij op Pukkelpop liet zien een fase is, we zullen zien, we zullen zien 11 nov in de HMH).
De reden dat ik de drums nog niet heb genoemd, is omdat Matt Helders natuurlijk een eigen alinea verdient waarin zijn kont wordt gekust. Bij deze dus: Die roffel in het couplet van My Propeller! Die percussiegeluidjes in Dangerous Animals! Potion Approaching! Dance Little Liar! Verrek, de hele plaat is hij weer in topvorm.
Ik zeg hier niets nieuws voor de mensen die de band ooit live hebben gezien, maar als Turner het genie van de band is, dan is Helders de motor.
De liedjes op Humbug zijn meestal dik in orde, met als voorbehoud dat Turner zijn zangmelodiën vaker ondergeschikt maakt aan de muziek dan eerder het geval was. Sommige tracks komen daardoor als liedjes wat minder uit de verf terwijl ze op zich wel boeiend zijn om naar te luisteren (Dangerous Animals, Pretty Visitors). De sterkste tracks zijn wat mij betreft momenteel de slepende single Crying Lightning, het prachtig doorvoelde Dance Little Liar en het melancholisch groovende The Jeweller's Hands.
Maar wacht, ik heb ook nog (een beetje) kritiek. Allereerst dat de plaat een beetje te veel in midtempo blijft hangen. Misschien dat de sfeer van de plaat eronder had geleden als ze een Brianstorm- of View From The Afternoon-achtige track hadden toegevoegd, maar toch vind ik, na enige luisterbeurten, nog steeds dat de plaat soms op het randje van de lamlendigheid balanceert.
Een tweede punt, misschien tegenstrijdig met het eerste, is dat de groep buiten de sessies met Josh Homme nog extra nummers heeft opgenomen met vertrouwde producer James Ford. De drie tracks met Ford die op het album terecht zijn gekomen (My Propeller, Secret Door, Cornerstone) zijn op zich uitstekend, maar er spreekt toch iets uit van: 'laten we iets toegankelijkers maken, zodat mensen niet teveel op de proef worden gesteld.'
Gezien de koerswijziging is dit begrijpelijk, maar het had de AM gesierd als ze dat juist niet hadden gedaan, en ons als luisteraar helemaal in het diepe hadden gegooid. Vooral als je bedenkt dat alleen de sessies in de woestijn al meer dan twintig nieuwe tracks hebben opgeleverd. Humbug bestaat echter uit slechts tien tracks, omdat de band wilde dat alles zou passen op één lp.
De outtakes gaan we waarschijnlijk alleen horen als we ons blauw betalen aan singles en speciale uitgaves of *GASP* illegaal gaan downloaden (stuur me een bericht als je weet hoe ik eraan kan komen) (daar gaat m'n reputatie).
Ergens vermoed ik dan ook dat we de meest extreme en spannende dingen uit deze sessies nog niet hebben gehoord. Hiermee lokken de AM zelf de mening uit dat we hier met een 'overgangsplaat' te maken hebben van een groepje dat probeert een nieuwe richting te zoeken 'na de hype'.
Maar zoals ik al eerder heb gezegd op dit forum: de band verdient meer dan dat, en deze plaat verdient meer dan dat. Een stevige vier sterren om precies te zijn, neigend naar een halve erbij.
Ben je nog steeds aan het lezen? Zoek een baan! Nee grapje, bedankt voor het lezen. Vrede. Luister naar de Arctic Monkeys. Ik ben fan. De pers is fan. Puff Daddy is fan. En jij?
Een 'Humbug' is trouwens van oorsprong een Engels snoepje met een smakeloze buitenkant, zodat je er een tijdje op moet zuigen voordat je de zoete binnenkant proeft.
Het hoesje is, in het echt, mooier dan het lijkt op de internetafbeelding. De voorkant is trouwens een foto van de heren zelf, en ook in het boekje staan een aantal bandfoto's. Het lijkt wel een fotoalbum van hun vakantie in de woestijn.
'Who cares?', zullen de puristen onder jullie zeggen, maar in vergelijking met de ontwerpen van hun vorige platen vind ik dit een opvallend en noemenswaardig detail.
Ook opvallend (en fijn) is dat de band voor de eerste keer heeft besloten de fraaie teksten van Alex Turner af te drukken in het boekje.
Hiervoor kende ik Humbug al een aantal weken. Natuurlijk zou ik nooit op een illegale manier naar muziek luisteren, maar een of andere onverlaat had een aantal weken geleden al een illegaal gelekte kopie van de plaat in mijn brievenbus gedaan. Ik wilde deze natuurlijk meteen in de vuilnisbak gooien, maar ik gooide per ongeluk mis, waardoor het schijfje klem kwam te zitten in mijn speler. (En wat is jullie excuus?)
Nadat ik ze had gezien op Pukkelpop, besloot ik 'm pas weer te gaan draaien als ik het orgineel in mijn handen had (eerst natuurlijk die illegale kopie met koevoet uit mijn speler moeten wrikken...).
Ik weet niet of het door de luisterpauze komt of door het kwaliteitsverschil tussen van het internet geplukt en the real thing, maar Humbug klinkt helderder en gedetailleerder dan ik me kan herinneren.
De groep, die zich tot nu toe heeft onderscheiden met twee minuten durende, stekelige, alle kanten uit springende rockliedjes vond het duidelijk tijd om een andere kant uit te gaan. In meer uitgesponnen liedjes, weven de Arctic Monkeys hier geluidstapijten met gitaren, bas, toetsen en achtergrondzang die vaak flirten met jaren '70 rock en het woestijngeluid van (voornaamste) producer Josh Homme.
(Mensen die ontkennen de invloed van Homme op dit album te kunnen horen zijn echt gek: zoiets als Potion Approaching is pure QOTSA ten tijde van Lullabies To Paralyse.)
Deze geluidslagen zijn vaak spannend, meestal moeilijk te doorgronden, maar op lange termijn verdacht verslavend.
Behalve Homme laten ook the Last Shadow Puppets wel degelijk hun sporen na op Humbug. Soms letterlijk, zoals in de coda van Secret Door (U weet wel: 'fooools on parade...'), maar vooral in de manier waarop Alex Turner zingt: gevarieerder, met meer drama maar ook meer beheersing. Volwassener, zullen we dan toch maar zeggen (al is het wel te hopen dat die shoegaze-houding die hij op Pukkelpop liet zien een fase is, we zullen zien, we zullen zien 11 nov in de HMH).
De reden dat ik de drums nog niet heb genoemd, is omdat Matt Helders natuurlijk een eigen alinea verdient waarin zijn kont wordt gekust. Bij deze dus: Die roffel in het couplet van My Propeller! Die percussiegeluidjes in Dangerous Animals! Potion Approaching! Dance Little Liar! Verrek, de hele plaat is hij weer in topvorm.
Ik zeg hier niets nieuws voor de mensen die de band ooit live hebben gezien, maar als Turner het genie van de band is, dan is Helders de motor.
De liedjes op Humbug zijn meestal dik in orde, met als voorbehoud dat Turner zijn zangmelodiën vaker ondergeschikt maakt aan de muziek dan eerder het geval was. Sommige tracks komen daardoor als liedjes wat minder uit de verf terwijl ze op zich wel boeiend zijn om naar te luisteren (Dangerous Animals, Pretty Visitors). De sterkste tracks zijn wat mij betreft momenteel de slepende single Crying Lightning, het prachtig doorvoelde Dance Little Liar en het melancholisch groovende The Jeweller's Hands.
Maar wacht, ik heb ook nog (een beetje) kritiek. Allereerst dat de plaat een beetje te veel in midtempo blijft hangen. Misschien dat de sfeer van de plaat eronder had geleden als ze een Brianstorm- of View From The Afternoon-achtige track hadden toegevoegd, maar toch vind ik, na enige luisterbeurten, nog steeds dat de plaat soms op het randje van de lamlendigheid balanceert.
Een tweede punt, misschien tegenstrijdig met het eerste, is dat de groep buiten de sessies met Josh Homme nog extra nummers heeft opgenomen met vertrouwde producer James Ford. De drie tracks met Ford die op het album terecht zijn gekomen (My Propeller, Secret Door, Cornerstone) zijn op zich uitstekend, maar er spreekt toch iets uit van: 'laten we iets toegankelijkers maken, zodat mensen niet teveel op de proef worden gesteld.'
Gezien de koerswijziging is dit begrijpelijk, maar het had de AM gesierd als ze dat juist niet hadden gedaan, en ons als luisteraar helemaal in het diepe hadden gegooid. Vooral als je bedenkt dat alleen de sessies in de woestijn al meer dan twintig nieuwe tracks hebben opgeleverd. Humbug bestaat echter uit slechts tien tracks, omdat de band wilde dat alles zou passen op één lp.
De outtakes gaan we waarschijnlijk alleen horen als we ons blauw betalen aan singles en speciale uitgaves of *GASP* illegaal gaan downloaden (stuur me een bericht als je weet hoe ik eraan kan komen) (daar gaat m'n reputatie).
Ergens vermoed ik dan ook dat we de meest extreme en spannende dingen uit deze sessies nog niet hebben gehoord. Hiermee lokken de AM zelf de mening uit dat we hier met een 'overgangsplaat' te maken hebben van een groepje dat probeert een nieuwe richting te zoeken 'na de hype'.
Maar zoals ik al eerder heb gezegd op dit forum: de band verdient meer dan dat, en deze plaat verdient meer dan dat. Een stevige vier sterren om precies te zijn, neigend naar een halve erbij.
Ben je nog steeds aan het lezen? Zoek een baan! Nee grapje, bedankt voor het lezen. Vrede. Luister naar de Arctic Monkeys. Ik ben fan. De pers is fan. Puff Daddy is fan. En jij?
Een 'Humbug' is trouwens van oorsprong een Engels snoepje met een smakeloze buitenkant, zodat je er een tijdje op moet zuigen voordat je de zoete binnenkant proeft.
Arctic Monkeys - Suck It and See (2011)

4,0
0
geplaatst: 15 augustus 2011, 22:51 uur
More like black treacle/ than tar
Het was een eigenaardige move voor een band waar zo veel belangstelling voor bestaat als voor de Arctic Monkeys: het eerste nummer wat lekte van de nieuwe plaat werd gezongen, of eigenlijk gescandeerd, door de drummer. Vervolgens brachten ze als eerste single een absurde exercitie in melige stonerrock uit, omdat (ik citeer Alex Turner): ‘It’s loud. Riffs. Funny.’
Toegegeven: het getuigt van zelfrelativering, en, nog belangrijker, een fijne fuck you houding naar iedereen die klaar staat om de band de grond in te stampen, of juist dweperig de hemel in te prijzen. Het is waarschijnlijk de enige gezonde manier waarop je als jonge rockband kunt omgaan met succes, waarmee je je onafhankelijkheid kunt bewaren. Een band met een songschrijver als Alex Turner in de gelederen, verdient het ook zeker om in alle rust, onder hun eigen voorwaarden, te groeien.
Een songschrijver als Alex Turner, die na zijn Last Shadow Puppets-avontuur misschien gedacht heeft: ‘no way dat ik terugga naar die brutale, snelle rocksongs die we eerst speelden.’ De eerste twee vrijgegeven nummers van Suck It And See, Brick By Brick en Don’t Sit Down Cause I’ve Moved Your Chair, zijn dan ook niet representatief voor de plaat. De nadruk ligt hier juist op dromerige, melancholieke songs met rijke, zwierige melodielijnen.
Het is me onduidelijk wat de rest van de band , stoere jongens uit Sheffield, vindt van deze nieuwe stijl. Denken ze: ‘wat mooi, die verworven diepgang’? Of bijten ze op hun tanden tijdens het reperteren: ‘gingen we maar weer eens lekker rocken.’?
Oordelend naar Suck It And See lijken de andere bandleden de nieuwe songs wel degelijk te voelen. Van nature speelt de band luid, intens, vrij agressief, en dat wordt ook niet weggepoetst op deze plaat. Soms zit deze natuurlijke stijl de liedjes wel een beetje in de weg, zoals op Reckless Serenade. Maar overwegend weten ze de sfeer van Alex Turners woorden en zanglijnen goed te ondersteunen, en bouwen ze eigen lagen van diepgang in de liedjes.
Een songschrijver als Alex Turner: onbetwistbaar een van de beste tekstschrijvers onder de jonge rockmuzikanten. Tijdens sommige momenten op Suck It And See lijkt hij wel een beetje te verslaafd te raken aan zijn talent voor oneliners, en soms dringt ook de vraag zich op die zorgde dat Humbug net geen meesterwerk werd: ‘Moet je niet iets minder blowen, vriend?’
Neem nou dit stukje tekst uit (het verder prachtige) That’s Where You’re Wrong:
Best aardig verwoord, hoor, maar wat betekent het in godsnaam?
Daar tegenover staat dan weer het beslist Leonard Coheneske (!) Love Is A Laserquest:
Het valt op dat Suck It And See als geheel frisser klinkt dan het toch wat zwaar op de maag liggende Humbug. De beste vergelijking is misschien, dat als Humbug Queens Of The Stoneage was, is deze plaat The Smiths. In het veelvuldige gebruik van rinkelende gitaarlijnen in combinatie met dromerige, poëtische zanglijnen, lijkt het tandem Morrissey/ Marr mij de meest voor de hand liggende referentie.
Ik heb niets met The Smiths, heel eerlijk gezegd, en van die vijf Smiths-klonen die jaarlijks op ons losgelaten worden als next big thing moet ik al helemaal niets hebben. Misschien dat ik daarom deze plaat eigenlijk geen klap aan vond, toen ik hem voor het eerst beluisterde op de Luisterpaal. Een paar weken later verscheen hij op Spotify, en kreeg de plaat een tweede kans. Hoewel ik nog steeds moeite had mijn aandacht de volle veertig minuten bij de plaat te houden, merkte ik dat bepaalde stukken me begonnen te raken. Ik begon hem bijna dagelijks te draaien, niet zozeer omdat ik stug wilde doorbijten of ‘het begrijpen’, maar omdat ik elke keer als ik terugkeerde naar deze rare liedjes, getroffen werd door fraaie details, die me nog niet eerder waren opgevallen.
Een paar dagen geleden heb ik hem aangeschaft op plastic schijfje, en inmiddels ben ik er dol op, zonder echt hoogte van de plaat te hebben gekregen. Lekker dus: deze plaat gaat nog wel een paar maanden mee, waarschijnlijk.
Ik geef uiteindelijk dezelfde waardering in sterren als voor Humbug, hoewel ik deze momenteel nog wel zie stijgen, terwijl de voorganger meer richting de 3,5* neigt. In ieder geval weer een sterk album van de Arctic Monkeys, de vierde op rij. Poeh, poeh.
Het was een eigenaardige move voor een band waar zo veel belangstelling voor bestaat als voor de Arctic Monkeys: het eerste nummer wat lekte van de nieuwe plaat werd gezongen, of eigenlijk gescandeerd, door de drummer. Vervolgens brachten ze als eerste single een absurde exercitie in melige stonerrock uit, omdat (ik citeer Alex Turner): ‘It’s loud. Riffs. Funny.’
Toegegeven: het getuigt van zelfrelativering, en, nog belangrijker, een fijne fuck you houding naar iedereen die klaar staat om de band de grond in te stampen, of juist dweperig de hemel in te prijzen. Het is waarschijnlijk de enige gezonde manier waarop je als jonge rockband kunt omgaan met succes, waarmee je je onafhankelijkheid kunt bewaren. Een band met een songschrijver als Alex Turner in de gelederen, verdient het ook zeker om in alle rust, onder hun eigen voorwaarden, te groeien.
Een songschrijver als Alex Turner, die na zijn Last Shadow Puppets-avontuur misschien gedacht heeft: ‘no way dat ik terugga naar die brutale, snelle rocksongs die we eerst speelden.’ De eerste twee vrijgegeven nummers van Suck It And See, Brick By Brick en Don’t Sit Down Cause I’ve Moved Your Chair, zijn dan ook niet representatief voor de plaat. De nadruk ligt hier juist op dromerige, melancholieke songs met rijke, zwierige melodielijnen.
Het is me onduidelijk wat de rest van de band , stoere jongens uit Sheffield, vindt van deze nieuwe stijl. Denken ze: ‘wat mooi, die verworven diepgang’? Of bijten ze op hun tanden tijdens het reperteren: ‘gingen we maar weer eens lekker rocken.’?
Oordelend naar Suck It And See lijken de andere bandleden de nieuwe songs wel degelijk te voelen. Van nature speelt de band luid, intens, vrij agressief, en dat wordt ook niet weggepoetst op deze plaat. Soms zit deze natuurlijke stijl de liedjes wel een beetje in de weg, zoals op Reckless Serenade. Maar overwegend weten ze de sfeer van Alex Turners woorden en zanglijnen goed te ondersteunen, en bouwen ze eigen lagen van diepgang in de liedjes.
Een songschrijver als Alex Turner: onbetwistbaar een van de beste tekstschrijvers onder de jonge rockmuzikanten. Tijdens sommige momenten op Suck It And See lijkt hij wel een beetje te verslaafd te raken aan zijn talent voor oneliners, en soms dringt ook de vraag zich op die zorgde dat Humbug net geen meesterwerk werd: ‘Moet je niet iets minder blowen, vriend?’
Neem nou dit stukje tekst uit (het verder prachtige) That’s Where You’re Wrong:
Jealousy in technicolour
Fear by name than love by numbers
Street lamp amber wanderlust
Powder in a blunderbus
Fear by name than love by numbers
Street lamp amber wanderlust
Powder in a blunderbus
Best aardig verwoord, hoor, maar wat betekent het in godsnaam?
Daar tegenover staat dan weer het beslist Leonard Coheneske (!) Love Is A Laserquest:
And when I’m hanging on by the rings of my eyes
And I convince myself I need another
For a minute it gets easier
To pretend that you were just some lover
And I convince myself I need another
For a minute it gets easier
To pretend that you were just some lover
Het valt op dat Suck It And See als geheel frisser klinkt dan het toch wat zwaar op de maag liggende Humbug. De beste vergelijking is misschien, dat als Humbug Queens Of The Stoneage was, is deze plaat The Smiths. In het veelvuldige gebruik van rinkelende gitaarlijnen in combinatie met dromerige, poëtische zanglijnen, lijkt het tandem Morrissey/ Marr mij de meest voor de hand liggende referentie.
Ik heb niets met The Smiths, heel eerlijk gezegd, en van die vijf Smiths-klonen die jaarlijks op ons losgelaten worden als next big thing moet ik al helemaal niets hebben. Misschien dat ik daarom deze plaat eigenlijk geen klap aan vond, toen ik hem voor het eerst beluisterde op de Luisterpaal. Een paar weken later verscheen hij op Spotify, en kreeg de plaat een tweede kans. Hoewel ik nog steeds moeite had mijn aandacht de volle veertig minuten bij de plaat te houden, merkte ik dat bepaalde stukken me begonnen te raken. Ik begon hem bijna dagelijks te draaien, niet zozeer omdat ik stug wilde doorbijten of ‘het begrijpen’, maar omdat ik elke keer als ik terugkeerde naar deze rare liedjes, getroffen werd door fraaie details, die me nog niet eerder waren opgevallen.
Een paar dagen geleden heb ik hem aangeschaft op plastic schijfje, en inmiddels ben ik er dol op, zonder echt hoogte van de plaat te hebben gekregen. Lekker dus: deze plaat gaat nog wel een paar maanden mee, waarschijnlijk.
Ik geef uiteindelijk dezelfde waardering in sterren als voor Humbug, hoewel ik deze momenteel nog wel zie stijgen, terwijl de voorganger meer richting de 3,5* neigt. In ieder geval weer een sterk album van de Arctic Monkeys, de vierde op rij. Poeh, poeh.
Arctic Monkeys - The Car (2022)

4,0
2
geplaatst: 5 november 2022, 09:40 uur
Een deel van me wilde de plaat bijna een onvoldoende geven. Het geluid van The Car is niet echt een verrassing, het is eigenlijk een logisch vervolg op hun laatste album. Ik volg de band al ongeveer vanaf het begin, en ik vind het prijzenswaardig dat ze zich zijn blijven ontwikkelen. Maar de vooruitgeschoven tracks deden me in eerste instantie weinig, en er is iets irritants aan hoe Alex Turner zich heeft ontwikkeld van energieke jonge rocker tot -- ja, wat eigenlijk? Met alle quasi-artistieke maniertjes op dit album zou je hem bijna een poseur gaan vinden, al denk ik dat juist deze sound dichterbij de 'certain romance' komt waar hij altijd naar op zoek is geweest.
Echt mijn genre is dit niet, platen van Turners maatje en inspirator Richard Hawley kan ik meestal ook slecht uitzitten. Toch, na een luisterbeurt of tien moet ik toegeven dat de meeste liedjes toch wel goed bij me zijn gevallen. Er zit ook meer variatie in dan ik direct hoorde: de dreigende, bijna hallucinante sfeer van 'Sculptures of Anything Goes', het fraai opgebouwde 'Body Paint', vol Bowie- en Beatles-invloeden, de verheven dromerigheid van het titelnummer, de juist veel meer directe, zelfbewuste orkestrale pop van 'Big Ideas' (misschien we het sleutelnummer hier), en misschien mijn persoonlijke favoriet tot dusver, 'Mr Schwartz' een meer folky nummer met een bitter-melancholische ondertoon.
Waar het debuut van Arctic Monkeys een soort conceptalbum was over een avond pilsjes kantelen in de stad met je maten, biedt The Car een selectie van bitterzoete cocktails in een vervallen hotel, in het gezelschap van een groep gedesillusioneerde dichters (of zoiets). Het is misschien minder makkelijk om je mee te identificeren, maar het levert toch een behoorlijk geslaagde plaat op. Misschien beschouw ik deze over een jaar wel als één van hun meesterwerken. Aan de andere kant kan ik me voorstellen dat de in zichzelf gekeerde performance van Alex Turner en de cheesy strijkers me na een tijdje gaan tegenstaan. Voor nu moet ik zeggen dat ik de plaat erg graag draai. Voorlopig 4*.
Echt mijn genre is dit niet, platen van Turners maatje en inspirator Richard Hawley kan ik meestal ook slecht uitzitten. Toch, na een luisterbeurt of tien moet ik toegeven dat de meeste liedjes toch wel goed bij me zijn gevallen. Er zit ook meer variatie in dan ik direct hoorde: de dreigende, bijna hallucinante sfeer van 'Sculptures of Anything Goes', het fraai opgebouwde 'Body Paint', vol Bowie- en Beatles-invloeden, de verheven dromerigheid van het titelnummer, de juist veel meer directe, zelfbewuste orkestrale pop van 'Big Ideas' (misschien we het sleutelnummer hier), en misschien mijn persoonlijke favoriet tot dusver, 'Mr Schwartz' een meer folky nummer met een bitter-melancholische ondertoon.
Waar het debuut van Arctic Monkeys een soort conceptalbum was over een avond pilsjes kantelen in de stad met je maten, biedt The Car een selectie van bitterzoete cocktails in een vervallen hotel, in het gezelschap van een groep gedesillusioneerde dichters (of zoiets). Het is misschien minder makkelijk om je mee te identificeren, maar het levert toch een behoorlijk geslaagde plaat op. Misschien beschouw ik deze over een jaar wel als één van hun meesterwerken. Aan de andere kant kan ik me voorstellen dat de in zichzelf gekeerde performance van Alex Turner en de cheesy strijkers me na een tijdje gaan tegenstaan. Voor nu moet ik zeggen dat ik de plaat erg graag draai. Voorlopig 4*.
Arctic Monkeys - Tranquility Base Hotel + Casino (2018)

4,0
2
geplaatst: 30 december 2018, 16:44 uur
De term 'groeiplaat' is een jeukwoord geworden in de tombola van recensie-clichés, maar soms komt er zo'n plaat langs die, nou ja, gewoon een 'groeiplaat is. Na het wat gemakzuchtige AM was mijn obsessie voor de Arctic Monkeys wat tanende, en de eerste luisterbeurt van deze bracht me niet direct op andere gedachten.
Ben blij dat ik deze toch een kans heb gegeven, want na een keer of vijf luisteren verstomden alle kritische vragen (Waarom dit als band uitgebracht en niet als soloproject? Waarom niet minstens één lekkere rocker?), en krijgen de liedjes per luisterbeurt meer diepgang en, gek genoeg, meezingbaarheid (is dat een woord? Whatever).
Vooral de eerste helft is sterk, met de behoorlijk 'meta' opener 'Star Treatment', het titelnummer, semi-hitje 'Four Stars Out Of Five' en vooral hoogtepunt 'American Sports' als prijsbeesten. Tegen het einde raken de ideeën wel een beetje op, zo lijkt het. 'She Looks Like Fun' klinkt als een matig b-kantje van Humbug, 'Batphone' is een wat richtingsloos meanderend nummer op een moment dat het album dat niet echt nodig heeft, en 'The Ultracheese' is niet veel meer dan een passend sentimentele afsluiter. Desondanks vanwege de fraaie arrangementen, het oprecht bizarre concept en het feit dat alle andere liedjes verrassend goed beklijven, is dit waarschijnlijk hun beste plaat sinds Favourite Worst Nightmare.
Bovendien bewonderenswaardig om jezelf zo radicaal opnieuw uit te vinden, net op het moment dat je bandje een parodie op zichzelf dreigt te worden.
Ben blij dat ik deze toch een kans heb gegeven, want na een keer of vijf luisteren verstomden alle kritische vragen (Waarom dit als band uitgebracht en niet als soloproject? Waarom niet minstens één lekkere rocker?), en krijgen de liedjes per luisterbeurt meer diepgang en, gek genoeg, meezingbaarheid (is dat een woord? Whatever).
Vooral de eerste helft is sterk, met de behoorlijk 'meta' opener 'Star Treatment', het titelnummer, semi-hitje 'Four Stars Out Of Five' en vooral hoogtepunt 'American Sports' als prijsbeesten. Tegen het einde raken de ideeën wel een beetje op, zo lijkt het. 'She Looks Like Fun' klinkt als een matig b-kantje van Humbug, 'Batphone' is een wat richtingsloos meanderend nummer op een moment dat het album dat niet echt nodig heeft, en 'The Ultracheese' is niet veel meer dan een passend sentimentele afsluiter. Desondanks vanwege de fraaie arrangementen, het oprecht bizarre concept en het feit dat alle andere liedjes verrassend goed beklijven, is dit waarschijnlijk hun beste plaat sinds Favourite Worst Nightmare.
Bovendien bewonderenswaardig om jezelf zo radicaal opnieuw uit te vinden, net op het moment dat je bandje een parodie op zichzelf dreigt te worden.
Art Blakey & The Jazz Messengers - A Night in Tunisia (1961)

4,0
2
geplaatst: 26 december 2021, 11:14 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Prima plaat van een uitstekende bezetting van de Jazz Messengers, zonder zwakke momenten of echte uitschieters. Tijdens deze opnames uit 1960 trekt Lee Morgen de meeste aandacht naar zich toe, al denk ik dat Bobby Timmons compositorische bijdrage 'So Tired' nét aan favoriet is bij mij. Al zijn het weinig subtiele maar behoorlijk brute titelnummer en Morgans fraaie ballad Yama ook niet mis. Over de hele linie gewoon een uitstekend album eigenlijk. Opnames die op de plank bleven liggen werden in 1967 uitgebracht als Like Someone in Love.
Prima plaat van een uitstekende bezetting van de Jazz Messengers, zonder zwakke momenten of echte uitschieters. Tijdens deze opnames uit 1960 trekt Lee Morgen de meeste aandacht naar zich toe, al denk ik dat Bobby Timmons compositorische bijdrage 'So Tired' nét aan favoriet is bij mij. Al zijn het weinig subtiele maar behoorlijk brute titelnummer en Morgans fraaie ballad Yama ook niet mis. Over de hele linie gewoon een uitstekend album eigenlijk. Opnames die op de plank bleven liggen werden in 1967 uitgebracht als Like Someone in Love.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Africaine (1981)

4,0
4
geplaatst: 1 december 2021, 22:37 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Walter Davis, Jr. (piano); Jymie Merritt (contrabas); Dizzy Reece (conga op 'Africaine' en 'Haina')
Achteraf is het makkelijk oordelen natuurlijk, maar toch wekt het verwondering op dat deze plaat pas in 1981 werd uitgebracht (en dus niet in het jaar van opname 1959, correctie ingediend). Zeker gezien het de eerste plaat is met Wayne Shorter, met wie de Jazz Messengers misschien wel hun meest vruchtbare periode zouden beleven.
Shorter draagt meteen de eerste twee composities bij, en op de fijne maar niet héél bijzondere opener/ titeltrack is hij de uitblinker, en laat horen dat hij de vergelijking kan doorstaan met de twee belangrijkste stemmen op de tenorsax van die tijd (Rollins/ Coltrane). Met het erg lekkere 'Lester Left Town' bewijst hij ook eer aan een oude(re) meester.
Absolute albumhoogtepunt is 'Splendid', een compositie van (de tijdelijk Bobby Timmons vervangende) pianist Davis, Jr. Een nummer dat werkelijk alles goed doet wat een hardbop-nummer moet doen: gloedvolle solo's, catchy thema, vloeiend samenspel... niets aan de songtitel toe te voegen.
Op de B-kant drie vrij sterke composities van Lee Morgan, waarvan vooral het lekkere stroperige/ bluesy 'The Midget' er positief uitspringt. Op het naar de bandleider vernoemde 'Haina' krijgt iedereen even de kans om zijn spierballen te laten rollen.
Conclusie: Lekker plaatje! Ja, het zijn de Jazz Messengers dus je weet wat je krijgt, maar op regenachtige fietstochten van en naar het werk de laatste dagen waren deze tracks bijzonder aangename oorwarmers. Voor mij onder de streep wel een van de prettigste Messengers-platen tot dusver.
Achteraf is het makkelijk oordelen natuurlijk, maar toch wekt het verwondering op dat deze plaat pas in 1981 werd uitgebracht (en dus niet in het jaar van opname 1959, correctie ingediend). Zeker gezien het de eerste plaat is met Wayne Shorter, met wie de Jazz Messengers misschien wel hun meest vruchtbare periode zouden beleven.
Shorter draagt meteen de eerste twee composities bij, en op de fijne maar niet héél bijzondere opener/ titeltrack is hij de uitblinker, en laat horen dat hij de vergelijking kan doorstaan met de twee belangrijkste stemmen op de tenorsax van die tijd (Rollins/ Coltrane). Met het erg lekkere 'Lester Left Town' bewijst hij ook eer aan een oude(re) meester.
Absolute albumhoogtepunt is 'Splendid', een compositie van (de tijdelijk Bobby Timmons vervangende) pianist Davis, Jr. Een nummer dat werkelijk alles goed doet wat een hardbop-nummer moet doen: gloedvolle solo's, catchy thema, vloeiend samenspel... niets aan de songtitel toe te voegen.
Op de B-kant drie vrij sterke composities van Lee Morgan, waarvan vooral het lekkere stroperige/ bluesy 'The Midget' er positief uitspringt. Op het naar de bandleider vernoemde 'Haina' krijgt iedereen even de kans om zijn spierballen te laten rollen.
Conclusie: Lekker plaatje! Ja, het zijn de Jazz Messengers dus je weet wat je krijgt, maar op regenachtige fietstochten van en naar het werk de laatste dagen waren deze tracks bijzonder aangename oorwarmers. Voor mij onder de streep wel een van de prettigste Messengers-platen tot dusver.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Art Blakey & The Jazz Messengers (1961)

4,0
3
geplaatst: 30 januari 2022, 11:11 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Curtis Fuller (trombone); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
In tegenstelling tot wat Wikipedia beweert, is dít (en niet The Freedom Rider) de laatste plaat van de Messengers waar Lee Morgan nog op meespeelt, althans als we de volgorde van opnemen aanhouden. En ook pianist Bobby Timmons zou bij de volgende studiosessie worden vervangen voor Cedar Walton. Daarmee heeft deze versie van de Jazz Messengers anderhalf jaar bestaan, en in die tijd is genoeg materiaal opgenomen om ruim zeven LP's te vullen.
Wat dat betreft is het knap dat de band zo'n constant hoog niveau wist vast te houden. Aan de andere kant, nu ik de albums de laatste weken achter elkaar heb geluisterd, valt het op dat het wel allemaal nogal op elkaar lijkt, zonder dat er iets echt positief bovenuit steekt. Zeven sterke hardbop-platen die ik 3,5 of 4 sterren geef, en hoewel deze plaat uitkomt op Impulse, een label met een wat avontuurlijkere reputatie, is dat hier niet anders.
Dat deze plaat voor mij wel bij de favorieten uit deze periode hoort, ligt ten eerste aan de toevoeging van Curtis Fuller op trombone. De uitbreiding naar een sextet geeft toch weer wat extra diepte en variatie aan het bandgeluid. Ten tweede kiest Blakey ervoor om hier voornamelijk standards te spelen (behalve opener 'Alamode', door Fuller). In plaats van eigen composities die vaak een nieuwe variatie zijn op de hardbop-formule, leunt deze plaat op tijdloze melodieën, wat vooral op de ballads (2, 4, 6) erg fijn uitpakt.
In tegenstelling tot wat Wikipedia beweert, is dít (en niet The Freedom Rider) de laatste plaat van de Messengers waar Lee Morgan nog op meespeelt, althans als we de volgorde van opnemen aanhouden. En ook pianist Bobby Timmons zou bij de volgende studiosessie worden vervangen voor Cedar Walton. Daarmee heeft deze versie van de Jazz Messengers anderhalf jaar bestaan, en in die tijd is genoeg materiaal opgenomen om ruim zeven LP's te vullen.
Wat dat betreft is het knap dat de band zo'n constant hoog niveau wist vast te houden. Aan de andere kant, nu ik de albums de laatste weken achter elkaar heb geluisterd, valt het op dat het wel allemaal nogal op elkaar lijkt, zonder dat er iets echt positief bovenuit steekt. Zeven sterke hardbop-platen die ik 3,5 of 4 sterren geef, en hoewel deze plaat uitkomt op Impulse, een label met een wat avontuurlijkere reputatie, is dat hier niet anders.
Dat deze plaat voor mij wel bij de favorieten uit deze periode hoort, ligt ten eerste aan de toevoeging van Curtis Fuller op trombone. De uitbreiding naar een sextet geeft toch weer wat extra diepte en variatie aan het bandgeluid. Ten tweede kiest Blakey ervoor om hier voornamelijk standards te spelen (behalve opener 'Alamode', door Fuller). In plaats van eigen composities die vaak een nieuwe variatie zijn op de hardbop-formule, leunt deze plaat op tijdloze melodieën, wat vooral op de ballads (2, 4, 6) erg fijn uitpakt.
Art Blakey & The Jazz Messengers - At the Jazz Corner of the World Vol. 1 (1959)

4,0
2
geplaatst: 21 november 2021, 19:07 uur
Met: Art Blakey (drums); Lee Morgan (trompet); Hank Mobley (tenorsax); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Heb een beetje getwijfeld tussen 3,5 en 4 sterren voor deze liveplaat, die op moment van schrijven nog geen beoordelingen heeft op Musicmeter. Dit optreden werd in april 1959 opgenomen in Birdland, een maand nadat de Messengers in deze opstelling een studiosessie hadden die op de plank bleef liggen, en uiteindelijk pas in 2020 een release zou vinden als Just Coolin'.
Deze opnames zijn wel duidelijk een stukje beter dan die uit de studio, wat losser en speelser vooral. Desondanks gebeurt er op de A-kant niet zóveel spectaculairs. 'Hipsippy Blues' (compositie van Mobley) swingt maar biedt weinig inhoudelijke diepgang, 'Justice' (Thelonious Monk) biedt vooral de kans voor de blazers om de spieren te laten rollen: in beide gevallen valt vooral het rauwe talent van Lee Morgan op. 'The Theme' voelt een beetje als opvulling, en voor de tweede keer schalt de toch wat irritante stem van 'Pee Wee' Marquette uit de speakers. Had van mij niet gehoeven.
De B-kant doet me persoonlijk meer, met een sublieme vertolking van de standard 'Close Your Eyes', en de afsluiter 'Just Coolin'', waarin de romige, melodieuze solo van componist Mobley een mooie combinatie vormt met het meer uitgelaten vervolg van Morgan en Timmons. Ruime 3,5 ster voor de A-kant, krappe 4 voor de B-kant, met gunfactor afgerond naar 4*, met de aantekening dat het (wederom) een album is dat vooral liefhebbers van pure hardbop zal aanspreken.
Heb een beetje getwijfeld tussen 3,5 en 4 sterren voor deze liveplaat, die op moment van schrijven nog geen beoordelingen heeft op Musicmeter. Dit optreden werd in april 1959 opgenomen in Birdland, een maand nadat de Messengers in deze opstelling een studiosessie hadden die op de plank bleef liggen, en uiteindelijk pas in 2020 een release zou vinden als Just Coolin'.
Deze opnames zijn wel duidelijk een stukje beter dan die uit de studio, wat losser en speelser vooral. Desondanks gebeurt er op de A-kant niet zóveel spectaculairs. 'Hipsippy Blues' (compositie van Mobley) swingt maar biedt weinig inhoudelijke diepgang, 'Justice' (Thelonious Monk) biedt vooral de kans voor de blazers om de spieren te laten rollen: in beide gevallen valt vooral het rauwe talent van Lee Morgan op. 'The Theme' voelt een beetje als opvulling, en voor de tweede keer schalt de toch wat irritante stem van 'Pee Wee' Marquette uit de speakers. Had van mij niet gehoeven.
De B-kant doet me persoonlijk meer, met een sublieme vertolking van de standard 'Close Your Eyes', en de afsluiter 'Just Coolin'', waarin de romige, melodieuze solo van componist Mobley een mooie combinatie vormt met het meer uitgelaten vervolg van Morgan en Timmons. Ruime 3,5 ster voor de A-kant, krappe 4 voor de B-kant, met gunfactor afgerond naar 4*, met de aantekening dat het (wederom) een album is dat vooral liefhebbers van pure hardbop zal aanspreken.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Buhaina's Delight (1963)

4,0
2
geplaatst: 22 oktober 2023, 19:30 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Freddie Hubbard (trombone); Curtis Fuller (trombone); Ceder Walton (piano); Jymie Merritt (bas)
Lukt me toch niet om hier minder dan vier sterren aan uit te delen. Ik heb alle Jazz Messengers-platen van hiervoor beoordeeld, en was het eigenlijk een beetje beu geworden. Blijkt dit toch gewoon de beste Messengers-opstelling tot nu toe. De energie van Hubbard met de creativiteit van Shorter, Fuller die daarbij een beetje ondersneeuwt maar toch verrassend veel diepgang brengt... en Walton is voor deze band gewoon beter dan al zijn voorgangers. Alles op deze plaat is strak, groovy en superlekker.
Meer dan vier sterren lukt ook niet, want hoewel de Jazz Messengers-pauze die ik had ingelast lang genoeg was om hier weer een beetje met plezier naar te kunnen luisteren, is het ergens ook weer meer van hetzelfde. Maar dan nog beter. Dus.
Lukt me toch niet om hier minder dan vier sterren aan uit te delen. Ik heb alle Jazz Messengers-platen van hiervoor beoordeeld, en was het eigenlijk een beetje beu geworden. Blijkt dit toch gewoon de beste Messengers-opstelling tot nu toe. De energie van Hubbard met de creativiteit van Shorter, Fuller die daarbij een beetje ondersneeuwt maar toch verrassend veel diepgang brengt... en Walton is voor deze band gewoon beter dan al zijn voorgangers. Alles op deze plaat is strak, groovy en superlekker.
Meer dan vier sterren lukt ook niet, want hoewel de Jazz Messengers-pauze die ik had ingelast lang genoeg was om hier weer een beetje met plezier naar te kunnen luisteren, is het ergens ook weer meer van hetzelfde. Maar dan nog beter. Dus.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Des Femmes Disparaissent (1958)

3,0
0
geplaatst: 13 november 2021, 16:29 uur
Met: Art Blakey (drums); Lee Morgan (trompet); Benny Golson (tenorsax); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Opvallend dat deze plaat relatief obscuur is: Miles Davis nam een jaar eerder, in dezelfde stad en voor hetzelfde platenlabel, ook een soundtrack op voor een Franse film, en dat is één van zijn meer geliefde platen. Bovendien is dit volgens mij de enige andere studioplaat die de Messengers maakten met dezelfde bezetting als Moanin’, hun bekendste plaat.
Het zal misschien ook aan de film liggen (slechts twee stemmen op zustersite Moviemeter, gemiddelde 3,00. Ter vergelijking: Ascenseur scoort bij moment van schrijven 3,74/ 441). Met de muziek is verder niet zoveel mis, wat ook wel blijkt uit het feit dat mijn vier Mume-vrienden die al op deze plaat hadden gestemd, er allemaal vier sterren voor over hadden.
Dat feestje verstoor ik een beetje door een vol punt lager te gaan zitten. Dat wil niet zeggen dat ik dit geen enorm aangename plaat vind, met bij vlagen swingend samenspel en alle bandleden die fijne momentjes in de spotlights pakken, met name Golson en Morgan (met hippe demper op zijn trompet). Alleen zorgt de opnamekwaliteit (toch hoorbaar wat inferieur aan de Amerikaanse studios van destijds) en het wat schetsmatige karakter van de veel tracks (vooral aan het begin van de plaat) ervoor dat ik deze, gezien het lijvige oeuvre van de Messengers, waarschijnlijk niet heel vaak meer ga draaien.
Opvallend dat deze plaat relatief obscuur is: Miles Davis nam een jaar eerder, in dezelfde stad en voor hetzelfde platenlabel, ook een soundtrack op voor een Franse film, en dat is één van zijn meer geliefde platen. Bovendien is dit volgens mij de enige andere studioplaat die de Messengers maakten met dezelfde bezetting als Moanin’, hun bekendste plaat.
Het zal misschien ook aan de film liggen (slechts twee stemmen op zustersite Moviemeter, gemiddelde 3,00. Ter vergelijking: Ascenseur scoort bij moment van schrijven 3,74/ 441). Met de muziek is verder niet zoveel mis, wat ook wel blijkt uit het feit dat mijn vier Mume-vrienden die al op deze plaat hadden gestemd, er allemaal vier sterren voor over hadden.
Dat feestje verstoor ik een beetje door een vol punt lager te gaan zitten. Dat wil niet zeggen dat ik dit geen enorm aangename plaat vind, met bij vlagen swingend samenspel en alle bandleden die fijne momentjes in de spotlights pakken, met name Golson en Morgan (met hippe demper op zijn trompet). Alleen zorgt de opnamekwaliteit (toch hoorbaar wat inferieur aan de Amerikaanse studios van destijds) en het wat schetsmatige karakter van de veel tracks (vooral aan het begin van de plaat) ervoor dat ik deze, gezien het lijvige oeuvre van de Messengers, waarschijnlijk niet heel vaak meer ga draaien.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Free for All (1965)

4,0
2
geplaatst: 12 november 2023, 20:38 uur
Volgens de chart van rateyourmusic.com en een paar reacties op deze pagina de beste plaat van de Messengers. Zit wel wat in. Met de recente toevoeging van Reggie Workman (een van mijn favoriete bassisten) heeft de drummer een meesterlijk sextet om zich heen verzameld.
Blakey durft ook wat verder te kijken dan zijn hardbopneus lang is, zo horen we meteen op albumopener en -hoogtepunt 'Free for All', een lekker hectische modale soep met oosterse of mediterrane invloeden die een beetje doen denken aan het beste werk van Joe Henderson op Blue Note.
Uitblinker is componist Shorter, die hier echt als een beest speelt. Op die eerste track heb je bijna medelijden met Curtis Fuller, die helemaal niet slecht speelt, maar die zijn solo moet afwerken tussen die van Shorter en een altijd energieke en hier messcherpe Freddie Hubbard. 'The Core' doet dit later nog even dunnetjes over, en de andere twee tracks zijn ook vrij goed. Het is de eerste plaat van de Messengers in lange tijd die ik ooit nog wel naar 4,5 zie groeien, voor nu een ruime 4.
Blakey durft ook wat verder te kijken dan zijn hardbopneus lang is, zo horen we meteen op albumopener en -hoogtepunt 'Free for All', een lekker hectische modale soep met oosterse of mediterrane invloeden die een beetje doen denken aan het beste werk van Joe Henderson op Blue Note.
Uitblinker is componist Shorter, die hier echt als een beest speelt. Op die eerste track heb je bijna medelijden met Curtis Fuller, die helemaal niet slecht speelt, maar die zijn solo moet afwerken tussen die van Shorter en een altijd energieke en hier messcherpe Freddie Hubbard. 'The Core' doet dit later nog even dunnetjes over, en de andere twee tracks zijn ook vrij goed. Het is de eerste plaat van de Messengers in lange tijd die ik ooit nog wel naar 4,5 zie groeien, voor nu een ruime 4.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Just Coolin' (2020)

3,5
6
geplaatst: 15 november 2021, 22:33 uur
Met: Art Blakey (drums); Lee Morgan (trompet); Benny Golson (tenorsax); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
En dan blijkt er in 2020 gewoon nog een onuitgebrachte studiosessie in het Blue Note archief te liggen van de Jazz Messengers, nochtans met Lee Morgan en Hank Mobley. Kennelijk destijds niet uitgebracht omdat Blue Note de voorkeur gaf aan een liveconcert in Birdland van een maandje later, uitgebracht als At the Jazz Corner of the World, in twee delen.
Die liveplaten moet ik nog becijferen, maar het is op het eerste gehoor een begrijpelijke beslissing. Wel frappant is het dat dit daarna nog 61 (!) jaar op de plank heeft gelegen, en dan ineens alsnog wordt uitgebracht (vanwege de opleving in vinyl wellicht?). Het is in ieder geval geen mislukte sessie, zoals een paar geruchten die ik tegenkwam op het internet beweerden. Hoogstens spelen de Messengers hier iets beheerster, een heel klein beetje statischer dan gebruikelijk, wat doet vermoeden dat de bandleden nog een beetje moesten wennen aan elkaar of aan de composities.
Mobley vliegt er voor zijn doen af en toe best wat onbesuisd in, wat de plaat eigenlijk wel goed doet. Die andere vier zijn sowieso helden, natuurlijk. Persoonlijk zou ik uit de samenwerking Lee Morgan/ Hank Mobley eerder Peckin' Time draaien, of bovengenoemde liveplaten, of zelfs het een jaar eerder opgenomen Monday Night at Birdland. Maar dit is ook gewoon een harstikke lekker plaatje.
En dan blijkt er in 2020 gewoon nog een onuitgebrachte studiosessie in het Blue Note archief te liggen van de Jazz Messengers, nochtans met Lee Morgan en Hank Mobley. Kennelijk destijds niet uitgebracht omdat Blue Note de voorkeur gaf aan een liveconcert in Birdland van een maandje later, uitgebracht als At the Jazz Corner of the World, in twee delen.
Die liveplaten moet ik nog becijferen, maar het is op het eerste gehoor een begrijpelijke beslissing. Wel frappant is het dat dit daarna nog 61 (!) jaar op de plank heeft gelegen, en dan ineens alsnog wordt uitgebracht (vanwege de opleving in vinyl wellicht?). Het is in ieder geval geen mislukte sessie, zoals een paar geruchten die ik tegenkwam op het internet beweerden. Hoogstens spelen de Messengers hier iets beheerster, een heel klein beetje statischer dan gebruikelijk, wat doet vermoeden dat de bandleden nog een beetje moesten wennen aan elkaar of aan de composities.
Mobley vliegt er voor zijn doen af en toe best wat onbesuisd in, wat de plaat eigenlijk wel goed doet. Die andere vier zijn sowieso helden, natuurlijk. Persoonlijk zou ik uit de samenwerking Lee Morgan/ Hank Mobley eerder Peckin' Time draaien, of bovengenoemde liveplaten, of zelfs het een jaar eerder opgenomen Monday Night at Birdland. Maar dit is ook gewoon een harstikke lekker plaatje.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Mosaic (1961)

4,0
4
geplaatst: 29 juli 2022, 18:58 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Freddie Hubbard (trompet); Curtis Fuller (trombone); Cedar Walton (piano); Jymie Merritt (bas)
Een paar maanden na het opnemen voor een plaat voor Impulse duikt Blakey weer de studio in met een op twee plekken gewijzigde band voor zijn volgende plaat op het Blue Note-label. Bij de plaat voor Impulse had ik mijn eigen speurtocht door het Messengers-oeuvre ook even stopgezet, omdat het, zoals ik daar schreef, allemaal een beetje op elkaar begon te lijken in mijn oren.
Dat euvel is er nog steeds wel, al is dit wel een van de betere Jazz-messengers platen denk ik. Dat ligt vooral aan de band: Bobby Timmons wordt vervangen door Cedar Walton, misschien wel de beste Jazz Messengers-pianist tot dusver, en Freddie Hubbard, die Lee Morgan vervangt, is eigenlijk perfect voor de band. Hubbard draagt ook meteen twee composities bij en Walton één, al zijn die niet wezenlijk anders dan de andere Messengers-nummers uit deze periode.
Dat is ook de enige reden dat ik niet helemaal meega in het enthousiasme van Mssr Renard hierboven: Puike band, en het swingt allemaal als een tiet. 'Arabia' vind ik denk ik het beste nummer, maar als je het me over een jaar laat horen denk ik niet dat ik nog zou weten hoe het heet of op welke plaat van de Messengers het staat. Krappe vier sterren toch voor deze: als je toch een plaat van de Jazz Messengers wil draaien, kan het net zo goed deze zijn. Maar ook dat heb ik intussen al wel vaker gezegd, geloof ik.
Een paar maanden na het opnemen voor een plaat voor Impulse duikt Blakey weer de studio in met een op twee plekken gewijzigde band voor zijn volgende plaat op het Blue Note-label. Bij de plaat voor Impulse had ik mijn eigen speurtocht door het Messengers-oeuvre ook even stopgezet, omdat het, zoals ik daar schreef, allemaal een beetje op elkaar begon te lijken in mijn oren.
Dat euvel is er nog steeds wel, al is dit wel een van de betere Jazz-messengers platen denk ik. Dat ligt vooral aan de band: Bobby Timmons wordt vervangen door Cedar Walton, misschien wel de beste Jazz Messengers-pianist tot dusver, en Freddie Hubbard, die Lee Morgan vervangt, is eigenlijk perfect voor de band. Hubbard draagt ook meteen twee composities bij en Walton één, al zijn die niet wezenlijk anders dan de andere Messengers-nummers uit deze periode.
Dat is ook de enige reden dat ik niet helemaal meega in het enthousiasme van Mssr Renard hierboven: Puike band, en het swingt allemaal als een tiet. 'Arabia' vind ik denk ik het beste nummer, maar als je het me over een jaar laat horen denk ik niet dat ik nog zou weten hoe het heet of op welke plaat van de Messengers het staat. Krappe vier sterren toch voor deze: als je toch een plaat van de Jazz Messengers wil draaien, kan het net zo goed deze zijn. Maar ook dat heb ik intussen al wel vaker gezegd, geloof ik.
Art Blakey & The Jazz Messengers - Ritual (1957)

3,5
2
geplaatst: 12 september 2021, 14:28 uur
Met Art Blakey (drums); Jackie McLean (altsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano); 'Spanky' DeBrest (bas)
De sterke lijn van Hard Bop wordt voortgezet op deze plaat. Deze is slechts een maand na die voorganger opgenomen, en werd uitgebracht op Pacific Jazz, van oorsprong vooral een west coast-label dat zich ook steeds meer in de 'wereldmuziek' ging specialiseren.
Misschien vanwege dat laatste dat ruimte wordt gemaakt voor het titelstuk, een drumsuite geïnspireerd op zijn reizen door Afrika. Dit wordt voorafgegaan door een stukje uitleg van Blakey over de rol van drummers in het Nigeriaanse dorpsleven. Boeiend, al zou ik het niet elke dag draaien, en het zorgt voor een prettige balans in een album dat verder gevuld is met foutloze hardbop.
Het felle spel van Blakey trekt ook in die tracks het meeste aandacht. De voorhoede van McLean en (een erg op de erfenis van voorganger Kenny Dorham voortbouwende) Hardman is nooit minder dan solide. Productie is ook lekker rauw en levendig. Al met al best vier sterren waard, al was ik graag nog iets vaker écht van mijn stoel geblazen.
De sterke lijn van Hard Bop wordt voortgezet op deze plaat. Deze is slechts een maand na die voorganger opgenomen, en werd uitgebracht op Pacific Jazz, van oorsprong vooral een west coast-label dat zich ook steeds meer in de 'wereldmuziek' ging specialiseren.
Misschien vanwege dat laatste dat ruimte wordt gemaakt voor het titelstuk, een drumsuite geïnspireerd op zijn reizen door Afrika. Dit wordt voorafgegaan door een stukje uitleg van Blakey over de rol van drummers in het Nigeriaanse dorpsleven. Boeiend, al zou ik het niet elke dag draaien, en het zorgt voor een prettige balans in een album dat verder gevuld is met foutloze hardbop.
Het felle spel van Blakey trekt ook in die tracks het meeste aandacht. De voorhoede van McLean en (een erg op de erfenis van voorganger Kenny Dorham voortbouwende) Hardman is nooit minder dan solide. Productie is ook lekker rauw en levendig. Al met al best vier sterren waard, al was ik graag nog iets vaker écht van mijn stoel geblazen.
Art Blakey & The Jazz Messengers - The Big Beat (1960)

4,0
2
geplaatst: 13 december 2021, 18:56 uur
Ja, prima plaatje dit, het officiële studiodebuut van Wayne Shorter (de opnames van Africaine vonden eerder plaats, maar die bleven tot 1981 op de plank liggen). Ook Bobby Timmons keert na een korte afwezigheid terug op de pianokruk, waarmee een van de meest legendarische bezettingen van de Jazz Messengers een feit is.
De plaat opent met twee nummers van Shorter, waarvan de eerste, het iets te gezapige 'The Chess Players' eigenlijk het zwakste nummer van het album is. De toon wordt daarmee wel meteen gezet: volvette hardbop met een blues-snik en een gospel-handklap. Wat dat betreft geen héél verrassende plaat, misschien dat ik 'Dat Dere' en deze versie van 'It's Only a Paper Moon' er een stukje uit vindt steken maar de kwaliteit is redelijk constant. De plaat moet het ook vooral van het spelniveau hebben, met name de afwisseling en samenwerking tussen Morgan en Shorter is een lust voor het oor.
De plaat opent met twee nummers van Shorter, waarvan de eerste, het iets te gezapige 'The Chess Players' eigenlijk het zwakste nummer van het album is. De toon wordt daarmee wel meteen gezet: volvette hardbop met een blues-snik en een gospel-handklap. Wat dat betreft geen héél verrassende plaat, misschien dat ik 'Dat Dere' en deze versie van 'It's Only a Paper Moon' er een stukje uit vindt steken maar de kwaliteit is redelijk constant. De plaat moet het ook vooral van het spelniveau hebben, met name de afwisseling en samenwerking tussen Morgan en Shorter is een lust voor het oor.
Art Blakey & The Jazz Messengers - The Freedom Rider (1964)

3,5
1
geplaatst: 8 januari 2022, 16:03 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Lekker energiek plaatje weer, wel vrij kort en recht door zee. Tijdens deze sessies uit februari en mei 1961 worden ook de tracks opgenomen die in 1970 zouden worden uitgebracht als het al niet zo uitgelaten Roots & Herbs. Aan productiviteit geen gebrek, al moet ik zeggen dat het lastig wordt de ene plaat uit deze periode van de andere te onderscheiden, als je ze achter elkaar beluistert.
Doet weer niets af aan het lekkere bandgeluid en het talent van de spelers. Blakey zet zichzelf weer fijn in de schijnwerpers met het titelnummer (het is overigens de moeite waard eens op te zoeken wat een 'Freedom Rider' is), al vind ik sommige van zijn eerdere drumstukken persoonlijk nóg enerverender. Favoriet bij mij zijn 'El Toro' en afsluiter 'Blue Lace', allebei met Shorter als uitblinker. Als ik ooit de tijd krijg de Messengers-platen te herbeluisteren, zal deze wellicht een half sterretje groeien en andere platen uit deze periode een half sterretje zakken: het is bij de Messengers erg betrekkelijk allemaal.
Lekker energiek plaatje weer, wel vrij kort en recht door zee. Tijdens deze sessies uit februari en mei 1961 worden ook de tracks opgenomen die in 1970 zouden worden uitgebracht als het al niet zo uitgelaten Roots & Herbs. Aan productiviteit geen gebrek, al moet ik zeggen dat het lastig wordt de ene plaat uit deze periode van de andere te onderscheiden, als je ze achter elkaar beluistert.
Doet weer niets af aan het lekkere bandgeluid en het talent van de spelers. Blakey zet zichzelf weer fijn in de schijnwerpers met het titelnummer (het is overigens de moeite waard eens op te zoeken wat een 'Freedom Rider' is), al vind ik sommige van zijn eerdere drumstukken persoonlijk nóg enerverender. Favoriet bij mij zijn 'El Toro' en afsluiter 'Blue Lace', allebei met Shorter als uitblinker. Als ik ooit de tijd krijg de Messengers-platen te herbeluisteren, zal deze wellicht een half sterretje groeien en andere platen uit deze periode een half sterretje zakken: het is bij de Messengers erg betrekkelijk allemaal.
Art Blakey and His Jazz Messengers with Sabu and a Bongo - Cu-Bop (1957)
Alternatieve titel: The Jazz Messengers Plus Sabu

3,5
3
geplaatst: 20 oktober 2021, 21:09 uur
Met: Art Blakey (drums); Johnny Griffin (tenorsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano); 'Spanky' DeBrest (bas); 'Sabu' Martinez (bongo, conga)
Weer een maand, weer een studiosessie voor de Jazz Messengers: letterlijk, want deze plaat is een maand opgenomen ná A Night in Tunisia en twee maanden na Selections from Lerner and Loewe's... En de dág na de opnames van deze plaat dook iedereen behalve Dockery weer de studion in voor (het veruit superieure) with Thelonious Monk. Drukke baasjes.
Maar eerst dus Cu-bop, een woord dat ik nooit in een andere context heb horen gebruiken. Ik doe de aanname dat het verwijst naar de Cubaanse accenten die percussionist Sabu (en zijn bongo!) toevoegt aan de bop van de Messengers. Toen was dat misschien exotischer dan nu. Desondanks is het een lekker plaatje dat bij vlagen wel wat langdradig aanvoelt als je het thuis op de bank beluistert en niet op een warm strandfeest met een ferme cocktail in je hand (die drumsolo in 'Sakeena'). De speelse Griffin en zeker Kenny Dorham-adept Bill Hardman voelen zich duidelijk lekker in hun vel, en vooral zij maken van Cu-bop een plaat die méér is dan achtergrondmuziek, maar minder dan essentieel.
Weer een maand, weer een studiosessie voor de Jazz Messengers: letterlijk, want deze plaat is een maand opgenomen ná A Night in Tunisia en twee maanden na Selections from Lerner and Loewe's... En de dág na de opnames van deze plaat dook iedereen behalve Dockery weer de studion in voor (het veruit superieure) with Thelonious Monk. Drukke baasjes.
Maar eerst dus Cu-bop, een woord dat ik nooit in een andere context heb horen gebruiken. Ik doe de aanname dat het verwijst naar de Cubaanse accenten die percussionist Sabu (en zijn bongo!) toevoegt aan de bop van de Messengers. Toen was dat misschien exotischer dan nu. Desondanks is het een lekker plaatje dat bij vlagen wel wat langdradig aanvoelt als je het thuis op de bank beluistert en niet op een warm strandfeest met een ferme cocktail in je hand (die drumsolo in 'Sakeena'). De speelse Griffin en zeker Kenny Dorham-adept Bill Hardman voelen zich duidelijk lekker in hun vel, en vooral zij maken van Cu-bop een plaat die méér is dan achtergrondmuziek, maar minder dan essentieel.
Art Blakey and the Jazz Messengers - Drum Suite (1957)

4,0
6
geplaatst: 25 september 2021, 12:36 uur
Erg fraaie plaat van Blakey inderdaad! De A-kant (niet toegeschreven aan de Messengers maar aan 'Art Blakey Percussion Ensemble' is een werkelijk orgastische ode aan Afrikaanse en (vooral) Caribische muziek. Voor de wilde ritmes krijgt Blakey hulp van drumlegende Jo Jones (van Count Basie's band), de puike bopdrummer Charles 'Specs' Wright (ook percussie), en bongospelers Candido Camero en Sabu Martinez (met wie Blakey al eerder een 10"-LP maakte). De percussionisten worden aangevuld met Oscar Pettiford (bas) en een positieve hoofdrol pakkende Ray Bryant (piano). Het resultaat lijkt me onmogelijk te beluisteren zonder een brede grijns en wiegende heupspieren.
Op de oorspronkelijke B-kant staan drie tracks uit de sessies voor Hard Bop (1956) (ook uitgebracht als de bonustracks van de CD-versie van dat album), met de uitstekende Messengers-incarnatie van Blakey met Jackie McLean (altsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano) en 'Spanky' Debrest (bas). Drie fijne, uitmuntend geproduceerde nummers, en als afwisseling met de A-kant een pakketje dat wel aanschaf op vinyl verdient (hoewel je op CD/Spotify weer drie bonustracks krijgt van een obscure, kort bij elkaar gebleven Messengers-variatie met Ira Sullivan (tenorsax); Donald Byrd (trompet); Kenny Drew (piano); Wilbur Ware (bas), die de moeite van het aanhoren zeker waard zijn, met name de solo's van Sullivan).
Op de oorspronkelijke B-kant staan drie tracks uit de sessies voor Hard Bop (1956) (ook uitgebracht als de bonustracks van de CD-versie van dat album), met de uitstekende Messengers-incarnatie van Blakey met Jackie McLean (altsax); Bill Hardman (trompet); Sam Dockery (piano) en 'Spanky' Debrest (bas). Drie fijne, uitmuntend geproduceerde nummers, en als afwisseling met de A-kant een pakketje dat wel aanschaf op vinyl verdient (hoewel je op CD/Spotify weer drie bonustracks krijgt van een obscure, kort bij elkaar gebleven Messengers-variatie met Ira Sullivan (tenorsax); Donald Byrd (trompet); Kenny Drew (piano); Wilbur Ware (bas), die de moeite van het aanhoren zeker waard zijn, met name de solo's van Sullivan).
Art Blakey and The Jazz Messengers - Like Someone in Love (1967)

3,5
2
geplaatst: 2 januari 2022, 10:38 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Uit 1967 (correctie ingediend) maar wel met de befaamde Messengers-opstelling van 1960: deze tracks werden in dezelfde sessies opgenomen als die voor A Night in Tunisia.
Om het te categoriseren als een inferieure restjesplaat, daar is deze band eigenlijk te sterk voor. Maar in contrast met het stormachtige karakter van zijn zusterplaat, opent deze wat tammetjes met het titelnummer, niets meer een degelijk afgewerkte standard. 'Johnny's Blue' staat op naam van Lee Morgan, maar is eigenlijk gewoon een wat voorspelbaar bluesriff, waarin de band zijn spieren kan strekken zonder dat er echt iets heel bijzonders gebeurt.
Op de B-kant staan drie composities van Wayne Shorter, die geen échte klassiekers zijn geworden. Het wordt allicht iets minder voorspelbaar, en de skills van Shorter en Morgan zijn onmiskenbaar, terwijl in de rustigere passages ook Merritt en Timmons goed tot hun recht komen (beluister vooral eens de fraai zwijmelende solo's van Shorter en Timmons op 'Sleeping Dancer Sleep On'). Toch ontstijgt dit album zelden het label 'degelijke hardbop.' Waar natuurlijk niets mis mee is, maar zo hebben we er wel al meer in de kast staan.
Uit 1967 (correctie ingediend) maar wel met de befaamde Messengers-opstelling van 1960: deze tracks werden in dezelfde sessies opgenomen als die voor A Night in Tunisia.
Om het te categoriseren als een inferieure restjesplaat, daar is deze band eigenlijk te sterk voor. Maar in contrast met het stormachtige karakter van zijn zusterplaat, opent deze wat tammetjes met het titelnummer, niets meer een degelijk afgewerkte standard. 'Johnny's Blue' staat op naam van Lee Morgan, maar is eigenlijk gewoon een wat voorspelbaar bluesriff, waarin de band zijn spieren kan strekken zonder dat er echt iets heel bijzonders gebeurt.
Op de B-kant staan drie composities van Wayne Shorter, die geen échte klassiekers zijn geworden. Het wordt allicht iets minder voorspelbaar, en de skills van Shorter en Morgan zijn onmiskenbaar, terwijl in de rustigere passages ook Merritt en Timmons goed tot hun recht komen (beluister vooral eens de fraai zwijmelende solo's van Shorter en Timmons op 'Sleeping Dancer Sleep On'). Toch ontstijgt dit album zelden het label 'degelijke hardbop.' Waar natuurlijk niets mis mee is, maar zo hebben we er wel al meer in de kast staan.
Art Blakey and the Jazz Messengers - Moanin' (1959)
Alternatieve titel: Art Blakey and the Jazz Messengers

4,0
7
geplaatst: 10 november 2021, 19:03 uur
Met: Art Blakey (drums); Lee Morgan (trompet); Benny Golson (tenorsax); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Een dik jaar na hun laatste studioplaat, blaast Art Blakey zijn Jazz Messengers nieuw leven in. Deze aftrap van zogezegd de “Morgan/Timmons/Merritt”-periode is meteen zo'n beetje de bekendste en best gewaardeerde plaat van de groep.
Benny Golson bleef slechts korte tijd een Messenger, maar drukt wel een groot stempel op de plaat. Hij schreef alle nummers behalve het onweerstaanbare titelnummer en de standard ‘Come Rain or Come Shine.’ Lee Morgan, tevens zijn ex-bandmaatje bij Dizzy Gillespie, voelt zich duidelijk senang bij Golsons stijl (zie ook Morgans uitstekende soloplaat Volume 3 van een jaar eerder), en allebei de blazers swingen de pan uit. Morgans kwaliteiten zijn natuurlijk wel algemeen bekend onder jazzfans, maar als ik deze plaat luister vind ik het spel van Golson eigenlijk even indrukwekkend. Ook Timmons en Merritt zijn trouwens aanwinsten, die zorgen voor een wat gelaagder, moderner geluid in de ritmesectie dan hun voorgangers Sam Dockery en ‘Spanky’ Debrest.
Goeie band dus vooral, goeie plaat ook wel, al kom ik nog steeds niet verder dan een ruime vier sterren. De b-kant voelt bij vlagen toch een beetje ‘opvullerig’ aan, veel tof spel maar weinig muzikale ideeën die me echt van mijn stoel blazen. De plaat krijgt wat ‘vinylbonus’ vanwege de dit jaar uitgekomen en door mij aangeschafte heruitgave op Blue Note’s Classic Vinyl Series, die uitmuntend klinkt. Ik had wel graag gehoord waar deze band heen was gegaan als Golson langer was gebleven, al maakte zijn vertrek wel weer ruimte voor de komst van Wayne Shorter (zij het via Hank Mobley).
Een dik jaar na hun laatste studioplaat, blaast Art Blakey zijn Jazz Messengers nieuw leven in. Deze aftrap van zogezegd de “Morgan/Timmons/Merritt”-periode is meteen zo'n beetje de bekendste en best gewaardeerde plaat van de groep.
Benny Golson bleef slechts korte tijd een Messenger, maar drukt wel een groot stempel op de plaat. Hij schreef alle nummers behalve het onweerstaanbare titelnummer en de standard ‘Come Rain or Come Shine.’ Lee Morgan, tevens zijn ex-bandmaatje bij Dizzy Gillespie, voelt zich duidelijk senang bij Golsons stijl (zie ook Morgans uitstekende soloplaat Volume 3 van een jaar eerder), en allebei de blazers swingen de pan uit. Morgans kwaliteiten zijn natuurlijk wel algemeen bekend onder jazzfans, maar als ik deze plaat luister vind ik het spel van Golson eigenlijk even indrukwekkend. Ook Timmons en Merritt zijn trouwens aanwinsten, die zorgen voor een wat gelaagder, moderner geluid in de ritmesectie dan hun voorgangers Sam Dockery en ‘Spanky’ Debrest.
Goeie band dus vooral, goeie plaat ook wel, al kom ik nog steeds niet verder dan een ruime vier sterren. De b-kant voelt bij vlagen toch een beetje ‘opvullerig’ aan, veel tof spel maar weinig muzikale ideeën die me echt van mijn stoel blazen. De plaat krijgt wat ‘vinylbonus’ vanwege de dit jaar uitgekomen en door mij aangeschafte heruitgave op Blue Note’s Classic Vinyl Series, die uitmuntend klinkt. Ik had wel graag gehoord waar deze band heen was gegaan als Golson langer was gebleven, al maakte zijn vertrek wel weer ruimte voor de komst van Wayne Shorter (zij het via Hank Mobley).
Art Blakey and The Jazz Messengers - Roots & Herbs (1970)

3,5
1
geplaatst: 8 januari 2022, 17:50 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Opgenomen tijdens dezelfde sessies als The Freedom Rider, alleen bleven deze nummers tot 1970 op de plank liggen (correctie ingediend). Wellicht vanwege de te grote productiviteit van Wayne Shorter, want alle zes composities zijn van hem. De waardering voor deze plaat lijkt in de loop der jaren te zijn toegenomen, althans in 2020 kwam dit album uit in de 'Tone Poet'-serie van Blue Note. Die heb ik in een impuls aangeschaft toen ik hem een aantal maanden geleden in een platenzaak tegenkwam, en deze klinkt zoals te verwachten als een klok.
Muzikaal vind ik het een gemiddelde plaat van de Messengers uit die periode. Dat wil zeggen, absoluut geen straf om te draaien, maar Shorter blijft grotendeels uit hetzelfde hardbop-vaatje tappen. De drie nummers op de A-kant vind ik alle drie heerlijk, maar als je me zou vragen ze uit elkaar te houden, nou nee. De B-kant heeft met 'United' het meest uitdagende stuk aan het begin staan, en gaat daarna weer op dezelfde voet verder. De band is natuurlijk top, Shorter is zelf de uitschieter. Lee Morgan vind ik eerlijk gezegd op de eerdere platen (iets) beter.
Spijt van de aanschaf van de Tone Poet? Neuh. Al is deze plaat geen uitgesproken favoriet van me, als ik in de stemming ben voor ongecompliceerde hardbop van hoge kwaliteit komt de zwarte plak toch wel geregeld uit de hoes. Eigenlijk (gaan we weer) had ik net zo goed vier sterren kunnen geven).
Opgenomen tijdens dezelfde sessies als The Freedom Rider, alleen bleven deze nummers tot 1970 op de plank liggen (correctie ingediend). Wellicht vanwege de te grote productiviteit van Wayne Shorter, want alle zes composities zijn van hem. De waardering voor deze plaat lijkt in de loop der jaren te zijn toegenomen, althans in 2020 kwam dit album uit in de 'Tone Poet'-serie van Blue Note. Die heb ik in een impuls aangeschaft toen ik hem een aantal maanden geleden in een platenzaak tegenkwam, en deze klinkt zoals te verwachten als een klok.
Muzikaal vind ik het een gemiddelde plaat van de Messengers uit die periode. Dat wil zeggen, absoluut geen straf om te draaien, maar Shorter blijft grotendeels uit hetzelfde hardbop-vaatje tappen. De drie nummers op de A-kant vind ik alle drie heerlijk, maar als je me zou vragen ze uit elkaar te houden, nou nee. De B-kant heeft met 'United' het meest uitdagende stuk aan het begin staan, en gaat daarna weer op dezelfde voet verder. De band is natuurlijk top, Shorter is zelf de uitschieter. Lee Morgan vind ik eerlijk gezegd op de eerdere platen (iets) beter.
Spijt van de aanschaf van de Tone Poet? Neuh. Al is deze plaat geen uitgesproken favoriet van me, als ik in de stemming ben voor ongecompliceerde hardbop van hoge kwaliteit komt de zwarte plak toch wel geregeld uit de hoes. Eigenlijk (gaan we weer) had ik net zo goed vier sterren kunnen geven).
Art Blakey and The Jazz Messengers - The Witch Doctor (1967)

4,0
4
geplaatst: 15 januari 2022, 12:05 uur
Met: Art Blakey (drums); Wayne Shorter (tenorsax); Lee Morgan (trompet); Bobby Timmons (piano); Jymie Merritt (bas)
Meer dan behoorlijk album van deze Jazz Messengers-opstelling, die in een krappe anderhalf jaar genoeg materiaal opnam voor zeven LP's. Daardoor bleven er een aantal op de plank liggen, zo ook deze, die werd opgenomen in maart 1961 maar pas zes jaar later op vinyl werd geperst. Misschien mede daarom niet een van de meest opvallende in het Messengers-canon. De heruitgave in 2021 in de Tone Poet-serie van Blue Note heeft misschien gezorgd voor enige hernieuwde aandacht, maar aan de vele 3*-waarderingen hier (en het gebrek aan berichten) kan ik opmaken dat althans de jazzfans op Musicmeter nog niet per se overlopen van enthousiasme.
Fair enough, want zoals ik al bij andere LP's van dit combo heb opgemerkt, ondanks alle muzikale kwaliteiten klinken de platen niet héél erg verschillend van elkaar, en blijven deze Messengers zeker qua composities en arrangementen wel erg in hun eigen comfort zone hangen. Toch mag deze van mij, met 'A Night in Tunisia' en 'The Big Beat', wel staan tussen de meest voorbeeldige platen uit deze periode.
Lee Morgan lijkt lekker in zijn vel te zitten, Shorter wordt steeds individualistischer en speelt een heerlijke solo in zijn eigen compositie 'Joelle', Bobby Timmons eist soms de hoofdrol op en levert de lekkerste compositie van de plaat ('A Little Busy'), en Blakey drijft het hele zootje met vuur en ontoombare energie aan, en wordt op 'Africaine' ook nog lekker aan het werk gezet.
De verkrijgbaarheid als Tone Poet zou nog een verkoopargument kunnen zijn voor de vinylliefhebber die zoekt naar zeer degelijke, swingende hardbop voor in de platenkast. Ik betwijfel of ik die zelf ga aanschaffen, maar ik teken wel aan dat ik deze iets sterker en afwisselender vind dan de andere Tone Poet-release van deze Messengers-opstelling (Roots & Herbs).
Meer dan behoorlijk album van deze Jazz Messengers-opstelling, die in een krappe anderhalf jaar genoeg materiaal opnam voor zeven LP's. Daardoor bleven er een aantal op de plank liggen, zo ook deze, die werd opgenomen in maart 1961 maar pas zes jaar later op vinyl werd geperst. Misschien mede daarom niet een van de meest opvallende in het Messengers-canon. De heruitgave in 2021 in de Tone Poet-serie van Blue Note heeft misschien gezorgd voor enige hernieuwde aandacht, maar aan de vele 3*-waarderingen hier (en het gebrek aan berichten) kan ik opmaken dat althans de jazzfans op Musicmeter nog niet per se overlopen van enthousiasme.
Fair enough, want zoals ik al bij andere LP's van dit combo heb opgemerkt, ondanks alle muzikale kwaliteiten klinken de platen niet héél erg verschillend van elkaar, en blijven deze Messengers zeker qua composities en arrangementen wel erg in hun eigen comfort zone hangen. Toch mag deze van mij, met 'A Night in Tunisia' en 'The Big Beat', wel staan tussen de meest voorbeeldige platen uit deze periode.
Lee Morgan lijkt lekker in zijn vel te zitten, Shorter wordt steeds individualistischer en speelt een heerlijke solo in zijn eigen compositie 'Joelle', Bobby Timmons eist soms de hoofdrol op en levert de lekkerste compositie van de plaat ('A Little Busy'), en Blakey drijft het hele zootje met vuur en ontoombare energie aan, en wordt op 'Africaine' ook nog lekker aan het werk gezet.
De verkrijgbaarheid als Tone Poet zou nog een verkoopargument kunnen zijn voor de vinylliefhebber die zoekt naar zeer degelijke, swingende hardbop voor in de platenkast. Ik betwijfel of ik die zelf ga aanschaffen, maar ik teken wel aan dat ik deze iets sterker en afwisselender vind dan de andere Tone Poet-release van deze Messengers-opstelling (Roots & Herbs).
