menu

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

A$AP Rocky - Long. Live. A$AP (2013)

4,0
Het blijkt maar weer dat ik een beetje roestig ben geworden in het luisteren van hiphop. Toen enige tijd geleden de video voor single 'Goldie' op het forum van Musicmeter werd geplaatst, met enthousiaste geluiden van de hiphopfans van deze site, zag ik er niets anders in dan een stonede donkere man die een beetje stoer stond te oudehoeren voor de Eiffeltoren over een nogal stroperige beat.

Het was, op zichzelf, een accurate analyse, maar het verklaart niet waarom een paar weken geleden datzelfde nummer ineens praktisch op repeat stond bij mij thuis. Maar misschien moet je ook niet alles willen verklaren, zijn sommige dingen gewoon Retegaaf. En dat lijkt het ding zo'n beetje te zijn wat A$ap Rocky te pakken heeft op deze plaat: retegaafheid.

Hoewel het album modern klinkt (of het echt 'vernieuwend' is laat ik aan de experts over) hoeft dat geen criterium te zijn voor genoemde retegaafheid. De ensemblerap '1Train' is het beste nummer van het album maar de productie is bijna vintage. Samen met de voorgangers, het heerlijk vuilbekkende 'Fuckin' Problems' en 'Wild For The Night' een samenwerking met de door electronicapuristen vervloekte Skrillex die net zo goed retegaaf uitpakt (wat sommige bovenstaande commentaren ook zeggen), is dit een blok op het album van zulke beukende, banale goddelijkheid dat het eigenlijk elke analyse overstijgt.

Niet alles is hallelujah, wisselvalligheid speelt deze plaat soms een beetje parten, net als de beslissing om veel gelijksoortige nummers bij elkaar te zetten. Dat laatste pakt niet echt goed uit. Als je het mij vraagt (doet niemand, ga het toch vertellen) had je het beste zo weinig mogelijk kunnen kunnen afklokken na het hoogtepunt van de plaat. Ik tel de bonustracks even niet mee, en stel voor dat we na '1Train' alleen nog 'Phoenix' zetten als passend deprimerende afsluiter, 'Fashion Killa' naar het begin verplaatsen ter vervanging van het flauwe 'PMW' en 'Suddenly' als hoognodig rustpunt zetten tussen 'Wild For The Night' en '1Train'. Had A$ap die sequentie aangehouden, en ook het saaie 'Pain' laten vallen, dan had ik met gemak een half sterretje hoger gestemd en wellicht een woord als 'meesterwerk' van stal gehaald.

Maar goed, haters gonna hate enzo, En die tracks die ik minder vind worden door anderen weer verdedigd als hoogtepunten, deze site kennende. We kunnen er ten slotte ook nog even aan twijfelen of A$ap Rocky als mc op zichzelf interessant genoeg is om meerdere jaren boeiend te blijven. Eén retegave plaat heeft ie in ieder geval al op zak.
Moraal van het verhaal: geen.

Alice Coltrane - Ptah the el Daoud (1970)

3,5
Ik heb stukken gelezen waarin vurig werd beweerd dat er meer aandacht zou moeten komen voor Alice Coltrane als solomuzikant. Net zo vurig beweren weer andere schrijvers dat geen mens haar gekend zou hebben als ze niet getrouwd was geweest met één van de grootste iconen van de jazz. Wat mezelf betreft, ik vind haar pianospel op de latere platen van echtgenoot John wel tof (al hoor ik persoonlijk iets liever Tyner), en toch is dit pas de eerste plaat van Alice Coltrane die ik vaak genoeg luister om er een beoordeling aan te geven.

Onbewust 'vrouw van'- vooroordeel aan mijn kant? Wie weet, al denk ik eerder dat ik gewoon van nature niet zo neig naar 'spirituele' sfeertjes (haar man is een beetje een uitzondering hierop), en als je deze plaat ziet, met die bizarre titel en spuuglelijke hoes, zou je eerder een soort Trash Metal uit de jaren tachtig verwachten dan een mooie jazzplaat. Niet echt uitnodigend.

Een mooie plaat is het in ieder geval juist wel. Ik vond de muziek op Ptah eigenlijk heel toegankelijk, harmonieus, en ook verrassend, nou ja, normaal, eigenlijk. Meditatief? ja hoor. Oosterse invloeden? Meer dan genoeg. Maar altijd vanuit een sterke groove, en met ruimte voor rijke melodieën. Goede side men ook. Ik heb persoonlijk Joe Henderson als tenorsaxofonist hoger zitten dan Pharoah Sanders, en dat wordt hier wel bevestigd, al maken beide blazers zich ondergeschikt aan de totale sfeer. De ritmesectie wordt goed aangevuld door meesterbassist Ron Carter en bopveteraan Ben Riley. Toppersoneel.

Niet te vergeten mevrouw Coltrane zelf, die met veel beheersing en gevoel speelt. Op de tweede track (eigenlijk wel mijn favoriet) laat ze haar linkerhand de dienst uitmaken op een manier die bijna aandoet als Oscar Peterson of, ironisch genoeg, McCoy Tyner. Op track 3 verruilt ze de piano voor de harp, wat in ieder geval weer eens wat anders is, en eigenlijk best goed werkt.

De reden dat ik niet hoger kom dan 3,5* is alleen dat het me allemaal toch te weinig écht grijpt. In de weken dat deze plaat meedraait in mijn rotatie heb ik hem nooit met tegenzin opgezet, en me nooit geërgerd aan de muziek op de achtergrond, maar de klik die sommigen hierbij voelen, die beleving die je moet hebben om een plaat echt als favoriet te bestempelen, die ervaar ik nog niet.

Ik zie nergens aanleiding om nooit meer een plaat van Alice Coltrane te proberen, of om haar af te schrijven als iemand die zonder haar echtgenoot niets had bereikt. Ik denk echter niet dat het sfeertje dat wordt neergezet op Ptah, The El Daoud echt de mijne is. Wellicht dat de liefhebbers me een plaat kunnen aanraden die beter in mijn straatje past?

alt-J (∆) - An Awesome Wave (2012)

3,0
Laten we de recensie maar meteen aftrappen met gezeur: wat een vre-se-lij-ke albumtitel, zeg. 'An Awesome Wave'. Je kunt je plaat wel net zo goed meteen 'The Great Love' noemen, of zoiets. Misschien mis ik hier een diepere betekenis of verwijzing, maar ik vind dat woorden, als ze in een creatieve context worden gebruikt, best wel iets mogen betekenen.

Soit, we laten dit punt rusten en gaan verder met een bekentenis: dit is een bespreking door iemand die deze plaat waarschijnlijk nooit meer dan één keer zou hebben beluisterd, ware hij niet met zulke overmacht de nummer 1 geworden over 2012 volgens de Nederlandse pers en Musicmeter. Niet eens dat het per se mijn soort muziek niet is, maar tussen alle platen die in de aandacht komen moet men een selectie maken, en als men bij de eerste keer luisteren denkt: klinkt niet zo interessant, is er meestal niet zo veel tijd of reden voor men om daarop terug te komen. Toch kan de populariteit van een plaat dan reden zijn om toch voor een tweede kans te gaan, bij deze dus. Ik zal mijn uiterste best doen deze recensie te vrijwaren van dat onuitstaanbare 'deze plaat is niks en jullie zijn allemaal hypegevoelige meelopers'-ondertoontje dat dit soort recensies vaak kenmerkt.

Verder kan ik helaas niet zo veel betekenen voor de liefhebbers, want dat ik nou echt ondersteboven geblazen ben door deze plaat, nou nee. De argumenten die ik meestal hoor om de populariteit van dit debuut te verklaren zijn dat de liedjes zo mooi zouden zijn, en dat de plaat zo fris en avontuurlijk zou zijn.

Wat de liedjes betreft hoor ik het in ieder geval niet echt. Goed, ik steek mijn duimen omhoog voor de fraaie afsluiter 'Taro' en 'Breezeblocks' krijgt ook een half puntje, maar verder? Ik heb wellicht een wat achterhaald beeld bij het fenomeen 'liedje', in zoverre dat ik me bij een 'goed liedje' iets voorstel dat ook in zijn meest kale versie, gespeeld door een zanger alleen met een akoestische gitaar, overeind blijft staan. Ik hoor persoonlijk niets in liedjes als 'Tessellate' of 'Matilda' dat volgens dat criterium beter dan pover zou scoren, tenzij de songschrijver misschien vocaal enorm sterk zou zijn.

Dan komen we tussendoor nog even langs een ander probleempje, die wat schelle, vlakke stem van de zanger, die me na drie nummers altijd al flink gaat tegenstaan. Maar dit is het meest subjectieve argument dat er bestaat. Ik heb een theorie dat de waardering van een bandje ten eerste samenhangt met de positieve klik die de luisteraar maakt met het geluid van de vocalen. In dit geval dus slecht nieuws voor mijn relatie met deze plaat.

Dan nog even over het 'avontuurlijke' van deze cd. Dit is sowieso een criterium waar ik wel wat moeite mee heb. Tegenwoordig lijkt iedereen die wat genre-elementen door elkaar husselt en wat rare geluidjes door de achtergrond mixt in aanmerking te komen voor het predikaat 'grensverleggend', maar hoeveel muzikanten zijn dat nou echt?

In het geval van Alt-J kunnen we vaststellen dat ze, voor een jonge band, al redelijk een eigen geluid hebben, dat niet heel erg klinkt als een kopie van iets anders. Dat is prima, en knap, en daarvoor verdienen ze enige waardering en aandacht. Toch zie ik niet hoe deze muziek qua 'avontuurlijkheid' iets zou toevoegen aan wat een - op bepaalde punten - vergelijkbare act als TV On The Radio al zes jaar geleden deed.

Wel staat de plaat vol van de gekke mixdingetjes, rare bokkensprongen, wazige gitaargeluidjes, en dat soort dingen. Op bepaalde momenten vind ik het eerder afleiden van de liedjes dan iets toevoegen, en soms lijkt het ook de gebreken van de liedjes te camoufleren.

Toch zit hier ergens de belangrijkste kwaliteit van de plaat. Elk nummer heeft wel één moment dat alles muzikaal even in elkaar valt. 'Fitzpleasure' bijvoorbeeld, kan me als liedje gestolen worden, maar die moes van zware ritmesectie, synthesizers en gitaren waar het refrein op drijft is wel echt enorm lekker gedaan.

Het is voldoende om de aandacht voor deze band in ieder geval begrijpelijk te maken voor mij, al is het plezier dat ik eraan beleef samen te vatten als: drie sterren.

Arcade Fire - Everything Now (2017)

3,0
Arcade Fire is, arguably, 's werelds grootste alternatieve rockband zonder een echte hit. In de tussentijd hebben ze, over vier elpees, wel zo'n beetje een hele levenscyclus doorlopen, van jeugdige Sturm und Drang op Funeral ('When daddy comes home/ we always start a fight/ so the neighbors can dance/ to the police lights') tot een midlife crisis- achtige delusie op Reflektor ('We fell in love/ when I was nineteen/ and now we're staring at a screen'). Intussen is Win Butler pas 37, en is het misschien inderdaad tijd om werkelijk aansluiting te zoeken bij een mainstream-publiek.

Ik zou mezelf niet omschrijven als een groot Arcade Fire-fan, toch heb ik al hun albums redelijk grondig beluisterd. Hun veelgeprezen optreden op Best Kept Secret heb ik grotendeels gemist omdat ik op dat moment nog aan het grooven was op/ afkoelen was van het weergaloze optreden van Thurston Moore (no regrets, overigens).
Ik merk dat ik op elke AF-plaat dingen heb gevonden om van te houden, maar ook tegen steeds dezelfde irritaties aanloop, bijvoorbeeld een nogal pompeuze nadruk op diepzinnigheid die ze niet altijd kunnen waarmaken. Het maken van een pure popplaat zou die laatste irritatie kunnen wegnemen, maar... niet echt. Als ik Butler hoor kwelen over jongens en meisjes die zeggen: 'God/ make me famous/ or if you can't/ just make it painless', heb ik nog steeds de neiging om een beetje met mijn ogen te rollen.

Maar die track ('Creature Comfort') is nog altijd wel een goed liedje, en dat is ook altijd de verlossende kwaliteit geweest van Arcade Fire: ze kunnen soms verdomd mooie liedjes schrijven. Verder heb ik altijd de aangename tegendraadsheid van hun werk plezierig gevonden. Denk de maniakale gitaarsalvo's van 'Power Out', of de gorgelende kerkorgels op 'Intervention'.

De wat gladde productie op Everything Now weet dat laatste op een haar na te vernietigen. We moeten het doen met wat gerag op 'Infinite Content' (waardeloos nummer verder), en wat meer subtiele accenten in de andere nummers. Nu is het zeker mogelijk dat bij herhaalde beluistering het geluidsbeeld van deze plaat rijker is dan het lijkt, terwijl de songs meer in mijn systeem komen en kleine details gaan opvallen. Maar, en dit is wellicht een vooroordeel: Arcade Fire is nooit echt een band geweest die ik associeerde met 'subtiliteit.'

Het grootste probleem van deze laatste worp is echter, en ik weet dat ik niet de eerste ben die hiermee komt, dat een aantal songs echt van bedenkelijk niveau zijn. Met name het middenstuk van de plaat klinkt als een verzameling lauwe B-kantjes. Dit is een euvel waar Reflektor al onder leed, en in mindere maten de voorgaande platen ook, en in wezen is het hier minder irritant, omdat 'Everything Now' korter is, puntiger.

Maar de productie temt ook het heilige vuur waar de band eerder in hun loopbaan minder geslaagde tracks mee camoufleerde ('Normal Person' van hun vorige plaat is een voorbeeld wat in me opkomt van de gave van de band om een betrekkelijke drol op te poetsen tot een betrekkelijke crowdpleaser).

Al met al blijft de indruk hangen van een band die beter wat selectiever had kunnen zijn, of een paar maanden extra had kunnen besteden aan het schrijven van de songs. Met halfbakken tracks als 'Peter Pan' maakt Arcade Fire het wel erg makkelijk voor zijn criticasters.

Zonde, want in bijvoorbeeld het titelnummer (dat zich bij elke herbeluistering meer openbaart als een bona fide anthem) of het aandoenlijke We Don't Deserve Love hoor je de potentie voor wat, met wat extra zorg en aandacht, één van de meest weergaloze popplaten van het decennium had kunnen worden. Voor nu kan ik niet meer zeggen dan dat ik het zonder tegenzin vijf keer heb uitgeluisterd, en een paar keer echt opveerde uit mijn stoel. We mogen meer verwachten van Arcade Fire, denk ik, ook als 'niet echt superfan.'

Arcade Fire - The Suburbs (2010)

4,5
Nu lijk ik misschien een grote meeloper, Arcade Fire ontdekken juist nadat ze een Grammy hebben gewonnen. Je weet nooit wat mensen gaan denken. Daarom, voor de goede orde, mijn ervaringen met de band tot een paar weken geleden: ik heb een keer of tien geprobeerd Funeral uit te zitten, en van Neon Bible heeft één nummer (Keep The Car Running) een tijdje op mijn mp3-speler rondgezworven. Ik heb sommige van hun nummers wel leren waarderen, maar op een of andere manier pakte hun muziek mij nooit echt bij de lurven. Als je het zou willen rationaliseren, zou je kunnen zeggen dat ik het te wollig en bombastisch vond, en dat ze die pseudo-zwaarmoedige underground cool naar mijn smaak te ver doordreven.

Van stijl zijn ze niet echt veranderd, zover ik kan nagaan, dus waarom dan mijn hoge cijfer voor deze cd? Geen idee, die dingen gebeuren vanzelf, neem ik aan. Een aanleiding voor mijn bekering valt wel aan te wijzen, omdat ik meespeelde met de Song van het Jaar 2010-competitie op deze site, waar een aantal nummers van deze plaat langskwamen. Zo ontdekte ik het titelnummer van The Suburbs, en na een paar keer luisteren begon ik te beseffen dat ik voor het eerst een Arcade Fire-nummer had gevonden dat ik niet alleen 'wel leuk´ vond, maar ronduit fantastisch.

De plaat staat hier inmiddels al een paar weken overuren te maken, en wordt in toenemende mate een van mijn favoriete platen van de laatste tijd. Hoewel dit thematisch waarschijnlijk een soort conceptalbum is, is juist de afwisseling tussen de songs wat ik het meest indrukwekkend vind. Eigenlijk onderscheidt iedere track zich van de rest van het album, ieder liedje is voedzaam, intrigerend, een wereldje op zich.

Referenties die in me opkwamen waren Neil Young en Abba. Van die eerste leent Arcade Fire de tegendraadse passie en de enigmatische, bedachtzame teksten, van Abba het gelikte gevoel voor melodie en productie. Ik dacht dat deze observatie ontzettend goed gevonden was van mezelf, maar toen ik een paar dagen geleden de recensies bij deze plaat doorbladerde bleek Aerodynamic dezelfde namen al te namedroppen in zijn bespreking.

Tsja, je hebt altijd mensen die er eerder bij zijn. Zelf ben ik voor dit moment tevreden met mijn late ontdekking van een band die vele anderen alweer hebben uitgekotst. Van mij had The Suburbs tien minuten korter mogen duren (geen enkele track is filler, maar sommige zijn wel aan de lange kant), en Win Butler zal bij mij nooit een lijstje halen van favoriete zangers, maar verder: weergaloze plaat.

Eens kijken of mijn waardering zo hoog blijft, en dan binnenkort op mijn gemak de rest van hun oeuvre eens doornemen, kijken of ik iets heb gemist.

Archie Shepp - Fire Music (1965)

4,0
Normaal gesproken als ik nieuwe platen luister komt er een moment, na vijf á tien luisterbeurten, waarop ik het idee heb grip op de muziek te hebben gekregen. Meestal volgt er dan een beslissing: óf ik ben fan en verslaafd en ik ga dit de komende tijd nog veel vaker luisteren, óf een album verdwijnt in de platenkast/op een usb-stick totdat ik -edelmoedig als ik ben- besluit de muziek een herkansing te geven.

Fire Music lijkt hierop een uitzondering te gaan worden: ik heb de cd al ergens in de herfst aangeschaft, en ik luister het elke week nog wel. Maar om nou te zeggen dat ik echt wordt meegesleept en geraakt als ik luister naar de freejazz-streken van Archie Shepp? Mwah.

Ik heb dus nog steeds, na maanden van oplettend luisteren, totaal geen grip op deze muziek: dit ergert en boeit me mateloos. Alleen al daarvoor krijgt deze plaat 3,5 sterren. Hoger wil me voorlopig niet lukken, hoewel ik niet echt kan aanwijzen waarom niet. Er wordt op zich prima gemusiceerd op Fire Music, vooral het drumwerk van Joe Chambers vind ik uitstekend. Maar ergens heb ik gewoon geen toegang tot deze muziek. Het is alsof je Buckingham Palace bezoekt: ik kan wel van buitenaf kijken hoe mooi het gemaakt is, maar ik kan moeilijk naar binnen stappen, op een bank neerploffen en me thuis voelen.

Dit wordt misschien één van die stukken die ik over een paar jaar nalees en dat ik dan denk: ‘Puh, wat was ik arrogant toen, als mannetje met misschien veertig jazz-cd’s, om te denken dat ik een oordeel kon vormen over Shepps meesterwerk.’
Nou ja, als je geen fouten durft te maken, dan kun je net zo goed geen mening vormen. Ofzo.

Dank is verschuldigd aan Heemskerktollie, voor de tip.

Arctic Monkeys - AM (2013)

3,5
Oké, ja, mmm, oké.

Ik moest lang twijfelen over deze. De eerste paar keer leek Alex Turner wel erg ver weggedwaald naar dat klonterige neoromantische nepuniversum van de Richard Hawleys van deze wereld. Daar krijg ik een beetje jeuk van.

Dat probleem speelde ook al wel een beetje op hun vorige plaat, en AM gaat ook grotendeels verder op het pad waar die ophield (van een terugkeer naar hun 'oude werk' is duidelijk geen sprake, tot teleurstelling van ongetwijfeld velen). Waar 'Suck It And See' aanvoelde als incoherente maar fascinerende opiumdroom -tegelijkertijd de grote kracht en zwakte van die plaat- is deze nieuwe plaat coherenter, meer uitgedacht. Dus kun je wellicht toch zeggen dat de apen wat van de focus hebben teruggevonden die ze na hun tweede plaat een beetje waren kwijtgeraakt.

Niet dat deze plaat vrij is van rare bokkensprongen, of kleine details die de liedjes kruiden. Het zijn juist dat soort momenten (de solo in 'Arabella', het stukje r & b in 'Knee Socks') die het meest de aandacht trekken op de plaat. Maar meer dan ooit staan het liedje hier centraal, melodieën en refreinen vóór branie.

De meeste van die liedjes overtuigen uiteindelijk wel. Qua songwriting blijft dit een band die in het oog springt. Als tekstschrijver houdt Turner het redelijk recht door zee, maar een simpele regel als 'I've dreamt about you nearly every night this week' doet een gevoel voor klank en woordkeuze vermoeden waaraan dichters van tweemaal zijn leeftijd nog een puntje kunnen zuigen.

Wat aan AM echter vooral opvalt, is de precisie waarmee de liedjes in elkaar zitten. Overwegend wat bedeesde, simpele couplet/refrein liedjes, die bij de eerste beluistering een beetje van me afgeleden, maar uiteindelijk toch steeds weer opnieuw op de gekste momenten in mijn hoofd opkwamen. Knap werk op zich.

Wat alles hierboven betreft dus geen klachten. Blijft over: de discussie over urgentie. Ik ben het eens met een paar eerdere berichten hier dat urgentie belangrijk is, en ook dat het een probleem is voor deze plaat. Ik sluit me echter niet aan bij dat gelul (sorry) over zeitgeist of politieke betrokkenheid. Interesseert me niet, het is juist liefdesverdriet en seksuele frustratie die vaak de meest urgente platen veroorzaken. Nu is Alex Turner nog steeds gek op meisjes, daar niet van: de onbereikbare femme fatales, de liefjes voor één nacht, en alles daar tussenin, allemaal paraderen ze weer gracieus voorbij op deze plaat.

Het geflirt van Turner met mooie meisjes en lange avonden is onderhoudend, maar over het algemeen lijkt de band iets te comfortabel met zichzelf, met hun hipster-romantiek en fucking arpeggio gitaartjes, om echt bij de strot te grijpen. Is dit een urgente plaat, een plaat die gemaakt werd uit noodzaak? Waar de Monkeys in hun begindagen twee meesterwerken maakten zonder het echt zelf te beseffen, en hun eigen hype met een wantrouwende blik aankeken, lijken ze nu bijna naar de andere kant te zijn doorgeschoten. Professionals zijn het geworden, die slimme, effectieve popliedjes maken. Liedjes die boeien, die in mijn hoofd blijven plakken, maar me nog niet echt hebben doen ontvlammen in wild enthousiasme. Een geslaagde plaat dus, geen grootse.

Arctic Monkeys - Humbug (2009)

4,0
Ok, even weer over Humbug mensen. De cd is namelijk gisterenmiddag in de brievenbus gedaan, en maakt op dit moment zijn eerste draaibeurten op mijn computer. Voor het geval er meerdere versies zijn, ik heb de kartonnen versie met tien nummers erop.

Het hoesje is, in het echt, mooier dan het lijkt op de internetafbeelding. De voorkant is trouwens een foto van de heren zelf, en ook in het boekje staan een aantal bandfoto's. Het lijkt wel een fotoalbum van hun vakantie in de woestijn.
'Who cares?', zullen de puristen onder jullie zeggen, maar in vergelijking met de ontwerpen van hun vorige platen vind ik dit een opvallend en noemenswaardig detail.
Ook opvallend (en fijn) is dat de band voor de eerste keer heeft besloten de fraaie teksten van Alex Turner af te drukken in het boekje.

Hiervoor kende ik Humbug al een aantal weken. Natuurlijk zou ik nooit op een illegale manier naar muziek luisteren, maar een of andere onverlaat had een aantal weken geleden al een illegaal gelekte kopie van de plaat in mijn brievenbus gedaan. Ik wilde deze natuurlijk meteen in de vuilnisbak gooien, maar ik gooide per ongeluk mis, waardoor het schijfje klem kwam te zitten in mijn speler. (En wat is jullie excuus?)

Nadat ik ze had gezien op Pukkelpop, besloot ik 'm pas weer te gaan draaien als ik het orgineel in mijn handen had (eerst natuurlijk die illegale kopie met koevoet uit mijn speler moeten wrikken...).

Ik weet niet of het door de luisterpauze komt of door het kwaliteitsverschil tussen van het internet geplukt en the real thing, maar Humbug klinkt helderder en gedetailleerder dan ik me kan herinneren.

De groep, die zich tot nu toe heeft onderscheiden met twee minuten durende, stekelige, alle kanten uit springende rockliedjes vond het duidelijk tijd om een andere kant uit te gaan. In meer uitgesponnen liedjes, weven de Arctic Monkeys hier geluidstapijten met gitaren, bas, toetsen en achtergrondzang die vaak flirten met jaren '70 rock en het woestijngeluid van (voornaamste) producer Josh Homme.
(Mensen die ontkennen de invloed van Homme op dit album te kunnen horen zijn echt gek: zoiets als Potion Approaching is pure QOTSA ten tijde van Lullabies To Paralyse.)
Deze geluidslagen zijn vaak spannend, meestal moeilijk te doorgronden, maar op lange termijn verdacht verslavend.

Behalve Homme laten ook the Last Shadow Puppets wel degelijk hun sporen na op Humbug. Soms letterlijk, zoals in de coda van Secret Door (U weet wel: 'fooools on parade...'), maar vooral in de manier waarop Alex Turner zingt: gevarieerder, met meer drama maar ook meer beheersing. Volwassener, zullen we dan toch maar zeggen (al is het wel te hopen dat die shoegaze-houding die hij op Pukkelpop liet zien een fase is, we zullen zien, we zullen zien 11 nov in de HMH).

De reden dat ik de drums nog niet heb genoemd, is omdat Matt Helders natuurlijk een eigen alinea verdient waarin zijn kont wordt gekust. Bij deze dus: Die roffel in het couplet van My Propeller! Die percussiegeluidjes in Dangerous Animals! Potion Approaching! Dance Little Liar! Verrek, de hele plaat is hij weer in topvorm.
Ik zeg hier niets nieuws voor de mensen die de band ooit live hebben gezien, maar als Turner het genie van de band is, dan is Helders de motor.

De liedjes op Humbug zijn meestal dik in orde, met als voorbehoud dat Turner zijn zangmelodiën vaker ondergeschikt maakt aan de muziek dan eerder het geval was. Sommige tracks komen daardoor als liedjes wat minder uit de verf terwijl ze op zich wel boeiend zijn om naar te luisteren (Dangerous Animals, Pretty Visitors). De sterkste tracks zijn wat mij betreft momenteel de slepende single Crying Lightning, het prachtig doorvoelde Dance Little Liar en het melancholisch groovende The Jeweller's Hands.

Maar wacht, ik heb ook nog (een beetje) kritiek. Allereerst dat de plaat een beetje te veel in midtempo blijft hangen. Misschien dat de sfeer van de plaat eronder had geleden als ze een Brianstorm- of View From The Afternoon-achtige track hadden toegevoegd, maar toch vind ik, na enige luisterbeurten, nog steeds dat de plaat soms op het randje van de lamlendigheid balanceert.

Een tweede punt, misschien tegenstrijdig met het eerste, is dat de groep buiten de sessies met Josh Homme nog extra nummers heeft opgenomen met vertrouwde producer James Ford. De drie tracks met Ford die op het album terecht zijn gekomen (My Propeller, Secret Door, Cornerstone) zijn op zich uitstekend, maar er spreekt toch iets uit van: 'laten we iets toegankelijkers maken, zodat mensen niet teveel op de proef worden gesteld.'
Gezien de koerswijziging is dit begrijpelijk, maar het had de AM gesierd als ze dat juist niet hadden gedaan, en ons als luisteraar helemaal in het diepe hadden gegooid. Vooral als je bedenkt dat alleen de sessies in de woestijn al meer dan twintig nieuwe tracks hebben opgeleverd. Humbug bestaat echter uit slechts tien tracks, omdat de band wilde dat alles zou passen op één lp.
De outtakes gaan we waarschijnlijk alleen horen als we ons blauw betalen aan singles en speciale uitgaves of *GASP* illegaal gaan downloaden (stuur me een bericht als je weet hoe ik eraan kan komen) (daar gaat m'n reputatie).

Ergens vermoed ik dan ook dat we de meest extreme en spannende dingen uit deze sessies nog niet hebben gehoord. Hiermee lokken de AM zelf de mening uit dat we hier met een 'overgangsplaat' te maken hebben van een groepje dat probeert een nieuwe richting te zoeken 'na de hype'.
Maar zoals ik al eerder heb gezegd op dit forum: de band verdient meer dan dat, en deze plaat verdient meer dan dat. Een stevige vier sterren om precies te zijn, neigend naar een halve erbij.

Ben je nog steeds aan het lezen? Zoek een baan! Nee grapje, bedankt voor het lezen. Vrede. Luister naar de Arctic Monkeys. Ik ben fan. De pers is fan. Puff Daddy is fan. En jij?

Een 'Humbug' is trouwens van oorsprong een Engels snoepje met een smakeloze buitenkant, zodat je er een tijdje op moet zuigen voordat je de zoete binnenkant proeft.

Arctic Monkeys - Suck It and See (2011)

4,0
More like black treacle/ than tar

Het was een eigenaardige move voor een band waar zo veel belangstelling voor bestaat als voor de Arctic Monkeys: het eerste nummer wat lekte van de nieuwe plaat werd gezongen, of eigenlijk gescandeerd, door de drummer. Vervolgens brachten ze als eerste single een absurde exercitie in melige stonerrock uit, omdat (ik citeer Alex Turner): ‘It’s loud. Riffs. Funny.’

Toegegeven: het getuigt van zelfrelativering, en, nog belangrijker, een fijne fuck you houding naar iedereen die klaar staat om de band de grond in te stampen, of juist dweperig de hemel in te prijzen. Het is waarschijnlijk de enige gezonde manier waarop je als jonge rockband kunt omgaan met succes, waarmee je je onafhankelijkheid kunt bewaren. Een band met een songschrijver als Alex Turner in de gelederen, verdient het ook zeker om in alle rust, onder hun eigen voorwaarden, te groeien.

Een songschrijver als Alex Turner, die na zijn Last Shadow Puppets-avontuur misschien gedacht heeft: ‘no way dat ik terugga naar die brutale, snelle rocksongs die we eerst speelden.’ De eerste twee vrijgegeven nummers van Suck It And See, Brick By Brick en Don’t Sit Down Cause I’ve Moved Your Chair, zijn dan ook niet representatief voor de plaat. De nadruk ligt hier juist op dromerige, melancholieke songs met rijke, zwierige melodielijnen.

Het is me onduidelijk wat de rest van de band , stoere jongens uit Sheffield, vindt van deze nieuwe stijl. Denken ze: ‘wat mooi, die verworven diepgang’? Of bijten ze op hun tanden tijdens het reperteren: ‘gingen we maar weer eens lekker rocken.’?

Oordelend naar Suck It And See lijken de andere bandleden de nieuwe songs wel degelijk te voelen. Van nature speelt de band luid, intens, vrij agressief, en dat wordt ook niet weggepoetst op deze plaat. Soms zit deze natuurlijke stijl de liedjes wel een beetje in de weg, zoals op Reckless Serenade. Maar overwegend weten ze de sfeer van Alex Turners woorden en zanglijnen goed te ondersteunen, en bouwen ze eigen lagen van diepgang in de liedjes.

Een songschrijver als Alex Turner: onbetwistbaar een van de beste tekstschrijvers onder de jonge rockmuzikanten. Tijdens sommige momenten op Suck It And See lijkt hij wel een beetje te verslaafd te raken aan zijn talent voor oneliners, en soms dringt ook de vraag zich op die zorgde dat Humbug net geen meesterwerk werd: ‘Moet je niet iets minder blowen, vriend?’

Neem nou dit stukje tekst uit (het verder prachtige) That’s Where You’re Wrong:

Jealousy in technicolour
Fear by name than love by numbers
Street lamp amber wanderlust
Powder in a blunderbus


Best aardig verwoord, hoor, maar wat betekent het in godsnaam?

Daar tegenover staat dan weer het beslist Leonard Coheneske (!) Love Is A Laserquest:

And when I’m hanging on by the rings of my eyes
And I convince myself I need another
For a minute it gets easier
To pretend that you were just some lover


Het valt op dat Suck It And See als geheel frisser klinkt dan het toch wat zwaar op de maag liggende Humbug. De beste vergelijking is misschien, dat als Humbug Queens Of The Stoneage was, is deze plaat The Smiths. In het veelvuldige gebruik van rinkelende gitaarlijnen in combinatie met dromerige, poëtische zanglijnen, lijkt het tandem Morrissey/ Marr mij de meest voor de hand liggende referentie.

Ik heb niets met The Smiths, heel eerlijk gezegd, en van die vijf Smiths-klonen die jaarlijks op ons losgelaten worden als next big thing moet ik al helemaal niets hebben. Misschien dat ik daarom deze plaat eigenlijk geen klap aan vond, toen ik hem voor het eerst beluisterde op de Luisterpaal. Een paar weken later verscheen hij op Spotify, en kreeg de plaat een tweede kans. Hoewel ik nog steeds moeite had mijn aandacht de volle veertig minuten bij de plaat te houden, merkte ik dat bepaalde stukken me begonnen te raken. Ik begon hem bijna dagelijks te draaien, niet zozeer omdat ik stug wilde doorbijten of ‘het begrijpen’, maar omdat ik elke keer als ik terugkeerde naar deze rare liedjes, getroffen werd door fraaie details, die me nog niet eerder waren opgevallen.

Een paar dagen geleden heb ik hem aangeschaft op plastic schijfje, en inmiddels ben ik er dol op, zonder echt hoogte van de plaat te hebben gekregen. Lekker dus: deze plaat gaat nog wel een paar maanden mee, waarschijnlijk.

Ik geef uiteindelijk dezelfde waardering in sterren als voor Humbug, hoewel ik deze momenteel nog wel zie stijgen, terwijl de voorganger meer richting de 3,5* neigt. In ieder geval weer een sterk album van de Arctic Monkeys, de vierde op rij. Poeh, poeh.

Arctic Monkeys - Tranquility Base Hotel + Casino (2018)

4,0
De term 'groeiplaat' is een jeukwoord geworden in de tombola van recensie-clichés, maar soms komt er zo'n plaat langs die, nou ja, gewoon een 'groeiplaat is. Na het wat gemakzuchtige AM was mijn obsessie voor de Arctic Monkeys wat tanende, en de eerste luisterbeurt van deze bracht me niet direct op andere gedachten.

Ben blij dat ik deze toch een kans heb gegeven, want na een keer of vijf luisteren verstomden alle kritische vragen (Waarom dit als band uitgebracht en niet als soloproject? Waarom niet minstens één lekkere rocker?), en krijgen de liedjes per luisterbeurt meer diepgang en, gek genoeg, meezingbaarheid (is dat een woord? Whatever).

Vooral de eerste helft is sterk, met de behoorlijk 'meta' opener 'Star Treatment', het titelnummer, semi-hitje 'Four Stars Out Of Five' en vooral hoogtepunt 'American Sports' als prijsbeesten. Tegen het einde raken de ideeën wel een beetje op, zo lijkt het. 'She Looks Like Fun' klinkt als een matig b-kantje van Humbug, 'Batphone' is een wat richtingsloos meanderend nummer op een moment dat het album dat niet echt nodig heeft, en 'The Ultracheese' is niet veel meer dan een passend sentimentele afsluiter. Desondanks vanwege de fraaie arrangementen, het oprecht bizarre concept en het feit dat alle andere liedjes verrassend goed beklijven, is dit waarschijnlijk hun beste plaat sinds Favourite Worst Nightmare.

Bovendien bewonderenswaardig om jezelf zo radicaal opnieuw uit te vinden, net op het moment dat je bandje een parodie op zichzelf dreigt te worden.

Art Blakey & The Jazz Messengers - Art Blakey's Jazz Messengers with Thelonious Monk (1958)

5,0
Deze plaat pikte ik een jaartje geleden op uit een lijstje met platen die een zogenaamde ‘Crown’ hebben gekregen in één of meerdere edities van de Penguin Guide to Jazz Recordings. Dit soort lijstjes blijven natuurlijk leuk, al staan hier onvermijdelijk platen in die de enigszins ingevoerde luisteraar al lang kent (Hot Fives And Sevens, A Love Supreme, etc.), en platen die, omdat jazz nou eenmaal een nogal brede tent is, totaal buiten je interessegebied liggen. Maar onvermijdelijk pik je uit dit soort lijstjes ook één of twee juweeltjes op waarvan het bestaan je nog onbekend was, en dit was er voor mij zo eentje.

Een plaat met een merkwaardig bescheiden status voor de grootheden die erop samenkomen: Als eerste Monk, de patroonheilige van alle idiosyncratische muzikanten. Met zijn atypische spel en composities wist hij zowel bewondering als onbegrip op te wekken, vaak tegelijkertijd en in dezelfde oren. En dan meesterdrummer Blakey, die mede de standaard zette voor hoe jazz vanaf de jaren vijftig zou klinken, en die als leider van de Jazz Messengers een mentor zou zijn voor verschillende toekomstige jazzgrootheden.

Voorbeelden te over van klassieke jazzalbums waarop een compositie van Monk wordt gespeeld, maar de vijf hier geselecteerde nummers hoorde ik eigenlijk nooit in betere versies. Zelfs de oerversie van ‘In Walked Bud’ door Monk zelf (te beluisteren op het in 1951 uitgebrachte Genius of Modern Music) moet onderdoen voor de versie op deze plaat.

Blakey speelt natuurlijk een belangrijke rol hierin: hij kende Monk al jaren, en speelde ook mee op Genius of Modern Music. Hier, met nog een aantal jaren ervaring achter de rug, is Blakey zowel de aanjager als de man die zorgt voor ruimte. Ruimtes waarin anderen kunnen excelleren.

Als muzikant was Monk zelden beter dan hier, zelden zo duidelijk in zijn element. Hij kan alle registers opentrekken en op zijn unieke manier meandert hij van swingend naar lomp, van lieflijk naar confronterend, van minimalistisch tot kakofonisch, zonder een moment zijn scherpte te verliezen. Vergelijk dit voor de grap eens met zijn opnamen met Miles Davis van een paar jaar eerder (uitgesmeerd over Bags' Groove (1954) en Miles Davis and the Modern Jazz Giants uit hetzelfde jaar), waarop de verwarring in de band bijna hoorbaar is zodra Monk begint te soleren.

De ster van het album is echter de saxofonist, Johnny Griffin, een naam die me eigenlijk nooit eerder was opgevallen. Nader onderzoek vertelde me dat hij een verleden had met Monk, en bekend stond als de snelst spelende, en een van de technisch meest vaardige saxofonisten van zijn tijd. Op basis van deze plaat verbaasde ik me erover dat hij niet meer ‘star power’ heeft onder jazzfans. Toen ik later luisterde naar zijn solowerk snapte ik het wel: Griffin speelt ongelooflijk goed, met veel soul en gevoel voor swing, maar qua artistieke zeggingskracht blijft hij toch wel achter bij de Coltrane’s en Shorters van deze wereld.

De composities van Monk lijken de creativiteit van Griffin maximaal te stimuleren, en zorgen dat hij ver boven zichzelf uitstijgt. Luister bijvoorbeeld eens naar albumopener ‘Evidence’ (Youtube-linkje) en beluister de solo van Griffin op 3:04 - 4:26. Dat soort solo’s, vol energie en swing en fraaie vondsten, daar grossiert Griffin in op deze plaat. Alsof de rare akkoorden en tegendraadse gedachtewereld van Monk hem precies dat beetje extra peper in zijn reet heeft om echt in de stratosfeer te belanden.
(disclaimer: sinds ik deze plaat ontdekte heb ik ook andere platen van Monk beluisterd waarop Griffin meespeelt, b.v. liveplaat Misterioso (1958), en daar was ik eerlijk gezegd minder onder de indruk.)

Verder is de trompettist van dienst Bill Hardman, van wie de eerder genoemde Penguin Guide opmerkt dat hij op deze plaat niets doet om zich voor te schamen. Een beetje een rotopmerking, maar wel dicht bij de waarheid. Fijne trompetsolo’s, niets meer of minder. Over de bassist kan ik al helemaal niets zinnigs zeggen, behalve dat hij bekend stond onder de onwaarschijnlijke naam ‘Spanky DeBrest’.

Hoe dan ook, dankzij de creatieve energie van supertrio Blakey/ Monk/ Griffin zeker één van mijn meest beluisterde platen van het afgelopen jaar. Krijgt bij deze een plekje in mijn nieuwe top tien, en ook van mij een kroontje. Prachtmuziek.

Asaf Avidan - Different Pulses (2012)

4,0
Mijn eerste kennismaking met deze Israëliet, die met zijn oude band de Mojo's al een paar jaar aan de weg timmerde. Tot mijn verdediging moet ik zeggen dat het niet de remix van 'Reckoning Song' was die me op deze man attendeerde (inmiddels internationaal bekend als, zoals een vriend het verwoordt: 'dat kutnummer met die vrouw die steeds hetzelfde zingt'), maar het filmpje dat iemand begin dit jaar plaatste op Mume (waarschijnlijk Aerodynamic) van de single 'Different Pulses'.

Van het nummer, of eigenlijk de combinatie nummer en videoclip, was ik best ondersteboven, al leek een hele cd ervan me wellicht iets te zwaarmoedig. Bovendien bleef de aandacht voor deze plaat een beetje uit door een onbegrijpelijk lang uitgestelde release, waardoor ik uiteindelijk pas een maand of twee geleden het album voor het eerst draaide.

Met die zwaarmoedigheid valt het alleszins mee: met zijn toegankelijke, folky melodieën en soms wat malle muzikale keuzes blijft de cd over de volle lengte behapbaar. Hoewel niet lichtvoetig: de emotionele belevingswereld is die van de staat waarin de frisse lenteweide van de liefde is verdord tot een woestijnlandschap, Avidan kweelt in zelfverwijt, donkere en soms misdadige gedachtes, obscure referenties naar religie (dat laatste trekt altijd de aandacht bij een muzikant uit Israël: zo is 613 het totaal aantal ge- en verboden in de boeken van Mozes. Maar we zullen ons niet blindstaren op dit thema).

Zoals misschien is te verwachten van een muzikant die voor het eerst zonder zijn vaste band werkt, lijkt Avidan soms bewust bezig om de mogelijkheden die de studio zijn songs biedt te onderzoeken. Een liefde voor filmische muziek komt naar boven, een duidelijk Ennio Morricone-sfeertje. Vertrekkend vanuit die sfeer en de betrekkelijk simpele songs, kleurt hij de liedjes verder in op een uitermate eigenzinnige manier. Dit resulteert in een paar vreemde keuzes, zoals de 'lalala'- koortjes in 'Cyclamen'. Het is knap dat al deze bokkensprongen ook nog vrij goed werken, er zijn een aantal momenten op de plaat dat ik dacht, what the...., maar eigenlijk geen enkele dat ik me echt ging storen. Wellicht dat de meer eenkennige luisteraar daar anders over denkt, maar de vraag is of die niet sowieso al afhaakt bij de stem van Avidan.

Het album heeft die klankkleuren ook wel nodig, want buiten de emotionele lading en de boeiende arrangementen zijn de liedjes behoorlijk eenvoudig van vorm. Eenvormigheid ligt soms zelfs op de loer: zeker op de tweede helft van de plaat onderscheiden de meeste liedjes zich niet genoeg van elkaar in sfeer en opzet om mij volledig bij de les te houden.

Wellicht dat dit laatste ook de reden is dat deze plaat bij mijzelf nog niet tot de buitencategorie is doorgedrongen. Maar het is moeilijk aan te geven waarom precies want laat er geen twijfel over bestaan: dit is met gemak één van de beste tien popplaten van 2012. Ik zou graag naar één van zijn concerten gaan, en/of de plaat over een half jaar nog een paar keer draaien, om te kijken of dit een plaat is die rijpt of gaat tegenstaan. Een aanrader voor liefhebbers van mooi opgezette en meeslepende folkpop is het allicht wel zeker.