MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Cal Massey - Blues to Coltrane (1987)

poster
3,0
Met: Cal Massey- trompet; Julius Watkins- hoorn; Hugh Brodie- tenorsax; Patti Brown- piano; Jimmy Garrison- bas; G. T. Hogan- drums

Kennelijk was Calvin Massey nogal een cultfiguur in de jazzwereld. Tegenwoordig horen we zijn naam vooral als bijrolspeler in het evangelie van Coltrane. De twee waren bevriend, en speelden samen in verschillende bands in het Philadelphia van de jaren veertig en vijftig. Massey was een bedreven componist, en Coltrane zou later o.a. zijn 'Bakai' opnemen (op deze plaat ook vertegenwoordigd). Pianist McCoy Tyner en bassist Jimmy Garrison zaten in de band van Massey kort voordat Coltrane ze inhuurde.

Maar er is meer: niet de minste namen zetten een compositie van hem op plaat: Lee Morgan, Jackie McLean, en zelfs Charlie Parker. De (toevallig vorige week overleden) pianist Stanley Cowell noemde een compositie naar hem, die ook voor deze plaat werd opgenomen (die laatste luister ik nogal vaak de laatste maanden, dus zo kwam ik dan weer bij hem uit).

Blijkbaar bestaan er ook veel thuisopnames waarin hij zijn kinderen laat meedoen, en later zou hij veel met Archie Shepp werken, op wiens Attica Blues (1972) dan weer een nummer staat met Massey waarop ook diens dochter Waheeda meezingt ('Quiet Dawn').

Extra nieuwsgierig maakt het nog dat dit Massey's enige plaat is als bandleider, en dat hij ook pas vijftien jaar (!) na zijn dood in 1972 is uitgebracht. Heruitgebracht op vinyl in 2019, nog redelijk makkelijk te krijgen, al moet ik bekennen dat ik op Spotify heb geluisterd en de bandopstelling van Wikipedia heb geplukt. Daar wordt ook beweerd dat Massey vanwege zijn destijds radicale politieke ideeën en associatie met de 'Black Panther'-beweging, werd geboycot, en daarom nooit meer platen heeft mogen opnemen.
Ergens anders op internet wordt weer beweerd dat hij ooit een A&R-manager van Blue Note een rotschop verkocht, toen die niet met genoeg aandacht naar zijn ideeën luisterde, en dat dát hem een plekje op de 'zwarte lijst' bezorgde. Tja.

We mogen dan lichtelijk teleurgesteld zijn dat Blues to Coltrane geen obscuur meesterwerk is, maar een beetje een rommelige plaat. De muzikanten spelen bij vlagen aardig, maar vooral in het samenspel voelt de plaat aan alsof hij te gehaast is opgenomen. Massey schrijft interessante composities, alleen leggen zijn eigen vertolkingen het hier af tegen die van zijn beroemdere vrienden.

Luistert desondanks prima weg, maar uiteindelijk blijf je met het gevoel zitten dat deze meneer misschien wel een beter verzorgde nalatenschap had verdiend. Helaas ligt het jazz-kerkhof daar vol mee.

Cecil Taylor Quintet - Hard Driving Jazz (1959)

poster
3,5
Met: Cecil Taylor (piano); John Coltrane (tenorsax); Kenny Dorham (trompet); Chuck Israels (bas); Louis Hayes (drums).

Deze plaat heet volgens Wikipedia Stereo Drive, maar werd volgens Discogs wel degelijk als eerste onder deze titel uitgebracht. Taylor was kennelijk niet zo tevreden met deze plaat, vooral omdat ze hem niet zijn eigen bandleden lieten uitkiezen, waarbij het vooral niet zo boterde met Kenny Dorham. Misschien nog extra zuur voor Taylor was dat de plaat een paar jaar later opnieuw werd uitgebracht onder de naam van de populairdere John Coltrane. Die versie staat óók op Musicmeter, wat een beetje discutabel is.

Ondanks het gedoe eromheen is het een redelijk conventionele bop-plaat voor die tijd, waarop de pianist wel probeert wat freaky dingetjes op de achtergrond te doen maar niets dat zo gestoord of mindblowing is als op zijn latere platen. Coltrane en Dorham doen hun gebruikelijke ding. Op Wikipedia wordt ook nog de Penguin Guide geciteerd, die vindt dat bassist Chuck Israels hier de uitblinker is. Zit wat in, maar echt een hoogvlieger is deze plaat eigenlijk in geen enkel opzicht. Als het niet de enige studio-opname was met zowel Taylor als Coltrane, zou dit allang totaal vergeten zijn denk ik.

Charles Mingus - Mingus (1961)

Alternatieve titel: Lock 'em Up

poster
3,5
Met: Charles Mingus (bas); Ted Curson, Lonnie Hillyer (trompet); Jimmy Knepper, Britt Woodman (trombone); Charles McPherson (altsax); Eric Dolphy (altsax, fluit, basklarinet); Booker Ervin (tenorsax); Nico Bunink, Paul Bley (piano); Dannie Richmond (drums)

Een plaat uit de periode 1955-1964 van Mingus (zijn glorietijd) die ik nog nooit echt had beluisterd. In de line-up veel bekend volk voor de Mingus-luisteraar: Jimmy Knepper, Booker Ervin, Eric Dolphy… (“so many -tets that I can't tell you what -tet it is”, zegt Mingus aan het begin, in een poging tot nonchalante stoerheid die eigenlijk geen recht doet aan zijn intelligentie of muzikaliteit). Verrassend is alleen de aanwezigheid van Pianisten Paul Bley en de Amsterdammer Nico Bunink, al weet ik niet precies wie wat speelt.

In opener ‘MDM’ (Monk, Duke and Mingus) laat Mingus een van zijn eigen composities verweven met een van Monk en een van Ellington. Het resultaat is, zoals te verwachten is, twintig minuten kakofonisch getoeter en vlammend gesoleer in de beste Mingus-traditie, waarbij je het de band vergeeft dat er nooit echt een coherent muziekstuk in valt te ontwaren. In de standard ‘Stormy Weather’ zit meer rust, en aandacht voor solisten, waar met name de altijd interessante Eric Dolphy een hoofdrol opeist. ‘Lock ‘Em Up’ is gebaseerd op een incident waar Mingus zich bij een psychiatrische kliniek meldde voor mentale bijstand, en vervolgens tegen zijn wil werd vastgehouden totdat enkele vrienden hem hielpen ontsnappen. Mingus’ muzikale reactie is een typerend toondicht dat de waanzin van het avontuur in geluid probeert te vatten.

Daarmee hebben we een hoop van Mingus’ sterke punten voorbij horen komen, en al is dit binnen het oeuvre van de bassist geen héél erg originele of gefocuste plaat, de liefhebber van zijn muzikale universum kan zich hier niet echt een buil aan vallen. Gelukkig behoor ik zeker tot die groep.

Charles Mingus - Mingus at Carnegie Hall (1975)

poster
3,5
Betreft een optreden dat Mingus op 19 januari 1974 gaf met zijn nieuwe band en wat oude vrienden te gast. De plaat bevat alleen de tweede deel van de show, waarbij de gasten het podium op komen en over twee tracks een soort eerbetoon wordt gespeeld aan Duke Ellington.

Er zijn wel interessantere opnames gemaakt, en de band van Mingus is hier nog niet zo scherp als op de latere 'Changes'- sessies. Maar liefhebbers van George Adams en Rashaan Roland Kirk moeten deze plaat zeker in huis halen. Op C Jam Blues speelt Kirk een wervelende, minutenlange solo waarin hij verschillende andere saxofonisten citeert, van Webster tot Coltrane tot de naast hem op het podium staande Adams.

Verder wel een fijne bak Mingus-spelplezier, maar geen hoogvlieger.

Charles Mingus - Oh Yeah (1962)

poster
5,0
Lekker chaotische jazzplaat met een blues- en gospelziel. Mingus verlaat tijdelijk zijn plek achter de staande bas, en neemt plaats achter de piano. Hij was een bedreven pianist, hoewel hij in de loop der jaren wel met betere toetsenmannen heeft gewerkt dan zichzelf. Voordeel is dan weer dat hij zichzelf niet knockout kan stompen en kan ontslaan, al heeft hij dat laatste volgens biografen ook wel eens geprobeerd.

Hoe het ook zij, de held van de plaat is toch wel blinde saxofonist Roland Kirk (later Rashaan Roland Kirk), die een leuke gimmick had, want hij kon wel drie saxofoons tegelijkertijd bespelen! Ik ken zijn werk verder niet echt, maar het is duidelijk dat hij nog meer in zijn mars had: zijn scheurende solo's passen bij Mingus wilde blues- en gospelthema's als de strepen op een tijger (luister ook hoe hij Mingus hele jaren zeventigband van het podium blaast op Mingus At Carnegie Hall).

Opener Hog Callin' Blues wordt gedreven door het soort uitgelaten passie die doet denken aan de sprongen en tongspraak van een buitengewoon begeesterde sekte. Kirk blaast de longen uit zijn lijf tot de noten zo vervormd zijn dat er letterlijk een troep varkens de studio binnen lijkt te zijn gelopen. Een ander hoogtepunt is het religieus aandoende Ecclusiastics, een prachtig opgebouwd stuk waarbij de hemel letterlijk lijkt open te scheuren als de band de climax bereikt.

Dat niveau wordt op zich niet overal bereikt: Atomic Bomb is sfeervol maar had prima een paar minuten korter kunnen duren (zelfs de titel is te lang), en Eat That Chicken is hoogstens een geinig staaltje meligheid. Dan is afsluiter Passions Of A Man een stuk interessanter: een conceptueel stuk volgens de Jazz Workshop waarin Mingus allerlei tribale geluiden en stemmetjes door elkaar husselt. Het resultaat is in ieder geval fascinerend en redelijk hilarisch.

Behalve pianospelen laat Mingus zijn stem ook vaker dan normaal horen, buiten het normale aanmoedigende geschreeuw zingt hij ook nog op een aantal nummers. Verwacht hier geen diepgaande songteksten a la Leonard Cohen, hoewel het een klein beetje overdreven is om te zeggen dat de titel van deze plaat zo'n beetje de teksten samenvat. Niet heel erg overdreven, maar toch: een nummer als Devil Woman bevat zelfs een heuse zanglijn.

Overigens niet naar ieders tevredenheid: in de tijd dat de plaat uitkwam merkte een recenscent op dat Mingus als blueszanger ondermaats presteerde. Mingus stuurde een kregelig briefje naar de criticus in kwestie, waarin hij verklaarde niet de concurrentie te willen aangaan met de grote blueszangers, maar: 'Mijn eigen blues kan alleen door mezelf worden gezongen, net zoals alleen jij God om hulp kan smeken als ik je voor je bek kom stompen.'

Ja, die Charles Mingus was me er eentje. Tegen zijn muziek heb ik in ieder geval geen enkele weerstand, hoewel gezien wat zwakkere momenten mijn vijf sterren wat geflatteerd zullen overkomen. Maar over een plaat die zo de pan uit swingt en uitbundig het leven viert ga ik niet lopen zeuren. Oh Yeah rocks!

Charlie Parker - The Complete Savoy and Dial Master Takes (2002)

poster
4,0
58. Barbados
59. Ah-Leu-Cha
60. Constellation
61. Parker's Mood

62. Perhaps
63. Marmaduke
64. Steeplechase
65. Merry-Go-Round


Opgenomen: September 1948

Miles Davis: Trompet (behalve 61)
John Lewis: Piano
Curley Russell: Bas
Max Roach: Drums

Vanwege o.a. een nieuwe muzikantenstaking duurt het bijna een jaar voordat we Parker weer terugzien in de studio. Dit zijn meteen de laatste sessies voor het Savoy-label, en daarmee bereiken we de finishlijn van deze verzamelaar/ veel te lange monoloog.
Parker zou na deze opnames nog ruim vijf jaar leven voordat zijn door drank en drugs gesloopte lichaam uiteindelijk de strijd opgaf, en nog een aantal relevante en/of omstreden studio-opnames maken, vooral voor het Verve-label. De mensen die erbij waren beweren echter over het algemeen dat de opnames voor Savoy en Dial er het beste in slaagden zijn genialiteit op de band te krijgen.

Deze twee sessies uit september 1948 laten een band horen die op twee plaatsen gewijzigd is. John Lewis keert terug op piano, en op bas ook een naam die al eerder voorbij kwam: Dillon Russell, beter bekend als ‘Curley’ (en niet ‘Curly’, zoals ik in een eerder deel onterecht beweer). De personele wijzigingen waren besloten door Miles Davis, althans volgens Miles Davis, die in zijn boek zichzelf benoemd tot feitelijke bandleider en klaagt dat Parker in deze periode niets meer was dan een verlopen junkie, die soms kwam opdagen en dan iedereen te weinig betaalde.

Davis krijgt dus de kans om de door hem verfoeide Duke Jordan uit de band te trappen. Hoewel het nooit duidelijk is geworden wat Davis precies tegen Jordan heeft, zou ik liegen als ik zou beweren dat de meer verfijnde, oorspronkelijke stijl van Lewis geen nieuwe dimensie geeft aan het bandgeluid.

Als Parker inderdaad al zo’n wrak was als Davis beweert, is daar op deze sessies overigens weinig van te merken. Welke sores hij in het dagelijks leven ook had, als hij de hoorn aan zijn mond zet komt er pure muzikaliteit uit. Davis, met zijn hoofd al half bij Birth of the Cool, speelt prettig en met zelfvertrouwen, en de enige kritiek die je op Lewis en Roach kan hebben is dat ze later in hun carriere nóg indrukwekkender zouden worden. ‘Barbados’ en ‘Au-Cheu-La’ zijn direct de grootste jazzklassiekers hier, maar de rest is ook goed. Fijn om af te sluiten met een hoogtepunt.

Waardering: ****1/2 (beide sessies)


Losse eindjes (epiloog):

1) Ik realiseer me dat ik erg weinig heb gezegd over wáárom deze opnames zo belangrijk zijn in de geschiedenis van de jazz, of waar ze passen in de tijdlijn van de ontwikkeling van Bebop. Het zou dan direct erg Wiki-achtig gaan aandoen, en uitleg van de muziektheorie laat ik ook liever aan anderen. Noobs op het gebied van moderne jazz/ bebop raad ik aan Dit Youtube-linkje eens te volgen, naar een concert van Bird en Diz uit 1945 (vroegere opnames van Bird zijn spaarzaam). Leuke aan dit filmpje is ook dat je de liner notes van Ira Gitler kan meelezen, die je aardig wegwijs maken in de voorgeschiedenis en relevantie van het bebop-fenomeen.

2) De autobiografie van Miles Davis herlezend, begon ik te vermoeden dat ik Davis in mijn eerdere stukjes een beetje te veel als een beginner heb neergezet. Hetzelfde geldt ook voor J. J. Johnson. Voor de duidelijkheid: beide mannen liepen al enige tijd mee in de jazzwereld, en waren al zeker een jaar onderdeel van de 'bebop'-scene in New York voordat we ze hier op plaat horen. Miles Davis, die eigenlijk minder onuitstaanbaar arrogant is dan ik me herinner (wat nog steeds wel vrij arrogant is) geeft ook ruiterlijk toe dat hij moest wennen aan het niveau van Parkers band en aan de toenmalige werkwijze in de studio. Dat de overgang naar het lp-tijdperk, waar meer tijd is om een idee uit te werken op een track, Davis spel in de studio ten goede komt is trouwens evident (luister: Dig; Miles Davis Volume 1 & Volume 2).

3) De muzikant die het meest meespeelt op deze opnames maar over wie ik het minste heb gezegd is bassist Tommy Potter. Als ik de naam opzoek in de Jazz Encyclopedia van wijlen de grote criticus Richard Cook blijk ik niet de enige te zijn die moeite heeft iets wezenlijks te melden over zijn spel: Cook begint te stellen dat het moeilijk is voor een bassist om te excelleren in de korte tracks van het 78rpm format, en sluit het lemma enigszins melancholisch af door te melden dat Potter rond de jaren zestig stopte als jazzmuzikant en voornamelijk in ziekenhuizen ging werken, maar: 'Luister naar veel van de belangrijke Parker-opnames: daar is hij [Potter], op tijd, het juiste ding aan het doen.'
Miles Davis kiest een andere insteek, een van de weinige keren dat hij iets concreets over Potter zegt in zijn autobiografie: '[Tommy] wurgde die bas altijd alsof het iemand was die hij haatte. Wij zeiden altijd tegen hem: Tommy, let that woman loose!'
Dus.

Chick Corea - Now He Sings, Now He Sobs (1968)

poster
4,0
Met: Chick Corea (piano); Miroslav Vitouš (bas); Roy Haynes (drums)

Weinig factoren zorgen zo steevast voor hernieuwde interesse in een muzikant als de Man met de Zeis, iets dat me altijd gemengde gevoelens geeft. Toch was het recente overlijden van Corea voor mij aanleiding om eens een paar van zijn albums in mijn playlist te zetten. Daarvoor heb ik sporadisch wel sommige van zijn albums geluisterd, maar nooit vaak genoeg om een stem te geven op Musicmeter.

Even nakijken: oh nee, dat is niet helemaal waar. Deze liveplaat (ooit jazzalbum van de week ofzo?), toevallig met precies hetzelfde personeel als op Now He Sings… heb ik ooit becijferd met een magere drie sterren. Geen idee meer waarom, eigenlijk. Wellicht tijd voor een herwaardering, want deze studioplaat uit 1968 bevalt me eigenlijk prima.

Het pianotrio is een bandopstelling waar ik soms wat sceptisch inga, net als bij het typische bopkwintet met trompet en tenorsax. Het is een aanpak waarvan je op een bepaald moment zoveel voorbeelden hebt gehoord, dat het moeilijk lijkt om je nog te laten verrassen. Dikke pluim voor deze drie heren daarom, die over bijna de hele veertig minuten (deze recensie is alleen voor de tracks op de oorspronkelijke LP) origineel en avontuurlijk blijven klinken.

Bop en blues blijven wel de basis (kennelijk was Bud Powell één van zijn grote invloeden, ik meen dat wel te herkennen), maar de muziek is open en zoekend, haalt volop inspiratie uit andere werelddelen, klassiek en avant-garde. Daarmee blijft het swingend en goed te volgen, maar ook uitdagend genoeg om boven het maaiveld van pianotrio’s uit te steken.

Misschien onvermijdelijk zijn er ook wel wat momenten in de muziek waarbij mijn aandacht wat verslapt. Soms lijkt dit trio zo lekker te verdwalen in hun eigen introspectieve speurtochtjes, dat de focus wat verloren gaat, zeker tijdens de langere nummers. Al met al echter een prima, zij het tragisch late, hernieuwde kennismaking met Corea voor mij.

Christian McBride & Inside Straight - Live at the Village Vanguard (2021)

poster
4,0
Met: Christian McBride (bas); Steve Wilson (altsax, sopraansax); Peter Martin (piano); Warren Wolf (vibrafoon); Carl Allen (drums)

Nog een jazzrelease van 2021 die zeker wel wat aandacht verdient. Misschien een beetje gemeen om nu een liveplaat uit te brengen, alsof om ons allemaal te herinneren aan wat we níet kunnen doen. Het betreft hier dan ook opnames van zeven jaar oud, uit december 2014, in misschien wel de meest illustere concertzaal in de jazzgeschiedenis.

Blijkbaar speelt McBride al sinds 2007 samen met het combo 'Inside Straight', maar tot nu toe was het in ieder geval aan mij voorbij gegaan. Bijna bracht deze plaat daar weinig verandering in, want ik moest er wel een beetje aan wennen. Opener 'Sweet Bread' is meteen wel érg licht en vrolijk, en al hoor je meteen dat deze band geweldig op elkaar is ingespeeld en lekker losjes durft te klinken, heel veel indruk laat het niet achter.

Naarmate de plaat vordert, raakte ik steeds meer onder de indruk van de muzikale wereld van Inside Straight (naar ik aanneem genoemd naar de plaat uit 1973 van Cannonball Adderley). Met een saxofonist die alt en sopraan speelt, een pianist met een vrij actieve rechterhand én een vibrafoon zit het allemaal erg in de hoge registers, met McBride zelf die met zijn sonore basspel het fundament vanuit de lage regionen legt, en met een al net zo sympathieke bromstem tussen de nummers door praatjes maakt met het publiek.

Uitgelaten, virtuoos, publieksvriendelijk maar toch avontuurlijk, Inside Straight is het allemaal. Dat laatste zit vooral in het geweldige samenspel, waardoor de band af en toe volledig los kan gaan met stormachtige notenregens en toch alles helemaal klópt. Je zou het nog postbop kunnen noemen, maar echt experimenteel wordt het zelden (op internet heb ik deze band een paar keer horen vergelijken met de Bobby Hutcherson/ Harold Land band van de late jaren zestig, maar die platen ken ik niet goed genoeg om te weten of die vergelijking klopt). Goed is het wel, bijna tachtig minuten lang. Favorieten hier zijn momenteel het plechtige 'Ms. Angelou' en het juist wat spannendere 'Gang Gang'.

Artistiek wordt er niet per se iets gedaan wat de doorgewinterde jazzliefhebber niet eerder heeft gehoord, en op sommige van de meer uitgesponnen momenten slaat het gevoel van eenheidsworst nog een héél klein beetje toe. Ik ga dus nog niet over tot aanschaf van de dubbel-LP die inmiddels verkrijgbaar is. Maar ze komen volgend voorjaar ook naar Nederland (nog steeds in deze samenstelling) en een kaartje daarvoor gaat wel besteld worden. Dat moet wel echt een belevenis worden (als corona niet weer roet in het eten gooit)!

Clifford Brown - The Beginning and the End (1973)

poster
4,0
Zomaar even voor twee euro uit een tweedehandsbak geplukt vanmiddag, tussen de goedkope swing-compilaties en Tros Muziekfeest-jazz in. Soms weten de platenboeren kennelijk niet wat ze in huis hebben, want dit is toch een vrij bijzondere. Het is, althans volgens de hoes, een verzameling van de allereerste opnames van Brown (als trompettist in een r&b-groep genaamd 'Chris Powell and His Blue Flames') en zijn allerlaatste (een concert in thuisstad Philadelphia).

Slechts een paar uur na het laatstgenoemde concert zou de auto waar hij in zat van de weg raken, en stierf Clifford Brown, slechts 25 jaar oud. Zijn naam heeft nog steeds een behoorlijke status onder liefhebbers, een krachtige, herkenbare trompettist die volgens sommige critici een gedegen concurrent zou zijn geweest van Miles Davis, als hij langer had geleefd.

Deze opnames halen niet het niveau van de albums met Max Roach (die horen dan ook tot het beste wat de hardbop heeft opgeleverd), maar behalve als historisch document is deze plaat ook zeker muzikaal interessant. De eerste twee liedjes met de band van Chris Powell zijn enigszins tenenkrommend in hun meligheid, maar we stellen tijdens de korte trompetsolo's met verbazing vast dat de scheurende, romige stijl van Brown hier al volop aanwezig is.

De concertopnames uit 1956 nemen gelukkig zo'n 85% van de speeltijd in, en zijn een genot om naar te luisteren. Brown is duidelijk de ster van de band, wat helaas ook betekent dat de rest van de muzikanten qua solo-capaciteiten eigenlijk niet hetzelfde niveau haalt. Maar hun enthousiasme, en dat van het publiek, maakt veel goed. Het concert knettert en bruist, en als Brown de trompet aan zijn mond zet (en dat doet hij gelukkig vaak, en lang), wordt het pas echt een feestje. Het valt te betwijfelen of zelfs Dizzie Gillespie zelf ooit een mooiere trompetsolo speelde op zijn eigen 'Night in Tunesia' [sic] dan Brown hier doet. Lekkere plaat! Belachelijk om deze voor twee euro te verkopen, maar hé, mij hoor je niet klagen.

Clifford Brown and Max Roach - Study in Brown (1955)

poster
4,5
Clifford Brown (trompet); Harold Land (tenorsax); Richie Powell (Piano); George Morrow (bas); Max Roach (drums)

Nu Clifford Brown een beetje een thema-artiest van de maand is geworden (althans bij mij, en enkele keren genoemd door de paar andere liefhebbers op de site) moet hier ook maar eens een berichtje komen te staan.

Een paar weken geleden bewierookte ik elders op deze site de solo van Brown op ‘George’s Dilemma’. Die is nog steeds favoriet, al is Brown op deze hele plaat in topvorm (elke noot die hij speelt zit recht in de roos eigenlijk) en blijft de rest daar nauwelijks bij achter.

Het spelniveau in deze band is zo belachelijk hoog dat het me niet eens verbaast dat Sonny Rollins, toen de hipste saxofonist ter wereld, in deze band ging spelen toen Harold Land de band kort na deze opnames verliet. Dat terwijl hij ook werd begeerd door Miles Davis! Maar eigenlijk is dit, meer dan Davis klassieke kwintet, of dan de toenmalige bands van Art Blakey/ Horace Silver, de ultieme vroege hardbop-band.

Zoals te verwachten steelt Brown de show, maar Harold Land is ook fantastisch (met zijn smeuïge, meer aan Coleman Hawkins refererende stijl is hij zelfs beter geschikt voor deze band dan Rollins, naar mijn mening). Roach is dominant, sturend en krankzinnig tegelijk. Richie Powell is minder grensverleggend dan zijn beroemdere broer, maar tovert het ene na het andere heerlijke loopje uit zijn piano. Het meest onbekende en dienstbare lid is bassist Morrow, maar alleen om binnen zo’n band jezelf overeind te houden is al een diepe buiging waard.

De eerste drie tracks neigen nog sterk naar bebop. Daarna wordt het wat soulvoller, wat ook beter bij de band lijkt te passen. Het middenstuk met Land’s End/ George’s Dillema/ Sandu is dan het mooiste.

Enige kritiekpunt zou verder kunnen zijn dat de muziek op zich niet bijzonder uitdagend is voor de wat meer doorgewinterde jazzfan. Een band die zo invloedrijk is geweest, gaat natuurlijk met terugwerkende kracht minder origineel klinken. Ze hebben in hun korte bestaan ook te veel opgenomen om elke track wereldschokkend te maken: eindigen met Ellington was toen waarschijnlijk al niet echt verrassend meer te noemen.

Maar: beter een vurig gespeeld cliché dan iets compleet nieuws dat alle overtuigingskracht mist. Dat wordt hier nog maar eens bewezen, naast een hoop ander moois.

Cloud Nothings - Attack on Memory (2012)

poster
2,0
Ik mag hier schijnbaar twee favoriete tracks aankruisen, maar ik kom echt maar tot één: 'Wasted Days', de ruggegraat van deze plaat, met een laatste zes minuten die waarlijk rock ´n roll zijn, op zo´n manier dat je zin krijgt met veel morsen tequila te drinken en een televisie kapot te gooien in de tuin van de buren. Toptrack, die me in eerste instantie richting dit album dreef.

Maar wat een tegenvaller, zeg. De rest van de plaat bevat nog wel enkele gave momenten, en zo lang die zanger zijn kop houdt is het allemaal nog best uit te houden (vooruit, we vinken 'Separation' aan als tweede favoriet), maar wat betreft liedjes wordt deze plaat gedomineerd door het soort zeurderige, verveelde, richtingsloze indiepunk waarmee je misschien de gemiddelde recensent van Pitchfork blij maakt, maar mij in ieder geval niet. Matige liedjes plus krijsen als Black Francis plus Steve Albini die je plaat produceert, het is nog steeds genoeg om jezelf in de kijker te spelen. Maar van mij krijgt het niet meer dan twee sterren voor de moeite en het aardige gitaargeluid.

Niet dat ze zich daarvan iets zullen aantrekken, natuurlijk, en dat geldt ook voor alle critici die inmiddels wildenthousiast zijn, en de mensen hier die er blijkbaar iets bovengemiddelds in horen. Ieder zijn mening. Maak me maar wakker als ze een echt boeiend liedje opnemen.