MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Sam Rivers - Fuchsia Swing Song (1965)

poster
4,0
Met: Sam Rivers (tenorsax); Jaki Byard (piano); Ron Carter (bas) Tony Williams (drums)

Goede plaat, al heb ik hem redelijk zonder erectie uitgezeten, geloof ik (zie hierboven). Dat nummer, ‘Beatrice’, is dan wel het nummer dat ik al kende, van Joe Hendersons The State Of The Tenor.

Ik heb nog niet veel van Rivers beluisterd, maar bemerk wel een aardige cultstatus rond zijn naam. Je snapt dus wel dat het nummer in zo’n muzikale bloemlezing als die van Henderson wordt opgenomen.

Dit wordt gezien als een betrekkelijk toegankelijk vroeg werk van Rivers. Het is inderdaad nog wel gestructureerd allemaal, al merk je dat Rivers graag weinig licks speelt en lekker uit zwerven gaat. Dit album is in hetzelfde jaar opgenomen als dat Rivers een blauwe maandag in de band van Miles Davis speelde, en hij leent hier de drummer en bassist van diens band.

Volgens Davis was het vooral Williams die de saxofonist graag in de band had, en je snapt als je deze plaat hoort wel waarom. Als drummer is Williams een absolute virtuoos maar wel wat ‘all over the place’ en dat past lekker bij Rivers’ stevige maar meanderende stijl.
Rivers kende Williams en Byard al jaren, en ook dat hoor je. Die eenheid zorgt ervoor dat Fuchsia Swing Song zo’n plaat is die zowel eigenzinnig en speels klinkt, als urgent en gefocust.

Sidney Bechet - Sidney Bechet (1932 - 1941) (1975)

poster
4,0
Eerder deze week werd op deze site, bij een plaat van Coleman Hawkins, aangestipt dat de tegenwoordige jazzfans maar weinig naar de ‘oudere jazz’ luisteren. Dat inspireerde me om eens een stukje te schrijven over Sidney Bechet. Eerlijk gezegd ben ik pas de laatste paar jaar de vooroorlogse jazz een beetje aan het ontdekken, en dan zeer mondjesmaat. Ook ik prefereer de jazz vanaf, ruwweg, Charlie Parker. Tot dusver is Sidney Bechet mijn favoriete muzikant uit de 'oude' periode. Laat me dat eens proberen uit te leggen.

Deze specifieke plaat ken ik eigenlijk niet eens, maar ik ken, uit verschillende bronnen, alle nummers die erop staan. Allemaal opnames met zijn gelegenheidsgroep The New Orleans Feetwarmers (niet alleen de eerste vier tracks zijn met de Feetwarmers, zoals hierboven ten onrechte wordt geïmpliceerd). Veel leden van de band zijn inmiddels zo goed als vergeten, zoals trompettist Tommy Ladnier of bassist en gelegenheidszanger Wilson Myers, al is de drummer op ‘Indian Summer’ en ‘One O’ Clock Jump’ volgens Discogs de latere boppionier Kenny Clarke, en speelt pianolegende Earl Hines mee op ‘Blues In Thirds.’

Sidney Bechet (je spreekt het trouwens kennelijk uit als ‘buh-sjee’) speelde traditionele jazz in de stijl van New Orleans. Zijn instrumenten waren de klarinet en, opvallend genoeg, de sopraansaxofoon. Opvallend, omdat niet veel mensen in de jazz sopraansax speelden, zeker niet voordat John Coltrane het instrument enigszins hip maakte met My Favorite Things. Coltrane werd op zijn beurt weer door Bechet geïnspireerd. Op de dag dat Blue Note Coltrane overhaalde om voor hen Blue Train op te nemen, was hij op het kantoor van het platenlabel om te neuzen tussen hun voorraad plaatjes van Bechet.

Trad jazz kennen we vooral via Louis Armstrong en aanverwante artiesten. Wederom geen makkelijke muziek, voor moderne oren. Of misschien wel te makkelijk. Armstrong mag dan niets minder dan een patroonheilige van de jazz zijn, diens opgeklopte vrolijkheid en behaagzieke kazigheid trek ik niet altijd even goed, als ik heel eerlijk ben.

Bechet (die ook met Armstrong prachtige opnames maakte), viste in feite in dezelfde vijver, maar in zijn muziek zit een soort wildheid, een soort dominante eigenzinnigheid, waardoor ik het veel makkelijker vind de muziek tachtig jaar later nog te waarderen. Misschien komt dat ook omdat Bechet qua karakter ook zowat het spiegelbeeld van Armstrong was.

Net als Armstrong was hij een kind van New Orleans, de bakermat van de jazz. Hij schreef er prachtig over in zijn autobiografie, een van de beroemdste jazzboeken. Ik heb er een stuk van gelezen, en je waant je echt op de woonboten in de Missisippi, en tussen de straatparades met bands die het tegen elkaar opnemen op modderige kruispunten.

In het boek komt hij over als een sentimentele, goedaardige jazz-opa, maar de werkelijkheid was anders. Hij werd door tijdgenoten omschreven als een moeilijke man, die drinkend en vechtend door het leven ging. Hij woonde twee lange periodes in Europa, en werd beide keren terug naar Amerika gedeporteerd vanwege ernstige geweldsdelicten.

Niet dat het levensverhaal van de muzikant er echt toe doet (al is die van Bechet wel heel kleurrijk), maar die rebelse trek, die felheid, hoor ik dus terug in de muziek. Deze tracks stinken naar tabaks- en wietrook, het zweet, en de verschaalde drank van de drinkholen in de achterbuurten van het oude Amerika. Het is ook een plaat die het best tot zijn recht komt als ik zelf, na een avond stappen, enigszins in de olie thuiskom.

Zijn muziek grijpt je bij de lurven en rammelt je door elkaar. Als hij de blues speelt, zoals op 'No One Knows The Way I Feel Dis Mornin'', waan je je terug op de momenten in je leven dat je eigen hart in duizenden stukken lag. En als hij dan wil dat er gedanst wordt, zoals op 'I've Found A New Baby', dan zullen we ook dansen, verdomme. En zelfs als je op de bank blijft zitten, is het bijna onmogelijk je armen stil te houden, of niet met je billen op de zitting te wippen.

Op de beste momenten wordt de kneuterigheid die trad jazz toch een beetje kenmerkt, helemaal stukgeblazen door Bechet, die van wat ik tot nu toe aan Trad Jazz heb gehoord toch wel op eenzame hoogte staat in hoe dominant en expressief hij soleert. Dit is geen clown, geen behaagzieke entertainer, maar een man die zijn publiek om de vingers wond. Plaatopnames uit de jaren dertig kunnen altijd slechts een fletse weergave zijn van de belevenis die dit soort muzikanten live moeten zijn geweest, maar Bechet weet de tijdskloof toch enigszins te overbruggen, genoeg om er nog steeds echt van te kunnen genieten.

Hulde aan Toon1 en Cortex, die samen meer dan de helft van de slechts tien stemmen op MuMe voor het werk van Bechet voor hun rekening nemen. Deze virtuoze, rebelse, en ongenadig hard swingende muzikant verdient in ieder geval wel meer aandacht dan dat.

Sigur Rós - ( ) (2002)

poster
3,0
Grappig dat deze nu bijna algemeen als hun meesterwerk wordt gezien, ik meen me te herinneren dat hij in die tijd werd ontvangen als een wat slappe opvolger van Ageatis Byrjun.

Voordat mensen wild op zoek gaan naar linkjes van positieve recensies uit die tijd, het is goed mogelijk dat dit slechts mijn indruk is. Ik was een tijdje lang helemaal verslaafd aan die vorige. Toen deze uitkwam was mijn interesse echter te ver van dit soort muziek afgedwaald, en ik kon hier nooit echt tijd voor vrijmaken.

Een paar maanden geleden heb ik hem zelfs pas voor het eerst aangeschaft, eerlijk gezegd vooral omdat ik hem spotgoedkoop zag liggen. En omdat het toch de tijd van het jaar ervoor is, voor het eerst een aantal keer in zijn geheel beluisterd de afgelopen maanden.

Echt vriendjes kan ik niet worden met deze muziek. Ik kan er helaas niet omheen hoe statisch deze plaat is. Op een of andere manier krijg ik de indruk dat de hele plaat lang dezelfde twee akkoorden worden herhaald, waarover Jonsí dan weer steeds dezelfde acht woorden kweelt. Na een track of drie denk ik dan: Hopelandisch my ass! Als je geen zin hebt om te zingen of te spelen, blijf dan gewoon een dagje in bed liggen, man.

Solange - A Seat at the Table (2016)

poster
3,5
Ik blijf een beetje worstelen met Solange. En daarmee bedoel ik niet dat ik aan haar haar trek of zo, flauwerds.
Nee, ik luister al een maand of twee vrij geregeld naar deze plaat, en steeds denk ik dat hij hoger gaat groeien dan de 3,5* die ik nu uiteindelijk heb gegeven. Want: hartstikke mooi gezongen, goed geproduceerd, helemaal in de zeitgeist, en vol catchy liedjes.

Alleen die ene track die je echt doet opveren, waar ik echt iets meer bij voel dan alleen maar 'chillen muziekje hoor', die heb ik gewoon nog niet gevonden. Het blijft allemaal steken in 'best goed'.

Voor mij is dat gevoel een beetje tekenend voor het muziekjaar 2016 trouwens, dus misschien is het daarom een goede keuze van Pitchfork om dit tot plaat van het jaar te kronen. Ik had alleen, naar aanleiding van een prima eerste luisterbeurt, wat meer verwacht. Of zo.

Songs: Ohia - The Lioness (2000)

Alternatieve titel: Love & Work: The Lioness Sessions

poster
4,0
That look of the lioness to her man across the Nile

Eigenlijk wilde ik hier schrijven dat The Lioness een intiem album is, maar hoe meer ik luister naar de plaat, hoe minder passend het woord 'intiem' me lijkt. Dit is eerder het totale fotonegatief van intimiteit, een plaat als een zwart gat van onvervuld verlangen, onverwerkte herinneringen, een afstand die, eenmaal geschapen, nooit meer kan worden overbrugd.

Een album dat zo bol staat van bijna achteloze weemoed, dat apathie de meest logische valkuil lijkt. Een plaat als dit kan al snel vervallen tot vermoeiende jankerigheid, muziek die energie opslurpt en daar niets voor teruggeeft: 'The heart is a risky fuel to burn', nietwaar?

Maar ook hopeloze weemoed kan kracht vrijmaken, zoals een trage herfstbui uiteindelijk zelfs een betonnen muur kan eroderen. Uiteindelijk is het effect van een plaat zoals deze misschien zelfs groter dan een plaat vol heftige powerakkoorden en oerschreeuwen.

Maar dan heb je wel een frontman nodig zoals Jason Molina. Zijn stem, zijn teksten, zijn gitaarspel en de combinatie van al die dingen, zijn persoonlijkheid die deze liedjes steen voor steen opbouwt als een vluchthuis voor onwelkome gevoelens die te groot zijn om zich buiten de muziek te vertonen. Subtiele begeleiding van leden van de Schotse band Arab Strap: niets al te ingewikkelds, Molina volgt zijn eigen gevoel, hij bedenkt niet zozeer een eigen wereld maar woont er ook in. Elk detail lijkt gevoelsmatig op zijn plaats te vallen, alles past binnen de context van de totale sfeer.

'The Lioness' is dan ook geen bijzonder afwisselende plaat, en dat kan ook niet. Meer variatie zou alleen maar een onvergeeflijke sfeerbreuk betekenen. Een sfeer die zo persoonlijk is als een vingerafdruk en zo donker als een gebroken hart. Geen sfeer waar ik elke dag in zou willen wonen, maar af en toe dwalen door de schemerwereld van Molina moet kunnen. Misschien is het zelfs onmisbaar.

Sonny Rollins - Freedom Suite (1958)

poster
3,5
Met: Sonny Rollins (tenorsax); Oscar Pettiford (bas); Max Roach (drums)

Net als zijn befaamde liveplaat A Night at the Village Vanguard van een paar maanden eerder, speelt Rollins hier met alleen een bassist en drummer. Persoonlijk hoor ik toch liever een pianist erbij, al draagt de kale, hoekige sound op deze plaat waarschijnlijk wel iets bij aan de activistische sfeer van het titelnummer.

Dat activisme is verder best mild, in vergelijking wat we tegenwoordig gewend zijn en als je bedenkt dat dit in 1958 was opgenomen, geen leuke tijd om een kleurtje te hebben in Amerika. Het trio klinkt gedreven maar beschaafd, en op de achterkant beklaagt Rollins zich, in een paar zinnen, in keurige bewoordingen over de behandeling van de zwarte man in Amerika. Met de luxe van een moderne bril mogen we gnuivend ons hoofd schudden bij de platenbazen die destijds snel een gecensureerde versie uitbrachten, met een andere voorkant en zonder Rollins' tekst.

In deze veranderde tijden laat het zich het beste beluisteren als een brok hogeschool-saxofoonjazz, waarin Rollins zijn creativiteit flink kan laten gelden, zij het nog netjes binnen de lijntjes (in de jazzgeschiedenis was het de vooravond van meer vrije, radicale inventies van John Coltrane, Ornette Coleman, enz.). Max Roach is hier een uitstekende sparring partner: hij en Rollins kenden elkaar inmiddels door en door, en zaten ook politiek goed op één lijn.

Het stuk heeft enige aandacht nodig, maar beloont die ook. De ballads op de B-kant zijn best mooi, maar voor mij niet het meest memorabele werk van Sonny Rollins uit deze periode.

Sonny Rollins - Moving Out (1956)

poster
4,0
Met: Sonny Rollins (tenorsax); Kenny Dorham (trompet); Elmo Hope (piano); Percy Heath (bas); Art Blakey (drums)
Behalve op 'More Than You Know': Rollins met Thelonious Monk (piano); Tommy Potter (bas); Art Taylor (drums).

Erg leuk album. Opgenomen in het najaar van 1954 met veel 'usual suspects' uit de New Yorkse bop-scene van die tijd, en valt daarmee net buiten de scope van Rollins' bloeiperiode als studioartiest (najaar 1955- najaar 1957, ongeveer), waar ik de laatste tijd wat doorheen aan het grasduinen ben.

Toch fijn dat ik deze ook op de luisterlijst heb gezet, want hoewel Rollins in die tijd heroïne scoren misschien nog vaak belangrijker vond dan goede platen opnemen, is de energie hier er niet minder om. De snijdende maar smeuïge saxofoonstijl waarmee hij in de volgende jaren furore zou maken, is al min of meer ontwikkeld. Speels, inventief, virtuoos en soulvol, Sonny is het allemaal, en vooral op de eerste twee tracks kom je bijna oren tekort als hij soleert.

Kenny Dorham blijkt een prima secondant, een trompettist op wie ik weleens wat kritiek heb gegeven, maar van wie ik toch steeds meer bijdrages aan platen ontdek die me kunnen bekoren (beluister ook zijn werk met de vroege Jazz Messengers). Snel en technisch vaardig, maar altijd in dienst van de groove en de melodie van het nummer, eigenlijk gewoon superlekkere solo's van hem, stuk voor stuk. Art Blakey als drummer, ook daar is weinig tegenin te brengen. Elmo Hope pakt vooral tijdens zijn solo's zijn momentjes, maar ja, wat kun je nog verfraaien als Rollins en Dorham aan het spelen zijn?

Het laatste nummer van een andere sessie met Thelonious Monk is een fijne afwisseling (overige nummers uit deze sessie staan op deze plaat), hoewel ik de nummers met Dorham denk ik iets beter vind. Lekker compact plaatje ook, dit, al is 31 minuten eigenlijk wel érg karig.

Sonny Rollins - Sonny Rollins and the Contemporary Leaders (1959)

poster
3,5
Op de laatste plaat vóór zijn legendarische 'sabbatical' van drie jaar speelt Rollins, zoals de titel al zegt, met een aantal grote namen onder contract bij West Coast-label Contemporary, veelal getalenteerde en publieksvriendelijke musici. Bezetting is zoals hierboven aangegeven door Mssr Renard, al heet de pianist Hampton Hawes en de drummer Shelly Manne.

Het is een plaat die je niet heel vaak terugziet in lijstjes en zo, maar toch trouwe liefhebbers kent onder jazzfans. Zo is dit de plaat die Steely Dan's Donald Fagen aan het draaien is op de hoes van zijn cult-solodebuut The Nightfly.

De plaat heeft iets heerlijk smeuïgs, wat me altijd heel erg vrolijk maakt als de eerste tonen door mijn kamer schallen. Als Rollins hier inderdaad wat humor en luchtigheid in de jazz probeert te brengen, dan is hij geslaagd in zijn missie.

Zonnige en technisch uitstekende muziek dus, aangenaam om drie kwartier in te verpozen, maar het blijft allemaal toch wat te braaf en vriendelijk om echt bij de lurven te grijpen. Een beetje het iets burgerlijkere broertje van het betere Newk's Time, naar mijn gevoel.

Sonny Rollins - Sonny Rollins, Vol. 2 (1957)

poster
4,0
Behoorlijk fijne, lekker hectische plaat van Rollins, ergens in het grijze gebied tussen bebop en hardbop. Al te storende genre-clichés worden omzeild door de ervaren line-up, met de lage grooves van Paul Chambers op bas en J.J. Johnson op trombone als mooi contrapunt tegenover de hyperactieve roffels van Art Blakey en het de altijd felle saxofoonvlagen van Rollins zelf. Pianist is Horace Silver, die op elke hardbopplaat wel in zijn element is, en hier op een fijne manier de kaders aangeeft.

Mooist is het middenstuk 'Misterioso'/ 'Reflections', waarop Thelonious Monk plaats neemt achter de piano (op ‘Misterioso’ schijnen zowel Monk als Silver mee te spelen, maar ik hoor vooral heel veel Monk). Het gevaar bij hardbop-platen is dat je na twee of drie nummers een beetje gaat denken: klinkt lekker maar het zal verder wel, dus Monk komt hier precies op het juiste moment de boel nog een beetje verder ontregelen met zijn tegendraadse spel en hoekige composities. Slim gedaan, en het resultaat doet me soms een beetje denken aan mijn huidige top tien-plaat Art Blakey's Jazz Messengers with Thelonious Monk (1957). Pluspunt!

Na twee sterke hardbop-nummers en twee sterke, eh, Monkbop-nummers worden nog even vrij relaxed twee jazz-standards afgewerkt, waarmee de plaat een tikkeltje als een nachtkaars uitgaat, maar het draagt ook wel weer bij aan de afwisseling. Opvallend op de hele plaat is hoe Rollins zelf zich ondergeschikt weet te maken aan de muziek: hij geeft anderen de ruimte, luistert goed, en haalt het grove geschut op het juist moment tevoorschijn.

Al met al geen geringe prestatie in een periode in de jazz waar de ene na de andere topplaat uitkwam, maar het een stuk moeilijker was om iets te maken wat ook echt boven het maaiveld uitstak.
Ruim zestig jaar later valt er nog steeds weinig te klagen over dit album. Dikke vier sterren.

Sonny Rollins - The Bridge (1962)

poster
4,0
Een schoolvoorbeeld van een mythe die ingehaald werd door de realiteit. Sonny Rollins besloot na oktober 1958 te stoppen met touren en platen op te nemen, en was daarna iedere dag uren te vinden op de WIlliamsburg-brug in New York om verder te schaven aan zijn skills op de saxofoon. In latere interviews verklaarde hij dat dit ook praktische redenen had, aangezien zijn buurvrouw een jonge moeder was en hij de baby niet steeds wilde wekken met zijn getoeter.

Ondanks Rollins' ontevredenheid over zijn eigen spel, was hij, bij de start van zijn sabbatical, misschien wel de belangrijkste Amerikaanse jazzsaxofonist. Toen in 1962 deze 'comebackplaat' uitkwam, waren de verwachtingen hooggespannen. Critici schijnen destijds teleurgesteld te zijn geweest omdat The Bridge een vrij traditionele, niet heel vooruitstrevende plaat was. In de tijdsgeest was Rollins inmiddels ingehaald door zijn vriend John Coltrane, en de 'vrije' stroming van Ornette Coleman. Met zijn studiowerk zou hij wellicht nooit meer zo in de voorhoede verkeren als dat hij in de jaren 1955-1958 had gedaan.

Terecht is The Bridge inmiddels kritisch wat gerehabiliteerd, want het is een prachtige plaat. Zowel op de traditionals zoals de heerlijke opener 'Without a Song' en de schitterende ballad 'God Bless the Child', als op de twee wat uitdagendere eigen nummers in het midden laat Rollins horen dat er weinig saxofonisten zijn die op zo'n eigen manier kunnen spelen zonder de melodie en groove daarbij uit het oor te verliezen. Zeker voor wie veel jazzplaten uit deze periode beluistert, merkt dat het niveau van 'gewoon heel erg goed' dat Rollins hier met het grootste gemak lijkt te bereiken, allesbehalve vanzelfsprekend is.

Sonny Rollins - Tour de Force (1958)

poster
3,5
Met: Sonny Rollins (tenorsax); Kenny Drew (piano); George Morrow (bas); Max Roach (drums); Earl Coleman (zang op ‘Two Different Worlds’ en ‘My Ideal’)

Net als Max Roach Plus Four opgenomen met de drie overlevenden van het Max Roach/Clifford Brown-kwintet, plus in dit geval pianist Kenny Drew. Dat moet nog steeds wel een bitterzoete ervaring zijn geweest in de studio, zonder de in juni van dat jaar bij een auto-ongeluk omgekomen Brown en Richie Powell.

Van een rouwende sfeer is hier echter geen sprake, zoals songtitels als ‘B Swift’ en ‘B Quick’ misschien wel voorspellen. Dat is pure bop-gymnastiek, waarin Roach en Rollins het ene na het andere muzikale salvo op elkaar afvuren. Indrukwekkend om te horen, hoewel niet de meest emotioneel aangrijpende opnames uit de jazzgeschiedenis. Morrow en Drew komen er bijna niet aan te pas.

Die laatste mag dat goedmaken op ‘Two Different Worlds’ en ‘My Ideal’, nogal weeïge ballads waarbij zelfs een crooner komt opdraven. Dat had van mij niet per se gehoeven, maar ach, Drew krijgt eindelijk een beetje speelruimte en ook Rollins mag bewijzen dat hij ook in ballads heer en meester is.

De nodige balans wordt gevonden in opener ‘Ee Ah’ en afsluiter ‘Sonny Boy’, beide buitencategorie hardbop, al kun je stellen dat die laatste eigenlijk niet meetelt, omdat ie niet op de oorspronkelijke LP staat. Nu is alles wat Rollins in de periode 1956-1958 opnam ruim de moeite van het aanhoren waard, zover ik het heb kunnen beoordelen. Dat geldt ook zeker voor Tour de Force, al is het als album wel een beetje ‘all over the place’.

En misschien komt het doordat ik de laatste tijd meer naar zijn platen op Blue Note heb geluisterd, maar hier valt de matige productie van Prestige me wel nogal op (iets wat ik bijv. niet heb bij Saxophone Colossus, toch ook een plaat van Prestige).

Sonny Rollins Quartet - Tenor Madness (1956)

poster
4,0
Met: Sonny Rollins (tenorsax); Red Garland (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums); John Coltrane (tenorsax op ‘Tenor Madness’)

Sonny Rollins was in 1955 de gewenste saxofonist van Miles Davis voor diens nieuwe band, maar had het te druk met afkicken en andere (muzikale) projecten, waardoor dat baantje naar John Coltrane ging. Kort daarna begint een drugvrije en herboren Rollins aan het opnemen van een reeks soloplaten die hem de belangrijkste jazzsaxofonist van de late jaren vijftig zullen maken. Op deze, de derde uit de reeks, werkt hij samen met de muzikanten die uiteindelijk door zijn oude maatje Davis werden ingehuurd.

Ook Coltrane is op de opener en titeltrack van de partij. De beloofde ‘Tenor Madness’ is vooral tenor-gezelligheid, vooral als je het vergelijkt met wat de heren in de jaren daarna nog zouden opnemen. Vooral natuurlijk historisch interessant (de enige bekende studio-opname waar beide saxofoonkolossen op meespelen) maar ook best tof om de heren twaalf minuten licks te horen uitwisselen. Coltrane is energiek en creatief, en toch wint Rollins het hier op gevoel.

De rest van de plaat is eigenlijk nóg interessanter, al wordt je zelden echt overdonderd. Toch, prettig swingende midtempo nummers als ‘Paul’s Pal’ en zwoele ballads als ‘My Reverie’ druipen van de muzikaliteit. Behalve Rollins, wiens soepele stijl en emotionele overtuigingskracht een genot is om naar te luisteren in deze periode, voelt Garland zich duidelijk senang bij deze sfeer, en is Chambers de baas in de lage regionen. Alleen een wat minder dan normaal uitbundige Jones blijft een beetje de grijze muis.

Sons of Kemet - Black to the Future (2021)

poster
3,5
Shabaka Hutchings (tenorsax, houtblazers); Theon Cross (tuba); Steve Williamson (tenorsax); Tom Skinner, Edward Wakili-Hick (drums, percussie)

Hun vorige plaat heb ik wel incidenteel beluisterd, maar verder is dit mijn kennismaking met Sons of Kemet. Aanvankelijk liet de plaat niet héél veel indruk achter. Althans, na het zinderende (en ziedende) tweeluik ‘Field Negus’/ ‘Pick up Your Burning Cross’ waarmee de plaat opent, lijkt de muziek van Hutchings en co wat lui achterover te gaan leunen in zijn eigen groove. Ik kon mijn aandacht er moeilijk bijhouden.

Na wat wandelingen met deze plaat op de koptelefoon is mijn waardering wel toegenomen (vooral op zonnige dagen). Knap is hoe de plaat Caribische en Afrikaanse volkmuziek en jazz mengt met meer moderne/ ‘urban’ vormen van zwarte muziek, en dat heel naturel en logisch laat klinken. Dat is, in mijn ervaring, lang niet zo makkelijk als de Sons of Kemet het hier laten klinken.

Nog meer bewondering dwingt het samenspel af. Niemand, zelfs Hutchings (toch inmiddels een bescheiden ster in jazzkringen) maakt zich groter dan het geheel. Er zijn goed gekozen momenten voor kakafonie en vurige solo’s, maar zelfs dan staat het maximale effect van het ritme, de sfeer, en de emotie voorop. Een plaat dus vol geestdrift maar weinig ego. De muziek wordt bij elke luisterbeurt boeiender, hoewel veel niet echt mijn genre is (zover je hier van een ‘genre’ kunt spreken).

Spinvis - Trein Vuur Dageraad (2017)

poster
4,0
De grote bewondering die ik voor Spinvis koesterde ten tijde van zijn debuut is wel enigszins bekoeld: Bijvoorbeeld: deze plaat was al een paar weken beschikbaar voordat ik hem beluisterde, en ik kwam er zelfs achter dat ik 'Justine Keller' nog helemaal niet heb beoordeeld.

Om het goed te maken heb ik Trein Vuur Dageraad inmiddels een aantal malen beluisterd, en ik moet zeggen: met plezier, en vlagen van enthousiasme.

Ik merkte wel dat de teksten me soms wat in de weg zitten op deze plaat. Jarenlang heb ik met mijn ogen gerold om mensen die meteen 'pseudo-intellectueel!!!1!!' begonnen te krijsen als Spinvis ter sprake kwam.
Ja hallo, dacht ik dan, niet iedereen kan Fransje Bauer zijn. Juist leuk toch, als iemand eens wat nieuws probeert?
(Ik vond trouwens ook dat Spinvis oneerlijk veel kritiek krijgt omdat hij in het Nederlands zingt, terwijl het gemiddelde bandje de grootste kul kan zingen in het Engels zonder dat het kennelijk iemand opvalt.)

Toch bekroop me bij Trein Vuur Dageraad soms het gevoel dat we platgetreden paden opliepen. Alle Spinvis-sfeertjes kwamen voorbij: kinderlijke polder-observaties, gemijmer over dingen die voorbij gaan, een aroma van psychische problematiek en nog wat malle beeldspraak om het geheel op smaak te brengen. En was het op het debuut ook al zo, dat Spinvis zo gemakzuchtig diepgang simuleert door vaagheden te combineren met Grote Woorden?
'Er was iets met een meisje' -- Ja, wat dan, kerel?
'Het probleem met ons is het leven en de tijd.' -- Ja, duh.

Zelfs in mijn meest milde bui vind ik dat Spinvis tekstueel weinig progressie heeft geboekt in vijftien jaar, en bij vlagen valt hij toch wel door de mand als dichter. En teksten zijn juist waar Spinvis het van moet hebben, toch?
Nou, nee, als Trein Vuur Dageraad iets bewijst, is het wel dat ik zelfs de zwakste teksten van Spinvis kan vergeven, omdat zijn liedjes zo verdomd knap in elkaar zitten. En dan bedoel ik niet alleen qua structuur, of door het bedenken van mooie melodieën, hoewel hij in die beide dingen uitblinkt. Nee, het geheime wapen van Erik de Jong zijn de knappe arrangementen.

Zo zijn er de hamerende powerakkoorden op gitaar en piano in 'Hallo, Maandag' (verder een herhalingsoefening van eerdere nummers als 'Wespen op de Appeltaart') en de te gekke, dromerige break in 'Artis', die deze nummers naar een hoger niveau tillen. Keerpunt van de plaat is wat dat betreft 'Tienduizend Zwaluwen', tekstueel een beetje een raar nummer, maar voorzien van een weelderig slot met echt enorm cheesy strijkers, die toch precies goed zijn gekozen om het nummer maximaal op je emotie te laten werken.

Vanaf dat moment is weelderigheid het sleutelwoord, zelfs bij de meer ingetogen tracks (luister bijvoorbeeld naar die vrouwenzang en die hoorn (?) in 'Wat Blijft'). Het is het geluid van een muzikant die intussen heel goed weet wat hij kan, en alle middelen genadeloos inzet om zijn publiek op de sentimenten te werken.

Passende climax daarvan is de titeltrack, waarbij je je kan voorstellen dat de laaste minuten een groot karaokemoment worden tijdens concerten, inclusief aanstekers en smartphones in de lucht. Het is nog steeds die twijfelende knutselaar van het debuut met het cassettebandje op de hoes, en toch qua zelfvertrouwen en grootsheid een melkweg daarvan verwijderd. Poppy as fuck, gewoon, maar eerlijk is eerlijk: het lukt me niet om er een hekel aan te hebben.

Mooiste nummer is echter 'Stefan en Lisette', een lange monoloog waarin de teloorgang van twee kennissen prachtig wordt getransformeerd tot een metafoor voor de Vergankelijkheid Van Alles. Typisch Spinvis dus, even aandoenlijk als wijs als banaal: 'Stefan schreef een boek, maar dat hebben we eigenlijk nooit geloofd.'

Ook dit is trouwens weer een nummer waarin Spinvis onbeschaamd doet waar hij goed in is, zoals op het hele album. Bij 'Nachtwinkel', een herkauwing van of variatie op 'Lotus Europa', lijkt het bijna of hij ons uitdaagt: Ja, dit hebben jullie me al eerder zien doen. Nou en?

Tsja, nou niks. De impact die 'Smalfilm' in 2002 op me maakte zal hij nooit meer evenaren, vrees ik. Experimenteel of verrassend kun je Trein Vuur Dageraad moeilijk noemen. In plaats daarvan heeft Spinvis een fijne niche gecreëerd binnen de Nederlandse popmuziek. Je weet wat je koopt, en je weet dat het fraai is. Bijna elk liedje zorgt wel voor een paar momenten van oprechte ontroering.

Tussen de 3,5 en 4 sterren, afgerond naar boven vanwege de gunfactor.

Stan Getz - Sweet Rain (1967)

poster
3,5
Met: Stan Getz (tenorsax); Chick Corea (piano); Ron Carter (bas); Grady Tate (drums)

Heel erg aangename plaat. Getz met zijn altijd verrukkelijke toon op de tenorsax, met genoeg creativiteit in de ritmesectie om het (meestal) spannend te houden. Corea draagt ook twee composities bij, aan de uiteinden van het album. Dat zijn meteen (relatief) de meest uitdagende stukken, alleen lijkt Corea soms wat op zoek naar een doel waardoor de aandacht wat verslapt.

Toch maakt het meer smeuïge middenstuk het meeste indruk, met de glinsterende, licht latijns gekruide romantische swing van 'O Grande Amor' (Jobim) en Con Alma (Gillespie), en in iets mindere mate het contemplatieve titelnummer, dat het geduld soms wel een beetje op de proef stelt. Hier klinkt Corea bijna als Bill Evans, wat misschien de reden is dat sommige bronnen (o.a. Spotify) beweren dat Evans op deze plaat te horen is (wat volgens mij niet klopt).
Een deel van mij wil vier sterren of hoger geven, maar tijdens de verschillende luistersessies dwaalden mijn gedachten toch vaak af. Een wat voorzichtige waardering dus, maar voor 's avonds laat een nagenoeg volmaakte jazzplaat.

Stanley Turrentine - Mr. Natural (1980)

poster
3,5
Met: Stanley Turrentine (tenorsax); Lee Morgan (trompet, behalve op 'My Girl Is Just Enough Woman for Me'); McCoy Tyner (piano); Bob Cranshaw (bas); Elvin Jones (drums); Ray Barretto (conga behalve op 'My Girl Is Just Enough Woman for Me' en 'Can't Buy Me Love')

Het eerste dat opvalt is de bezetting, nogal een clubje illustere figuren bij elkaar. Turrentine is dan voor mij nog de meest onbekende (al speelde hij op een aantal erg bekende platen zoals Kenny Burrells Midnight Blue)
Volgens de informatie die ik kon vinden maakte hij in de jaren zestig vooral souljazz-platen met toenmalig echtgenote Shirley Scott, die hier ontbreekt. Deze plaat zit meer in de hardbop/ modal-hoek.

Heel moeilijk wordt het allemaal niet, dus daar zal het niet aan liggen dat Blue Note de plaat op de plank liet liggen tot 1980, en hem toen alsnog uitbracht in hun reeks 'kijk eens wat voor lelijke platenhoezen we om LP's durven te doen'. Als je ziet hoe productief mensen als Turrentine en Morgan destijds waren, dan snap je dat er wat dingen op de plank bleven liggen.

De muziek is dan ook nog redelijk inwisselbaar, al verdient de plaat wel iets meer dan de obscuriteit die hij heeft (ik moest hem zelf toevoegen op Musicmeter). Vooral Turrentine's eigen compositie 'Shirley' (is ze er toch een beetje bij) is heerlijk, en ook het trompetloze, wat bizar getitelde 'My Girl is Just Enough Woman for Me' is lekker. Wat de gedachte was achter die Beatles-cover op het einde is me minder duidelijk, maar ook die stoort verder niet. Aanrader voor de liefhebbers van de meer smeuïge Blue Note.

Status Quo - In the Army Now (1986)

poster
2,0
Dit is een opdracht uit het 'Ga dat album eens reviewen'-topic (klik). Iemand anders laten kiezen waarover je een recensie moet schrijven: leuk! 'Nou, ga jij maar Status Quo doen, Sandokan.'

Status Quo? Is dat niet zo'n hardrockband uit de jaren tachtig, met kapsels en glitters enzo? Nou ja, een beetje googlen leert dat de band, voor het maken van deze plaat, een best indrukwekkende carriere erop had zitten, dus daar ga je met je vooroordelen. Whatever, een mens kan niet overal verstand van hebben. Wel wordt het moeilijk voor me om hier te bluffen, ik mis hier een referentiekader. Ik heb nog nooit gestemd op Van Halen of Def Leppard ofzo. Is dat hiermee te vergelijken? Ik heb geen idee.

Goed, laat ik gewoon afgaan op wat ik hoor. Dan zou ik zeggen: nogal poppy hardrockplaat met een flinke scheut Creedence. Apart, voor een plaat gemaakt door Britten. Duidelijk gemaakt door ervaren muzikanten, maar helaas met een rock 'n' rollgehalte dat op nul valt af te ronden.

Net als veel mainstream rockplaten uit die periode vind ik het verkeerd geproduceerd, met een mager gitaargeluid, holle drums, te dominante synthesizers, foute backing vocals en al die andere dingen waardoor onze lieve heer een paar jaar later Kurt Cobain zou loslaten op de rock 'n' roll.

De liedjes op zichzelf zijn, hoewel een beetje dertien in een dozijn, op zichzelf allemaal wel aanhoorbaar. Niemand zou er boos de supermarkt om verlaten, zeg maar. Maar het is niet genoeg om de indruk af te schudden van een nogal bedachte poseursplaat, die iedereen tevreden lijkt te willen houden en dus uiteindelijk weinig mensen echt bij hun strot zal grijpen.

Stone Temple Pilots - Stone Temple Pilots (2010)

poster
3,0
Oké, aardig gitaarplaatje. Stampt er lekker in met Between The Lines en raakt een snaartje in de met pianoakkoorden opgeleukte afsluiter Maver. Daartussen vinden we genoeg vuiligheid en energie om de dag door te komen.

Maar helaas ook verveling. Sjongejonge, wat dwalen mijn gedachtes ver af tijdens deze plaat. Met al hun hernieuwde energie laten de Pilots zich stiekem toch kennen als one trick ponies, een ervaren en goed ingespeelde rockband die één kunstje, nou ja, een paar kunstjes beheerst, en na een track of vier, vijf heb ik dat wel weer gezien. Scott Weiland die klaagt over zijn demonen is ook zozo, want het blijven natuurlijk wel de demonen van een verouderde rockjunkie, dus ook weer niet zo vreselijk interessant.

Maar door een ondergrens wordt niet gezakt, en al met al laten de Stone Temple Pilots hier genoeg horen om hun heroprichting te rechtvaardigen. Een krappe voldoende lijkt me dus op zijn plaats.

Stuart Warwick - The Butcher's Voice (2013)

poster
4,0
Wellicht de meest boeiende plaat van het jaar tot nu toe, met de 'man with a pussy' als icoon en patroonheilige voor een bij vlagen hartverscheurende zoektocht naar tederheid, liefde en seksuele identiteit.

Een wat hallucinante onthechting met de rollenpatronen in de maatschappij (ergens wordt een Hello Kitty pop bezongen, die Warwick in zijn jeugd bezat, maar moest verstoppen zodat zijn vader het niet zou zien) vormen een apart contrast met het andere belangrijke sfeeringrediënt: een uitnodigende, soms uitdagende romantiek. Een intieme, bijna fluisterende sfeer, die door weelderige muzikale inkleuring opstijgt naar de stratosfeer.

Voor een plaat in eigen beheer, zonder groot budget, is Warwick er goed in geslaagd bombast en dynamiek toe te voegen met slim gebruik van toetsen, strijkers en percussie. Meestal, dan. Op een paar momenten worden de toetsen zo dominant en dik erop dat het een beetje stroperig wordt, naar mijn smaak. Over het algemeen krijgen we echter fraaie, afwisselende en meeslepende muziek voorgeschoteld.

Het belangrijkste bestanddeel aan het slagen van deze plaat zijn echter de liedjes, die altijd kop en staart hebben, en vooral ook een groot, bloedend hart. Het zijn enkele van de beste liedjes die ik dit jaar mocht horen ('Sailors', 'Cherished Muscle', 'Crush'), met ter afwisseling een track die wat meer swingt of even stout knipoogt ('Dame Binned Cow').

Al met al een plaat die af en toe wat aandacht vraagt, maar dit ruimschoots terugbetaalt. Gezien de positieve aandacht voor dit soort androgyne, weelderige songwriters van de laatste jaren (o.a. het duidelijk verwante Perfume Genius) zou een groter publiek voor deze plaat niets meer dan rechtvaardig zijn.

Tevens een stukje op mijn blog.

Sufjan Stevens - Illinois (2005)

Alternatieve titel: Sufjan Stevens Invites You To: Come on Feel the Illinoise

poster
3,5
In de tijd dat deze cd uitkwam, begreep ik dat het Sufjan Stevens’ plan was om een cd te maken voor elk van de vijftig Verenigde Staten. Is daar eigenlijk ooit iets van gekomen? Hoe dan ook, Stevens dwingt respect af voor zijn ambities, net als met zijn muzikaliteit en veelzijdigheid: voor deze plaat schrijft hij alle teksten en muziek, speelt een stuk of dertig instrumenten, zingt alles zelf, en treedt op als producer.

Toch al niet kaal, werd de plaat vervolgens nog verder ingekleurd met trompet, strijkers, en een keur aan achtergrondkoortjes. Klanktapijten, neigend naar freakfolk en zorgvuldig geweefd door Sufjan, om zijn ook al erg folky liedjes te begeleiden, waarin het ruikt naar de bossen en gebergtes van Amerika, en beroemde inwoners van Illinoise (o.a. Abraham Lincoln) figureren. Het zou boeiend zijn, als de meeste liedjes me niet zo volledig koud lieten.

De eerste keer dat de Illinoise mijn aandacht volledig vast weet te houden, is pas bij nummer vier, John Wayne Gacy, Jr.
Sufjan mijmert hier over de beruchte, gelijknamige seriemoordenaar op een beheerste, maar intense manier, en de conclusie is werkelijk huiveringwekkend: ‘And in my best behaviour/ I am really just like him/ look beneath the floorboard/ for the secrets I have hid.’ Het is moeilijk om geen gemengde gevoelens te hebben bij het nummer, maar het zijn in ieder geval gevoelens, terwijl de plaat tot op dat moment mijn ene oor in, en de andere uit gaat.

Gelukkig komt Sufjan hierna met Jacksonville, het op één na beste nummer van de plaat, een zeer geslaagde smeltpot van bizarre folk en zuivere soul waarbij meeneurieën bijna een reflex is. Verderop zijn vooral Chicago en Prairie Fire That Wanders About sterk, maar tegen de tijd dat we bij het beste nummer aankomen, komen de smaakvolle, muzikale en rijke muzikale omlijstingen met eigenlijk mijn neus al uit.

Intussen trekt vooral het cd-boekje mijn aandacht, waarop niet zo zeer het lelijke artwork als wel de titels van de tracks de belangrijkste attractie vormen. De korte titels die ik tot hier noemde, zijn uitzonderingen. Veel van de tracks zijn gezegend met ellenlange, vaak grappige namen, vooral de tussendoortjes. Een daarvan gaat door het leven als A Short Reprise For Mary Todd, Who Went Insane, But For Very Good Reasons. Een andere werd opgezadeld met de title A Conjunction Of Drones Simulating The Way In Which Sufjan Stevens Has A Existential Crisis In The Great Godfrey Maze. De beste is echter wel de titel van het genoemde beste nummer, dat heet: They Are Night Zombies!! They Are Neighbours!! They Have Come Back From The Dead!! Ahhhhh!

Op dit nummer komen alle muzikale elementen van de plaat op hun sterkst bij elkaar, waarbij vooral de strijkers en de ritmesectie geweldig werk verrichten. Over een slim achtergrondkoortje dat de naam van de staat spelt (‘I-L-L-I-N-O-I-S-E’) zingt Stevens wat mij betreft de enige echte klassieker van de plaat de zevende hemel in: ‘I tremble with the nervous thought/ of having been at last forgot’.

De rest van de cd is bij vlagen fraai, soms zelfs schitterend, maar de folky liedjes en de gelaagde arrangementen zitten elkaar vaak in de weg, en veel ideeën slaan dood in het nuffige, dandyeske sfeertje dat waarin de plaat voorkabbelt. (Noem het een Belle And Sebastian-syndroom) Het is allemaal net iets te subtiel, te excentriek-smaakvol.
Je krijgt het idee dat Sufjan te veel tegelijkertijd wil doen, en op hetzelfde moment ook een beetje verstoppertje aan het spelen is tussen zijn wilde ideeën en muzikale omlijstingen.

Ik vind het moeilijk om een echte band te krijgen met Illinoise. Tot op het laatst klinkt de plaat aardig, en ook de titel van de afsluiter is een juweeltje: Out of Egypt, Into The Great Laugh Of Mankind, And I Shake The Dirt From My Sandals As I Run. De bijbehorende muziek is een soort door piano geleide geluidscollage.

Dan is het afgelopen. Een uur en een kwartier muziek achter de rug, waar je weinig negatiefs over kan zeggen. Maar bijzonder indrukwekkend? Mwah. Ik heb de cd aangeschaft toen hij uitkwam, en ik draai hem zelden. Misschien zou ik ‘m nog vijftig keer aandachtig moeten luisteren, ‘m ‘leren waarderen’, maar daarnaast ligt mijn stapel favorieten, met Dylan en Mingus en The Kinks en Coltrane en The Beatles.
Te veel muziek, te weinig tijd. Deze plaat is er nog niet in geslaagd om te komen bovendrijven in het enorme aanbod.