Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Bettie Serveert - Palomine (1992)

4,0
2
geplaatst: 13 april 2020, 11:35 uur
Een klassieker binnen de rockmuziek van de jaren negentig (althans in Nederland), een periode die ik zo’n beetje beschouw als de baarmoeder van mijn muzieksmaak. Toch had ik deze nog niet beoordeeld. Goed, ik was dan ook pas elf tijdens de release. In latere jaren heb ik deze plaat wel eens gehoord, maar er nooit echt de tijd voor genomen. Gelukkig is er nu het internet, dat muzikale retrospectie een stuk makkelijker maakt.
Het is lastig de plaat te beluisteren zonder een bepaalde weemoed te voelen over de jaren negentig. Wie de productie van deze plaat hoort (zo sober opgenomen dat je tegenwoordig met twee laptops en een fatsoenlijk geïsoleerde garage hetzelfde niveau zou kunnen halen), realiseert zich dat Nederlandse popmuziek toch wel een stuk professioneler is geworden in de laatste dertig jaar. Als een jong rockbandje tegenwoordig de studio in mag, klinkt het eindresultaat meestal een stuk meer gelikt (maar ja, voordat je het weet zit je dan opgescheept met Kensington, of zoiets).
Tegelijkertijd is het, natuurlijk, ook die typische jaren negentig-esthetiek: gruizig a la Neil Young-- via Sonic Youth, Dinosaur Jr., en Sebadoh (van die laatste wordt hier ‘Healthy Sick’ gecoverd). Aan de ene kant ben je tegenwoordig bijna blij dat je weer eens een plaat op hebt staan waarop niet binnen tien minuten een gast met face tattoos begint te rappen. Aan de andere kant voelt deze aanpak, zeker met de kennis van nu, bijna puristisch aan: het maakt het geluidsbeeld ook wat eenvormig, waardoor de liedjes, zeker naarmate de plaat vordert, minder makkelijk beklijven.
Die liedjes, daar is op zich weinig mis mee. Het is prettig meeblèren met de zanglijnen van Carol van Dijk, die ieder nummer wel van een memorabel refrein weet te voorzien, en een prettig eigenwijs stemgeluid heeft. De hoofdrol wordt echter opgeëist door gitarist Peter Visser: de stevige riffs, snerpende solo’s, en emmers gruis die hij over de muziek uitstort, vormen de belangrijkste ingrediënten die de plaat op smaak brengen.
Buiten dat maakt het indruk hoe goed de band op elkaar is ingespeeld, en het materiaal beheerst. Dat is natuurlijk ook de weelde van een debuutplaat, waarop je het beste materiaal kan spelen dat je in je leven daarvoor hebt bedacht. Hoe dan ook, het gruizige vakmanschap van de vroege Bettie Serveert lijkt een beetje verdwenen uit de (Nederlandse) rockmuziek, en ondanks alle verworvenheden van de laatste decennia, kunnen veel jonge bands daar nog best iets van leren.
Het is lastig de plaat te beluisteren zonder een bepaalde weemoed te voelen over de jaren negentig. Wie de productie van deze plaat hoort (zo sober opgenomen dat je tegenwoordig met twee laptops en een fatsoenlijk geïsoleerde garage hetzelfde niveau zou kunnen halen), realiseert zich dat Nederlandse popmuziek toch wel een stuk professioneler is geworden in de laatste dertig jaar. Als een jong rockbandje tegenwoordig de studio in mag, klinkt het eindresultaat meestal een stuk meer gelikt (maar ja, voordat je het weet zit je dan opgescheept met Kensington, of zoiets).
Tegelijkertijd is het, natuurlijk, ook die typische jaren negentig-esthetiek: gruizig a la Neil Young-- via Sonic Youth, Dinosaur Jr., en Sebadoh (van die laatste wordt hier ‘Healthy Sick’ gecoverd). Aan de ene kant ben je tegenwoordig bijna blij dat je weer eens een plaat op hebt staan waarop niet binnen tien minuten een gast met face tattoos begint te rappen. Aan de andere kant voelt deze aanpak, zeker met de kennis van nu, bijna puristisch aan: het maakt het geluidsbeeld ook wat eenvormig, waardoor de liedjes, zeker naarmate de plaat vordert, minder makkelijk beklijven.
Die liedjes, daar is op zich weinig mis mee. Het is prettig meeblèren met de zanglijnen van Carol van Dijk, die ieder nummer wel van een memorabel refrein weet te voorzien, en een prettig eigenwijs stemgeluid heeft. De hoofdrol wordt echter opgeëist door gitarist Peter Visser: de stevige riffs, snerpende solo’s, en emmers gruis die hij over de muziek uitstort, vormen de belangrijkste ingrediënten die de plaat op smaak brengen.
Buiten dat maakt het indruk hoe goed de band op elkaar is ingespeeld, en het materiaal beheerst. Dat is natuurlijk ook de weelde van een debuutplaat, waarop je het beste materiaal kan spelen dat je in je leven daarvoor hebt bedacht. Hoe dan ook, het gruizige vakmanschap van de vroege Bettie Serveert lijkt een beetje verdwenen uit de (Nederlandse) rockmuziek, en ondanks alle verworvenheden van de laatste decennia, kunnen veel jonge bands daar nog best iets van leren.
Big Thief - Dragon New Warm Mountain I Believe in You (2022)

4,5
3
geplaatst: 15 april 2022, 13:57 uur
Aan inspiratie geen gebrek bij deze band, kennelijk. Ze waren me al eerder opgevallen toen ze in 2019 doodleuk twee goed ontvangen platen in een jaar uitbrachten (hun eerdere werk niet, maar ik leef dan ook best wel onder een steen). Toen vond ik het al wel mooie muziek, maar heb ik er verder niet al te veel aandacht aan besteed. Dat gaat nog wel gebeuren, want Dragon New Warm Mountain I Believe in You heeft de laatste paar maanden een stevig plekje in mijn hart veroverd.
De lengte is eigenlijk het enige waar ik over kan zeuren, met genoeg songs om een flinke dubbel-lp te vullen. Dat maakt het voor mij niet altijd aantrekkelijk om de plaat in zijn geheel te beluisteren, en om een of andere reden krijg ik soms het gevoel dat de songs een beetje in elkaar overlopen. Wat bepaald geen recht doet aan een album dat toch een behoorlijke stilistische reikwijdte heeft. Fluistermeisjes-folk, country en roots, indie met electro-invloeden, pure pop, Big Thief maakt sfeer en kleurt met het grootste gemak.
Dat het toch allemaal klinkt als het werk van één band, is op zich al een compliment waard. Maar wat echt bijna intimiderend is, is het vermogen van de band om de ene sterke song na de andere uit hun mouw te schudden. Bijna elk liedje heeft een goede hook, een eigen muzikale vibe, en blijft daarom snel bij me hangen. En hoewel een aantal songs bij mij wel favoriet zijn (de opener en het titelnummer, 'Certainty', 'Red Moon', 'Promise is a Pendulum', en zo nog een paar), heb ik eigenlijk nog geen liedje kunnen ontdekken waarvan ik niet begrijp dat het het album heeft gehaald. De stem van de zangeres en haar teksten kan ik ook nog goed hebben.
Prachtige plaat! Ik twijfel een beetje tussen 4 en 4,5 sterren, maar ik heb dit de laatste weken vaak genoeg gedraaid om het voordeel van de twijfel te geven.
De lengte is eigenlijk het enige waar ik over kan zeuren, met genoeg songs om een flinke dubbel-lp te vullen. Dat maakt het voor mij niet altijd aantrekkelijk om de plaat in zijn geheel te beluisteren, en om een of andere reden krijg ik soms het gevoel dat de songs een beetje in elkaar overlopen. Wat bepaald geen recht doet aan een album dat toch een behoorlijke stilistische reikwijdte heeft. Fluistermeisjes-folk, country en roots, indie met electro-invloeden, pure pop, Big Thief maakt sfeer en kleurt met het grootste gemak.
Dat het toch allemaal klinkt als het werk van één band, is op zich al een compliment waard. Maar wat echt bijna intimiderend is, is het vermogen van de band om de ene sterke song na de andere uit hun mouw te schudden. Bijna elk liedje heeft een goede hook, een eigen muzikale vibe, en blijft daarom snel bij me hangen. En hoewel een aantal songs bij mij wel favoriet zijn (de opener en het titelnummer, 'Certainty', 'Red Moon', 'Promise is a Pendulum', en zo nog een paar), heb ik eigenlijk nog geen liedje kunnen ontdekken waarvan ik niet begrijp dat het het album heeft gehaald. De stem van de zangeres en haar teksten kan ik ook nog goed hebben.
Prachtige plaat! Ik twijfel een beetje tussen 4 en 4,5 sterren, maar ik heb dit de laatste weken vaak genoeg gedraaid om het voordeel van de twijfel te geven.
Bill Evans - Behind the Dikes (2021)
Alternatieve titel: The 1969 Netherlands Recordings

3,5
1
geplaatst: 18 december 2021, 16:09 uur
Met: Bill Evans (piano); Eddie Gomez (bas); Marty Morell (drums)
Bijzonder project inderdaad wel, grappig om de band aangekondigd te horen worden in keurig jaren zestig-radionederlands (net als het energieke maar beschaafde applaus na elk nummer -- duidelijk een andere tijd en een ander Nederland dan dat in Abu Dhabi met oranje vlaggen stond te zwaaien afgelopen weekend).
Verder prima band, prima set, goede opnames en/ of productie, minstens de moeite waard om een paar keer te hebben gehoord. Ik hou het zelf nog even op 3,5*, in afwachting van hoe vaak ik dit nog ga draaien. Het is wel een beetje aan de lange kant, en ik kan me voorstellen dat binnen het lijvige oeuvre van Evans toch andere (live)platen de voorkeur gaan hebben. De 3LP-set doet inmiddels rond de negentig euro, dat is toch echt wel te gortig.
Bijzonder project inderdaad wel, grappig om de band aangekondigd te horen worden in keurig jaren zestig-radionederlands (net als het energieke maar beschaafde applaus na elk nummer -- duidelijk een andere tijd en een ander Nederland dan dat in Abu Dhabi met oranje vlaggen stond te zwaaien afgelopen weekend).
Verder prima band, prima set, goede opnames en/ of productie, minstens de moeite waard om een paar keer te hebben gehoord. Ik hou het zelf nog even op 3,5*, in afwachting van hoe vaak ik dit nog ga draaien. Het is wel een beetje aan de lange kant, en ik kan me voorstellen dat binnen het lijvige oeuvre van Evans toch andere (live)platen de voorkeur gaan hebben. De 3LP-set doet inmiddels rond de negentig euro, dat is toch echt wel te gortig.
Bill Evans - Conversations with Myself (1963)

3,0
1
geplaatst: 16 september 2023, 18:07 uur
Met: Bill Evans (piano); Bill Evans (piano); Bill Evans (piano)
Evans speelt niet onverdienstelijk met zichzelf, door twee keer zichzelf te overdubben. Geen onaardig idee, ik weet niet of iemand eerder dit zo gedaan had. Nu was Evans wel de man van de subtiele accentjes en de zuchtende onderstromen, dus het is wel gaaf om hem een keer zo 'puur' te horen.
Ik moet wel zeggen dat het verder niet zo mijn ding is als de meeste van zijn platen uit deze periode. Waar zijn dromerige stijl juist heel mooi contrasteert met een ritmesectie, wordt alle introspectie me hier na een tijdje wel wat veel. Deze versie van 'Spartacus Love Theme' is prachtig, de rest van het materiaal is eigenlijk niet verrassend genoeg om me echt enthousiast te maken.
Evans speelt niet onverdienstelijk met zichzelf, door twee keer zichzelf te overdubben. Geen onaardig idee, ik weet niet of iemand eerder dit zo gedaan had. Nu was Evans wel de man van de subtiele accentjes en de zuchtende onderstromen, dus het is wel gaaf om hem een keer zo 'puur' te horen.
Ik moet wel zeggen dat het verder niet zo mijn ding is als de meeste van zijn platen uit deze periode. Waar zijn dromerige stijl juist heel mooi contrasteert met een ritmesectie, wordt alle introspectie me hier na een tijdje wel wat veel. Deze versie van 'Spartacus Love Theme' is prachtig, de rest van het materiaal is eigenlijk niet verrassend genoeg om me echt enthousiast te maken.
Bill Evans - Interplay (1963)

4,0
1
geplaatst: 16 januari 2022, 19:32 uur
Met: Bill Evans (piano); Jim Hall (elektrische gitaar); Freddie Hubbard (trompet); Percy Heath (bas); 'Philly' Joe Jones (drums)
Voor Evans-begrippen meer een pure bopplaat, waardoor de pianist zichzelf ook een zwaardere, meer bluesy stijl aanmeet, terwijl een jonge Hubbard dan weer opvallend subtiel en gevoelig speelt (voor zijn doen). Het is een plaat zonder heel veel spanning: vijf smaakvol gekozen standards, uitstekend vertolkt door een groep muzikanten die het reuzegezellig lijkt te hebben in de studio.
Dat de gebruikelijke melancholie van Evans daarin een beetje ondersneeuwt, is dan niet eens zo erg, vooral als de titeltrack, de enige original (compositie van Evans zelf) met zijn broeierige spanning het album uiteindelijk nog wat interessanter maakt.
Voor Evans-begrippen meer een pure bopplaat, waardoor de pianist zichzelf ook een zwaardere, meer bluesy stijl aanmeet, terwijl een jonge Hubbard dan weer opvallend subtiel en gevoelig speelt (voor zijn doen). Het is een plaat zonder heel veel spanning: vijf smaakvol gekozen standards, uitstekend vertolkt door een groep muzikanten die het reuzegezellig lijkt te hebben in de studio.
Dat de gebruikelijke melancholie van Evans daarin een beetje ondersneeuwt, is dan niet eens zo erg, vooral als de titeltrack, de enige original (compositie van Evans zelf) met zijn broeierige spanning het album uiteindelijk nog wat interessanter maakt.
Bill Evans - On Green Dolphin Street (1959)

3,0
0
geplaatst: 4 januari 2025, 19:49 uur
De eerste zes tracks zijn een nakomertje van sessies uit begin 1959 waarin Evans, Jones en bassist Paul Chambers begeleiders waren van Chet Baker. Die opnames kwamen uiteraard terecht op Chet (1959).
Blijkbaar was er wat studiotijd over of zaten ze er lekker in, waardoor het drietal (zonder Chet) nog wat standards op de tape pingelde. Aangenaam, en historisch interessant omdat het de ritmesectie van Miles Davis is vlak voor Kind of Blue (al had Jones de band van Davis toen al verlaten), maar verder wordt het allemaal niet heel bijzonder.
Uiteindelijk werd dit pas in 1995 op cd uitgebracht (hierboven staat alleen 1959 omdat kennelijk vroeger op Musicmeter de gewoonte was om bij jazzplaten het jaar van opname en niet van release in te voeren). Als zevende track werd een alternatieve take van 'All of You' erachteraan geplakt, van de magnifieke opnames uit de Village Vanguard in 1961 met Scott Lafaro en Paul Motian. Daardoor steekt het voorgaande er eigenlijk nóg bleker bij af, helaas.
Blijkbaar was er wat studiotijd over of zaten ze er lekker in, waardoor het drietal (zonder Chet) nog wat standards op de tape pingelde. Aangenaam, en historisch interessant omdat het de ritmesectie van Miles Davis is vlak voor Kind of Blue (al had Jones de band van Davis toen al verlaten), maar verder wordt het allemaal niet heel bijzonder.
Uiteindelijk werd dit pas in 1995 op cd uitgebracht (hierboven staat alleen 1959 omdat kennelijk vroeger op Musicmeter de gewoonte was om bij jazzplaten het jaar van opname en niet van release in te voeren). Als zevende track werd een alternatieve take van 'All of You' erachteraan geplakt, van de magnifieke opnames uit de Village Vanguard in 1961 met Scott Lafaro en Paul Motian. Daardoor steekt het voorgaande er eigenlijk nóg bleker bij af, helaas.
Bill Evans - Trio '65 (1965)

4,0
1
geplaatst: 28 mei 2023, 11:47 uur
Met: Bill Evans (piano); Chuck Israels (bas); Larry Bunker (drums)
De sound van de trio's van Bill Evans is voor mij één van de mooiste dingen die in de jazz te vinden zijn, en zijn band van circa 1961 met Paul Motian en de betreurde Scott LaFaro was dan weer zijn beste trio. Ten opzichte daarvan biedt deze plaat van drieënhalf jaar later weinig meerwaarde, maar dit trio (destijds volgens mij al een paar jaar zijn liveband) weet de magie van die opnames toch soms verdomd dicht te benaderen.
Evans die doet waar hij goed in is, zonder al te veel artistieke ambities, dat wel, maar schuif het maar bij mij naar binnen. Dat dit momenteel op LP te koop is in de befaamde Acoustic Sounds-serie van Verve doet de portemonnee toch wel weer branden in de broekzak, geef ik toe.
De sound van de trio's van Bill Evans is voor mij één van de mooiste dingen die in de jazz te vinden zijn, en zijn band van circa 1961 met Paul Motian en de betreurde Scott LaFaro was dan weer zijn beste trio. Ten opzichte daarvan biedt deze plaat van drieënhalf jaar later weinig meerwaarde, maar dit trio (destijds volgens mij al een paar jaar zijn liveband) weet de magie van die opnames toch soms verdomd dicht te benaderen.
Evans die doet waar hij goed in is, zonder al te veel artistieke ambities, dat wel, maar schuif het maar bij mij naar binnen. Dat dit momenteel op LP te koop is in de befaamde Acoustic Sounds-serie van Verve doet de portemonnee toch wel weer branden in de broekzak, geef ik toe.
Bill Evans Trio - Everybody Digs Bill Evans (1959)

4,0
3
geplaatst: 30 december 2018, 15:41 uur
Plaat die binnen de discografie van Evans te plaatsen is tussen zijn meer academische begindagen (o.a. met George Russell) en zijn echte doorbraak als jazzmuzikant met zijn rol op 'Kind of Blue' en zijn werk met Scott LaFaro en Paul Motian.
Zijn blauwe maandag in de band van Miles Davis, kort voor deze opnamen, was een belangrijke tussenstop. Hier ontmoette hij maatje Philly Joe Jones, drummer van dienst op Everybody Digs. De karakteristieke drive van Jones geeft veel energie aan de snellere nummers, die fijn swingen en redelijk toegankelijk zijn voor iedereen die een beetje openstaat voor dit soort jazz.
In combinatie met de meer ingetogen tracks, waar de invloed van componisten als Satie op Evans' werk te horen is, ontstaat een interessante maar soms wat incoherente plaat. De sfeer schiet zo alle kanten uit, dat ik het moeilijk vind om bij het album als geheel iets duidelijks te voelen.
Verder weinig te klagen, al zou ik beargumenteren dat Evans' stijl pas echt tot bloei kwam in de jaren daarna. En dan vooral toen bassist LaFaro hem, met zijn dominante stijl, de ruimte gaf om minder dan hier piano als lead-instrument te spelen en meer tussen voor- en achtergrond te dwarrelen in zijn eigen droomwereld. Die kenmerkende sprankeling is hier nog in ontwikkeling, maar alsnog blijft deze plaat na zestig jaar redelijk goed overeind.
Zijn blauwe maandag in de band van Miles Davis, kort voor deze opnamen, was een belangrijke tussenstop. Hier ontmoette hij maatje Philly Joe Jones, drummer van dienst op Everybody Digs. De karakteristieke drive van Jones geeft veel energie aan de snellere nummers, die fijn swingen en redelijk toegankelijk zijn voor iedereen die een beetje openstaat voor dit soort jazz.
In combinatie met de meer ingetogen tracks, waar de invloed van componisten als Satie op Evans' werk te horen is, ontstaat een interessante maar soms wat incoherente plaat. De sfeer schiet zo alle kanten uit, dat ik het moeilijk vind om bij het album als geheel iets duidelijks te voelen.
Verder weinig te klagen, al zou ik beargumenteren dat Evans' stijl pas echt tot bloei kwam in de jaren daarna. En dan vooral toen bassist LaFaro hem, met zijn dominante stijl, de ruimte gaf om minder dan hier piano als lead-instrument te spelen en meer tussen voor- en achtergrond te dwarrelen in zijn eigen droomwereld. Die kenmerkende sprankeling is hier nog in ontwikkeling, maar alsnog blijft deze plaat na zestig jaar redelijk goed overeind.
Bill Evans Trio - The Tokyo Concert (1973)
Alternatieve titel: Live in Tokyo

4,5
0
geplaatst: 9 februari 2025, 15:16 uur
Er is geen gebrek aan liveplaten van Bill Evans (sterker nog, elke 'Record store Day' of archiefproject van een jazzlabel lijken er meer bij te komen), maar ze kunnen niet allemaal de vergelijking doorstaan met het legendarische tweeluik Sunday at the Village Vanguard/ Waltz For Debby (opgenomen in 1961).
Zó goed is deze ook niet, maar hij komt er toch wel verrekte dichtbij, ruim een decennium later, met een andere drummer en bassist en aan de andere kant van de wereld. Verwacht geen enorme verrassingen, het is Evans met een pianotrio die doet waar hij goed in is: de ene dromerige, zalige melodie na de andere aan elkaar rijgen en de lente laten losbreken in je hoofd (met een flink scheutje melancholie, uiteraard).
Zó goed is deze ook niet, maar hij komt er toch wel verrekte dichtbij, ruim een decennium later, met een andere drummer en bassist en aan de andere kant van de wereld. Verwacht geen enorme verrassingen, het is Evans met een pianotrio die doet waar hij goed in is: de ene dromerige, zalige melodie na de andere aan elkaar rijgen en de lente laten losbreken in je hoofd (met een flink scheutje melancholie, uiteraard).
Billy Bragg & Wilco - Mermaid Avenue (1998)

4,5
0
geplaatst: 7 augustus 2009, 15:57 uur
De legendarische Amerikaanse folkzanger Woody Guthrie (meer info over hem op musicmeter vind je hier) had bij zijn dood in 1967 meer dan duizend onopgenomen liedjes op de plank liggen. Omdat Guthrie geen muziek schreef en dus alleen de teksten op papier stonden, zijn de melodiën die hij erbij bedacht verloren gegaan met de man zelf. Zijn dochter Nora benaderde daarom in de jaren negentig de Engelse folkpunker Billy Bragg met het verzoek eigen melodiën te schrijven bij een aantal van deze nummers en deze nog opnieuw op te nemen. Bragg ronselde op zijn beurt de Amerikaanse 'alt.country'
-band Wilco om aan het project bij te dragen. Het resultaat van deze sessies vinden we op Mermaid Avenue, genoemd naar de straat in New York waar Guthrie woonde.
Een project met drie totaal verschillende invalshoeken dus: de elementaire, speelse liedjes van Guthrie, de peetvader van de amerikaanse folkbeweging. Bragg, de geëngageerde duizendpoot van de Britse punkbeweging, en het ongrijpbare Wilco, waarin het tandem Jeff Tweedy/ Jay Bennett op dat moment werkte aan hun eigen sublieme en gelaagde plaat Summerteeth.
Misschien zou het logisch zijn geweest om alle liedjes ook op de Guthrie-manier op te nemen, met twee akkoorden en misschien hier en daar een solo op de mondharmonica, maar in plaats daarvan kiezen Bragg en Wilco ervoor om hun eigen muzikale talenten en instincten ruim baan te geven, en zorgvuldig gearrangeerde, min of meer modern klinkende interpretaties neer te zetten. Good old Woody Guthrie, klaargestoomd voor een totaal nieuw publiek. De enige drempel kan hier zijn dat sommige van Guthries tekstuele thema's inmiddels zijn vergeten, vooral zijn commentaren op toenmalige politieke toestanden (weet u wie Hanns Eisler was?), en natuurlijk zal niet iedere moderne luisteraar willen luisteren naar teksten over politiek, God, en armoede. Maar goed, mensen die zich door dat laatste laten afschrikken hebben sowieso niets te zoeken bij folkmuziek.
De plaat zelf overleeft makkelijk alle voorbarige vormen van kritiek. Al meteen toen opener Walt Whitman's Niece voor het eerst door de kamer schalde was ikzelf om: pure meeschreeuwfolk compleet met antwoordend koortje ('if there hadn't been two girls', zingt Bragg, en de andere muzikanten: 'Leaving out the names of those two girls!'), van het soort waarvoor alle moderne folkies over het hele spectrum van The Pogues tot Guus Meeuwis hun rechterarm zouden geven om zoiets te bedenken. Horen is geloven. Of neem het onweerstaanbare Hoodoo Voodoo, misschien het beste omschreven als een Sesamstraat-rocker ('sidewalk, streetcar, dance a goofy dance'), maar met ware passie gezongen door Tweedy en voorzien van een lekker scherp randje door de band. Probeer zonder glimlach te luisteren naar het verstrooid-feministische She Came Along To Me (gezongen door Bragg), of zowaar niet te voelen dat Jezus inderdaad de eerste socialist was en de enige juiste keuze zou zijn voor president in het lekker punky Christ For President (Tweedy). Mooi is ook de schaamteloze schooljongensromantiek in Ingrid Bergman, Gutries ode aan de gelijknamige Zweedse actrice (1915-1982) ('Ingrid Bergman, you're so purty, you'd make any mountain quiver'). In al zijn Britsheid geeft Billy Bragg menig Amerikaanse folk-traditionalist het nakijken met Way Over Yonder In The Minor Key en Eisler On The Go, typisch het soort nummers dat altijd al lijkt te hebben bestaan. In Minor Key wordt hij bovendien geholpen door Nathalie Merchant (10,000 Maniacs), die in Birds And Ships laat horen ook solo de sterren van de folkhemel te kunnen zingen. En met het melancholische One By One en vooral het dromerige California Stars laat Jeff Tweedy zich zowaar inspireren tot het schrijven van twee van zijn mooiste zangmelodiën. Het hoeft geen verrassing te zijn dat beide nummers nog regelmatig voorbij komen tijdens optredens van Wilco en Tweedy solo.
Het eindresultaat van deze verrassende samenwerking: een vaak briljante, altijd charmante, diep doorvoelde collectie prachtsongs die eigenlijk iedere liefhebber in huis moet halen.
-band Wilco om aan het project bij te dragen. Het resultaat van deze sessies vinden we op Mermaid Avenue, genoemd naar de straat in New York waar Guthrie woonde.Een project met drie totaal verschillende invalshoeken dus: de elementaire, speelse liedjes van Guthrie, de peetvader van de amerikaanse folkbeweging. Bragg, de geëngageerde duizendpoot van de Britse punkbeweging, en het ongrijpbare Wilco, waarin het tandem Jeff Tweedy/ Jay Bennett op dat moment werkte aan hun eigen sublieme en gelaagde plaat Summerteeth.
Misschien zou het logisch zijn geweest om alle liedjes ook op de Guthrie-manier op te nemen, met twee akkoorden en misschien hier en daar een solo op de mondharmonica, maar in plaats daarvan kiezen Bragg en Wilco ervoor om hun eigen muzikale talenten en instincten ruim baan te geven, en zorgvuldig gearrangeerde, min of meer modern klinkende interpretaties neer te zetten. Good old Woody Guthrie, klaargestoomd voor een totaal nieuw publiek. De enige drempel kan hier zijn dat sommige van Guthries tekstuele thema's inmiddels zijn vergeten, vooral zijn commentaren op toenmalige politieke toestanden (weet u wie Hanns Eisler was?), en natuurlijk zal niet iedere moderne luisteraar willen luisteren naar teksten over politiek, God, en armoede. Maar goed, mensen die zich door dat laatste laten afschrikken hebben sowieso niets te zoeken bij folkmuziek.
De plaat zelf overleeft makkelijk alle voorbarige vormen van kritiek. Al meteen toen opener Walt Whitman's Niece voor het eerst door de kamer schalde was ikzelf om: pure meeschreeuwfolk compleet met antwoordend koortje ('if there hadn't been two girls', zingt Bragg, en de andere muzikanten: 'Leaving out the names of those two girls!'), van het soort waarvoor alle moderne folkies over het hele spectrum van The Pogues tot Guus Meeuwis hun rechterarm zouden geven om zoiets te bedenken. Horen is geloven. Of neem het onweerstaanbare Hoodoo Voodoo, misschien het beste omschreven als een Sesamstraat-rocker ('sidewalk, streetcar, dance a goofy dance'), maar met ware passie gezongen door Tweedy en voorzien van een lekker scherp randje door de band. Probeer zonder glimlach te luisteren naar het verstrooid-feministische She Came Along To Me (gezongen door Bragg), of zowaar niet te voelen dat Jezus inderdaad de eerste socialist was en de enige juiste keuze zou zijn voor president in het lekker punky Christ For President (Tweedy). Mooi is ook de schaamteloze schooljongensromantiek in Ingrid Bergman, Gutries ode aan de gelijknamige Zweedse actrice (1915-1982) ('Ingrid Bergman, you're so purty, you'd make any mountain quiver'). In al zijn Britsheid geeft Billy Bragg menig Amerikaanse folk-traditionalist het nakijken met Way Over Yonder In The Minor Key en Eisler On The Go, typisch het soort nummers dat altijd al lijkt te hebben bestaan. In Minor Key wordt hij bovendien geholpen door Nathalie Merchant (10,000 Maniacs), die in Birds And Ships laat horen ook solo de sterren van de folkhemel te kunnen zingen. En met het melancholische One By One en vooral het dromerige California Stars laat Jeff Tweedy zich zowaar inspireren tot het schrijven van twee van zijn mooiste zangmelodiën. Het hoeft geen verrassing te zijn dat beide nummers nog regelmatig voorbij komen tijdens optredens van Wilco en Tweedy solo.
Het eindresultaat van deze verrassende samenwerking: een vaak briljante, altijd charmante, diep doorvoelde collectie prachtsongs die eigenlijk iedere liefhebber in huis moet halen.
Billy Strayhorn - The Peaceful Side (1962)

4,0
3
geplaatst: 17 september 2020, 22:43 uur
Dardan was zo vriendelijk me te attenderen op deze - van een muzikant die ik één van de meest fascinerende figuren vind uit de 'klassiek' jazztijd, maar van wie bij mij niet echt soloalbums bekend waren. Het zijn er kennelijk ook niet veel, dit is zelfs het enige 'reguliere' album dat op Musicmeter is toegevoegd.
Strayhorn, die het album opnam in Parijs, speelt bijna alsof hij toevallig 's avonds, alleen en in het donker, nog wat achter een piano is blijven hangen. Hij klinkt eenzaam, smachtend, en vooral: dromerig. Strayhorn bleef, heb ik de indruk, altijd het jongetje dat op zijn buik naar het gras lag te kijken terwijl de andere jongens ravotten ('A Flower is a Lovesome Thing'), en waar de band van Ellington zijn ideeënwereld een weelderige omlijsting gaf, is hij hier teruggebracht tot zijn meest naakte, kwetsbare zelf. De weinige tierlantijntjes die zijn pianospel op deze plaat aanvullen (zwoele strijkers, een staande bas, een koortje dat 'oehoehoe' doet) voelen bijna aan als schimmen die verschijnen en weer verdwijnen aan de rand van zijn droomwereld.
Hoewel de plaat niet lang duurt, vraagt al deze subtiele gevoeligheid wel wat aandacht van de luisteraar, vooral omdat Strayhorn geen pianist is die briljant spanning opbouwt als McCoy Tyner of die betovert met het ene technische hoogstandje na de ander, zoals Art Tatum. De rechterhand van Ellington verkent traag tien van zijn meest geliefde stukken, sabbelend op elk stukje melodie, zwelgend in elke melancholieke zucht.
In de alledaagse ruis wordt zo'n plaat al snel overschreeuwd. Deze muziek heeft een late avond nodig, een koptelefoon, een flinke scheut nostalgie, en misschien een goed glas wijn. Als ik op dat soort avonden nog vaker dit album draai, groeit mijn waardering uiteindelijk wellicht zelfs boven de vier sterren. Voor nu heb ik alvast met veel plezier me een paar keer naast Strayhorn in het gras gevleid. Waarvoor dank aan Dardan.
Strayhorn, die het album opnam in Parijs, speelt bijna alsof hij toevallig 's avonds, alleen en in het donker, nog wat achter een piano is blijven hangen. Hij klinkt eenzaam, smachtend, en vooral: dromerig. Strayhorn bleef, heb ik de indruk, altijd het jongetje dat op zijn buik naar het gras lag te kijken terwijl de andere jongens ravotten ('A Flower is a Lovesome Thing'), en waar de band van Ellington zijn ideeënwereld een weelderige omlijsting gaf, is hij hier teruggebracht tot zijn meest naakte, kwetsbare zelf. De weinige tierlantijntjes die zijn pianospel op deze plaat aanvullen (zwoele strijkers, een staande bas, een koortje dat 'oehoehoe' doet) voelen bijna aan als schimmen die verschijnen en weer verdwijnen aan de rand van zijn droomwereld.
Hoewel de plaat niet lang duurt, vraagt al deze subtiele gevoeligheid wel wat aandacht van de luisteraar, vooral omdat Strayhorn geen pianist is die briljant spanning opbouwt als McCoy Tyner of die betovert met het ene technische hoogstandje na de ander, zoals Art Tatum. De rechterhand van Ellington verkent traag tien van zijn meest geliefde stukken, sabbelend op elk stukje melodie, zwelgend in elke melancholieke zucht.
In de alledaagse ruis wordt zo'n plaat al snel overschreeuwd. Deze muziek heeft een late avond nodig, een koptelefoon, een flinke scheut nostalgie, en misschien een goed glas wijn. Als ik op dat soort avonden nog vaker dit album draai, groeit mijn waardering uiteindelijk wellicht zelfs boven de vier sterren. Voor nu heb ik alvast met veel plezier me een paar keer naast Strayhorn in het gras gevleid. Waarvoor dank aan Dardan.
Black Unity Trio - Al - Fatihah (1969)

3,0
1
geplaatst: 11 maart 2023, 14:22 uur
Deze kwam in mijn playlist terecht vanwege de aanprijzingen hierboven van AOVV en de helaas van de site vertrokken Soledad. In de afgelopen maanden heb ik deze een aantal keer beluisterd, helaas deel ik hun enthousiasme niet helemaal.
Dit valt wel aan de wat meer avantgardistische kant van het spectrum, een kant van de jazz die me soms wel en soms niet weet te boeien, afhankelijk van de klik die ik met de plaat voel. Zoals Pim hierboven uitlegt is dit nog wel redelijk gestructureerd, en verre van emotieloos gepriegel. De emotie die hij erin hoort komt bij mij minder binnen, moet ik bekennen.
Misschien vanwege het duidelijk religieuze karakter van de plaat. Nu is dat sowieso niet echt mijn ding, maar het gaat hier meer om toon dan om inhoud, denk ik (er is natuurlijk een hoop prachtige religieuze muziek gemaakt). Maar dit is allemaal zo plechtig en sober en humorloos dat het voor mij meer als een langere donderpreek aanvoelt. Dan kan het allemaal nog zo knap gespeeld en origineel zijn, maar dan merk ik dat ik toch een beetje afhaak.
Gezien de kwaliteit verwacht ik dit nog wel ooit te gaan draaien in de toekomst, en misschien komt de klik dan nog wel.
Dit valt wel aan de wat meer avantgardistische kant van het spectrum, een kant van de jazz die me soms wel en soms niet weet te boeien, afhankelijk van de klik die ik met de plaat voel. Zoals Pim hierboven uitlegt is dit nog wel redelijk gestructureerd, en verre van emotieloos gepriegel. De emotie die hij erin hoort komt bij mij minder binnen, moet ik bekennen.
Misschien vanwege het duidelijk religieuze karakter van de plaat. Nu is dat sowieso niet echt mijn ding, maar het gaat hier meer om toon dan om inhoud, denk ik (er is natuurlijk een hoop prachtige religieuze muziek gemaakt). Maar dit is allemaal zo plechtig en sober en humorloos dat het voor mij meer als een langere donderpreek aanvoelt. Dan kan het allemaal nog zo knap gespeeld en origineel zijn, maar dan merk ik dat ik toch een beetje afhaak.
Gezien de kwaliteit verwacht ik dit nog wel ooit te gaan draaien in de toekomst, en misschien komt de klik dan nog wel.
Blur - Modern Life Is Rubbish (1993)

2,5
2
geplaatst: 18 februari 2023, 16:47 uur
Ik beschouw mezelf wel als een Blur/ Damon Albarn-fan, maar toch waren er twee Blur-platen waar ik nog geen stem aan had uitgedeeld, deze en The Great Escape. Van die twee is dit de tegenvaller.
Op zich zijn de meeste liedjes wel oké tot vrij goed. Alleen met de eerste vier nummers kan ik weinig, wat misschien de reden is dat ik de plaat nooit echt een kans heb gegeven. Het komt op me over alsof de band enorm bezig is iedereen te behagen, van de pers en het publiek naar de platenmaatschappij en hun eigen verwachtingen, en tegelijk lijken ze zich superieur te voelen aan alles. De Ray Davies-stuiptrekkingen op deze plaat hebben bijna allemaal zo'n toontje van: 'We zullen jullie eens vertellen waarom jullie leven stom en oppervlakkig is', maar tegelijkertijd 'hahaha, hou alsjeblieft van ons.' Daarmee ontstaat een heel cynische, schreeuwerige sfeer die ik slecht trek een uur lang.
Het probleem ligt vooral bij Albarn, gitarist Coxon laat al horen echt een uniek talent te zijn. Misschien dat dit minder in mijn allergie had gezeten als ik deze plaat al als tiener had leren kennen. Voor nu zet ik alleen 'Chemical World' in mijn favorietenlijstje.
Op zich zijn de meeste liedjes wel oké tot vrij goed. Alleen met de eerste vier nummers kan ik weinig, wat misschien de reden is dat ik de plaat nooit echt een kans heb gegeven. Het komt op me over alsof de band enorm bezig is iedereen te behagen, van de pers en het publiek naar de platenmaatschappij en hun eigen verwachtingen, en tegelijk lijken ze zich superieur te voelen aan alles. De Ray Davies-stuiptrekkingen op deze plaat hebben bijna allemaal zo'n toontje van: 'We zullen jullie eens vertellen waarom jullie leven stom en oppervlakkig is', maar tegelijkertijd 'hahaha, hou alsjeblieft van ons.' Daarmee ontstaat een heel cynische, schreeuwerige sfeer die ik slecht trek een uur lang.
Het probleem ligt vooral bij Albarn, gitarist Coxon laat al horen echt een uniek talent te zijn. Misschien dat dit minder in mijn allergie had gezeten als ik deze plaat al als tiener had leren kennen. Voor nu zet ik alleen 'Chemical World' in mijn favorietenlijstje.
Blur - The Ballad of Darren (2023)

3,5
0
geplaatst: 3 september 2023, 12:26 uur
Soms zijn er van die platen waarop ik alle muziek wel goed vindt, maar dan blijf zoeken naar een soort 'klik' die nooit komt, dat gevoel dat de muziek je echt grijpt. De nieuwe Blur heb ik al een keer of dertig beluisterd, veel meer kansen dan ik de meeste andere albums geef, maar hij blijft een beetje aan dat euvel leiden. Goede liedjes, mooie teksten, prima productie, waarschijnlijk hun meest coherente plaat van de 21e eeuw tot nu toe. Maar?
Misschien mis ik wat energie, of afwisseling? Het blijft allemaal zo ronddwalen in zuchtende melancholie, introversie, gemijmer. Het enige dat je een 'rocker' zou kunnen noemen, 'St Charles Square', ontsnapt ook niet aan dat gevoel, en staat te vroeg op de plaat om wat licht te brengen in het emotionele moeras waar Albarn zichzelf in wentelt. Echt verrassend vind ik het ook niet meer, na veertig jaar en alle zijprojecten, het gevoel bekruipt me steeds dat ze dit alles weleens eerder en beter hebben gedaan.
Vanaf 'Faraway Island' wordt de plaat ineens een stuk beter, en de laatste drie nummers raken me wél echt. Daarom voor nu nog 3,5*. Ik blijf het gevoel houden dat op een gegeven moment het kwartje nog wel gaat vallen met de rest, maar dat zal echt nog moeten blijken.
Misschien mis ik wat energie, of afwisseling? Het blijft allemaal zo ronddwalen in zuchtende melancholie, introversie, gemijmer. Het enige dat je een 'rocker' zou kunnen noemen, 'St Charles Square', ontsnapt ook niet aan dat gevoel, en staat te vroeg op de plaat om wat licht te brengen in het emotionele moeras waar Albarn zichzelf in wentelt. Echt verrassend vind ik het ook niet meer, na veertig jaar en alle zijprojecten, het gevoel bekruipt me steeds dat ze dit alles weleens eerder en beter hebben gedaan.
Vanaf 'Faraway Island' wordt de plaat ineens een stuk beter, en de laatste drie nummers raken me wél echt. Daarom voor nu nog 3,5*. Ik blijf het gevoel houden dat op een gegeven moment het kwartje nog wel gaat vallen met de rest, maar dat zal echt nog moeten blijken.
Blur - The Great Escape (1995)

4,0
3
geplaatst: 18 februari 2023, 17:03 uur
Enorme meevaller. Nooit in zijn geheel gedraaid tot een paar maanden terug, misschien omdat ik de britpop-Blur wat minder op handen draag dan anderen. Deze plaat lijkt ook gezien te worden als een beetje overdadig, zelfs Damon Albarn vindt het een mislukte plaat.
Geen idee waar hij het over heeft. Weelderig is het zeker, overdadig niet echt. De liedjes zitten geweldig in elkaar, van verslavende gitaarorkanen tot prachtig melancholische keyboards en sommige van de beste hoornarrangementen die ik op een rockplaat heb gehoord ('Country House'; 'The Universal'; 'Mr. Robinsons' Quango')
Iets aan de plaat maakt een klik met me zoals de eerdere platen van Blur dat niet echt konden. Bij openingsnummer 'Stereotypes' al, een typisch 'maatschappijkritisch' Blur-nummer maar nu klinkt het niet of Albarn zijn superioriteit wil uitschreeuwen (zie mijn bericht van eerder vandaag bij Modern Life is Rubbish). De humor werkt, de observaties zijn raak, het gevoel klopt, en de manier waarop dat gitaarrifje er weer inkomt na de break is puur goud. Het eenzame karakter uit 'He Thought of Cars' wordt niet belachelijk gemaakt, maar staat voor ons allemaal. 'Top Man' slaat nergens op maar is zo lekker gearrangeerd dat het me geen moment irriteert.
Albarn kletst uit zijn nek, dit is gewoon één van de beste Blur-platen en de beste uit hun britpop-periode naar mijn mening (een stuk beter dan het toch wat overroepen Parklife, al weet ik dat ik daarmee in de minderheid ben). Het is dat het niveau op de tweede helft toch iets lager ligt, anders had ik er nog een halfje bijgedaan.
Geen idee waar hij het over heeft. Weelderig is het zeker, overdadig niet echt. De liedjes zitten geweldig in elkaar, van verslavende gitaarorkanen tot prachtig melancholische keyboards en sommige van de beste hoornarrangementen die ik op een rockplaat heb gehoord ('Country House'; 'The Universal'; 'Mr. Robinsons' Quango')
Iets aan de plaat maakt een klik met me zoals de eerdere platen van Blur dat niet echt konden. Bij openingsnummer 'Stereotypes' al, een typisch 'maatschappijkritisch' Blur-nummer maar nu klinkt het niet of Albarn zijn superioriteit wil uitschreeuwen (zie mijn bericht van eerder vandaag bij Modern Life is Rubbish). De humor werkt, de observaties zijn raak, het gevoel klopt, en de manier waarop dat gitaarrifje er weer inkomt na de break is puur goud. Het eenzame karakter uit 'He Thought of Cars' wordt niet belachelijk gemaakt, maar staat voor ons allemaal. 'Top Man' slaat nergens op maar is zo lekker gearrangeerd dat het me geen moment irriteert.
Albarn kletst uit zijn nek, dit is gewoon één van de beste Blur-platen en de beste uit hun britpop-periode naar mijn mening (een stuk beter dan het toch wat overroepen Parklife, al weet ik dat ik daarmee in de minderheid ben). Het is dat het niveau op de tweede helft toch iets lager ligt, anders had ik er nog een halfje bijgedaan.
Bobby Hutcherson featuring Harold Land - San Francisco (1971)

3,0
3
geplaatst: 19 maart 2022, 08:17 uur
Met: Bobby Hutcherson (vibrafoon, marimba, percussie); Harold Land (tenorsax, dwarsfluit, hobo); Joe Sample ((elektrische) piano); John Williams ((elektrische) bas); Mickey Roker (drums)
Ik weet het niet zo goed met deze. Er staat niets op waar ik echt een hekel aan heb, maar het meeste komt op mij een beetje over als ofwel randje easy listening ofwel gepiel in de categorie 'had je misschien bij moeten zijn.' Vaak lijkt het of je meer naar een soundtrack dan naar een album luistert.
Tegelijkertijd overkwam het me een paar dagen geleden dat ik in het zonnetje langs het kanaal fietste en 'Ummh' op mijn koptelefoon kwam. Op zichzelf een nogal cheesy track (volgens Wikipedia ook succesvol genoeg dat Hutcherson een stuk land kon kopen met de opbrengst ervan). Maar ik weet niet of het door de stress van de werkdag kwam, of het weer of de omgeving, maar om een of andere reden kwam hij helemaal perfect binnen op dat moment. Acht minuten puur genieten op mijn fietsje.
Thuis, een paar dagen later, kon ik bij herbeluistering niet meer helemaal terughalen wat ik er toen zó mooi aan had gevonden. Maar zo gaat dat, je kunt een regenboog ook niet in een potje bewaren.
Ik weet het niet zo goed met deze. Er staat niets op waar ik echt een hekel aan heb, maar het meeste komt op mij een beetje over als ofwel randje easy listening ofwel gepiel in de categorie 'had je misschien bij moeten zijn.' Vaak lijkt het of je meer naar een soundtrack dan naar een album luistert.
Tegelijkertijd overkwam het me een paar dagen geleden dat ik in het zonnetje langs het kanaal fietste en 'Ummh' op mijn koptelefoon kwam. Op zichzelf een nogal cheesy track (volgens Wikipedia ook succesvol genoeg dat Hutcherson een stuk land kon kopen met de opbrengst ervan). Maar ik weet niet of het door de stress van de werkdag kwam, of het weer of de omgeving, maar om een of andere reden kwam hij helemaal perfect binnen op dat moment. Acht minuten puur genieten op mijn fietsje.
Thuis, een paar dagen later, kon ik bij herbeluistering niet meer helemaal terughalen wat ik er toen zó mooi aan had gevonden. Maar zo gaat dat, je kunt een regenboog ook niet in een potje bewaren.
Booker Ervin - The Freedom Book (1964)

4,0
2
geplaatst: 17 september 2023, 11:21 uur
Met: Booker Ervin (tenorsax): Jaki Byard (piano); Richard Davis (bas); Alan Dawson (drums)
De eerste jazzartiest die ik echt leerde waarderen was Charles Mingus, en daarmee is Booker Ervin, die op veel van de belangrijkste platen van Mingus meespeelt, een van de eerste jazzsaxofonisten die ik bewust hoorde. Het solowerk van Ervin heeft me nog niet echt kunnen bekoren, totdat een paar weken geleden het kwartje viel bij deze.
Dit klinkt verder niet heel erg als Mingus, maar het doet me daar wel een beetje aan denken omdat het (voor hardbop-begrippen) redelijk complex is, maar ook lekker rommelig en vuig, muziek met een grote emotionele directheid. Freedom Book is een correcte benaming. Het is zeker geen free jazz, maar er zit een soort combinatie in van virtuositeit en creatieve dwarsheid waarbinnen Booker Ervin boven zichzelf kan uitstijgen als saxofonist (hoor hem lekker tekeergaan in 'Grants Stand').
Dan moet je ook een band om je heen hebben die elkaar goed aanvoelt (bij Prestige in 1964 zal er niet veel tijd zijn geweest om te reperteren) en die ook kunnen boeien als de saxofonist even niet speelt. Dat doen ze hier met verve. In andere berichten wordt al aangehaald dat vooral drummer Dawson uitblinkt: hij houdt een constante spanning in de muziek zonder het ritme teveel strak te willen trekken. Het is een soort postbop-benadering die zijn tijd eigenlijk vooruit was, terwijl de plaat nergens wegzakt in gezemel in de ruimte. Mooie muziek!
De eerste jazzartiest die ik echt leerde waarderen was Charles Mingus, en daarmee is Booker Ervin, die op veel van de belangrijkste platen van Mingus meespeelt, een van de eerste jazzsaxofonisten die ik bewust hoorde. Het solowerk van Ervin heeft me nog niet echt kunnen bekoren, totdat een paar weken geleden het kwartje viel bij deze.
Dit klinkt verder niet heel erg als Mingus, maar het doet me daar wel een beetje aan denken omdat het (voor hardbop-begrippen) redelijk complex is, maar ook lekker rommelig en vuig, muziek met een grote emotionele directheid. Freedom Book is een correcte benaming. Het is zeker geen free jazz, maar er zit een soort combinatie in van virtuositeit en creatieve dwarsheid waarbinnen Booker Ervin boven zichzelf kan uitstijgen als saxofonist (hoor hem lekker tekeergaan in 'Grants Stand').
Dan moet je ook een band om je heen hebben die elkaar goed aanvoelt (bij Prestige in 1964 zal er niet veel tijd zijn geweest om te reperteren) en die ook kunnen boeien als de saxofonist even niet speelt. Dat doen ze hier met verve. In andere berichten wordt al aangehaald dat vooral drummer Dawson uitblinkt: hij houdt een constante spanning in de muziek zonder het ritme teveel strak te willen trekken. Het is een soort postbop-benadering die zijn tijd eigenlijk vooruit was, terwijl de plaat nergens wegzakt in gezemel in de ruimte. Mooie muziek!
Brian Eno & David Byrne - My Life in the Bush of Ghosts (1981)

4,5
0
geplaatst: 27 september 2010, 21:08 uur
VanDeGriend schreef:
Heus niet onaardig hoor, en als expiriment zelfs behoorlijk geslaagd, maar dit is volgens mij typisch zo'n plaat waarvan iedereen zegt dat hij heel erg goed is maar hem evengoed effectief nooit draait.
Heus niet onaardig hoor, en als expiriment zelfs behoorlijk geslaagd, maar dit is volgens mij typisch zo'n plaat waarvan iedereen zegt dat hij heel erg goed is maar hem evengoed effectief nooit draait.
Mmm, ja, zou kunnen, en toch ga ik deze plaat, lekker arrogant na drie weken luisteren, belonen met 4,5 sterren.
Typisch zo'n plaat inderdaad, die overal staat aangeschreven als grensverleggend en zijn tijd ver vooruit, maar ja, dictators verleggen ook grenzen en de tijd die ze hier vooruit waren is inmiddels ook alweer voorbij dus who cares? Wat er voor Den Moderne Luisteraar overblijft is een bizarre melange van 'gevonden stemmen' (radiopredikanten, obscure wereldmuziek, e.d.) en in de studio geknutselde grooves, gemaakt met, volgens Byrne, zo'n beetje elk instrument of ander voorwerp dat ze aantroffen in de studio.
Wat zou dit een plaat moeten maken die je nu wilt opzetten, en volgende week nog een keer, en over dertig jaar (bij leven en welzijn) nog steeds?
Het antwoord lijkt me, steeds meer, in de weken dat ik deze plaat al probeer te doorgronden: liedjes. Natuurlijk ligt de nadruk van deze plaat duidelijk meer op 'de groove' dan op 'het liedje', maar toch is dat wat deze elf tracks (plus minus bonustracks zijn): liedjes.
Blijkbaar waren de opnametechnieken van die tijd nog zo beperkt dat Byrne en Eno soms twee tapedecks naast elkaar moesten afspelen, en maar moesten hopen dat de twee stukken muziek bij elkaar zouden passen (wederom dixit Byrne). Hun verbazing dat sommige van de duivelsuitdrijvers en Libanese zangers zo goed pasten bij de muziek die zij gemaakt hadden, dat de stemmen zelfs op de muziek leken te reageren, is een verbazing die gedeeld kan worden door de moderne luisteraar.
In het ergens in de voorgaande berichten gelinkte essay van David Byrne, speculeert hij dat verbanden kunnen ontstaan in het hoofd van de luisteraar, zelfs als de artiest in kwestie het nooit zo bedoeld heeft. Dat ligt een beetje voor de hand, het is eigen aan het menselijk brein om verbanden te zoeken, zelfs waar die niet bestaan. Zelden heb ik dat gegeven echter zo goed uitgebuit horen worden, als op deze plaat.
Zo kan een stuk muziek gemaakt met gitaren, keyboards en kartonnen dozen, in combinatie met de stem van een maker van een politiek radioprogramma, pardoes een samenhangend stuk muziek worden van tussen de twee en vijf minuten. Een liedje, als ik het (nogmaals) zo mag noemen.
De verbanden die de luisteraar legt zijn het belangrijkste, dus het is heel goed mogelijk dat dit, over meerdere jaren, zo'n plaat wordt waarvan je het idee hebt dat je hem 'goed moet vinden', maar die je, zoals VDG het uitdrukt, 'effectief nooit draait.'
Zulke platen hebben we allemaal natuurlijk.
Wat mezelf betreft, ik zit te grooven als een gek als dit op staat. Mijn schouders bewegen op funky gitaartjes, ik trommel met mijn vingers mee op klaterende polyritmes, en neurie mee met godsdienstwaanzinnigen en obscure zangers uit de woestijn. Wat kun je nog meer zeggen?
Heerlijke plaat.
