MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

R.E.M. - Collapse Into Now (2011)

poster
3,5
Track a trail of honey through it all

Ik ben een groot bewonderaar van R.E.M., wat me hun laatste twee platen een beetje in de problemen brengt. Bijvoorbeeld als ik de opener en afsluiter van deze nieuwe plaat beluister: van Discoverer krijg ik zin om Finest Worksong te draaien, en Blue doet me verlangen naar Country Feedback en E Bow The Letter. Dat is, moet ik vaststellen, toch wel een beetje een euvel.

Je kunt tegenwerpen dat die kritiek oneerlijk is, omdat een band nou eenmaal niet constant nieuwe dingen kan blijven uitvinden. Daar is het R.E.M. trouwens sowieso nooit om te doen geweest. Bovendien, Collapse Into Now is een plaat geworden die klinkt als een klok, en die tjokvol mooie liedjes staat. Probeer dan maar eens te omschrijven, in welk opzicht deze plaat eigenlijk minder is dan het werk uit hun hoogtijdagen?

Toegegeven, een kraker a la Driver 8 staat er waarschijnlijk niet op Collapse Into Now, hoewel de toekomst dat nog zal moeten uitwijzen. Misschien zijn er nog jonge mensen die R.E.M. nog helemaal niet kennen, een paar keer Überlin op de radio horen en daardoor de band ontdekken. Misschien verdedigen die over een paar jaar deze plaat wel net zo vurig als ik nu doe met vroegere platen van de band. Dat zou mooi zijn: ik gun het de opkomende generaties muziekliefhebbers van harte, deze prachtband te ontdekken.

Voor mezelf heb ik er een goed gemaakte luisterplaat bij, met prettige liedjes en een welkom scherp randje. Op zijn ouwe dag vind ik Michael Stipe ook echt een steeds betere tekstdichter worden, bij vlagen althans.

Het nadeel is wel, en alleen kritiekloze fans zullen dit ontkennen, dat je een band hoort die soms wel echt gemakzuchtig leunt op zijn oude trucjes. Het voordeel is dan weer, dat de oude trucjes van R.E.M. hemels zijn, en dat de band ze nog verrassend goed blijkt te beheersen.

En dat laatste lijkt me een prima conclusie, lieve lezertjes.

R.E.M. - Fables of the Reconstruction (1985)

Alternatieve titel: Reconstruction of the Fables

poster
4,5
(Voor Roeland, als hij dit nog gaat luisteren, iets te lezen ondertussen, namelijk: weer eens een poging om iets zinnigs over R.E.M. te zeggen van mijn kant.)

Algemene info:
'R.E.M. mark the point when post-punk turned into alternative rock.' (Citaat van het internet geplukt.)
Zo zou je de band inderdaad kunnen omschrijven, hoewel het moeilijk is op R.E.M. een duidelijk label te plakken. Verlegenheid, een tegendraads gevoel voor humor en een bijna fobische angst om in een hokje te worden gestopt zorgden ervoor dat de band, vooral in hun begindagen, er alles aan deed om zo vaag en cryptisch mogelijk over te komen.

Deze plaat, bijvoorbeeld. Hij kan Fables Of The Reconstruction heten, maar ook Reconstruction Of The Fables. Ligt er aan hoe je de LP indertijd vasthield. Typisch R.E.M., dus. Meestal wordt overigens de eerste titel aangehouden.

De fabels van de wederopbouw, of de wederopbouw van de fabels, is de derde langspeelplaat van R.E.M.. Hun vorige twee werden redelijk dicht bij huis (Georgia in de V.S.) opgenomen, maar voor deze trokken ze naar Londen, waar ze samenwerkten met producer Joe Boyd (Nick Drake, Fairport Convention). Hij mat de band een wat helderder en dikker aangezet geluid aan dan op hun vorige platen.

De bandleden waren zelf achteraf niet tevreden over het resultaat. Ze ontkennen het tegenwoordig, maar drummer Bill Berry heeft later zelfs eens laten weten: 'Fables sucked!'
Ook veel vroegere fans waren teleurgesteld in het album, en waren pas weer tevreden toen de band een jaar later kwam met het lappendeken 'Lifes Rich Pageant'.

Toen ik een top 10 wilde maken voor op deze site, moest ik even stevig nadenken over welke plaat van R.E.M. ik zou kiezen. Dát er een plaat van die groep in zou komen was duidelijk, want ik kan met het leven zonder R.E.M. nauwelijks voorstellen, maar welke?
Ik denk dat ik deze heb gekozen omdat hij qua geluid interessanter is dan Murmur, net iets betere liedjes bevat dan Document, en wat raadselachtiger is dan Out Of Time, mijn andere drie voor de hand liggende favorieten.

Zonder dat er ergens sprake is van een plot of een echt concept, is Fables hun meest verhalende lp, op een bepaalde manier. Elk nummer brengt je in een nieuwe wereld, met nieuwe karakters die we alleen maar kunnen observeren, zonder dat we weten wat ze precies drijft.

Wat betreft het decor: Deze plaat ademt uit alle gaten de sfeer van het zuiden van de Verenigde Staten die de oude R.E.M. kenmerkt. Let op: dit is niet het Amerikaanse zuiden dat we kennen van de tv: dikke rednecks met vage christelijk-fundamentalistische ideeën, rijdend in een pick-up truck met een verzameling jachtgeweren in de achterbak.

Het zuiden volgens R.E.M. is een klamme, mysterieuze plek, waar op elke straathoek een excentrieke kunstenaar woont, en in het moeras, volgens de folklore, vreemde wezens leven.
Op dat gevoel zou je lang door kunnen associëren zonder dat je het precies in woorden te pakken krijgt. Stel jezelf als kind voor, terwijl je verdwaald bent in het bos, op het moment van de dag net als de zon begint onder te gaan. Je komt langs onleesbare houten richtingaanwijzers die kraken in de wind, verlaten groene schuurtjes en vreemde kunstwerken gemaakt van allerlei gevonden materiaal, misschien in elkaar gezet door een lokale kluizenaar, of door een of andere indianenstam.
De uitgestrekte schaduwen van de vroege avond dansen om je heen, alsof ze een eigen leven hebben. Met grote ogen, met de angst en onbevangenheid van een kind, kijk je om je heen, overgeleverd aan je meest primaire gevoelens.
De muziek begint...

Zes snerpende noten op de gitaar zetten een tegendraadse, bijna akelige groove neer. Heel anders dan het Byrds/Stones gitaarwerk dat we van R.E.M. gewend zijn (dit zou een ode kunnen zijn aan Tom Verlaine). Michael Stipe zingt: 'I fell asleep/ reading just about every paragraph...' en beschrijft daarna een droomwereld waarin de natuurwetten zoek zijn, en de lucht doet denken aan een kunstwerk van Man Ray
'When the light is mine, I felt gravity pull...'
Feeling Gravitys Pull (de bewuste spelfout is weer typisch R.E.M.) is een van mijn grote favorieten van de band, door de dromerige maar dreigende sfeer en dito tekst:

'Time and distance are out of place here...'

Het nummer valt uiteen in een draaikolk van ronkende gitaren en strijkers, en we worden weer enigszins bij de les geroepen door Maps And Legends.

Dit is redelijk conventionele R.E.M.-folk, met murmelende coupletten van Michael Stipe over psychedelische gitaarakkoorden, en een refrein dat het doet lijken op een tune voor een zelfverzonnen tv-show die alleen in je dromen bestaat. Nummer dat je langzaam voor zich wint, in mijn geval pas na vele luisterbeurten.

Driver 8, een soort absurd kinderverhaaltje over een trein en een machinist, is een van de meest perfecte en hoog gewaardeerde R.E.M.-nummers. Een nummer met een rijke melodie die constant in beweging blijft, met extra bonuspunten voor Peter Bucks warme gitaarwerk.

Life And How To Live It is weer een van mijn favoriete R.E.M.- nummers. Het schijnt gebaseerd te zijn op een waargebeurd verhaal rondom een lokale excentriekeling die zijn huis in twee verschillende stijlen had ingericht, en binnen dat huis twee verschillende levens leidde, afhankelijk van zijn stemming.
Na een kort, subtiel intro barst het nummer open in een onbegrijpelijk maar verdomd aanstekelijke rocker:
'My pockets are out and running about/ embarking on the street to tell what I have in there...'
Op 2:20 hoor je Stipe zelfs letterlijk zingen wat er in de muziek gebeurt ('...the air quickens/ tension building/ bending bridge/ and suddenly...Life and how to live it!!!')
Heerlijk nummer.

Deze eerste vier nummers vind ik persoonlijk het sterkste gedeelte van R.E.M.´s oeuvre.
Dat niveau wordt de rest van de plaat naar mijn mening nog één keer gehaald, op de bizarre pianoballade Wendell Gee, die het album afsluit.
Wendell Gee, wederom een lokale excentriekeling, heeft genoeg van de wereld, klimt in een boom, en verdwijnt spoorloos. Of zoiets.
('There wasn't even time to/ say goodbye to Wendell Gee/ So whistle as the wind blows/ whistle as the wind blows...').
Ondanks de absurde tekst en het zoetige arrangement slaat de droefheid in het nummer op de juiste momenten keihard aan.

De liedjes er tussenin zijn, vind ik, van wisselend niveau.
Old Man Kensey is wel een interessant liedje. Wederom een verhaal over een excentriek figuur, vol met absurde beelden en cryptische verwijzingen: 'Kensey's away/ stand on your head/ that's my folly/ I'm ready to go.'
Het lijkt soms alsof je in een schemerige herberg wordt toegezongen door twee dorpsgekken, een soort scene uit Twin Peaks waar je hoogstens theoriën over kan vormen zonder echt dicht bij de precieze bedoeling te komen.
Die twee dorpsgekken zijn Stipe en bassist Mike Mills. Beide geen topzangers, maar de manier waarop hun stemmen samenwerken en contrasteren is een van de grote wapens van R.E.M. als band.

Can't Get There From Here is een soort grapje, zeg maar die mop van de blanke alto's die ineens een soulnummer maken. Het is allemaal net boeiend en catchy genoeg, met die koddige blazers en verwijzingen in de tekst naar een plaats genaamd Filomath (?) waar je heen kan gaan om inspiratie op te doen.
De videoclip was een van de eerste van R.E.M. die enige airplay kreeg, een melig curiosum dat de moeite waard is om een keer te bekijken.

Green Grow The Rushes is een beetje te kabbelig, hoewel net dat nummer dan weer over oorlogsgeweld en onschuldige doden schijnt te gaan. Objectief gezien is het wel een mooi liedje, maar ik heb er nooit veel mee gehad.

Voor Kohoutek heb ik dan weer een enorme zwak. Een nummer dat constant schakelt tussen apathie en een vreemd soort nervositeit, met Stipe die in het refrein een kopstem opzet die zo lelijk is dat hij weer mooi wordt, dat hij weer lelijk wordt, dat hij weer mooi wordt. Even romantisch als akelig.
De Kohoutek is een komeet, trouwens, die slechts eens in de honderdduizend jaar voorbij aarde komt.
'Like Kohoutek/ you were gone...'

Dan volgt er toch wel een klein dipje. Auctioneer is hoogstens een middelmatige R.E.M.-rocker, die al snel irritant wordt in zijn beukritme en eenzijdigheid, en Good Advices is gewoon saai.
En dan kruipt Wendell Gee in zijn boom, wordt ons aangeraden mee te fluiten met de wind, en ontwaken we uit de droom.
De lange schaduwen waren uiteindelijk toch gewoon schaduwen, en verdwijnen als we de spaarlampen in de woonkamer aandoen.

Of misschien is dat wel de illusie: die volwassen wereld die we onszelf opdringen, waarin alles gewichtig is en rationeel, en past in duidelijke hokjes. Kantoren, files, tl-licht, en overvolle agenda's.
Misschien is R.E.M. een van die zeldzame bands die begrijpt dat we ondanks al die illusies altijd kinderen zullen blijven, dat we ondanks al onze grote ideeën en stoerheid nog steeds worden gedreven door primaire gevoelens, en stiekem bang zijn voor de schaduwen en geluiden die we 's nachts door het raam horen komen.

Michael Stipe begrijpt de wereld net zo min als wij, maar hij lijkt een beter contact te hebben met dit dierlijke onderbewuste dan met de moderne maatschappij om hem heen. In feite een verlegen, sociaal gestoorde man in die tijd, koos hij ervoor om toch op een podium te gaan staan en te proberen een rocker te zijn, verward schreeuwend, soms bijna mompelend. Ooit zag ik hem een T-shirt dragen waar hij met een stift op had geschreven: 'Courage courage courage.'

Het zou de laatste R.E.M.-plaat zijn die nog zo werd gemaakt, althans in zekere zin. De producer van de volgende, Lifes Rich Pageant (Don Gehman), zou het voor elkaar krijgen dat Stipein ieder geval duidelijk(er) verstaanbaar zou gaan zingen. De plaat daarna (Document) werd zelfs een betrekkelijk rechttoe rechtaan(er) politieke rockplaat, en kort daarna volgde het miljoenensucces. Ze hebben nog een paar schitterende platen gemaakt, maar nooit meer een die zo ongrijpbaar is en blijft als Murmur of Fables Of The Reconstruction.

Ik houd van veel soorten muziek, maar behalve misschien bij John Coltrane heb ik geen andere bands of muzikanten waarbij ik dat totale gevoel van herkenning heb, van identificatie. Die momenten in kunst en poëzie dat je denkt, ja, ja, zo is het precies. Waarom gebeurt het niet vaker dat mensen praten over zulke dingen?
Michael Stipe zelf kocht als jongeman 'Horses' van Patti Smith, en omschreef de impact als 'het gevoel van realiteit in een droomwereld.'

Ik zou zijn eigen bandje niet beter kunnen omschrijven. Precies het in woorden vatten is bijna onmogelijk voor mij, maar gelukkig is dat ook niet nodig. Het bestaan van R.E.M. allleen al werkt kalmerend op die momenten dat je krankzinnig denkt te worden van die indrukken om je heen, in de dagelijkse chaos (in het bos, met zonsondergang.)

Gatverdamme, wat klinkt dat weer melodramatisch. Maar goed, gelukkig maar dat er muziek is die zo belangrijk voor je wordt, dat je moet teruggrijpen naar grote, melodramatische statements om de impact te omschrijven.
Of natuurlijk, in cryptische symboliek. Bergen drijven, kometen verschijnen, en kluizenaars verdwijnen in de boom. Als de schaduwen in het bos groeien, fluit ik een wijsje met de wind mee, en ik ben niet bang. Courage, courage, courage.

R.E.M. - Murmur (1983)

poster
4,5
Toen ik klein was, zong ik altijd mee met liedjes die ik hoorde op de radio van mijn ouders. Maar natuurlijk kende ik toen nog geen Engels, dus als ik wilde meezingen met de popliedjes die toen werden gedraaid, bedacht ik er gewoon mijn eigen teksten bij: Nederlandse woorden en onzingeluidjes die leken op de klanken van de Engelse tekst. Urenlang kon ik uit volle borst nonsens meebabbelen met de radio: bevangen door de magie van het popliedje, zonder acht te slaan op muzikaliteit, of de betekenis die een artiest erin had gelegd.

Murmur was toen al wel uit, maar het zou nog een paar jaar duren voordat ik, samen met de rest van de wereld, R.E.M. zou leren kennen, en nog jaren langer voordat ik me zou verdiepen in hun hele oeuvre, inclusief dit debuut. Zelfs toen duurde het nog even voordat ik was gewend aan het wollige, schetsmatige geluid van de 'oude' R.E.M., maar toen die eerste platen eenmaal waren bezonken, bleek dit voor mij de enige muziek die me dichtbij de magie wist te brengen van de onzinliedjes die ik als kleuter meebrabbelde met de radio. Muziek die geen acht slaat op pretentie, virtuositeit of een geforceerde 'diepere betekenis', muziek waarin alleen het liedje centraal staat. Twaalf liedjes, die overal vandaan lijken te komen, maar vooral recht uit het hart.

Wat voor iemand is Michael Stipe? Van alle popmuzikanten die ik bewonder, is hij degene die me nog het meeste fascineert. Op de vroege R.E.M. platen lijkt hij dodelijk verlegen en onthecht van de dagelijkse realiteit, en toch vastbesloten om zichzelf te uiten. Hij kijkt tegelijkertijd naar de wereld en het leven als een cynische punker en als een kind dat een mysterieus bos gaat verkennen bij zonsondergang.

Murmur is één van de beste R.E.M.-platen omdat het precies die sfeer het beste weet te pakken: de sfeer van een schemerige avond, dichtbij de beschaving maar net zo dicht bij de wildernis. Dingen lopen door elkaar, de gebeurtenissen van de voorgaande dag klonteren samen tot een spel van vage associaties en vlekkerige beelden. Elfjes komen tot leven, hooibalen aan de horizon lijken in trollen te veranderen. Na ons een hele dag te hebben gedragen als dappere, nuchtere volwassenen nemen de oergevoelens het langzaam over, op de grens van waken en slapen. Kinderlijke emoties: ongedwongen enthousiasme, oncontroleerbare angst, onredelijke woede, liefde zonder cynisme. We zingen onze eigen liedjes, recht uit onszelf, liedjes die zo eenvoudig zijn als die uit een Disneyfilm maar ook zo emotioneel gecompliceerd als een stuk van Chopin. Liedjes van R.E.M. Liedjes van Murmur. 'I can hear you, can you hear me?' 'So much more attractive, in the moral kiosk' 'take a turn, take a fortune' 'conversation fear...'

Begrijp me niet verkeerd: op Murmur vinden we geen Efteling-rock of ander new-age gezever, niet het geforceerde Tolkien-citeren wat we normaal gesproken associëren met 'een dromerige sfeer'. De R.E.M. van deze tijd is een volledig functionerende pop/rock band. Korte liedjes, to the point, voortgestuwd door de dynamische gitaarlijntjes van Peter Buck (beïnvloed door de Byrds en, in mindere mate de Stones en de new wave van de Gang of Four en Patti Smith), binnen de lijntjes getimmerd door drummer Bill Berry, en prachtig muzikaal ingekleurd door het meest muzikale lid van de band, Mike Mills (bas/toetsen/achtergrondzang). Voeg wat rare studio-effecten toe (het rommelende geluid in We Walk, bijvoorbeeld, is het geluid van iemand die elders in de studio poolbiljart speelt, expres erin gelaten als dissonant voor het wat gezapige sfeertje van dat nummer), en plak er een sfeervolle hoesfoto op, en wat wij eraan overhouden is een van de meest indrukwekkende debuut-lp's uit de popgeschiedenis.

Als er nóg mooiere liedjes staan op Fables of the reconstruction, als Lifes rich pageant en Document toegankelijkere albums zijn, Out of Time hun meest perfecte album is en Automatic for the people het meest emotionele, dan blijft Murmur hun meest mysterieuze album: een raadsel binnen een vraagteken. Een album dat moeilijk is te doorgronden, maar dat al snel een vriend voor het leven wordt. Een plaat die bij mij nog regelmatig in de cd-speler belandt, volume op knoerhard, en luid meezingen met de liedjes, ook al heb ik op veel momenten geen idee wat Michael Stipe precies zingt. En het doet er ook niet toe.

R.E.M. - Reckoning (1984)

poster
4,0
Het meeste wat ik te zeggen heb over de oude R.E.M. staat al in mijn recensie voor Murmur, en bovendien is Reckoning als geheel de meest gezichtsloze plaat van de band. Erg veel valt er niet over te vertellen.

Murmur wist met zijn gruizige productie, verlegen liedjes en vreemde geluidjes een consistente sfeer op te roepen, een plaat als één lange, moerasachtige droom in de schemering. Nu is R.E.M. een band die altijd ongeveer hetzelfde doet, maar binnen dat beperkte universum wel steeds zo hard mogelijk probeert te rebelleren tegen wat ze de vorige keer hebben gedaan. De identiteit van de band is daarom letterlijk het vermogen om steeds opnieuw dezelfde drie liedjes te herschrijven, en tegelijkertijd volkomen fobisch te zijn voor wat tegenwoordig een ‘comfort zone’ wordt genoemd.

En aldus moest Reckoning anders worden dan Murmur: weg met dat gelaagde en dromerige! De band was van plan gewoon tien nummers bij elkaar op een stuk vinyl te smijten, nonchalant als een punkband. Alleen met grote moeite kon producer Mitch Easter de band bewegen de liedjes iets meer in te kleuren. Als album heeft Reckoning desondanks nog steeds niet veel te bieden, de kwaliteit van deze plaat moet gezocht worden in de individuele nummers.

De beste liedjes zijn toch wel de momenten waarop de dromerige Beatles-melodieën van Michael Stipe en Mike Mills liggen in een badje van jengelende gitaren en een gedreven ritmesectie: ‘Harborcoat’, ‘So. Central Rain’, ‘Pretty Persuasion’. Gelaagde liedjes, die ook goed hadden gepast op Murmur. De punkerige momenten, ‘Second Guessing’, en in mindere mate ‘Little America’, weten de aandacht niet echt te grijpen, en datzelfde geldt voor de tragere ‘Camera’ en ‘Seven Chinese Bros’. Mooie liedjes op zich, maar ze blijven een beetje steken in hun eigen apathie, alsof er valium in plaats van elektriciteit door de studiokabels stroomde.

Een paar dingen behoren absoluut tot het beste in de R.E.M.-catalogus. Maar wie bijvoorbeeld Time After Time en So. Central Rain geweldig vindt, kan ook gaan luisteren naar de bonus track van de cd-versie van Document genaamd Time After Time, etc., waar beide nummers in verwerkt zijn, naar mijn mening op een mooiere manier dan op deze plaat. Dat maakt de drempel om deze weer eens te draaien nog hoger, natuurlijk. Het is het lot van de vrij goede platen in de briljante oeuvres, neem ik aan.

Radiohead - A Moon Shaped Pool (2016)

poster
3,0
Ik wilde nog ergens beargumenteren dat sinds 'OK Computer' geen enkele plaat meer zo overtuigend nummer 1 van het jaar was als Bowies 'Blackstar'. Gooit uitgerekend Radiohead roet in het eten voor wat betreft de top 100 op Musicmeter. Zelf zou ik dit eerlijk gezegd niet op 1 hebben gezet trouwens. Sterker nog: ik vrees dat dit de plaat is waarbij ik definitief mijn interesse voor Radiohead begin te verliezen.

De opener is prima, een lekker tegendraadse aanklacht tegen massahysterie, waar de strijkers de sfeer van het nummer perfect naar voren brengen. De videoclip is ook vrij geniaal, maar leidt wel de aandacht nogal af van het nummer, wat op de koptelefoon beter tot zijn recht komt.

Vervolgens een reeks, ik ga het gewoon ronduit zeggen, vrij middelmatige nummers. 'Daydreaming' lijkt een fanfavoriet te worden, maar ik vind het vooral te lang, topzwaar en repetitief. Decks Dark is op zich nog wel een aardig liedje, maar ook al net iets te langdradig. Van de twee nummers daarna is na een keer of twintig luisteren nog weinig blijven hangen, behalve een sfeer van grijze apathie die deze plaat vrees ik kenmerkt.

'Glass Eyes' mag de plaat doormidden breken, en doet dat meer met een zucht dan een klap. Vluchtig nummer, net zo stroperig als de rest van de plaat tot dusver, maar ergens weet Thom hier toch wel te ontroeren. Jammer genoeg komt het op een moment in de plaat dat ik meer snak naar wat ademruimte,met een andere tracklisting was het misschien beter tot zijn recht gekomen.

Toegegeven, de tweede helft is wel een stuk beter, en weet de plaat nog net naar een voldoende te tillen. 'Identikit' zou, met een ijzersterke groove en een lekker vuig gitaartje ('O Brien?) zelfs nog in aanmerking komen voor een playlistje met uitstekende Radiohead-nummers. Dat nummer met die achterlijk lange titel is eigenlijk het enige nummer waar ik nu nog groeipotentieel in hoor. 'Present Tense' en 'True Love Waits' zijn dik oké alhoewel voor Radiohead-begrippen niet echt hemelbestormend, en 'The Numbers' moet het vooral hebben van Greenwoods strijker-dramatiek.

Allemaal best te doen, en als geheel meer samenhangend dan het vorige album van de band. Maar met één nummer dat ik echt tot hun beste werk zou rekenen (en vooruit, twee a drie twijfelgevallen), is de oogst voor mij wel wat magertjes in vergelijking met de luisteruren die het heeft gekost. Dat is eigenlijk voor het eerst, bij Radiohead.

Radiohead - Amnesiac (2001)

poster
4,0
Het vijfde album van Radiohead bestaat uit materiaal van dezelfde studiosessies waar voorganger Kid A uit putte. Toen de plaat in 2001 uitkwam, was de discussie over die plaat (in mijn herinnering) nog lang niet stilgevallen. Grof gezegd was er het kamp dat Kid A een experimenteel meesterwerk vond, en het kamp dat een tweede OK Computer wenste, en hoopte dat Radiohead de 'echte muziek' voor de tweede ronde had bewaard.

Die laatste groep werd teleurgesteld, want Amnesiac lijkt meer op zijn directe voorganger dan op Radioheads gedoodverfde magnum opus. Kid A viel bij mij nogal goed, dus ik had wat dat betreft geen klachten.

Ik heb de plaat deze week voor de tweede keer aangeschaft, als onderdeel van het Kid Amnesiac-pakketje (zwart vinyl). Een discussie over het nut of de kwaliteit daarvan hoort natuurlijk thuis op die albumpagina, maar ondanks dat de LP-versie ook op Discogs wat kritiek te verduren krijgt, klinkt vooral de Amnesiac-schijf meer dan prima op mijn platenspeler. Ik had het album destijds al op CD gekocht in de 'bibliotheekboek'-versie, voor het oog een mooie verpakking maar de CD zat zo strak in het kartonnen hoesje dat hij naar een tijdje onder de krassen kwam te zitten (vast ook mijn eigen onvoorzichtigheid) en begon over te slaan, Misschien dat ik daarom de plaat als geheel al een aantal jaar niet meer had gehoord. Ongelooflijk dat dit inmiddels twintig jaar oud is, eigenlijk.

Een hernieuwde kennismaking bevestigt mijn mening van destijds eigenlijk wel. Amnesiac is te goed om afgedaan te worden als restjesplaat, maar toch nét geen nieuw meesterwerk. De A-kant is fantastisch, je zit er meteen lekker in met die doodse keteldrums en Yorke's apatische 'I'm a reasonable man, get off my case.' Vervolgens kunnen 'Pyramid Song', 'You and Whose Army' en 'I Might Be Wrong' allemaal tot Radioheads beste nummers worden gerekend, en biedt 'Pulk/ Pull...' een fijn stukje dwars experiment.

De B-kant begint nog aardig met het wel wat zeurderige 'Knives Out', om vervolgens in een dip te belanden: deze versie van 'Morning Bell' is totaal overbodig na de veruit superieure versie op Kid A, 'Dollars and Cents' is een van Radioheads saaiste nummers, en daarna volgt twee minuten gepriegel waar ik het nut ook niet echt van inzie. De laatste twee tracks zijn dan wel weer sterk, maar trekken het album niet meer boven de vier sterren.

Nu had Kid A ook wel een paar mindere momenten, en toch voelde dat album meer als een geheel, als een coherent statement. Dat gevoel van eenheid weet Amnesiac minder bij me op te roepen, al valt er dan nog steeds voldoende te bewonderen.

Radiohead - In Rainbows (2007)

poster
4,5
Ja, hallo! Normaal gesproken lees ik altijd eerst de andere berichtjes voordat ik een recensie plaats, maar 59 pagina's is wel een beetje veel van het goede hoor.

Ik ga er dan ook maar van uit dat de kont van deze plaat voldoende gekust is door anderen op dit forum, en zal hierbij braaf instemmen met de mensen die vinden dat dit een briljante plaat is. Want dat is het.

Grappig genoeg had ik het idee, toen deze plaat uitkwam, dat vooral de critici wat lauwer reageerden dan normaal gesproken bij een Radiohead-release. Misschien werd de muziek een beetje overschaduwd door de hype rondom de internet-release, of misschien schaamde de pers zich achteraf een beetje voor de kritiekloze hosanna-houding waarmee de vorige Radiohead-platen waren onthaald (zelfs het iets zwakkere Hail To The Thief).

Gek genoeg vind ik dit juist een van hun beste platen. Bij mij heeft hij zelfs OK Computer uit mijn Radiohead-top3 geknikkerd (momenteel 1) The Bends 2) Kid A 3) In Rainbows).

Alle goede eigenschappen van Radiohead komen hier samen, en ze klinken weer echt als een band.
Persoonlijke favorieten zijn 15 Step (dat je zo'n aanstekelijk nummer kan schrijven over zo'n weirde beat!), Arpeggio/Weird Fishes (prachtige gitaren op het einde), Faust Arp (Pure schoonheid) en Jigsaw Falling into Place (klassiek Radiohead in de beste zin van het woord).

Radiohead - OK Computer (1997)

poster
4,0
Waarschijnlijk zijn sommige mensen op deze site al te jong om te herinneren wat voor impact OK computer had toen de plaat uitkwam. (En sommige gebruikers zijn misschien te oud, of vegen hun reet af met impact.)
Ik denk namelijk niet dat er sindsdien nog een plaat is geweest die tegelijkertijd door fans en critici zo enthousiast werd ontvangen, en zo megaveel verkocht. Zeven miljoen exemplaren, afhankelijk van de bron die je gelooft, en op 1 in bijna elk jaarlijstje.
En als er andere platen zo alom geliefd zijn, dan zijn het in ieder geval niet zulke rare platen als OK Computer.

Ik was in 1997 een van de jonge fans die reikhalzend uitkeek naar deze plaat. Kort daarvoor was ik liefhebber geworden van de ultieme sipneus Thom Yorke en zijn bandje, via de clip van Just en de bijbehorende plaat, The Bends. Voor mijn centjes is The Bends de beste plaat van de jaren negentig en, met een neuslengte voorsprong, mijn favoriete Radiohead-plaat. Ik zal die ooit nog wel een keer gaan bewieroken.
Ook hun andere platen, met name Kid A en In Rainbows, zijn van hoog niveau. De plaat echter, die veel mensen als het meesterwerk van de band beschouwen, de beste plaat aller tijden volgens deze site en vele andere instanties, moet volgens mij wel duidelijk onderdoen voor die drie platen.

De eerste single, indie-epos Paranoid Android, had desondanks veel indruk op me gemaakt. Eén van de weinige liedjes waarbij je tegelijkertijd je beste Joy Division-blik op kan zetten en luchtgitaar op kan spelen. Prima nummer, fantastisch opgenomen.
Maar toen ik de hele plaat hoorde, vond ik eigenlijk dat maar de helft van de liedjes dat niveau haalde:

Airbag: de opener. Misschien wel de meest inventieve gitaarsong van de laatste twintig jaar. Volkomen abnormale melodie en tekst, noisy uithalen die angsten en gevoelens aanboren bij de luisteraar waar die zich niet eens van bewust was: ‘In an interstellar burst, I’m back to save the universe!’
Paranoid Android, dus.
Exit Music: Beklemmend. Klassieke tragedie. Liefde die niet mag zijn. Pure haat tegen de tegenstanders van die liefde: ‘We hope that you choke/ that you choke.’ Verstild en gruwelijk.
Karma Police: Ooit stond ik op Lowlands (2002?), in de Alphatent, te wachten op een optreden, ik weet niet meer wat. Er werd muziek gedraaid tussen de optredens, maar zoals altijd lette niemand daar op: iedereen was bezig met kletsen, bier halen of proberen naar voren te komen. Totdat de pianoakkoorden van Karma Police klonken, en de Alphatent veranderde in een meezingfeestje.
Misschien heb ik de herinnering geromantiseerd, maar ik weet nog dat ik niemand kon spotten die niet luidkeels aan het meebrullen was: ‘This is what you get/ when you mess with us…’ Je hoorde het publiek als één man, als een voetbalstadion.
Nadat Karma Police met het geluid van een sirene uit elkaar was gevallen, ging het publiek weer over tot de orde van de dag, maar heel even had Radiohead ons allemaal met elkaar verbonden, zonder er voor te hoeven optreden zelfs. Ik heb daarvoor of daarna nooit meer zoiets meegemaakt op een zomerfestival.
No Suprises: Veel mensen die Radiohead niet goed kennen, zien Yorke alleen als een jankerige zielepoot, en daarom wordt vaak niet opgemerkt dat zijn liedjes net zo goed draaien om woede, venijn en vlijmscherp sarcasme. Ziehier No Suprises: Onthaastend trage arpeggio gitaren en een klokkenspel, met daar overheen gezongen een soort bijtende satire over burgerlijkheid: ‘I’ll take a quiet life, a handshake, some carbon monoxide, with no alarms and no suprises please.’
Lucky: Geen nieuw nummer, want al eerder verschenen op een lp voor het goede doel, toepasselijk Help geheten. Net zoals Airbag vaste prik onder mijn Radiohead-favorieten, een van de mooiste liedjes die ze ooit geschreven hebben. Yorkes tekst is oprecht mysterieus en verheffend: ‘It’s gonna be a glorious day. I feel my luck could change.’ Eat that, Roger Waters (nummer 2). Beste gitaarwerk op het album ook.

Toch al zes tracks die de status van klassieker rechtvaardigen voor dit album. Het album heeft er twaalf. Wat betreft de andere zes:
Subterranean Homesick Alien: Voor de duidelijkheid, het nummer heeft niets te maken met Bob Dylan op de stoep, denkend aan de regering. Dit is een nummer over een Alien. Die heimwee heeft. En de mensheid maar raar vindt. Psychedelische gitaartjes en een nerveus nonrefrein geven dit nummer een soort richtingsloos tegendraads sfeertje waar ik nooit heel erg warm van ben geworden.
Let Down: Zelfde verhaal eigenlijk, weer dat schizo-sfeertje, zoals in die documentaire over Radiohead, Meeting People Is Easy. Let down klinkt als: staren uit het autoraam, snelwegen en steden flitsen voorbij, maar je voelt je met niets verbonden. Probleem is dat ik me ook nooit echt met dit nummer verbonden heb kunnen voelen, hoewel het door anderen opvallend vaak wordt genoemd als favoriet.
Fitter, Happier: Gedicht door computer voorgelezen. Interessant experiment, dat de plaat niet stoort. Ik kan me echter niet voorstellen dat ik ooit in een gesprek over muziek terecht kom waarin wordt gevraagd: ‘Weet jij nog waar je was, toen je voor het eerst Fitter, Happier hoorde?’
Electioneering: Gitaarmomentje. Neil Young, U2, Talking Heads. Fijn nummer, niet bijzonder legendarisch.
Climbing up the walls: Iedereen gaat door zo’n fase dat ze dit een van de meesterwerken van de plaat vinden, en er is inderdaad iets aanstekelijks in deze horrorachtige geluidsbrei te ontdekken, maar ik skip het tegenwoordig, en blij toe. Redenen om door te slaan zijn er al genoeg op deze wereld.
The Tourist: Best mooi maar gaap.

Zes geniaal dus, en zes minder.

Rest eigenlijk niets dan om me nog even te verbazen over het feit dat een plaat als OK Computer zo mainstream kon worden. Een plaat vol trippy gitaren, waarop gezongen wordt over stemmen van ongeboren kippen in je hoofd, buitenaardse wezens met heimwee en vrouwen met Hitlerkapsels. Bizarre plaat, bizar dat het op zo’n grote schaal is opgepikt. Coldplay of Muse zijn totaal niet vergelijkbaar, met hun vage SF-themathiek en voetbalstadionemoties.
Als het gaat om onwaarschijnlijke superroem, is R.E.M. waarschijnlijk de enige vergelijking die je kunt maken in de recente geschiedenis. De meeste andere bands die zo weird zijn als deze twee, worden zelden zo beroemd. Hoe het Radiohead is gelukt om toch zo invloedrijk en geliefd te worden en te blijven? Misschien zijn ze gewoon heel erg goed. R.E.M.-zanger Michael Stipe zei het in 1993 al: ‘Radiohead are so good they scare me.’

Dat zijn ze zeker, maar OK Computer vind ik wel een beetje een wisselvallige klassieker.

Radiohead - The King of Limbs (2011)

poster
3,5
The water's clear/ and innocent

'We kunnen het niet meer aan om nog een plaat te maken,' zei Yorke een hele tijd geleden. Desondanks: eerder dit jaar een nieuwe verzameling van 8 nummers door de knuffelbeertjes van de muziekpers. In een paar recensies werd Radiohead, inhakend op de uitspraken van hun frontman, er al van beschuldigd de kantjes ervanaf te lopen. Het zou allemaal niet zo nodig meer hoeven.

Zit misschien wat in, hoewel de betrekkelijk ontspannen klank van The King Of Limbs en het gebrek aan emo-interviews volgens het 'we hebben zo moeten lijden om deze plaat te maken'-stramien ook wel een verademing zijn, in vergelijking met eerdere releases van de band.

Toch heeft dit album op mij ook zeker niet de impact van hun vorige werk. Dat heeft op zich niets te maken met de elektronische productie, waarbij vooral de baslijntjes tot het beste behoren dat de band ooit opnam. De gemiddelde kwaliteit van de liedjes ligt echter volgens mij toch wel een stuk lager dan we gewend zijn van Radiohead.

'Lotus Flower' steekt er wel bovenuit: voor het eerst slaagt Radiohead erin bijna sexy te klinken, met vocalen van Yorke die heerlijk over de beats heen schuiven. Ook 'Give Up The Ghost' en 'Separator' lijken over meerdere luisterbeurten te blijven intrigeren en overtuigen.

De rest doet daar toch wel ernstig voor onder. De plaat begint slaapverwekkend met het richtingloze 'Bloom', gevolgd door het matige 'Morning Mr Magpie', dat van mij wel op de plank had mogen blijven liggen. 'Little By Little' en 'Codex' zijn aardige doorslagjes van eerder en beter werk, nummers die Radiohead inmiddels met twee vingers in de neus kan schrijven. 'Feral', met zijn dubstep-beats en Yorke die toonladders maakt, is een fijne, hippe track, maar zal het album niet meer naar de buitencategorie tillen.

De uitstekende single 'Supercollider/ The Butcher' bewijst dat Radiohead nog wel dingen op de plank had liggen die beter zijn dan sommige nummers die dit album wel hebben gehaald. Misschien is het inderdaad zo dat Radiohead rust heeft gevonden en niet meer zo nodig Grote Meesterwerken hoeft te maken. Ze zullen er dan ook niet van wakkerliggen dat trouwe fans zoals ikzelf hun waardering daar vervolgens op aanpassen.

Rita Reys - The Cool Voice of Rita Reys (1956)

poster
2,5
Wie grasduint door de discografie van Art Blakey (zoals ik weleens placht te doen) komt grappig genoeg ook deze plaat tegen van onze eigen Maria Reijs uit Rotjeknor. Zij bracht in 1956 een paar maanden in Amerika door, en besteedde daarvan twee dagen in de studio met Art Blakey's Jazz Messengers. In mei 1956 nog in de klassieke opstelling met Horace Silver (p); Donald Byrd (t); Hank Mobley (ts) en Doug Watkins (b). Als Rita en Art elkaar bijna twee maanden later weer treffen, heeft iedereen buiten Byrd de band verlaten en worden nog twee nummers opgenomen met Ira Sullivan (ts); Kenny Drew (p) en Wilbur Ware (b).

Het gaat hier overigens alleen maar om de laaste zes nummers, de eerste zes zijn 'gewoon' in Hilversum opgenomen tijdens verschillende sessies met de band van Reys' toenmalige echtgenoot Wessel Ilcken (d). Wie wil weten wie daar allemaal in zaten, kan zelf op Wikipedia kijken. Geen disrespect naar de Nederlandse muzikanten. Sowieso trouwens niet, want ze maken best een aangenaam potje vocale jazz, al klinken de opnames met de Messengers wel ietsje creatiever en minder braaf.

Iétsje maar, want veel meer dan het kundig naspelen van platgetreden standards gebeurt nergens op deze plaat. Cole Porter, Rodgers/Hart, de broertjes Gerswin, allemaal komen ze weer voorbij gezwierd. Als niet per se een grote liefhebber van vocale jazz zie ik niet zoveel kans dat ik dit nog een keer ga draaien aangezien er, bijvoorbeeld, ook de opnames van Billie Holiday met Lester Young en Teddy Wilson bestaan, maar ach, verder was het best oké om dit stukje vaderlandse jazzgeschiedenis een keer te hebben gehoord.

Roland Kirk - Domino (1962)

poster
3,0
Een van de meest maffe saxofonisten van zijn tijd, die hier vooral met interessante pianisten samenwerkt: Andrew Hill (track 5, 9-14) haalt hier nog iets te veel de mosterd bij Monk en Bud. Wynton Kelly (volgens mij alle andere hier vermelde tracks) is wat te diep in de mix verstopt, maar past goed bij de speelse hardbop die Kirk in feite maakte.

Alsof dat nog niet voldoende is, kunnen we ook nog een jonge Herbie Hancock horen op bonustracks bij sommige uitgaven (overigens is de releasegeschiedenis nogal een rotzooi, en klopt de tracklisting hierboven niet met de releases die ik heb beluisterd. Wie wat speelt is dus enigszins onder voorbehoud).

De tracks zijn verder wat te kort en vrijblijvend om veel indruk achter te laten, maar als fase in de ontwikkeling van een paar van de meest interessante jazzmusici van de jaren zestig toch aardig om een keer beluisterd te hebben, en de moeite waard om eens onder de aandacht te brengen. 3*

Rolling Stones - Blue & Lonesome (2016)

poster
3,0
Hulde aan de Stones, hoor. Dit blues-coveralbum is wellicht ook uit noodzaak geboren (uit interviews krijg ik de indruk dat ze het niet eens konden worden over het beschikbare eigen materiaal), maar is op dit punt in hun loopbaan eigenlijk precies de juiste keuze. Beter, in ieder geval, dan geforceerd jong gaan doen met een of andere dance-producer.

De Stones hebben het allemaal wel eens gedaan, alle goede dingen en alle fouten, en laten zich nu lekker drijven door hun oude passie. Het levert een prima plaat op, waarbij Mick Jagger indruk maakt met zijn energie, en Charlie Watts indruk maakt met nog steeds een FUCKING GOEDE DRUMMER te zijn.

Het bluesgenre zelf zal wel nooit mijn favoriet worden, vrees ik. Het maakt niet uit hoeveel gerimpelde Britten me via de media streng toespreken dat eigenlijk mijn favoriete muziek daar is begonnen. Na een liedje of drie vol impliciete seksverwijzingen, verwijten richting verraderlijke geliefden en lamentaties over armoede, dit alles op vergelijkbare songstructuren, heb ik het wel weer een beetje gezien. Maar dat is mijn smaak.

Roy Haynes Quartet - Out of the Afternoon (1962)

poster
4,5
Met: Roy Haynes (drums); Rashaan Roland Kirk (div. blaasinstrumenten); Tommy Flanagan (piano); Henry Grimes (bas)

Deze wordt hier en daar genoemd als jazzklassieker, maar krijgt op deze site weinig liefde (al kan het voor jazzplaten een stuk slechter dan 7 stemmen en twee reacties).
Ex-mume'er pretfrit noemt het hierboven 'niet bepaald wereldschokkend'. Die term heb ik vast ook weleens gebruikt, maar soms heb ik de indruk dat er jazzluisteraars zijn die een subjectieve ervaring van 'originaliteit' zien als de maatstaf van alles. Het risico ontstaat zo dat kant noch wal rakende piep-kraak-tuut-muziek de hemel in wordt geprezen, en schouders worden opgehaald bij uitstekende platen van topmuzikanten.

Ter zake: dit vind ik wel typisch zo'n plaat die tekort zou worden gedaan als er alleen op wordt gewezen dat het niet de meest experimentele plaat is uit de jazzgeschiedenis. Dit is - op zijn minst - ook zeker niet het zoveelste hardbopplaatje, het spel is urgent en spannend en de ideeën fris. Met vier standards en drie eigen composities van Haynes zit er een mooie balans in tussen traditie en vooruitstrevendheid.

Wat de plaat voor mij echt bovengemiddeld maakt, is de combinatie van muzikanten. De kwartetopstelling laat veel ruimte open voor de verschillende instrumentale stemmen, en zorgt voor een duidelijk contrast. Ik ben geen groot kenner of liefhebber van deze vier muzikanten afzonderlijk, maar de kwieke, dynamische stijl van Haynes, met de excentrieke gekkigheid van Kirk, het krachtige, wat loggere basspel van Grimes en de melodieuze blues van Flanagan vullen elkaar aan en versterken elkaar als de ingrediënten van een goede pasta. Fris maar simpel: betrekkelijk korte nummers, geen egotripperij of nutteloos gepiel, gewoon een geïnspireerde pot jazz zoals ik het graag hoor.

Rufus Wainwright - Poses (2001)

poster
4,0
'Life is a game and true love is a trophy'

Rare jongen, die Rufus. In zijn teksten lijkt hij enerzijds te hunkeren naar totaal hedonisme en anderzijds naar diepgang en stabiliteit. Die tegenstelling drijft zijn persoonlijkheid en zijn muziek, waarin 'lagere' elementen (campy pop, folk) en 'hogere' kunst (opera, klassiek, chanson) een verbond aangaan dat al net zo eclectisch is als Wainwright zelf. Een man die duidelijk hunkert naar wereldwijd succes en erkenning, en tegelijkertijd weigert ook maar iets anders te zijn dan honderd procent zichzelf om dat te bereiken.

Zijn tweede lp 'Poses' presenteert zich als visitekaartje van een hongerige jonge artiest. Subtieler gearrangeerd dan het tweeluik Want, wat hij later zou maken, en daarom voor mij in ieder geval toegankelijker. Zelf heb ik altijd gevonden dat Wainwright, met zijn wat lijzige stem, zijn opera-fetish en zijn volgepropte arrangementen vaak erg op het randje zit van nuffige nikserigheid.
Maar een paar maanden geleden ben ik weer -bij vlagen- naar Poses gaan luisteren, en hoewel het nog steeds geen cd is die ik elke dag wil draaien, ben ik toch wel verrast hoe sommige nummers in toenemende mate onder mijn huid weten te kruipen.

Charmant is de ondeugd van Cigarettes And Chocolate Milk, of het cynische hedonisme van California ('So much to plunder that I think I'll sleep instead'). De mooiste liedjes staan echter in het midden vind ik: het wonderschone Grey Gardens (prachtige piano), en het letterlijk en figuurlijk door een opgewonden hartslag gedreven romantische fantasie van Rebel Prince.

De moeite waard om eens voor te gaan zitten dus, ook al zullen veel luisteraars dit saai vinden of, als ze onvolwassen of onbeschaafd zijn, gaan blozen en dingen roepen als 'Gay!' Nou ja, op dat laatste valt dan weer weinig af te dingen. Op de halve aardbodem zou je gestenigd kunnen worden voor het maken van dit soort platen. Maar het volharden in barbarisme van de medemens is uiteindelijk noch een reden om deze muziek op een voetstuk te zetten, of om met modder te besproeien: met beide zou je de muzikant, als op zichzelf staand artiest, tekort doen.

Wat mezelf betreft, Wainwright zal waarschijnlijk nooit een van mijn absolute favorieten worden, maar van een afstandje neem ik goedkeurend mijn hoed voor hem af, uit waardering voor zijn eigenzinnigheid, zijn verbluffende muzikaliteit, en vooral voor hoe hij eens in de zoveel tijd me echt weet te raken met zijn ambitieuze, sfeervolle en een beetje stoute liedjes.

Met dank aan Aerodynamic, die deze cd voor me terug in de herinnering bracht, en nog een recensie tegoed had. Bij deze, en maar weer hopen dat het geen al te grote kul is allemaal.

Ryo Fukui - Scenery (1976)

poster
2,5
Met: Ryo Fukui (piano); Satoshi Denpo (bas); Yoshinori Fukui (drums)

Omdat deze plaat constant opduikt in allerlei lijstjes en 'recommendations' had ik hem eens in mijn luisterlijstje gezet, overigens zonder eerst bovenstaande commentaren op Musicmeter gelezen te hebben.

Ik moet me wel aansluiten bij sommige daarvan. De gespeelde standards zijn erg cliché en doen vooral terugdenken aan betere versies. Ryo Fukui is als pianist technisch vaardig, maar zijn idee van emotie overbrengen was kennelijk om vooral zo hard mogelijk op de toetsen te rammen, wat na een minuut of drie al wat vermoeiend wordt.

Al met al is het best uit te zitten, en de aardige uitvoering van 'Early Summer' maakt nog wel wat goed. Om echt een voldoende te geven zou ik het idee moeten hebben dat ik dit nog vaker ga draaien, maar nee.