MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Alice Cooper - Billion Dollar Babies (1973)

poster
4,0
Bij het nieuwe album van Alice Cooper (de groep) werd herinnerd aan deze klassieker Billion Dollar Babies. Met dank aan rudigers anekdotes nieuwsgierig geworden, heb ik 'm een paar keer gedraaid.

Het eerste wat mij opvalt is de theatraliteit die van deze shockrockplaat afdruipt en dat bedoel ik positief.
Tweede opvallende eigenschap is de muzikale vrijheid: er wordt breder gemusiceerd dan slechts rock. In 1973 was dat nog een jong genre en dat hoor je aan de zijstraatjes die soms worden ingeslagen. Piano en strijkers bijvoorbeeld. Een veel ruigere en avontuurlijkere Alice Cooper dan ik hem solo in '78 leerde kennen met de zwoele hit How You Gonna See Me Now. Vervolgens las deze prille puber over zijn eerdere werk, waarvan ik begreep dat het veel ruiger was.

Glamrock uit het jaar dat de Engelsen van Slade en Sweet hun grootste successen beleefden, bovendien neigend naar de artrock van David Bowie en Roxy Music, die eveneens meegingen in de glitters die rock toen overspoelden. Tegelijkertijd vind ik de composities niet altijd even spannend en had het van mij wel wat sneller en steviger gemogen. Een krappe 8 voor de theatrale vrijheid die dit uitstraalt.

Altered Images - Happy Birthday (1981)

Alternatieve titel: Happy Birtday... Plus

poster
3,5
De jaren rond 1980. Hoe ga je om met werkloosheid die je bijna alle hoop op een fatsoenlijke baan ná je studie ontneemt, terwijl Russische atoomwapens op je staan gericht en ieder moment een kernoorlog kan uitbreken?

Binnen de new wave ging dat als volgt. Je kunt gaan somberen zoals Joy Division, of melancholiek in je eigen wereld duiken zoals The Cure, óf je maakt licht verteerbare muziek. Uiteraard zijn er meer varianten te verzinnen, maar met de dansende stem van Clare Crogan, een meisje in punkachtige kleding, een vrolijk type met waarschijnlijk een vriendelijk ratje in haar mouw verborgen, zag het leven er plots weer zonnig uit.
Happy Birthday kende ik indertijd van de radio, al was het in Nederland geen hit. In het Verenigd Koninkrijk in oktober 1981 echter #2. Enkele jaren geleden hoorde ik het liedje na lange tijd dankzij streaming. Toen ik de elpee afgelopen zomer tweedehands zag staan, kon ik de verleiding niet weerstaan.

In 2012 schreef Dibbel geen onjuist woord over de band, waaraan ik wil toevoegen dat het producer Martin Rushent was (bekend van onder meer de eerste platen van The Buzzcocks, The Stranglers en The Human League) die de titelsong produceerde. Dat liedje is niet alleen de opener van de B-kant, het refrein ervan opent en sluit de plaat bovendien af.
Qua gitaarwerk doet dit vaak aan de lichtere kant van The Cure denken. Vrolijk en tegelijkertijd licht-melancholiek, fraai ineen hakend met de stem van Crogan. Zij zingt zoals tekenfilmkuiken Calimero in de Nederlandse versie praatte, met talrijke omhoog springende uitschieters. Afhankelijk van mijn stemming vind ik dat ofwel aangenaam luchtig, ofwel het gaat me na enkele nummers irriteren.
Een enkele keer echter trappen gitaristen Tony McDaid en Jim McKinven het distortionpedaal in en hoor je de punkwortels van het kwintet. Het zorgt voor een pittiger tegenwicht bij alle dartele zang.

Op de eerste kant valt Legionnaire op, een bijna instrumentaal lied met aan het einde vrolijk gelalalala. Mooiste nummer aan die zijde vind ik Faithless, dat verdrietig verhaalt over een gestrande relatie.
Op de B-kant word ik naast de hitsingle vooral vrolijk van Midnight met zijn punkachtige, driftige gitaarpartij en al helemaal van Insects. Dit bevat een pianopartij waarvan ik vermoed dat het de inspiratie vormde voor The Lovecats (1983) van The Cure; het tekstthema doet dan weer denken aan de videoclip bij Lullaby (1989) van datzelfde bandje, met alle verwijzingen naar enge kriebelbeestjes.

Fans van The Cure zullen ongetwijfeld enige leuke momenten met dit album beleven. De composities zijn meestal aangenaam, de springerige zangstijl wordt soms wat gekunsteld. Desondanks aanbevolen voor zonnige dagen, zoals ik deze zomer ervaarde, óf juist voor de grijze dagen waarin de zon uit je speakers moet schijnen.

Alternative TV - The Image Has Cracked (1978)

poster
4,0
Ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Met punk kwam de realisatie dat het spelen van popmuziek geen jarenlange studie vereist. Vanaf 1975 begint een golf aan nieuwe bandjes, vaak door de Sex Pistols geïnspireerd. ‘Do it yourself’ was het credo en wie inzoomt, ziet dat sommige bandleden van bandje naar bandje gingen.
Zo komt mijn reis van het debuut van Generation X, één van de eerste punkgroepen. Drummer John Towe moet daar al snel weg en duikt vervolgens op bij Alternative TV, dat in mei '77 voor het eerst optreedt. Met hem in de gelederen worden twee singles uitgebracht, maar als in mei 1978 debuut The Image Has Cracked verschijnt is hij alweer vervangen door Chris Bennett. Dennis Burns is bassist en Mark Perry zanger en gitarist, een bekende naam in de Londense punkwereld zoals in het bericht hierboven staat beschreven.

Hartstikke geinig is opener Alternatives, dat 9 minuten duurt en live is. Niet bepaald wat je zou verwachten op het debuut van een groep in deze stroming. Het is een 'audience participation song': wie wil mag op het podium komen en zeggen wat hij op zijn hart heeft. Het publiek wordt tevens uitgenodigd zich aan te melden voor een auditie én er klimt iemand op het podium die een groep skinheads in het publiek uitdaagt. Muzikaal een buitenbeentje met het eenvoudige thema maar halverwege een knip. Daarin een documentairestem over film, vervolgens een andere opname van hetzelfde Alternatives en dan terug naar de liveopname van het eerste deel. Eigenaardig maar verrassend: je zit helemaal in de concertsfeer van die tijd, helemaal leuk! JeKo, iets voor jou!

Dan volgt Action Time Vision, een nummer dat ik bleek te kennen zonder het te weten. Geschreven door Perry met Alex Fergusson, een ander voormalig groepslid wiens naam ook nog vermeld staat bij twee andere nummers. We krijgen melodieuze poppunk met een herkenbaar refrein en brutaal Londens sfeertje: frontman Perry weet waar hij voor staat.
Iets langzamer maar wel stevig is Why Don't You Do Me Right? met aan het einde zowaar een metalen riff. Met Good Times (oorspronkelijk van Frank Zappa) en vooral Still Life is een sfeer die me aan het dan nog niet bestaande Joy Division doet denken: vertraagde punk met sombere sfeer sluit kant 1 af.

Met boogiewoogie van gastpianist Jools Holland trapt Viva la Rock 'n' Roll punkrockend kant 2 af over "Paris, a city of influence"; het eindigt met een koor en zwierige pianoakkoorden. In Nasty Little Lonely weer zware, lome punk en Red is een instrumentaal gitaar-met-tremolo-gitaareffect-nummer zonder bas of drums, gevolgd door het sombere Splitting in 2, dat fraai naar een climax opbouwt.
Dat dit album met zijn vooruitwijzingen naar depri postpunk al in mei 1978 verschijnt, betekent dat ze hun tijd vooruit waren. Hitsingles of een notering in de Britse albumlijst kwamen er niet. Al in 1994 verscheen een cd-versie met daarop de nodige bonussen.

The Image Has Cracked staat afgezien van Action Time Vision niet op mijn streamingdienst. YouTube biedt uitkomst. Mijn muzikale reis gaat naar New York, naar het derde album van The Dictators.

Althea and Donna - Uptown Top Ranking (1978)

poster
3,5
Op reis door new wave en aanverwanten ben ik in het vroege voorjaar van 1978 aanbeland bij een genre dat bepaald niet het mijne is: Jamaicaanse reggae. Toch vond ik Uptown Top Ranking van de tieners Althea and Donna een aangenaam liedje. Het haalde in maart #25 in de Nationale Hitparade en toen ik rond 2021 mijn afspeellijst met wave & co ging maken, bleek dit naadloos daarbij te passen: reggae en ska in al dan niet witte jasjes kwamen in de mode. Denk aan Elvis Costello, The Police, Fischer-Z, PiL, The Selecter, The Specials, Madness, later ook Blondie en Bow Wow Wow.

De vorige berichten bij album Uptown Top Ranking zijn vijftien jaar oud. Inmiddels is de plaat eenvoudig op streaming te vinden. Wat klinkt is kalme reggae en als niet-liefhebber kan ik dit goed hebben. Het is namelijk geen "zware" dub, maar toegankelijk met de heldere stemmen van Althea Forrest (toen 17) en Donna Reid (toen 18).
Van Wikipedia leer ik dat het titellied een Britse hit werd nadat BBC Radio 1-dj John Peel het "bij vergissing" draaide en anderen enthousiasmeerde.
Begeleidingsgroep is The Revolutionaries met in de gelederen het bekende koppel drummer Sly Dunbar en bassist Robbie Shakespeare. Eind januari '78 één week #1 in het VK en naast Nederland ook een Vlaamse hit: in maart #23. De singlehoes vermeldt overigens Althia & Donna.

Een leuk zijweggetje bij new wave, maar als album te eentonig. Ik geef een veilige 7 als schoolcijfer, liefhebbers van lichte reggae zullen guller zijn. Mijn reis kwam vanaf een ander randgevalletje in wave/punk, namelijk de tweede van The Dictators en vervolg bij Rich Kids, het nieuwe bandje van ex-Sex Pistol Glen Matlock en ex-Slik Midge Ure.

Andrew Gold - All This and Heaven Too (1978)

poster
4,5
Heb de voorbije maanden op tweedehands vinyl het jaren '70-werk van Andrew Gold verzameld. Waar de eerste twee albums aardig waren met steevast twee á drie sterke uitschieters, is All This and Heaven Too zijn eerste album dat van de eerste tot de laatste tonen sterk is.
Ten tijde van verschijnen hoorde je drie nummers op de radio; ze zijn nog altijd geknipt voor gouwe-ouwezenders als Radio 2 en 5: How Can This Be Love (Tipparade in mei 1978), Never Let Her Slip Away (#23 in september 1978, iets hoger dan zijn vorige hit Lonely Boy (1977; in Vlaanderen bovendien #14 in oktober) en Thank You for Being a Friend.

De naald daalt in de groef en wat volgt is een afwisselende verzameling composities, bovendien gevarieerd in arrangementen. Saai wordt het nooit. Uptempo popsongs met de piano centraal zoals Thank You for Being a Friend en Genevieve (met dat liedje is familie van mij aan de echtgenoot gekomen, onweerstaanbaar feitje voor iemand als ik), die worden afgewisseld met kleine pianoliedjes (Oh Urania), synthesizer en saxofoon in Never Let Her Slip Away, of muziek in een orkestraal jasje (Always for You en You're Free), of een gitaarliedjes (Still You Linger on en I'm on My Way), of een klein liedje op elektrische piano in Looking for My Love.

Op streaming tref ik de versie met extra nummers aan van de heruitgave uit 2011. Onder meer het sterke en vrij stevige Gambler en eveneens lekker is de liveopname van Dr. Robert, een liedje dat niet eerder op plaat van hem verscheen. Maar ook de instrumentale versie van Genevieve blijkt met zijn jazzakkoorden een bescheiden pareltje, zeker als het verrassenderwijs bijna extatisch eindigt.

De Angelsaksische wereld noemt dit soft rock of yacht rock, wat een misleidende termen zijn voor Europeanen als ik. Geen rockende gitaren maar tien sterke popliedjes, met melodie en stem centraal en bovendien niet te versmaden bonussen op cd/streaming. Maar ik houd het lekker bij mijn vinyl, mede omdat het pakkende gitaarwerk van Waddy Wachtel opvalt. En dat is extra lekker vanaf de zwarte schijf...

Andrew Gold - Andrew Gold (1975)

poster
3,5
Zoals de meeste Nederlandse popliefhebbers in de jaren ’70 was mijn eerste kennismaking met Californiër Andrew Gold in 1977 met hitsingle Lonely Boy, wat ik een fantastisch liedje vond én vind. Het album waarop dit te vinden is, What’s Wrong with this Picture?, kocht ik zo’n acht jaar geleden als tweedehands vinyl.
Tijdens de coronalockdown van voorjaar 2020 viel ik door de ‘Week van de jaren ’70’ op NPO Radio 5 en kort daarna op een regionale zender voor veel muziek uit die periode. Toen de winkels weer open gingen kwam ik regelmatig albums van Gold tegen en kocht ik zijn overige elpees uit dat decennium.

Zijn debuut stamt uit in het jaar vóór zijn doorbraak en leverde in zijn thuisland in 1976 een #68-hit op voor That’s Why I Love You. Weliswaar een bescheiden notering, maar vermoedelijk werden er daar veel meer van verkocht dan de #1’s van Nederland en Vlaanderen op diezelfde 24e januari, te weten Queen met Bohemian Rhapsody en Pussycat met Mississippi. Daarmee bedoel ik uiteraard alleen de verkoopcijfers in de Lage Landen...
Hij schreef alle liedjes zelf, Love Hurts en I’m a Gambler hebben dus niets met (bijna) gelijknamige hits van Nazareth en Kenny Rogers te maken.

Amerikanen noemen dit softrock: goedgeluimde, beschaafde pop met westcoastinvloeden, in Golds geval verrijkt met achtergrondzang van onder meer Linda Ronstadt en Don Francisco, beiden met eigen carrières en niet veel later ook populair in Nederland.
Naast zijn debuuthit staat er meer van dit soort poprock op het album. Daarbij ook ballades met Love Hurts, Endless Flight en Years Behind Me, vleugjes country zijn te horen in de popnummers Heartaches in Heartaches, I’m a Gambler (waar ken ik dat toch van, het komt me zo bekend voor?!) en Hang My Picture Straight. Mijn prijsnummer: I'm Coming Home, aangenaam uptempo met de lenige, warme stem van Gold centraal.
In 1991 voor het eerst op cd verschenen (Japan), pas vijf jaar later eveneens in Europa. Op streaming zijn bovendien zes bonusnummers te vinden, afkomstig van een december 2004-heruitgave. Hierop zijn de country-invloeden nihil.

Nergens is het spectaculair en tegelijkertijd is het hele album aangenaam. Muziek voor op de achtergrond, tevens geschikt voor het ontvangen van bezoek en dat zonder dat het behang wordt. Nooit opdringerig en altijd oprecht.

Andrew Gold - What's Wrong with This Picture? (1976)

poster
2,5
Het eerste album van Andrew Gold dat ik in zijn geheel hoorde, was What's Wrong with this Picture? en dit viel me nogal tegen. Als je namelijk in die mooie zomer van 1977 kennismaakte met Lonely Boy (eind juni - begin juli twee weken #27 in de Nationale Hitparade) verwacht je bijvoorbeeld meer sterke pianothema's.
Decennia later kocht ik de elpee en werd het kind in mij weer wakker, waarna mijn volwassen oren ten volle begrepen hóé knáp de gitaarsolo van studiomuzikant Waddy Wachtel is (de hoes vermeldt slechts zijn voornaam, leve internet!). Hij staat in mijn gitaarsolo top 100 en is een veelzeggend voorbeeld van het met relatief weinig noten héél veel zeggen. Oftewel het omgekeerde van wat de doorsnee shredder doet.
Leuk om te zien is de videoclip, die echter een livemix bevat met bovendien een andere gitarist.

Maar verder is het niveau van de liedjes lager dan op het debuut. Dat geldt niet voor opener Hope you Feel Good en afsluiter One of Them Is Me. Daarmee tel ik dus drie nummers boven de middelmaat, waarvan eentje in mijn genen zit. De cover van Do Wa Diddy, oorspronkelijk (1963) van de mij onbekende The Exciters en bekender van Manfred Mann, is echter leuk voor een fan van Dolly Dots (die het dan ook hebben gecoverd). Ik word er strontchagrijnig van. Ook mislukt: het overflauwe countryachtige Learning the Game: beduidend minder dan de nummers in die stijl op het debuut.
De rest is nergens onaardig, maar beklijft nauwelijks. Zoals Stay : door sommigen verfoeid, terwijl ik deze cover goed bij de rest vind passen. Een oudje (1960) van r&b-groep Maurice Williams & The Zodiacs.

Desondanks heb ik een tweetal positieve slotnoten. Wel pakkend is de hoes, met de link bij het bericht hierboven kunt u zien wat het antwoord is op de albumtitel What's Wrong with this Picture?
Eveneens plezant is de droogkomische tekst van Gold op de binnenhoes, die van woordgrappen en absurde wendingen aan elkaar hangt. Heerlijk!

Linda Ronstadt deed net als op het debuut enige achtergrondzang en in tegenstelling tot wat Fedde schrijft, heb ik begrepen dat de hitsingle niet over Gold ging, maar dat dit misverstand ontstond omdat enkele biografische gegevens in de tekst (geboortedata, oudste in gezin, zijn eerste zus) wel degelijk kloppen. Het fatalistische verhaal is echter uit de duim gezogen, aldus Gold in interviews. Voer voor biografen en psychologen.

Met twee coverliedjes vermoed ik dat Gold in tijdnood zat bij het opnemen van dit album. Bij veel artiesten is het tweede album minder dan het debuut, omdat daarvoor de afvallers werden gebruikt. Morgen begin ik aan opvolger All This and Heaven Too, ik wed dat die als geheel beter is.

Andrew Gold - Whirlwind (1980)

poster
3,5
Op zijn vierde album Whirlwind gooit Andrew Gold het over een andere boeg. Geen zwoele of andersoortige popliedjes, maar een licht scheurende gitaar staat centraal. Hierbij doen soms blues en ook new wave hun invloed gelden en alsof dat niet genoeg is, zingt hij anders dan voorheen. Ik moest goed luisteren: is dit echt dezelfde Andrew Gold?

Jazeker! In 2018 verscheen in de serie ‘Collector’s Choice’ een cd-uitgave waarop hij in de liner notes één en ander postuum uitlegt, zie hier voor hoesfoto's van de Russische (!) editie. Was zijn vorige album All This and Heaven Too zo vreedzaam dat ik ervan overtuigd ben dat zelfs Poetin bij frequente beluistering in een vredesduif zou veranderen, op dit album klinkt Gold pittiger.
Misschien horen we iets terug van zijn tienerjaren, die hij deels in Engeland doorbracht. En met de promotie van de hitsuccessen van zijn vorige album, moet hij terug in Engeland punk en new wave hebben opgesnoven. Zijn Californische zonnige muziek maakte plaats voor Britse gitaarliedjes.

Liedjes schrijven verleer je niet en dat geldt ook hier. Na gewenning groeien enkele favorieten. Om te beginnen opener Kiss This One Goodbye, gevolgd door titelnummer Whirlwind, waarna pas op derde nummer Sooner or Later een piano klinkt.
Op de B-kant val ik voor Nine to Five dat met een intro á la The Kinks begint, waarna hij overschakelt op reggae in newwavesfeer, herinnerend aan Elvis Costello, zeker als een keyboard bijvalt; allermooiste liedje van de plaat is Stranded on the Edge met spreekzang á la Bryan Ferry (in hun Virginia Plain) of Steve Harley (Make Me Smile), de artrock kort vóórdat new wave doorbrak. Make up Your Mind is op de valreep het liedje dat het sterkst aan Golds vorige werk doet denken. Niet te versmaden.

In de amusante en postume liner notes (de link dus hierboven) vertelt Gold waarom het daarna stil om hem heen werd (iets met einde contract en feestjes). Achteraf gezien vindt hij het logisch dat de plaat flopte (de verwachtingen van de fans matchten niet met deze plaat) én dat hij hierna vlot een nieuwe soloplaat in Californische sferen had moeten maken. Maar hij keerde terug naar zijn muziekvriendinnetje Linda Ronstadt en raakte bevriend met 10CC-mannen, later resulterend in de hitgroep Wax.

Anders dan ik verwachtte, zijn met open oren desondanks enkele fijne liedjes horen, verrassenderwijs opgenomen in zijn eigen Californië en toch Brits klinkend. Hierop minder gastmuzikanten dan voorheen, wat het soberder, direktere geluid van de plaat versterkt.
Een aanrader voor wie 'm in de bakken met tweedehands vinyl tegenkomt, zoals ik. De vorige eigenaar kruiste met stift op de achterzijde zijn favoriete nummers aan: 2 t/m 5 en 7 t/m 9. De laatste krijgt zelfs twee kruisjes.
Wij verschillen dus wel iets van mening op dat punt, echter wederom een aanwijzing dat dit "vergeten" album een tweede kans verdient.

Andrew Lloyd Webber - Variations (1978)

poster
3,5
Componist Andrew Lloyd Webber, bekend van musical Jesus Christ Superstar, verliest een weddenschap met diens broer Julian, tevens cellospeler, over een voetbaluitslag. De prijs: componeer een suite genaamd Variations, gebaseerd op werk van de Italiaanse violist Nicolò Paganini (1782-1840), dezelfde die later gitarist Yngwie Malmsteen zou inspireren.

Andrew was sportief en ging aan de slag. Hij stelde zich voor om klassiek, jazz en rock te verenigen, maar wist niet hoe dat handen en voeten te geven. Tot hij te gast is bij platenmaatschappij MCA en daar toevallig (?) Colosseum II krijgt te horen, de groep van drummer Jon Hiseman, gitarist Gary Moore en toetsenist Don Airey.
Hij benadert de groep, die wegens twee geflopte albums gretig toehapt. Hiseman neemt bovendien zijn echtgenote Barbara Thompson mee, die allerlei blaasinstrumenten speelt.
Andere medewerkenden met grote namen op hun cv zijn bassist Herbie Flowers, drummer Phil Collins, toetsenist Rod Argent en uiteraard ontbreekt weddenschapwinnaar Julian Lloyd Webber niet; hij speelt cello.

Dit alles wist ik niet, maar dankzij 'Gary Moore: The Official Biography' belandde ik bij het verhaal van Colosseum II, waarbij dit album op p. 93-94 wordt beschreven. Die groep was op dat moment armlastig, maar een financieel voorschot helpt. Het album verkoopt vervolgens goed: haalt zelfs goud, #2 in februari 1978 in de Britse albumlijst. Op dat moment had Colosseum II alweer zijn derde album uitgebracht, te weten War Dance .

Variations bevat de gewenste mix van drie muzikale werelden, waarbij toetsen, gitaar, blaasinstrumenten en cello beurtelings de hoofdmelodie spelen gedurende 23 instrumentale delen. Variatie is troef en zo ontvouwt zich een licht-luisterbaar album.
Gary Moore had het zwaar, omdat hij geen noten kon lezen; maar Lloyd Webber merkte op dat de man een fenomenaal muzikaal geheugen bezat en zich zo kon meten met zijn professioneel opgeleide collega's.

De biografie vermeldt ook dat het Britse ITV-cultuurprogramma The South Bank Show muziek van Variations gebruikt als tune, van 1978 tot 2010 op tv. Op YouTube vond ik een aflevering over Paul McCartney, met inderdaad Variation 1 in de leader.

Andy Bown - Come Back Romance, All Is Forgiven (1977)

poster
4,0
Je zou Andy Bown kunnen kennen als toetsenist van Status Quo. Hij werkte met hen vanaf 1973 als sessiemuzikant, sinds '77 als officieus vijfde bandlid (het piano-intro van Rockin' All over the World ? Dat is hij!) en sinds 1986 als volwaardig lid, tot op de dag van vandaag.
Maar zijn carrière is rijker: eind jaren '60 zat hij in The Herd en als groepsmaatje Peter Frampton in de jaren '70 solo gaat, staat Bown hem terzijde. Fans van Pink Floyd kunnen hem kennen van de tournee bij The Wall in 1980 - '81.

Leuk allemaal, maar aan al die namen heb je hier vooral NIETS. Op Come Back Romance, All Is Forgiven klinkt namelijk een sterke singer-songwriter op piano en andere toetsen. Heerlijk plaatje voor hen die Randy Newman en Billy Joel kunnen waarderen.
Gezien de titels en teksten van de eerste twee nummers Drowned in Texas met een strijkarrangement en 317 (Manhattan Blues) dat van Steely Dan wegheeft, mikte Bown met deze plaat op de Amerikaanse markt, al is ie in Londen opgenomen met Britse musici. In Too Good to Last klinkt opeens swingende countryrock mét fiddle, gevolgd door een kamerstrijkje in The Real Thing.

Meer variatie op kant 2: Nobody's Fool klinkt als funkpop, swingend met elektrische piano en blazers. Opvallend is dat Bown zowel zwoel als scherp kan zingen. Met zijn brede muzikale mogelijkheden vraag ik me plotseling af hoe hij het al zoveel jaren bij Quo uithoudt onder een andere kapitein. De plaat sluit enigszins zwoel af met saxofoon en strijkers in Fine Rain.
Zwakke nummers kom ik niet tegen: dit is simpelweg een heerlijk popplaatje van een getalenteerd singer-songwriter.

Voor de volledigheid: Bown maakte meer soloplaten, die vooral in het eigen Engeland aandacht kregen. Dit is zijn derde. Van opvolger Good Advice stond single Another Shipwreck in Nederland van april tot juni 1979 in de Tipparade, het leverde hem een bezoek aan TopPop op. Het liedje belandde in 1988 op een elpee van Quo.

Ik kwam Come Back Romance, All Is Forgiven toevallig tegen bij in een winkel met tweedehands vinyl. In goede staat met teksten op de binnenhoes. Hoe leuk kan het zijn om door platenbakken te bladeren en dan op onverwachte bijvangst te stuiten!

Angelic Forces - Arise (2022)

poster
4,5
Angelic Forces is een Fries-Groningse band met een album dat in Leeuwarden werd opgenomen door Tjeerd Walstra. Het resultaat Arise klinkt vol en vet, maar niet dichtgesmeerd. Ik kende noch groep noch album, maar uitgebracht bij het Nederlandse No Dust Records kwam ik 'm daar in de winkel tegen. Ik kocht 'm op de hoes, omdat ik aan het Trouble van de jaren '80 moest denken. Compromisloos en hard, maar niet extreem, gokte ik. Was dus een gokje, al was duidelijk dat dit metal is. Maar wat voor subgenre?

Wat klinkt is compromisloze, pure heavy metal zoals die vanaf 1985 vooral vanuit de VS kwam, soms op het randje van speed metal. Geen ballades, geen rock. Wel héérlijke gitaartwins van Harold de Vries en Maurice Gijsman. Ter vergelijking kan ik namen als Chastain of Vicious Rumors noemen om een idee te geven van de beukende muziek, waarbij de zang van De Vries lager is dan bij die groepen.
Walstra en drummer Rudie Kingma leidden de groep door de nodige tempowisselingen heen, iets wat ik te vaak in metal mis. Ze zorgen voor verrassingen binnen een nummer: een nieuwe riff of een knallende gitaarsolo slepen je mee in de muziek die zo extra afwisselend wordt.

Songtitels als Armageddon, mijn favoriet Repent or Die en Fear No Evil deden vermoeden dat hier sprake is van een christelijke inslag, wat blijkt te kloppen. Mijn elpee is geperst op 'gold vinyl', hartstikke geinig en tegelijkertijd ook een plaat die zonder zulke extra's kan. Mooie zwarte binnenhoes, tekst- en fotovel; alle details zijn goed verzorgd. Uiteindelijk telt echter de muziek en dan hoor ik goede composities en meeslepende gitaarlijnen die knallend worden uitgevoerd: een 9 als schoolcijfer.
Wie meer wil weten: in februari 2023 waren ze te gast bij De Keiharde Pödcast, ontdekte ik nu pas. Te horen vanaf 38’20”.

Angelic Upstarts - Teenage Warning (1979)

poster
3,0
Angelic Upstarts, relatief onbekend in Nederland. Dit album bijvoorbeeld: tot vandaag twaalf stemmen en nul berichten. Maar hiervan haalden twee singles de Britse hitlijst en meer dan dat: de punks uit South Tyneside in het noordoosten van Engeland werden invloedrijk.
De overeenkomsten met tijdgenoten The Knack, mijn vorige station in de reis door new wave? Bij beiden was dit 1979 het debuutjaar plus dat er op iedere plaatkant zes nummers staan; korte nummers dus. Daarmee hebben we meteen een kenmerk van punk en wave, al zijn er vele uitzonderingen op de regel te vinden.

Teenage Warning wordt nog tot de eerste generatie punkrock gerekend, waarbij ik als voetnoot plaat dat het dan wél de tweede golf daarvan betrof. Net als The Ruts, die ook in '79 debuteerden. Waar bij die groep reggae en ska binnenslopen, klinkt hier onvervalst rauwe punk. Op de hoes worden Sex Pistols en The Clash bedankt "for inspiration".
Steviger dan de punk van de eerste generatie, bij opener annex titelnummer Teenage Warning hoor ik qua gitaargeluid zelfs overeenkomsten met het vroege werk van Motörhead. Zowel in augustus als september 1979 stond het als single een week #29 in de Britse hitlijst. Het was hun tweede hit, nadat I'm an Upstart in mei dat jaar tot #31 had gereikt. De elpee haalde in augustus #25.

Een politiek bewuste band, eerlijk en rauw. Mij doet het echter minder, al hoor ik dat de groep met deze energie van invloed was op de oi-punk die niet veel later zou opduiken. De liedjes pakken me desondanks niet; noch de zang, noch de melodieën, noch de riffs of ander gitaarwerk. Maar wellicht is er een MuMens die hier een voller licht op kan laten schijnen?

Ondertussen verkas ik naar het volgende station op mijn afspeellijsten met new wave: Labour of Lust van Nick Lowe.

Angelic Upstarts - We Gotta Get Out of This Place (1980)

poster
3,5
In mijn herinnering was in 1980 de Britse punkgolf voorbij en namen de VS het stokje over. Nu ik echter systematisch door new wave en aanverwanten reis, blijkt dat onjuist. In 1980 kwam ik tot dusver Britse punk tegen van 999 met album The Biggest Prize in Sport, Stiff Little Fingers met Nobody's Heroes, Cockney Rejects met Greatest Hits Vol. 1, U.K. Subs met Brand New Age, Discharge met single Realities of War, later op hun compilatie 1980-1986 te vinden, en The Members met 1980 - The Choice Is Yours.

Na die laatstgenoemde was We Gotta Get out of Here de tweede punkplaat in april van Britse origine. Angelic Upstarts maakt net als op hun debuut robuuste punk in de voetsporen van Ramones en Sex Pistols. Anders dan bij tijdgenoten wordt niet uit andere genres geleend: de Upstarts brengen pure punk. Probleem is alleen dat het in de twaalf nummers, net als op de eersteling, niet erg blijft hangen.
Het Britse publiek was het met mij oneens. Single Out of Control klom in februari 1980 naar #58 en het titelnummer kwam eind maart als single tot #62. Bovendien was daar non-albumsingle Last Night Another Soldier, in augustus #51. De elpee haalde in april #54.

Opvallend is de tekst van Lonely Man of Spandau. Het is een pleidooi om nazi Rudolf Hess, in 1980 nog de enige gevangene in die instelling, vrij te laten. Muzikaal op z'n stevigst zijn Their Destiny Is Coming en Out of Control. In Ronnie Is a Rocker zit een boogiepiano, het intro van Listen to the Steps lijkt wel postpunk en afsluiter We Gotta Get out of This Place is een cover van The Animals.
In 2003 verscheen via Captain Oi! een cd-editie met twee bonustracks, die goed bij de overige tracks passen en welke ik ook op streaming aantref.

Mijn vorige halte door de wereld van new wave - waarbij momenteel nogal eens punk - was "Strange Boutique" van The Monochrome Set. De volgende wordt Los Angeles van het Amerikaanse punkgezelschap X.

Angelica - Angelica (1989)

poster
4,0
Debuutalbum van de groep rond de Canadese shredder Dennis Cameron. Had hij indertijd een werkvergunning in de Verenigde Staten gekregen dan was hij wellicht verder gekomen dan de cultstatus die Angelica nu heeft. Cameron produceerde het debuut zelf en deed dat niet onverdienstelijk.
Op zang wist hij Rob Rock te strikken, die ik kende van het fantastische Intense Defense van Joshua. Net als bij die groep klinkt hier melodieuze hardrock met regelmatig zulke fraaie zanglijnen en arrangementen dat de muziek keer op keer mijn cassettedeck vond.

Ja inderdaad, cassette: indertijd kon ik alleen daarop de hand leggen. Dit album klonk namelijk als het perfecte vervolg op die Joshua, waar ik helemaal wég van was en ik wilde deze Angelica per se hebben.
Camerons solo's zijn even talrijk als vingervlug, maar altijd staan ze in dienst van het liedje. Nu pas valt me op dat zijn gevoel voor melodie ook veel weg heeft van Michael Schenker, die snelheid en zingende gitaarlijnen perfect kan combineren.

De zang van Rob Rock is van buitenklasse: een groot bereik (Shine on Me bijvoorbeeld) plus een heerlijk rauw randje waarbij hij tegelijkertijd klinkt alsof hij de eeuwige jeugd heeft. Slechts weinig anderen hebben dat. Wellicht is Jon Deverill, ooit zanger bij Tygers of Pan Tang, nog wel de beste vergelijking.
Wat ik nooit snapte: de hoes vermeldt Andy Lyon als zanger en co-componist van menig nummer en bovendien is hij op de bandfoto te zien. Te horen is hij echter niet. Inmiddels weet ik dat hij het tijdens de opnamen in Californië niet redde, waarop Rock werd ingehuurd.
Zangproducer bij dit debuut was de Amerikaan Ken Tamplin, indertijd bekend van de groep Shout. Hij zingt bovendien zelf op het afsluitende Face to Face en doet dat prima. Vond ik desondanks jammer: liever hoorde ik meneer Rock!
Bassist Robert Pallen en drummer Scott Ernest leggen een ronkende basis, waarover de twee anderen naar hartelust excelleren. De sobere toetsenpartijen werden door een sessiemuzikant ingespeeld.

Hoogtepunten: op de A-kant Are You Satisfied met zijn tempowisselingen, I Believe met dubbele bassdrumdelen en überfavoriet Only a Man; wát een mooi opgebouwde gitaarsolo's!
Op de B-kant One Step at a Time, het gevarieerde Take Me en het instrumentale Ahh!, plus S.O.S. dat in het refrein opeens gaat knallen.
Aan iedere gitaarsolo zou ik wel een alinea kunnen wijden; laat ik het houden bij de herhaling dat liefhebbers van Schenkeriaans gitaarwerk heul vrolijk zullen worden.

Ik ontdekte dat Cameron een eigen webstek heeft, hier te vinden. Een dikke 8 voor dit Angelica, inmiddels op streaming te vinden.
Let wel op: de MuMe-link bovenaan leidt u naar een zangeres met de naam Angelica. Eenmaal daar opnieuw zoeken, de groep is eenvoudig te herkennen aan hun logo.

Angelica - Walkin' in Faith (1990)

poster
3,0
De tweede van Angelica viel mij indertijd tegen. Dit omdat de Amerikaan Jerome Mazza de nieuwe zanger was, waarmee men de kant van Dokken en Boston opschoof. Voor sommigen is dat wellicht een aanbeveling, mij werd indertijd deze melodieuze hardrock te braaf. Kwestie van smaak, want Mazza is een prima zanger; ik miste eenvoudigweg het rauwe randje dat op het debuut met Rob Rock bij de microfoon klonk.

Net als de vorige plaat klinken desondanks prima liedjes en soleert bandleider Dennis Cameron als een malle; het pakt me evenwel nog altijd niet zo. Wat evenmin helpt is dat de drummer is vervangen door een digitale collega, door Cameron geprogrammeerd: ik mis de rollende fills van voorheen.
Daar staat tegenover dat de basgitaar van Robert Pallen lekker in de mix zit, waarbij hij hier en daar lekkere loopjes etaleert. Net als op het debuut klinken spaarzame toetsenpartijen ter ondersteuning. O ja, nóg een vergelijking: bij All I Can Do en Soul Search moet ik sterk denken aan het Europe van die dagen.

Het schijnt de bestverkopende Angelica te zijn geweest: in de Verenigde Staten en Canada was een grote markt voor dit soort gepolijste hardrock, die overigens in dit geval opvalt vanwege de christelijke inslag van de teksten.
Eigenlijk was ik deze tweede Angelica geheel vergeten, maar omdat ik de naam van Mazza tegenkom op het laatste soloalbum van ex-Kansaszanger Steve Walsh werd Walkin' in Faith aan de vergetelheid ontrukt. Internet levert vervolgens nog wat recenter nieuws op.
Cameron zou later enige tijd deel uitmaken van de soloband van zanger Michael Sweet van Stryper. Dit echter niet voordat nog twee albums met Angelica verschenen waarop Drew Bacca zanger was. In 2019 volgden nog eens een instrumentale cd én eentje met opgepoetste demo-opnamen met oorspronkelijke zanger Andy Lyon, daterend van vóór het debuut.

Op dit Walkin' in Faith klinkt lichte, goed verzorgde en melodieuze hardrock. Steevast met spetterend gitaarwerk, waarbij Cameron zich op het afsluitende instrumentale Harvest van een ingetogener kant laat zien.

Angmodnes - The Weight of Eternity (2022)

poster
4,5
Een nieuwe band van niet-onervaren muzikanten. Angmodnes is een Utrechts duo dat debuteert met het minialbum The Weight of Eternity. Gedurende drie nummers klinkt doom metal. De muziek is onverbiddelijk traag, de sfeer zwaar. Regelmatig echter worden als contrast lichte klanken neergezet, of zelfs stilte.

Mijn favoriet is het titellied dat dit album opent. Beginnend en eindigend met bijna meditatief pianospel wordt tussen de gitaarmuren door gepauzeerd, herbegonnen en opnieuw gepauzeerd. Zanger/gitarist/bassist Y.S. (de twee bandleden vermelden slechts hun initialen) grunt bij dit alles niet alleen diep, hij heeft ook een fraaie zangstem, waarin de wanhoop van de tekst wordt gevoeld. Dat ook een vrouwenstem klinkt, brengt een extra laag in deze toch al doorwrochte compositie. Dat drummer M.V. in het slot (spoiler) met furieus basdrumwerk overrompelt, levert een bizar sterke climax op, zeker als een piano het lied verstild afsluit, zoals het ook begon.

Hollow Earth is nog net iets langzamer dan de eerste track. Ook hier wordt voldoende variatie ingebouwd om de ruim elf minuten afwisselend te houden. Zo klinken in contrast tot de grunts de ijle stem van mevrouw F.S. en een cello.
Het pianospel aan het einde duurt hier wat langer dan op de opener; inmiddels weet ik zeker dat dit géén digitaal toetsenbord is; warme akoestische klanken vullen de ruimte.

Under Darkened Vaults heeft een tekst van de filosoof Emil Cioran (1911-1995). Het lijkt erop dat hier een antwoord op gegeven op de vragen die in de eerste twee nummers worden gesteld: bezongen wordt de ontsluiering van de ziel. Openend met keyboards waaruit een koor verrijst, neemt de gitaarmuur met grunts spoedig het nummer over. Het blijkt het meest "uptempo" deel van dit mini-album te bevatten, tegelijkertijd is dat schijn. Sterk gedrumd, is de enig logische conclusie.

De productie is mod-der-vet, zodat de muziek pas echt tot zijn recht komt met goede audiospeakers. In de klaphoes zijn de teksten te vinden. Ze vertellen allemaal het verhaal van de albumtitel. Diep en beladen kan het leven zijn en dit half uur laat horen hoezeer pijn schoonheid kan baren. Genoeg om het minialbum een paar keer achter elkaar te kunnen draaien zonder dat het gaat tegenstaan.

The Weight of Eternity is ook te vinden op streaming. Op sociale media is te zien dat de band zich met enkele gastmuzikanten voorbereidt op in 2023 te geven concerten.

Ann Wilson - Fierce Bliss (2022)

poster
3,0
Afgaande op de liedjes die ik mij uit de hitlijsten herinner, is oktober 1976 de maand geweest dat ik intensief naar popmuziek ging luisteren. Net op tijd voor de eerste hit van Heart, Magic Man, dat in december de hitlijsten van Nederland betrad.
In de zomer van '77 viel het kwartje pas echt. Ik nam het liedje op van Radio Caroline, toen nog op de middengolf: dof geluid met het gekraak van de ether, inclusief krachtige afkondiging van de dj met zijn melodieuze Engelse accent.
Dat cassettebandje draaide ik daarna vaak en het lied werd zo in mijn dna gestempeld: dit gepassioneerde hoogstandje blijft één van mijn absolute klassiekers. Bovendien werd Ann Wilson mijn favoriete zangeres in de rockwereld, gezien het feit dat ze prachtig klein én groot kan zingen.
Aan Fierce Bliss te horen heeft ze nog altijd die extra power in haar stem; bepaald niet slecht voor iemand die volgende maand 72 hoopt te worden! Dat is bijvoorbeeld David Coverdale, ruim een jaar jonger, niet gelukt, al heeft diens inmiddels gruizige stem wél zijn charme...

Dank aan Marco van Lochem voor zijn uitgebreide recensie-met-achtergrondinformatie. Die heb ik erbij gehouden tijdens het beluisteren (streaming), desondanks ben ik iets minder enthousiast over de plaat. Dat zit 'm dus niet in de zang en ook niet in het spel van de muzikanten, waar alles dik in orde is. Het zit 'm in het tempo van de liedjes, die te vaak midtempo of langzaam zijn.
Opener Greed is een lekkere aftrap en heeft een bijzondere tekst, waarvoor ze ongetwijfeld uit haar levenservaring putte. Daarna echter komen maar liefst drie langzamere tracks voorbij. Die zijn op zichzelf prima, maar mijn aandacht dwaalt af bij zoveel traagheid, zeker als die bekende ballade van Queen volgt en het nog meer stilvalt.
Pas met Missionary Man komt er weer tempo in. Op vinyl is dit de opener van de B-kant, lekkere cover! Hierna opnieuw langzamere tracks waarna het met A Moment in Heaven weer vlotter gaat, een heerlijk lied. Met de laatste twee muziekjes is de voet weer van het gaspedaal, waarbij ik wél gecharmeerd ben van afsluiter As the World Turns. Met zijn akoestische intro en mooie opbouw is dit mijn vierde hoogtepunt van dit album.

De composities zijn op zichzelf prima, de covers worden bovendien fraai uitgevoerd, maar deze jongen mist variatie. Degenen mijn moeite niet delen, kunnen rustig een ster extra aan mijn drie stuks voor Fierce Bliss toevoegen en misschien nog wel meer.

Any Trouble - Where Are All the Nice Girls? (1980)

poster
4,0
Op reis door new wave, de albums achter mijn afspeellijsten met losse liedjes van de diverse artiesten, kom ik van The Motels. Van juni 1980 naar juli.
Bij Any Trouble en debuut met antiheldtitel Where Are All the Nice Girls? klinken heerlijk frisse gitaarliedjes, waarover ik lyrisch zou kunnen schrijven maar Dibbel deed het dertien jaar geleden al zo treffend: "Lekkere melodieën met tingelende gitaren en songs die je bijblijven. De liedjes zijn eigenlijk allemaal even goed."

Soms met vinnig gitaarspel, zoals in Yesterday's Love, Turning up the Heat en Growing Up. Soms een beetje powerpop zoals in Romance, een andere keer rock 'n' roll via The Hurt. Maar ook deemoed in Girls Are Always Right of verslagenheid in Nice Girls. Ja, het andere geslacht, moeilijk moeilijk moeilijk... Het is hierbij dat mijn associatie met Elvis Costello het sterkst is, een terechte vergelijking die eveneens hierboven werd gemaakt.
Ook leuk: na de drie minuten van (Get You Off) the Hook volgt een radioreclame voor single Second Choice, speciaal voor een radiostation in Chicago ingesproken in het ronde Engels van the queen's tongue.

Op naar meer gitaarliedjes maar dan zwaarmoediger: de derde van het eveneens Engelse The Only Ones.

Apotelesma - Timewrought Kings (2017)

poster
Een opvallende bandnaam: apotelesma is in de theologie het samengaan van de menselijke en Goddelijke natuur, maar werd ook gebruikt voor de invloed van de sterren op persoonlijke levens. Je zou daarom kunnen denken dat hier sprake is van een band met één of andere religieuze inslag, maar dat is niet het geval.

Apotelesma, afkomstig uit de regio Utrecht, biedt op Timewrought Kings vier lange nummers waarin doommetal domineert; bovendien is daar het semi-titelnummer Timewrought dat halverwege de schijf klinkt en aftikt binnen de drie minuten. Een verstild nummer met piano, al vermeldt de hoes niet wie voor deze soundscapegeluiden zorgde. De vijf leden bieden binnen hun metal de nodige variatie, waarbij zanger Mitch zijn grunts een enkele keer afwisselt met cleane vocalen; hij doet dat bepaald niet onaangenaam. Weemoed is dan het woord.
Drummer Martijn is een meester van het binnen de grenzen van het genre zoveel mogelijk variatie zoeken én vinden. Zo ontstaan lekkere grooves, waarbij basdrums, toms en bekkens voor heerlijke accenten en sfeerverschuivingen zorgen.
De heldere productie verhoogt het luistergenot. Contrasten ontstaan als gitaargetokkel overgaat in scheurende gitaren en cleane zang in grunts of omgekeerd. Dit alles is passend bij de hoes met zijn sober gekleurde schilderij, scherp als een foto, gemaakt door de Italiaan Nicola Samori.

De groep ging deels verder onder de naam Traiectvm Inferivs, Timewrought Kings is te vinden op Bandcamp.

April Wine - Harder..... Faster (1980)

poster
4,0
Die docu is zeker leuk! Mooi verhaal over de Canadese rockpioniers die in de jaren '60 in Nova Scotia startten. Vanaf 1972 was April Wine nationaal succesvol met een breed scala aan stijlen. Vanaf 1976 met hun zesde album The Whole World's Goin' Crazy voor hardrock kiezend, waarmee de populariteit in de Verenigde Staten groeit. Vanaf 1980 volgt ook Europa, al bereikten ze hier nooit de populariteit van de V.S. en Canada.

Mijn eerste kennismaking was via het nummer I Like to Rock, dat ik ontdekte op twee verzamelaars: eerst Metalmania uit 1980 en later op de elpee Monsters of Rock uit datzelfde jaar. Leve de dorpsfonotheek! Een aardig nummer, zij het niet heavy genoeg (ik was meer van Saxon en Black Sabbath). Desondanks belandde het op een cassettebandje en na het veertig jaar niet gehoord te hebben, bleek het nog altijd in mijn geheugen gegrift.

Pas zo'n vijf jaar geleden volgde de tweede kennismaking: een oudere collega wees me op Say Hello met zijn gekke maatsoort. Begin deze maand prikkelde de documentaire mijn nieuwsgierigheid en zo beluister ik dan eindelijk Harder..... Faster. Heb tijdens het luisteren de hoes eens goed bekeken en gekoekeld op het straatnaambordje: Boteler Street ligt in Ottawa.
Begin jaren '80 had ik dit "wel aardig" gevonden, tegenwoordig ben ik meer gecharmeerd van deze jaren '70-hardrock. Melodie en stevigheid gaan goed samen, pakkende koortjes en ouderwetse rock 'n' róóóll vloeien naadloos in elkaar over, zonder dat het kazig wordt. Enigszins vergelijkbaar met Boston, maar dan zonder de symfonische kanten of de intense gitaarmuren van die groep. En toch stevig.

Net als toen ben ik verbaasd over de knipoog naar Satisfaction van de Rolling Stones in het slot van I Like to Rock: heeft frontman Myles Goodwyn daar nooit een rechtszaak over aan de broek gekregen? Denk het niet, anders was het in de docu genoemd.
Say Hello bevat een slepende 7/4-maat, bovendien bijzonder knap gedrumd door Jerry Mercer. Tonite begint ingetogen en akoestisch, daarna wordt er stevig gerockt met smeuïg gitaarwerk om vervolgens terug te keren naar het beginthema. Dat is ook zo lekker bij de groep: menig nummer is opgebouwd uit diverse delen met hun eigen thema en riff.
Toch is de muziek hierna wat minder opvallend zij het altijd met die plezante koortjes, riffs en gitaardetails zoals in Before the Dawn en Babes in Arms. Totdat wordt afgesloten met 21st Century Schizoid Man. Oorspronkelijk (1969) van King Crimson, geeft April Wine er een stevige draai aan, gecompliceerd spelend: prachtige finale van klasbakmuzikanten.

Begin december '23 overleed onverwacht Goodwyn, terwijl de documentaire in de voltooiing zat. Met het boeiende bandverhaal erbij blijkt Harder..... Faster een lekker plaatje, prima geschikt voor als ik in de stemming ben voor lichtere hardrock. Wat dat betreft moet ik ook de carrière van Sammy Hagar eens gaan herontdekken...

April Wine - The Nature of the Beast (1981)

poster
3,5
Deze puber was in 1980 gepakt door de New wave of British heavy metal én Black Sabbaths Heaven and Hell. Inmiddels oud genoeg voor een lidmaatschapskaart van de dorpsfonotheek speurde hij de bakken af naar hardrock, new wave en het liefst metal. Hij bezat namelijk dankzij een krantenwijk een platenspeler met bescheiden kunststof boxen. Niet zo groot als gewenst, maar luid genoeg om zijn moeder de stop eruit te laten draaien als het vanaf de zolder te luid werd.

Van April Wine kende hij dankzij de verzamelaar Metalmania het aardige nummer I Like to Rock. Als ik het me goed herinner, had hij op de radio Crash and Burn gehoord, wat indruk maakte. Als hij vervolgens Nature of the Beast aantreft met zijn indrukwekkende hoes, belandt de plaat in zijn linnen tas met twee plastic tassen eromheen als bescherming tegen eventuele regen.
Twee trappen op naar zolder, deur dicht, pick-up aan, de boxjes zo luid mogelijk en hopen dat er heftige metal zou klinken. Want dát was precies wat de hoes en albumtitel suggereerden!
Viel dát even vies tegen... Op dat ene nummer na dan. Wat verder klonk was conventionele hardrock die me niet pakte. Alleen Crash and Burn belandde op cassettebandje.

Een tijdreis vooruit naar 2024. Het geluidsbandje is allang in een kliko verdwenen maar via internet belandde Crash and Burn ergens rond 2016 op een playlist met oude favorietjes. Eerder deze maand zag ik op YouTube de boeiende documentaire over April Wine en frontman Myles Goodwyn. Dus is de vraag hoe Nature of the Beast nu bevalt!

Wel, de stem van Goodwyn vind ik herkenbaar én prettig en de composities zitten goed in elkaar. Niet alles is even pakkend, zo is de riff van opener All over Town vrij tam, maar geleidelijk komt de vaart in het nummer er alsnog in. Het geduld dat ik toen niet had, is er nu wel.
Sign of the Gypsy Queen is een uptempo nummer met elektrisch gitaargetokkel in de stijl van het beste werk van Blue Öyster Cult, inclusief het koortje in het refrein. Haalde in juni 1981 #57 in de Amerikaanse Billboard Hot 100. Inmiddels valt op dat de productie ten opzichte van voorganger Harder..... Faster van het jaar ervoor is gemoderniseerd.
Ballade Just Between You and Me was tevens eerste single en haalde in april 1981 #21 in de Billboard Hot 100, waarna het clichématige Wanna Rock volgt om sterk af te sluiten met Caught in the Crossfire, inclusief lasergungeluiden.

Kant 2, sowieso wat steviger, start met de sterke riffs van Future Tense, gevolgd door het wat afgezaagde Ladies of the Night. Mijn favoriet blijft Crash and Burn, wat anders dan ik indertijd dacht niet over een auto-ongeluk gaat. Nu pas valt me op hoe lekker Jerry Mercer drumt in de coupletten met alle details op de hi-hat en de gitaarsolo's in het intro en halverwege zijn eveneens appetijtelijk. Het is het enige nummer dat zich qua stijl laat vergelijken met de New wave of British heavy metal van die dagen.
Dit neemt niet weg dat Bad Boys lekker doorstampt, waarna One More Time conservatiever afsluit.

Het album haalde in 1981 platinum in de Verenigde Staten, waarmee de Canadese band buitencategorie werd in eigen land. In 2010 werden ze ingewijd in de Canadian Music Hall Of Fame. De groep bestaat nog altijd met nu al jarenlang Brian Greenway (72) als groepsleider en sinds vorig jaar Marc Parent als frontman.

Een jaar later verscheen van een Brits bandje een elpee met een titel die ik nogal gejat vond van die van April Wine: The Number of the Beast.

Arkona - Slovo (2011)

poster
4,0
Een lofzang op de Russische historie van lang geleden, uitgebracht in 2011, toen het wereldtoneel anders was: ik schijn me inmiddels te moeten voorbereiden op een wereldoorlog, volgens ome Mark. Arkona bracht tot dusver negen studioalbums uit, de laatste in 2023 en volgens Facebook was men onlangs nog in Bogotá, Colombia. Hopelijk kan deze groep eraan meewerken dat de spanningen tussen de machtsblokken niet verder oplopen, denk ik in een naïeve bui.

Vorige maand totaal op de gok gekocht, toen ik de cd tweedehands zag staan: vond het schilderij op de voorzijde van Slovo zo mooi. De vorige eigenaar was de muziekbieb van de NPO, ik moest wat stickertjes verwijderen waarbij het boekje iets beschadigde. Pas thuis kon ik de groepsnaam ontcijferen: Arkona. Het is een kwintet dat met een batterij anderen, waarbij het Kamerorkest van het Kazan Staats Conservatorium en het Studentenkoor van de Moskou Staats Conservatorium.
Aangezien het label Napalm is, schatte ik in dat dit heftig zou zijn en de liedtitels verraden Oost-Europese oorsprong. Dat klopt. Folk- en paganmetal, een klassiek orkest, accordeon, snelle blackmetalriffs en blastbeats, fluit, diepe grunts, massieve koor- en pakkende vrouwenzang, powermetal, viool; het komt op Slovo allemaal samen. De teksten zijn in het Russisch en verhalen over de Russische oorsprong en tradities, zoals de Aryanen en de stad Arkaim.

Het lukt me meestal niet om het uur muziek in één keer te behappen. Vaak heb ik na een half uur genoeg gehoord, ook al omdat ik het gitaargeluid (direct in mengpaneel ingeplugd) niet helemaal lekker vind. Maar speel ik een dag later de tweede helft af, dan luister ik weer aandachtig. Dit zijn de jaren van pro-tooltechnologie en de combinatie van folk en de afwisselende composities biedt een fraaie metalsymfonie.
De Engelstalige teksten in het boekje leggen kort uit waar de afzonderlijke nummers over gaan. Zo gaat het van het rustige Predor (voorouder) naar het beukende koorlied Nikogda, waarna het afwisselend ingetogen en heavy Tam Za Tumanami volgt.

Aanbevolen voor fans van bijvoorbeeld Eluveitie en andere zwaargewichten, de namen die de combinatie van loodzware riffs met Slavische folk niet schuwen. De kunstwerken in het boekje - van de Belg Kris Verwimp - zijn een mooie bonus bij dit audioverhaal. Slovo is een krachtig album voor wie veel uiteenlopende stijlen aankan.

Au Pairs - Playing with a Different Sex (1981)

poster
3,5
Siouxsie Sioux was één van de leidende vrouwen in new wave, waarvan ook John Lydon onder de indruk was. De rol van de vrouw werd groter, mede dankzij deze voorvechtster: meer ruimte voor zelfstandige, creatieve dames in de popmuziek. Iets daarvan hoor je op mijn vorige halte in newwaveland, Juju van Siouxsie and The Banshees.
Wellicht dat ook de Au Pairs uit Birmingham hiervan profiteerden. Bij hen klinkt echter een heel andere vorm van new wave of postpunk, of hoe je deze stijl wilt noemen.

De muziek op debuutelpee Playing with a Different Sex kun je in twee categorieën indelen. Allereerst de punknummers zonder scheurgitaar, waar Lesley Woods met Paul Foad fel en snel op haar gitaar hakt met snelheden die soms doen denken aan hetgeen later bij thrashmetal zou gebeuren. Hier echter geen distortion, wel gebruiken ze her en daar andere gitaareffecten of houden het juist clean, zoals in opener We're So Cool.
De tweede categorie is de muziek waar reggae- en dubinvloeden prominent zijn. Dat gebeurt op de laatste twee nummers van kant 1, Repetition en Headache (for Michelle). Woods is zeer bepalend voor het geluid want tevens zangeres. Eentje met een relatief diepere stem, die in kalmer (reggae)werk aan die van Alison Moyet doet denken.

Sommigen zijn wild enthousiast over dit album, ik iets minder. Een kwestie van smaak vermoedelijk: in mijn geval willen de melodieën niet zo beklijven en Set-Up is me simpelweg te monotoon. Knap is echter hoe drummer Pete Hammond zelfs in dat nummer enige dubgeluiden weet te stoppen; het album blijkt zelf geproduceerd met hier nog beginnend producer Ken Thomas (later een grote naam in met name de alt. pop) en Martin Culverwell.
Hetzelfde gebeurt op kant 2 in het vlotte Armargh met verder lekkere rammelgitaren plus zang van Woods en Foad: "We don't torture, we're a civilized nation" klinkt het kritisch. Bij dit alles zijn het de stuwende baslijnen van Jane Munro die een sterke schakel tussen enerzijds de gitaren en anderzijds de drums vormen. Zo geniet ik van bijvoorbeeld Love Song en Come Again.

Hitsingles werden er niet gescoord, maar op 31 mei 1981 betreedt de plaat de Britse hitlijst, om begin juni #33 te halen. Helemaal niet slecht voor zo'n fris en eigenzinnig bandje. Lees hier in het MuMe-forum OORdelen wat Paul Evers in Oor er destijds van vond (even scrollen). In 2015 verscheen een Deluxe Edition met daarop nog eens vijf extra nummers.

Op dezelfde dag als Playing with a Different Sex kwam de tweede van UB40 de albumlijst binnen. Op naar Present Arms.

Autograph - Sign in Please (1984)

poster
3,5
Turn Up the Radio drong door tot mijn kamer via de lange golfradio, het Franse programma Wango Tango. Een hit in de Verenigde Staten in maart 1985, toen het tot #29 reikte. Inderdaad een lekker radionummer.

Verder klinkt toch vooral robuuste hardrock op de grens van adult oriented rock, als een stevige boterham. De zang van Steve Plunkett is te rauw voor het genre, Steve Lynch laat een enkele keer zijn vingers over de snaren racen en altijd is daar het rijke toetsenpalet van Steven Isham.
Met als beleg ietwat simpele, soms wat platte teksten in de categorie uitgaan en meisjes, zoals in My Girlfriend's Boyfriend Isn't Me. Het ligt er te dik bovenop. Geproduceerd door Neil Kernon, één van de bekende namen in het genre van die dagen.

Pas aan het einde wordt het er iets minder bovenop gelegd, te weten In the Night en (in mindere mate) All I'm Gonna Take met zijn sterke gitaarsolo, die net wat subtieler zijn. Een band geknipt voor de videoclip, maar uit die tijd kan ik me niet herinneren dat ik de groep zag voorbijkomen. Met recht een radiogroep dus dankzij dat ene liedje.
De navolgende albums ken ik niet, dit vast vast een band die het (korte tijd?) goed deed in het land van uncle Sam. Een magere 7 van mij met drie nummers die het goed doen in een afspeellijst. Om het eigentijds te formuleren: turn up the playlist!

Avatarium - Avatarium (2013)

poster
3,0
Afgelopen week zag ik dat het Zweedse Avatarium een nieuw album heeft uitgebracht. Hoera! Altijd interessant, alhoewel niet ieder album mij even goed past. Ik ontdekte de band in 2015 op YouTube met single The Girl with the Raven Mask, waarschijnlijk omdat ik in een online metalmagazine over de band las. Indertijd stond nog niet alles van deze band op streaming, dat blijkt nu eindelijk veranderd. Komende week wil ik hun catalogus doornemen, te beginnen met dit debuut.

Ik hou van doom metal, met als uitschieters de muziek die Black Sabbath en Trouble in dit genre maakten, in beide gevallen zijn dat vooral hun eerste drie, vier albums. Candlemass kon mij nooit zo boeien, ik was dan ook verrast te lezen dat Avatarium begon als een project van gitarist Leif Edling van Kaarsjesmis. De reden dat Avatarium mij wél pakt, is de stem van zangeres Jennie-Ann Smith. Dat was me een aangename ontdekking!

Drie nummers springen eruit: Moonhorse is een ijzersterke aftrap met meeslepende logge riffs en een trage gitaarsolo die doet denken aan Ritchie Blackmore in diens eerste Rainbowjaren; Boneflower is ieeets vlotter, de keyboards van Carl Westholm doen denken aan die van Ken Hensley in het Uriah Heep van de jaren ’70; Tides of Telepathy is gevarieerd met bovendien een heerlijk spetterende gitaarsolo van Eidling of Marcus Jidell.

De fans van pure doom zullen dit kunnen waarderen, van mij had echter op hun debuut wel iets meer variatie gemogen in de tempo's. Het album (op vinyl een dubbelelpee) klinkt daarbij zwaar en diep als een kerkmisklok, laat dat maar aan de veteranen in de band over. De zang van Smith maakt dat de band zich direct onderscheidt van de conculega's.
Drie sterren, op naar het album waarmee het voor mij begon.

Avatarium - Between You, God, The Devil and The Dead (2025)

poster
4,5
Woensdag was ik op bezoek bij een lieve, oude tante. Sneller dan gepland zocht ik haar op, omdat ze waarschijnlijk niet lang meer te leven heeft. Ze is heel helder en kon goed verwoorden dat het leven goed, lang en vol is geweest; maar haar levenskaars brandt steeds zwakker en ze verlangt naar de punt erachter.

Met dit waardevolle en warme gesprek in het geheugen draai ik vanavond de nieuwe Avatarium. Op hun debuut zetten de Zweden vooral doom neer, wat op de twee albums daarna werd uitgebreid naar een toenemend gevarieerde stijl. Met album 4 keerden ze terug naar doom, om die op de opvolger wederom met snellere varianten of andere zaken te verbreden. Dus vroeg ik me af of de groep op album 6 opnieuw met veel variatie te komen.
Het antwoord is nee én ja. Nee omdat het 'm deze keer niet zit in tempowisselingen en Hammondgeluiden. Het blijft vooral langzaam tot midtempo. Daarbinnen is echter veel afwisseling dankzij akoestische gitaren, vrij spaarzaam orgel of piano en andere arrangementen met de nodige jaren '70 (hard)rock. Soms wordt uitgebreid de tijd genomen voor een huilende gitaarsolo, zoals in Lovers Give a Kingdom to Each Other. Met de expressiviteit van zangeres Jennie-Ann Smith is kwaliteit gewaarborgd en riffs en andere ideeën van de hand van gitarist-toetsenist-producer Markus Jidell, zijn wederom van hoge kwaliteit.

De riffs van opener Long Black Waves doen denken aan het vroege werk van Black Sabbath, maar zonder te kopiëren of makkelijk te lenen. "I will tell my soul to sing there is no end ahead - I'm alive and I'm living, being with the dead", luiden dichtregels van Smith in Being with the Dead, alsof het een psalm is. Maar ook het instrumentale Notes from Underground mag er zijn dankzij gitaarcapriolen, net als het sfeervolle titellied dat de plaat als een eigenzinnige ballade afsluit.
Avatarium blijft één van de meest interessante en creatieve verschijningen in de hardrock en metal. Er schiet mij geen actieve hardrockende / metalen groep te binnen die zoveel sfeer oproept. Wat ik niet had verwacht, was dat het thema van dit album zo dichtbij zou komen, passend bij de situatie van die lieve tante.

Avatarium - Death, Where Is Your Sting (2022)

poster
4,5
Met de nieuwe Avatarium lijkt het erop dat de band via voorganger The Fire I Long For aan een nieuwe cyclus is begonnen. De eerste cyclus begon met het debuut en duurde drie albums, die vanuit doom metal qua muzikale variatie steeds gevarieerder werd.
Met de voorganger werd teruggekeerd naar vooral doom en via het tijdens de coronapandemie verschenen tussendoortje An Evening with Avatarium (een prima livealbum, alleen op streaming verkrijgbaar) is daar nu Death, Where is your Sting. Het tweede album van een nieuwe trilogie?

Na vier albums bij Nuclear Blast is dit hun eerste voor het AFM-label. Net als op hun tweede album wordt het muzikale palet uitgebreid. Het gevolg is meer variatie, zoals ik de band het liefst hoor. Laat onverlet dat de meeste nummers langzaam zijn. En sommige loodzwaar.
In een interview op YouTube vertelt zangeres Jennie-Ann Smith dat Stockholm werd geschreven naar aanleiding van de suïcide van een vriend. Nu ik dat weet, krijg ik de indruk dat de teksten rondom dit thema zijn ontstaan: het leven met depressie en daaraan gekoppeld, de dood.

De teksten werden door Smith geschreven. Ze is ervoor gaan zitten: in de beeldende beschrijvingen zitten heftige emoties, een enkele keer gekoppeld aan bijbelteksten. De woorden worden gekoppeld aan zanglijnen die melodieuzer zijn dan op de voorganger het geval was.
Na de cello’s in het intro van het slepende A Love like Ours, eindigend met een spetterende vioolsolo, volgt Death, where is your Sting. De titel van het lied/album is een vraag, ooit door de apostel Paulus opgetekend. Gedragen door een akoestische gitaar klinken elektrische gitaargeluiden die je eerder bij een indie gitaarband zou verwachten. In de tekst klinkt wanhoop: “In the valley of the shadow of death I tripped and fell’; het eerste deel van deze zin is een verwijzing naar een psalm. In de tekst zie je het leven door de ogen van iemand die het heel, heel zwaar heeft.

Die eerste twee nummers bouwen op naar het zware Stockholm, over de overleden vriend: “For him, for loss, and love somehow.” De gitaarsolo huilt als in de blues, een viool speelt een bescheiden rol, een gitaarmuur biedt contrast. Aan dit nummer schreef voormalig bandlid Leif Edling mee, die op deze wijze bij zijn geesteskind betrokken blijft.
Ingetogen is Psalm for the Living, waarin Smith de nabestaanden een arm om de schouder lijkt te slaan; wederom klinken de gitaargeluiden lichtelijk als die van een indieband.
Verlatenheid druipt van de doom in God is Silent, waar Smiths tekst wederom invoelbaar is. Lekkere gitaarsolo bovendien, gespeeld door Smiths echtgenoot Marcus Jidell.
Mother Can you Hear me Now is alweer zo indringend, deze keer roept een gekweld persoon om zijn moeder. Nee, dat is níet kinderachtig, zeker niet met de intensiteit waarmee deze muziek op je afkomt.

Nocturne is uptempo en beschrijft een onzichtbare vriend. Of is het een vijand? “He always creeps up from behind, He moves in time, he moves in slowly.”
Het afsluitende Trancedent is instrumentaal. Het blijft lang ingetogen en akoestisch, maar als het na een dikke twee minuten losgaat, klinkt Avatarium heftiger dan ooit tevoren met warempel een dubbele basdrum en vioolmelodie, waarna akoestisch wordt afgesloten. Een sfeervol einde, maar iedere keer wil ik meer.

Ik zet het album vervolgens (weer eens) op repeat.

Jammer dat de journalisten in metalland niet de moeite nemen om eens door te vragen over de teksten. De vragen die ik op internet en YouTube tegenkwam zijn soms op het onbenullige af. "What is your favourite Black Sabbath number?"
Ja doei, wil je ook haar lievelingskleur en favoriete boterhambeleg weten? Met een album als dit en de teksten op streaming onder handbereik verdient Smith echte interesse voor de lyrieken, zoals de overige bandleden dat toekomt voor de intense en gevarieerde composities, die hard en toch gevoelig zijn.

Sterk in variatie, slepend met soms een akoestische basis en subtiele toetsenpartijen; vaak zwaar, altijd sfeervol en empatisch. Vreemd dat ik de cd/lp tot dusver niet tegenkwam in diverse platenzaken. Avatarium verdient meer aandacht. Voorlopig noteer ik 4,5 sterren.

Avatarium - Hurricanes and Halos (2017)

poster
4,5
Met hun derde album groeit de muzikale afwisseling van deze band verder, een trend op voorganger The Girl with the Raven Mask ingezet. Het titellied daarvan en Run Killer Run bijvoorbeeld waren een stuk sneller dan de doom metal die het debuut domineerde.

Met Into the Fire / Into the Storm wordt meteen duidelijk dat de inspiratie wederom van Purple, Rainbow, Sabbath en Heep komt. Terug naar de jaren '70 dus, waarbij Avatarium meer retro klinkt als Purple en Heep heden ten dage doen.
Qua stijl is het dus niet origineel, maar noem mij bijvoorbeeld een singer-songwriter die dat wel is? Wat ik op Hurricanes & Halos hoor, zijn sterke composities. Daar gaat het mij eigenlijk altijd om, ongeacht het genre.

Ook The Starless Sleep is zo'n snel nummer (voor jaren '70-normen, verwacht geen blast beats) en bevat bovendien een betoverend mooie melodie. Wat zingt die Jennie-Ann Smith toch goed! Maar ook de rest van de band staat als een huis.
Road to Jerusalem lijkt het verhaal te zijn van een kruisridder in gewetensnood, een sfeervolle ballade met bluesgevoel, ook al zo passend bij deze retrohardrock. Medusa is iets sneller en steviger met bovendien een verrassende tempowisseling op de momenten dat de brug begint en... een kinderkoortje. Maak me gek.

The Sky at the Bottom of the Sea heeft die snelle shuffle, dat tadak-tadakritme, waarmee Uriah Heep op bijvoorbeeld Easy Livin' en Return to Fantasy excelleerde. Zo nadrukkelijk als deze hier wordt gedrumd hoor je het nooit meer. Ik weet niet of Lee Kerslake zijn muzikale kinderen ooit heeft gehoord, maar waarschijnlijk had de drummer dan net als ik volop genoten. In combinatie met het orgel van Rickard Nilsson en de gitaarsolo van Marcus Jidell aan het einde (kort en zeer krachtig) valt alles perfect samen.
A Kiss (From the End of the World) begint akoestisch, om dan over te gaan in een zware doomriff. Ze hebben me...

Dat de muziek zwaar is geproduceerd maar niet dichtgesmeerd met technieken als compressie (althans, dat vertelde Smith in een interview ten tijde van het debuut), maakt dat het album kan "ademen" en natuurlijk klinkt. Nu maar hopen dat ze ter promotie van hun laatste album naar Nederland komen, de dichtstbijzijnde show die tot dusver staat gepland is in Hamburg, iets te ver weg.

Avatarium - The Fire I Long For (2019)

poster
3,5
In maart 2020 kwam ik verplicht thuis te zitten toen de eerste coronalockdown werd afgekondigd. Ik zag daar ook wel voordelen in. Het scheelde de nodige stress en onnodige drukte. Bovendien: tijdens werktijd muziek en radio kunnen luisteren vond ik heerlijk. Zoals de show van Rob Stenders met meestal kwaliteitspop en altijd weer leuke weetjes. Op mijn werk kon/kan dat niet. Nee, alhoewel ik om mij heen zag hoe zwaar deze lockdown voor sommigen was, ontdekte ik er ook wel voordelen in.

Pas in die maand ontdekte ik dat Avatarium in september 2019 hun vierde album had uitgebracht. Enthousiast ging ik ervoor zitten, ondertussen een werkklusje aan het doen, maar jammer genoeg viel The Fire I Long For tegen: op de één of andere manier pakte de muziek me nauwelijks, zelfs bij herhaaldelijk afspelen. Op de opener na, die pakte me meteen.

De afgelopen week ben ik nogmaals gaan luisteren. Vaak komt muziek beter bij mij binnen als ik die enige tijd later nogmaals beluister. Zo ook hier.
Op het album wordt teruggekeerd naar de stijl van het debuut, waar doom metal was te horen in de stijl van de eerste drie platen van Black Sabbath. Zwaar en traag in jaren ’70-stijl. Daar houd ik wel van, maar op deze nieuwe Avatarium was het een zoeken naar sterke composities. Uiteindelijk kwamen er vier bovendrijven. Naast Voices zijn dat Lay Me Down, The Fire I Long For en Epitaph of Heroes.
Het gebrek aan pakkende melodieën en riffs, plus de verminderde variatie in tempo's veroorzaken bij de andere nummers een eenvormigheid. Ook jammer is dat de rol van toetsen is teruggebracht, waar die juist op de twee vorige albums voor extra variatie en kwaliteit zorgde.
Ik houd het bij 3,5 ster, een krappe zeven. Nog altijd een ster beter dan ik in maart 2020 zou hebben gegeven.

Avatarium - The Girl with the Raven Mask (2015)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met Avatarium was bij de lyricvideo van The Girl with the Raven Mask, titelnummer van de plaat die in 2015 in diverse metalbladen ‘album van de maand’ werd, aldus Wikipedia. Ik was in de veronderstelling met vikingmetal te maken te hebben. Immers, de raaf doet het qua symboliek goed in dat genre.

Hun tweede leg bevat meer variatie dan het debuut, dat vooral langzaam is. De titelsong dendert er immers meteen op hoog tempo in, gelardeerd met verwijzingen naar het Deep Purple en Uriah Heep van voorbije dagen. Zangeres Jennie-Ann Smith knalt uit de speakers, mede dankzij de moddervette productie.

Er staat meer fraais op en ik ontdekte dat van vikingmetal géén sprake is. In Pearls and Coffins klinken nadrukkelijke bluesinvloeden; lekker nummer, al duurt het me met z’n zeven minuten net wat te lang. Hypnotized valt positief op met de variatie tussen ingetogen en uitbundige delen. De solo in het eveneens afwisselende Iron Mule brengt me terug naar de dagen dat Ken Hensley één van de populairste rocktoetsenisten ter wereld was. Leuk dat hij alsnog erkenning voor zijn werk krijgt, ik ken geen andere artiesten waar zijn invloed zo nadrukkelijk doorklinkt.
De wenkbrauwen gingen verbaasd omhoog bij het slotlied In my Time of Dying, waar de stervende ik-persoon om Jezus roept. Nee, het label vikingmetal blijkt echt niet te kloppen, daarin had ik mij zwaar vergist. In dit lied zijn zowel muziek als tekst beïnvloed door gospel en wederom blues, een verrassend slot van een sterke plaat die zoveel meer fijne verrassingen en overgangen herbergt.

Aan de doom van het debuut wordt hier het nodige toegevoegd, van uptempo riffs tot bluesy zijstapjes met her en der een lekkere gitaarsolo. Die variatie bevalt mij heel goed! Raar toch dat ik de band maar weinig in de bakken van platenzaken zie staan: de mannen en vrouw verdienen meer. Ze staan op mijn emmerlijst van bands die ik wil zien spelen. Dat moet gaan lukken met het nieuwe album dat zojuist verscheen.