Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
U.K. Subs - Another Kind of Blues (1979)

3,5
0
geplaatst: 10 februari 2025, 23:42 uur
In 1979 kwam een tweede Britse punkgolf, die muzikaal verwant was aan die van de eerste golf. Beide worden tot de eerste generatie gerekend, om hen te onderscheiden van de hardcore punk die inmiddels in de VS aan het broeien was.
In het geval van de U.K. Subs en Another Kind of Blues geldt dat de groep ooit als pubrockers The Marauders al actief was: men deed er simpelweg lang over om een platencontract te scoren. Dit bij GEM, een sublabel van grote baas RCA.
De muziek doet af en toe denken aan een heftiger versie van Dr. Feelgood, zoals Tomorrow's Girls bewijst. In I Couldn't Be You wordt bovendien de link gelegd met pubrock als een mondharmonica klinkt. Het is op de plaat ongecompliceerd, oprecht en uptempo met als meest opvallende kenmerk de rauwe en plat-Engelse voordracht van zanger Charlie Harper.
In juli 1979 reikt in het VK single Stranglehold tot #26 en in september haalt Tomorrow's Girls nog eens #28, waarna de elpee in oktober #21 aantikt. Met andere nieuwe namen als The Ruts en Stiff Little Fingers bleek punk in 1979 nog altijd de nodige verkoopcijfers te kunnen halen, ondanks dat het nieuwtje er inmiddels echt wel af was of sterker nog, punk als passé werd beschouwd.
Deze strak spelende band klinkt daarbij niet alleen gedreven maar soms ook zwaar, zoals in Rockers en Crash Course. Acht nummers op kant 1 en negen op 2 knallen voorbij: punk uit het boekje en bovendien spontaan.
Verrassend is de vermelding van John McCoy als schrijver van Young Criminals: ik ken de man als bassist van Gillan, de groep van de ex-Purplezanger Ian Gillan, waar het er in diezelfde jaren overigens ook hard en snel aan kon toegaan.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten kwam van de debuutelpee van skagroep The Beat en leidt terug naar 1980. Op naar een ander punkdebuut: dat van Cockney Rejects.
In het geval van de U.K. Subs en Another Kind of Blues geldt dat de groep ooit als pubrockers The Marauders al actief was: men deed er simpelweg lang over om een platencontract te scoren. Dit bij GEM, een sublabel van grote baas RCA.
De muziek doet af en toe denken aan een heftiger versie van Dr. Feelgood, zoals Tomorrow's Girls bewijst. In I Couldn't Be You wordt bovendien de link gelegd met pubrock als een mondharmonica klinkt. Het is op de plaat ongecompliceerd, oprecht en uptempo met als meest opvallende kenmerk de rauwe en plat-Engelse voordracht van zanger Charlie Harper.
In juli 1979 reikt in het VK single Stranglehold tot #26 en in september haalt Tomorrow's Girls nog eens #28, waarna de elpee in oktober #21 aantikt. Met andere nieuwe namen als The Ruts en Stiff Little Fingers bleek punk in 1979 nog altijd de nodige verkoopcijfers te kunnen halen, ondanks dat het nieuwtje er inmiddels echt wel af was of sterker nog, punk als passé werd beschouwd.
Deze strak spelende band klinkt daarbij niet alleen gedreven maar soms ook zwaar, zoals in Rockers en Crash Course. Acht nummers op kant 1 en negen op 2 knallen voorbij: punk uit het boekje en bovendien spontaan.
Verrassend is de vermelding van John McCoy als schrijver van Young Criminals: ik ken de man als bassist van Gillan, de groep van de ex-Purplezanger Ian Gillan, waar het er in diezelfde jaren overigens ook hard en snel aan kon toegaan.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten kwam van de debuutelpee van skagroep The Beat en leidt terug naar 1980. Op naar een ander punkdebuut: dat van Cockney Rejects.
U.K. Subs - Brand New Age (1980)

3,0
0
geplaatst: 13 februari 2025, 22:54 uur
Contrasten. Op reis door new wave kom ik van het kalme debuut van UB40 bij woeste punk.
De pubrock die op het debuut van U.K. Subs nog enigszins doorklonk, is op deze tweede verdwenen. Op postpunkerige wijze wordt afgetrapt met You Can't Take It Anymore, dat een vrij ingetogen inleiding vormt op de rest.
Mijn favoriet is titelnummer Brand New Age over het bespied worden door camera's. Toen al, wie had kunnen denken dat menige deurbel tevens camera zou worden? Het ene nummer is sneller dan het andere, waarbij ik soms moet grimlachen. Zo snap ik waarom Barbie's Dead niet de soundtrack van de Barbiefilm haalde en op ambtenaren hebben ze het evenmin, die zijn Organised Crime. Ik weet nooit hoe serieus ik teksten als deze moet nemen, maar ze brullen lekker mee.
Beter kan ik me invoelen in de tekst van Rat Race, zeker met de recente berichten over vele daklozen in Nederland. Binnen de krappe muzikale grenzen van punk is de sfeer steevast die van boosheid en strijdlust, waarbij Charlie Harper de hese keel als krachtig wapen inzet.
In Teenage klinkt verrassenderwijs nostalgie naar de jaren '60, waarbij de gitaar van Nicky Garratt onverstoorbaar doorgromt. 500 CC is een ode aan de motor en in Bomb Factory een opsomming van landen en steden waar bomaanslagen plaatsvinden - tegenwoordig helaas ook in uw gemeente dankzij vuurwerkknutsels... 45 jaar later zijn veel teksten verrassend actueel. De muziek kent minder verrassingen: in de auto doet het album het aardig, in de huiskamer kan ik er minder mee.
In het Verenigd Koninkrijk leverde dit twee hits op: Warhead in maart #30 en Teenage in mei twee weken #32. De elpee haalde in april #18. De eerste golf punks mocht zijn gestopt of met getemperde muziekstijlen verdergaan, punk was allesbehalve dood.
En dat was niet alles: na een eerste liveplaat in '79 met opnamen van twee jaar eerder, verscheen al in 1980 een tweede van U.K. Subs, Crash Course genaamd. Die kom ik later tegen, nu eerst wat "beschaafdere" muziek: de eerste langspeler van Tuxedomoon.
De pubrock die op het debuut van U.K. Subs nog enigszins doorklonk, is op deze tweede verdwenen. Op postpunkerige wijze wordt afgetrapt met You Can't Take It Anymore, dat een vrij ingetogen inleiding vormt op de rest.
Mijn favoriet is titelnummer Brand New Age over het bespied worden door camera's. Toen al, wie had kunnen denken dat menige deurbel tevens camera zou worden? Het ene nummer is sneller dan het andere, waarbij ik soms moet grimlachen. Zo snap ik waarom Barbie's Dead niet de soundtrack van de Barbiefilm haalde en op ambtenaren hebben ze het evenmin, die zijn Organised Crime. Ik weet nooit hoe serieus ik teksten als deze moet nemen, maar ze brullen lekker mee.
Beter kan ik me invoelen in de tekst van Rat Race, zeker met de recente berichten over vele daklozen in Nederland. Binnen de krappe muzikale grenzen van punk is de sfeer steevast die van boosheid en strijdlust, waarbij Charlie Harper de hese keel als krachtig wapen inzet.
In Teenage klinkt verrassenderwijs nostalgie naar de jaren '60, waarbij de gitaar van Nicky Garratt onverstoorbaar doorgromt. 500 CC is een ode aan de motor en in Bomb Factory een opsomming van landen en steden waar bomaanslagen plaatsvinden - tegenwoordig helaas ook in uw gemeente dankzij vuurwerkknutsels... 45 jaar later zijn veel teksten verrassend actueel. De muziek kent minder verrassingen: in de auto doet het album het aardig, in de huiskamer kan ik er minder mee.
In het Verenigd Koninkrijk leverde dit twee hits op: Warhead in maart #30 en Teenage in mei twee weken #32. De elpee haalde in april #18. De eerste golf punks mocht zijn gestopt of met getemperde muziekstijlen verdergaan, punk was allesbehalve dood.
En dat was niet alles: na een eerste liveplaat in '79 met opnamen van twee jaar eerder, verscheen al in 1980 een tweede van U.K. Subs, Crash Course genaamd. Die kom ik later tegen, nu eerst wat "beschaafdere" muziek: de eerste langspeler van Tuxedomoon.
U.K. Subs - Crash Course - Live (1980)

3,5
0
geplaatst: 27 mei 2025, 23:02 uur
New wave in september 1980? Ik heb de releases op chronologische volgorde gezet en word als een balletje in een flipperkast heen en weer gekwakt tussen twee genres: ska en punk. In dit geval: van de tweede van Madness naar de derde van U.K. Subs. Crash Course: Live is vernoemd naar het gelijknamige nummer van hun tweede worp Brand New Age.
Op de plaat twintig nummers die in klassieke punkstijl op hoge snelheid langskomen. Geen hardcore, wel snel. Persoonlijke uitschieters zijn I Live in a Car, New York State Police, Telephone Numbers en Organised Crime.
Waar ik voorheen dacht dat punk in 1980 ook in Engeland passé was, blijkt dat de plaat daar in september op #8 de albumlijst betrad, om daarna gestadig te zakken. Hitsingles waren er niet, maar toch knap die notering voor zo'n tegendraads plaatje.
Verscheen destijds in beperkte oplage met een extra 12" genaamd For Export Only met daarop vier nummers, sinds 1995 als bonussen bij de cd-versie verkrijgbaar.
De flipperkast knalt mij vervolgens naar single Special Brew, ska van het album Ska 'n' B van Bad Manners. Dat album besprak ik al en dus word ik razendsnel terug geflipperd naar punk, in dit geval klassieker Oi! Oi! Oi! van Cockney Rejects, te vinden op het album met de fraaie titel Greatest Hits Vol. II.
Op de plaat twintig nummers die in klassieke punkstijl op hoge snelheid langskomen. Geen hardcore, wel snel. Persoonlijke uitschieters zijn I Live in a Car, New York State Police, Telephone Numbers en Organised Crime.
Waar ik voorheen dacht dat punk in 1980 ook in Engeland passé was, blijkt dat de plaat daar in september op #8 de albumlijst betrad, om daarna gestadig te zakken. Hitsingles waren er niet, maar toch knap die notering voor zo'n tegendraads plaatje.
Verscheen destijds in beperkte oplage met een extra 12" genaamd For Export Only met daarop vier nummers, sinds 1995 als bonussen bij de cd-versie verkrijgbaar.
De flipperkast knalt mij vervolgens naar single Special Brew, ska van het album Ska 'n' B van Bad Manners. Dat album besprak ik al en dus word ik razendsnel terug geflipperd naar punk, in dit geval klassieker Oi! Oi! Oi! van Cockney Rejects, te vinden op het album met de fraaie titel Greatest Hits Vol. II.
U.K. Subs - Diminished Responsibility (1981)

3,5
1
geplaatst: 6 november 2025, 17:17 uur
Op hun debuut van U.K. Subs klonken nog pubrockwortels, die echter op de opvolger waren verdwenen. Diminished Responsiblity is de derde langspeler van de groep en de laatste die een hitsingle opleverde; al was er nog wel een non-albumhitje in april '81, die ik bij die maand zal bespreken.
De muziek is van het kaliber recht-voor-je-raap: scheurende gitaren en brulboei Charlie Harper die ons het nodige toewerpt. Captain Sensible van The Damned springt bij als toetsenist op Party in Paris, dat als single al in oktober '80 tot #37 kwam, terwijl Woman in Love van Barbara Streisand op 1 stond. De single is extra grappig omdat aan het einde bovendien een accordeon klinkt - bij de Subs dan hè, niet bij Streisand... Zie ook de clip met daarin gogo-danseressen.
Soms is het te vierkant met Harper die al te makkelijk meezingt met de riff. Naast de single valt er echter genoeg te genieten: op kant 1 opener You Don't Belong dat leunt op jaren '50 rock 'n' roll, Time and Matter scheurt op z'n Ramones' en afsluiter So What is bijna snel als hardcore punk.
Kant 2 is sterker: Time & Matter met pakkende gitaarlijnen en dito zanglijn, met Too Tired verbreken ze hun eigen snelheidsrecord, in Gangster een korte solo van Nicky Garratt op z'n heavy metals (!), een soms furieus riffje in New Order en Just Another Jungle heeft qua volle riff wederom weg van de Ramones.
Het was de laatste keer dat een elpee van U.K. Subs de Britse albumlijst haalde: #18 in februari '81. In '95 verscheen een editie met de nodige bonussen.
Ik vervolg mijn reis door new wave. Vorige station was de EP Four from Toyah, nu op naar de gitaarliedjes van Television Personalities.
De muziek is van het kaliber recht-voor-je-raap: scheurende gitaren en brulboei Charlie Harper die ons het nodige toewerpt. Captain Sensible van The Damned springt bij als toetsenist op Party in Paris, dat als single al in oktober '80 tot #37 kwam, terwijl Woman in Love van Barbara Streisand op 1 stond. De single is extra grappig omdat aan het einde bovendien een accordeon klinkt - bij de Subs dan hè, niet bij Streisand... Zie ook de clip met daarin gogo-danseressen.
Soms is het te vierkant met Harper die al te makkelijk meezingt met de riff. Naast de single valt er echter genoeg te genieten: op kant 1 opener You Don't Belong dat leunt op jaren '50 rock 'n' roll, Time and Matter scheurt op z'n Ramones' en afsluiter So What is bijna snel als hardcore punk.
Kant 2 is sterker: Time & Matter met pakkende gitaarlijnen en dito zanglijn, met Too Tired verbreken ze hun eigen snelheidsrecord, in Gangster een korte solo van Nicky Garratt op z'n heavy metals (!), een soms furieus riffje in New Order en Just Another Jungle heeft qua volle riff wederom weg van de Ramones.
Het was de laatste keer dat een elpee van U.K. Subs de Britse albumlijst haalde: #18 in februari '81. In '95 verscheen een editie met de nodige bonussen.
Ik vervolg mijn reis door new wave. Vorige station was de EP Four from Toyah, nu op naar de gitaarliedjes van Television Personalities.
U.K. Subs - The Punk Singles Collection 1978-1982 (1991)

4,0
0
geplaatst: 24 november 2025, 18:31 uur
Ska en punk, ze floreerden samen in 1981 en soms leenden die punks wat van ska en reggae. Mijn vorige halte in newwaveland was bij The Beat en Wha'ppen? en daarvandaan kom ik bij een single die in april 1981 gelijktijdig met één van The Beat de Britse hitlijst betrad. Ik heb het over U.K. Subs en Keep On Running (Til You Burn). Dat nummer stond niet op een elpee van de groep.
Het valt om twee redenen op: ten eerste klinkt hier niet punk maar een fijn powerpopliedje - of is het punkpop? Een soort The Knack of Romantics maar dan een tikkie steviger. Ten tweede zien we de heren op de hoes rococo overhemden dragen, die zomaar van Adam and The Ants hadden kunnen zijn geleend. Ja, de mode was aan het veranderen, de new romantics groeiden in populariteit en de woeste punks van U.K. Subs bleken hier niet ongevoelig voor.
De U.K. Subs wijken af van vorig werk en doen dat niet onverdienstelijk. Er zijn inmiddels diverse verzamelaars van de groep waarop het nummer is te vinden, zoals dit The Punk Singles Collection 1978-1982. Daarop staan meer opvallende zaken, zoals She's Not There van The Zombies / Rod Argent, oorspronkelijk uit 1965 maar ik leerde het nummer in 1978 kennen via Santana.
Of het instrumentale Sabre Dance, oorspronkelijk uit 1942 van componist Aram Khachaturian. Bij de Subs een single in 1988 - en dus kan de albumtitel niet kloppen. Ik kwam het liedje eerder tegen bij Dave Edmunds toen hij het in 1968 met de groep Love Sculpture opnam. Of Hey! Santa dat de groep in 1987 uitbracht. Een lekker stevig kerstliedje.
Hoe dan ook, deze en andere verzamelaars van de groep bevatten opvallende zijweggetjes en Keep on Running is daar een serieuzere variant van. Met leuke videoclip. De vier waren ook bij Top of the Pops, want de single kwam tot #41. Geproduceerd door Peter Collins, die in die periode ook namen als Matchbox, Tygers of Pan Tang, Tracy Ullman en later Nik Kershaw en Gary Moore deed.
Op naar Noord-Ierse punk plus soms reggae bij Stiff Little Fingers en Go for It .
Het valt om twee redenen op: ten eerste klinkt hier niet punk maar een fijn powerpopliedje - of is het punkpop? Een soort The Knack of Romantics maar dan een tikkie steviger. Ten tweede zien we de heren op de hoes rococo overhemden dragen, die zomaar van Adam and The Ants hadden kunnen zijn geleend. Ja, de mode was aan het veranderen, de new romantics groeiden in populariteit en de woeste punks van U.K. Subs bleken hier niet ongevoelig voor.
De U.K. Subs wijken af van vorig werk en doen dat niet onverdienstelijk. Er zijn inmiddels diverse verzamelaars van de groep waarop het nummer is te vinden, zoals dit The Punk Singles Collection 1978-1982. Daarop staan meer opvallende zaken, zoals She's Not There van The Zombies / Rod Argent, oorspronkelijk uit 1965 maar ik leerde het nummer in 1978 kennen via Santana.
Of het instrumentale Sabre Dance, oorspronkelijk uit 1942 van componist Aram Khachaturian. Bij de Subs een single in 1988 - en dus kan de albumtitel niet kloppen. Ik kwam het liedje eerder tegen bij Dave Edmunds toen hij het in 1968 met de groep Love Sculpture opnam. Of Hey! Santa dat de groep in 1987 uitbracht. Een lekker stevig kerstliedje.
Hoe dan ook, deze en andere verzamelaars van de groep bevatten opvallende zijweggetjes en Keep on Running is daar een serieuzere variant van. Met leuke videoclip. De vier waren ook bij Top of the Pops, want de single kwam tot #41. Geproduceerd door Peter Collins, die in die periode ook namen als Matchbox, Tygers of Pan Tang, Tracy Ullman en later Nik Kershaw en Gary Moore deed.
Op naar Noord-Ierse punk plus soms reggae bij Stiff Little Fingers en Go for It .
U2 - Boy (1980)

4,0
0
geplaatst: 22 mei 2023, 22:08 uur
In oktober 1980 ging het gonzen in Nederland rond dit nieuwe bandje, dat gitaarwave maakte met een positief gevoel. Heel bijzonder, aldus Oor en heel anders dan de melancholie van The Cure of de somberte van Joy Division.
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. In de fonotheek van mijn dorp stonden ze niet, mijn eerste album van U2 was het concert dat de KRO uitzond, opgenomen op 12 februari 1981. Dit zette ik op cassette, eentje die ik koester (maar al jaren niet heb afgespeeld - geen werkend deck...). In mijn netste letters noteerde ik op het hoesje datum en plaats (Paradiso), maar ik ontdekte pas zojuist dat dit in 't Paard van Troje in Den Haag is geweest. Concert en muziek staan sinds 2015 op YouTube. De KRO zond toentertijd negen nummers uit, zes van Boy en drie van October.
Pas drie jaar later kwamen deze albums mijn kamer binnen; wederom op cassette, opgenomen door een vriendin die fan was geworden. Voor U2's derde elpee War was dat niet nodig: die stond in de bieb, de band was inmiddels doorgebroken.
In de jaren '90 kocht ik Boy met October en War op vinyl voor een prikkie op Koninginnedag, toen menigeen zijn ouderwetse elpees de deur uitdeed. Gistermiddag heb ik de plaat weer eens afgespeeld en die kwám me toch fris binnen!
Een cocktail van het gedreven drumwerk van Larry Mullen die weloverwogen en toch onstuimig rake klappen slaat, het scheurende waaiergitaarspel van The Edge, de heldere stem van Bono en het degelijke basspel van Adam Clayton, de enige die met zijn achternaam op de hoes wilde. En verder sterke liedjes, een xylofoon als bonusinstrument (door Bono bespeeld volgens Wiki, de hoes zwijgt erover). Dit alles in de ruimtelijke productie van Steve Lillywhite, een geluid dat ik toen als vrij kaal ervaarde maar dat is nu anders.
In 2008 verscheen Boy in een boxversie met als bonussen enkele opnamen uit het pre-Boytijdperk en enkele livetracks uit die vroege dagen, een album dat ook op streaming is te vinden. In oktober 2020 besteedde Oor uitgebreid aandacht aan de band waarover toen al veertig jaar door het blad werd geschreven en waarmee altijd een warme band was blijven bestaan.
De gitaarsolo in Twilight is zojuist in mijn afspeellijst van 100 beste gitaarsolo's gekomen, tussen namen van onder meer snarenracers Yngwie Malmsteen en Ritchie Blackmore. Een sterk voorbeeld van hoe je met een vrij beperkt aantal noten toch heel intens kunt spelen.
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. In de fonotheek van mijn dorp stonden ze niet, mijn eerste album van U2 was het concert dat de KRO uitzond, opgenomen op 12 februari 1981. Dit zette ik op cassette, eentje die ik koester (maar al jaren niet heb afgespeeld - geen werkend deck...). In mijn netste letters noteerde ik op het hoesje datum en plaats (Paradiso), maar ik ontdekte pas zojuist dat dit in 't Paard van Troje in Den Haag is geweest. Concert en muziek staan sinds 2015 op YouTube. De KRO zond toentertijd negen nummers uit, zes van Boy en drie van October.
Pas drie jaar later kwamen deze albums mijn kamer binnen; wederom op cassette, opgenomen door een vriendin die fan was geworden. Voor U2's derde elpee War was dat niet nodig: die stond in de bieb, de band was inmiddels doorgebroken.
In de jaren '90 kocht ik Boy met October en War op vinyl voor een prikkie op Koninginnedag, toen menigeen zijn ouderwetse elpees de deur uitdeed. Gistermiddag heb ik de plaat weer eens afgespeeld en die kwám me toch fris binnen!
Een cocktail van het gedreven drumwerk van Larry Mullen die weloverwogen en toch onstuimig rake klappen slaat, het scheurende waaiergitaarspel van The Edge, de heldere stem van Bono en het degelijke basspel van Adam Clayton, de enige die met zijn achternaam op de hoes wilde. En verder sterke liedjes, een xylofoon als bonusinstrument (door Bono bespeeld volgens Wiki, de hoes zwijgt erover). Dit alles in de ruimtelijke productie van Steve Lillywhite, een geluid dat ik toen als vrij kaal ervaarde maar dat is nu anders.
In 2008 verscheen Boy in een boxversie met als bonussen enkele opnamen uit het pre-Boytijdperk en enkele livetracks uit die vroege dagen, een album dat ook op streaming is te vinden. In oktober 2020 besteedde Oor uitgebreid aandacht aan de band waarover toen al veertig jaar door het blad werd geschreven en waarmee altijd een warme band was blijven bestaan.
De gitaarsolo in Twilight is zojuist in mijn afspeellijst van 100 beste gitaarsolo's gekomen, tussen namen van onder meer snarenracers Yngwie Malmsteen en Ritchie Blackmore. Een sterk voorbeeld van hoe je met een vrij beperkt aantal noten toch heel intens kunt spelen.
U2 - October (1981)

4,5
4
geplaatst: 23 mei 2023, 22:38 uur
War (1983) was mijn persoonlijke debuutplaat van U2, de eerste van hen die ik in zijn geheel hoorde. Niet lang daarna volgden voorgangers Boy en October, voor mij opgenomen door een vriendin. De eerste twee U2’s beleefde ik als een dubbelalbum, een tweeluik van twee bij elkaar horende platen.
Ik was daarbij al goed opgewarmd: in juni 1981 hoorde ik op de KRO-radio en las ik in Oor hoeveel indruk de groep met Pinksteren op Pinkpop maakte. Zie daarover dit blog en hetgeen Pinkpop zelf erover schrijft.
Het jaar erop deed een concert bij Veronica, met enkele maanden later de eerste hit bij ons, er nog een schepje bovenop. Als liefhebber van zowel hardrockende gitaren als new wave vormde U2 een perfecte combinatie van mijn voorkeuren, met bovendien indringende zang van Bono.
In 1983 waren we gewend geraakt aan een volle productie met een grote drumsound, als in een badkamer. Daarmee vergeleken klinken de eerste twee van U2 vrij iel, ik vond ze zelfs bijna als demo’s klinken. Dat gevoel is echter verdwenen.
Net als op Boy hoorde ik hier zeer energieke en luide gitaarwave, gedragen door de pompende ritmesectie van Mullen en Clayton. De sfeer is positief met liedtitels als Gloria en Rejoice, al had ik dat toen niet door: ik moest denken aan Gloria (1966) van die andere Ier, Van Morrison met de groep Them, een liedje dat regelmatig op de radio voorbij kwam. Maar dan toch veel liever de U2-editie!
En verder waren er nieuwe geluiden: Adam Clayton slapte op zijn bas in Gloria, The Edge raakte soms een piano aan zoals in I Fall Down waarin ook een akoestische gitaar klinkt. Meest verrassend: de (kleine) doedelzakken in Tomorrow, dat kant 2 opent. Een nummer dat bovendien fraai is opgebouwd. Van de blazers in With a Shout (Jerusalem) was ik minder gecharmeerd.
Tot mijn verbazing was het mooiste nummer tevens het rustigste: het titellied. Piano en melancholie overheersen in October dat bovendien een intrigerende tekst bevat. Verder hield ik vooral van de uptempo nummers, waarvan het nodige klinkt.
Op Wikipedia lees ik over de nodige problemen rond de totstandkoming van het album. Met die kennis is het helemaal knap om te weten dat hun tweede wederom zoveel sterke composities bevat. In 2008 verscheen net als van Boy een Deluxe editie van October, waarbij onder andere de genoemde eerste hit in Nederland. Dat was I Will Follow in de versie zoals de groep die in mei 1982 speelde in ’t Heem in het woeste Hattem, uitgezonden door Veronica; het verscheen eind augustus dat jaar, piekte begin oktober op #12 in de Top 40, werd in de Nationale Hitparade #12 en in de BRT Top 30 #21.
Opvallend hoe fris dit plaatje is gebleven. Wat me nu weer opvalt: de liedtitels die op de voorzijde van de hoes staan in plaats van achterop. Ook al eigenwijs.
Ik was daarbij al goed opgewarmd: in juni 1981 hoorde ik op de KRO-radio en las ik in Oor hoeveel indruk de groep met Pinksteren op Pinkpop maakte. Zie daarover dit blog en hetgeen Pinkpop zelf erover schrijft.
Het jaar erop deed een concert bij Veronica, met enkele maanden later de eerste hit bij ons, er nog een schepje bovenop. Als liefhebber van zowel hardrockende gitaren als new wave vormde U2 een perfecte combinatie van mijn voorkeuren, met bovendien indringende zang van Bono.
In 1983 waren we gewend geraakt aan een volle productie met een grote drumsound, als in een badkamer. Daarmee vergeleken klinken de eerste twee van U2 vrij iel, ik vond ze zelfs bijna als demo’s klinken. Dat gevoel is echter verdwenen.
Net als op Boy hoorde ik hier zeer energieke en luide gitaarwave, gedragen door de pompende ritmesectie van Mullen en Clayton. De sfeer is positief met liedtitels als Gloria en Rejoice, al had ik dat toen niet door: ik moest denken aan Gloria (1966) van die andere Ier, Van Morrison met de groep Them, een liedje dat regelmatig op de radio voorbij kwam. Maar dan toch veel liever de U2-editie!
En verder waren er nieuwe geluiden: Adam Clayton slapte op zijn bas in Gloria, The Edge raakte soms een piano aan zoals in I Fall Down waarin ook een akoestische gitaar klinkt. Meest verrassend: de (kleine) doedelzakken in Tomorrow, dat kant 2 opent. Een nummer dat bovendien fraai is opgebouwd. Van de blazers in With a Shout (Jerusalem) was ik minder gecharmeerd.
Tot mijn verbazing was het mooiste nummer tevens het rustigste: het titellied. Piano en melancholie overheersen in October dat bovendien een intrigerende tekst bevat. Verder hield ik vooral van de uptempo nummers, waarvan het nodige klinkt.
Op Wikipedia lees ik over de nodige problemen rond de totstandkoming van het album. Met die kennis is het helemaal knap om te weten dat hun tweede wederom zoveel sterke composities bevat. In 2008 verscheen net als van Boy een Deluxe editie van October, waarbij onder andere de genoemde eerste hit in Nederland. Dat was I Will Follow in de versie zoals de groep die in mei 1982 speelde in ’t Heem in het woeste Hattem, uitgezonden door Veronica; het verscheen eind augustus dat jaar, piekte begin oktober op #12 in de Top 40, werd in de Nationale Hitparade #12 en in de BRT Top 30 #21.
Opvallend hoe fris dit plaatje is gebleven. Wat me nu weer opvalt: de liedtitels die op de voorzijde van de hoes staan in plaats van achterop. Ook al eigenwijs.
U2 - Rattle and Hum (1988)

2,5
2
geplaatst: 31 augustus 2023, 21:56 uur
Tot en met voorganger The Joshua Tree vond ik ieder U2-album goed, waarbij de muziek per album aan diepgang won, al verloor de groep daarbij iets van zijn onstuimigheid. Desire was de vooruitgeschoven single van het nieuwe Rattle and Hum, lekkere maar veel te korte single. Wel viel op dat het geluid was veranderd: niet meer die uitwaaierende wavegitaar, maar een op blues gebaseerde riff, niet helemaal des U2's naar mijn onbescheiden mening.
Met een vriend ging ik op een regenachtige najaarsavond in 1988 naar de film. Deze draaide al een tijdje, het zal dus november zijn geweest. Teleurgesteld liepen we na afloop naar de parkeergarage, al denk ik dat dit voor mij het meest gold. Een Beatles-, Dylan- en Hendrixcover, een saai Van Diemen's Land en meer van die bluesachtige muziek. De invloed van Amerika op U2 was groot en ik miste de Ierse onstuimigheid van voorheen. Terwijl ik bepaald geen problemen had met blues in rock (de jaren '70-Quo, Rory Gallagher en de eerste albums van Whitesnake bijvoorbeeld), maar dit jasje paste U2 niet. De druilregen die viel paste bij mijn gevoel.
Toen in december single Angel of Harlem verscheen vond ik het verhaal erbij over Billie Holiday wel interessant, ook qua muziek geen onaardige single en zelfs de blazers kon ik goed hebben. Nu ik de film had gezien, begreep ik beter wat U2 aan het doen was.
Maar het album als geheel? Ik leende het uit de bieb en in het gunstigste geval hoorde ik aardige liveversies van nummers die ik toch al kende, versies die niets toevoegden. Het nieuwe werk raakte me niet op de genoemde singles na. Zoals Leonidas5 in mei terecht noteerde "Dit rommelige allegaartje". Op zich heb ik met die opzet geen problemen, de film maakt immers duidelijk hoe de rode draad in dit allegaartje loopt. Maar waar het vielip "vol raakte", was het bij mij gewoon misgeschoten.
Leukste filmscènes: als de band gaat spelen met B.B. King, wat een interessante ontmoeting opleverde met de grootmeester die geen akkoorden bleek te kunnen spelen en de tekst "diep" vond. Als liedje vond ik When Love Comes to Town echter saai.
Het gospelkoor bij I Still Haven't Found What I'm Lookin' For is een heel passende toevoeging, maar dan toch veel liever de originele albumversie. Bovendien een foefje dat ik al kende van I Want to Know what Love Is (1984) van Foreigner en daar had ik ook al niet veel mee. Gospelkoren zijn niet zo mijn ding.
Derde filmscène die enigszins bleef hangen was die van U2's bezoek aan landgoed Graceland van Elvis Presley. Kortom, de film had zijn momentjes, als album bevond ik het teleurstellend.
Toen ik vanavond Rattle and Hum na 35 jaar weer eens draaide (streaming), bleek ik er nog net zo in te zitten als toen, op één uitzondering na: Heartland landde opeens goed, mede dankzij Brian Eno's inbreng. Hier klinkt de "jonge U2"; met Desire het beste nummer van de plaat.
Misschien dat ik Erik, mijn filmmaatje in 1988, binnenkort zie. Ik zal hem eens vragen wat hij indertijd van die film vond en of hij de plaat nog wel eens draait.
Met een vriend ging ik op een regenachtige najaarsavond in 1988 naar de film. Deze draaide al een tijdje, het zal dus november zijn geweest. Teleurgesteld liepen we na afloop naar de parkeergarage, al denk ik dat dit voor mij het meest gold. Een Beatles-, Dylan- en Hendrixcover, een saai Van Diemen's Land en meer van die bluesachtige muziek. De invloed van Amerika op U2 was groot en ik miste de Ierse onstuimigheid van voorheen. Terwijl ik bepaald geen problemen had met blues in rock (de jaren '70-Quo, Rory Gallagher en de eerste albums van Whitesnake bijvoorbeeld), maar dit jasje paste U2 niet. De druilregen die viel paste bij mijn gevoel.
Toen in december single Angel of Harlem verscheen vond ik het verhaal erbij over Billie Holiday wel interessant, ook qua muziek geen onaardige single en zelfs de blazers kon ik goed hebben. Nu ik de film had gezien, begreep ik beter wat U2 aan het doen was.
Maar het album als geheel? Ik leende het uit de bieb en in het gunstigste geval hoorde ik aardige liveversies van nummers die ik toch al kende, versies die niets toevoegden. Het nieuwe werk raakte me niet op de genoemde singles na. Zoals Leonidas5 in mei terecht noteerde "Dit rommelige allegaartje". Op zich heb ik met die opzet geen problemen, de film maakt immers duidelijk hoe de rode draad in dit allegaartje loopt. Maar waar het vielip "vol raakte", was het bij mij gewoon misgeschoten.
Leukste filmscènes: als de band gaat spelen met B.B. King, wat een interessante ontmoeting opleverde met de grootmeester die geen akkoorden bleek te kunnen spelen en de tekst "diep" vond. Als liedje vond ik When Love Comes to Town echter saai.
Het gospelkoor bij I Still Haven't Found What I'm Lookin' For is een heel passende toevoeging, maar dan toch veel liever de originele albumversie. Bovendien een foefje dat ik al kende van I Want to Know what Love Is (1984) van Foreigner en daar had ik ook al niet veel mee. Gospelkoren zijn niet zo mijn ding.
Derde filmscène die enigszins bleef hangen was die van U2's bezoek aan landgoed Graceland van Elvis Presley. Kortom, de film had zijn momentjes, als album bevond ik het teleurstellend.
Toen ik vanavond Rattle and Hum na 35 jaar weer eens draaide (streaming), bleek ik er nog net zo in te zitten als toen, op één uitzondering na: Heartland landde opeens goed, mede dankzij Brian Eno's inbreng. Hier klinkt de "jonge U2"; met Desire het beste nummer van de plaat.
Misschien dat ik Erik, mijn filmmaatje in 1988, binnenkort zie. Ik zal hem eens vragen wat hij indertijd van die film vond en of hij de plaat nog wel eens draait.
U2 - Songs of Surrender (2023)

1,0
10
geplaatst: 22 maart 2023, 16:52 uur
Geamuseerd heb ik al het ge-ach-en-wee over U2’s Songs of Surrender gevolgd. Met als hoogtepunt dat de moderator vorige week woensdag alle waarderingen verwijderde, omdat het album nog niet uit was. Ik geef slechts één ster en toch ben ik positief. De uitleg.
Wat mij betreft is de laatste U2 die ik echt heel goed vond alweer 36 jaar oud: The Joshua Tree. Uiteraard ben ik de groep sindsdien blijven volgen, waarbij ieder album zijn sterke momenten had. Maar zelden beleefde ik de opwinding van voorheen.
Op de hoes en elders is te lezen dat Songs of Surrender het gevolg is van de coronalockdowns, toen The Edge akoestische versies van eigen muziek in elkaar ging knutselen, waarbij hij later de hulp inriep van vooral Bono. Hoorbaar is dat dit in mindere mate het geval was van Clayton en Mullen Jr. Daarmee is het meer een duo- dan een bandplaat geworden.
Hoe gaan wij muziekliefhebbers om met dit soort lockdownplaatjes? Er waren immers meer namen die tijdens de lockdowns met covers gingen fröbelen. Uit 2021 herinner ik me Deep Purple en Saxon met muziek van anderen, datzelfde jaar coverde Moby zichzelf. Ze werden gedrieën overladen met negatieve reacties.
Pas twee jaar later volgt U2 met ingetogen versies van eigen materiaal, waarbij ik mij al luisterend de unpluggedhype in de jaren ’90 herinnerde. Ik had daar niet veel mee: na drie nummers sloeg meestal de verveling toe. Extra belemmering bij U2: de lengte. Veertig liedjes is een lange zit.
Echter, de remedie voor U2’s huiskamerconcert / kampvuursessie is eenvoudig: realiseer je dat dit vooral een tussendoortje is van het duo Hewson & Evans en speel ‘m in delen af; niet teveel achter elkaar. Zet daarbij de nummers die je wél bevallen op een aparte afspeellijst.
Zo kwam ik op de volgende negen, met tussen de haakjes de reden dat die versies me bevielen: Stories for Boys (effectief minimal pianospel, de tekst springt eruit), 11 O’Clock Tick Tock (fraai gitaarspel en wederom de tekst), Beautiful Day (de melodie pakt, net als het koortje aan het einde), Bad (mooi opgebouwd met strijkers), Red Hill Mining Town (sfeervolle blazers), Sometimes You Can’t Make It On Your Own (opgebouwd naar een bescheiden climax en de boodschap is een sterke levensles), Dirty Day (cello’s en violen in een bijzondere rol!), Vertigo (energiek met grommende cello’s) en I Will Follow (akoestisch energiek).
Voor alle mopperaars is er enige hoop: volgend jaar brengt U2 nieuw en stevig materiaal uit, meldde Rainmachine op 20 maart. Daar wordt u wellicht vrolijker van. En wie helemaal klaar met ze is, kan dat andere bandje uit Dublin opzetten: Fontaines D.C. bracht drie sterke en knallende albums uit, met alle energie die node door de U2-criticasters wordt gemist. Of ga op zoek naar ander (jong of juist oud) talent, er is zoveel meer dan U2!
De jongens werden mannen en die mannen worden inmiddels zichtbaar ouder en hoorbaar breekbaarder. Net als ik, zoveel is duidelijk. Dit ouder-worden draagt echter bepaalde charmes. Saillant detail is dat Hewson & Evans vorige week bij BBC Radio 2 een cover deden van Abba’s S.O.S. ; hun afkorting van Songs of Surrender?
Dan ga ik zakelijk rekenen. Mijn afspeellijst bevat negen van de veertig nummers, oftewel 22,5%, als cijfer een 2,3 en dat is in sterren een 1,15, omlaag afgerond tot 1 ster. Dat is laag voor het gehele album, maar met mijn zelfgemaakte samenvatting van 37 minuten heb ik desondanks een gevarieerd laatavondplaatje! Een term die ik leerde van de edele Sir Spamalot, een luisterveteraan die het kan weten.
Doe er een kaasje bij, een bitterbal of een vegakroket, een wijntje of speciaalbiertje of een glas whiskey of een knusse kop thee… Mijn privélijstje van hoogtepunten krijgt vier sterren en dan ben ik dus toch tevreden.
Wat mij betreft is de laatste U2 die ik echt heel goed vond alweer 36 jaar oud: The Joshua Tree. Uiteraard ben ik de groep sindsdien blijven volgen, waarbij ieder album zijn sterke momenten had. Maar zelden beleefde ik de opwinding van voorheen.
Op de hoes en elders is te lezen dat Songs of Surrender het gevolg is van de coronalockdowns, toen The Edge akoestische versies van eigen muziek in elkaar ging knutselen, waarbij hij later de hulp inriep van vooral Bono. Hoorbaar is dat dit in mindere mate het geval was van Clayton en Mullen Jr. Daarmee is het meer een duo- dan een bandplaat geworden.
Hoe gaan wij muziekliefhebbers om met dit soort lockdownplaatjes? Er waren immers meer namen die tijdens de lockdowns met covers gingen fröbelen. Uit 2021 herinner ik me Deep Purple en Saxon met muziek van anderen, datzelfde jaar coverde Moby zichzelf. Ze werden gedrieën overladen met negatieve reacties.
Pas twee jaar later volgt U2 met ingetogen versies van eigen materiaal, waarbij ik mij al luisterend de unpluggedhype in de jaren ’90 herinnerde. Ik had daar niet veel mee: na drie nummers sloeg meestal de verveling toe. Extra belemmering bij U2: de lengte. Veertig liedjes is een lange zit.
Echter, de remedie voor U2’s huiskamerconcert / kampvuursessie is eenvoudig: realiseer je dat dit vooral een tussendoortje is van het duo Hewson & Evans en speel ‘m in delen af; niet teveel achter elkaar. Zet daarbij de nummers die je wél bevallen op een aparte afspeellijst.
Zo kwam ik op de volgende negen, met tussen de haakjes de reden dat die versies me bevielen: Stories for Boys (effectief minimal pianospel, de tekst springt eruit), 11 O’Clock Tick Tock (fraai gitaarspel en wederom de tekst), Beautiful Day (de melodie pakt, net als het koortje aan het einde), Bad (mooi opgebouwd met strijkers), Red Hill Mining Town (sfeervolle blazers), Sometimes You Can’t Make It On Your Own (opgebouwd naar een bescheiden climax en de boodschap is een sterke levensles), Dirty Day (cello’s en violen in een bijzondere rol!), Vertigo (energiek met grommende cello’s) en I Will Follow (akoestisch energiek).
Voor alle mopperaars is er enige hoop: volgend jaar brengt U2 nieuw en stevig materiaal uit, meldde Rainmachine op 20 maart. Daar wordt u wellicht vrolijker van. En wie helemaal klaar met ze is, kan dat andere bandje uit Dublin opzetten: Fontaines D.C. bracht drie sterke en knallende albums uit, met alle energie die node door de U2-criticasters wordt gemist. Of ga op zoek naar ander (jong of juist oud) talent, er is zoveel meer dan U2!
De jongens werden mannen en die mannen worden inmiddels zichtbaar ouder en hoorbaar breekbaarder. Net als ik, zoveel is duidelijk. Dit ouder-worden draagt echter bepaalde charmes. Saillant detail is dat Hewson & Evans vorige week bij BBC Radio 2 een cover deden van Abba’s S.O.S. ; hun afkorting van Songs of Surrender?
Dan ga ik zakelijk rekenen. Mijn afspeellijst bevat negen van de veertig nummers, oftewel 22,5%, als cijfer een 2,3 en dat is in sterren een 1,15, omlaag afgerond tot 1 ster. Dat is laag voor het gehele album, maar met mijn zelfgemaakte samenvatting van 37 minuten heb ik desondanks een gevarieerd laatavondplaatje! Een term die ik leerde van de edele Sir Spamalot, een luisterveteraan die het kan weten.
Doe er een kaasje bij, een bitterbal of een vegakroket, een wijntje of speciaalbiertje of een glas whiskey of een knusse kop thee… Mijn privélijstje van hoogtepunten krijgt vier sterren en dan ben ik dus toch tevreden.
U2 - The Joshua Tree (1987)

4,0
5
geplaatst: 12 juni 2023, 23:38 uur
Vanaf 1981 volgde ik U2, dankzij aandacht bij de KRO-radio en de enthousiaste verhalen in Oor. Ieder album betekende een stap voorwaarts van deze newwaveband: de piano die op tweede album October opdook, de productie van War en de verrijking van het oorspronkelijke geluid van U2 op The Unforgettable Fire dankzij het producersduo Eno & Lanois. Bovendien een groep met nogal eens herkenbare hoezen, kleine juweeltjes op zichzelf.
The Joshua Tree zou hun laatste album zijn waar de oorsprong van new wave dominant zou doorklinken, dankzij de gitaarwaaiergeluiden van The Edge. Als liefhebber van dat geluid is het meteen de laatste U2 waarover ik echt enthousiast was, al ben ik de groep uiteraard altijd blijven volgen.
Vorige week heb ik Bono's boek 'Surrender: 40 Songs, One Story' (2022) aangeschaft, dat ik komende zomer wil gaan lezen. Alvast gespiekt: van dit album bespreekt hij Bullet the Blue Sky, Where the Streets Have No Name en With or Without You.
Indertijd vond ik eigenlijk alleen de A-kant goed, maar de B-kant smaakt zovele jaren beter dan ik toen beleefde. Alhoewel de plaat in muzikaal opzicht net als de voorganger enigszins als een nachtkaarsje uitgaat, valt er ook daar (In God's Country bijvoorbeeld!) het nodige fraais op.
Vanavond heb ik de berichten gelezen die bij dit album als 'mening' staan gemarkeerd. De eerste was er meteen één waarin ik mij goed vinden, met de indrukken die c-moon alweer in 2005 postte, al denk ik niet dat Bono "de nieuwe messiah" wilde zijn. Wél is hij sterk sociaal gedreven, de mening toegedaan dat hij in zijn positie iets extra's zou moeten doen. Mothers of the Disapeared bijvoorbeeld, over de dwaze moeders in Argentinië, het regime vragend waar hun echtgenoten en zonen waren gebleven; misschien had ik er zonder U2 nauwelijks van geweten.
Velen ergeren zich aan deze wereldverbeteraar en deels begrijp ik dat wel; "altijd" dat vingertje... Maar zulke uitingen zijn welbeschouwd toch beter dan een wereldberoemde collega-ster die alleen maar bezig is met het verzamelen van geld, aandacht en likes? Iets willen betekenen voor anderen, is dat nu zo erg? Ja, ik herken de irritatie ook wel als Bono weer eens ergens wat van vond en dat uitgebreid deelde, maar waar komt mijn irritatie eigenlijk vandaan en waarom irriteer ik me niet aan de vele holle frasen van anderen die ik in menig interview tegenkwam?
Ach, misschien denkt c-moon er zovele jaren later ook wel genuanceerder over. Het boek is volgens mijn collega die het me sterk aanraadde een goed middel om de beweegredenen van Paul Hewson te begrijpen en daarmee diepere lagen in U2's werk aan te boren; zelfs leuk voor niet-U2-fans, vindt hij. Ik ga het meemaken.
Terug naar de muziek: een ijzersterke eerste plaatkant en een iets minder pakkende tweede, waarop desondanks het nodige is te genieten. Het resulteert bij mij in een dikke 8 oftewel vier sterren. En het intro van Where the Streets Have No Name blijft één van de spannendste intro's in de popmuziek, dattuhetmaarweet.
The Joshua Tree zou hun laatste album zijn waar de oorsprong van new wave dominant zou doorklinken, dankzij de gitaarwaaiergeluiden van The Edge. Als liefhebber van dat geluid is het meteen de laatste U2 waarover ik echt enthousiast was, al ben ik de groep uiteraard altijd blijven volgen.
Vorige week heb ik Bono's boek 'Surrender: 40 Songs, One Story' (2022) aangeschaft, dat ik komende zomer wil gaan lezen. Alvast gespiekt: van dit album bespreekt hij Bullet the Blue Sky, Where the Streets Have No Name en With or Without You.
Indertijd vond ik eigenlijk alleen de A-kant goed, maar de B-kant smaakt zovele jaren beter dan ik toen beleefde. Alhoewel de plaat in muzikaal opzicht net als de voorganger enigszins als een nachtkaarsje uitgaat, valt er ook daar (In God's Country bijvoorbeeld!) het nodige fraais op.
Vanavond heb ik de berichten gelezen die bij dit album als 'mening' staan gemarkeerd. De eerste was er meteen één waarin ik mij goed vinden, met de indrukken die c-moon alweer in 2005 postte, al denk ik niet dat Bono "de nieuwe messiah" wilde zijn. Wél is hij sterk sociaal gedreven, de mening toegedaan dat hij in zijn positie iets extra's zou moeten doen. Mothers of the Disapeared bijvoorbeeld, over de dwaze moeders in Argentinië, het regime vragend waar hun echtgenoten en zonen waren gebleven; misschien had ik er zonder U2 nauwelijks van geweten.
Velen ergeren zich aan deze wereldverbeteraar en deels begrijp ik dat wel; "altijd" dat vingertje... Maar zulke uitingen zijn welbeschouwd toch beter dan een wereldberoemde collega-ster die alleen maar bezig is met het verzamelen van geld, aandacht en likes? Iets willen betekenen voor anderen, is dat nu zo erg? Ja, ik herken de irritatie ook wel als Bono weer eens ergens wat van vond en dat uitgebreid deelde, maar waar komt mijn irritatie eigenlijk vandaan en waarom irriteer ik me niet aan de vele holle frasen van anderen die ik in menig interview tegenkwam?
Ach, misschien denkt c-moon er zovele jaren later ook wel genuanceerder over. Het boek is volgens mijn collega die het me sterk aanraadde een goed middel om de beweegredenen van Paul Hewson te begrijpen en daarmee diepere lagen in U2's werk aan te boren; zelfs leuk voor niet-U2-fans, vindt hij. Ik ga het meemaken.
Terug naar de muziek: een ijzersterke eerste plaatkant en een iets minder pakkende tweede, waarop desondanks het nodige is te genieten. Het resulteert bij mij in een dikke 8 oftewel vier sterren. En het intro van Where the Streets Have No Name blijft één van de spannendste intro's in de popmuziek, dattuhetmaarweet.
U2 - The Unforgettable Fire (1984)

4,5
1
geplaatst: 4 juni 2023, 20:59 uur
Op 16 augustus 1981 vond bij Slane Castle een groot gevecht plaats tussen de heersende band Thin Lizzy en hun uitdagers U2. Voor het eerst in de historie van het land was er een openluchtfestival. Beide managers probeerden hun groep per helikopter te laten arriveren, maar waar U2 faalde, kwam, zag en overwon Lizzy, op dat moment op tournee voor hun album Chinatown. Hierna werden de rollen omgedraaid: de jonge Dubliners wonnen het van de oude en U2 werd Ierlands populairste band, lees ik in 'Philip Lynott: The Rocker' (1994) van Mark Putterford.
Nabij datzelfde Slane Castle nam U2 hun vierde studioalbum op en maakte zo alweer een grote stap vooruit. Deze keer dankzij gelaagdere composities én de rijke productie van Brian Eno en Daniel Lanois. Het moet een droom te zijn geweest om met de eerste te mogen samenwerken, jongensheld van de vier uit diens dagen bij Roxy Music en later als producer van het mijlpaalalbums Low, "Heroes" en Lodger van David Bowie, experimenterend met nieuwe geluiden en opnametechnieken.
De prachtige hoes met foto's van Anton Corbijn van Moydrum Castle, waaromheen een opvallend lila kader, waren eveneens een stijlbreuk met de zakelijke kleuren van voorheen.
De zorg voor audio klinkt vanaf de eerste tonen op The Unforgettable Fire. Verdwenen is de onstuimigheid van de eerste drie albums met producer Steve Lilywhite, maar als er wederom sterke nummers klinken, hoor(de) je mij niet klagen. Pride (In the Name of Love), met dat bizar-effectieve intro dat je direct het nummer inzoog, haalde in september en oktober 1984 #5 in de Nationale Hitparade. Gefascineerd ontdekte ik dat het over dr. Martin Luther King ging, een biografisch lied wat ik associeerde met het thema van een nummer over diezelfde periode. Geschiedenis in muziek, het blijft mooi! In mei 1985 bereikte de maxisingle met daarop het titelnummer eveneens de top 10.
We waren wederom onder de indruk van een nieuwe U2. Vooral van de A-kant, waarop alles goed was, vanaf het ietwat dromerige intro van A Sort of Homecoming, gevolgd door de intense stem van Bono. Een stem die mij alweer raakte. Hierna volgen drie andere juweeltjes. Alleen het laatste, korte Promenade pakte me niet, maar duidelijk is dan wel dat The Edge zijn arsenaal aan gitaarklanken had verbreed.
De B-kant begon met niet bijster boeiende ambientgeluiden in 4th of July, als opmaat naar het bedachtzame, prachtige Bad echter effectief. Nog sterker vond ik het daarop volgende uptempo Indian Summer Sky. Daarna dooft het onvergetelijke vuur voortijdig uit, dat kon dus ook.
U2 met synthesizers en strijkers? Van tevoren was ik bang geweest voor een goedkope poging om een groot publiek te bereiken, maar de sferische toevoegingen werken als een malle. Sterker nog, het uittro van het titelnummer maakte die toch al sterke compositie extra mooi.
Sommige teksten tonen Bono's fascinatie met de Verenigde Staten, zoals Philip Lynott dat vóór hem ook uitte na diens eerste bezoek aan de andere kant van de Grote Plas. U2 ontwikkelde zich stormachtig en slaagde erin dat te combineren met zes zeer indrukwekkende nummers.
Fans maar ook critici waren onder de indruk, getuige dit recensiefragment in Oor van Bert van de Kamp. Mijn vrienden en ik eveneens en toen ik de plaat vanmiddag voor het eerst in lange tijd opzette, was daar wederom blijde verbazing. Tijdloos mooi.
Nabij datzelfde Slane Castle nam U2 hun vierde studioalbum op en maakte zo alweer een grote stap vooruit. Deze keer dankzij gelaagdere composities én de rijke productie van Brian Eno en Daniel Lanois. Het moet een droom te zijn geweest om met de eerste te mogen samenwerken, jongensheld van de vier uit diens dagen bij Roxy Music en later als producer van het mijlpaalalbums Low, "Heroes" en Lodger van David Bowie, experimenterend met nieuwe geluiden en opnametechnieken.
De prachtige hoes met foto's van Anton Corbijn van Moydrum Castle, waaromheen een opvallend lila kader, waren eveneens een stijlbreuk met de zakelijke kleuren van voorheen.
De zorg voor audio klinkt vanaf de eerste tonen op The Unforgettable Fire. Verdwenen is de onstuimigheid van de eerste drie albums met producer Steve Lilywhite, maar als er wederom sterke nummers klinken, hoor(de) je mij niet klagen. Pride (In the Name of Love), met dat bizar-effectieve intro dat je direct het nummer inzoog, haalde in september en oktober 1984 #5 in de Nationale Hitparade. Gefascineerd ontdekte ik dat het over dr. Martin Luther King ging, een biografisch lied wat ik associeerde met het thema van een nummer over diezelfde periode. Geschiedenis in muziek, het blijft mooi! In mei 1985 bereikte de maxisingle met daarop het titelnummer eveneens de top 10.
We waren wederom onder de indruk van een nieuwe U2. Vooral van de A-kant, waarop alles goed was, vanaf het ietwat dromerige intro van A Sort of Homecoming, gevolgd door de intense stem van Bono. Een stem die mij alweer raakte. Hierna volgen drie andere juweeltjes. Alleen het laatste, korte Promenade pakte me niet, maar duidelijk is dan wel dat The Edge zijn arsenaal aan gitaarklanken had verbreed.
De B-kant begon met niet bijster boeiende ambientgeluiden in 4th of July, als opmaat naar het bedachtzame, prachtige Bad echter effectief. Nog sterker vond ik het daarop volgende uptempo Indian Summer Sky. Daarna dooft het onvergetelijke vuur voortijdig uit, dat kon dus ook.
U2 met synthesizers en strijkers? Van tevoren was ik bang geweest voor een goedkope poging om een groot publiek te bereiken, maar de sferische toevoegingen werken als een malle. Sterker nog, het uittro van het titelnummer maakte die toch al sterke compositie extra mooi.
Sommige teksten tonen Bono's fascinatie met de Verenigde Staten, zoals Philip Lynott dat vóór hem ook uitte na diens eerste bezoek aan de andere kant van de Grote Plas. U2 ontwikkelde zich stormachtig en slaagde erin dat te combineren met zes zeer indrukwekkende nummers.
Fans maar ook critici waren onder de indruk, getuige dit recensiefragment in Oor van Bert van de Kamp. Mijn vrienden en ik eveneens en toen ik de plaat vanmiddag voor het eerst in lange tijd opzette, was daar wederom blijde verbazing. Tijdloos mooi.
U2 - The Unforgettable Fire (1985)

4,0
0
geplaatst: 9 juni 2023, 23:51 uur
Eén van mijn beste vrienden hield en houdt van hardrock en metal, maar ook van Pink Floyd, Kansas en U2. Hij was degene die deze mini-lp (hij draait op 33 1/3 toeren) indertijd kocht en ik mocht The Unforgettable Fire van hem lenen. In de jaren '90 kocht ik 'm zelf, toen de massa van zijn vinyl af wilde. 
Net als de vermaarde mini-live-elpee Under a Blood Red Sky kostte dit kleinood met vijf nummers zelfs in nieuwstaat niet al te veel. Mijn exemplaar, een Canadese uitgave identiek aan het exemplaar dat ik in '85 leende, verschilt van de versie die MuMe toont. Dat is vermoedelijk een dubbelsingle op 45 toeren, zie hier. Daarop staat namelijk Sixty Seconds in Kingdom Come, dat op mijn exemplaar ontbreekt. Iemand die meer weet?
Bij mij is het deze editie, met op de A-kant The Three Sunrises en The Unforgettable Fire en op de B-zijde A Sort of Homecoming, Love Comes Tumbling en als afsluiter ambientgitaar in Bass Trap.
Een heerlijk plaatje van een groep die vernieuwing zocht en vond, geholpen door Brian Eno en Daniel Lanois. Een rijker geluid was het gevolg en dit mini-lp'tje is dan ook een waardevolle extensie bij het album met dezelfde naam.

Net als de vermaarde mini-live-elpee Under a Blood Red Sky kostte dit kleinood met vijf nummers zelfs in nieuwstaat niet al te veel. Mijn exemplaar, een Canadese uitgave identiek aan het exemplaar dat ik in '85 leende, verschilt van de versie die MuMe toont. Dat is vermoedelijk een dubbelsingle op 45 toeren, zie hier. Daarop staat namelijk Sixty Seconds in Kingdom Come, dat op mijn exemplaar ontbreekt. Iemand die meer weet?
Bij mij is het deze editie, met op de A-kant The Three Sunrises en The Unforgettable Fire en op de B-zijde A Sort of Homecoming, Love Comes Tumbling en als afsluiter ambientgitaar in Bass Trap.
Een heerlijk plaatje van een groep die vernieuwing zocht en vond, geholpen door Brian Eno en Daniel Lanois. Een rijker geluid was het gevolg en dit mini-lp'tje is dan ook een waardevolle extensie bij het album met dezelfde naam.
U2 - Three (1979)

4,5
0
geplaatst: 16 juni 2025, 07:23 uur
Kort na de naamswijziging van The Hype naar U2, maart 1978, verscheen de groep op de Ierse tv met het nummer Street Mission. Ze ogen heel enthousiast, je ziet een verlegen-trots glimlachende Larry Mullen jr. en The Edge die nog niet zijn karakteristieke geluid heeft ontwikkeld: zie hier.
Las erover in Bono's boek Surrender (2022) op p. 70-71. Eén van de redenen dat ik dit soort bio's graag lees, kende dit feitje niet.
Iets verderop, p. 76, beschrijft hij hoe hij Public Image van Public Image Ltd. hoort en vervolgens op de gitaar van The Edge dat geluid van een (ik lees het in Nederlandse vertaling) "elektrische boor die een ruggengraat aanvalt" voordoet. Althans, dat probeert hij, Bono speelt geen enkel instrument. De blues voorbij, net als PiL.
The Edge probeert het dan ook en ter plekke ontstaat niet alleen I Will Follow, maar vooral het befaamde gitaargeluid dat ook op deze EP Three klinkt. Dat lezende word ik benieuwd hoe The Edge zich dit moment en de ontwikkeling van zijn speelstijl herinnert. Net zo?
Las erover in Bono's boek Surrender (2022) op p. 70-71. Eén van de redenen dat ik dit soort bio's graag lees, kende dit feitje niet.
Iets verderop, p. 76, beschrijft hij hoe hij Public Image van Public Image Ltd. hoort en vervolgens op de gitaar van The Edge dat geluid van een (ik lees het in Nederlandse vertaling) "elektrische boor die een ruggengraat aanvalt" voordoet. Althans, dat probeert hij, Bono speelt geen enkel instrument. De blues voorbij, net als PiL.
The Edge probeert het dan ook en ter plekke ontstaat niet alleen I Will Follow, maar vooral het befaamde gitaargeluid dat ook op deze EP Three klinkt. Dat lezende word ik benieuwd hoe The Edge zich dit moment en de ontwikkeling van zijn speelstijl herinnert. Net zo?
U2 - Under a Blood Red Sky (1983)

4,5
0
geplaatst: 3 juni 2023, 19:58 uur
Met War was U2 eerder dat 1983 definitief doorgebroken in Nederland, nadat de KRO, Veronica en Oor en zelfs de Hitkrant voor de nodige reuring hadden gezorgd. Dit was een groep die iedere tiener kende. In mijn omgeving konden zowel de kakkers in hun poloshirts als de hardrockers in hun spijkerjasjes dit waarderen; achteraf gezien dubbel verrassend. En plotseling was daar Live "Under A Blood Red Sky".
Toen deze gloednieuwe mini-elpee voor de prijs van een EP in de bakken belandde (dat zal in november 1983 zo'n vijftien gulden zijn geweest), vond ik dat een koopje. Acht nummers! Zeker omdat de tv-registratie van het concert in Red Rocks op tv was geweest, wat grote indruk had gemaakt op mijn vriendenkring. Wát een energie ging uit van deze frontman, wát een gitaargeluid, wat een heerlijke ritmesectie! De in het zwart geklede Bono, intens contact zoekend met het publiek? Onweerstaanbaar.
Zijn contouren zijn herkenbaar in het label, middenin het zwarte vinyl. Wie de plaat opzette, werd nogmaals aan die concertfilm herinnerd.
Als liefhebber van scheurende gitaren ging mijn voorkeur uit naar de vlotte nummers waarin The Edge zijn zes snaren liet ronken; te weten I Will Follow, The Electric Co en New Years Day, maar zelfs het langzame "40" won mijn hart met het luid meezingende publiek.
Anders dan de concertfilm en hoes doen vermoeden bleken slechts twee nummers afkomstig van dat optreden, met twee opnamen van een ander Amerikaans concert. Kant 2 was "gewoon" voor Rockpalast opgenomen.
De muziek was extra verpletterend dankzij de vette productie van Jimmy Iovine, wiens naam ik kende van zijn werk voor Bruce Springsteen. Hoeveel steviger klonk de band hier dan op de eerste drie studioplaten... Dit was alweer een stap voorwaarts voor een band die toch al zo goed was. Een ware livesensatie.
Een collega raadde mij gisteren opnieuw Bono's boek 'Surrender: 40 Songs, one story' (2022) aan. "Zelfs iemand die niet van U2 houdt, móet dit lezen!' zei hij enthousiast. "Hij heeft veel zinvols te melden!" Ik heb het vanmiddag besteld, want ik ben makkelijk over te halen als het om deze groep gaat, al zou ik vanaf 1988 minder enthousiast zijn over hun muziek.
Bij het lezen eerst eens kijken welke nummers van hun eerste drie studioplaten van een diepere laag worden voorzien, want dat achter de teksten verhalen schuilen, wordt me bij het beluisteren van deze acht klassieke nummers wederom duidelijk.
Toen deze gloednieuwe mini-elpee voor de prijs van een EP in de bakken belandde (dat zal in november 1983 zo'n vijftien gulden zijn geweest), vond ik dat een koopje. Acht nummers! Zeker omdat de tv-registratie van het concert in Red Rocks op tv was geweest, wat grote indruk had gemaakt op mijn vriendenkring. Wát een energie ging uit van deze frontman, wát een gitaargeluid, wat een heerlijke ritmesectie! De in het zwart geklede Bono, intens contact zoekend met het publiek? Onweerstaanbaar.
Zijn contouren zijn herkenbaar in het label, middenin het zwarte vinyl. Wie de plaat opzette, werd nogmaals aan die concertfilm herinnerd.
Als liefhebber van scheurende gitaren ging mijn voorkeur uit naar de vlotte nummers waarin The Edge zijn zes snaren liet ronken; te weten I Will Follow, The Electric Co en New Years Day, maar zelfs het langzame "40" won mijn hart met het luid meezingende publiek.
Anders dan de concertfilm en hoes doen vermoeden bleken slechts twee nummers afkomstig van dat optreden, met twee opnamen van een ander Amerikaans concert. Kant 2 was "gewoon" voor Rockpalast opgenomen.
De muziek was extra verpletterend dankzij de vette productie van Jimmy Iovine, wiens naam ik kende van zijn werk voor Bruce Springsteen. Hoeveel steviger klonk de band hier dan op de eerste drie studioplaten... Dit was alweer een stap voorwaarts voor een band die toch al zo goed was. Een ware livesensatie.
Een collega raadde mij gisteren opnieuw Bono's boek 'Surrender: 40 Songs, one story' (2022) aan. "Zelfs iemand die niet van U2 houdt, móet dit lezen!' zei hij enthousiast. "Hij heeft veel zinvols te melden!" Ik heb het vanmiddag besteld, want ik ben makkelijk over te halen als het om deze groep gaat, al zou ik vanaf 1988 minder enthousiast zijn over hun muziek.
Bij het lezen eerst eens kijken welke nummers van hun eerste drie studioplaten van een diepere laag worden voorzien, want dat achter de teksten verhalen schuilen, wordt me bij het beluisteren van deze acht klassieke nummers wederom duidelijk.
U2 - War (1983)

4,5
3
geplaatst: 14 maart 2023, 22:18 uur
De eerste muziek die ik van U2 in huis had, was van de radio opgenomen: een concert in Paradiso, door de KRO uitgezonden. Ik was (en ben) liefhebber van hardrock, metal en new wave. Bij U2 maakte ik kennis met hoopvolle new wave. Heel anders dan The Cure, dat andere favobandje van me, maar met het stevige gitaarwerk, de energieke, passievolle nummers en intense zang was dit een welkome aanvulling. Het cassettebandje heb ik nog steeds.
Dankzij Veronica’s Countdown werd I Will Follow in de Nederlandse liveversie in de nazomer van 1982 #22 in de Nationale Hitparade. De eerste U2-elpee die ik in het geheel hoorde, was War. Hij kwam uit de bieb en deze tiener was ermee verguld.
Want: opnieuw heerlijke nummers met als bonussen hier en daar de piano van gitarist The Edge en de viool van Steve Wickham. Ze zorgden voor nog meer variatie en sfeer. Bovendien verpakt in een klaphoes met prachtige foto’s van Anton Corbijn en Ian Finlay.
Alleen Red Light en “40” pakten me minder, de eerste vanwege de blazers en de saaie gitaarriff, de tweede was wel erg rustig. Wel weer leuk dat het U2’s versie van Psalm 40 bleek te zijn, waardoor de orgelversie van mijn jeugd plotseling een nieuwe dimensie kreeg. Het intens melancholische Drowning Man beleefde ik als een buitenbeentje op deze plaat. Maar hoe mooi!
De sneeuwclip bij New Year’s Day was vaak op tv te zien en verhoogde de sfeer bij dit toch al sterke nummer. Ik heb het nummer jaren achter elkaar als eerste muziek van een nieuw jaar gedraaid… De single haalde in maart 1983 #9. Pas in oktober 1985, na het verschijnen van The Unforgettable Fire, werd Sunday Bloody Sunday een hit in Nederland. Maar dan wel piekend op #3.
Inmiddels staat de plaat hier in de kast, gekocht in de jaren '90 toen menigeen zijn vinyl op vrijmarkten voor een prikkie verpatste. War staat er met andere albums van de groep gebroederlijk naast het vinyl van Thin Lizzy, de andere grote Ierse band van die dagen.
Zo af en toe belandt ie weer eens op de draaitafel. De beleving is altijd dezelfde: deze muziek is fris gebleven. Ontegenzeglijk.
Dankzij Veronica’s Countdown werd I Will Follow in de Nederlandse liveversie in de nazomer van 1982 #22 in de Nationale Hitparade. De eerste U2-elpee die ik in het geheel hoorde, was War. Hij kwam uit de bieb en deze tiener was ermee verguld.
Want: opnieuw heerlijke nummers met als bonussen hier en daar de piano van gitarist The Edge en de viool van Steve Wickham. Ze zorgden voor nog meer variatie en sfeer. Bovendien verpakt in een klaphoes met prachtige foto’s van Anton Corbijn en Ian Finlay.
Alleen Red Light en “40” pakten me minder, de eerste vanwege de blazers en de saaie gitaarriff, de tweede was wel erg rustig. Wel weer leuk dat het U2’s versie van Psalm 40 bleek te zijn, waardoor de orgelversie van mijn jeugd plotseling een nieuwe dimensie kreeg. Het intens melancholische Drowning Man beleefde ik als een buitenbeentje op deze plaat. Maar hoe mooi!
De sneeuwclip bij New Year’s Day was vaak op tv te zien en verhoogde de sfeer bij dit toch al sterke nummer. Ik heb het nummer jaren achter elkaar als eerste muziek van een nieuw jaar gedraaid… De single haalde in maart 1983 #9. Pas in oktober 1985, na het verschijnen van The Unforgettable Fire, werd Sunday Bloody Sunday een hit in Nederland. Maar dan wel piekend op #3.
Inmiddels staat de plaat hier in de kast, gekocht in de jaren '90 toen menigeen zijn vinyl op vrijmarkten voor een prikkie verpatste. War staat er met andere albums van de groep gebroederlijk naast het vinyl van Thin Lizzy, de andere grote Ierse band van die dagen.
Zo af en toe belandt ie weer eens op de draaitafel. De beleving is altijd dezelfde: deze muziek is fris gebleven. Ontegenzeglijk.
UB40 - Signing Off (1980)

2,5
1
geplaatst: 11 februari 2025, 23:52 uur
Ik verkeer in lichte gewetensnood. Terwijl ik hoor dat dit album goed in elkaar zit, vind ik het meestal helemaal niks. Het is me slechts 2,5 ster waard. Bij deze de bijsluiter en relativering van die score.
Op reis door de wereld van new wave en aanverwanten kan ik dit niet overslaan. Een gemengde (zwart-witte) groep, goed gespeelde reggae, teksten, groepsnaam en albumtitel verwijzend naar de economische malaise van die jaren. De tijd dat industriële veroudering door Margaret Thatcher en de Conservatives zo keihard te lijf werd gegaan door in de economie te snijden, met grote werkloosheid tot gevolg.
Signing Off begint aangenaam met de kalme reggae van Tyler, waarna het ene na het andere kalme reggaelied volgt. En dat vind ik dan saai: reggae is in de meeste gevallen niet mijn ding, ook niet als het in Birmingham door een muzikale molen is gehaald.
Maar dan kan ik wel beweren dat het allemaal op elkaar lijkt, mijn vorige halte was het debuut van Cockney Rejects en ook daar lijken de nummers op elkaar. Mijn oordeel zegt dus veel over mijn smaak en die is - uiteraard - subjectief. En toch. Het is me op Signing Off te lounge, te kabbelend.
Twee andere nummers vallen me positief op: de blazers in King zijn lekker en Food for Thought vind ik vanaf het moment dat ik het hoorde in de Nederlandse hitlijst (te weten juni 1980, één week in de Nationale Hitparade op #46 en verrassenderwijs in liveversie in mei '83 #5 in Nederland en in Vlaanderen diezelfde maand twee weken #20) wél een lekker nummer. Het is ook nét wat vlotter, passend bij mijn smaak.
Ik weet dat het hierna al spoedig commerciëler werd, muziek gemaakt om hits te scoren. Dat deden ze echter erg effectief, UB40 groeide uit tot één van de bestverkopende Britse groepen van het land ooit. Drie keer haalden ze de Britse #1 en maar liefst 40 singles haalden er de Top 40.
Maar liever de volgende haltes in het land van new wave: non-albumsingle Happy House van Siouxsie & The Banshees, later verschenen op Kaleidoscope. Omdat ik dat album al besprak, is de volgende halte bij de tweede van U.K. Subs.
Op reis door de wereld van new wave en aanverwanten kan ik dit niet overslaan. Een gemengde (zwart-witte) groep, goed gespeelde reggae, teksten, groepsnaam en albumtitel verwijzend naar de economische malaise van die jaren. De tijd dat industriële veroudering door Margaret Thatcher en de Conservatives zo keihard te lijf werd gegaan door in de economie te snijden, met grote werkloosheid tot gevolg.
Signing Off begint aangenaam met de kalme reggae van Tyler, waarna het ene na het andere kalme reggaelied volgt. En dat vind ik dan saai: reggae is in de meeste gevallen niet mijn ding, ook niet als het in Birmingham door een muzikale molen is gehaald.
Maar dan kan ik wel beweren dat het allemaal op elkaar lijkt, mijn vorige halte was het debuut van Cockney Rejects en ook daar lijken de nummers op elkaar. Mijn oordeel zegt dus veel over mijn smaak en die is - uiteraard - subjectief. En toch. Het is me op Signing Off te lounge, te kabbelend.
Twee andere nummers vallen me positief op: de blazers in King zijn lekker en Food for Thought vind ik vanaf het moment dat ik het hoorde in de Nederlandse hitlijst (te weten juni 1980, één week in de Nationale Hitparade op #46 en verrassenderwijs in liveversie in mei '83 #5 in Nederland en in Vlaanderen diezelfde maand twee weken #20) wél een lekker nummer. Het is ook nét wat vlotter, passend bij mijn smaak.
Ik weet dat het hierna al spoedig commerciëler werd, muziek gemaakt om hits te scoren. Dat deden ze echter erg effectief, UB40 groeide uit tot één van de bestverkopende Britse groepen van het land ooit. Drie keer haalden ze de Britse #1 en maar liefst 40 singles haalden er de Top 40.
Maar liever de volgende haltes in het land van new wave: non-albumsingle Happy House van Siouxsie & The Banshees, later verschenen op Kaleidoscope. Omdat ik dat album al besprak, is de volgende halte bij de tweede van U.K. Subs.
UFO - A Conspiracy of Stars (2015)

5,0
0
geplaatst: 31 oktober 2024, 12:16 uur
Na jarenlang heavy rock slechts sporadisch te hebben gevolgd, kroop het bloed waar het niet gaan kon. Vanaf circa 2008 begon het bij mij steeds meer te kriebelen. Dankzij internet was het makkelijk om oude namen te herontdekken en de ontwikkelingen die ik had gemist in te halen.
In 2015 zat ik er weer helemaal in. Via de website van Classic Rock Magazine kwam single Devil's in the Detail van dit A Conspiracy of Stars langs. Fenomenaal nummer met de herkenbare stem van Phil Mogg en spetterend gitaarspel van Vinnie Moore, die ik nog kende van het melodieuze, instrumentale soloalbum Mind's Eye uit 1986 en het beukende Soldiers of the Night bij de groep Vicious Rumors uit hetzelfde jaar.
In die track maar liefst twee lange gitaarsolo's, een ijzersterke melodie en een uptempo en tegelijkertijd slepend ritme. Perfect geproduceerd door Chris Tsangarides, eveneens een favoriet van me uit de puberjaren. Andere single Run Boy Run was van hetzelfde laken een pak, ik wist weer waarom ik indertijd van UFO was gaan houden... Sterker nog, mijn waardering voor zowel het oude als dit UFO is sindsdien enorm gegroeid.
Na vier albums in Duitsland te hebben opgenomen met producer Tommy Newton, werd A Conspiracy of Stars in Engeland vastgelegd. Hoorbaar is dat Tsangarides de groep een forse trap onder de bipsjes heeft gegeven: dit blijkt de beste UFO met Moore in de gelederen. Of is het de invloed van Rob De Luca, voor het eerst vaste bassist en als zodanig zijn debuut makend op een album van het ruimteschip?
Moore nam zijn partijen weer op in The Core in de VS, toch heb ik de indruk dat Tsangarides de man deze keer heeft gedwongen om zijn grenzen eens extra te verleggen. Daarbij laat de producer de opnames kristalhelder klinken.
Minder nadrukkelijke invloeden van blues op deze UFO, al klinkt in de uptempo shuffle van Ballad of the Left Hand Gun een slidegitaar. Eveneens ontbreekt de te vierkante hardrock van voorganger Seven Deadly. Waar Paul Raymond op de vorige albums vaker elektrische piano speelde, klinkt deze eigenlijk alleen op One and Only. Verder houdt hij het deze keer vooral bij synthesizer en orgel als een laag onder de gitaarpartijen, zoals zo fraai-sober gebeurt in het uittro van Rollin' Rollin'.
Zonder ook maar één uitzondering klinken sterke composities dankzij pakkende riffs en zanglijnen; sterker nog, geen zwakke broeder te bekennen. Zelfs bonus King of the Hill is van de buitencategorie met zijn swingende groove en licks. Kristalheldere productie en spet-te-rend gitaarwerk over het gehele album. Kippenvel nog altijd bij Devil's in the Details, die in mijn afspeellijst met 92 mooiste gitaarsolo's staat.
Ook de hoes is fan-tas-tisch en doet terugdenken aan de opvallende hoezen uit de jaren '70 en '80, toen van Hipgnosis, hier van Tristan Greatrex. Ik heb de digipackversie met prachtige fotomontages van wat een ondergelopen fabriek lijkt. Verwijzingen naar de hoes van Lights Out (1977)? Veel diepblauw en op diverse foto's een duikboot en een duiker, die me doen denken aan de absurditeit die Hipgnosis indertijd op menig albumhoes etaleerde.
Favorieten kiezen is bijna onmogelijk en dus is de conclusie eenvoudig: 5 sterren. Het album haalde in maart 2015 #50 in het VK. Hierna volgde coveralbum The Salentino Cuts. Dat die niet het bedoelde tussendoortje is geworden, kwam door de gebeurtenissen erna. A Conspiracy of Stars is daarmee het vroegtijdige uitroepteken aan het slot van de carrière van UFO, al valt er nog veel meer te vertellen. Op dus naar de opvolger.
In 2015 zat ik er weer helemaal in. Via de website van Classic Rock Magazine kwam single Devil's in the Detail van dit A Conspiracy of Stars langs. Fenomenaal nummer met de herkenbare stem van Phil Mogg en spetterend gitaarspel van Vinnie Moore, die ik nog kende van het melodieuze, instrumentale soloalbum Mind's Eye uit 1986 en het beukende Soldiers of the Night bij de groep Vicious Rumors uit hetzelfde jaar.
In die track maar liefst twee lange gitaarsolo's, een ijzersterke melodie en een uptempo en tegelijkertijd slepend ritme. Perfect geproduceerd door Chris Tsangarides, eveneens een favoriet van me uit de puberjaren. Andere single Run Boy Run was van hetzelfde laken een pak, ik wist weer waarom ik indertijd van UFO was gaan houden... Sterker nog, mijn waardering voor zowel het oude als dit UFO is sindsdien enorm gegroeid.
Na vier albums in Duitsland te hebben opgenomen met producer Tommy Newton, werd A Conspiracy of Stars in Engeland vastgelegd. Hoorbaar is dat Tsangarides de groep een forse trap onder de bipsjes heeft gegeven: dit blijkt de beste UFO met Moore in de gelederen. Of is het de invloed van Rob De Luca, voor het eerst vaste bassist en als zodanig zijn debuut makend op een album van het ruimteschip?
Moore nam zijn partijen weer op in The Core in de VS, toch heb ik de indruk dat Tsangarides de man deze keer heeft gedwongen om zijn grenzen eens extra te verleggen. Daarbij laat de producer de opnames kristalhelder klinken.
Minder nadrukkelijke invloeden van blues op deze UFO, al klinkt in de uptempo shuffle van Ballad of the Left Hand Gun een slidegitaar. Eveneens ontbreekt de te vierkante hardrock van voorganger Seven Deadly. Waar Paul Raymond op de vorige albums vaker elektrische piano speelde, klinkt deze eigenlijk alleen op One and Only. Verder houdt hij het deze keer vooral bij synthesizer en orgel als een laag onder de gitaarpartijen, zoals zo fraai-sober gebeurt in het uittro van Rollin' Rollin'.
Zonder ook maar één uitzondering klinken sterke composities dankzij pakkende riffs en zanglijnen; sterker nog, geen zwakke broeder te bekennen. Zelfs bonus King of the Hill is van de buitencategorie met zijn swingende groove en licks. Kristalheldere productie en spet-te-rend gitaarwerk over het gehele album. Kippenvel nog altijd bij Devil's in the Details, die in mijn afspeellijst met 92 mooiste gitaarsolo's staat.
Ook de hoes is fan-tas-tisch en doet terugdenken aan de opvallende hoezen uit de jaren '70 en '80, toen van Hipgnosis, hier van Tristan Greatrex. Ik heb de digipackversie met prachtige fotomontages van wat een ondergelopen fabriek lijkt. Verwijzingen naar de hoes van Lights Out (1977)? Veel diepblauw en op diverse foto's een duikboot en een duiker, die me doen denken aan de absurditeit die Hipgnosis indertijd op menig albumhoes etaleerde.
Favorieten kiezen is bijna onmogelijk en dus is de conclusie eenvoudig: 5 sterren. Het album haalde in maart 2015 #50 in het VK. Hierna volgde coveralbum The Salentino Cuts. Dat die niet het bedoelde tussendoortje is geworden, kwam door de gebeurtenissen erna. A Conspiracy of Stars is daarmee het vroegtijdige uitroepteken aan het slot van de carrière van UFO, al valt er nog veel meer te vertellen. Op dus naar de opvolger.
UFO - Ain't Misbehavin' (1988)

3,5
0
geplaatst: 24 september 2024, 17:30 uur
1986. Na het Amerikaanse deel van de tournee bij comeback Misdemeanor, vroeg Chrysalis om nieuw materiaal. UFO duikt in Birmingham in de studio van UB40 voor demo-opnamen, die door de platenbaas worden geaccepteerd als definitieve versie. Daardoor is de rol voor de gitaar belangrijker, waar frontman Phil Mogg op de voorganger mikte op een geluid met dominantere toetsen. Het betreft een EP / minialbum van zes tracks genaamd Ain't Misbehavin', in Japan aangevuld met een zevende.
De originele albumhoes, zoals hier op MuMe afgebeeld, is ontworpen door Brian Downey, wiens naam rechtsonder staat vermeld. Is dit zoals Discogs vermeldt inderdaad dezelfde als de voormalige drummer van Thin Lizzy? Feit is dat Chrysalis de demo-EP tot februari 1988 op de plank laat liggen.
In 1987 staat UFO op non-actief: het budget is op. Mogg werkt tijdens die periode vijf maanden als manager voor de nieuwe groep Quireboys, waarin diens neef Nigel Mogg bassist is. McClendon speelt mee op The Beginning van het Ierse Winter's Reign en keert vervolgens terug naar de Verenigde Staten.
Op 23 december 1987 staat UFO op de planken voor een eenmalige show. Dit op uitnodiging van tijdschrift Metal Hammer bij hun Christmas Rock Party. Inmiddels is ook Paul Raymond vertrokken, waardoor als nieuwe leden gitarist Myke Gray (17 jaar, ex-Jagged Edge) en toetsenist Eddie George optreden.
Bij verschijning in februari 1988 verkoopt Ain't Misbehavin' net als de voorganger niet goed. Auteur Neil Daniels schrijft dan ook in zijn groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' uit 2013 dat het een min of meer vergeten plaat is. Is dat terecht?
Between a Rock & a Hard Place is een stevige rocker met sterke melodie, tekst én gitaarsolo! Mogelijk dat de uitgebreide tour van UFO met daarin het jaren ’70-werk in de set ervoor heeft gezorgd dat de stijl van Michael Schenker in het spel van gitarist Tommy McClendon / Atomik Tommy M is gekropen. Op Another Saturday Night gaat het de aor-kant op als op de voorganger en hier werkt dat heel goed. At War with the World is steviger, bevat een effectief dameskoortje en is opnieuw sterk; beetje als voorheen The Babys, waarmee in de jaren ’70 ook al overeenkomsten klonken dankzij wederzijdse producer Ron Nevison.
Kant 2 begint met het stevige Hunger in the Night waar UFO op z’n jaren ‘70’s rockt, gevolgd door het pompende Easy Money dat niet onaardig is. Rock Boyz, Rock lijkt geschreven om de liveset te openen, waar beter de Japanse bonus Lonely Cities (Of the Heart) had kunnen staan, stevig met een vleugje melancholie.
In juni 2024 verscheen een heruitgave bij Cleopatra Records. Daarop niet alleen een andere hoes, maar op vinyl twee bonustracks en op cd vijf. Die nummers klinken op streaming en van een matige demokwaliteit hoor ik niks meer terug; het is inmiddels juist aangenaam rauw.
De livetracks, opgenomen tijdens de livetournee van 1986, zijn qua audio matig, maar de gespeelde muziek is van klasse. In Only You Can Rock Me en Doctor Doctor hoor je dat McClendon de partijen van zijn illustere voorganger prima invult. Het laatste nummer van deze bonuseditie is de instrumentale versie van Between a Rock & a Hard Place, waarbij het extra genieten is van het gitaarwerk.
In 1988 komt ex-UFO-bassist Pete Way in de buurt van Mogg wonen in Bearwood, Birmingham. De twee beginnen samen muziek te maken, echter zonder concrete plannen om UFO nieuw leven in te blazen. Sterker nog, in 1989 wordt de groep voor de tweede maal officieel opgeheven, nadat dit in 1983 ook al was gebeurd. Deze situatie duurt tot 1991, als de aanloop begint naar High Stakes & Dangerous Men.
De originele albumhoes, zoals hier op MuMe afgebeeld, is ontworpen door Brian Downey, wiens naam rechtsonder staat vermeld. Is dit zoals Discogs vermeldt inderdaad dezelfde als de voormalige drummer van Thin Lizzy? Feit is dat Chrysalis de demo-EP tot februari 1988 op de plank laat liggen.
In 1987 staat UFO op non-actief: het budget is op. Mogg werkt tijdens die periode vijf maanden als manager voor de nieuwe groep Quireboys, waarin diens neef Nigel Mogg bassist is. McClendon speelt mee op The Beginning van het Ierse Winter's Reign en keert vervolgens terug naar de Verenigde Staten.
Op 23 december 1987 staat UFO op de planken voor een eenmalige show. Dit op uitnodiging van tijdschrift Metal Hammer bij hun Christmas Rock Party. Inmiddels is ook Paul Raymond vertrokken, waardoor als nieuwe leden gitarist Myke Gray (17 jaar, ex-Jagged Edge) en toetsenist Eddie George optreden.
Bij verschijning in februari 1988 verkoopt Ain't Misbehavin' net als de voorganger niet goed. Auteur Neil Daniels schrijft dan ook in zijn groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' uit 2013 dat het een min of meer vergeten plaat is. Is dat terecht?
Between a Rock & a Hard Place is een stevige rocker met sterke melodie, tekst én gitaarsolo! Mogelijk dat de uitgebreide tour van UFO met daarin het jaren ’70-werk in de set ervoor heeft gezorgd dat de stijl van Michael Schenker in het spel van gitarist Tommy McClendon / Atomik Tommy M is gekropen. Op Another Saturday Night gaat het de aor-kant op als op de voorganger en hier werkt dat heel goed. At War with the World is steviger, bevat een effectief dameskoortje en is opnieuw sterk; beetje als voorheen The Babys, waarmee in de jaren ’70 ook al overeenkomsten klonken dankzij wederzijdse producer Ron Nevison.
Kant 2 begint met het stevige Hunger in the Night waar UFO op z’n jaren ‘70’s rockt, gevolgd door het pompende Easy Money dat niet onaardig is. Rock Boyz, Rock lijkt geschreven om de liveset te openen, waar beter de Japanse bonus Lonely Cities (Of the Heart) had kunnen staan, stevig met een vleugje melancholie.
In juni 2024 verscheen een heruitgave bij Cleopatra Records. Daarop niet alleen een andere hoes, maar op vinyl twee bonustracks en op cd vijf. Die nummers klinken op streaming en van een matige demokwaliteit hoor ik niks meer terug; het is inmiddels juist aangenaam rauw.
De livetracks, opgenomen tijdens de livetournee van 1986, zijn qua audio matig, maar de gespeelde muziek is van klasse. In Only You Can Rock Me en Doctor Doctor hoor je dat McClendon de partijen van zijn illustere voorganger prima invult. Het laatste nummer van deze bonuseditie is de instrumentale versie van Between a Rock & a Hard Place, waarbij het extra genieten is van het gitaarwerk.
In 1988 komt ex-UFO-bassist Pete Way in de buurt van Mogg wonen in Bearwood, Birmingham. De twee beginnen samen muziek te maken, echter zonder concrete plannen om UFO nieuw leven in te blazen. Sterker nog, in 1989 wordt de groep voor de tweede maal officieel opgeheven, nadat dit in 1983 ook al was gebeurd. Deze situatie duurt tot 1991, als de aanloop begint naar High Stakes & Dangerous Men.
UFO - Covenant (2000)

3,5
0
geplaatst: 10 oktober 2024, 22:54 uur
In 2000 keerde Michael Schenker terug bij UFO. Vanwege contractuele bepalingen mocht de groep door diens komst weer zo heten, nadat men zich noodgedwongen twee albums lang Mogg/Way noemde. Drummer is Aynsley Dunbar. Een vaste toetsenist ontbreekt deze keer en daarom zijn de bijdragen op de klavieren van sessiemuzikant Kevin Carlson soberder dan voorheen in het UFO-met-Schenker.
De verwachtingen waren hooggespannen en worden op Covenant niet waargemaakt. Het zit ‘m in de composities, niet in Schenkers gitaarspel. De muziek is echter eveneens van zijn hand en die valt mij te vaak tegen.
OpenerLove Is Forever is aardig, waarna via Unraveled en Miss the Lights doorsnee hardrock volgt. Pas bij Midnight Train klinkt heilig vuur waarbij bovendien de gitaarsolo echt spettert. Hoogtepunt van de eerste helft is Fool’s Gold, waarvan het eerste deel gitaargetokkel bevat, om het daarna met dubbele basdrum te laten knallen. Schenker laat zijn gitaar eindelijk briljant zingen in riffs en solo’s. Extra lekker is dat de muziek tijdens die solo’s deels in 7/4-maat is én hij doet in zijn eentje een gitaarduel.
Dan volgen weer drie plichtmatige composities, om met het ingetogener Serenade met z’n mooie koortjes en akoestische gitaarsolo weer op niveau te klimmen. Cowboy Joe is robuust en net boven de middelmaat, gevolgd door het slotlied met wervelend gitaarspel: The World and His Dog is het derde echte hoogtepunt van Covenant.
Dat is magertjes voor UFO-normen. Net iets minder dan voorganger Chocolate Box (Mogg/Way, '99) en vooral minder dan de albums daarvoor: Edge of the World (Mogg/Way '97) en Walk on Water (UFO, '95).
Afgelopen april verscheen Covenant bij Cherry Red in combinatie met opvolger Sharks (2002) als 3cd, samen met opnamen van een concert in Buffalo uit 1995. Zie hier voor de details.
UFO-biografie High Stakes & Dangerous Men (2014) vertelt dat de groep na het verschijnen van Covenant een Britse tournee deed met die andere ex-gitarist van de Scorpions Ulli Jon Roth in het voorprogramma en een Europese met Glenn Hughes als opener. Slaggitarist en toetsenist was Luis Maldonado die met de groep speelde ten tijde van Mogg/Way en Jeff Martin bemande de drumkruk.
In november 2000 kreeg Schenker in Manchester slaande ruzie met vooral bassist Pete Way, waarbij alcohol weer eens een rol speelde. Meer details over die onenigheid in de bio, plus over het project van Way en Schenker genaamd The Plot en dat van Mogg $ign of 4. Op naar dat album,.
De verwachtingen waren hooggespannen en worden op Covenant niet waargemaakt. Het zit ‘m in de composities, niet in Schenkers gitaarspel. De muziek is echter eveneens van zijn hand en die valt mij te vaak tegen.
OpenerLove Is Forever is aardig, waarna via Unraveled en Miss the Lights doorsnee hardrock volgt. Pas bij Midnight Train klinkt heilig vuur waarbij bovendien de gitaarsolo echt spettert. Hoogtepunt van de eerste helft is Fool’s Gold, waarvan het eerste deel gitaargetokkel bevat, om het daarna met dubbele basdrum te laten knallen. Schenker laat zijn gitaar eindelijk briljant zingen in riffs en solo’s. Extra lekker is dat de muziek tijdens die solo’s deels in 7/4-maat is én hij doet in zijn eentje een gitaarduel.
Dan volgen weer drie plichtmatige composities, om met het ingetogener Serenade met z’n mooie koortjes en akoestische gitaarsolo weer op niveau te klimmen. Cowboy Joe is robuust en net boven de middelmaat, gevolgd door het slotlied met wervelend gitaarspel: The World and His Dog is het derde echte hoogtepunt van Covenant.
Dat is magertjes voor UFO-normen. Net iets minder dan voorganger Chocolate Box (Mogg/Way, '99) en vooral minder dan de albums daarvoor: Edge of the World (Mogg/Way '97) en Walk on Water (UFO, '95).
Afgelopen april verscheen Covenant bij Cherry Red in combinatie met opvolger Sharks (2002) als 3cd, samen met opnamen van een concert in Buffalo uit 1995. Zie hier voor de details.
UFO-biografie High Stakes & Dangerous Men (2014) vertelt dat de groep na het verschijnen van Covenant een Britse tournee deed met die andere ex-gitarist van de Scorpions Ulli Jon Roth in het voorprogramma en een Europese met Glenn Hughes als opener. Slaggitarist en toetsenist was Luis Maldonado die met de groep speelde ten tijde van Mogg/Way en Jeff Martin bemande de drumkruk.
In november 2000 kreeg Schenker in Manchester slaande ruzie met vooral bassist Pete Way, waarbij alcohol weer eens een rol speelde. Meer details over die onenigheid in de bio, plus over het project van Way en Schenker genaamd The Plot en dat van Mogg $ign of 4. Op naar dat album,.
UFO - Force It (1975)

4,0
1
geplaatst: 17 januari 2023, 22:04 uur
Op de tweede UFO met gitarist Michael Schenker wordt het geluid uitgebouwd. Toetsenist Chick Churchill, bandmaatje van producer Leo Lyons in Ten Years After, leverde voor Force It uit juli 1975 enkele toetsenbijdragen. Bovendien introduceert drummer Andy Parker op bescheiden wijze de dubbele basdrum.
Toch is de grootste winst dat Schenkers spel beter is ingepast, waardoor de overigen intenser gaan musiceren. De man kwam met de ene na de andere sterke gitaarlick en -solo, waaromheen de liedjes en teksten werden geconstrueerd. Daar komt bij dat de stem van zanger Phil Mogg een rauw randje krijgt en bovendien is de productie wat minder droog dan op voorganger Phenomenon.
Alle nummers op Love Lost Love na zijn lekker, zij het stukken ingetogener dan op de latere liveklassieker Strangers in the Night. Van de nummers op Force It die niet die dubbelaar haalden, vind ik het tedere High Flyer en het swingende Dance your Life Away heel prettig; de eerste door het gitaarspel, de tweede door de zanglijn in de brug, subtiel ondersteund door een orgeltje. Ook het instrumentale slot van This Kid’s dat niet de liveplaat haalde, Between the Walls genaamd, is aangenaam.
De communicatie tussen de timide Schenker en de robuuste Mogg en Way verliep moeilijk; andere persoonlijkheden, die bovendien letterlijk niet elkaars talen spraken. Aldus deze bandbio. Met name de buien van Mogg waren berucht. Lyons vormde tijdens de plaatopnamen de brug, hij sprak namelijk Duits. Daarbuiten was Parker het scharnier.
Gedurende tien dagen was Lyons ook manager van de groep. Hij stuitte onmiddellijk op financieel dubieuze zaken, de deal met platenmaatschappij Chrysalis had rare clausules. In plaats van het monster in de bek te kijken, ontsloeg de band Lyons in die rol. In de jaren ’80 moesten ze hem gelijk geven, nadat ze financieel aan de grond waren geraakt.
Wat ook niet goed was geregeld door Chrysalis, was de distributie in de Verenigde Staten. Voor het eerst haalde een UFO-album de albumlijst, namelijk #71. Dat had hoger kunnen zijn, als de platenbaas in de grootste markt ter wereld meer platen in de winkels had weten te krijgen. Detail: omwille van de goede zeden had de badkamer op de hoesfoto daar een douchegordijn gekregen.
Ook elders was de verkoop groeiende: Wikipedia noemt #35 in Duitsland en #59 in Zwitserland. In eigen land miste Force It de albumlijst, over hun voorheen grootste afzetmarkt Japan kan ik niets vinden.
Op de bonusversie (2007, tevens op streaming) hoor je enkele liveopnamen waarop toetsenist Danny Peyronel is te horen, in juni 1975 binnengevlogen tijdens een Duitse tournee. Via een wederzijdse vriend kwam de vraag of hij belangstelling had: de band had een Wurlitzerpiano in de tourbus, maar niemand die ‘m kon bespelen. Het betekende een volgende stap in de richting van Die Fameuze Livedubbelaar.
Wie deze cd-versie aanschaft, kan tevens de nodige achtergrondinformatie lezen over de totstandkoming van de elpee. De bonussen maken de toch al fijne elpee extra leuk.
Toch is de grootste winst dat Schenkers spel beter is ingepast, waardoor de overigen intenser gaan musiceren. De man kwam met de ene na de andere sterke gitaarlick en -solo, waaromheen de liedjes en teksten werden geconstrueerd. Daar komt bij dat de stem van zanger Phil Mogg een rauw randje krijgt en bovendien is de productie wat minder droog dan op voorganger Phenomenon.
Alle nummers op Love Lost Love na zijn lekker, zij het stukken ingetogener dan op de latere liveklassieker Strangers in the Night. Van de nummers op Force It die niet die dubbelaar haalden, vind ik het tedere High Flyer en het swingende Dance your Life Away heel prettig; de eerste door het gitaarspel, de tweede door de zanglijn in de brug, subtiel ondersteund door een orgeltje. Ook het instrumentale slot van This Kid’s dat niet de liveplaat haalde, Between the Walls genaamd, is aangenaam.
De communicatie tussen de timide Schenker en de robuuste Mogg en Way verliep moeilijk; andere persoonlijkheden, die bovendien letterlijk niet elkaars talen spraken. Aldus deze bandbio. Met name de buien van Mogg waren berucht. Lyons vormde tijdens de plaatopnamen de brug, hij sprak namelijk Duits. Daarbuiten was Parker het scharnier.
Gedurende tien dagen was Lyons ook manager van de groep. Hij stuitte onmiddellijk op financieel dubieuze zaken, de deal met platenmaatschappij Chrysalis had rare clausules. In plaats van het monster in de bek te kijken, ontsloeg de band Lyons in die rol. In de jaren ’80 moesten ze hem gelijk geven, nadat ze financieel aan de grond waren geraakt.
Wat ook niet goed was geregeld door Chrysalis, was de distributie in de Verenigde Staten. Voor het eerst haalde een UFO-album de albumlijst, namelijk #71. Dat had hoger kunnen zijn, als de platenbaas in de grootste markt ter wereld meer platen in de winkels had weten te krijgen. Detail: omwille van de goede zeden had de badkamer op de hoesfoto daar een douchegordijn gekregen.
Ook elders was de verkoop groeiende: Wikipedia noemt #35 in Duitsland en #59 in Zwitserland. In eigen land miste Force It de albumlijst, over hun voorheen grootste afzetmarkt Japan kan ik niets vinden.
Op de bonusversie (2007, tevens op streaming) hoor je enkele liveopnamen waarop toetsenist Danny Peyronel is te horen, in juni 1975 binnengevlogen tijdens een Duitse tournee. Via een wederzijdse vriend kwam de vraag of hij belangstelling had: de band had een Wurlitzerpiano in de tourbus, maar niemand die ‘m kon bespelen. Het betekende een volgende stap in de richting van Die Fameuze Livedubbelaar.
Wie deze cd-versie aanschaft, kan tevens de nodige achtergrondinformatie lezen over de totstandkoming van de elpee. De bonussen maken de toch al fijne elpee extra leuk.
UFO - Headstone (1983)
Alternatieve titel: The Best Of

3,5
1
geplaatst: 6 januari, 20:49 uur
Pas nu valt me op dat ik hier nog Sir Spamalot een antwoord verschuldigd ben. Het ging over de stamboom van UFO en Bernie Marsden, welke je op 5 januari '23 noemde.
Volgens bio 'High Stakes and Dangerous Men' van Neil Daniels ging het zo, te vinden vanaf p. 12: Larry Wallis, bij de groep sinds februari 1972, had na ruzie met Mogg UFO moeten verlaten. In november 1972 wordt Bernie Marsden (21) zijn vervanger.
"Sometime in 1973" nemen ze "a batch of demos" op, lees ik op p. 15, met producer Dave Edmunds in de Rockfield Studio's in Monmouthshire: "As well as 'Oh My', the demos captured the bare bones of what would become 'Doctor Doctor', 'Sixteen' and 'Rock 'n' Roll' and also a cover of 'Move Over' (Janis Joplin)."
Als Marsden in juni 1973 niet op tijd is voor een Duitse tournee, leent UFO de gitarist van voorprogramma Scorpions, Michael Schenker. Deze bevalt zo goed dat, alhoewel Marsden later alsnog opdaagt en Schenker vervangt, hij na de tour de definitieve gitarist van UFO wordt.
De demo-opnamen met Marsden verschenen in 1993 op UFO-compilatie The Decca Years, lees ik tenslotte op p. 16.
Iets uitgebreider noteerde ik dit ook bij UFO - Live (1972) zie ik nu, maar misschien handig dat het ook bij dit Headstone staat vermeld?
Volgens bio 'High Stakes and Dangerous Men' van Neil Daniels ging het zo, te vinden vanaf p. 12: Larry Wallis, bij de groep sinds februari 1972, had na ruzie met Mogg UFO moeten verlaten. In november 1972 wordt Bernie Marsden (21) zijn vervanger.
"Sometime in 1973" nemen ze "a batch of demos" op, lees ik op p. 15, met producer Dave Edmunds in de Rockfield Studio's in Monmouthshire: "As well as 'Oh My', the demos captured the bare bones of what would become 'Doctor Doctor', 'Sixteen' and 'Rock 'n' Roll' and also a cover of 'Move Over' (Janis Joplin)."
Als Marsden in juni 1973 niet op tijd is voor een Duitse tournee, leent UFO de gitarist van voorprogramma Scorpions, Michael Schenker. Deze bevalt zo goed dat, alhoewel Marsden later alsnog opdaagt en Schenker vervangt, hij na de tour de definitieve gitarist van UFO wordt.
De demo-opnamen met Marsden verschenen in 1993 op UFO-compilatie The Decca Years, lees ik tenslotte op p. 16.
Iets uitgebreider noteerde ik dit ook bij UFO - Live (1972) zie ik nu, maar misschien handig dat het ook bij dit Headstone staat vermeld?
UFO - Headstone (2009)
Alternatieve titel: Live at Hammersmith 1983

4,5
0
geplaatst: 31 oktober 2024, 19:45 uur
Deze toch aangeschaft (op cd) en zoals meestal gaat de waardering dan omhoog. Ten eerste omdat die Paul Chapman zo ontzettend goed gitaar speelt, ten tweede omdat dit de enige liveregistratie van de post-Schenkerjaren is waarop eens volle aandacht is voor de composities zonder hem.
De liveset laat horen hoe goed het materiaal ook zonder de geijkte klassiekers is. Als deze nummers slechts B-materiaal waren, hoe kan het dan dat ik er zo enthousiast van word? Zelfs de saxsolo in Lonely Heart die ook bij dit optreden in de Hammersmith werd gespeeld, maakt vrolijk, terwijl ik daar normaal niet zo van ben.
Met bovendien een nuttig cd-boekje, waarin onder meer wordt verteld dat Mogg ná het desastreuze concert in Athene in het ziekenhuis belandde, een foto van een krantenbericht met de titel 'UFO crashlanding confirmed' en een foto van een recensie van de oorspronkelijke dubbelelpee Headstones met de titel Grave consequences.
De albums van UFO uit de periode Chapman mogen er zijn. Ook dit UFO vloog in grootse stijl. Ik verhoog mijn score naar een volle 9, al blijft het slordig dat je wel de aankondiging voor Love to Love hoort, maar dat het nummer ontbreekt.
De liveset laat horen hoe goed het materiaal ook zonder de geijkte klassiekers is. Als deze nummers slechts B-materiaal waren, hoe kan het dan dat ik er zo enthousiast van word? Zelfs de saxsolo in Lonely Heart die ook bij dit optreden in de Hammersmith werd gespeeld, maakt vrolijk, terwijl ik daar normaal niet zo van ben.
Met bovendien een nuttig cd-boekje, waarin onder meer wordt verteld dat Mogg ná het desastreuze concert in Athene in het ziekenhuis belandde, een foto van een krantenbericht met de titel 'UFO crashlanding confirmed' en een foto van een recensie van de oorspronkelijke dubbelelpee Headstones met de titel Grave consequences.
De albums van UFO uit de periode Chapman mogen er zijn. Ook dit UFO vloog in grootse stijl. Ik verhoog mijn score naar een volle 9, al blijft het slordig dat je wel de aankondiging voor Love to Love hoort, maar dat het nummer ontbreekt.
UFO - High Stakes and Dangerous Men (1992)

4,0
0
geplaatst: 15 augustus 2022, 09:24 uur
Mijn streamingdienst berichtte dat er een nieuwe UFO beschikbaar is. Aangezien daar veel van dit fijne bandje ontbreekt, is elke toevoeging welkom. Het blijkt dat High Stakes & Dangerous Men in juli 2022 als 2cd is verschenen met als toevoeging opnamen van een Japanse tour.
Ik heb ‘m via streaming intensief beluisterd terwijl ik vorige week vanuit de Ardennen terugreed naar huis. Dit nadat ik dit lovende artikel tegenkwam op website van magazine Now Spinning, met daarin een vlog van journalist Phil Aston. Hij houdt een interessant betoog over de context van de plaat en is enthousiast over deze “missing piece”.
Van dit album kende ik alleen Revolution, een lekkere maar niet al te opvallende uptempo track. Met deze categorie blijkt de cd vol te staan. Vlotte liedjes, nergens onder de middelmaat, tegelijkertijd ook zelden ver daarboven. Het komt door de composities en melodieën, die zowel degelijk als voorspelbaar zijn met standaard couplet-refreinliedjes.
Tegelijkertijd spat de spelkwaliteit van dit album af. Vakmuzikanten die bepaald niet door het ijs van de routine zakken, maar weten hoe je een rocklied moet opbouwen en inspelen. Lekker geproduceerd door Kit Woolven, al heb ik moeite met die typische badkamerdrumsound die toen mode was, zelfs terwijl dat hier nog meevalt.
Binnen de (vergrijsde?) groep UFO-fans bestaan twee categorieën. De eerste vindt dat alles wat de band zonder gitarist Michael Schenker heeft uitgebracht van mindere kwaliteit is. De tweede denkt daar genuanceerder over. Ik hoor bij de tweede.
Daarom vind ik Laurence Archer op dit album helemaal okay met zijn flitsende shredding gitaarsolo’s, ondanks dat gitaristen in deze stijl nogal eens onderling inwisselbaar zijn. Hier werkt het goed. Interessant voor de trouwe fans is dat bassist Pete Way op het moederschip was teruggekeerd, Clive Edwards zit op de drumkruk. De spaarzame toetsenpartijen zijn door gastmuzikant Don Airey ingespeeld.
Er wordt vooral stevig gerockt, waarbij Archer soms de blues in slidegitaren laat klinken. In de opener Borderline levert dit een aangenaam contrast op met zijn flitsende solo’s.
Andere hoogtepunten: het AOR-achtige She’s the One, het snelle Ain’t Life Sweet met heerlijke gitaarsolo, het melodieuze One of Those Nights, Love Deadly Love met zijn shalalala-refrein dat hier wonderwel werkt: ah ja, de stem van Phil Mogg!
Hier en daar klinkt een dameskoortje zoals in Don’t Want to Lose You; het kan prima met Moggs hese geluid, maar is misschien voor sommigen te poppy. Ik moet dan meteen aan The Babys denken, voor mij een fijne associatie. Op het pittiger Burnin’ Fire werkt het nog beter.
De liveset is van de bijbehorende tournee in ’92 in Japan, waarbij toetsenist Jem Davis de vijfde man op het podium was. Van tevoren was ik afwachtend, maar zoals ik eerder bij bijvoorbeeld Thin Lizzy meemaakte, bleek die scepsis onterecht.
Archer voegt zich namelijk naar de Schenkerstijl, door zich in te houden en vooral de melodielijnen van zijn illustere voorganger te volgen. Het levert verrassend frisse interpretaties op van klassiekers als Too Hot too Handle, Love to Love en Lights Out.
Jawel, het was zwaar genieten op de A2, waar het vuur extra aanging door een bermbrand die ik bij Weert zag. Je hoort hoe goed UFO op de planken is. Ook hier weer, ook in deze bezetting.
Archer verliet de band na dit album en richt zich tegenwoordig weer op Grand Slam, de band die hij ooit met Phil Lynott startte.
Al met al een fijne dubbel-cd. Voor het oorspronkelijke album 3,5 ster, met de live-opnamen een halfje erbij. Dat is een 8 in schoolcijfer, een 8,5 is eigenlijk passender.
Ik heb ‘m via streaming intensief beluisterd terwijl ik vorige week vanuit de Ardennen terugreed naar huis. Dit nadat ik dit lovende artikel tegenkwam op website van magazine Now Spinning, met daarin een vlog van journalist Phil Aston. Hij houdt een interessant betoog over de context van de plaat en is enthousiast over deze “missing piece”.
Van dit album kende ik alleen Revolution, een lekkere maar niet al te opvallende uptempo track. Met deze categorie blijkt de cd vol te staan. Vlotte liedjes, nergens onder de middelmaat, tegelijkertijd ook zelden ver daarboven. Het komt door de composities en melodieën, die zowel degelijk als voorspelbaar zijn met standaard couplet-refreinliedjes.
Tegelijkertijd spat de spelkwaliteit van dit album af. Vakmuzikanten die bepaald niet door het ijs van de routine zakken, maar weten hoe je een rocklied moet opbouwen en inspelen. Lekker geproduceerd door Kit Woolven, al heb ik moeite met die typische badkamerdrumsound die toen mode was, zelfs terwijl dat hier nog meevalt.
Binnen de (vergrijsde?) groep UFO-fans bestaan twee categorieën. De eerste vindt dat alles wat de band zonder gitarist Michael Schenker heeft uitgebracht van mindere kwaliteit is. De tweede denkt daar genuanceerder over. Ik hoor bij de tweede.
Daarom vind ik Laurence Archer op dit album helemaal okay met zijn flitsende shredding gitaarsolo’s, ondanks dat gitaristen in deze stijl nogal eens onderling inwisselbaar zijn. Hier werkt het goed. Interessant voor de trouwe fans is dat bassist Pete Way op het moederschip was teruggekeerd, Clive Edwards zit op de drumkruk. De spaarzame toetsenpartijen zijn door gastmuzikant Don Airey ingespeeld.
Er wordt vooral stevig gerockt, waarbij Archer soms de blues in slidegitaren laat klinken. In de opener Borderline levert dit een aangenaam contrast op met zijn flitsende solo’s.
Andere hoogtepunten: het AOR-achtige She’s the One, het snelle Ain’t Life Sweet met heerlijke gitaarsolo, het melodieuze One of Those Nights, Love Deadly Love met zijn shalalala-refrein dat hier wonderwel werkt: ah ja, de stem van Phil Mogg!
Hier en daar klinkt een dameskoortje zoals in Don’t Want to Lose You; het kan prima met Moggs hese geluid, maar is misschien voor sommigen te poppy. Ik moet dan meteen aan The Babys denken, voor mij een fijne associatie. Op het pittiger Burnin’ Fire werkt het nog beter.
De liveset is van de bijbehorende tournee in ’92 in Japan, waarbij toetsenist Jem Davis de vijfde man op het podium was. Van tevoren was ik afwachtend, maar zoals ik eerder bij bijvoorbeeld Thin Lizzy meemaakte, bleek die scepsis onterecht.
Archer voegt zich namelijk naar de Schenkerstijl, door zich in te houden en vooral de melodielijnen van zijn illustere voorganger te volgen. Het levert verrassend frisse interpretaties op van klassiekers als Too Hot too Handle, Love to Love en Lights Out.
Jawel, het was zwaar genieten op de A2, waar het vuur extra aanging door een bermbrand die ik bij Weert zag. Je hoort hoe goed UFO op de planken is. Ook hier weer, ook in deze bezetting.
Archer verliet de band na dit album en richt zich tegenwoordig weer op Grand Slam, de band die hij ooit met Phil Lynott startte.
Al met al een fijne dubbel-cd. Voor het oorspronkelijke album 3,5 ster, met de live-opnamen een halfje erbij. Dat is een 8 in schoolcijfer, een 8,5 is eigenlijk passender.
UFO - Lights Out (1977)

4,5
1
geplaatst: 2 december 2024, 21:20 uur
Vanavond draait hier de 2024-Deluxe Edition van Lights Out. Een 2cd met andere bonussen dan de 2008-versie die MuMe vermeldt: zie de officiële bandsite.
Op cd1 zijn dat een ingekorte versie van Too Hot to Handle, een pakkende akoestische versie van Alone Again Or én de singleversie van Try Me. En natuurlijk klinkt het reguliere album kristalhelder.
Cd2 bevat het openingsconcert van de Lights Out Tour, gegeven in de Londense Roundhouse. De wijze waarop de groep er meteen inknalt via Lights Out, de opmerkingen tussendoor van frontman Phil Mogg die onder meer het Londense publiek op vermakelijke wijze opzet tegen fans uit Sheffield, de combinatie van de hese zang van Mogg, het gitaar-toetsentandem Michael Schenker (die in topvorm verkeerde) en Paul Raymond en de stuwende ritmesectie Pete Way en Andy Parker in deze ijzersterke set maken dat de 2024-remaster (gemixt door Richard Whittaker) klinkt alsof het gisteren was. In vergelijking met liveklassieker Strangers in the Night klinkt de band net zo goed, waar je aan het publiek hoort dat dit geen stadion- maar een cluboptreden was. Het is hierdoor intiemer en tegelijk hoor je hoe de toeschouwers op hoge snelheid worden ingepakt via de enerverende set.
Het vouwboekje tenslotte heeft een interessant achtergrondverhaal van de hand van Michael Hann. Fans die zweren bij vinyl alleen missen hier toch werkelijk iets! Wát een optreden... Waar zijn professor Barrabas en zijn tijdmachine? Ik wil ernaartoe!
Op cd1 zijn dat een ingekorte versie van Too Hot to Handle, een pakkende akoestische versie van Alone Again Or én de singleversie van Try Me. En natuurlijk klinkt het reguliere album kristalhelder.
Cd2 bevat het openingsconcert van de Lights Out Tour, gegeven in de Londense Roundhouse. De wijze waarop de groep er meteen inknalt via Lights Out, de opmerkingen tussendoor van frontman Phil Mogg die onder meer het Londense publiek op vermakelijke wijze opzet tegen fans uit Sheffield, de combinatie van de hese zang van Mogg, het gitaar-toetsentandem Michael Schenker (die in topvorm verkeerde) en Paul Raymond en de stuwende ritmesectie Pete Way en Andy Parker in deze ijzersterke set maken dat de 2024-remaster (gemixt door Richard Whittaker) klinkt alsof het gisteren was. In vergelijking met liveklassieker Strangers in the Night klinkt de band net zo goed, waar je aan het publiek hoort dat dit geen stadion- maar een cluboptreden was. Het is hierdoor intiemer en tegelijk hoor je hoe de toeschouwers op hoge snelheid worden ingepakt via de enerverende set.
Het vouwboekje tenslotte heeft een interessant achtergrondverhaal van de hand van Michael Hann. Fans die zweren bij vinyl alleen missen hier toch werkelijk iets! Wát een optreden... Waar zijn professor Barrabas en zijn tijdmachine? Ik wil ernaartoe!
UFO - Live (1972)

3,5
1
geplaatst: 11 januari 2023, 18:36 uur
Het in Japan opgenomen Live verscheen daar in 1971 als U.F.O. Landed in Japan en in ’72 in Duitsland als Live. Pas in 1982 verscheen het in het eigen Brittannië, dan als Live in Japan. De eerste twee landen waren dus waar de eerste incarnatie van UFO, met daarin gitarist Mick Bolton, het populairste was. In Japan werd zelfs voor een 20.000-koppig publiek gespeeld en volgden hysterische fans de groep.
De setlist bevat vooral nummers van UFO 1, van UFO 2 zijn slechts Prince Kajuku en The Coming of Prince Kajuku vertegenwoordigd. De A-kant staat volledig uit rock 'n'roll/bluescovers van respectievelijk Eddie Cochran, Bo Diddley en Paul Bloomfield. Op de B-kant staan eigen composities.
Duidelijk is dat UFO, ook met deze spacerock, als liveband al uitermate sterk is. Boltons virtuositeit staat buiten kijf, de ritmesectie legt een gevarieerde basis en zanger Phil Mogg straalt autoriteit uit.
De Britten wilden echter ook in hun thuisland doorbreken en met “progressive rock” zoals zanger Phil Mogg de muziek in januari 1972 in tijdschrift NME omschreef, zou dat niet lukken. Bolton werd na ruzies met Mogg en drummer Andy Parker ontslagen, maar werkte volgens onze eigen Kees Baars later in de jaren ’70 wederom bij UFO. Ik las dit in Baars’ biografie ‘Ouwe Pik’ (2020), maar omdat ik mijn exemplaar heb uitgeleend, kom ik daar een andere keer op terug.
Er werd een advertentie in Melody Maker geplaatst, waarin de band een gitarist vroeg met de toevoeging “You got to look great”, aldus de bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men'. Het werd in februari 1972 Larry Wallis, bekend van Blodwyn Pig, de groep van ex-Jethro Tullman Mick Abrahams. In oktober dat jaar werd hij ontslagen, omdat hij in dronken toestand Mogg had verteld wat hij werkelijk van hem vond. Wallis trad datzelfde najaar toe tot psychedelische rockgroep Pink Fairies en werd in 1975 de eerste gitarist van Motörhead, te horen op On Parole. Na zijn vertrek bij deze band in maart 1976 werd hij huisproducer van het kersverse punklabel Stiff.
In november 1972 verwelkomde UFO de eveneens piepjonge Bernie Marsden, de latere gitarist van Whitesnake. Met Marsden werd de demo Give Her the Gun opgenomen, waarop een oerversie van Doctor Doctor stond. Het leverde hen een platencontract bij Chrysalis op. Werk hiervan is te horen op de verzamelaar The Decca Years (1993).
De vriendelijke Marsden hield het niet lang uit, mede door de ruwe cultuur binnen de groep. Zo maakte hij mee dat hij die winter in de tourbus met schoenen uit in slaap viel, om bij het ontwaken te ontdekken dat bassist Pete Way het stinkende schoeisel uit het raam had gegooid.
De directe aanleiding kwam echter in juni 1973 (andere bronnen noemen 13 juli), toen de gitarist niet op tijd kwam opdagen voor een Duitse tournee in het voorprogramma van Scorpions, naar diens zeggen omdat hij zijn paspoort kwijt was. Als tijdelijke vervanger werd de sologitarist van het hoofdprogramma geleend. Deze Michael Schenker speelde twee shows, waarna Marsden arriveerde en diens plek weer innam. Het was nog steeds juni (of juli) toen de tournee werd afgerond. Marsden verliet UFO, de Engelsen vroegen hierop of Schenker definitief wilde toetreden. De rest is geschiedenis…
Duidelijk is dat het met Wallis en vooral Marsden was dat UFO de eerste stappen zette naar een nieuw geluid. Niet meer de virtuoze spacerock die op dit Live klinkt, maar riffgeoriënteerde hardrock, ontleend aan de blues, waarbij de nummers compacter zijn.
De UFO leden waren nog maar rond de twintig en wisten niet dat een gouden toekomst hen toelachte, inclusief de nodige rafelrandjes. Desondanks is Live een waardig document, waarop een spacerockgroep in progressieve topvorm klinkt.
De setlist bevat vooral nummers van UFO 1, van UFO 2 zijn slechts Prince Kajuku en The Coming of Prince Kajuku vertegenwoordigd. De A-kant staat volledig uit rock 'n'roll/bluescovers van respectievelijk Eddie Cochran, Bo Diddley en Paul Bloomfield. Op de B-kant staan eigen composities.
Duidelijk is dat UFO, ook met deze spacerock, als liveband al uitermate sterk is. Boltons virtuositeit staat buiten kijf, de ritmesectie legt een gevarieerde basis en zanger Phil Mogg straalt autoriteit uit.
De Britten wilden echter ook in hun thuisland doorbreken en met “progressive rock” zoals zanger Phil Mogg de muziek in januari 1972 in tijdschrift NME omschreef, zou dat niet lukken. Bolton werd na ruzies met Mogg en drummer Andy Parker ontslagen, maar werkte volgens onze eigen Kees Baars later in de jaren ’70 wederom bij UFO. Ik las dit in Baars’ biografie ‘Ouwe Pik’ (2020), maar omdat ik mijn exemplaar heb uitgeleend, kom ik daar een andere keer op terug.
Er werd een advertentie in Melody Maker geplaatst, waarin de band een gitarist vroeg met de toevoeging “You got to look great”, aldus de bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men'. Het werd in februari 1972 Larry Wallis, bekend van Blodwyn Pig, de groep van ex-Jethro Tullman Mick Abrahams. In oktober dat jaar werd hij ontslagen, omdat hij in dronken toestand Mogg had verteld wat hij werkelijk van hem vond. Wallis trad datzelfde najaar toe tot psychedelische rockgroep Pink Fairies en werd in 1975 de eerste gitarist van Motörhead, te horen op On Parole. Na zijn vertrek bij deze band in maart 1976 werd hij huisproducer van het kersverse punklabel Stiff.
In november 1972 verwelkomde UFO de eveneens piepjonge Bernie Marsden, de latere gitarist van Whitesnake. Met Marsden werd de demo Give Her the Gun opgenomen, waarop een oerversie van Doctor Doctor stond. Het leverde hen een platencontract bij Chrysalis op. Werk hiervan is te horen op de verzamelaar The Decca Years (1993).
De vriendelijke Marsden hield het niet lang uit, mede door de ruwe cultuur binnen de groep. Zo maakte hij mee dat hij die winter in de tourbus met schoenen uit in slaap viel, om bij het ontwaken te ontdekken dat bassist Pete Way het stinkende schoeisel uit het raam had gegooid.
De directe aanleiding kwam echter in juni 1973 (andere bronnen noemen 13 juli), toen de gitarist niet op tijd kwam opdagen voor een Duitse tournee in het voorprogramma van Scorpions, naar diens zeggen omdat hij zijn paspoort kwijt was. Als tijdelijke vervanger werd de sologitarist van het hoofdprogramma geleend. Deze Michael Schenker speelde twee shows, waarna Marsden arriveerde en diens plek weer innam. Het was nog steeds juni (of juli) toen de tournee werd afgerond. Marsden verliet UFO, de Engelsen vroegen hierop of Schenker definitief wilde toetreden. De rest is geschiedenis…
Duidelijk is dat het met Wallis en vooral Marsden was dat UFO de eerste stappen zette naar een nieuw geluid. Niet meer de virtuoze spacerock die op dit Live klinkt, maar riffgeoriënteerde hardrock, ontleend aan de blues, waarbij de nummers compacter zijn.
De UFO leden waren nog maar rond de twintig en wisten niet dat een gouden toekomst hen toelachte, inclusief de nodige rafelrandjes. Desondanks is Live een waardig document, waarop een spacerockgroep in progressieve topvorm klinkt.
UFO - Making Contact (1983)

4,0
0
geplaatst: 6 januari, 21:21 uur
Kwam 'm vorige week tegen op tweedehands vinyl bij WWRecords in Wageningen. Meegenomen. Zoals vaker doe ik er na enkele draaibeurten een halfje bij vanwege de beleving van de elpee en de hoes. Vier sterren dus.
Wel snap ik de teleurstelling die menigeen begin jaren '80 had bij UFO, omdat "we" een luid, hard, gemeen en passioneel vervolg van livealbum Strangers in the Night wilden.
Frontman Phil Mogg echter ging voor een melodieuzere aanpak, die weliswaar stevig kan zijn maar er is ook een koers richting adult oriented rock. Inclusief de typisch jaren '80-toetsen. Grote inbreng hierin had Neil Carter.
Het sterkst merk ik dat bij de ballade You and Me. Daarin een sfeer die aan het Marillion in diezelfde tijd doet denken. Maar via When It's Time to Rock dat daarna komt, is echter een stevig UFO te horen, zij het met een groot stadionrefrein. En toch, hoor de gitaarsolo van Paul Chapman in het slot: die mag er zijn.
Het landt dus beter nu ik een paar decennia ouder ben. Daarbij vind ik het zó leuk dat Carter en Mogg in 2024 de samenwerking hebben hervat bij Moggs Motel!
Wel snap ik de teleurstelling die menigeen begin jaren '80 had bij UFO, omdat "we" een luid, hard, gemeen en passioneel vervolg van livealbum Strangers in the Night wilden.
Frontman Phil Mogg echter ging voor een melodieuzere aanpak, die weliswaar stevig kan zijn maar er is ook een koers richting adult oriented rock. Inclusief de typisch jaren '80-toetsen. Grote inbreng hierin had Neil Carter.
Het sterkst merk ik dat bij de ballade You and Me. Daarin een sfeer die aan het Marillion in diezelfde tijd doet denken. Maar via When It's Time to Rock dat daarna komt, is echter een stevig UFO te horen, zij het met een groot stadionrefrein. En toch, hoor de gitaarsolo van Paul Chapman in het slot: die mag er zijn.
Het landt dus beter nu ik een paar decennia ouder ben. Daarbij vind ik het zó leuk dat Carter en Mogg in 2024 de samenwerking hebben hervat bij Moggs Motel!
UFO - Mechanix (1982)

4,0
1
geplaatst: 2 december 2022, 22:18 uur
Waarom is UFO qua succes nooit een hele grote band geworden? Wat dat betreft is de periode 1981-1982 exemplarisch. De band tourde succesvol als voorprogramma van Ozzy Osbourne door de Verenigde Staten, al kwam helaas ongeplande publiciteit toen de laatste meemaakte dat zijn gitarist Randy Rhoads om het leven kwam; deze werd vervangen door ex-Gillangitarist Bernie Tormé. UFO maakte indruk op de podia, maar ontbeerde zowel een goede platenmaatschappij (Chrysalis had daar geen goede distributie) als een effectieve manager en op de volgende elpee werden keuzes gemaakt die niet bij de doelgroep aansloten.
Had ik Mechanix bij verschijnen in februari 1982 gehoord, dan was ik teleurgesteld geweest. De hoescover sowieso, brrr… Op de A-kant komt UFO uiterst langzaam op stoom: saxofoon in de eerste twee nummers, waarbij een onnodige jaren ’50-cover van Eddie Cochran?
Dan stijgt het niveau via Back into my Life, al is het voor een ballade-met-dameskoortje nog wat vroeg. De zompige bluesrock van You’ll Get Love is aardig, als een afgedankt liedje van het Whitesnake van die dagen; wél een sterke gitaarsolo. Doing it All for You begint met een saai drumpatroon, maar versnelt na een couplet; er volgt een verrassend sterk refrein en dito gitaarsolo’s van Paul Chapman. Hè hè, ze kunnen het nog!
Het is alsof een coach de band tijdens de rust streng heeft toegesproken, want op de B-zijde komt de band veel beter uit de startblokken. Het uptempo We Belong to the Night met zijn knallende gitaarwerk, het popachtige Let it Rain met lekkere keyboards en de sterke ballade Terri met strijkers, ontspannen rock in de stijl van Bob Seger. Feel It is wel erg vierkant, maar afsluiter Dreaming knalt gelukkig als een malle, mede omdat de stem van Phil Mogg hier zo goed bij past.
Afgelopen week verbaasde ik me erover dat de sterke songs vooral op de B-zijde staan: meestal is dat omgekeerd. Begin je echter met die tweede helft, dan werkt de plaat prima. Vermeldenswaardig is The Writer met een scherpe tekst over tabloidjournalisten. Bovendien staan op streaming vier aangename bonussen.
Qua inkomsten liep het dus minder en zo kwam er zand in de motor. In de bio The Story of UFO vertelt auteur Neil Daniels over twee oudgedienden. Bassist Pete Way kwam na de tournee niet opdagen bij de repetities en vertrok zo met stille trom. Hij vond de muziek te melodieus geworden, “rolstoelmuziek”. Na een korte periode bij de groep Fastway werd hij tourbassist bij Ozzy Osbourne tijdens diens tournee voor Bark at the Moon. Drummer Andy Parker verhuisde naar Californië, maar zou nog één jaar en één plaat bij de groep blijven.
Waar namen als Osbourne, Foreigner en mede-blueshardrockers Whitesnake zich vernieuwden en geleidelijk een groot publiek bereikten, bleef UFO achter. Ze hadden veel meer verdiend, ook met dit enigzins wisselvallige Mechanix.
Had ik Mechanix bij verschijnen in februari 1982 gehoord, dan was ik teleurgesteld geweest. De hoescover sowieso, brrr… Op de A-kant komt UFO uiterst langzaam op stoom: saxofoon in de eerste twee nummers, waarbij een onnodige jaren ’50-cover van Eddie Cochran?
Dan stijgt het niveau via Back into my Life, al is het voor een ballade-met-dameskoortje nog wat vroeg. De zompige bluesrock van You’ll Get Love is aardig, als een afgedankt liedje van het Whitesnake van die dagen; wél een sterke gitaarsolo. Doing it All for You begint met een saai drumpatroon, maar versnelt na een couplet; er volgt een verrassend sterk refrein en dito gitaarsolo’s van Paul Chapman. Hè hè, ze kunnen het nog!
Het is alsof een coach de band tijdens de rust streng heeft toegesproken, want op de B-zijde komt de band veel beter uit de startblokken. Het uptempo We Belong to the Night met zijn knallende gitaarwerk, het popachtige Let it Rain met lekkere keyboards en de sterke ballade Terri met strijkers, ontspannen rock in de stijl van Bob Seger. Feel It is wel erg vierkant, maar afsluiter Dreaming knalt gelukkig als een malle, mede omdat de stem van Phil Mogg hier zo goed bij past.
Afgelopen week verbaasde ik me erover dat de sterke songs vooral op de B-zijde staan: meestal is dat omgekeerd. Begin je echter met die tweede helft, dan werkt de plaat prima. Vermeldenswaardig is The Writer met een scherpe tekst over tabloidjournalisten. Bovendien staan op streaming vier aangename bonussen.
Qua inkomsten liep het dus minder en zo kwam er zand in de motor. In de bio The Story of UFO vertelt auteur Neil Daniels over twee oudgedienden. Bassist Pete Way kwam na de tournee niet opdagen bij de repetities en vertrok zo met stille trom. Hij vond de muziek te melodieus geworden, “rolstoelmuziek”. Na een korte periode bij de groep Fastway werd hij tourbassist bij Ozzy Osbourne tijdens diens tournee voor Bark at the Moon. Drummer Andy Parker verhuisde naar Californië, maar zou nog één jaar en één plaat bij de groep blijven.
Waar namen als Osbourne, Foreigner en mede-blueshardrockers Whitesnake zich vernieuwden en geleidelijk een groot publiek bereikten, bleef UFO achter. Ze hadden veel meer verdiend, ook met dit enigzins wisselvallige Mechanix.
UFO - Misdemeanor (1985)

4,0
2
geplaatst: 20 september 2024, 16:45 uur
Phil Mogg die in een rockballade zingt “Oh my America, and to be where my footsteps lead me over, to be born again tonight”. Je vindt het op comebackplaat Misdemeanor. Net als Whitesnake in die tijd deed (Slide It In uit 1984), maakte UFO een doorstart met een album dat zowel een Europese als een Amerikaanse mix kreeg.
UFO was ten grave gedragen door een combinatie van fysieke en financiële uitputting, beide mede veroorzaakt door een wat al te uitgebreid feestleven inclusief enkele stimulerende middelen, zo vertelt bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men: the UFO Story' (2013) van Neil Daniels.
Voorganger Making Contact was geflopt, de tour werd in Griekenland tot een fiasco, leden verlieten de groep en verzamelaar Headstone uit hetzelfde jaar benadrukte het einde. Oerlid Phil Mogg deed de stekker eruit en klopte aan bij de Sociale Dienst.
Begin 1984 bevindt de frontman zich echter in Los Angeles, op zoek naar een gitarist voor een doorstart van UFO, zo vertelt Daniels. Mogg wil verder en in Engeland zit niet het talent dat hij zoekt, dát weet hij zeker, al is hij daarbij wél kritisch: "In America they all go to guitar school, but they do tend to come out playing scales". Daarbij heeft hij zich voorgenomen om professioneler te werken: niet meer drinken op het podium, waardoor het in Athene helemaal misging.
De Brit ontmoet Yngwie Malmsteen, die de band Steeler gaat verlaten. Even lijkt de Zweed de gedroomde kandidaat maar als deze voor Alcatrazz kiest, wordt verder gezocht. Hierna ontmoet hij ene Steve Vai die kort kandidaat is maar opnieuw zet dit niet door, waarna via Mike Varney van Guitar Player Magazine en Shrapnel Records de onbekende Amerikaan Tommy McClendon wordt opgeduikeld.
Toetsenist wordt Barbara Schenker, bekend van de groep Viva én als zus van Rudolf (Scorpions) en ex-UFO-legende Michael. Drummer is Miles Baggs en bassist Paul Gray keert terug. Zowel Schenker als Baggs verdwijnen al na enkele repetities, vervangers zijn drummer Robbie France (ex-Diamond Head) en de eveneens terugkerende toetsenist/gitarist Paul Raymond.
Een bijna geheel ander UFO en dus wil Mogg de groep niet meer zo noemen. The Great Outdoors lijkt hem beter als naam. Als UFO doet men echter een dertiendelige tour door Engeland met de groep Tobruk en tekent in april ‘84 opnieuw bij Chrysalis dat gewoon UFO wil. Kort voor de opnamen van Misdemeanor vertrekt France en zo wordt Jim Simpson, ex-Magnum, de derde drummer van het comeback-UFO, nog vóór men de studio induikt.
De Amerikaanse aor-producer Kevin Elson moet helpen UFO klaar te maken voor de Amerikaanse markt, maar als hij drie dagen bezig is om het drumgeluid te bepalen, wordt deze door een ongeduldige Mogg ontslagen: studiotijd in de fameuze Manor is duur en de bandleider heeft geen zin om opnieuw schulden te make. Chrysalis slaagt erin om Nick Tauber op te duikelen, vooral bekend van zijn werk met Thin Lizzy in de jaren ’72 – ’74 en Toyah, The Boys en Marillion in de jaren ‘80. De groep verkast naar het Hilversumse Wisseloord.
Het resultaat is een album waarop toetsen hoog in de mix staan en hier en daar koortjes klinken. Dit is hoe Mogg het nieuwe UFO wil, al blijft het een gitaargroep, zo meldt hij in interviews.
In februari verscheen het album in Europa, in maart in de VS waar het een iets andere mix kreeg: een klein beetje meer gitaar en iets zwaardere drums, waardoor een compacter geluid klinkt. In beide mixen klinkt de gitaar zachter dan voorheen bij UFO, waarmee de muziek een combinatie van hard- en adult oriented rock is. Neemt niet weg dat McClendon onder de naam Atomik Tommy M een enorme snarenracer blijkt, al is hij wel het type “scales” waar Mogg het eerder over had. In Blue zit een vreemde modulatie in zijn solo, die erg lekker is.
Alle nummers zijn uptempo, op The Only Ones en Dream the Dream na. In die laatste de tekst uit de inleiding. In 2009 verscheen een cd-versie met bovendien de Amerikaanse mix op zes bonusnummers.
Nergens is het spectaculair goed, evenmin zakt UFO door een ondergrens. Het is degelijk en gelijkmatig in die typische jaren ’80-stijl, toen het radiovriendelijker moest worden. Ik kom op een dikke 7.
Er wordt meer getourd, want slechte verkopen zullen leiden tot ontbinding van het contract, had Chrysalis laten vastleggen. Het nieuwe UFO beklimt de podia in opnieuw het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door Europa (met Accept) en de VS, waar echter kleinere zalen dan voorheen worden aangedaan.
Vervolgens eiste Chrysalis nieuw materiaal, wat belandde op EP/mini-album Ain't Misbehavin'.
UFO was ten grave gedragen door een combinatie van fysieke en financiële uitputting, beide mede veroorzaakt door een wat al te uitgebreid feestleven inclusief enkele stimulerende middelen, zo vertelt bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men: the UFO Story' (2013) van Neil Daniels.
Voorganger Making Contact was geflopt, de tour werd in Griekenland tot een fiasco, leden verlieten de groep en verzamelaar Headstone uit hetzelfde jaar benadrukte het einde. Oerlid Phil Mogg deed de stekker eruit en klopte aan bij de Sociale Dienst.
Begin 1984 bevindt de frontman zich echter in Los Angeles, op zoek naar een gitarist voor een doorstart van UFO, zo vertelt Daniels. Mogg wil verder en in Engeland zit niet het talent dat hij zoekt, dát weet hij zeker, al is hij daarbij wél kritisch: "In America they all go to guitar school, but they do tend to come out playing scales". Daarbij heeft hij zich voorgenomen om professioneler te werken: niet meer drinken op het podium, waardoor het in Athene helemaal misging.
De Brit ontmoet Yngwie Malmsteen, die de band Steeler gaat verlaten. Even lijkt de Zweed de gedroomde kandidaat maar als deze voor Alcatrazz kiest, wordt verder gezocht. Hierna ontmoet hij ene Steve Vai die kort kandidaat is maar opnieuw zet dit niet door, waarna via Mike Varney van Guitar Player Magazine en Shrapnel Records de onbekende Amerikaan Tommy McClendon wordt opgeduikeld.
Toetsenist wordt Barbara Schenker, bekend van de groep Viva én als zus van Rudolf (Scorpions) en ex-UFO-legende Michael. Drummer is Miles Baggs en bassist Paul Gray keert terug. Zowel Schenker als Baggs verdwijnen al na enkele repetities, vervangers zijn drummer Robbie France (ex-Diamond Head) en de eveneens terugkerende toetsenist/gitarist Paul Raymond.
Een bijna geheel ander UFO en dus wil Mogg de groep niet meer zo noemen. The Great Outdoors lijkt hem beter als naam. Als UFO doet men echter een dertiendelige tour door Engeland met de groep Tobruk en tekent in april ‘84 opnieuw bij Chrysalis dat gewoon UFO wil. Kort voor de opnamen van Misdemeanor vertrekt France en zo wordt Jim Simpson, ex-Magnum, de derde drummer van het comeback-UFO, nog vóór men de studio induikt.
De Amerikaanse aor-producer Kevin Elson moet helpen UFO klaar te maken voor de Amerikaanse markt, maar als hij drie dagen bezig is om het drumgeluid te bepalen, wordt deze door een ongeduldige Mogg ontslagen: studiotijd in de fameuze Manor is duur en de bandleider heeft geen zin om opnieuw schulden te make. Chrysalis slaagt erin om Nick Tauber op te duikelen, vooral bekend van zijn werk met Thin Lizzy in de jaren ’72 – ’74 en Toyah, The Boys en Marillion in de jaren ‘80. De groep verkast naar het Hilversumse Wisseloord.
Het resultaat is een album waarop toetsen hoog in de mix staan en hier en daar koortjes klinken. Dit is hoe Mogg het nieuwe UFO wil, al blijft het een gitaargroep, zo meldt hij in interviews.
In februari verscheen het album in Europa, in maart in de VS waar het een iets andere mix kreeg: een klein beetje meer gitaar en iets zwaardere drums, waardoor een compacter geluid klinkt. In beide mixen klinkt de gitaar zachter dan voorheen bij UFO, waarmee de muziek een combinatie van hard- en adult oriented rock is. Neemt niet weg dat McClendon onder de naam Atomik Tommy M een enorme snarenracer blijkt, al is hij wel het type “scales” waar Mogg het eerder over had. In Blue zit een vreemde modulatie in zijn solo, die erg lekker is.
Alle nummers zijn uptempo, op The Only Ones en Dream the Dream na. In die laatste de tekst uit de inleiding. In 2009 verscheen een cd-versie met bovendien de Amerikaanse mix op zes bonusnummers.
Nergens is het spectaculair goed, evenmin zakt UFO door een ondergrens. Het is degelijk en gelijkmatig in die typische jaren ’80-stijl, toen het radiovriendelijker moest worden. Ik kom op een dikke 7.
Er wordt meer getourd, want slechte verkopen zullen leiden tot ontbinding van het contract, had Chrysalis laten vastleggen. Het nieuwe UFO beklimt de podia in opnieuw het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door Europa (met Accept) en de VS, waar echter kleinere zalen dan voorheen worden aangedaan.
Vervolgens eiste Chrysalis nieuw materiaal, wat belandde op EP/mini-album Ain't Misbehavin'.
UFO - No Heavy Petting (1976)

3,5
2
geplaatst: 20 januari 2023, 02:04 uur
Nou AOR_Lover, vandaag is dan dus de dag dat dit daverende draaischijfje denderend nederdaalt! Jammer genoeg is mijn favoplatenzaakje (Velvet Ede) niet meer, anders zou ik daar komende zaterdag rap heengaan.
No Heavy Petting is een verwijzing naar de bordjes op Britse openbare toiletten waarmee allerlei zedeloosheid moest worden voorkomen. Ik kende de uitdrukking uit begin jaren ’80, toen er een metalband was die Heavy Pettin' heette… De hoes van ontwerpersgroep Hipgnosis zorgt voor een extra knipoog, passend bij eerdere UFO-hoezen.
Op streaming speelde ik de voorbije dagen de cd-versie (2007) af, die met vijf studiobonussen. Het begin spettert met Natural Thing. De rest groeit bij vaker draaien: geleidelijk vergeet ik bijna dat het vergeleken met mijn instapalbum Strangers in the Night nogal tam klinkt. I’m a Loser bijvoorbeeld, desondanks een heel fraai liedje.
Het snelle Can You Roll Her is echter met zijn dubbele basdrumgebeuk zijn tijd vooruit; helaas liet producer Leo Lyons het niet zo knallen als Martin Birch met Rainbows Kill the King deed, dat een vergelijkbare drumpartij kent. Belladonna is een kippenvelballade, op Reasons Love zet drummer Andy Parker zijn basdrums weer stevig aan het werk.
Highway Lady trapt eveneens uptempo de B-kant af; nieuw bandlid Danny Peyronel speelt lustig piano, wat ik tegenwoordig wel kan waarderen; de twee nummers daarna doen me minder. Martian Landscape sluit het oorspronkelijke album af met heerlijk toetsenwerk, die voor een nadrukkelijke 70’s-sfeer zorgen; een groeibriljantje.
De bonussen vind ik minder, inclusief Have You Seen me Lately Joan, die ik liever in de originele versie van Frankie Miller hoor. Uitzondering is afsluiter All the Strings, een compositie van Peyronel; hele fraaie ballade met prachtig toetsenspel!
Grootste troef van dit album is wederom het gitaarspel van Michael Schenker, waarbij de band op alle andere vlakken was gegroeid, op het niveau van de composities na.
Volgens de bandbiografie High Stakes zorgde een beperkt budget voor minder studiodagen. Hierdoor klinkt de productie (met name de drums) minder vol dan men wenste. Ook privé zat de groep krap (mede omdat er het nodige in genotsmiddelen werd gestopt): zanger Phil Mogg en zijn echtgenote woonden op dat moment bij Lyons in, een eigen woning hadden ze niet.
Meer feitjes. In de studio ernaast nam Judas Priest tegelijkertijd Sad Wings of Destiny op, wat ertoe leidde dat Mogg extra gedreven was.
Het album verkocht minder dan voorganger Force It: Chrysalis had in de nieuwe wereld weliswaar nieuwe distributeurs, maar deze zwakke kant van de platenmaatschappij verbeterde niet.
Tournees door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zagen de bezoekersaantallen echter stijgen, waarbij nieuwe manager Dick Jordan Michael bovendien meer optredens wist te regelen. Het was daar dat Mogg besloot dat de stijl steviger moest worden, meer gitaargeoriënteerd.
De bio verhaalt uiteraard over de Amerikaanse tournee, inclusief momenten á la Spinal Tap…
Over de hoes nog dit. Tot half mei valt in het Groninger Museum een tentoonstelling over de platenhoezen van Hipgnosis te zien. Ik hoop daar veel UFO tegen te komen!
No Heavy Petting is een verwijzing naar de bordjes op Britse openbare toiletten waarmee allerlei zedeloosheid moest worden voorkomen. Ik kende de uitdrukking uit begin jaren ’80, toen er een metalband was die Heavy Pettin' heette… De hoes van ontwerpersgroep Hipgnosis zorgt voor een extra knipoog, passend bij eerdere UFO-hoezen.
Op streaming speelde ik de voorbije dagen de cd-versie (2007) af, die met vijf studiobonussen. Het begin spettert met Natural Thing. De rest groeit bij vaker draaien: geleidelijk vergeet ik bijna dat het vergeleken met mijn instapalbum Strangers in the Night nogal tam klinkt. I’m a Loser bijvoorbeeld, desondanks een heel fraai liedje.
Het snelle Can You Roll Her is echter met zijn dubbele basdrumgebeuk zijn tijd vooruit; helaas liet producer Leo Lyons het niet zo knallen als Martin Birch met Rainbows Kill the King deed, dat een vergelijkbare drumpartij kent. Belladonna is een kippenvelballade, op Reasons Love zet drummer Andy Parker zijn basdrums weer stevig aan het werk.
Highway Lady trapt eveneens uptempo de B-kant af; nieuw bandlid Danny Peyronel speelt lustig piano, wat ik tegenwoordig wel kan waarderen; de twee nummers daarna doen me minder. Martian Landscape sluit het oorspronkelijke album af met heerlijk toetsenwerk, die voor een nadrukkelijke 70’s-sfeer zorgen; een groeibriljantje.
De bonussen vind ik minder, inclusief Have You Seen me Lately Joan, die ik liever in de originele versie van Frankie Miller hoor. Uitzondering is afsluiter All the Strings, een compositie van Peyronel; hele fraaie ballade met prachtig toetsenspel!
Grootste troef van dit album is wederom het gitaarspel van Michael Schenker, waarbij de band op alle andere vlakken was gegroeid, op het niveau van de composities na.
Volgens de bandbiografie High Stakes zorgde een beperkt budget voor minder studiodagen. Hierdoor klinkt de productie (met name de drums) minder vol dan men wenste. Ook privé zat de groep krap (mede omdat er het nodige in genotsmiddelen werd gestopt): zanger Phil Mogg en zijn echtgenote woonden op dat moment bij Lyons in, een eigen woning hadden ze niet.
Meer feitjes. In de studio ernaast nam Judas Priest tegelijkertijd Sad Wings of Destiny op, wat ertoe leidde dat Mogg extra gedreven was.
Het album verkocht minder dan voorganger Force It: Chrysalis had in de nieuwe wereld weliswaar nieuwe distributeurs, maar deze zwakke kant van de platenmaatschappij verbeterde niet.
Tournees door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zagen de bezoekersaantallen echter stijgen, waarbij nieuwe manager Dick Jordan Michael bovendien meer optredens wist te regelen. Het was daar dat Mogg besloot dat de stijl steviger moest worden, meer gitaargeoriënteerd.
De bio verhaalt uiteraard over de Amerikaanse tournee, inclusief momenten á la Spinal Tap…
Over de hoes nog dit. Tot half mei valt in het Groninger Museum een tentoonstelling over de platenhoezen van Hipgnosis te zien. Ik hoop daar veel UFO tegen te komen!
UFO - No Place to Run (1980)

4,0
5
geplaatst: 8 augustus 2022, 09:24 uur
Hoe herkenbaar, hetgeen ik hierboven lees bij diverse MuMensen: dat No Place to Run na liveplaat Strangers in the Night tegenviel. Ik kan me zelfs niet herinneren dat ik in 1981, toen ik deze plaat leende, ook maar één liedje heb opgenomen. Na de voortdenderende livedubbelaar was dit wel erg mak voor een testosteronpuber, waarbij ik de virtuoze gitaarsolo’s van Michael Schenker node miste.
In beschrijvingen kom je tegen dat UFO de ontbrekende schakel is tussen klassieke hardrock en de New wave of British heavy metal. Dan moet Strangers zijn bedoeld en daarmee hun livereputatie, want op de studioplaten voordien én nadien hoor ik hardrock.
Rond 2010 liep ik een nachtelijke dropping. We kwamen door Wekerom, een klein dorp met een benzinepomp. En verrek, daar zag ik het: het benzinestation van de hoes van No Place to Run, inclusief dat lelijke harde licht! Dat belletje bleef rinkelen totdat ik de plaat via internet had gehoord.
Geen voortdenderende mammoetenrock, wél prachtige liedjes. Soms stevig zoals Lettin’ Go, maar ook gevoelig zoals Gone in the Night dat me warempel aan Foreigner-in-topvorm doet denken, of bluesy zoals in Mystery Train.
Paul Chapman, die UFO al eerder live had bijgestaan, was de nieuwe gitarist. De man kende dus het materiaal, maar hij had grote schoenen om te vullen, zoals hij eerder deed in 1971, toen hij die van Gary Moore in (de Ierse band) Skid Row aanpaste. Alleen al het akoestische intro van Mystery Train laat horen hoe slecht ik indertijd luisterde. Knap!
Vooral de A-kant, van de filmische sci-fi opener Alpha Centauri tot en met Gone in the Night, is zó ontzettend fijn. Op die laatste song excelleert Phil Mogg met zijn hees-melancholische stem, vooral als hij dat rauwe randje eraan toevoegt. Van mij mag hij het telefoonboek zingen, ik vind het altijd heerlijk. Op de B-kant bevalt het uptempo Money Money me vooral, mede omdat de band hier luid knalt, ook hier met dat weemoedige gevoel erbij. Conclusie: de puber die ik was had bananen in zijn oren. Wat ben ik (weer) van dit bandje gaan houden!
In beschrijvingen kom je tegen dat UFO de ontbrekende schakel is tussen klassieke hardrock en de New wave of British heavy metal. Dan moet Strangers zijn bedoeld en daarmee hun livereputatie, want op de studioplaten voordien én nadien hoor ik hardrock.
Rond 2010 liep ik een nachtelijke dropping. We kwamen door Wekerom, een klein dorp met een benzinepomp. En verrek, daar zag ik het: het benzinestation van de hoes van No Place to Run, inclusief dat lelijke harde licht! Dat belletje bleef rinkelen totdat ik de plaat via internet had gehoord.
Geen voortdenderende mammoetenrock, wél prachtige liedjes. Soms stevig zoals Lettin’ Go, maar ook gevoelig zoals Gone in the Night dat me warempel aan Foreigner-in-topvorm doet denken, of bluesy zoals in Mystery Train.
Paul Chapman, die UFO al eerder live had bijgestaan, was de nieuwe gitarist. De man kende dus het materiaal, maar hij had grote schoenen om te vullen, zoals hij eerder deed in 1971, toen hij die van Gary Moore in (de Ierse band) Skid Row aanpaste. Alleen al het akoestische intro van Mystery Train laat horen hoe slecht ik indertijd luisterde. Knap!
Vooral de A-kant, van de filmische sci-fi opener Alpha Centauri tot en met Gone in the Night, is zó ontzettend fijn. Op die laatste song excelleert Phil Mogg met zijn hees-melancholische stem, vooral als hij dat rauwe randje eraan toevoegt. Van mij mag hij het telefoonboek zingen, ik vind het altijd heerlijk. Op de B-kant bevalt het uptempo Money Money me vooral, mede omdat de band hier luid knalt, ook hier met dat weemoedige gevoel erbij. Conclusie: de puber die ik was had bananen in zijn oren. Wat ben ik (weer) van dit bandje gaan houden!
