Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Radiators - Ghostown (1979)

4,5
0
geplaatst: 29 juli 2024, 10:58 uur
The Radiators from Space brachten in het tumultueuze punkjaar 1977 hun debuut uit, pas medio september '79 volgde de tweede. Het heeft dan bijna een jaar op de plank gelegen.
De furie van de eerste punkgolf is inmiddels behoorlijk uitgewoed. Sommige groepen zijn gestopt, anderen kozen voor een mildere muzikale aanpak, zoals The Stranglers en The Damned. Zo ook deze groep uit Dublin.
In eerste instantie lijkt er sprake van versobering. De groepsnaam is ingekort tot Radiators en albumtitel Ghostown is met opzet korter geschreven dan de Engelse spellingsregels voorschrijven. Later volgden er meer groepen met de naam Radiators, waarmee verwarring onvermijdelijk is als je op zoek gaat naar hun muziek. Om die te voorkomen, vermeldt MuMe hun platen onder de groepsnaam The Radiators From Space.
De groep is inmiddels verhuisd naar Londen, tevens thuisbasis van hun label Chiswick en tekent voor Ierland een distributiedeal met CBS. Alhoewel in eigen land heel populair, gaat er één en ander mis. Blijkens Irish Rock Discography was bij de eerste persing van Ghostown, medio september 1979, nog geen hoes beschikbaar. De eerste exemplaren werden in alle haast in posters aangeleverd. Promo-exemplaren bereiken de recensenten te laat, waardoor er qua promotie één en ander mis ging.
Resultaat: noch op de site van The Irish Charts, noch op die van de Britse collega's kan ik iets van het album of zijn singles terugvinden. Gezien het succes van het debuut en de kwaliteit die hier klinkt, is dat vreemd voor dit sterke album. Een bescheiden meesterwerkje flopte. Wellicht weten gaucho en Roxy6 meer, puttend uit hun archieven en herinneringen?
Ghostown werd geproduceerd door topproducer Tony Visconti, in die dagen allang een grote naam door zijn werk met David Bowie en vele anderen. In diezelfde periode werkte hij in Parijs aan Thin Lizzy's Black Rose en zijn meesterhand wordt geleidelijk steeds duidelijker.
De muziek is beweeglijk: je kunt er diverse genrestickertjes op plakken. Wat eerst opvalt: uptempo gitaarliedjes, melodieus en pakkend, zoals meteen in de vrolijke, springerige opener Million Dollar Baby. Hierin een solo van gastsaxofonist Ruan O'Lochlainn, die vaker op de plaat is te horen. Invloeden van de artrock van de eerdere jaren ’70 komen langs in combinatie met new wave met veel gitaar en soms galmende power pop. Kant 1 sluit af met They're Looting in the Town, waarin echo's van de jaren '60 terugklinken.
Op de tweede helft hetzelfde recept, waarbij het opnieuw moeilijk is om favorieten uit te kiezen. Wel staat daarop een tweede meesterwerkje: Song of the Faithful Departed. Pas hier valt me op dat dit eigenlijk een themaplaat is over Ierland en Dublin in het bijzonder, inclusief de velen die het land verlieten. De muziek bevindt zich ergens tussen die van The Boomtown Rats en Bruce Springsteen met de kanttekening dat dit nadrukkelijk Europees én gitaargericht klinkt.
De groep viel spoedig na release uit elkaar. Philip Chevron belandde bij The Pogues, waarmee hij wél een doorbraak meemaakte. Het is op hun website dat hij terugblikte op zijn tijd bij The Radiators. De groep keerde in 2003 terug op het podium, om in 2006 studioalbum Trouble Pilgrim uit te brengen. Chevron overleed in 2013.
Ghostown is een sterk album dat groeit bij vaker draaien. Aanbevolen voor liefhebbers van kwaliteitspop met een alternatief randje. Een vergeten pareltje, in ieder geval in Nederland. In latere jaren kwam in hun eigen Ierland herwaardering.
Mijn reis door new wave kwam van Skids en vervolgt bij punks die in mindere mate hun furie verloren: Generation X.
De furie van de eerste punkgolf is inmiddels behoorlijk uitgewoed. Sommige groepen zijn gestopt, anderen kozen voor een mildere muzikale aanpak, zoals The Stranglers en The Damned. Zo ook deze groep uit Dublin.
In eerste instantie lijkt er sprake van versobering. De groepsnaam is ingekort tot Radiators en albumtitel Ghostown is met opzet korter geschreven dan de Engelse spellingsregels voorschrijven. Later volgden er meer groepen met de naam Radiators, waarmee verwarring onvermijdelijk is als je op zoek gaat naar hun muziek. Om die te voorkomen, vermeldt MuMe hun platen onder de groepsnaam The Radiators From Space.
De groep is inmiddels verhuisd naar Londen, tevens thuisbasis van hun label Chiswick en tekent voor Ierland een distributiedeal met CBS. Alhoewel in eigen land heel populair, gaat er één en ander mis. Blijkens Irish Rock Discography was bij de eerste persing van Ghostown, medio september 1979, nog geen hoes beschikbaar. De eerste exemplaren werden in alle haast in posters aangeleverd. Promo-exemplaren bereiken de recensenten te laat, waardoor er qua promotie één en ander mis ging.
Resultaat: noch op de site van The Irish Charts, noch op die van de Britse collega's kan ik iets van het album of zijn singles terugvinden. Gezien het succes van het debuut en de kwaliteit die hier klinkt, is dat vreemd voor dit sterke album. Een bescheiden meesterwerkje flopte. Wellicht weten gaucho en Roxy6 meer, puttend uit hun archieven en herinneringen?
Ghostown werd geproduceerd door topproducer Tony Visconti, in die dagen allang een grote naam door zijn werk met David Bowie en vele anderen. In diezelfde periode werkte hij in Parijs aan Thin Lizzy's Black Rose en zijn meesterhand wordt geleidelijk steeds duidelijker.
De muziek is beweeglijk: je kunt er diverse genrestickertjes op plakken. Wat eerst opvalt: uptempo gitaarliedjes, melodieus en pakkend, zoals meteen in de vrolijke, springerige opener Million Dollar Baby. Hierin een solo van gastsaxofonist Ruan O'Lochlainn, die vaker op de plaat is te horen. Invloeden van de artrock van de eerdere jaren ’70 komen langs in combinatie met new wave met veel gitaar en soms galmende power pop. Kant 1 sluit af met They're Looting in the Town, waarin echo's van de jaren '60 terugklinken.
Op de tweede helft hetzelfde recept, waarbij het opnieuw moeilijk is om favorieten uit te kiezen. Wel staat daarop een tweede meesterwerkje: Song of the Faithful Departed. Pas hier valt me op dat dit eigenlijk een themaplaat is over Ierland en Dublin in het bijzonder, inclusief de velen die het land verlieten. De muziek bevindt zich ergens tussen die van The Boomtown Rats en Bruce Springsteen met de kanttekening dat dit nadrukkelijk Europees én gitaargericht klinkt.
De groep viel spoedig na release uit elkaar. Philip Chevron belandde bij The Pogues, waarmee hij wél een doorbraak meemaakte. Het is op hun website dat hij terugblikte op zijn tijd bij The Radiators. De groep keerde in 2003 terug op het podium, om in 2006 studioalbum Trouble Pilgrim uit te brengen. Chevron overleed in 2013.
Ghostown is een sterk album dat groeit bij vaker draaien. Aanbevolen voor liefhebbers van kwaliteitspop met een alternatief randje. Een vergeten pareltje, in ieder geval in Nederland. In latere jaren kwam in hun eigen Ierland herwaardering.
Mijn reis door new wave kwam van Skids en vervolgt bij punks die in mindere mate hun furie verloren: Generation X.
Rainbow - Bent Out of Shape (1983)

4,0
1
geplaatst: 6 augustus 2023, 19:46 uur
Vanaf Down to Earth (1979) vond deze tiener Rainbow per album gladder worden. Toch wist ik inmiddels dat vergelijken met de jaren Dio geen zin had en oordeelde ik dat Bent out of Shape niet onaardig was, toen ik deze najaar 1983 uit de fonotheek leende.
Opener Stranded vat meteen samen wat ik van dit lichtere Rainbow vond: een matig hardrocknummer met een fantastische gitaarsolo van Ritchie Blackmore. Deze puber wilde het echter harder, waar Blackmore de andere kant opging.
Pas in de internetjaren kwam ik tegen wat hierboven ook wordt genoemd: hij wilde muziek á la Foreigner, hitsucces in de Verenigde Staten. Tja, dát deed Foreigner beter, in 1987 nog eens overtroffen door Def Leppard. Ook op Bent out of Shape klinkt namelijk niet de muziek die geschikt was om (veel) popliefhebbers aan te spreken. Het hardrockt teveel.
Vier nummers vond ik boven de middelmaat uitstijgen en belandden op een cassettebandje. Can't Let You Go met mooie melodie, sterke en passende zang van Joe Lynn Turner en wederom sterke gitaarsolo; Fire Dance met zijn snelle riff en duel tussen de toetsen van David Rosenthal en gitaar; het klassieke toetsenintro van Desperate Heart luidt een vlot en radiovriendelijk liedje in, waarbij ik me vandaag wederom verbaasde over die herkenbare en snelle solostijl van Blackmore. Het is om dezelfde redenen dat ik Street of Dreams opnam, ook al is het wat rustiger.
Veertig jaar later blijken de nummers die ik oversloeg vooral keurige "zeventjes". Lichte hardrock, niet verrassend of betoverend maar altijd met spectaculair gitaarwerk. Maar liefst twee instrumentale nummers zitten erbij, te weten Anybody There en Snowman. In beide laat de gitarist zich van zijn subtielere kant zien, in de tweede is er ook een belangrijke rol voor toetsenist David Rosenthal: het klinkt bijna als de muziek bij een misdaadserie.
De hoes is weer herkenbaar uit de school van Hipgnosis. Net als Difficult to Cure uit 1981 werd de plaat opgenomen in Kopenhagen met technicus Flemming Rasmussen, degene die het jaar erop furore zou maken dankzij zijn werk voor Metallica. Ook hun inzet kon niet voorkomen dat single Street of Dreams zelfs in het VK slechts tot #52 reikte. De romantische teksten en de hardrock-light ten spijt.
Blackmore woog zijn kansen en besloot uiteindelijk dat een reünie met Deep Purple geen slecht idee was, nieuws dat ik nieuwsgierig omarmde. Einde Rainbow tot 1994, toen Blackmore het nog eens met vier onbekende muzikanten probeerde.
In de jaren vóór 2016 probeerde Turner tevergeefs Blackmore warm te krijgen voor een reünie van Rainbow. Het contact liep via de managers van beiden. Uiteindelijk vernam hij uit de media dat er opnieuw een totaal nieuwe versie van de groep was verzameld.
Dan was het Rainbow van dit album en voorgangers Difficult to Cure en Straight Between the Eyes tenminste wél een echte groep: Turner schreef veel nummers met de groepsbaas, aangevuld met bijdragen van Rosenthal en bassist Roger Glover, die het album bovendien produceerde. Alleen daarom al de naam Rainbow waardig, waar de latere incarnaties "Blackmore & zeer kortstondige medewerkers" betroffen.
Opener Stranded vat meteen samen wat ik van dit lichtere Rainbow vond: een matig hardrocknummer met een fantastische gitaarsolo van Ritchie Blackmore. Deze puber wilde het echter harder, waar Blackmore de andere kant opging.
Pas in de internetjaren kwam ik tegen wat hierboven ook wordt genoemd: hij wilde muziek á la Foreigner, hitsucces in de Verenigde Staten. Tja, dát deed Foreigner beter, in 1987 nog eens overtroffen door Def Leppard. Ook op Bent out of Shape klinkt namelijk niet de muziek die geschikt was om (veel) popliefhebbers aan te spreken. Het hardrockt teveel.
Vier nummers vond ik boven de middelmaat uitstijgen en belandden op een cassettebandje. Can't Let You Go met mooie melodie, sterke en passende zang van Joe Lynn Turner en wederom sterke gitaarsolo; Fire Dance met zijn snelle riff en duel tussen de toetsen van David Rosenthal en gitaar; het klassieke toetsenintro van Desperate Heart luidt een vlot en radiovriendelijk liedje in, waarbij ik me vandaag wederom verbaasde over die herkenbare en snelle solostijl van Blackmore. Het is om dezelfde redenen dat ik Street of Dreams opnam, ook al is het wat rustiger.
Veertig jaar later blijken de nummers die ik oversloeg vooral keurige "zeventjes". Lichte hardrock, niet verrassend of betoverend maar altijd met spectaculair gitaarwerk. Maar liefst twee instrumentale nummers zitten erbij, te weten Anybody There en Snowman. In beide laat de gitarist zich van zijn subtielere kant zien, in de tweede is er ook een belangrijke rol voor toetsenist David Rosenthal: het klinkt bijna als de muziek bij een misdaadserie.
De hoes is weer herkenbaar uit de school van Hipgnosis. Net als Difficult to Cure uit 1981 werd de plaat opgenomen in Kopenhagen met technicus Flemming Rasmussen, degene die het jaar erop furore zou maken dankzij zijn werk voor Metallica. Ook hun inzet kon niet voorkomen dat single Street of Dreams zelfs in het VK slechts tot #52 reikte. De romantische teksten en de hardrock-light ten spijt.
Blackmore woog zijn kansen en besloot uiteindelijk dat een reünie met Deep Purple geen slecht idee was, nieuws dat ik nieuwsgierig omarmde. Einde Rainbow tot 1994, toen Blackmore het nog eens met vier onbekende muzikanten probeerde.
In de jaren vóór 2016 probeerde Turner tevergeefs Blackmore warm te krijgen voor een reünie van Rainbow. Het contact liep via de managers van beiden. Uiteindelijk vernam hij uit de media dat er opnieuw een totaal nieuwe versie van de groep was verzameld.
Dan was het Rainbow van dit album en voorgangers Difficult to Cure en Straight Between the Eyes tenminste wél een echte groep: Turner schreef veel nummers met de groepsbaas, aangevuld met bijdragen van Rosenthal en bassist Roger Glover, die het album bovendien produceerde. Alleen daarom al de naam Rainbow waardig, waar de latere incarnaties "Blackmore & zeer kortstondige medewerkers" betroffen.
Rainbow - Difficult to Cure (1981)

2,5
1
geplaatst: 29 juni 2022, 12:35 uur
Terwijl ik bezig was de eerdere albums van Rainbow te ontdekken, verscheen in 1981 Difficult to Cure. Kees Baars was uiterst positief in zijn recensie in Oor, ik was dus benieuwd. ‘Zou deze nieuwe zanger het niveau van Ronnie James Dio halen?’ vroeg ik mij af.
Tegelijkertijd las ik berichten dat ik daar niet op moest rekenen. Door de radiovriendelijke aanpak die Blackmore voorstond met Turner als zanger en Rondinelli als drummer was de sound wederom veranderd.
De fonotheek had de plaat spoedig in de bakken staan, zodat ik al snel mijn eigen oordeel kon vellen. De berichten klopten, zo was spoedig duidelijk: Blackmore ging eigenwijs een eenvoudiger (?) muzikale kant op.
Slechts twee liedjes belandden op mijn cassettebandje. I Surrender en Spotlight Kid, ik vind ze nog altijd goed. Dit hield echter ook in dat de rest van de plaat - in mijn beleving - inkakte. De jaren ’70 waren definitief voorbij, welkom in de “gladdere” jaren ’80. Geen Fireball of Stargazer met alle energie en complexiteit die Blackmore indertijd tentoonspreidde.
Niet dat de plaat slecht was: naast de twee goede tracks vond ik vooral de twee instrumentale songs best wel okay. Op kant A sluit Vielleicht das nächster Zeit (oude titel) af en op kant B doet de titelsong hetzelfde. Op deze nummers klinken zowel de klassieke kant als het herkenbare gitaartalent van virtuoos Blackmore volop. In het laatste geval herkende ik het gedicht/lied Ode an die Freude (1785) van Friedrich Schiller en het koordeel uit Beethovens Negende (1823). Blackmore was vaak in Duitsland te vinden, hij had er een schatje én een zoon.
Wat me ook opviel: aan de credits is te zien dat Roger Glover veel liedjes meeschreef en bovendien is Don Airey goed op dreef, dienstbaar als altijd. Desondanks pakken de meeste liedjes me niet, toen niet en nu niet.
Later ontmoette ik jongere fans die juist meer van deze toegankelijkere versie van Rainbow houden: helemaal prima natuurlijk. Daarover werd en wordt (bijvoorbeeld hierboven) eindeloos gediscussieerd, want over smaak valt héél goed te twisten. Dat deden wij vanaf 1979 met elke plaat die Rainbow uitbracht; toen al was het altijd weer vergelijken met de eerste vier albums van Rainbow, de dagen dat Dio in de microfoon zong. Eindeloze welles-nietesdiscussies op het schoolplein!
Tegenwoordig valt me op dat Magic met zijn oh-oh-koortjes goede adult oriented rock is, maar indertijd luisterde ik wat dat betreft liever naar The Babys/John Waite, Foreigner en Kansas, een band die op dat moment eenzelfde muzikale transitie maakte.
Voor mij is dit een aardig plaatje, niet meer en niet minder. De fanatiekere aor-fan zal waarschijnlijk méér sterren geven dan de 2,5 die ik doneer.
Tegelijkertijd las ik berichten dat ik daar niet op moest rekenen. Door de radiovriendelijke aanpak die Blackmore voorstond met Turner als zanger en Rondinelli als drummer was de sound wederom veranderd.
De fonotheek had de plaat spoedig in de bakken staan, zodat ik al snel mijn eigen oordeel kon vellen. De berichten klopten, zo was spoedig duidelijk: Blackmore ging eigenwijs een eenvoudiger (?) muzikale kant op.
Slechts twee liedjes belandden op mijn cassettebandje. I Surrender en Spotlight Kid, ik vind ze nog altijd goed. Dit hield echter ook in dat de rest van de plaat - in mijn beleving - inkakte. De jaren ’70 waren definitief voorbij, welkom in de “gladdere” jaren ’80. Geen Fireball of Stargazer met alle energie en complexiteit die Blackmore indertijd tentoonspreidde.
Niet dat de plaat slecht was: naast de twee goede tracks vond ik vooral de twee instrumentale songs best wel okay. Op kant A sluit Vielleicht das nächster Zeit (oude titel) af en op kant B doet de titelsong hetzelfde. Op deze nummers klinken zowel de klassieke kant als het herkenbare gitaartalent van virtuoos Blackmore volop. In het laatste geval herkende ik het gedicht/lied Ode an die Freude (1785) van Friedrich Schiller en het koordeel uit Beethovens Negende (1823). Blackmore was vaak in Duitsland te vinden, hij had er een schatje én een zoon.
Wat me ook opviel: aan de credits is te zien dat Roger Glover veel liedjes meeschreef en bovendien is Don Airey goed op dreef, dienstbaar als altijd. Desondanks pakken de meeste liedjes me niet, toen niet en nu niet.
Later ontmoette ik jongere fans die juist meer van deze toegankelijkere versie van Rainbow houden: helemaal prima natuurlijk. Daarover werd en wordt (bijvoorbeeld hierboven) eindeloos gediscussieerd, want over smaak valt héél goed te twisten. Dat deden wij vanaf 1979 met elke plaat die Rainbow uitbracht; toen al was het altijd weer vergelijken met de eerste vier albums van Rainbow, de dagen dat Dio in de microfoon zong. Eindeloze welles-nietesdiscussies op het schoolplein!
Tegenwoordig valt me op dat Magic met zijn oh-oh-koortjes goede adult oriented rock is, maar indertijd luisterde ik wat dat betreft liever naar The Babys/John Waite, Foreigner en Kansas, een band die op dat moment eenzelfde muzikale transitie maakte.
Voor mij is dit een aardig plaatje, niet meer en niet minder. De fanatiekere aor-fan zal waarschijnlijk méér sterren geven dan de 2,5 die ik doneer.
Rainbow - Down to Earth (1979)

4,0
3
geplaatst: 25 maart 2022, 14:48 uur
Met mijn ronkende verhalen over het Rainbow met eerste zanger Ronnie James Dio zou ik bijna vergeten dat ik die pas ná deze plaat zou horen. Via Neerlands tipparades klonk vanaf mei 1979 single All Night Long en vanaf augustus Since You Been Gone; de tweede single herinner ik me daadwerkelijk op de radio te hebben gehoord, vond ik meteen een goed liedje. Het was het jaar dat new wave en ska zeer succesvol werden en mijn volle aandacht hadden; nieuwe namen vulden zowel de ether als de popmagazines. Maar dus ook deze inmiddels veteraan Ritchie Blackmore.
Het verhaal is bekend. Blackmore wilde terug naar de hitlijsten zoals indertijd met Purple en daarom toegankelijke teksten over boy-meets-girl in plaats van dragon-enters-dungeon. Zanger Ronnie James Dio zwaaide daarom af, terwijl Blackmore's geduld met bassist Bob Daisley en toetsenist David Stone alweer op was.
Ik las in die dagen dat Blackmore zijn voormalige Purplebassist Roger Glover terughaalde. 'Een voorteken dat Deep Purple een reünie zou gaan doen?' zo vroeg de journalistiek zich af. Met Don Airey op toetsen (het jaar ervoor uitvoerig te horen op Never Say Die! van Black Sabbath) en de onbekende Graham Bonnet als zanger ging een 60% gereviseerd Rainbow een andere koers varen.
Pas enkele jaren geleden ontdekte ik dat Bonnet in 1968 een hitje had gescoord met de groep Marbles, het liedje Only One Woman, een liedje van de heren van de Beegees. Via Blackmore betrad deze strak geklede meneer de heavy rockwereld en deed dat bepaald niet onverdienstelijk.
Toen ik de plaat rond 1981 draaide, werd al snel duidelijk dat dit een prima album was. Naast de singles waren het vooral Eyes of the World, Makin' Love en Lost in Hollywood die ik goed vond.
Met de huidige oren constateer ik dat de meeste songs makkelijk met Dio hadden kunnen worden opgenomen, zij het dat hij deze ongetwijfeld andere teksten en dus ook titels had meegegeven. Zo doet Makin' Love mij denken aan Do You Close Your Eyes van de tweede Rainbow. Diezelfde echo klinkt bij Love's No Friend, dat wel iets weg heeft van Purples/Rainbows Mistreated.
Toch is de koers wel degelijk lichter: de koortjes in singles Eyes of the World en Since You Been Gone, wat zelfs mijn zusje een leuk liedje vond.
Over de gehele plaat musiceert en soleert Blackmore fraai. Voeg daarbij de kenmerkende stijl van drummer Cozy Powell (breaks als taka-ta-tak, taka-ta-tak in Eyes), terwijl Airey her en der heerlijke partijen neerzet op zijn klavieren. Dit is gewoon een goede plaat die ontegenzeggelijk als Rainbow klinkt. Niks mee mis.
Het verhaal is bekend. Blackmore wilde terug naar de hitlijsten zoals indertijd met Purple en daarom toegankelijke teksten over boy-meets-girl in plaats van dragon-enters-dungeon. Zanger Ronnie James Dio zwaaide daarom af, terwijl Blackmore's geduld met bassist Bob Daisley en toetsenist David Stone alweer op was.
Ik las in die dagen dat Blackmore zijn voormalige Purplebassist Roger Glover terughaalde. 'Een voorteken dat Deep Purple een reünie zou gaan doen?' zo vroeg de journalistiek zich af. Met Don Airey op toetsen (het jaar ervoor uitvoerig te horen op Never Say Die! van Black Sabbath) en de onbekende Graham Bonnet als zanger ging een 60% gereviseerd Rainbow een andere koers varen.
Pas enkele jaren geleden ontdekte ik dat Bonnet in 1968 een hitje had gescoord met de groep Marbles, het liedje Only One Woman, een liedje van de heren van de Beegees. Via Blackmore betrad deze strak geklede meneer de heavy rockwereld en deed dat bepaald niet onverdienstelijk.
Toen ik de plaat rond 1981 draaide, werd al snel duidelijk dat dit een prima album was. Naast de singles waren het vooral Eyes of the World, Makin' Love en Lost in Hollywood die ik goed vond.
Met de huidige oren constateer ik dat de meeste songs makkelijk met Dio hadden kunnen worden opgenomen, zij het dat hij deze ongetwijfeld andere teksten en dus ook titels had meegegeven. Zo doet Makin' Love mij denken aan Do You Close Your Eyes van de tweede Rainbow. Diezelfde echo klinkt bij Love's No Friend, dat wel iets weg heeft van Purples/Rainbows Mistreated.
Toch is de koers wel degelijk lichter: de koortjes in singles Eyes of the World en Since You Been Gone, wat zelfs mijn zusje een leuk liedje vond.
Over de gehele plaat musiceert en soleert Blackmore fraai. Voeg daarbij de kenmerkende stijl van drummer Cozy Powell (breaks als taka-ta-tak, taka-ta-tak in Eyes), terwijl Airey her en der heerlijke partijen neerzet op zijn klavieren. Dit is gewoon een goede plaat die ontegenzeggelijk als Rainbow klinkt. Niks mee mis.
Rainbow - Live in Munich 1977 (2006)

5,0
3
geplaatst: 17 februari 2022, 19:20 uur
Midden jaren ’80 zond Rockpalast een concert van Rainbow uit 1977 uit, vast niet voor het eerst. Ik was desondanks verrukt: eindelijk beelden van deze fantastische band! Op tv ontwaarde ik enkele fraaie details, die mij hielpen om On Stage beter te begrijpen. In de jaren ’90 was de show weer op tv en toen bezat ik een videorecorder, hoep hoep hiera!
Hij is tegenwoordig te koop als Live in Munich 1977. Nadat ik laatst On Stage weer eens beluisterde, besloot ik de Rockpalast-dvd te kopen. Concerten kijk ik thuis met beamer en de grote audio; biertje erbij en zelfs in lockdowntijden sta ik in een concertzaal.
De personalia: Tony Carey was weggepest door Blackmore, zo valt te lezen in Dio’s biografie Rainbow in the Dark. Met Jimmy Bain was kennelijk ook iets mis, sowieso omdat hij met zijn vingers baste en baas Blackmore wilde de fellere aanslag van een plectrum. Door deze dvd kan ik raden wat hem nog meer niet aanstond in Bain.
Nieuw was dus de linkerzijde van het podium, vanuit het publiek gezien: toetsenist David Stone en bassist Bob Daisley. De eerste lijkt wat timide, of is hij gewoon geconcentreerd? Daisley wandelt rustig en zelfverzekerd rond. Terwijl Powell zich achter hem in het zweet werkt, straalt Dio midden vooraan rust en autoriteit uit. Uitgebreid bedankt hij het publiek voor het lange wachten. Staande bij zijn microfoon, die het hele concert in de standaard blijft, maakt hij al zingend met de linkerhand allerlei gebaren; met de vingers van de rechterhand tikt hij regelmatig op de microfoon, wellicht een oude gewoonte uit zijn trompetjaren.
Rechts staat de man in het zwart, routineus, creatief, zijn band dirigerend. Voor geluidseffecten gebruikt hij o.a. een bandrecorder. Aan het einde van de show beproeft hij hoe stevig zijn gitaar eigenlijk is, maar zelfs dat doet hij beheerst.
Hierboven schreven anderen over allerlei verschilletjes tussen On Stage en deze dvd/cd én de voorge-schiedenis: Blackmore was zojuist uit een politiecel ontslagen. Bij de extra’s van de dvd vertelt Daisley meer. Hij beschrijft wat enkele dagen eerder misging tijdens een concert, hoe Blackmore zich tevergeefs verborg voor de politie en in de cel belandde. Bij aankomst in München droeg hij al dagenlang dezelfde podiumkleding; hij zal vanaf binnenkomst niet fris hebben geroken…
Dat hij desondanks in topvorm is, is daarom extra knap. Tijdens het concert bedankt Dio expliciet roadie Ox als de Man op de Zilveren Berg en bovendien is Long Live Rock ‘n' Roll níet voor Oostenrijk; nu snap ik waarom.
Andere leuke extra’s op dvd zijn videoclips van drie songs van hun volgende plaat en de veel te korte docu Rainbow Over Texas ’76, waarop Tony Carey en Jimmy Bain te zien zijn. De laatste beweegt wild over het podium, een fascinerend gezicht, maar ik vermoed dat de baas vond dat hij daarmee teveel aandacht trok. Hilarisch zijn Daisleys anekdotes over de practical jokes van Blackmore voor wie zelfs de tourmanager verre van veilig was.
Tenslotte valt op hoe ver tegenwoordig de techniek is gevorderd ten opzichte van 1977. De lichtshow bijvoorbeeld, met de regenboog die toen het summum van techniek was. Onveranderd hoog is de kwaliteit van de muziek: wát een band, wát een stem had ome Dio, wát een composities maakten deze mannen... Hoe mooi is het ook om Blackmore het hoofd te zien wiegen tijdens de ingetogen delen van zijn solo’s. Het warmst word ik van de talrijke en uitgebreide bedankjes van Dio aan het publiek: je voelt je zó welkom bij hem, alsof je er live bij bent!
Hij is tegenwoordig te koop als Live in Munich 1977. Nadat ik laatst On Stage weer eens beluisterde, besloot ik de Rockpalast-dvd te kopen. Concerten kijk ik thuis met beamer en de grote audio; biertje erbij en zelfs in lockdowntijden sta ik in een concertzaal.
De personalia: Tony Carey was weggepest door Blackmore, zo valt te lezen in Dio’s biografie Rainbow in the Dark. Met Jimmy Bain was kennelijk ook iets mis, sowieso omdat hij met zijn vingers baste en baas Blackmore wilde de fellere aanslag van een plectrum. Door deze dvd kan ik raden wat hem nog meer niet aanstond in Bain.
Nieuw was dus de linkerzijde van het podium, vanuit het publiek gezien: toetsenist David Stone en bassist Bob Daisley. De eerste lijkt wat timide, of is hij gewoon geconcentreerd? Daisley wandelt rustig en zelfverzekerd rond. Terwijl Powell zich achter hem in het zweet werkt, straalt Dio midden vooraan rust en autoriteit uit. Uitgebreid bedankt hij het publiek voor het lange wachten. Staande bij zijn microfoon, die het hele concert in de standaard blijft, maakt hij al zingend met de linkerhand allerlei gebaren; met de vingers van de rechterhand tikt hij regelmatig op de microfoon, wellicht een oude gewoonte uit zijn trompetjaren.
Rechts staat de man in het zwart, routineus, creatief, zijn band dirigerend. Voor geluidseffecten gebruikt hij o.a. een bandrecorder. Aan het einde van de show beproeft hij hoe stevig zijn gitaar eigenlijk is, maar zelfs dat doet hij beheerst.
Hierboven schreven anderen over allerlei verschilletjes tussen On Stage en deze dvd/cd én de voorge-schiedenis: Blackmore was zojuist uit een politiecel ontslagen. Bij de extra’s van de dvd vertelt Daisley meer. Hij beschrijft wat enkele dagen eerder misging tijdens een concert, hoe Blackmore zich tevergeefs verborg voor de politie en in de cel belandde. Bij aankomst in München droeg hij al dagenlang dezelfde podiumkleding; hij zal vanaf binnenkomst niet fris hebben geroken…
Dat hij desondanks in topvorm is, is daarom extra knap. Tijdens het concert bedankt Dio expliciet roadie Ox als de Man op de Zilveren Berg en bovendien is Long Live Rock ‘n' Roll níet voor Oostenrijk; nu snap ik waarom.
Andere leuke extra’s op dvd zijn videoclips van drie songs van hun volgende plaat en de veel te korte docu Rainbow Over Texas ’76, waarop Tony Carey en Jimmy Bain te zien zijn. De laatste beweegt wild over het podium, een fascinerend gezicht, maar ik vermoed dat de baas vond dat hij daarmee teveel aandacht trok. Hilarisch zijn Daisleys anekdotes over de practical jokes van Blackmore voor wie zelfs de tourmanager verre van veilig was.
Tenslotte valt op hoe ver tegenwoordig de techniek is gevorderd ten opzichte van 1977. De lichtshow bijvoorbeeld, met de regenboog die toen het summum van techniek was. Onveranderd hoog is de kwaliteit van de muziek: wát een band, wát een stem had ome Dio, wát een composities maakten deze mannen... Hoe mooi is het ook om Blackmore het hoofd te zien wiegen tijdens de ingetogen delen van zijn solo’s. Het warmst word ik van de talrijke en uitgebreide bedankjes van Dio aan het publiek: je voelt je zó welkom bij hem, alsof je er live bij bent!
Rainbow - Long Live Rock 'n' Roll (1978)

4,5
3
geplaatst: 11 maart 2022, 18:40 uur
Nadat ik in 1980 via Black Sabbaths Heaven and Hell was gevallen voor de stem van meneer Dio, ging ik zijn eerdere werk uitzoeken. In '81 of '82 kocht ik Long Live Rock 'n' Roll op vinyl met klaphoes. In Dio's chronologie de plaat vóór HaH .
Middenin een foto van fans met spandoek waarop de albumtitel staat vermeld. Later las ik dat dit in werkelijkheid bij een concert van Rush was, een kleine manipulatie dus. Hier is dat helemaal prima.
De vierde en laatste Rainbow met Dio in de gelederen, de band in dezelfde bezetting als op On Stage. Bij verschijnen stond in de Hitkrant (!) een artikel over de plaat, zo wist ik nog, met een lovend verhaal. Vooraf kende ik twee nummers: de titelsong had op Hilversum 3 geklonken en vond ik voor een meezinger goed te doen. Dit dankzij de heerlijke coupletten; het denderende Kill the King was me bekend van de liveplaat; ook in deze studioversie heerlijk, nu met enkele dubbele zangpartijen.
Nieuwe hoogtepunten waren er ook! In Lady of the Lake verwijst naar het verhaal van het zwaard Excalibur uit de sagen rond koning Arthur, de vrouw die het mythische zwaard presenteert. Een lied met prachtige melodieën. De gitaarsolo bestaat uit lange noten, die enigszins oosters aandoen.
De openingsregels van L.A. Connection keerden later terug als er iets grondig was mislukt: "Carry home my broken bones and lay me down to rest. Forty days of cries and moans, I guess I’ve failed to pass the test". Prachtige dichtregels bij een prachtige compositie, helaas enkele malen toepasbaar op mijn leven. In het laatste deel zit honkytonk pianospel, wat ik toen niet mooi vond maar nu wél; doet aan Dio’s jaren bij Elf denken.
Gates of Babylon met z'n toetsenintro van David Stone en oosterse gitaarlijnen is majestueus, over de verlokkingen van het kwaad en het uiteindelijke fatale einde.
Op de B-kant springen twee liefdesliedjes eruit. Hé, was dat niet wat Blackmore vanaf de volgende plaat ambieerde? Sensitive to Light bezingt een prachtige maar ongrijpbare schone jonkvrouw. In het drumsloze Rainbow Eyes zingt Dio niet voluit maar juist ingetogen en liegt zichzelf voor: "She's been gone since yesterday, oh I didn't care. Never cared for yesterdays, were they ever there?" Ja, ze gaan over de liefde maar de teksten hebben een diepgang die normale liefdesliedjes missen. Te moeilijk voor de hitlijsten, de richting die Blackmore vervolgens nadrukkelijk zocht.
Het is uiteraard een stevige plaat, maar wat me hier opeens sterk opvalt is dat de man in het zwart het gebruik van massieve powerchords veelal mijdt, om melodieus om de melodielijnen heen te spelen. Cozy Powell drumt weer herkenbaar de sterren van de hemel en in combinatie met het betrouwbare spel van Bob Daisley staat een basis waarop Blackmore de ruimte krijgt voor zijn melodieuze invulling.
Later verscheen een Deluxe Edition, inmiddels deels op streaming te vinden, waarvan vooral een kort maar fenomenaal mooi intro van Lady of the Lake opvalt; waarom heeft dit de definitieve elpee niet gehaald?
Middenin een foto van fans met spandoek waarop de albumtitel staat vermeld. Later las ik dat dit in werkelijkheid bij een concert van Rush was, een kleine manipulatie dus. Hier is dat helemaal prima.
De vierde en laatste Rainbow met Dio in de gelederen, de band in dezelfde bezetting als op On Stage. Bij verschijnen stond in de Hitkrant (!) een artikel over de plaat, zo wist ik nog, met een lovend verhaal. Vooraf kende ik twee nummers: de titelsong had op Hilversum 3 geklonken en vond ik voor een meezinger goed te doen. Dit dankzij de heerlijke coupletten; het denderende Kill the King was me bekend van de liveplaat; ook in deze studioversie heerlijk, nu met enkele dubbele zangpartijen.
Nieuwe hoogtepunten waren er ook! In Lady of the Lake verwijst naar het verhaal van het zwaard Excalibur uit de sagen rond koning Arthur, de vrouw die het mythische zwaard presenteert. Een lied met prachtige melodieën. De gitaarsolo bestaat uit lange noten, die enigszins oosters aandoen.
De openingsregels van L.A. Connection keerden later terug als er iets grondig was mislukt: "Carry home my broken bones and lay me down to rest. Forty days of cries and moans, I guess I’ve failed to pass the test". Prachtige dichtregels bij een prachtige compositie, helaas enkele malen toepasbaar op mijn leven. In het laatste deel zit honkytonk pianospel, wat ik toen niet mooi vond maar nu wél; doet aan Dio’s jaren bij Elf denken.
Gates of Babylon met z'n toetsenintro van David Stone en oosterse gitaarlijnen is majestueus, over de verlokkingen van het kwaad en het uiteindelijke fatale einde.
Op de B-kant springen twee liefdesliedjes eruit. Hé, was dat niet wat Blackmore vanaf de volgende plaat ambieerde? Sensitive to Light bezingt een prachtige maar ongrijpbare schone jonkvrouw. In het drumsloze Rainbow Eyes zingt Dio niet voluit maar juist ingetogen en liegt zichzelf voor: "She's been gone since yesterday, oh I didn't care. Never cared for yesterdays, were they ever there?" Ja, ze gaan over de liefde maar de teksten hebben een diepgang die normale liefdesliedjes missen. Te moeilijk voor de hitlijsten, de richting die Blackmore vervolgens nadrukkelijk zocht.
Het is uiteraard een stevige plaat, maar wat me hier opeens sterk opvalt is dat de man in het zwart het gebruik van massieve powerchords veelal mijdt, om melodieus om de melodielijnen heen te spelen. Cozy Powell drumt weer herkenbaar de sterren van de hemel en in combinatie met het betrouwbare spel van Bob Daisley staat een basis waarop Blackmore de ruimte krijgt voor zijn melodieuze invulling.
Later verscheen een Deluxe Edition, inmiddels deels op streaming te vinden, waarvan vooral een kort maar fenomenaal mooi intro van Lady of the Lake opvalt; waarom heeft dit de definitieve elpee niet gehaald?
Rainbow - On Stage (1977)

4,5
6
geplaatst: 31 januari 2022, 23:05 uur
Ergens in '81 had mijn muziekmaatje opeens On Stage van Rainbow in huis. “Er staat een bluesliedje op. Hoe denk je dat het heet?” vroeg hij toen ik op zijn kamer zat. Hij keek me met pretogen aan. Hard nadenken, wat een rare vraag! Ik schudde vragend het hoofd. “Blues!” was het antwoord, gevolgd door zijn lach.
Hierop zette hij de plaat op en werd ik omver geblazen. Die openingsklanken van een antieke film en dan het donderende Kill The King met die dubbele basdrum! Hoe bizar goed! Daarna de variatie, de lange songs… Het was adembenemend.
Die zomer kocht ik ‘m zelf. Vanuit mijn bloedhete zolderkamer, het dakraam open, trakteerde ik de buurt gratis op één van de beste liveplaten ooit.
Het was ook de plaat die het vaakst in aanmerking kwam voor een gehate actie van mijn moeder: de stop eruit draaien, waarmee de plaat met een brommend “mie-uuuwww” tot stilstand kwam. Altijd weer werd ik hierdoor overvallen, om onthutst en voorzichtig de naald van het vinyl te halen en vervolgens de twee trappen af te stampen en de stop er weer in te draaien.
Dat dit bij On Stage vaker gebeurde dan bij andere platen, kwam door de grote dynamiekverschillen. Ritchie Blackmore speelde uitgesponnen gitaarsolo’s met zachte passages, die ik natuurlijk hard zette om ze goed te kunnen horen. Als dan na “lange” tijd de band bijviel, begon een heerlijk kabaal op zolder, waarop het mijn moeder na enige tijd te gortig werd. “Mie-uuuwww” klonk menigmaal.
Veel zangers zijn geïnspireerd door Dio, maar zelden hoor je iemand zo ontspannen zingen als hier gebeurt. Niks knijpen zoals veel rockzangers doen, maar schijnbaar moeiteloos krachtig zingen, met bovendien veel emotie. In een interview in Oor, ergens rond '83, vertelde hij van Frank Sinatra te houden, die ook schijnbaar achteloos zingt. Het geheim van een heel goede techniek.
Naast hun eigen werk genoot ik ook van de twee oudere songs. Ik hoorde voor het eerst Mistreated en Still I’m Sad, nog niet de originelen kennend. Prachtige versies vind ik ze nog steeds.
De hoes intrigeerde me, mede dankzij informatie over welke apparatuur, regenboog en podiumdoeken in 1976 werden meegesjouwd. Vanwege de openingsklanken keek ik later The Wizard of Oz met Julie Andrews. Voorwaar een klassieker, net als deze dubbelelpee die regelmatig langskomt. Nog altijd raak ik onder de indruk van de kwaliteit van deze opnamen in deze bijzondere bezetting, net als die eerste keer.
Hierop zette hij de plaat op en werd ik omver geblazen. Die openingsklanken van een antieke film en dan het donderende Kill The King met die dubbele basdrum! Hoe bizar goed! Daarna de variatie, de lange songs… Het was adembenemend.
Die zomer kocht ik ‘m zelf. Vanuit mijn bloedhete zolderkamer, het dakraam open, trakteerde ik de buurt gratis op één van de beste liveplaten ooit.
Het was ook de plaat die het vaakst in aanmerking kwam voor een gehate actie van mijn moeder: de stop eruit draaien, waarmee de plaat met een brommend “mie-uuuwww” tot stilstand kwam. Altijd weer werd ik hierdoor overvallen, om onthutst en voorzichtig de naald van het vinyl te halen en vervolgens de twee trappen af te stampen en de stop er weer in te draaien.
Dat dit bij On Stage vaker gebeurde dan bij andere platen, kwam door de grote dynamiekverschillen. Ritchie Blackmore speelde uitgesponnen gitaarsolo’s met zachte passages, die ik natuurlijk hard zette om ze goed te kunnen horen. Als dan na “lange” tijd de band bijviel, begon een heerlijk kabaal op zolder, waarop het mijn moeder na enige tijd te gortig werd. “Mie-uuuwww” klonk menigmaal.
Veel zangers zijn geïnspireerd door Dio, maar zelden hoor je iemand zo ontspannen zingen als hier gebeurt. Niks knijpen zoals veel rockzangers doen, maar schijnbaar moeiteloos krachtig zingen, met bovendien veel emotie. In een interview in Oor, ergens rond '83, vertelde hij van Frank Sinatra te houden, die ook schijnbaar achteloos zingt. Het geheim van een heel goede techniek.
Naast hun eigen werk genoot ik ook van de twee oudere songs. Ik hoorde voor het eerst Mistreated en Still I’m Sad, nog niet de originelen kennend. Prachtige versies vind ik ze nog steeds.
De hoes intrigeerde me, mede dankzij informatie over welke apparatuur, regenboog en podiumdoeken in 1976 werden meegesjouwd. Vanwege de openingsklanken keek ik later The Wizard of Oz met Julie Andrews. Voorwaar een klassieker, net als deze dubbelelpee die regelmatig langskomt. Nog altijd raak ik onder de indruk van de kwaliteit van deze opnamen in deze bijzondere bezetting, net als die eerste keer.
Rainbow - Rising (1976)

5,0
2
geplaatst: 9 januari 2022, 18:47 uur
Nee, inderdaad Kronos, hét startpunt is te sterk uitgedrukt, daarom noemde ik ook die andere namen en liedjes, een overzicht dat bovendien onvolledig is. En zeker, punk heeft hardrock/metal een schop tegen de bips gegeven, zoals ik in 1980 bij bijvoorbeeld Saxon, Maiden en Tygers of Pan Tang herkende.
Omgekeerd gaf Motörhead punk een boost, denk aan hardcore(punk) en bands als GBH en The Exploited.
Ginger Baker is inderdaad de eerste drummer (voor zover ik weet) die de dubbele basdrum in rock introduceerde. In de jazz werd hier al in de jaren '20 mee geëxperimenteerd (pedaal en drumstok), nu al een eeuw geleden. Dubbele baspedalen klonken in de jazz bij o.a. Rufus Jones en Stu Martin. Zie daar enkele invloeden op Bakers spel.
Je opmerkingen over King Crimson en Rush zijn ook terecht, wát een invloedrijke albums hebben zij vanaf '69 (In the Court of the Crimson King) en '75 (Fly by Night) gemaakt! Neemt niet weg dat ik Rising als het eerste album ervaar waarin ik alle (klassieke muziek)ingrediënten hoor die ik later bij gitaristen als Randy Rhoads, Yngwie Malmsteen en bands als Dream Theater of Gojira zou tegenkomen. Uitgezonderd natuurlijk de latere vormen van metal: thrash, death etc, genres die je bij de laatste twee namen terughoort.
Iemand die dit leest en al die namen en (sub)genres niet kent, vraagt zich misschien af of wij gék zijn.
Beetje nerdy ben ik zeker, vind ik van mezelf... Die kruisbestuivingen vind ik namelijk razend interessant.
Omgekeerd gaf Motörhead punk een boost, denk aan hardcore(punk) en bands als GBH en The Exploited.
Ginger Baker is inderdaad de eerste drummer (voor zover ik weet) die de dubbele basdrum in rock introduceerde. In de jazz werd hier al in de jaren '20 mee geëxperimenteerd (pedaal en drumstok), nu al een eeuw geleden. Dubbele baspedalen klonken in de jazz bij o.a. Rufus Jones en Stu Martin. Zie daar enkele invloeden op Bakers spel.
Je opmerkingen over King Crimson en Rush zijn ook terecht, wát een invloedrijke albums hebben zij vanaf '69 (In the Court of the Crimson King) en '75 (Fly by Night) gemaakt! Neemt niet weg dat ik Rising als het eerste album ervaar waarin ik alle (klassieke muziek)ingrediënten hoor die ik later bij gitaristen als Randy Rhoads, Yngwie Malmsteen en bands als Dream Theater of Gojira zou tegenkomen. Uitgezonderd natuurlijk de latere vormen van metal: thrash, death etc, genres die je bij de laatste twee namen terughoort.
Iemand die dit leest en al die namen en (sub)genres niet kent, vraagt zich misschien af of wij gék zijn.
Beetje nerdy ben ik zeker, vind ik van mezelf... Die kruisbestuivingen vind ik namelijk razend interessant.Rainbow - Straight Between the Eyes (1982)

3,5
0
geplaatst: 23 oktober 2022, 16:32 uur
De fonotheek in mijn dorp haalde netjes iedere nieuwe Rainbow in huis, zo ook Straight Between the Eyes, waarop iemand getroffen wordt door een verwoestende gitaar. De muziek van de groep mocht met de inlijving van zanger Joe Lynn Turner gladder zijn geworden dan voorheen, het gitaarspel van gitarist Ritchie Blackmore bleef ongeëvenaard. Over het gehele album kom je solo’s tegen om je vingers bij af te likken. Ik heb indertijd nog overwogen om de gitaarsolo’s apart op te nemen, maar dat was wel een erg slecht plan, wat ik na enig denken afschoot.
En zo belandden slechts de eerste twee nummers op cassettebandje, oftewel Death Alley Driver en prachtig-trage Stone Cold. Met de kennis van nu is dat te weinig, maar gezien de krappe beurs die ik had, was dat niet anders. De opener heeft trouwens in de gitaarsolo hetzelfde klassieke thema als de datzelfde jaar verschenen Princess of the Dawn van het Duitse Accept.
Nu vallen mij ook Bring on the Night op, net als het afsluitende Eyes of Fire. De overige liedjes zijn degelijk, maar blijven niet hangen, ondanks de vaak een spetterende danwel inventieve gitaarsolo.
Dat komt mede door zanger Joe Lynn Turner. Die kan prima zingen, maar heeft het niet in zich om met zijn stem een lied naar een hoger plan te tillen, zoals Gillan, Coverdale, Dio en Bonnet in respectievelijk Deep Purple en Rainbow wél konden met Blackmores muziek. Kwestie van smaak, ik weet het, maar voor mij is diens stem te vlak; slechts in Tearin’ out my Heart doet hij wat pakkends, helaas pas in de slotnoot.
In tegenstelling tot voorganger Difficult to Cure is het niet Roger Glover maar Turner die met Blackmore de meeste muziek schreef, zodat Glover zich op zijn basspel en de productie kon concentreren. David Rosenthal had inmiddels Don Airey vervangen en schreef net als drummer Bob Rondinelli mee aan één lied.
Degelijk album met als grootste troef het gitaarspel van de meester. Aanbevolen voor degenen die van het Rainbow-met-een-knipoog-naar-Foreigner houden.
Tenslotte een luistervraag: iemand die weet wat het klassieke thema is dat zowel in Death Alley Driver als Princess of the Dawn van Accept klinkt?
En zo belandden slechts de eerste twee nummers op cassettebandje, oftewel Death Alley Driver en prachtig-trage Stone Cold. Met de kennis van nu is dat te weinig, maar gezien de krappe beurs die ik had, was dat niet anders. De opener heeft trouwens in de gitaarsolo hetzelfde klassieke thema als de datzelfde jaar verschenen Princess of the Dawn van het Duitse Accept.
Nu vallen mij ook Bring on the Night op, net als het afsluitende Eyes of Fire. De overige liedjes zijn degelijk, maar blijven niet hangen, ondanks de vaak een spetterende danwel inventieve gitaarsolo.
Dat komt mede door zanger Joe Lynn Turner. Die kan prima zingen, maar heeft het niet in zich om met zijn stem een lied naar een hoger plan te tillen, zoals Gillan, Coverdale, Dio en Bonnet in respectievelijk Deep Purple en Rainbow wél konden met Blackmores muziek. Kwestie van smaak, ik weet het, maar voor mij is diens stem te vlak; slechts in Tearin’ out my Heart doet hij wat pakkends, helaas pas in de slotnoot.
In tegenstelling tot voorganger Difficult to Cure is het niet Roger Glover maar Turner die met Blackmore de meeste muziek schreef, zodat Glover zich op zijn basspel en de productie kon concentreren. David Rosenthal had inmiddels Don Airey vervangen en schreef net als drummer Bob Rondinelli mee aan één lied.
Degelijk album met als grootste troef het gitaarspel van de meester. Aanbevolen voor degenen die van het Rainbow-met-een-knipoog-naar-Foreigner houden.
Tenslotte een luistervraag: iemand die weet wat het klassieke thema is dat zowel in Death Alley Driver als Princess of the Dawn van Accept klinkt?
Ram Jam - Portrait of the Artist as a Young Ram (1978)

3,5
1
geplaatst: 13 april 2025, 18:00 uur
Het bericht hierboven is inmiddels meer dan 2,5 jaar oud en niemand die op Arjan Huts lijst heeft gereageerd? Terwijl hij dit Portrait of the Artist as a Young Ram boven het debuut van Van Halen en werk van onder meer Rush, Styx, Journey, AC/DC, Boston, UFO en Angel zet?
Ik heb de plaat in de kast staan en nadat Satriani/vai me vandaag een pm stuurde (reactie volgt!) waarin hij Ram Jam noemde, heb ik deze daaruit geplukt. Hoe moet ik 'm waarderen?
Het debuut van Ram Jam ken ik niet op Die Ene Single na, deze opvolger kocht ik in het najaar van 2020 op vinyl bij Wim's Muziekkelder in Doetinchem. Amerikaanse hardrock op z'n hardst, de wortels duidelijk in de blues en die tevens vér voorbij.
Uitschieters zijn op kant 1 Turnpike, waar deze rauwe gitaar-bas-drumsgroep toetsen inhuurde die bijzonder goed werken in een prog-rock/aor-achtig intro, de snelle opener van kant 2 Just Like Me met (weer eens) knallende gitaarwerk van Jimmy Santoro, waarna er met Hurrican Ride nog een schepje bovenop wordt gedaan.
Het resultaat doet enigszins denken aan de fameuze derde van Y&T van drie jaar later Earthshaker, een groep die overigens in '78 Struck Down uitbracht.
Niet alles is even massief: Saturday Night is melodieuzer, maar alleen al het gitaarintro van Runway Runaway doet de speakers vervolgens trillen.
Heerlijk robuust album dus en hopelijk kan Arjan t.z.t. uitleggen waarom de plaat zijn #1 van 1978 werd. Een eerste plek verdient een mooie beschrijving, toch?!
Ik heb de plaat in de kast staan en nadat Satriani/vai me vandaag een pm stuurde (reactie volgt!) waarin hij Ram Jam noemde, heb ik deze daaruit geplukt. Hoe moet ik 'm waarderen?
Het debuut van Ram Jam ken ik niet op Die Ene Single na, deze opvolger kocht ik in het najaar van 2020 op vinyl bij Wim's Muziekkelder in Doetinchem. Amerikaanse hardrock op z'n hardst, de wortels duidelijk in de blues en die tevens vér voorbij.
Uitschieters zijn op kant 1 Turnpike, waar deze rauwe gitaar-bas-drumsgroep toetsen inhuurde die bijzonder goed werken in een prog-rock/aor-achtig intro, de snelle opener van kant 2 Just Like Me met (weer eens) knallende gitaarwerk van Jimmy Santoro, waarna er met Hurrican Ride nog een schepje bovenop wordt gedaan.
Het resultaat doet enigszins denken aan de fameuze derde van Y&T van drie jaar later Earthshaker, een groep die overigens in '78 Struck Down uitbracht.
Niet alles is even massief: Saturday Night is melodieuzer, maar alleen al het gitaarintro van Runway Runaway doet de speakers vervolgens trillen.
Heerlijk robuust album dus en hopelijk kan Arjan t.z.t. uitleggen waarom de plaat zijn #1 van 1978 werd. Een eerste plek verdient een mooie beschrijving, toch?!
Ramkot - In Between Borderlines (2023)

3,5
0
geplaatst: 7 maart 2023, 14:39 uur
Of ik mee wil naar een concert van Ramkot. ‘Wie?’ vroeg ik.
‘Ramkot, uit België,’ antwoordde de vriend. ‘Lijkt een beetje op Triggerfinger.’ Daar is hij een grote fan van en nu die band op non-actief staat leek dit hem een goed alternatief.
Heb de voorbije weken de mini-elpee (circa 25 minuten) In Between Borderlines gedraaid en die bevalt goed. Het Gentse powertrio maakt alt. rock, klinkt stevig en vol en biedt steevast energieke grooves.
Bij de eerste tonen van Heart Shaped Minds waan je je even bij Motörhead, maar de "cleane" zangstijl en zanglijnen maken dat er wel degelijk alternatieve rock klinkt. Tegelijkertijd is het knalhard, al sluipen er verrassenderwijs vanaf Dancing in a Dream subtiele toetsen binnen, hetgeen wordt versterkt op het instrumentale pareltje annex titelnummer, waarna het laatste nummer One More wederom een keiharde groove levert.
Ik snap de vergelijking met Triggerfinger, tegelijkertijd ontbeert deze muziek blues, waarvoor in de plaats de groove nog heftiger wordt.
Dat wordt een leuk concertje in april, live werkt dit nog zoveel beter! Zeer dansbaar, maar ook voor muurbloempjes-met-biertje-in-de-hand erg geschikt.
‘Ramkot, uit België,’ antwoordde de vriend. ‘Lijkt een beetje op Triggerfinger.’ Daar is hij een grote fan van en nu die band op non-actief staat leek dit hem een goed alternatief.
Heb de voorbije weken de mini-elpee (circa 25 minuten) In Between Borderlines gedraaid en die bevalt goed. Het Gentse powertrio maakt alt. rock, klinkt stevig en vol en biedt steevast energieke grooves.
Bij de eerste tonen van Heart Shaped Minds waan je je even bij Motörhead, maar de "cleane" zangstijl en zanglijnen maken dat er wel degelijk alternatieve rock klinkt. Tegelijkertijd is het knalhard, al sluipen er verrassenderwijs vanaf Dancing in a Dream subtiele toetsen binnen, hetgeen wordt versterkt op het instrumentale pareltje annex titelnummer, waarna het laatste nummer One More wederom een keiharde groove levert.
Ik snap de vergelijking met Triggerfinger, tegelijkertijd ontbeert deze muziek blues, waarvoor in de plaats de groove nog heftiger wordt.
Dat wordt een leuk concertje in april, live werkt dit nog zoveel beter! Zeer dansbaar, maar ook voor muurbloempjes-met-biertje-in-de-hand erg geschikt.
Ramones - End of the Century (1980)

3,5
1
geplaatst: 30 januari 2025, 18:31 uur
16 februari 1980. Rapper's Delight van Sugarhill Gang staat op #1 in Veronica's Top 40 en op 37 komt Rock 'n' Roll High School van Ramones binnen, waarmee de groep voor het eerst een Nederlandse hitlijst haalt. Vijf weken later piekt ie daar op 8, terwijl de Nationale Hitparade hem twee weken #5 gunt. In Muziek Expres en Oor lees ik dat dit dan eindelijk hun Nederlandse hit is: hier had het schrijvende volk op zitten wachten.
Dat de inbreng van de legendarische producer Phil Spector tot de nodige airplay heeft geleid, lijkt logisch. Hij leidt de woeste punk regelmatig naar toegankelijker wateren, maar vlot was Nederland inderdaad niet: al in september '79 haalt deze in het Verenigd Koninkrijk de singlelijst, zij het een uiterst bescheiden 67e positie. Het is dan onderdeel van de gelijknamige film, in 1980 is het nummer vooral onderdeel van End of the Century.
Helaas nog altijd niet via streaming te vinden is de singleversie: die van de videoclip, die begint met een schoolbel en een gitaarakkoord dat wegsterft terwijl de drums inzetten. Het eindigt met pubergejoel en een ontploffing. Op YouTube vond ik trouwens ook deze beelden bij Veronica's Countdown.
Als album is End of the Century wat tweeslachtig. Soms ontzettend pop zoals opener Do You Remember Rock 'n' Roll Radio, als single bij de Britten #54 in april en de met een overdosis Spectorsound overgoten Baby I Love You, dat met z'n violen de enige Britse toptienhit van de groep ooit werd: #8 in januari. Zanger Joey Ramone was dé grote fan van Spector en stond veel toe, waar de anderen er kritischer in zaten. Ook Danny Says appeleert met z'n akoestische gitaar aan een poppubliek.
De oude fans fronsten de wenkbrauwtjes, maar constateerden ook dat de overige acht nummers wél stevig waren of zelfs ouderwets rammen. In die laatste categorie zitten Chinese Rock (in 1977 verschenen op L.A.M.F. van Johnny Thunders & The Heartbreakers), Let's Go, This Ain't Havana en High Risk Insurance.
Het succes in hun thuisland bleef beperkt: géén singlehits (!) en terwijl Pink Floyd er al weken op #1 stond met The Wall, wordt End of The Century met een bescheiden #44 hun best genoteerde langspeler in de VS tot de dag van vandaag. De beloofde punkrevolutie, in 1977 gepredikt, kwam bepaald niet uit. In Nederland trouwens in maart 1980 #27 en in het Verenigd Koninkrijk in februari #14.
Het was niet hun eerste album dat op twee gedachten hinkte: al op hun tweede elpee Leave Home klinkt eenzelfde flirt richting een poppubliek. Dat wordt op End of the Century in dat ene geval op het kleffe af gedaan. Ach, op latere platen zou het soms steviger dan ooit worden: de Ramones kenden een ijzeren werkdiscipline met ups en downs.
Ik ben op reis door new wave en aanverwanten in 1980, afkomstig van skagroep The Selecter. Pas bij deze Ramones besef ik dat dit vrij commerciële album een meedogenloze voorganger kent: livedubbelaar It's Alive. Daarom terug naar 1979 en vervolgens ook naar de soundtrack van Rock 'n' Roll High School, alvorens verder te gaan met 1980.
Dat de inbreng van de legendarische producer Phil Spector tot de nodige airplay heeft geleid, lijkt logisch. Hij leidt de woeste punk regelmatig naar toegankelijker wateren, maar vlot was Nederland inderdaad niet: al in september '79 haalt deze in het Verenigd Koninkrijk de singlelijst, zij het een uiterst bescheiden 67e positie. Het is dan onderdeel van de gelijknamige film, in 1980 is het nummer vooral onderdeel van End of the Century.
Helaas nog altijd niet via streaming te vinden is de singleversie: die van de videoclip, die begint met een schoolbel en een gitaarakkoord dat wegsterft terwijl de drums inzetten. Het eindigt met pubergejoel en een ontploffing. Op YouTube vond ik trouwens ook deze beelden bij Veronica's Countdown.
Als album is End of the Century wat tweeslachtig. Soms ontzettend pop zoals opener Do You Remember Rock 'n' Roll Radio, als single bij de Britten #54 in april en de met een overdosis Spectorsound overgoten Baby I Love You, dat met z'n violen de enige Britse toptienhit van de groep ooit werd: #8 in januari. Zanger Joey Ramone was dé grote fan van Spector en stond veel toe, waar de anderen er kritischer in zaten. Ook Danny Says appeleert met z'n akoestische gitaar aan een poppubliek.
De oude fans fronsten de wenkbrauwtjes, maar constateerden ook dat de overige acht nummers wél stevig waren of zelfs ouderwets rammen. In die laatste categorie zitten Chinese Rock (in 1977 verschenen op L.A.M.F. van Johnny Thunders & The Heartbreakers), Let's Go, This Ain't Havana en High Risk Insurance.
Het succes in hun thuisland bleef beperkt: géén singlehits (!) en terwijl Pink Floyd er al weken op #1 stond met The Wall, wordt End of The Century met een bescheiden #44 hun best genoteerde langspeler in de VS tot de dag van vandaag. De beloofde punkrevolutie, in 1977 gepredikt, kwam bepaald niet uit. In Nederland trouwens in maart 1980 #27 en in het Verenigd Koninkrijk in februari #14.
Het was niet hun eerste album dat op twee gedachten hinkte: al op hun tweede elpee Leave Home klinkt eenzelfde flirt richting een poppubliek. Dat wordt op End of the Century in dat ene geval op het kleffe af gedaan. Ach, op latere platen zou het soms steviger dan ooit worden: de Ramones kenden een ijzeren werkdiscipline met ups en downs.
Ik ben op reis door new wave en aanverwanten in 1980, afkomstig van skagroep The Selecter. Pas bij deze Ramones besef ik dat dit vrij commerciële album een meedogenloze voorganger kent: livedubbelaar It's Alive. Daarom terug naar 1979 en vervolgens ook naar de soundtrack van Rock 'n' Roll High School, alvorens verder te gaan met 1980.
Ramones - It's Alive (1979)

4,5
3
geplaatst: 30 januari 2025, 20:01 uur
Bij mijn reis door new wave realiseerde ik me bij Ramones' End of the Century dat ik deze livedubbelaar niet mocht overslaan. Opgenomen op Oudjaarsavond van 1977 en tevens het afscheidsalbum van drummer Tommy Ramone, die eigenlijk manager was maar bijna per ongeluk op de drumkruk belandde. Onstuimige muziek van hun eerste drie albums klinkt hier live beter dan elders.
Dit is simpele muziek. Zegt men. O ja? Stel je voor dat je gitarist of bassist bent en dat je in 53 minuten maar liefst 21 verschillende nummers eruit moet knallen. Ja, de riffs lijken inderdaad op elkaar, maar dat is nu juist de opgave: probeer ze maar op hoog tempo achter elkaar te spelen waarbij je steeds de juiste akkoordenschema's pakt. Helemaal níet makkelijk.
Toen was dit knalhard, tegenwoordig zijn de oren meer gewend aan scheurende gitaren. Tegelijkertijd is het hartstikke melodieus. Dankzij Roxy6 heb ik een grote stapel krantenknipsels liggen waarbij ook artikelen in Oor over de Ramones. Grote dank!
Daarbij een stuk van Willem Bemboom uit 2016, waarin hij een briefschrijver uit 1976 vanuit het Engelse blad Melody Maker citeert: "De Ramones zijn de laatste aanwinst der talentloze branieschoppers (...)" schreef de toen 17-jarige Steve Morrissey uit Stretford, Manchester. Juist ja, de latere zanger van The Smiths. Deze realiseerde zich blijkens het artikel drie dagen na verzending dat hij zich vergiste: de Ramones waren juist heel goed! Hij werd er desondanks 'brief van de week' mee en won een elpee.
Een herinnering aan het feit dat menigeen moest wennen - ook bij Oor trouwens, zo beschrijft Bemboom aan de hand van de ervaringen van ex-Oorjournalist Peter van Bruggen. Als beginnende puber en startende liefhebber van scheurende gitaren was ik onmiddelijk fan, waarbij het me in die dagen onverschillig was of ik naar Status Quo of Ramones luisterde. Als het maar hard was. En dat ís It's Alive, met slechts een enkel rustpuntje zoals Here Today, Gone Tomorrow.
Punk op snelheid. Bij Today Your Love, Tomorrow the World wordt in het Duits afgeteld want dat bezingt een nazisoldaat. Of zoiets, want bedoelde Joey dat er wel mee?
In het Verenigd Koninkrijk waren de Ramones veel groter dan in hun eigen Verenigde Staten. In Londen ontstaken ze de punkvonk nog vóór de Pistols en anderen dat deden.
Dat deden ze met een tweetal Londense concerten rond de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag, 4 juli 1976. De liefdesverhouding met de stad klinkt door op dit album, dat in het VK in juni '79 #27 haalde terwijl het in de VS compleet de Billboard 200 miste.
Favorieten kiezen is met deze overdaad eigenlijk onmogelijk, een zwak moment is namelijk niet te horen. Bovendien volvet uit de speakers knallend en superstrak gespeeld. Nee hoor, dat is níet simpel.
De Ramones verschenen in 1979 nogmaals op een elpee: de soundtrack van film Rock 'n' Roll High School, mijn volgende halte.
Dit is simpele muziek. Zegt men. O ja? Stel je voor dat je gitarist of bassist bent en dat je in 53 minuten maar liefst 21 verschillende nummers eruit moet knallen. Ja, de riffs lijken inderdaad op elkaar, maar dat is nu juist de opgave: probeer ze maar op hoog tempo achter elkaar te spelen waarbij je steeds de juiste akkoordenschema's pakt. Helemaal níet makkelijk.
Toen was dit knalhard, tegenwoordig zijn de oren meer gewend aan scheurende gitaren. Tegelijkertijd is het hartstikke melodieus. Dankzij Roxy6 heb ik een grote stapel krantenknipsels liggen waarbij ook artikelen in Oor over de Ramones. Grote dank!
Daarbij een stuk van Willem Bemboom uit 2016, waarin hij een briefschrijver uit 1976 vanuit het Engelse blad Melody Maker citeert: "De Ramones zijn de laatste aanwinst der talentloze branieschoppers (...)" schreef de toen 17-jarige Steve Morrissey uit Stretford, Manchester. Juist ja, de latere zanger van The Smiths. Deze realiseerde zich blijkens het artikel drie dagen na verzending dat hij zich vergiste: de Ramones waren juist heel goed! Hij werd er desondanks 'brief van de week' mee en won een elpee.
Een herinnering aan het feit dat menigeen moest wennen - ook bij Oor trouwens, zo beschrijft Bemboom aan de hand van de ervaringen van ex-Oorjournalist Peter van Bruggen. Als beginnende puber en startende liefhebber van scheurende gitaren was ik onmiddelijk fan, waarbij het me in die dagen onverschillig was of ik naar Status Quo of Ramones luisterde. Als het maar hard was. En dat ís It's Alive, met slechts een enkel rustpuntje zoals Here Today, Gone Tomorrow.
Punk op snelheid. Bij Today Your Love, Tomorrow the World wordt in het Duits afgeteld want dat bezingt een nazisoldaat. Of zoiets, want bedoelde Joey dat er wel mee?
In het Verenigd Koninkrijk waren de Ramones veel groter dan in hun eigen Verenigde Staten. In Londen ontstaken ze de punkvonk nog vóór de Pistols en anderen dat deden.
Dat deden ze met een tweetal Londense concerten rond de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag, 4 juli 1976. De liefdesverhouding met de stad klinkt door op dit album, dat in het VK in juni '79 #27 haalde terwijl het in de VS compleet de Billboard 200 miste.
Favorieten kiezen is met deze overdaad eigenlijk onmogelijk, een zwak moment is namelijk niet te horen. Bovendien volvet uit de speakers knallend en superstrak gespeeld. Nee hoor, dat is níet simpel.
De Ramones verschenen in 1979 nogmaals op een elpee: de soundtrack van film Rock 'n' Roll High School, mijn volgende halte.
Ramones - Leave Home (1977)

3,5
2
geplaatst: 1 april 2024, 22:11 uur
De eerste Ramones was een revolutie, een mijlpaal, een klapper... vooral in terugblik. In september 1977 piekte de plaat in de VS slechts op een 111e plek, terwijl Peter Frampton, Boz Scaggs en Jefferson Starship de plekken 1, 2 en 3 bezetten. In het Verenigd Koninkrijk haalde het zelfs de albumlijst niet. De oude orde werd bepaald niet omver geblazen. Daarbij valt me op dat het met de oren van nu moeilijk is te begrijpen dat de Ramones indertijd als ontzettend ruig werden beleefd.
De tweede heet Leave Home, heeft een kleurenhoes en een nét iets toegankelijker geluid en stijl, vooral op de eerste plaatkant. Of, zoals ik het beleef: iets vriendelijker en vrolijker. De hoop was dat het viertal daarmee het bereik kon vergroten, maar de verkoop was juist minder: verschenen in januari '77 haalde de plaat slechts #148 in de VS. In het VK wordt echter voor het eerst de albumlijst gehaald: in april dat jaar één week notering en wel op #45.
Stevig is het op de A-kant in opener Glad to See You Go, Gimme Gimme Shock Treatment, Carbona Not Glue en Pinhead. De popsferen in I Remember You en Oh, Oh, I Love Her So (alleen de titel al!) en Suzy Is a Headbanger zijn vergeleken daarmee (te?) sterk.
Op de B-kant hoor ik meer vriendelijkheid in Now I Wanna Be a Good Boy en What's Your Game, net als in You're Gonna Kill That Girl, waar jaren '60 pop in een licht-scheurend jasje wordt gestopt. Met California Sun en Commando is het rauwer, net als het slot met You Should Have Never Opened That Door.
De eerste platen van de Ramones bereikten overigens niet de Nederlandse albumlijst (deze verschenen bij Philips!), dat zou pas in 1980 lukken met End of the Century. Neemt niet weg dat Leave Home heerlijk lief-onschuldig en licht-scheurend tegelijk is. "Gabba gabba hey!" roep ik nog eens mee in Pinhead en bal de vuist, een grijns op het gezicht.
Mijn reis door new wave en punk met aanverwanten kwam vanaf Dirty Angels en omdat ik Low van David Bowie al eerder beschreef, vervolg ik met een derde plaat uit januari 1977: de EP Spiral Scratch van de Buzzcocks.
De tweede heet Leave Home, heeft een kleurenhoes en een nét iets toegankelijker geluid en stijl, vooral op de eerste plaatkant. Of, zoals ik het beleef: iets vriendelijker en vrolijker. De hoop was dat het viertal daarmee het bereik kon vergroten, maar de verkoop was juist minder: verschenen in januari '77 haalde de plaat slechts #148 in de VS. In het VK wordt echter voor het eerst de albumlijst gehaald: in april dat jaar één week notering en wel op #45.
Stevig is het op de A-kant in opener Glad to See You Go, Gimme Gimme Shock Treatment, Carbona Not Glue en Pinhead. De popsferen in I Remember You en Oh, Oh, I Love Her So (alleen de titel al!) en Suzy Is a Headbanger zijn vergeleken daarmee (te?) sterk.
Op de B-kant hoor ik meer vriendelijkheid in Now I Wanna Be a Good Boy en What's Your Game, net als in You're Gonna Kill That Girl, waar jaren '60 pop in een licht-scheurend jasje wordt gestopt. Met California Sun en Commando is het rauwer, net als het slot met You Should Have Never Opened That Door.
De eerste platen van de Ramones bereikten overigens niet de Nederlandse albumlijst (deze verschenen bij Philips!), dat zou pas in 1980 lukken met End of the Century. Neemt niet weg dat Leave Home heerlijk lief-onschuldig en licht-scheurend tegelijk is. "Gabba gabba hey!" roep ik nog eens mee in Pinhead en bal de vuist, een grijns op het gezicht.
Mijn reis door new wave en punk met aanverwanten kwam vanaf Dirty Angels en omdat ik Low van David Bowie al eerder beschreef, vervolg ik met een derde plaat uit januari 1977: de EP Spiral Scratch van de Buzzcocks.
Ramones - Ramones (1976)

4,5
2
geplaatst: 14 maart 2024, 19:02 uur
Mijn reis door new wave is middels de tweede van het Londense Dr. Feelgood klaar met de voorlopers/invloeden/inspiratiebronnen daarvan en vervolgt op 23 april 1976, toen de Ramones hun titelloze debuut uitbrachten. Mumens herman postte in 2008 een bericht met link naar de recensie in Oor indertijd. Inmiddels kun je de OOR Recensiebijbel kopen waarin het epistel van Peter van Bruggen ook is opgenomen.
Valt er iets te melden wat nog niet eerder werd genoteerd? Dat wordt moeilijk. Tot op het bot uitgeklede popmuziek met voor die tijd ongekend ruig en simplistisch klinkende rockgitaren. Melodieus en meezingbaar met de wortels in de jaren '60, getuige de cover van Let's Dance. Naar we nu weten niet de eerste punkrockgroep - daarvoor wijs ik Death uit Detroit aan - maar wel de eersten die een elpee uitbrachten.
Van MuMe mag ik drie favo's aanklikken. Naast Blitzkrieg Bop (natúúrlijk!) ga ik voor Loudmouth en Today Your Love, Tomorrow the World.
Op de Nederlandse radio klonken ze aanvankelijk alleen in de avonduren bij KRO, VARA en VPRO, in 1979 of '80 echter zond NCRV's Elpeepop Special een uur lang Ramones uit met hun beste werk. Ik nam het op op cassette. Maar eigenlijk is hun debuut meteen één lange best-of, tevens blauwdruk voor henzelf en vele andere bandjes.
Gelijktijdig bracht de Britse pubrock een nieuwe plaat voort; op naar het debuut van Graham Parker, diezelfde aprilmaand verschenen.
Valt er iets te melden wat nog niet eerder werd genoteerd? Dat wordt moeilijk. Tot op het bot uitgeklede popmuziek met voor die tijd ongekend ruig en simplistisch klinkende rockgitaren. Melodieus en meezingbaar met de wortels in de jaren '60, getuige de cover van Let's Dance. Naar we nu weten niet de eerste punkrockgroep - daarvoor wijs ik Death uit Detroit aan - maar wel de eersten die een elpee uitbrachten.
Van MuMe mag ik drie favo's aanklikken. Naast Blitzkrieg Bop (natúúrlijk!) ga ik voor Loudmouth en Today Your Love, Tomorrow the World.
Op de Nederlandse radio klonken ze aanvankelijk alleen in de avonduren bij KRO, VARA en VPRO, in 1979 of '80 echter zond NCRV's Elpeepop Special een uur lang Ramones uit met hun beste werk. Ik nam het op op cassette. Maar eigenlijk is hun debuut meteen één lange best-of, tevens blauwdruk voor henzelf en vele andere bandjes.
Gelijktijdig bracht de Britse pubrock een nieuwe plaat voort; op naar het debuut van Graham Parker, diezelfde aprilmaand verschenen.
Ramones - Road to Ruin (1978)

4,0
0
geplaatst: 26 juni 2024, 07:26 uur
Road to Ruin is de vierde van de Ramones, waarmee de groep in september 1978 binnen de punk/wave de meeste albums had uitgebracht. Aandacht was er volop, maar de verkopen vielen tegen en de concerten verliepen nogal eens chaotisch. Reden voor drummer Tommy Ramone om af te zwaaien.
Dit is misschien wel mijn favoriete Ramones. Relatief kalm maar stevig en pakkend wordt afgetrapt met I Just Want to Have Something to Do, sneller is I Wanted Everything en pop met gitaarsolo (die laatste een primeur in Ramonesland) in Don’t Come Close.
Dan hebben we eigenlijk de drie mogelijkheden van dit album gehad. Dat duurt twaalf nummers lang, want de nummers blijven kort. Veel afwisseling. Nieuw is drummer Marky Ramone, die gelukkig precies het voorbeeld van voorganger Tommy volgt, die nog wel de plaat produceerde. En vét!
Needles & Pins kende deze puber van Smokie van het jaar ervoor. Die versie was zelfs een nummer 1 in mijn persoonlijke top 15, wekelijks genoteerd in een oude agenda. Om maar aan te geven dat de Ramones eigenlijk hartstikke pop waren, zeker met de oren van nu.
De teksten behandelen de liefde en verveling, herkenbaar voor een tiener als ik, die ondertussen wél steeds meer voorliefde kreeg voor snel gespeelde muziek en scheurende gitaartjes. Opvallendste nummer is het kalme gebrokenhartlied Questioningly met zijn twingitaren, die ook in slotlied Long Way Back klinken; anders dan eerder Ramoneswerk.
In 2018 verscheen het bij het 40-jarig bestaan in een heul uitgebreide editie. Bij die 80 tracks onder meer liveversies van eerder werk, zie Discogs. Oh ja, de hoestekening vind ik ook zo fijn!
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van bekenden van de groep, namelijk de tweede van Television. Ik blijf in de States, op naar het debuut van The Cars.
Dit is misschien wel mijn favoriete Ramones. Relatief kalm maar stevig en pakkend wordt afgetrapt met I Just Want to Have Something to Do, sneller is I Wanted Everything en pop met gitaarsolo (die laatste een primeur in Ramonesland) in Don’t Come Close.
Dan hebben we eigenlijk de drie mogelijkheden van dit album gehad. Dat duurt twaalf nummers lang, want de nummers blijven kort. Veel afwisseling. Nieuw is drummer Marky Ramone, die gelukkig precies het voorbeeld van voorganger Tommy volgt, die nog wel de plaat produceerde. En vét!
Needles & Pins kende deze puber van Smokie van het jaar ervoor. Die versie was zelfs een nummer 1 in mijn persoonlijke top 15, wekelijks genoteerd in een oude agenda. Om maar aan te geven dat de Ramones eigenlijk hartstikke pop waren, zeker met de oren van nu.
De teksten behandelen de liefde en verveling, herkenbaar voor een tiener als ik, die ondertussen wél steeds meer voorliefde kreeg voor snel gespeelde muziek en scheurende gitaartjes. Opvallendste nummer is het kalme gebrokenhartlied Questioningly met zijn twingitaren, die ook in slotlied Long Way Back klinken; anders dan eerder Ramoneswerk.
In 2018 verscheen het bij het 40-jarig bestaan in een heul uitgebreide editie. Bij die 80 tracks onder meer liveversies van eerder werk, zie Discogs. Oh ja, de hoestekening vind ik ook zo fijn!
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van bekenden van de groep, namelijk de tweede van Television. Ik blijf in de States, op naar het debuut van The Cars.
Ramones - Rocket to Russia (1977)

4,5
0
geplaatst: 6 mei 2024, 09:13 uur
Na het sterke debuut en de mij wat tegenvallende opvolger is Ramones' derde worp Rocket to Russia de beste van de drie. Ik herinner me dat veel van deze plaat klonk bij de special die NCRV's Elpee-Pop op een zaterdagavond op Hilversum 3 uitzond en die ik opnam.
Maar Surfin' Bird leerde ik pas rond 2009 (?) kennen, toen ik het nummer op YouTube tegenkwam als opname van een tv-show, helaas niet meer daarop te vinden. Cover van The Trashmen, oorspronkelijk uit 1963.
Andere oudje op deze plaat is de cover van Do You Wanna Dance van Bobby Freeman uit 1958, het lichte liedje op dit stevige album.
Jawel, er wordt veel meer geknald dan op de voorganger en de productie van Dee Dee Ramone is zijn stevigste tot dan toe. En bovendien messcherp. We're a Happy Family bijvoorbeeld dendert heerlijk door huis of auto.
Simpele muziek wordt weleens gezegd. Mwah. Probeer maar eens mee te spelen, al die akkoordenwisselingen op hoog tempo: valt niet mee. En dan altijd het juiste akkoord pakken, want inderdaad, het lijkt op elkaar wat vervolgens meteen de uitdaging is. Zeker als je nóg eens twee platen op je cv had staan.
In 2001 verscheen via Rhino een cd-editie met diverse plezante bonussen, in 2017 bij Sire een 40-jaar-oud-versie.
Mijn reis door wave, punk en toebehoren blijft nog even in november 1977. Ik kwam vanaf de punks van Buzzcocks en krijg zo de derde punkplaat op rij: de tweede van The Damned.
Maar Surfin' Bird leerde ik pas rond 2009 (?) kennen, toen ik het nummer op YouTube tegenkwam als opname van een tv-show, helaas niet meer daarop te vinden. Cover van The Trashmen, oorspronkelijk uit 1963.
Andere oudje op deze plaat is de cover van Do You Wanna Dance van Bobby Freeman uit 1958, het lichte liedje op dit stevige album.
Jawel, er wordt veel meer geknald dan op de voorganger en de productie van Dee Dee Ramone is zijn stevigste tot dan toe. En bovendien messcherp. We're a Happy Family bijvoorbeeld dendert heerlijk door huis of auto.
Simpele muziek wordt weleens gezegd. Mwah. Probeer maar eens mee te spelen, al die akkoordenwisselingen op hoog tempo: valt niet mee. En dan altijd het juiste akkoord pakken, want inderdaad, het lijkt op elkaar wat vervolgens meteen de uitdaging is. Zeker als je nóg eens twee platen op je cv had staan.
In 2001 verscheen via Rhino een cd-editie met diverse plezante bonussen, in 2017 bij Sire een 40-jaar-oud-versie.
Mijn reis door wave, punk en toebehoren blijft nog even in november 1977. Ik kwam vanaf de punks van Buzzcocks en krijg zo de derde punkplaat op rij: de tweede van The Damned.
Raven - All for One (1983)

4,0
0
geplaatst: 6 september 2023, 17:02 uur
Vaak schrijf ik veel te lange verhalen, hier kan ik het kort houden. Verwacht ten opzichte van hierboven geen nieuwe inzichten, want: goed en zwaar geproduceerd door Michael Wagener, hakkende slaggitaren wat nieuw was in die periode, minder snel dan de voorgangers maar wel heavy, mooie hoesfoto, invloedrijk als brug tussen de New wave of British heavy metal en speed-/thrashmetal en natuurlijk véééél energie, heerlijk gitaarwerk en eigenwijze zang.
Dat de band het live waarmaakte zonder dat de gitaren konden worden gedubbeld, hoorde ik in januari 1984 bij Countdown Café met enthousiaste aankondiging van Alfred Lagarde.
In 2008 noteerde Germ nog: "Raven bleef nog wel regelmatig albums afleveren, maar kon nooit meer aanhaken bij de snel evoluerende metal wereld.". Die stelling was correct tot in 2015 ExtermiNation verscheen, gevolgd door Metal City (2020) en All Hell's Breaking Loose (2023), waar het in alle gevallen ráák is.
Goudeerlijk-in-je-smoel, de oren kietelend en hárd. Favootjes van dit album: Mind over Metal, All for One, Run Silent Run Deep, Seek and Destroy en Hung, Drawn & Quartered.
Dat de band het live waarmaakte zonder dat de gitaren konden worden gedubbeld, hoorde ik in januari 1984 bij Countdown Café met enthousiaste aankondiging van Alfred Lagarde.
In 2008 noteerde Germ nog: "Raven bleef nog wel regelmatig albums afleveren, maar kon nooit meer aanhaken bij de snel evoluerende metal wereld.". Die stelling was correct tot in 2015 ExtermiNation verscheen, gevolgd door Metal City (2020) en All Hell's Breaking Loose (2023), waar het in alle gevallen ráák is.
Goudeerlijk-in-je-smoel, de oren kietelend en hárd. Favootjes van dit album: Mind over Metal, All for One, Run Silent Run Deep, Seek and Destroy en Hung, Drawn & Quartered.
Raven - All Hell's Breaking Loose (2023)

4,0
3
geplaatst: 15 juli 2023, 07:37 uur
Onlangs had ik een medicijnkuurtje en als mogelijke bijwerking werd ik gewaarschuwd voor een 'gehaast gevoel'. Hahaha, nu weet ik eindelijk wat het Engelse Raven al sinds hun debuut in 1981 slikt! Een kleurige hoes en onverminderd veel energie, dat is de conclusie na tweemaal draaien via streaming: All Hell's Breaking Loose is hun vijftiende album en het knalt weer als vanouds. Anders dan in de begindagen is de productie lekker vet.
Zoals de meeste bands uit de New wave of British heavy metal had de groep een superenergieke start, waarbij Raven kan worden gezien als dé band die de deur naar speed- en thrashmetal forceerde. Daarna volgden jaren waarin tevergeefs werd geprobeerd het Amerikaanse succes van Def Leppard na te volgen met een gladdere sound, gevolgd door een periode waarin deze metal hopeloos uit de mode was en grunge heerste in Scheurendegitarenland.
Maar zie daar, de aanhouder wint en Raven doet nu al vele, vele jaren waar het goed in is: keihard en snel spelen. Geen ballades, zelfs geen midtempo metal, nee... Snel-sneller-snelst. Ongelooflijk voor een groep die al sinds 1974 bijeen is.
Sinds 2017 is Mark Heller drummer bij de groep, die als eigentijdse troef blastbeats neerzet, waarbij de muziek trouw blijft aan de metalstijl van begin jaren '80. Hij stopt nóg meer energie in de muziek, waardoor de gebroeders Mark (gitaar) en John Gallagher (bas, zang) nog meer achter de vodden worden gezeten dan het geval was. En dat is dus eigenlijk helemaal niet nodig met dat tot dusver geheime medicijn.
Favorieten op dit album: The Far Side met heerlijk gitaarspel een vét hakkende riff en een gitaarsolo zoals John die zo extreem goed kan, een mengeling van snel en melodieus; Desperate Measures kent beukende blastbeats en korte maar ingewikkelde breaks, een showcase voor de jongste van de twee Marks; en Victory's Call is fraai met een lekkere zangmelodie, waar de oudste Mark zijn kenmerkende, bijtende zangstijl kan laten excelleren en John weer eens een heerlijke solo neerzet.
Harde muziek op hoge snelheid, muzikanten met enorm veel vakmanschap, een eigen stijl. Er lopen nogal wat jonge fans van Iron Maiden rond. Mochten ze dit niet kennen: probeer het eens! Onvervalste metal, melodieus, puur en rauw. Ik wed dat als het medicijn naar Raven kon luisteren, het zelf een gehaast gevoel zou krijgen...
Zoals de meeste bands uit de New wave of British heavy metal had de groep een superenergieke start, waarbij Raven kan worden gezien als dé band die de deur naar speed- en thrashmetal forceerde. Daarna volgden jaren waarin tevergeefs werd geprobeerd het Amerikaanse succes van Def Leppard na te volgen met een gladdere sound, gevolgd door een periode waarin deze metal hopeloos uit de mode was en grunge heerste in Scheurendegitarenland.
Maar zie daar, de aanhouder wint en Raven doet nu al vele, vele jaren waar het goed in is: keihard en snel spelen. Geen ballades, zelfs geen midtempo metal, nee... Snel-sneller-snelst. Ongelooflijk voor een groep die al sinds 1974 bijeen is.
Sinds 2017 is Mark Heller drummer bij de groep, die als eigentijdse troef blastbeats neerzet, waarbij de muziek trouw blijft aan de metalstijl van begin jaren '80. Hij stopt nóg meer energie in de muziek, waardoor de gebroeders Mark (gitaar) en John Gallagher (bas, zang) nog meer achter de vodden worden gezeten dan het geval was. En dat is dus eigenlijk helemaal niet nodig met dat tot dusver geheime medicijn.
Favorieten op dit album: The Far Side met heerlijk gitaarspel een vét hakkende riff en een gitaarsolo zoals John die zo extreem goed kan, een mengeling van snel en melodieus; Desperate Measures kent beukende blastbeats en korte maar ingewikkelde breaks, een showcase voor de jongste van de twee Marks; en Victory's Call is fraai met een lekkere zangmelodie, waar de oudste Mark zijn kenmerkende, bijtende zangstijl kan laten excelleren en John weer eens een heerlijke solo neerzet.
Harde muziek op hoge snelheid, muzikanten met enorm veel vakmanschap, een eigen stijl. Er lopen nogal wat jonge fans van Iron Maiden rond. Mochten ze dit niet kennen: probeer het eens! Onvervalste metal, melodieus, puur en rauw. Ik wed dat als het medicijn naar Raven kon luisteren, het zelf een gehaast gevoel zou krijgen...
Raven - Rock Until You Drop (1981)

3,5
1
geplaatst: 23 juli 2022, 23:27 uur
Toen in 1980 de New wave of British heavy metal losbarstte, bevonden zich achter de "grote drie" Saxon, Iron Maiden en Def Leppard meer jonge honden. Mijn favoriet was Tygers of Pan Tang, die in mijn beleving twee albums lang tot de "grote vier" hoorden.
Raven debuteerde in 1981 en alhoewel ze snel speelden, stonden ze toch niet prominent op mijn radar. De redenen hiervoor waren de eigenaardige zang (althans, dat vond ik) en het feit dat dit een driepersoonsband was; wilde je écht heavy spelen, dan had je twee gitaristen nodig, vond ik.
Pas in januari 1984, toen de band op een vrijdagavond live bij Countdown Café te horen was, door mij op cassette opgenomen, drong tot mij door dat dit toch wel een erg fijn bandje was. Jaren later werd duidelijk dat zij één van de groepen waren die de weg naar speed- en thrashmetal hadden geplaveid, iets wat niet zozeer van toepassing is op de "'grote vier". Wie dat weet, luistert extra aandachtig.
De energie spat er consequent vanaf, zoals hierboven door andere MuMensen al vele malen werd geconstateerd. De productie is voor die dagen goed, ik ken slechter klinkende platen uit die tijd. Voor de huidige oren komt het wel demo-achtig over, wat op hetzelfde moment heel eerlijk en direct erin knalt.
Krakers op hun debuut zijn Don’t Need your Money, akoestisch instrumentaaltje en daarmee buitenbeentje 39-40, de titelsong en als absolute favoriet de afsluiter: Tyrant of the Airways. Tevens uw speciale aandacht voor de lááánge oerschreeuw tegen het einde van Hell Patrol !
Op deze plaat klinkt metal, tegelijkertijd zitten de wortels nog sterk in de (hard)rock, zo valt te horen aan diverse riffs. Maar dan veel sneller dan voorheen. Dit blijkt ook uit hun cover van Hellraiser/Action van The Sweet; uit de hoogtijdagen van glamrock, 1973-1975. De drie van Raven trokken deze liedjes naadloos naar zich toe.
Ik zat er bij het verschijnen van deze plaat dus naast. Een briljant album vind ik het nog steeds niet, wél eentje met diverse sterke momenten en eigenzinnig bovendien. Ongetemd enthousiasme in muziek omgezet, respect!
Raven debuteerde in 1981 en alhoewel ze snel speelden, stonden ze toch niet prominent op mijn radar. De redenen hiervoor waren de eigenaardige zang (althans, dat vond ik) en het feit dat dit een driepersoonsband was; wilde je écht heavy spelen, dan had je twee gitaristen nodig, vond ik.
Pas in januari 1984, toen de band op een vrijdagavond live bij Countdown Café te horen was, door mij op cassette opgenomen, drong tot mij door dat dit toch wel een erg fijn bandje was. Jaren later werd duidelijk dat zij één van de groepen waren die de weg naar speed- en thrashmetal hadden geplaveid, iets wat niet zozeer van toepassing is op de "'grote vier". Wie dat weet, luistert extra aandachtig.
De energie spat er consequent vanaf, zoals hierboven door andere MuMensen al vele malen werd geconstateerd. De productie is voor die dagen goed, ik ken slechter klinkende platen uit die tijd. Voor de huidige oren komt het wel demo-achtig over, wat op hetzelfde moment heel eerlijk en direct erin knalt.
Krakers op hun debuut zijn Don’t Need your Money, akoestisch instrumentaaltje en daarmee buitenbeentje 39-40, de titelsong en als absolute favoriet de afsluiter: Tyrant of the Airways. Tevens uw speciale aandacht voor de lááánge oerschreeuw tegen het einde van Hell Patrol !
Op deze plaat klinkt metal, tegelijkertijd zitten de wortels nog sterk in de (hard)rock, zo valt te horen aan diverse riffs. Maar dan veel sneller dan voorheen. Dit blijkt ook uit hun cover van Hellraiser/Action van The Sweet; uit de hoogtijdagen van glamrock, 1973-1975. De drie van Raven trokken deze liedjes naadloos naar zich toe.
Ik zat er bij het verschijnen van deze plaat dus naast. Een briljant album vind ik het nog steeds niet, wél eentje met diverse sterke momenten en eigenzinnig bovendien. Ongetemd enthousiasme in muziek omgezet, respect!
Raven - Wiped Out (1982)

4,0
0
geplaatst: 5 augustus 2022, 20:59 uur
Wiped Out zal niet de prijs voor mooiste albumcover (voorzijde) winnen. Maar daarmee is het gemopper over Ravens tweede plaat meteen klaar. Al is het wel even wennen aan de oefenruimtesound.
De plaat vervolgt waar z'n voorganger stopte, waarbij de rockinvloeden compleet zijn vervangen door metal en diverse composities gecompliceerder in elkaar zitten. De band probeerde bovendien de snelheidsgrenzen te verleggen, zoals de opener meteen aangeeft.
Mijn favo's: Faster than the Speed of Light dat zijn naam waarmaakt, het pakkende Fire Power, het gecompliceerde To the Limit/To the Top, het strak riffende Star War, UXB met z'n hoge intensiteit en... het won-der-schone instrumentale en akoestische 20/21. Oef. Daar word ik keer op keer stil van. Bizar mooi gespeeld, wat is die Mark Gallagher toch veelzijdig. Doet zelfs aan übersinger-songwriter Nick Drake denken.
Een album vol superintense metal, waarin het genre de aanloop naar de volgende stroomversnellingen (speed- en thrashmetal) nam. Dat wist ik toen uiteraard nog niet, maar achteraf maakt het de plaat nóg indrukwekkender. Heavy, soms maidenaans met z'n tempowisselingen, inventief en puur. Beweeglijk en snel, dansend gevlogen als de zwaluwen nabij mijn huis.
De plaat vervolgt waar z'n voorganger stopte, waarbij de rockinvloeden compleet zijn vervangen door metal en diverse composities gecompliceerder in elkaar zitten. De band probeerde bovendien de snelheidsgrenzen te verleggen, zoals de opener meteen aangeeft.
Mijn favo's: Faster than the Speed of Light dat zijn naam waarmaakt, het pakkende Fire Power, het gecompliceerde To the Limit/To the Top, het strak riffende Star War, UXB met z'n hoge intensiteit en... het won-der-schone instrumentale en akoestische 20/21. Oef. Daar word ik keer op keer stil van. Bizar mooi gespeeld, wat is die Mark Gallagher toch veelzijdig. Doet zelfs aan übersinger-songwriter Nick Drake denken.
Een album vol superintense metal, waarin het genre de aanloop naar de volgende stroomversnellingen (speed- en thrashmetal) nam. Dat wist ik toen uiteraard nog niet, maar achteraf maakt het de plaat nóg indrukwekkender. Heavy, soms maidenaans met z'n tempowisselingen, inventief en puur. Beweeglijk en snel, dansend gevlogen als de zwaluwen nabij mijn huis.
Real Life - Heartland (1983)

3,5
2
geplaatst: 8 mei 2023, 18:37 uur
Bij mijn reis door synthesizer-new wave was ik bij 1983 beland. Via albumoftheyear.org kwam ik dit mij onbekende debuut van het Australische Real Life tegen, Heartland genaamd.
Ja, het is synthwave en tegelijkertijd is het smeuïg als wat. De muziek glijdt soepel de oren in met breed uitwaaierende toetpartijen en vaak pakkende liedjes. Lijkend op van alles en nog wat, waarbij ik me afvraag waarom deze band nooit in Nederland is doorgebroken. Het is er pakkend genoeg voor. Afgezien van het feit dat een platenmaatschappij actief achter zo’n groep moest staan, is het misschien ook wel omdat we al voorzien waren van soortgelijke bands.
Want soms denk ik aan Simple Minds qua sfeer en melodieën, soms aan Ultravox, zeker als de viool van tevens toetsenist Richard Zatorski klinkt. Bij Under the Hammer en het titellied denk ik dankzij de mooie gitaarlijnen van zanger David Sterry zelfs aan het Marillion van die dagen. Drummer Danny Simcic slaat bovendien regelmatig rake klappen, die het geheel net wat meer pit geven.
Tegelijkertijd grenst het soms tegen het overgladde aan, zoals hierboven terecht wordt opgemerkt over Send Me an Angel. Maar als daar weer de viool de boel zó opwarmt, dat het alsnog werkt, is het genieten. Mijn favoriet is het uptempo Broken Again met toetsenbombasme en viool.
Muziek die typisch is voor die tijd, zeker qua geluid; tegelijkertijd slagen de mannen er vaak in goede liedjes te schrijven en die van een pakkend geluid te voorzien. Ik mopper niet!
Ja, het is synthwave en tegelijkertijd is het smeuïg als wat. De muziek glijdt soepel de oren in met breed uitwaaierende toetpartijen en vaak pakkende liedjes. Lijkend op van alles en nog wat, waarbij ik me afvraag waarom deze band nooit in Nederland is doorgebroken. Het is er pakkend genoeg voor. Afgezien van het feit dat een platenmaatschappij actief achter zo’n groep moest staan, is het misschien ook wel omdat we al voorzien waren van soortgelijke bands.
Want soms denk ik aan Simple Minds qua sfeer en melodieën, soms aan Ultravox, zeker als de viool van tevens toetsenist Richard Zatorski klinkt. Bij Under the Hammer en het titellied denk ik dankzij de mooie gitaarlijnen van zanger David Sterry zelfs aan het Marillion van die dagen. Drummer Danny Simcic slaat bovendien regelmatig rake klappen, die het geheel net wat meer pit geven.
Tegelijkertijd grenst het soms tegen het overgladde aan, zoals hierboven terecht wordt opgemerkt over Send Me an Angel. Maar als daar weer de viool de boel zó opwarmt, dat het alsnog werkt, is het genieten. Mijn favoriet is het uptempo Broken Again met toetsenbombasme en viool.
Muziek die typisch is voor die tijd, zeker qua geluid; tegelijkertijd slagen de mannen er vaak in goede liedjes te schrijven en die van een pakkend geluid te voorzien. Ik mopper niet!
Rich Kids - Ghosts of Princes in Towers (1978)

3,0
0
geplaatst: 17 mei 2024, 23:23 uur
De ene meneer kwam van Engelands beruchtste band ooit: Sex Pistols. Hij was daar bovendien de belangrijkste liedschrijver. De andere van een boyband, zij het wel eentje die zelf hun nummers schreef: het Schotse Slik, dat in een doorstartfase nog even snel new wave maakte onder de naam PVC2.
Glen Metlock en Midge Ure werden vergezeld door drummer Rusty Egan, die vanaf 1980 furore zou maken bij de new romantics, een modebewuste stroming binnen new wave; én er was gitarist/toetsenist Steve New.
Alleen jammer dat Ghosts of Princes in Towers niet de gedroomde fijne liedjes bevat en dat de productie van Mick Ronson, dezelfde die eerder bij David Bowie speelde, per nummer wisselt.
Qua stijl klinkt meestal stevige gitaarwave, soms onderkoeld zoals in opener Strange One, vaker uitgelaten zoals in de nummers daarna. In Cheap Emotions en Burning Sounds doet Matlock de leadzang, de overige malen is het Ure. Van PVC2 nam de laatste Put You in the Picture mee, één van de betere liedjes op deze elpee. Beste nummer is Rich Kids, dat bovendien als single vanaf eind januari 1978 twee weken #24 stond in de Britse hitlijst.
Ure wilde synthesizers integreren, Matlock zag dat niet zitten en de samenwerking stopte. Al ging Rich Kids door zonder Ure, de groep stopte al spoedig. Wel waren er in 2010, '16 en '19 reünieoptredens met in '16 Gary Kemp van Spandau Ballet en in '19 Neal X van Sigue Sigue Sputnik. Matlocks carrière ná Rich Kids bracht hem geen grootse zaken. Anders dan Egan en Ure, die al vlot doorgingen bij Visage.
Mijn reis kwam vanaf de #1 in die hitlijst, Althea and Donna. Verder met new wave en aanverwanten van 1978 bij de tweede van The Boys.
Glen Metlock en Midge Ure werden vergezeld door drummer Rusty Egan, die vanaf 1980 furore zou maken bij de new romantics, een modebewuste stroming binnen new wave; én er was gitarist/toetsenist Steve New.
Alleen jammer dat Ghosts of Princes in Towers niet de gedroomde fijne liedjes bevat en dat de productie van Mick Ronson, dezelfde die eerder bij David Bowie speelde, per nummer wisselt.
Qua stijl klinkt meestal stevige gitaarwave, soms onderkoeld zoals in opener Strange One, vaker uitgelaten zoals in de nummers daarna. In Cheap Emotions en Burning Sounds doet Matlock de leadzang, de overige malen is het Ure. Van PVC2 nam de laatste Put You in the Picture mee, één van de betere liedjes op deze elpee. Beste nummer is Rich Kids, dat bovendien als single vanaf eind januari 1978 twee weken #24 stond in de Britse hitlijst.
Ure wilde synthesizers integreren, Matlock zag dat niet zitten en de samenwerking stopte. Al ging Rich Kids door zonder Ure, de groep stopte al spoedig. Wel waren er in 2010, '16 en '19 reünieoptredens met in '16 Gary Kemp van Spandau Ballet en in '19 Neal X van Sigue Sigue Sputnik. Matlocks carrière ná Rich Kids bracht hem geen grootse zaken. Anders dan Egan en Ure, die al vlot doorgingen bij Visage.
Mijn reis kwam vanaf de #1 in die hitlijst, Althea and Donna. Verder met new wave en aanverwanten van 1978 bij de tweede van The Boys.
Richard Hell & The Voidoids - Blank Generation (1977)

3,5
0
geplaatst: 25 april 2024, 19:14 uur
Richard Meyers, zoon van intellectuele ouders, van wie hij de vader op jonge leeftijd verloor. Weggelopen van huis met boezemvriend Tom Miller. Maakte de middelbare school niet af en toog naar New York om dichter te worden en dat vervolgens in Santa Fe te praktiseren én een tijdschrift uit te geven.
Terug in New York begint hij met Tom Miller, de laatste inmiddels actief onder het pseudoniem Tom Verlaine, de groep Neon Boys. Hieruit ontstond het baanbrekende Television, invloedrijk op de New Yorkse new wave. Meyers noemde zich dan Richard Hell. Nog voordat het debuut verschijnt is Hell met onenigheid vertrokken.
In november '76 verschijnt een single van Richard Hell & The Voidoids met 3 nummers genaamd Blank Generation (niet op Discogs te vinden, ik vertrouw hier op Wikipedia dat zich baseert op dit boek) en in september 1977 verschijnt het elpeedebuut Blank Generation.
De muziek is soms wild en heftig: alleen al de bijna valse openingstonen van Love Comes in Spurts, waarna een pittig en puntig nummer volgt. Vaak is het ingetogener, althans: geen wilde punk, maar eigenzinnige rock met sterk gitaarwerk. Niet per se makkelijk beluisterbaar, zoals mij overkomt in de acht minuten van slotlied Another World.
Daar staat tegenover dat het titelnummer mijn afspeellijst van inmiddels 91 nummers met een briljante gitaarsolo bereikte: deze van Robert Quine is heerlijk tegendraads en toch passend. Het heeft het punkgevoel. Zes nummers blijven daarbij onder de drie minuten, wat dat gevoel versterkt. Met de oren van nu: zowel punk als new wave, voor wie van genrestickertjes houdt. In mijn beleving soms pakkend, soms minder.
In de nazomer van 1977 kwam de jonge punk-/waverevolte goed op gang. Ik kwam vanaf het debuut van The Boomtown Rats en het volgende nummer op mijn afspeellijst is het titelnummer van Iggy Pops Lust for Life. Op naar die plaat.
Terug in New York begint hij met Tom Miller, de laatste inmiddels actief onder het pseudoniem Tom Verlaine, de groep Neon Boys. Hieruit ontstond het baanbrekende Television, invloedrijk op de New Yorkse new wave. Meyers noemde zich dan Richard Hell. Nog voordat het debuut verschijnt is Hell met onenigheid vertrokken.
In november '76 verschijnt een single van Richard Hell & The Voidoids met 3 nummers genaamd Blank Generation (niet op Discogs te vinden, ik vertrouw hier op Wikipedia dat zich baseert op dit boek) en in september 1977 verschijnt het elpeedebuut Blank Generation.
De muziek is soms wild en heftig: alleen al de bijna valse openingstonen van Love Comes in Spurts, waarna een pittig en puntig nummer volgt. Vaak is het ingetogener, althans: geen wilde punk, maar eigenzinnige rock met sterk gitaarwerk. Niet per se makkelijk beluisterbaar, zoals mij overkomt in de acht minuten van slotlied Another World.
Daar staat tegenover dat het titelnummer mijn afspeellijst van inmiddels 91 nummers met een briljante gitaarsolo bereikte: deze van Robert Quine is heerlijk tegendraads en toch passend. Het heeft het punkgevoel. Zes nummers blijven daarbij onder de drie minuten, wat dat gevoel versterkt. Met de oren van nu: zowel punk als new wave, voor wie van genrestickertjes houdt. In mijn beleving soms pakkend, soms minder.
In de nazomer van 1977 kwam de jonge punk-/waverevolte goed op gang. Ik kwam vanaf het debuut van The Boomtown Rats en het volgende nummer op mijn afspeellijst is het titelnummer van Iggy Pops Lust for Life. Op naar die plaat.
Richard Lloyd - Alchemy (1979)

4,0
1
geplaatst: 4 november 2024, 15:17 uur
Vergeten Pareltje. In die categorie hoort dit wel, zeker als je bij de albums van Lloyds vorige band Television vaak verhalen leest in de trant van 'Hoe Goed Is Dit'. Op MuMe bij hun debuut Marquee Moon maar liefst 531 stemmen en 239 berichten.
Bij het solodebuut van Tom Verlaine 44 stemmen en 11 berichten en bij dit Alchemy van Richard Lloyd 12 stemmen en 4 berichten. Raarrr...
Immers, wat speelt die Lloyd weer het ene na het andere heerlijke lickje, hoe weet hij met gevarieerde composities aan te komen en zet hij voor extra afwisseling op sobere wijze instrumenten als piano, synthesizer en mondharmonica in. En wat schrijft hij lieve, mooie teksten over kleinmenselijk leed. Zoals over dat ondefinieerbare, ongrijpbare maar fascinerende wezen in Woman's Ways en Number Nine.
Soms kruipt hij met tweestemmige zang dicht naar powerpop toe, waarbij de melodieën extra fraai worden, zoals Blue and Grey. Lloyd schrijft Liedjes met hoofdletter L. Is het grensverleggend, experimenteel en meer van dat? Nee. Liedjes. Van hoge kwaliteit.
Ik ben op reis door new wave en verbaas mij over het gebrek aan aandacht voor een plaatje als dit exemplaar. Was het omdat de concurrentie groot was? Ik vind dit net zo leuk als Television. Nee, leuker zelfs! Mijn queste kwam vanaf het debuut van The Flying Lizards en blijft in november 1979: Let It Roll van Dr. Feelgood.
Bij het solodebuut van Tom Verlaine 44 stemmen en 11 berichten en bij dit Alchemy van Richard Lloyd 12 stemmen en 4 berichten. Raarrr...
Immers, wat speelt die Lloyd weer het ene na het andere heerlijke lickje, hoe weet hij met gevarieerde composities aan te komen en zet hij voor extra afwisseling op sobere wijze instrumenten als piano, synthesizer en mondharmonica in. En wat schrijft hij lieve, mooie teksten over kleinmenselijk leed. Zoals over dat ondefinieerbare, ongrijpbare maar fascinerende wezen in Woman's Ways en Number Nine.
Soms kruipt hij met tweestemmige zang dicht naar powerpop toe, waarbij de melodieën extra fraai worden, zoals Blue and Grey. Lloyd schrijft Liedjes met hoofdletter L. Is het grensverleggend, experimenteel en meer van dat? Nee. Liedjes. Van hoge kwaliteit.
Ik ben op reis door new wave en verbaas mij over het gebrek aan aandacht voor een plaatje als dit exemplaar. Was het omdat de concurrentie groot was? Ik vind dit net zo leuk als Television. Nee, leuker zelfs! Mijn queste kwam vanaf het debuut van The Flying Lizards en blijft in november 1979: Let It Roll van Dr. Feelgood.
Rick Parfitt - Over and Out (2018)

4,0
0
geplaatst: 15 april 2024, 21:59 uur
Ik dacht dat ik Over and Out (oeiii, die titel was pijnlijk raak!) al meteen bij verschijnen had gekocht, maar ik zie dat ie al in maart verscheen: het tweede soloalbum van Rick Parfitt. Toen ik 'm uit de bak viste, was het heet en juni en de zomervakantie naderde. Zo associeer ik 'm ook: een zonnig, bij vlagen stevig en vooral vriendelijk-swingend album. Vergezeld door een koud biertje maakte ik kennis en werd vrolijk verrast.
Uit een bandbiografie wist ik dat zijn eerste soloplaat in 1985-'86 was opgenomen, toen Status Quo op z'n bips lag. Dat Recorded Delivery verscheen nooit, want de platenmaatschappij wilde dat Quo een doorstart maakte. Hij is wél op Discogs te vinden. Nu de blonde Hauptstadtrocker (dure Duitse confectie, door hem opvallend gepromoot) niet meer onder ons was, ging ik er eens goed bij staan.
De plaat begint stevig met aangename oorwurm Twinkletoes met fraai gitaarwerk van Parfitts maatje Brian May. Dan een stevige shuffle in Lonesome Road met daarin een pakkende versnelling: ik zette mijn versterker op 11!
Ondertussen vroeg ik me af wanneer bassist Alan Lancaster, ex-Quo, zou opduiken: zijn naam dook op in recensies en op de promosticker van mijn cd. Verder zag ik hier en elders in het fraaie cd-boekje vooral de naam van ene Jo Webb, die Over and Out na Parfitts overlijden tot een coherent geheel smeedde.
En toen werd ik stil: het kalme titelnummer Over and Out had Parfitt vast niet zo bedoeld, maar klinkt toch echt als een requiem. Ontroerend mooi gezongen ook. Heeft qua sfeer en onderwerp weg van This Is Me van The Party Ain't over Yet uit 2005.
Hierna wordt de muziek lichter, jazeker, maar het blijft aangenaam. When I Was Fallin' in Love klinkt als Roy Orbison, als geproduceerd door Jeff Lynne. Met fraaie strijkers. Opnieuw de warme productie van Webb, geassisteerd door Rick Parfitt junior. Fight for Every Heartbeat lijkt te zinspelen op Parfitts jarenlange hartproblemen, aangenaam licht-rockend.
Dan ballade Without You, ijzersterk gezongen door Parfitt, van wie ik niet wist dat diens stem zo hoog reikte. Tijdens de gitaarsolo van Webb klinken de hoogtijdagen van de jaren '70 door, warm en pakkend. Valt me opeens op dat de nummers lekker compact blijven: mijn cd-display tikt 'm af op 3'20". Nergens wordt nodeloos herhaald of gerekt.
Long Distance Love is uptempo en heeft een sterke melodie, perfect passend bij de vriendelijke rock. Plus een lekker gitaarsolootje van alweer Webb.
Pas op track 7 is daar de reünie: Alan Lancaster komt binnenwaaien. De bas neemt hij desondanks in Everybody Knows How to Fly niet ter hand: het blijft bij onopvallende achtergrondzang. Wel hoor ik een rockende shuffle met meteen in het intro de scheurende mondharmonica van Bob Young, al sinds 1969 een toegevoegde waarde op menig album van Status Quo. Plus op bas John Edwards, bassist bij de groep sinds 1986.
Jaren '50 rock 'n' roll met doo-wopkoortje in Lock Myself Away, waar Shannon Harris aangename boogiewoogiepiano speelt.
Afsluiter is Halloween, oorspronkelijk de opener van die nooit verschenen eerste soloplaat en in 1988 B-kant van Quo's single Who Gets the Love? Daarom ook te vinden als bonustrack bij album Ain't Complaining. In de versie van Over and Out klinkt dit steviger dan Quo in die tijd, maar met de synthesizerpartij is het onmiskenbaar jaren '80, afwijkend van de rest van dit afscheid.
Terwijl ik dit typ, onweert het hevig en striemt regen (hagel?) tegen de ruit. Tja, een held uit mijn tienerjaren ging heen... Na alle hartproblemen moest Parfitt noodgedwongen afscheid nemen van het touren met Status Quo. Eind 2016 belandde hij met een schouderkwetsuur in het ziekenhuis, waar hij een infectie opliep die hem zijn laatste adem deed uitblazen.
Over and Out is met z'n 35 minuten vrij kort, maar nodigt juist daarom uit tot herhaald draaien. Sterker nog, ik twijfel erover om ook de vinylversie aan te schaffen, want die andere mix waarover hierboven wordt geschreven, klinkt aanlokkelijk...
Uit een bandbiografie wist ik dat zijn eerste soloplaat in 1985-'86 was opgenomen, toen Status Quo op z'n bips lag. Dat Recorded Delivery verscheen nooit, want de platenmaatschappij wilde dat Quo een doorstart maakte. Hij is wél op Discogs te vinden. Nu de blonde Hauptstadtrocker (dure Duitse confectie, door hem opvallend gepromoot) niet meer onder ons was, ging ik er eens goed bij staan.
De plaat begint stevig met aangename oorwurm Twinkletoes met fraai gitaarwerk van Parfitts maatje Brian May. Dan een stevige shuffle in Lonesome Road met daarin een pakkende versnelling: ik zette mijn versterker op 11!
Ondertussen vroeg ik me af wanneer bassist Alan Lancaster, ex-Quo, zou opduiken: zijn naam dook op in recensies en op de promosticker van mijn cd. Verder zag ik hier en elders in het fraaie cd-boekje vooral de naam van ene Jo Webb, die Over and Out na Parfitts overlijden tot een coherent geheel smeedde.
En toen werd ik stil: het kalme titelnummer Over and Out had Parfitt vast niet zo bedoeld, maar klinkt toch echt als een requiem. Ontroerend mooi gezongen ook. Heeft qua sfeer en onderwerp weg van This Is Me van The Party Ain't over Yet uit 2005.
Hierna wordt de muziek lichter, jazeker, maar het blijft aangenaam. When I Was Fallin' in Love klinkt als Roy Orbison, als geproduceerd door Jeff Lynne. Met fraaie strijkers. Opnieuw de warme productie van Webb, geassisteerd door Rick Parfitt junior. Fight for Every Heartbeat lijkt te zinspelen op Parfitts jarenlange hartproblemen, aangenaam licht-rockend.
Dan ballade Without You, ijzersterk gezongen door Parfitt, van wie ik niet wist dat diens stem zo hoog reikte. Tijdens de gitaarsolo van Webb klinken de hoogtijdagen van de jaren '70 door, warm en pakkend. Valt me opeens op dat de nummers lekker compact blijven: mijn cd-display tikt 'm af op 3'20". Nergens wordt nodeloos herhaald of gerekt.
Long Distance Love is uptempo en heeft een sterke melodie, perfect passend bij de vriendelijke rock. Plus een lekker gitaarsolootje van alweer Webb.
Pas op track 7 is daar de reünie: Alan Lancaster komt binnenwaaien. De bas neemt hij desondanks in Everybody Knows How to Fly niet ter hand: het blijft bij onopvallende achtergrondzang. Wel hoor ik een rockende shuffle met meteen in het intro de scheurende mondharmonica van Bob Young, al sinds 1969 een toegevoegde waarde op menig album van Status Quo. Plus op bas John Edwards, bassist bij de groep sinds 1986.
Jaren '50 rock 'n' roll met doo-wopkoortje in Lock Myself Away, waar Shannon Harris aangename boogiewoogiepiano speelt.
Afsluiter is Halloween, oorspronkelijk de opener van die nooit verschenen eerste soloplaat en in 1988 B-kant van Quo's single Who Gets the Love? Daarom ook te vinden als bonustrack bij album Ain't Complaining. In de versie van Over and Out klinkt dit steviger dan Quo in die tijd, maar met de synthesizerpartij is het onmiskenbaar jaren '80, afwijkend van de rest van dit afscheid.
Terwijl ik dit typ, onweert het hevig en striemt regen (hagel?) tegen de ruit. Tja, een held uit mijn tienerjaren ging heen... Na alle hartproblemen moest Parfitt noodgedwongen afscheid nemen van het touren met Status Quo. Eind 2016 belandde hij met een schouderkwetsuur in het ziekenhuis, waar hij een infectie opliep die hem zijn laatste adem deed uitblazen.
Over and Out is met z'n 35 minuten vrij kort, maar nodigt juist daarom uit tot herhaald draaien. Sterker nog, ik twijfel erover om ook de vinylversie aan te schaffen, want die andere mix waarover hierboven wordt geschreven, klinkt aanlokkelijk...
Riot - Fire Down Under (1981)

5,0
2
geplaatst: 20 juni 2022, 23:20 uur
De tweede plaat van Riot die in Nederland werd uitgebracht was Fire Down Under. Mijn muziekmaatje en ik wisten dat dit eigenlijk hun derde was, maar het debuut had Nederland nooit bereikt. Al was er waarschijnlijk een heel kleine kans dat je ‘m bij gespecialiseerde zaken in de importbakken tegenkwam; is mij nooit gebeurd.
Wat was hun derde elpee góéd! Man… Knallen, knallen, knallen. Narita vonden we al prachtig en gelukkig belandde dit juweeltje eveneens in de fonotheek van ons dorp. 1981 was wederom een goed en vernieuwend jaar voor heavy rock. Bij Riot klonk niet de metal zoals die inmiddels in het Verenigd Koninkrijk de toon zette: de New Yorkers maakten snelle hardrock, iets traditioneler dan bij de Britse collega’s, maar de superenergieke inzet maakte dit ruimschoots goed. In mijn hoofd was een zeehond niet meer lief en bedreigd, maar stoer en gevaarlijk.
Op de achterkant van de hoes stond een bio over de strijd die was geleverd, maar zie daar, “We benne terug!” Bijna alle nummers belandden op cassette. Alleen de langzamere liedjes Feel the Same en No Lies haalden die niet. Afsluiter Flashbacks wél, want alweer wordt heerlijk gesoleerd en de soundbites van de hartverwarmende ontvangst die de band kennelijk in Engeland had gekregen vond ik interessant. Waarschijnlijk bedoeld als bedankje aan hun Britse fans.
De afgelopen weken heb ik het album via streaming veel gedraaid. Waar ik vroeger vooral voor de snelste tracks viel, namelijk Fire Down Under en Run for Your Life, zijn nu mijn absolute favorieten de songs die net iets langzamer zijn: Swords and Tequila (indertijd kwam ik voor het eerst de term 'tequila' tegen, nog altijd een prachtig woord), Outlaw met zijn heerlijke riff, Don’t Hold Back waarin ik iedere keer oren tekort kom en de powershuffle van Altar of the King, dat bovendien een wonderschoon intro kent.
Bij deze songs spelen gitaristen Mark Reale en Rick Ventura partijen die met elkaar in contrast staan maar wonderwel samengaan; een lust voor het oor.
Een andere reden dat deze liedjes extra waarde hebben gekregen is de toenmalig debuterende drummer Sandy Slavin: pas nu valt me op dat hij de meest gevarieerde capriolen uithaalt, kan grooven als de beste en daarbij heerlijk veel en stevig zijn bekkens teistert.
Uiteraard móet de stem van Guy Speranza worden genoemd. Helder en krachtig, uit duizenden herkenbaar. Het zijn dezelfde kwaliteiten waarom ik zo van de gouden keeltjes van Steve Walsh (Kansas) en Jon Deverill (Tygers of Pan Tang) houd, stemmen die melodie en energie perfect doen samensmelten.
Met de opvolger was dat voorbij: Rhett Forrester had een hele andere kleur, Riot klonk voor mij niet meer als Riot en ik haakte af. Dat diens opvolger Tony Moore ook zo’n heldere stem bezit, heb ik totaal gemist.
Wel ontdekte ik tot mijn verrassing bij “spin-off band” Riot V iets van die oude magie, al gebeurde dit mij pas in 2018 met het uitkomen van Armor of Light. Maar Riot V is een verhaal voor een andere keer.
Mogelijk moet ik zelfs de fase Forrester een tweede kans geven, want wat ik op streaming tegenkwam valt me inmiddels niet tegen. Al haalt het niet de magie van Fire Down Under, voor mij een vijfsterrenklassieker.
Wat was hun derde elpee góéd! Man… Knallen, knallen, knallen. Narita vonden we al prachtig en gelukkig belandde dit juweeltje eveneens in de fonotheek van ons dorp. 1981 was wederom een goed en vernieuwend jaar voor heavy rock. Bij Riot klonk niet de metal zoals die inmiddels in het Verenigd Koninkrijk de toon zette: de New Yorkers maakten snelle hardrock, iets traditioneler dan bij de Britse collega’s, maar de superenergieke inzet maakte dit ruimschoots goed. In mijn hoofd was een zeehond niet meer lief en bedreigd, maar stoer en gevaarlijk.
Op de achterkant van de hoes stond een bio over de strijd die was geleverd, maar zie daar, “We benne terug!” Bijna alle nummers belandden op cassette. Alleen de langzamere liedjes Feel the Same en No Lies haalden die niet. Afsluiter Flashbacks wél, want alweer wordt heerlijk gesoleerd en de soundbites van de hartverwarmende ontvangst die de band kennelijk in Engeland had gekregen vond ik interessant. Waarschijnlijk bedoeld als bedankje aan hun Britse fans.
De afgelopen weken heb ik het album via streaming veel gedraaid. Waar ik vroeger vooral voor de snelste tracks viel, namelijk Fire Down Under en Run for Your Life, zijn nu mijn absolute favorieten de songs die net iets langzamer zijn: Swords and Tequila (indertijd kwam ik voor het eerst de term 'tequila' tegen, nog altijd een prachtig woord), Outlaw met zijn heerlijke riff, Don’t Hold Back waarin ik iedere keer oren tekort kom en de powershuffle van Altar of the King, dat bovendien een wonderschoon intro kent.
Bij deze songs spelen gitaristen Mark Reale en Rick Ventura partijen die met elkaar in contrast staan maar wonderwel samengaan; een lust voor het oor.
Een andere reden dat deze liedjes extra waarde hebben gekregen is de toenmalig debuterende drummer Sandy Slavin: pas nu valt me op dat hij de meest gevarieerde capriolen uithaalt, kan grooven als de beste en daarbij heerlijk veel en stevig zijn bekkens teistert.
Uiteraard móet de stem van Guy Speranza worden genoemd. Helder en krachtig, uit duizenden herkenbaar. Het zijn dezelfde kwaliteiten waarom ik zo van de gouden keeltjes van Steve Walsh (Kansas) en Jon Deverill (Tygers of Pan Tang) houd, stemmen die melodie en energie perfect doen samensmelten.
Met de opvolger was dat voorbij: Rhett Forrester had een hele andere kleur, Riot klonk voor mij niet meer als Riot en ik haakte af. Dat diens opvolger Tony Moore ook zo’n heldere stem bezit, heb ik totaal gemist.
Wel ontdekte ik tot mijn verrassing bij “spin-off band” Riot V iets van die oude magie, al gebeurde dit mij pas in 2018 met het uitkomen van Armor of Light. Maar Riot V is een verhaal voor een andere keer.
Mogelijk moet ik zelfs de fase Forrester een tweede kans geven, want wat ik op streaming tegenkwam valt me inmiddels niet tegen. Al haalt het niet de magie van Fire Down Under, voor mij een vijfsterrenklassieker.
Riot - Narita (1979)

4,0
1
geplaatst: 26 januari 2022, 21:43 uur
In haar KRO-radioprogramma Stampij draaide Hanneke Kappen enthousiast nummers van deze plaat, vooral Road Racin'. Het was 1979, 1980 en ik kwam het liedje ook tegen op de verzamelaar Metalmania. Gelukkig voor mij stond Narita in de bakken van de fonotheek.
Hoe schattig: een zeehondenjong keek mij vanaf de hoes aan. Dit beeld associeerde ik onmiddelijk met Greenpeace, dat in die jaren fanatiek aandacht vroeg van een jong publiek met o.a. waarschuwende beelden van doodgeknuppelde zeehondenjongen. "Hoe zielig, aaah..." vond iedere weldenkende tiener.
De zeehond van Riot echter was minder weerloos: om hem heen liggen allemaal menselijke schedels. De functie van het naderende vliegtuig was minder helder, maar de bijl in de hand van het knuffeldiertje deed het nodige vermoeden over wat er was gebeurd.
Op de achterkant van de hoes zagen we enkele toffe livefoto's van de mannen plus de nodige informatie. Tijdens schoolpauzes spraken mijn maatje en ik er begeesterd over. Zo viel het ons op dat de bassist dezelfde achternaam had als het riffbeest van Black Sabbath. Maar vast geen familie, want dat dit een New Yorkse band was, hadden we bij Hanneke gehoord en in Oor gelezen.
De plaat stelde bepaald niet teleur. Hoge energie hardrock, tegen metal aan. Behalve alle sterke uptempo composities, riffs en zanglijnen beschikte de band over nóg twee troeven: de kristalheldere en tegelijkertijd krachtige stem van Guy Speranza én het altijd flitsende solowerk van Mark Reale. De vette productie, waarin de basgitaar onopvallend maar effectief boven in de mix ligt, deed de rest. Ook lekker: twee gitaristen, waardoor tijdens de talrijke solo's altijd een geluidsmuur bleef, anders dan bij veel andere bands.
Uitgebracht in '79 is dit misschien wel de beste plaat uit het genre van dat jaar. Vergelijk 'm bijvoorbeeld eens met het debuut van Saxon: Riot liet horen hoe het moest. Narita was namelijk in tegenstelling tot de voorganger in Nederland geperst en uitgebracht; enige tijd dachten wij dat dít hun debuut was.
Mijn favorieten van toen zijn mijn favorieten van nu. Op de A-kant: Waiting for the Taking met zijn ultrakorte intro, 49'er (later ontdekte ik dat dit een Amerikaanse uitdrukking is voor een gelukszoeker, een verwijzing naar het jaar 1849 toen goudkoorts de kop opstak), het opgevoerde Born to be Wild, waarvan het origineel indertijd nog vaak op de radio klonk, en uiteraard die heerlijke instrumentale titelsong.
Op kant B: de van een snelle shuffle voorziene meezinger Here We Come Again, het snellere White Rock en het snelste Road Racin'.
Jong, fris, melodieus, krachtig, betonhard en flitsend: het komt allemaal samen op deze klassieker. En dat al in '79!
Hoe schattig: een zeehondenjong keek mij vanaf de hoes aan. Dit beeld associeerde ik onmiddelijk met Greenpeace, dat in die jaren fanatiek aandacht vroeg van een jong publiek met o.a. waarschuwende beelden van doodgeknuppelde zeehondenjongen. "Hoe zielig, aaah..." vond iedere weldenkende tiener.
De zeehond van Riot echter was minder weerloos: om hem heen liggen allemaal menselijke schedels. De functie van het naderende vliegtuig was minder helder, maar de bijl in de hand van het knuffeldiertje deed het nodige vermoeden over wat er was gebeurd.
Op de achterkant van de hoes zagen we enkele toffe livefoto's van de mannen plus de nodige informatie. Tijdens schoolpauzes spraken mijn maatje en ik er begeesterd over. Zo viel het ons op dat de bassist dezelfde achternaam had als het riffbeest van Black Sabbath. Maar vast geen familie, want dat dit een New Yorkse band was, hadden we bij Hanneke gehoord en in Oor gelezen.
De plaat stelde bepaald niet teleur. Hoge energie hardrock, tegen metal aan. Behalve alle sterke uptempo composities, riffs en zanglijnen beschikte de band over nóg twee troeven: de kristalheldere en tegelijkertijd krachtige stem van Guy Speranza én het altijd flitsende solowerk van Mark Reale. De vette productie, waarin de basgitaar onopvallend maar effectief boven in de mix ligt, deed de rest. Ook lekker: twee gitaristen, waardoor tijdens de talrijke solo's altijd een geluidsmuur bleef, anders dan bij veel andere bands.
Uitgebracht in '79 is dit misschien wel de beste plaat uit het genre van dat jaar. Vergelijk 'm bijvoorbeeld eens met het debuut van Saxon: Riot liet horen hoe het moest. Narita was namelijk in tegenstelling tot de voorganger in Nederland geperst en uitgebracht; enige tijd dachten wij dat dít hun debuut was.
Mijn favorieten van toen zijn mijn favorieten van nu. Op de A-kant: Waiting for the Taking met zijn ultrakorte intro, 49'er (later ontdekte ik dat dit een Amerikaanse uitdrukking is voor een gelukszoeker, een verwijzing naar het jaar 1849 toen goudkoorts de kop opstak), het opgevoerde Born to be Wild, waarvan het origineel indertijd nog vaak op de radio klonk, en uiteraard die heerlijke instrumentale titelsong.
Op kant B: de van een snelle shuffle voorziene meezinger Here We Come Again, het snellere White Rock en het snelste Road Racin'.
Jong, fris, melodieus, krachtig, betonhard en flitsend: het komt allemaal samen op deze klassieker. En dat al in '79!
Ritchie Blackmore's Rainbow - Memories in Rock (2016)
Alternatieve titel: Live in Germany

2,5
2
geplaatst: 7 april 2025, 19:14 uur
De aanloop naar deze reünie volgde ik op de voet. Doogie White, van de laatste incarnatie van Rainbow (1995), was de ideale zanger geweest om de verschillende periodes van de groep te overbruggen. Ritchie Blackmore koos echter voor andere muzikanten plus een dameskoortje, waarin ook zijn eega Candice Night. Van de nieuwe namen kende ik alleen klasbak Jens Johansson van respectievelijk Silver Mountain en Yngwie Malmsteen's Rising Force.
De dag na hun eerste optreden verschenen de eerste beelden op YouTube. Ik fronste de wenkbrauwen: een bedaarde hippiebassist in een harembroek en een drummer met een klein drumstel en een hanenkam? Dat was andere koek dan hun voorgangers!
Was Ronnie Romero inderdaad de wereldzanger, zoals bandleider Blackmore hem had gepresenteerd? Ik bleek allergisch voor zijn scherp-rauwe stem en vooral zijn geknepen stembanden. Blackmore zelf speelde stram, duidelijk ouder geworden. Ik kon hier niet naar kijken zonder dit Rainbow te vergelijken met de legendarische versies van de jaren '70 en '80, maar ook die kortstondige fase in 1995 was stukken overtuigender.
Bijna negen jaar later valt het me eigenlijk mee, al is de som der delen veel te mager. Drummer David Keith bijvoorbeeld is gewoon góed en dat hij een t-shirt van Depeche Mode draagt (album 101) is een leuk detail. Belangrijker is de muziek.
Grootste bezwaar, hierboven reeds door Sir Spamalot opgemerkt, is dat de groep niet goed ingespeeld lijkt. Het is te vaak te aarzelend, zeker rond het in- en uittro van een nummer. Tweede minpunt is dat energie en dynamiek hier en daar node worden gemist. Ik noem als voorbeelden Since You Been Gone (te langzaam) en Stargazer (mislukte climax).
Derde manco is dat Blackmore door artritis de dynamiek in zijn spel ontbeert, met de flauwe solo in Stargazer als meest schrijnende voorbeeld. Ten slotte is jammer dat niet één nummer van album Stranger in Us All langskomt; daar had wel een Purple-meezingnummer (Black Night, Smoke on the Water) kunnen worden ingekort of weggelaten.
Romero is, ondanks sympathieke uitingen over zijn overleden voorganger Ronnie James Dio tijdens Man on the Silver Mountain, niet de man om diens kwaliteit ook maar te benaderen. Ook zijn vlakke vertolking van Mistreated is kenmerkend, waar ik met heimwee terugdenk aan wat Coverdale en Dio hier deden. Hij mist simpelweg talent, zowel qua stembanden als emotie.
Wél positief ben ik over de toetsenpartijen van Johansson, die op het niveau van van eerdere klavierenmannen in de entourage van Blackmore musiceert: Jon Lord, Tony Carey, David Stone, Don Airey en David Rosenthal.
Een laatste reeks optredens onder de vlag van Rainbow had een uitroepteken verdiend, niet een een kaarsje dat op z'n best wat flakkert. Het publiek had zicht- en hoorbaar een leuk avondje uit - gelijk hadden ze! - voor thuis kan men beter één van de vele eerdere livealbums van de groep kopen.
Wie het met mij oneens is, kan bovendien de alternatieve concerten van deze regenboog aanschaffen: Live in Birmingham 2016 en Memories in Rock II.
Met het recente nieuws over Blackmores hartaanval wilde ik dat ik milder was. Toch is mijn conclusie dat Blackmore een reünie als deze eerder had moeten doen, toen hij nog meer dynamiek in zijn spel kon leggen. Daarbij vrees ik dat het nog veel erger kan: later dit jaar volgt een reünie van Black Sabbath, waar de zanger noodlottig genoeg weinig meer schijnt te kunnen... Hopelijk krijg ik daarin ongelijk.
De dag na hun eerste optreden verschenen de eerste beelden op YouTube. Ik fronste de wenkbrauwen: een bedaarde hippiebassist in een harembroek en een drummer met een klein drumstel en een hanenkam? Dat was andere koek dan hun voorgangers!
Was Ronnie Romero inderdaad de wereldzanger, zoals bandleider Blackmore hem had gepresenteerd? Ik bleek allergisch voor zijn scherp-rauwe stem en vooral zijn geknepen stembanden. Blackmore zelf speelde stram, duidelijk ouder geworden. Ik kon hier niet naar kijken zonder dit Rainbow te vergelijken met de legendarische versies van de jaren '70 en '80, maar ook die kortstondige fase in 1995 was stukken overtuigender.
Bijna negen jaar later valt het me eigenlijk mee, al is de som der delen veel te mager. Drummer David Keith bijvoorbeeld is gewoon góed en dat hij een t-shirt van Depeche Mode draagt (album 101) is een leuk detail. Belangrijker is de muziek.
Grootste bezwaar, hierboven reeds door Sir Spamalot opgemerkt, is dat de groep niet goed ingespeeld lijkt. Het is te vaak te aarzelend, zeker rond het in- en uittro van een nummer. Tweede minpunt is dat energie en dynamiek hier en daar node worden gemist. Ik noem als voorbeelden Since You Been Gone (te langzaam) en Stargazer (mislukte climax).
Derde manco is dat Blackmore door artritis de dynamiek in zijn spel ontbeert, met de flauwe solo in Stargazer als meest schrijnende voorbeeld. Ten slotte is jammer dat niet één nummer van album Stranger in Us All langskomt; daar had wel een Purple-meezingnummer (Black Night, Smoke on the Water) kunnen worden ingekort of weggelaten.
Romero is, ondanks sympathieke uitingen over zijn overleden voorganger Ronnie James Dio tijdens Man on the Silver Mountain, niet de man om diens kwaliteit ook maar te benaderen. Ook zijn vlakke vertolking van Mistreated is kenmerkend, waar ik met heimwee terugdenk aan wat Coverdale en Dio hier deden. Hij mist simpelweg talent, zowel qua stembanden als emotie.
Wél positief ben ik over de toetsenpartijen van Johansson, die op het niveau van van eerdere klavierenmannen in de entourage van Blackmore musiceert: Jon Lord, Tony Carey, David Stone, Don Airey en David Rosenthal.
Een laatste reeks optredens onder de vlag van Rainbow had een uitroepteken verdiend, niet een een kaarsje dat op z'n best wat flakkert. Het publiek had zicht- en hoorbaar een leuk avondje uit - gelijk hadden ze! - voor thuis kan men beter één van de vele eerdere livealbums van de groep kopen.
Wie het met mij oneens is, kan bovendien de alternatieve concerten van deze regenboog aanschaffen: Live in Birmingham 2016 en Memories in Rock II.
Met het recente nieuws over Blackmores hartaanval wilde ik dat ik milder was. Toch is mijn conclusie dat Blackmore een reünie als deze eerder had moeten doen, toen hij nog meer dynamiek in zijn spel kon leggen. Daarbij vrees ik dat het nog veel erger kan: later dit jaar volgt een reünie van Black Sabbath, waar de zanger noodlottig genoeg weinig meer schijnt te kunnen... Hopelijk krijg ik daarin ongelijk.
Ritchie Blackmore's Rainbow - Ritchie Blackmore's Rainbow (1975)

3,5
2
geplaatst: 14 augustus 2024, 12:49 uur
Het debuut van Rainbow, maar laat ik na de drie albums van Elf te hebben herbeluisterd eens doen alsof dit de vierde van Elf was. Zeker omdat de opnamen kort na die van Trying to Burn the Sun volgden. Wat valt dan op?
Niet alleen dat gitarist Ritchie Blackmore de plek van Steve Edwards heeft ingenomen, maar ook die van Mickey Lee Soule in diens rol als componist. Weg is de boogierock.
Ten tweede de drums, die in de productie van Martin Birch veel droger klinken dan op de eerste drie, waar Paice (debuut) en Glover (alle drie) voor een ruimtelijk geluid zorgden. Bovendien klinkt vaak en prominent de cowbell – even wennen.
Ten derde begint Dio hier, geïnspireerd door Blackmores voorliefde voor de Renaissance, met het schrijven van teksten in verhalende of zelfs mythische sferen. Hij omschrijft het als "medieval blues". Tenslotte verruilde Soule in de meeste nummers zijn akoestische piano voor andere klavieren én speelt hij geen solo's. Dit is een gitaarplaat.
Conclusie: het geluid van Elf onderging een metamorfose en tegelijkertijd deed Blackmore iets anders dan de "proghardrock" van "zijn" Deep Purple.
Mijn oorspronkelijke route naar dit album kwam echter van On Stage, mijn instapplaat met Rainbow. Toen ik Ritchie Blackmore's Rainbow begin jaren '80 voor het eerst hoorde, vond ik dit in vergelijking met die livedubbelaar véél te tam. Zo klinkt deze eerste versie van Man on the Silver Mountain me nog altijd veel te langzaam in de oren.
Catch the Rainbow staat eveneens op On Stage, maar de mellotron die Soule hier gebruikt vond ik gedateerd, Sixteenth Century Greensleeves klonk me eveneens in te weeïge jaren '70-sfeer en cover Still I'm Said is kalm en… instrumentaal? Eigenlijk vond ik alleen het akoestische Temple of the King met z'n troubadoursgevoel goed.
Veertig jaren later is mijn oordeel veel positiever en niet alleen voor de genoemde nummers. Zo is Self Portrait met zijn 6/8-maat en oorwurmregel "Down, down, down - Nothing is real but the way that I feel and I feel that I'm going down, down, down" in mijn brein gegroeid. Hetzelfde geldt voor het vlotte If You Don't Like Rock 'n' Roll, dat met zijn boogiepiano nog het meest op de vorige albums van Elf lijkt. Een 7,5 als schoolcijfer.
Achtergrondinformatie uit Dio's biografie 'Rainbow in the Dark'. Hij meldt dat hij meteen na de opnamen van Elfs derde plaat met drummer Gary Driscoll naar Californië vliegt. In kustplaats Oxnam heeft Blackmore een huis, waar hij en Dio gezamenlijk alle eigen nummers van deze plaat schrijven. Ondertussen verkent Driscoll het lokale uitgaansleven met Blackmores roadie Ian, ook een drummer. Vervolgens voegen Soule en bassist Craig Gruber zich bij hen voor de repetities.
Jon Lord van Deep Purple heeft niet ver van Blackmore een huis en omdat Purple inmiddels in Californië verblijft met gitarist Tommy Bolin, komen ze elkaar zonder vijandelijkheden tegen. Dat gebeurt onder meer in Rainbow's Bar & Grill, dezelfde die (onder alias) figureert in The Boys Are Back in Town van Thin Lizzy én de plek waar Dio zijn toekomstige (tweede) echtgenote Wendy zal ontmoeten!
Na de opnamen van het album in München worden Gruber, Soule en Driscoll snel vervangen. Wikipedia en Discogs helpen met informatie over hun verdere carrières.
Gruber (overleden in 2015) baste onder meer bij Bible Black, Gary Moore en The Rods, Soule werkte als sessiemuzikant bij Deep Purple, Ian Gillan en Roger Glover én maakte solowerk, Driscoll (in 1987 noodlottig vermoord) drumde in Bible Black. Hun postuum verschenen The Complete Recordings 1981 - 1983 (2022) moet ik alleen daarom al maar eens aanschaffen; een leuk ps’je na Elf.
De credits van het album vermelden bovendien ene Shoshana Feinstein als achtergrondzangeres. Familie van David, gitarist op het debuut van Elf en de neef van Ronnie James? In ieder geval een ex-lief van Blackmore. Dankzij een optreden van haar op een Pools festival in 2022 verscheen dat jaar dit interview, waarbij ook foto's uit haar dagen in Oxnam met Blackmore en Dio. Aanbevolen!
Niet alleen dat gitarist Ritchie Blackmore de plek van Steve Edwards heeft ingenomen, maar ook die van Mickey Lee Soule in diens rol als componist. Weg is de boogierock.
Ten tweede de drums, die in de productie van Martin Birch veel droger klinken dan op de eerste drie, waar Paice (debuut) en Glover (alle drie) voor een ruimtelijk geluid zorgden. Bovendien klinkt vaak en prominent de cowbell – even wennen.
Ten derde begint Dio hier, geïnspireerd door Blackmores voorliefde voor de Renaissance, met het schrijven van teksten in verhalende of zelfs mythische sferen. Hij omschrijft het als "medieval blues". Tenslotte verruilde Soule in de meeste nummers zijn akoestische piano voor andere klavieren én speelt hij geen solo's. Dit is een gitaarplaat.
Conclusie: het geluid van Elf onderging een metamorfose en tegelijkertijd deed Blackmore iets anders dan de "proghardrock" van "zijn" Deep Purple.
Mijn oorspronkelijke route naar dit album kwam echter van On Stage, mijn instapplaat met Rainbow. Toen ik Ritchie Blackmore's Rainbow begin jaren '80 voor het eerst hoorde, vond ik dit in vergelijking met die livedubbelaar véél te tam. Zo klinkt deze eerste versie van Man on the Silver Mountain me nog altijd veel te langzaam in de oren.
Catch the Rainbow staat eveneens op On Stage, maar de mellotron die Soule hier gebruikt vond ik gedateerd, Sixteenth Century Greensleeves klonk me eveneens in te weeïge jaren '70-sfeer en cover Still I'm Said is kalm en… instrumentaal? Eigenlijk vond ik alleen het akoestische Temple of the King met z'n troubadoursgevoel goed.
Veertig jaren later is mijn oordeel veel positiever en niet alleen voor de genoemde nummers. Zo is Self Portrait met zijn 6/8-maat en oorwurmregel "Down, down, down - Nothing is real but the way that I feel and I feel that I'm going down, down, down" in mijn brein gegroeid. Hetzelfde geldt voor het vlotte If You Don't Like Rock 'n' Roll, dat met zijn boogiepiano nog het meest op de vorige albums van Elf lijkt. Een 7,5 als schoolcijfer.
Achtergrondinformatie uit Dio's biografie 'Rainbow in the Dark'. Hij meldt dat hij meteen na de opnamen van Elfs derde plaat met drummer Gary Driscoll naar Californië vliegt. In kustplaats Oxnam heeft Blackmore een huis, waar hij en Dio gezamenlijk alle eigen nummers van deze plaat schrijven. Ondertussen verkent Driscoll het lokale uitgaansleven met Blackmores roadie Ian, ook een drummer. Vervolgens voegen Soule en bassist Craig Gruber zich bij hen voor de repetities.
Jon Lord van Deep Purple heeft niet ver van Blackmore een huis en omdat Purple inmiddels in Californië verblijft met gitarist Tommy Bolin, komen ze elkaar zonder vijandelijkheden tegen. Dat gebeurt onder meer in Rainbow's Bar & Grill, dezelfde die (onder alias) figureert in The Boys Are Back in Town van Thin Lizzy én de plek waar Dio zijn toekomstige (tweede) echtgenote Wendy zal ontmoeten!
Na de opnamen van het album in München worden Gruber, Soule en Driscoll snel vervangen. Wikipedia en Discogs helpen met informatie over hun verdere carrières.
Gruber (overleden in 2015) baste onder meer bij Bible Black, Gary Moore en The Rods, Soule werkte als sessiemuzikant bij Deep Purple, Ian Gillan en Roger Glover én maakte solowerk, Driscoll (in 1987 noodlottig vermoord) drumde in Bible Black. Hun postuum verschenen The Complete Recordings 1981 - 1983 (2022) moet ik alleen daarom al maar eens aanschaffen; een leuk ps’je na Elf.
De credits van het album vermelden bovendien ene Shoshana Feinstein als achtergrondzangeres. Familie van David, gitarist op het debuut van Elf en de neef van Ronnie James? In ieder geval een ex-lief van Blackmore. Dankzij een optreden van haar op een Pools festival in 2022 verscheen dat jaar dit interview, waarbij ook foto's uit haar dagen in Oxnam met Blackmore en Dio. Aanbevolen!
