MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

M-Pire - Chapter One (1995)

poster
3,5
EMelodieuze hardrock uit 1995, toen dat genre na de doorbraak van grunge al enige jaren op apegapen lag. M-Pire werd geformeerd door de ultieme snarenracer Joshua Perahia. Al heb ik er nooit een stopwatch bij gehouden, het zou best kunnen dat hij in de jaren '80 en '90 - en wellicht daarna - de snelste sologitarist ter wereld was. Bij Perahia draait het echter ook om de composities. Een egotripper is hij evenmin, uit de teksten blijkt dat hij een gelovig mens is.

Onder de groepsnaam Joshua bracht hij twee langspelers uit die mede door een Europese tour per trein (!) indruk maakten, zoals nog doorklinkt op de bedankjes op deze M-Pire, met onder meer de namen van het Nederlandse en Vlaamse hardrock- en metaljournaille. Ik bedoel Surrender (1985) en Intense Defense (1988). Over die tournee: zie deze Nederlandse fansite.
Ondanks die sterke albums slaagde de groep er niet in een doorbraak te forceren. Muzikanten kwamen en gingen, omdat er te weinig inkomsten werden gegenereerd. In 1995 maakt hij onder de naam M-Pire een doorstart met Chapter One, wat na één EP en de twee elpees dus eigenlijk chapter four was.

De stijl van Joshua/M-Pire behoeft een zanger met krachtige stembanden en groot bereik. Met voorheen Jeff Fenholt en Rob Rock en het onbekend gebleven supertalent Robin Kyle Basauri had hij die. Op Chapter One zingt ene Michael O'Mara en alhoewel allesbehalve een prutser haalt deze niet het niveau van zijn voorgangers. Zijn stem is iets lichter en in mijn beleving moet hij te vaak knijpen, zeker in de hogere regionen en met name als hij rauw zingt.
Dat in combinatie met de iets mildere hardrock maakt dat het minder pakkend is, enigszins herinnerend aan het Y&T van de jaren '80 dat geleidelijk wat scherpe kantjes van hun hardrock haalde. Bij beide groepen geldt dan: nog altijd van niveau, maar meer sleazy. Zo is de midtempo opener Concrete Jungle niet spannend, op de gitaarsolo na.

Opvallend is dat het niveau gedurende het album stijgt. Wellicht een kwestie van smaak, ik kan me voorstellen dat liefhebbers van bijvoorbeeld Aerosmith en Guns 'n' Roses hier meer mee kunnen.
Voor mij staan echter de sterkere nummers verderop, waarbij het ook lijkt alsof O'Mara steeds ontspannener zingt. De naam van ex-zanger Basauri duikt daarbij vijfmaal op als co-componist, die van O'Mara zeven maal. De eerste keer dat ik word gepakt is met Long Way to Heaven, dat wordt gevolgd met powerballade Dark Days en het vlotte en van een grommende riff voorziene It Must Be Love.

Pas met Bad Man, dat uptempo is en alweer een prachtige gitaarsolo bevat, hoor ik de klasse van de twee voorgangers ten volle terug. Walk into the Light is dan meer sleazy, afgezien van een heerlijke versnelling tijdens de solo en in het slot. Devil's River drijft op een vette en zware bluesshuffle, die goed werkt en een solo met afwisselend lange en hele korte noten, als uit een mitrailleur afgevuurd. Slotlied Right on Target is het stevigste nummer van het album met dubbele basdrum op snelheid.
Er staat een tweede ballade op: Tears of Joy kende ik in de versie van Basauri's groep Red Sea, te vinden op hun album Blood (1994), een versie met meer ballen dan die van M-Pire.

Chapter One verscheen bij het Duitse label Long Island, dat echter een jaar later zijn activiteiten stopte. De zoveelste zakelijke tegenslag voor Perahia. In 2001 verscheen Chapter One opnieuw, nu onder de vlag van Joshua Perahia.
Een nummer dat bij vaker draaien groeit, is Long Way to Heaven. De titel hiervan klinkt opeens anders nu ik weet dat Joshua Perahia op 14 oktober jongstleden overleed op 71-jarige leeftijd. Dat wist ik niet toen ik twee dagen later toevallig deze cd in Wezep tegenkwam.
Heb mede daarom eens extra gelet op 's mans solo's, zoals ik deed toen ik veertig jaar geleden Surrender aanschafte. Wat was de man GOED! Melodiegevoel en razendsnel...

M3 - Classic 'Snake Live Volume 1 (2003)

poster
3,5
Vanaf 1998 namen twee voormalige gitaristen en co-componisten van Whitesnake, te weten Micky Moody en Bernie Marsden, een duik in hun muzikale verleden met David Coverdale. De eerste trad al toe toen Coverdale na het uiteenvallen van Deep Purple solo ging, de tweede stapte in toen de groep Whitesnake ontstond.
Het leidde tot kortstondige projecten die altijd composities van hun oude bandje speelden en soms ook nieuw werk op plaat zetten. Met daarbij de nodige liveregistraties.
Vanaf 1992 was daar (The) Moody Marsden (Band) met twee albums, vervolgens The Snakes met Once Bitten... (1998), vanaf 2001 The Company of Snakes met twee albums en tenslotte dit M3, te vinden op YouTube.

De derde M is Tony Martin, voormalig zanger van Black Sabbath. Een prima vocalist, echter de bronstigheid van Coverdale missend. Ik heb de voorbije dagen de genoemde bandjes van de heren Moody en Marsden voorbij horen komen, waarbij ik zijn stem het minst passend vind voor de blueshardrock uit de stal van Whitesnake.
Verder in de groep: bassist Neil Murray (eveneens ex-Whitesnake en nog véél meer), drummer Jim Copley (o.a. ex-Killing Joke, -Tears for Fears en -Pretenders) en toetsenist Mark Stanway (ex-Magnum). Prima muzikanten die zich uiteraard bekwaam door de selectie uit de catalogus van de witte slang heenwerken. Kleine negatieve uitzondering voor Don't Break My Heart Again, dat langzamer wordt gespeeld dan de studioversie van Whitesnake. Het mist hierdoor pit.

Bij de eerder genoemde albums las ik enthousiaste reacties van mensen die M3 live zagen. Ik kan me goed voorstellen dat ik eveneens omver geblazen zou zijn, maar nu vind ik Martins zang wat bleekjes afsteken tegen Jørn Lande bij The Snakes en Stefan Berggren bij The Company of Snakes. Wel weer krachtiger dan de vocalen van Moody en Marsden.
Fijn is dat eindelijk Child of Babylon en Young Blood op een setlist staat en het afsluitende uptempo Take Me with You mag er ook zijn. Maar de romantiek die Coverdale, Lande en Berggren in hun stem verpakken? Die ontbreekt.

In 2005 volgde nog de dvd Rough an' Ready, terwijl Marsden zich een oud advies van Jon Lord herinnerde en weer onder eigen naam platen ging maken. Hij rolde bovendien in allerlei andere projecten, tot werk voor het National Theater toe.

Maanam - Maanam (1981)

poster
4,0
Vorig jaar zomer was ik in Sczcecin voor een Poolse bruiloft - nazdrowie! Het was daar dat ik de groep Maanam ontdekte, op zoek naar Poolse muziek bij een filmpje dat ik er schoot.
De groep kwam uit Krakau (?) en had als ijkpunten zangeres Kora (Olga Jackowski) en gitarist (toen nog haar echtgenoot) Marek Jakowski. Diens cleane maar felle spel jaagt in de meeste gevallen de muziek op, waarbij Kora een ongekend expressieve stem heeft die ze bovendien perfect timet.
Ik kocht er hun tweede album (op cd), maar de eigenaar van een volgende platenzaak vertelde me dat dit debuut nog veel beter zou zijn: "It's punk!" zei hij enthousiast. Qua stijl klopt dat niet, wel is de beschrijving van Manfield helemaal terecht: "vol met gejaagde, energieke maar ook catchy post-punk nummers."

En dat in een land waar westerse muziek vol afgrijzen door de communistische overheid werd bekeken, waar eigen initiatief buiten de officiële kanalen werd tegengewerkt. Niet makkelijk om dan met zelfgeschreven, felle gitaarliedjes op te treden. Toch waren ze er in korte tijd heel populair met talloze optredens als gevolg.

In juni 1980 verschijnt single Boskie Buenos, track 2 op het album. In juli 1981 volgt album Maanam. De meeste muziek is fel als de debuutsingle en opener Stoję, Stoję, Czuję Się Świetnie zelfs nog meer. In Biegnij Razem Ze Mną voegt gastsaxofonist Zbigniew Namysłowski (ja, vaak breek ik mijn tong) een extra dimensie toe aan de felheid.
Verrassend is dan het instrumentale kleinood Miłość Jest Cudowna, om met Żądza Pieniądza weer bijtend de eerste helft af te sluiten.

Kant 2 kent dezelfde aanpak, met verrassenderwijs pure blues in Szał Niebieskich Ciał. Dat zou een westerse newwavegroep absoluut nooit hebben gedaan, maar wat zingt Kora fraai ingetogen en wat speelt die Jackowski ook in deze stijl sterk gitaar. De 7'53" vervelen zelfs geen moment, waarna Kora haar stem in Szare Miraże weer laat bijten en snauwen en Jackowski zijn gitaar allerlei lenige capriolen laat uithalen.

De twee plaatkanten zijn gelijksoortig opgebouwd: drie (kant 2: twee) felle nummers, dan een rustig moment om met het laatste nummer weer energiek te eindigen. Goede tot sterke composities en na een tijdje was ook deze kaaskop gewend aan de taal, zonder dat ik er iets van snap.
Weet dan ook niet waar de teksten over gaan; van kritische politieke teksten kon in het Polen van toen geen sprake zijn, zoveel is zeker. Inmiddels kun je de teksten makkelijk online vertalen, maar van wat ik dan lees, snap ik nog steeds de bedoeling niet.
Wél ontdekte ik dat de groep is te zien in de film Wielka Majówka. Die is echter niet ondertiteld en de taalbarrière is opnieuw daar.

Ach, doet er ook niet toe... De muziek is zeer aangenaam en 45 jaar later nog altijd fris en vinnig. Groot respect voor hen die in deze communistische dictatuur met zulke creativiteit voor de dag kwamen en bovendien is de productie hartstikke lekker. Ik begrijp het enthousiasme van de eigenaar van de platenzaak inmiddels goed.
Op reis door de new wave van 1980 kom ik momenteel veel debuutplaten tegen. De vorige was van The Sound en Jeopardy en de volgende is het debuut van het Engelse The Psychedelic Furs.

Machiavel - New Lines (1980)

poster
4,0
New Lines, new wave uit Brussel. Vorig jaar zomer kwam ik in het Belgische Doornik/Tournai, Franstalig nabij de Westhoek en het Franse Lille, in de lokale platenzaak enkele elpees van Machiavel tegen. Ik kende ze niet maar nam op goed geluk de opvolger van dit New Lines uit 1980 mee. Daarop klinkt onder meer adult oriented rock en toen ik in de geschiedenis van de groep dook, bleek men een avontuurlijke koers te hebben gevaren.

Machiavel debuteert in 1976 met Machiavel en net als op de twee albums die volgden, klinkt daar symfonische rock. In 1979 wordt met Urban Games echter voor compactere nummers gekozen en als twee groepsleden plaatsmaken voor anderen, volgt in 1980 via New Lines stevige new wave. Geproduceerd door Dany Lademacher van Herman Brood & His Wild Romance. Het album kon ik niet in zijn geheel op streaming vinden, maar enkele nummers belandden op Anthology, dat daar wel staat.

Radiohit Fly is lekker stevig en uptempo, Lying World is eveneens uptempo en heeft tegelijkertijd weg van de kalmere zijde van The Police, in Relax reggaepop en slapt de basgitaar, Playboy is midtempo, stevig met hoge uithalen in de zang van Mario Guccio.
Voor de overige nummers brengt YouTube uitkomst. Stevige gitaren in Champagne in Amsterdam, Memories is eveneens vlot maar met uitwaaierend gitaarspel, Turn Off rockt stevig alsof we de Groningse New Adventures horen, eveneens een groep op de rand van rock en wave.
Echo's van The Police in A Life, niet online en dus vooralsnog onbekend blijft So Clear, slotlied Fade Away bouwt kalm op naar een stevig slot. Van Fly vond ik op JijBuis de videoclip.

Een groep met diverse invloeden die de luisteraar die al te zeer in muzikale hokjes denkt in verwarring zouden kunnen brengen. Want wat voor stijl is dit nou? Ach, wave in diverse smaakjes, denk ik dan. Stond deze ook in de platenzaak in Tournai? Zo ja, dan had ik 'm moeten meenemen. De opvolger is eveneens prima maar weer anders in stijl. David Bowie was een kameleon en deze Walen konden er ook wat van.

Machiavel bestaat overigens nog steeds en bracht tot dusver 13 albums uit, verzamelaars en liveplaten niet meegerekend. De laatste verscheen in 2022 en heet Phoenix.
Ik ben op reis door new wave en maak een inhaalslag met gemiste albums van Belgische origine. De vorige halte was het debuut van Jo Lemaire + Flouze en de volgende halte is eveneens van die groep: op naar hun tweede album genaamd Precious Time.

Maddy Prior - Woman in the Wings (1978)

poster
4,0
Het solodebuut van Maddy Prior, sinds 1970 te horen bij Steeleye Span. Daarbij valt op de grote bemoeienis van de groep Jethro Tull bij deze elpee. De productie werd gedaan door hun frontman Ian Anderson die ook dwarsfluit speelt op Gutter Geese en een enkele keer (Rollercoaster) op achtergrondzang is te horen, Martin Barre speelde de gitaarsolo op Cold Flame, toetsenist David Palmer is te horen op Woman in the Wings en Mother and Child, bassist John Glascock begeleidt op vier nummers en drummer Barrie Barlow op zeven.

Tegelijkertijd geldt dat ook zonder het spelletje 'Wie is te horen op welk nummer?' dit simpelweg een zeer aangenaam album is . Minder folk dan bij Steeleye Span, in plaats daarvan meer pop. Het is echter altijd de stem van Prior die de sfeer bepaalt.
En zo volgt nummer na nummer met aangename muziek in zeer warme sfeer. Zoals een vriend van me zou zeggen: 'Ik ruik meteen het brood dat mijn moeder bakte en dat we nog warm met basterdsuiker bestrooiden en opaten.' Knusse huiselijkheid als versgebakken brood.

Uiteraard schemert folk wél door, het blijft de herkenbare stem van Steeleye Span. Op Woman in the Wings grijpt ze echter geleidelijk steeds meer de kans om buiten die kaders te zingen. De strijkers in Rollercoaster maken bijvoorbeeld dat een "Amerikaans" orkestgeluid ontstaat, geschikt voor de FM-radio van die tijd met kwaliteitspop en -rock.
Op kant 2 wordt het qua muzikale kleuren breder. Mooi zijn de subtiele blazers in Long Shadows, buitenbeentje is de swingjazz van I Told you So, halverwege kant 2. De wiegende 6/8 maat van Rosettes nodigt uit tot dansen, een vleugje reggae (!) in Catseyes (op Jethro Tulls Heavy Horses uit datzelfde 1978 speelde dat dier ook al een rol) en zowaar nóg eens jazzswing in afsluiter Baggy Pants, waar Shona Anderson, echtgenote van Ian, achtergrondzang doet. In het nummer een brassgroep voor extra swing; inspireerde de titel de groep Madness niet veel later voor een bijna gelijknamig nummer? Vast niet, maar kennelijk was er iets met drollenvangerbroeken die terugkeerden in liedjes.

Mag ik potjandosie eens vragen om hier bij gelegenheid zijn tanden in te zetten? Net als in het oeuvre van Steeleye Span?

Madness - 7 (1981)

poster
4,0
Mei 1981. De punkrevolte is voorbij, maar het genre is allesbehalve dood én het maakte de weg vrij voor allerlei vormen van new wave, postpunk, no wave, new romantics, ska en wat al meer aan stromingen en benamingen voor de "kinderen" van deze muziekrevolutie. Soms was die muziek hartstikke geschikt voor jonge tieners, de groep die traditioneel de meeste singles kocht.

En zo kom ik van Sister Feelings Call, het vierde album van de Simple Minds uit Glasgow, bij de derde van Madness, die 7 werd gedoopt. Ook in Nederland scoorden de nutty boys hits, de populariteit in hun eigen Engeland was echter groter.
Achter de vrolijke muziek gaan rake, soms ernstige beschouwingen van het leven in Groot-Brittannië schuil. Zoals in de eerste hit van dit album Grey Day. De drumfill die het nummer opent klinkt weliswaar vrolijk, de klok in het arrangement benadrukt vervolgens de ernst. In het VK in mei 1981 #4, in Nederland in juni #18 en in Vlaanderen #28:
"When I get home it's late at night - I'm black and bloody from my life
I haven't time to clean my hands - Cuts will only sting me through my dreams
(...)
In the morning I awake - My arms my legs my body aches
The sky outside is wet and grey - So begins another weary day"


Andere hits van 7: Shut Up haalt in september #7, in Nederland de maand erop #25, in Vlaanderen in november #38. Dan was er non-albumsingle It Must Be Love, oorspronkelijk (1971) van Labi Siffre en in Nederland een dubbele A-kant met het wél op dit album te vinden Mrs. Hutchinson; het haalde in het VK in januari '82 #4 en in Nederland diezelfde maand #43, in Vlaanderen geen notering. Ten slotte de single met kruiswoordpuzzel Cardiac Arrest / In the City, in het VK in maart '82 #14, in Nederland #26 en in Vlaanderen in april #24.

Zo stonden er diverse hits van 7 van april '81 tot en met april '82 in diverse hitlijsten. Een knappe prestatie, zeker als je in aanmerking neemt dat de verkoopcijfers van collega-skagroepen inmiddels beduidend minder waren. De rest van het album is eveneens prima, waarbij nummers als Sign if the Times en Pac-a-Mac niet onderdoen voor de singles.
De binnenhoes van de eerste edities bevatte reclame voor de film over Madness Take It or Leave It (via de link te zien op YouTube) en de clips bij de singles zijn steeds het bekijken waard.

Volgende nummer op mijn lijst met new wave uit mei 1981 is Arabian Knights van Siouxsie and The Banshees en dus op naar Juju.

Madness - Absolutely (1980)

poster
4,5
Herinnering: op een doordeweekse middag Europees voetbal op tv, een unicum. Woensdag 26 november 1980 uit school. Een grauwe, grijze en koude dag, AZ '67 speelt uit tegen het Joegoslaafse (Servische) FK Radnički Niš. Van de wedstrijd weet ik niks meer (eindstand 2-2, even opgezocht), wél dat van tevoren een klok in beeld was, die tikkend naar de uitzending Baggy Trousers als muzikale ondersteuning kreeg. Genieten op de bank, nippend van hete citroen-vitaminedrank uit een zakje, stiekem gemengd met vermouth uit het dressoir van mijn ouders.

Meteen met het debuut en de singles daarvan bleek Madness een onverwachte hitmachine. Niet alleen in het eigen Verenigd Koninkrijk, ook in het kikkerlandje aan de overkant. Baggy Trousers haalde hier eind december #6, Embarrassment in februari #4. Ook Vlaams succes: de drollenvangersbroek kwam in januari '81 tot #23, Embarrassment in maart #11.
In hun eigen land werd Baggy Trousers al in oktober #3, Embarrassment in november #4 en daar bovendien succes voor The Return of the los Palmas 7, in februari '81 #7.

Hierboven berichten van MuMensen die Absolutely na de twee hits die het album aftrappen, van minder allooi vinden. Zó mee oneens. Eigenlijk klinkt de plaat als een best-of, als één lange lijst van hits. Vrolijk, swingend, dansbaar, energiek, soms iets ernstiger... Het gaat maar door.
Zeven nummers per plaatkant, veertien in totaal. In mijn oren had ieder nummer een singlehit kunnen zijn. E.R.N.I.E. bijvoorbeeld, 130 seconden klasse, of het rap gezongen On the Beat Pete met z'n koortjes, orgel, piano, tenorsax en zelfs een (ultrakorte) gitaarsolo of de boogiewoogie rock 'n' roll van Solid Gone.

Op kant 2 zakt het niveau dus niet. Bijna melancholiek in Take It Or Leave It, het swingende Shadow of Fear, pop in Disappear, etcetera etcetera. Genoeg variatie binnen deze ska.
De elpee kwam in Nederland in februari '81 tot #2, van Vlaanderen zijn uit die tijd geen elpeegegevens beschikbaar en in het VK werd Absolutely in oktober #2. Al in 2010 verscheen een 2cd-versie met de nodige extra's, vertelt Discogs.

Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het Nederlandse The Tapes en vervolgt bij de punk van U.K. Subs en liveplaat Crash Course.

PS In 2009 en 2013 vroeg DjFrankie ons tevergeefs of iemand de film Take It or Leave It heeft gezien. Nooit van gehoord, maar deze 1981-docu over Madness blijkt inmiddels op YouTube te staan. Ga ik deze week bekijken, kom ik hier op terug.

Madness - One Step Beyond... (1979)

poster
4,5
Er zijn groepen die in Nederland de nodige hits scoorden, maar dan kom je erachter hoeveel succes ze in eigen land hadden. Zo'n groep is Madness.

1979 was het jaar dat ska het plotseling goed deed in de Necerlandse hitlijsten, wat zelfs zijn weerslag had in de stripverhalen van Sjors en Sjimmie van Robert van der Kroft, die onder andere deze groep als graffiti in de decors van zijn tekeningen liet opduiken. Voor iemand wiens krantenwijkgeld voor een groot deel opging aan een abonnement op weekblad Eppo een opvallend signaal.
De hits van dit album in Nederland vormden uiteraard mijn kennismaking met Madness. Qua Nationale Hitparade: titelnummer One Step Beyond... stond in de week van Kerstmis #29, Night Boat to Cairo haalde zes maanden later diezelfde positie. Die laatste single verscheen op 7" met twee nummers én een versie met vier nummers, met als ondertitel Work Rest & Play. En de maffe videoclip hielp bovendien.
In het Verenigd Koninkrijk echter piekte ode aan skazanger Prince Buster The Prince in september op #16, One Step Beyond... in december op #7, My Girl in januari-februari 1980 op #3 en Night Boat to Cairo in april op #6.

Genoeg cijfertjes. Buiten de hits is de rest ook zéér appetijtelijk. Het verveelt geen moment. De groep weet ska aan een feilloos gevoel voor pakkende popmelodietjes te koppelen, verpakt in arrangementen met hoofdrollen voor saxofoon en piano. Bovendien is Madness een hechte, strak spelende groep.
Maar liefst vijftien nummers werden in het vinyl geperst en daarom biedt album One Step Beyond... veel, véél afwisseling. Extra opvallend is het instrumentale Swan Lake (wat zou Tsaikovski hiervan hebben gevonden?) en in de 52 seconden van Chipmunks Are Go! is het alsof we een drillsergeant horen.

In contrast met de gekte is er de gevoelige tekst van My Girl: "My girl's mad at me - I didn't wanna see the film tonight - I found it hard to say - She thought I'd had enough of her - Why can't she see? She's lovely to me - But I like to stay in And watch TV on my own - Every now and then." Het klinkt als een voorbeeld uit de non-fictiereeks 'Mannen komen van Mars, vrouwen komen van Venus'.
Maar meestal is het feest. Pubrock- en punklabel Stiff had plotseling groot commercieel succes met dit vrolijke antwoord op de neerslachtigheid die het VK in die jaren in zijn greep hield. Geen boze punk, sombere postpunk of melancholieke new wave. Néééé, feest!

Ik kom hier op reis door de new wave van 1979. Op zich is dit een randgeval: is deze ska dan wave? Voor mij wel, ik draaide het moeiteloos met The Stranglers en Ian Dury en The Cure en noem ze maar op. Jonge mensen met een nieuw en alternatief geluid, vernieuwing van een ouder genre.
Mijn vorige station was de tweede soloplaat van Nick Lowe, de volgende het solodebuut van Tom Verlaine.

Madness - Theatre of the Absurd Presents C'Est la Vie (2023)

poster
3,5
In 1979 was ska opeens trendy in de Nederlandse hitparades, het jaar erop was dat alweer voorbij. Maar Madness bleef, mede omdat mijn jongere broer fan was. Van een afstandje ben ik ze blijven volgen, waarbij de groep gedurende de jaren '80 hun skaveren (wat staat dat raar, ik bedoel veren van ska) verloor ten gunste van kwaliteitspop. De latere albums ken ik zelfs helemaal niet, maar leve streaming! Want ik werd toch weer nieuwsgierig toen Theatre of the Absurd Presents C'est la Vie verscheen.

Een conceptalbum dat zich afspeelt rond een acteur, zoveel wordt meteen duidelijk met de Prologue. Gedurende het bijna één uur durende album hoor ik vooral pop, waarin de zestigers altijd iets van de onstuimige jonge jaren laten echoën en Suggs kalmer zingt dan toen. Soms klinkt een digitale beat, zoals in The Law According to Dr. Kippah. Met de Epilogue denk je dat het album voorbij is, maar dan volgen er nog drie liedjes plus een Fin, dat uitnodigt om te herbeginnen.
Mijn favoriete nummers blijken het dansende Baby Burglar en What on Earth Is It (You Take Me For) te zijn, die het sterkst aan hun jonge jaren herinneren met onder andere een orgeltje/piano (de eerste) en lekker saxwerk (de tweede).

Een 7,5 van mij, vertaald in 3,5 ster. De fanatiekere Madnessfan zal waarschijnlijk op een 8 á 9 uitkomen, want coherent en kwaliteitsvol is dit zeker. Sterker nog, dit is hun eerste studioalbum (compilaties niet meegerekend) dat in het Verenigd Koninkrijk de #1-positie haalde, waar hun eerste twee elpees in '79 en '80 tot #2 reikten.

Magazine - Magic, Murder and the Weather (1981)

poster
3,0
Magic, Murder and the Weather zoals de typografie op de voorzijde dit album weergeeft. De vierde studioplaat van Magazine en tevens het debuut van gitarist Ben Mendelson. Het verkocht niet best en wellicht was dat omdat frontman Howard Devoto al bij verschijnen wist dat hij de groep zou gaan verlaten.

Iets van de verbetenheid van de drie vorige platen is verdwenen, zo bevat de sterke opener About the Weather (tevens de enige en helaas geflopte single van de elpee) in zowel het muzikale thema als de beat Motowninvloed. Apart maar aangenaam.
Op de volgende nummers is prominent het ronde basgeluid van Barry Adamson aanwezig: So Lucky is vrij fel, The Honeymoon Killers kalmer met bovendien een grote rol voor het pianospel van Dave Formula. De stem van groepsleider Howard Devoto past hier goed bij.
Via Vigilance wordt het nóg iets kalmer met uitwaaierende toetsen, "I'm in love with everything" zingt Devoto als openingszin in een nummer waarin ik de echo van David Bowies in de eerste helft van de jaren '70 meen te herkennen. Ongetwijfeld een artiest van wie het vinyl destijds op de draaitafels van de groepsleden heeft gelegen. Het tempo gaat omhoog met Come Alive, waar synthesizers het intro domineren en de scherpte van de vorige Magazines terugklinkt.

Kant 2 opent midtempo en zelfs dansbaar met The Great Man's Secrets, zwoel swingend met een weinig reggae is This Poison. Naked Eye is als een minifilmscore vol spanning, overwegend instrumentaal met in de tweede helft gesproken vocalen. Vergeleken daarmee klinkt Suburban Rhonda dankzij de toetsenpartij wel erg braaf en kaal, The Garden vormt een bijna uitgelaten slot.

Geen hitsingle, wél een albumnotering in Groot-Brittannië. Bij verschijnen komt het meteen op z'n hoogste plek, op 21 juni 1981 #39. Vanaf 2007 verschenen heruitgaven van Magic, Murder and the Weather op cd met een tweetal bonustracks. Het langzame, dreigende In the Dark was B-kant van de single en 12" van About the Weather en het prettig eigenwijze The Operative stond op de 12". Mooie hoes had die trouwens.

Devoto ging dus solo en Magazine viel uit elkaar om in 2009 terug te keren, in 2011 verzilverd met No Thyself. Maar ik ben in juni 1981 en reisde van de new wave van Oingo Boingo. Sta mij toe kortweg terug te keren naar december 1980, als liveplaat Play. (de titel mét punt) van Magazine de Britse albumlijst aantikt; die had ik over het hoofd gezien. Daarna terug naar juni '81, iets met een Dodelijke Grap...

Magazine - Play. (1980)

Alternatieve titel: Play.+

poster
4,5
De groep van vooral Howard Devoto en John McGeoch ging op tournee ter promotie van The Correct Use of Soap. Alleen jammer dat McGeoch was vertrokken naar Siouxsie and the Banshees; Visage deed hij er ook nog eens bij. Hij werd voor de tournee vervangen door gitarist Robin Simon, dezelfde die hierna opdook bij Ultravox.
Niet onbelangrijk voor het geluid zijn de bas met flangereffect (?) van Barry Adamson en de toetsenpartijen van Dave Formula, waarbij drummer John Doyle een onopvallende maar wel degelijk betrouwbare, stuwende rol heeft.

Play. had oorspronkelijk tien tracks en destijds werd na drie studioplaten wel één en ander gemist. Dat werd in 2009 goedgemaakt met 2cd Play.+, waar we eenentwintig nummers vinden. Niet toevallig ook het jaar dat Magazine na ontbinding in 1982 terugkeerde aan het front.
Zo staat mijn persoonlijke favoriet Shot by Both Sides er nu wel op en er valt uiteraard veel meer te genieten. Simon volgt de gitaarpartijen van McGeoch en wat dat betreft is het gemis hier niet groot. Gewoon een ijzersterke set - of eigenlijk twee, als je uitgaat van de 2cd-editie. De trackvolgorde is ten opzichte van het originele vinyl aangepast, Magazine een herkenbaar en prettig-eigenwijs bandje in de grote vijver van new wave.

De enkelaar Play. stond begin december 1980 één schamele week in de Britse albumlijst en dan slechts #69. Misschien was een dubbelelpee een beter idee geweest. Tegelijkertijd had dat format het imago van mastodontenrock en dát was Magazine bepaald níet. Kan me voorstellen dat dat een brug te ver was.
En toch: de uitgesponnen versie van Parade is met z'n dikke zes minuten prachtig in opbouw en sfeer, de sfeer van artrock uit de jaren '70 ademend. David Bowie, Steve Harley (hoor eens hoe Devoto bonustrack Touch and Go zingt!), dat werk. Because You're Frightened heeft dan weer de sfeer van punk en Devoto's vorige bandje Buzzcocks. Een dubbelelpee was ook in 1980 bepaald níet te veel van het goede geweest.

Dit was een stapje terug in de tijd in mijn reis door new wave, de albums achter mijn afspeellijsten. Ik bevond me in juni 1981 bij Magazines Magic, Murder and the Weather en keer terug naar die maand en de tweede van Killing Joke.

Magazine - Real Life (1978)

poster
4,0
Mijn reis gaat door new wave, een genre/stroming in 1978 nog piepjong, inclusief de nodige groeispurten. Waar Patti Smith op mijn vorige station haar muzikale evenwicht vond, is Magazine één van de eerste Britse groepen die door de pers als postpunk werd bestempeld.

Howard Devoto verliet de punkpioniers van Buzzcocks om te gaan studeren, maar daar kwam weinig van terecht. Al spoedig maakte hij zijn rentree met Magazine, waarin hij het muzikaal gezien iets breder zou aanpakken. Eerst was daar gitarist/saxofonist John McGeoch, gevolgd door bassist Barry Adamson, drummer Martin Jackson en toetsenist Bob Dickinson, die alweer spoedig moest plaatsmaken voor Dave Formula.
Na singles Touch and Go / Goldfinger (de laatste een bewerking van het James Bond filmlied) en Shot by Both Sides volgde in juni '78 album Real Life, geproduceerd door John Leckie. Hierop verruilde de geschminkte Devoto punk voor new wave.

In opener Definitive Gaze klinken zowel reggae- als symfoinvloeden, met als resultaat een pakkend nummer. In My Tulpa haalt McGeoch zijn saxofoon tevoorschijn, wat eveneens werkt; liefhebbers van Roxy Music horen de echo's daarvan.
Dan de pakkende single, die Devoto uit de Buzzcocks meenam, nog geschreven met Pete Shelley van die groep. Eind februari haalde het in een andere productie #41 in het Verenigd Koninkrijk. In Recoil is het alsof we Buzzcocks horen: snel en hard.
Met Burst sluit kant 1 af. Het nummer werd slechts door Devoto geschreven en hier klinkt artrock á la David Bowie, Steve Harley of Roxy Music.

Meer artrock op kant 2 met eerste nummer Motorcade, nog geschreven door Devoto met Dickinson, die een fraaie toetsenpartij leverde; halverwege een heftige versnelling. The Great Beautician in the Sky begint met een walsende driekwartsmaat, na na enige tijd overschakelt op een uptempo rockbeat.
Het tweede nummer uit Buzzcocksdagen van Devoto met Shelley is het uptempo The Light Comes out of Me; het kreeg van McGeoch een nabewerking. Met Parade krijgt Real Life een apart slot met sfeervolle piano, wederom met sax in artrocksfeer - of is het new wave?

In 2007 verscheen een cd-editie met vier bonussen, waarbij de eerste single plus de singleversie van Shot by Both Sides die dankzij de productie van Mick Glossop véél luidere gitaren bevat.
Al met al een afwisselend en sterk album, waarop sterk artrockinvloeden klinken. Wat dat betreft kun je regelmatig het stickertje 'postpunk' verwisselen voor 'prepunk'.

De tocht door new wave gaat verder. Eveneens in juni 1978 verscheen de debuutsingle van The Human League Being Boiled, een nummer dat in 1979 op hun albumdebuut zou belanden. Omdat ik dat al eerder besprak, ga ik verder met de puinhopen van The Sex Pistols, door manager Malcolm McLaren omgezet in The Great Rock & Roll Swindle.

Magazine - Secondhand Daylight (1979)

poster
4,0
Maart 1979. Degenen binnen de punkrevolte die een muzikaal jaar 0 beloofden, vooral te vinden rond de Sex Pistols en hun volgers van het 'Bromley Contigent' (een half uurtje docu daarover staat hier) bleken niet krachtig genoeg. Punkpioniers als die groep en The Damned vielen uit elkaar of groeiden naar minder rudimentaire muziek.
Met zijn vorige groep Buzzcocks en de eerste van Magazine maakte frontman Howard Devoto's melodieuze punk. Op de tweede maakt dit plaats voor de nodige retro-invloeden uit de eerste helft van de jaren '70. Artrock om precies te zijn. Sommige critici beleefden dit als een stap terug, anderen waren positiever, meldt Wikipedia.

"Hier zou ik de oorspronkelijke recensie ook wel eens van willen zien trouwens.." noteerde orbit in november 2008. In de Recensiebijbel van Oor (2023) is alleen die van Magazines debuut opgenomen, geschreven door Bert van de Kamp. Toch recenseerde hij in 1979 dit Secondhand Daylight in #9 van Oor, vond ik op internet. Die Oor bezit ik niet, maar een reflectie daarvan is te lezen in Oor's Popencyclopedie, editie 1982. Hierin wordt Real Life mét deze opvolger als volgt samengevat:
"De 'arty' aanpak doet wat denken aan Roxy Music, er zijn overeenkomsten met het levensgevoel van David Bowie en in de 'instrumentals' wordt de geest van Pink Floyd opgeroepen. Desondanks heeft de band voldoende oorspronkelijkheid om te kunnen blijven boeien. Devoto's zeer persoonlijke en vaak nogal obscure teksten zitten vol illusies en rondspokende obsessies."

Tot najaar 1979 was deze muziek nog net niet bereikbaar voor mij en Oor las ik nog niet. Ben dus geen eerstelijns oog- en oorgetuige. Wel volgde ik via radio de grote lijnen van punk en new wave. Oftewel de hits met als grote namen van 1979 The Police en Blondie. Daarom stel ik met grote zekerheid dat Secondhand Daylight destijds door menig punk- en wavepurist met afschuw zal zijn ontvangen. De groep neemt namelijk afstand van het korte, energieke punklied en richt zich op langere, gecompliceerdere rock. Dezelfde die toentertijd voor dinosaurusrock werd versleten.
Tegelijkertijd vind ik dit een meesterwerkje. Nog vóór ik de encyclopedie erop nasloeg of de vele berichten hierboven las, kwamen bij mij de eerste twee namen boven door Van de Kamp genoemd. En in afsluiter Permafrost viel mij de sinistere tekst op, in de encyclopedie benoemd.

De muziek is niet meer hoofdzakelijk geschreven door Devoto, die inmiddels het auteurschap deelde met gitarist John McGeoch, toetsenist Dave Formula en bassist Barry Adamson. De heren doken in hun muzikale invloeden en gaven die een eigen draai. Daarmee hoor ik ook new wave / postpunk, termen in '79 als synoniemen gebruikt in de muziekpers. Er zijn gelijkenissen met The Stranglers, van wie het vierde album The Raven tweeëneenhalve maand later uitkwam of met Japans derde album Quiet Life, in november datzelfde jaar verschenen.

Secondhand Daylight. Een verstild begin, flangereffect op de bas en later een sax in Feed the Enemy, gevolgd door het bijtender Rhythm of Cruelty waarin een synth een hoofdrol speelt. Cut out Shapes doet iets soortgelijks op lager tempo waarna Talk to the Body opnieuw oude en nieuwe rock verenigt. Kant 1 sluit af met I Wanted Your Heart met Magazine aanvankelijk op z'n vriendelijkst dankzij de pianopartij, later donkerder via synths en een dominante basgitaar.
Het instrumentale The Thin Air is als trage, verstilde opener van kant 2 niet alleen onlogisch maar ook extra bijzonder, omdat Magazine hier op z'n sterkst teruggrijpt op artrock. Eerder een slotlied, maar fraai – die sax aan het einde maakt het áf. Back to Nature start eveneens traag, maar dan volgt een grommende baslijn met stuiterende drumlijn van John Doyle en ijle synths. Eveneens uptempo is Believe that I Understand, waarna het introvert-boze Permafrost midtempo afsluit met prachtige gitaarlijnen, lijkend op hetgeen Carlos Alomar en Robert Fripp deden bij Bowie op Low (’77) en “Heroes” (’78).

Hitsingles wilden er van niet komen, de elpee haalde in mei #38 in de Britse Albumchart. Lopende 1979 treden McGeoch, Formula én Adams tevens toe tot Visage, zonder Magazine te verlaten.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de tweede van 999 en vervolgt in 1979 bij het debuut van The Members, omdat ik single So Lonely van het debuut van The Police en non-albumsingle Life in Tokyo van Japan al eerder besprak.

Magazine - The Correct Use of Soap (1980)

poster
4,0
Op reis door de gevarieerde wereld van new wave, kom ik van het debuut van The Cramps bij de derde van Magazine. Als er twee groepen zijn waar ik het voorbije jaar in deze queeste héél vrolijk van ben geworden, zijn het The Buzzcocks en Magazine, die hun ontstaansgeschiedenis delen. Gemeenschappelijke factor is uiteraard Magazines frontman Howard Devoto.

Dit The Correct Use of Soap is wat toegankelijker en ingetogener dan de voorgangers. Met de felle opener Because You're Frightened klinkt weliswaar gedreven, bijna neurotische postpunk die overeenkomsten heeft met bijvoorbeeld Joy Division (vergelijk bijvoorbeeld drumwerk van John Doyle met dat van Stephen Morris bij JD), daarna wordt het aanmerkelijk zonniger. Alleen al het zonnige piano-intro van Model Worker, al blijkt dat nummer niet zo vrolijk als door die klanken gesuggereerd.
Met You Never Knew Me hoor ik echo's van David Bowie en Roxy Music/Bryan Ferry en hetzelfde gebeurt in I Want to Burn Again. Ook heel aangenaam: de toetspartijen van Dave Formula en het gitaarwerk van John McGeoch, die kort na verschijnen van de elpee overstapte naar Siouxsie and The Banshees.

Ik krijg de indruk dat bassist Barry Adamson fretloos speelt. Vooral opvallend in Thank You, een cover van Sly & The Family Stone. Funkwave en daar heb ik dan minder mee. Liever hun eigen werk, zoals Sweet Heart Contract dat in juli 1980 in het Verenigd Koninkrijk slechts tot #54 reikte. Dan deed de elpee het beter, al was dat nog steeds geen klapper: in mei '80 twee weken #28.

Zoals gezegd, Magazine is één van mijn ontdekkingen van vorig jaar. Beter laat dan nooit. Sinds 2007 op cd met bonussen, waarbij het gesproken The Book en drie andere pareltjes. Bij The Light Pours Out of Me is een clip. Nee, geen fretloze bas?!

Volgende halte in waveland stamt ook uit mei 1980: single Call Me van Blondie, onder andere te vinden op hun verzamelaar The Best of Blondie.

Manfred Mann's Earth Band - Somewhere in Afrika (1982)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met Manfred Mann's Earth Band was als prille tiener in augustus 1977 toen Davy's on the Road Again een hit werd. Sindsdien een favoriet van me. Nooit schafte ik een plaat van ze aan, tot ik afgelopen juli in Antwerpen toevallig tegen een platenzaak in het centrum aanliep. Daar kwam ik net zo toevallig dit Somewhere in Afrika tegen. Die elpee schafte ik aan, vooral uit nieuwsgierigheid.

De spelling van 'Afrika' laat al zien dat hiermee Zuid-Afrika wordt bedoeld, het land waar Mann oorspronkelijk vandaan komt. Al in 1961 vestigde hij zich, toen nog jazzpianist, in Londen. Daar begon hij een journalistieke carrière om spoedig muzikant in de ontluikende beatscene te worden.
Ik heb wel wat met Zuid-Afrika (als ik tijd heb bezoek ik zelfs het jaarlijkse optreden van Fokofpolisiekar in de Melkweg) en uit nieuwsgierigheid kocht ik deze van de Earth Band.

Net als op de kennismakingshit is Chris Thompson zanger, waarbij Steve Waller en Shona Laing regelmatig bij de microfoon aanschuiven. Zijn rauwe stem is passend op dit album dat vijf jaar later verscheen. Hoorbaar is dat de wereld van digitale toetsen in 1983 in beweging was, door Manfred Mann geïntegreerd in de klassieke rock die zijn groep speelt.

Qua teksten gaat het over zijn moederland en ik kan me voorstellen dat de rechtse regering aldaar niet vrolijk werd van zijn duidelijke afkeer van apartheid, zelfs al legt hij zijn kritiek er niet duimendik bovenop: het gaat om de muziek. Maar de teksten - en titels - van composities als Tribal Statistics of de cover van Bob Marleys Redemption Song, hier met de ondertitel No Kwazulu, spreken boekdelen. De hoestekst achterop (linksonder) is bovendien niets verhullend.
Ze vertellen een boodschap waarvoor menig witte criticaster destijds in een psychiatrische inrichting werd weggestopt. Ik kan me voorstellen dat het tot 1990 heeft geduurd - op 11 februari dat jaar werd Nelson Mandela vrijgelaten van Robbeneiland - voordat Mann weer terug kon naar Johannesburg.

Sommige zangpartijen werden in Zuid-Afrika opgenomen en later in de studio in Londen aan de muziek toegevoegd. Het resulteert in een kruisbestuiving tussen (Zuid-)Afrikaanse traditionele muziek en westerse rock. De ervaren muzikanten zijn lenig op hun instrumenten, wat resulteert in een album dat een soort voorloper lijkt van Paul Simons succesplaat Graceland van vier jaar later.

Bij Manfred Mann's Earth Band ligt echter de nadruk op rock, die soms op het randje van symfonische rock balanceert en dat bevalt mij prima. De muziek groeit bij vaker draaien, melodieën worden steeds sterker en dit alles is vernuftig in elkaar gezet.
Sterkste voorbeeld hiervan is de uit vier delen bestaande Africa Suite die kant 2 opent (track 6 - 9), maar ook de verafrikaanste Redemption Song is knap gedaan. Een plaat die steeds weer op de draaitafel landt.

Manfred Mann's Earth Band - The Roaring Silence (1976)

poster
3,5
Opgepikt op vinyl in Wageningen bij WWRecords, nieuwsgierig geworden door Somewhere in Afrika van dezelfde Manfred Mann's Earth Band. Daar schreef ik dat ik hen leerde kennen via de single Davy's on the Road Again. Ik vergiste me.
Van dit The Roaring Silence werd Blinded by the Light eerder een hit, namelijk oktober 1976. Ik herken vanaf die maand opeens veel muziek als ik door de oude hitlijsten struin. Het moet dus die maand zijn geweest dat ik van mijn ouders een klein radiootje te leen kreeg, waarmee ik naar Hilversum 3 luisterde. En dus moet dit mijn eerste kennismaking met de Earth Band zijn geweest. Het haalde in de singleversie drie weken notering in de Nationale Hitparade die op de vrijdagmiddag klonk, waar hij op #19 piekte.

Bijna vijftig jaar later (!) heb ik dus de elpee in huis. In deze bezetting twee leden die ik later elders zou tegenkomen: Dave Flett werd in 1979 tourgitarist van Thin Lizzy, waar Gary Moore de groep had verlaten en Midge Ure niet de ideale vervanger bleek; Flett had er willen blijven, maar Snowy White werd de definitieve opvolger. Wel keerde Flett live terug als gastgitarist tijdens de tour voor Renegade en hij staat afgebeeld op de hoes van afscheidsalbum Life Live. Een meer dan bekwaam gitarist, waarover dadelijk meer.
Bekender werd drummer Chris Slade, die bij de nodige grote namen speelde en daarbij het meest opviel als drummer van AC/DC ten tijde van The Razors Edge (1990).
Hierboven valt uitgebreid te lezen dat deze elpee de eerste was met zanger Chris Thompson en verder is Colin Pattenden bassist en groepsleider Manfred Mann toetsenist en tweede zanger.

Een enigszins moeizame start: de albumversie van Blinded by the Light duurt met z'n zeven minuten te lang, wat al helemaal geldt voor de dikke acht minuten van het kalme Singing the Dolphin Through. Met het instrumentale Waiter, There's a Yawn in My Ear spits ik voor het eerst de oren. Hier wordt het spannender, wat zich voortzet op kant 2.
Die begint met een klassiek koraal, als een twaalfhoofdig koor a capella het intro van The Road to Babylon inzet, waarna Fletts huilende uithalen opvallen. Hij soleert sterk, zowel stevig als subtiel. Later vallen blazers en strijkers bij: Manfred Mann is als toetsenist tevens een bekwaam arrangeur met hoorbaar een klassieke achtergrond. Toegankelijke, lenige symfonische rock is het gevolg.
Dit niveau wordt volgehouden met This Side of Paradise en Starbird, al wordt de laatste wel abrupt weggedraaid om plaats te maken voor de sterke finale met Questions, waar ik echter een slotclimax mis. Thompsons rauwe en emotionele zangpartijen passen uitstekend bij dit alles en Fletts bijdragen brengen de nodige fraaie details. Wat maakte toch dat het bij Lizzy niet werkte?

The Roaring Silence is, mede met die opvallende hoes, een prima album, ondanks dat het soms op details wat mist. Dat geldt dus zeker niet voor de bijdragen van Flett. Her en der moet ik denken aan War of the Worlds van Jeff Wayne, eerder door BoyOnHeavenHill aangehaald. Dank ook aan Teacher voor de achtergrondinformatie. En nu eens zien of ik de komende maanden vaker werk van de Earth Band met Chris Thompson tegenkom: zijn stem is de peper in de pot.

March - Get In (2023)

poster
4,5
De derde langspeler van March, een band waarin het draait om energieke, scheurende rock, de schuurpapieren stem van (tevens liedschrijver) Floor van Zuilen, het gevarieerde gitaarwerk van Hermance van Dijk en een beukende ritmesectie, die de boel menigmaal opjagen in de traditie van Ramones en Motörhead. Hard en snel dus, waarbij als March knallend, met kleine verschillen ten opzichte van voorgangers Stay Put en Set Loose.

In tegenstelling tot de voorganger klinkt vaker de tweede stem van Van Dijk waarmee pakkende koortjes ontstaan, zoals in de felle dubbele opening Tell Your Kids We'll Be Alright en All on Red, die beide onder de drie minuten afklokken. Angel Wings begint iets ingetogener maar al snel moet drummer Thomas Frankhuijzen weer hard aan de bak om een moddervette riff te ondersteunen.
Dan volgt werk dat zo'n dikke drie minuten duurt; de nummers duren dus niet lang, afwisseling gegarandeerd. Eerst midtempo en vervolgens snel in Danger Smiles, waar Van Zuilens stem in het refrein fraai raspt. In Valley is het voor het eerst iets - iets! - kalmer, bij een mooie melodie zingt Van Zuilen deels minder rauw. Van Dijk speelt er prachtige gitaarlijnen. Met Never Go Back sluit de eerste helft hard af, melodie en rauwheid gaan fraai samen.

En ja, we denderen door met Heart Undressed, waarna Vultures een meer dan aangename oorwurm blijkt. De snelle riff van Second to Destroy is bijna metal, met The Great Escape wordt er iets teruggeschakeld; stevig blijft het. Sceptic's Creed is kort en snel, met Rise wordt hard-swingend afgerond en Van Zuilen laat nog eens haar stembanden uit haar tenen komen. Wat een geluid komt het uit die keel en wat schudt Van Dijk heerlijke gitaarlicks uit haar mouw!

Resteert slechts de vraag: waarom is deze groep uit Breda nog zo onbekend? Onlangs verscheen via streaming livesingle Vultures, die een indruk geeft van de liveprestaties van de groep, de komende maanden in Neder- én vooral buitenland te zien.

March - Set Loose (2020)

poster
4,5
Loud and proud, rock 'n' roll zoals het gespeeld moet worden. Zelf omschrijft March hun muziek als punk, in mijn oren is het véél méér dan dat. Maar zeker hárd.
Het zit 'm in de gevarieerde gitaarpartijen van Hermance van Dijk, die duidelijk meer luide genres in haar platenkast heeft staan. Het is genieten van haar licks, die in fraai contrast staan met de indringende rauwe van Floor van Zuilen, waar een hooligan jaloers op zou worden. En ondertussen knalt de energie de speakers uit.
Set Loose verscheen maart 2020 en in plaats van optredens waren daar covid-19 en een lockdown. De groep vertelt erover in dit interview met 3 voor 12. En dan te bedenken dat zelfs in het geval van dit studioalbum het zweet uit de speakers stroomt.

Tweede album van de groep, de debuut-EP niet meegerekend. Set Loose is even snel en intens, maar biedt iets meer variatie. Zo zingt Van Zuilen in Already Gone het eerste deel wat ingetogener en melodieuzer, maar de muziek is uptempo en al spoedig is de strot daar weer, waarna Fear of Roses er meteen vol inbeukt, dankzij het ritmetandem Jeroen Meeus (bas) en Thomas Frankhuijzen (drums).
In She's a Hurricane plotseling een langzame, doomachtige riff, mij herinnerend aan het debuut van Black Sabbath, zij het onmiskenbaar in de aanpak van March. Het bewijst de veelzijdigheid van Van Dijk, waar Van Zuilen met haar gouden stem volop van profiteert. Op 2/3 van het nummer is daar een versnelling die het adrenalinepeil nog verder doet oplopen naar de climax, gevolgd door het snelle Nothing Ever Really Dies. Beuken op z'n Motörheads met bovendien een onweerstaanbaar refrein: iets van punk houdt het zeker.

Favorieten kiezen is onmogelijk, zwakke composities kent Set Loose niet. Laat ik er drie noemen: Start Again met ook al zo'n heerlijk oorwurmrefrein, het boze Evil Kicks. Én slotlied The Surface, dat het album, net als op voorganger Stay Put gebeurde, iets kalmer afsluit.

In vergelijking daarmee is het qua zang op Set Loose een ietsiepietsie melodieuzer, met opnieuw muziek op een meestal hoog tempo. Liefhebbers van bijvoorbeeld Foo Fighters (hun stevige kant) en het Ierse Sprints of welke felle band dan ook worden hier vrolijk van. Strak geproduceerd dendert March als een geoliede rock 'n' rollmachine, met oor voor details en variatie. Vurig en betrokken als de vlammen en bloemen op de hoes.

Drie jaar later verscheen Get In.

March - Stay Put (2016)

poster
4,5
Wat is dít een lekker bandje! Ruig, luid en uptempo. Als een kruising tussen de muziek van Ramones en Motörhead en de zang bij Paramore. Trekt u zich tegelijkertijd niet te veel van dit soort vergelijkingen aan, want ondertussen schrijft March uit Breda vooral op hun eigen wijze sterke nummers en voert die strak en gepassioneerd uit. Een basis van punk met diverse rocksmaakjes in gitaar- en drumwerk, plus de rauwe stem van Fleur van Zuilen.

Na een EP in 2014 volgde twee jaar later het eerste full-length album, dit Stay Put. Gitariste Hermance van Dijk heeft een eigen stijl met raggende riffs, lekkere licks en pakkende gitaarlijnen en -geluidjes. Drummer Thomas Frankhuijzen jaagt de boel nog verder op, legt daarbij de nodige variatie in zijn spel en bassist Jeroen Meeus slaat een robuuste brug tussen drums en gitaar. Meestal lekker snel, alleen slotlied In Vain is anders.

Hier op MuMe is er tot dusver nauwelijks aandacht voor March, het is dat Insta mij op de groep wees. Misschien is dat omdat tot vandaag deze donderende March werd verward met een aanzienlijk ingetogener project met dezelfde naam: het alter ego van ene Maarten Scherrenburg, die geheel andere muziek schijnt te maken.

Die fout is gerepareerd. Dit March maakt muziek die energie geeft en tegelijkertijd is dit verfijnder: punk-plus met in Sometimes zelfs complete schoonheid met die akoestische gitaar in het slot, heerlijk in contrast met de hardcore-achtige tempo's en de rauwe vocalen.
Muziek voor standje burenruzie, voor 240 km/u op de weg, voor een bezoek aan de trommelvliezendokter. Niet voor niets staan binnenkort optredens gepland in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Luxemburg en... Nederland! Zie hier hun Bandcamp en daar hun webzijde.

Hierna volgden nog twee albums, beide zijn ingediend bij MuMe. Wordt vervolgd. Rock 'n' roll!

Marcus - Marcus (1976)

poster
4,5
...en dat heb ik gedaan. Avontuurlijk album met jaren '70-hardrock. Stel je een festival in 1976, '77 voor met (op alfabetische volgorde) Aerosmith, April Wine, Blue Öyster Cult, Sammy Hagar, Heart, Frank Marino & Mahogany Rush, Montrose, Mother's Finest, Scorpions, Pat Travers, Triumph en UFO. Daar zou Marcus (op mijn streamingdienst te vinden als Marcus Malone) prima hebben tussen gepast met bovendien een eigen, herkenbaar geluid.

Enkele hoogtepunten van dit titelloze debuut, dat mij slechts eenmaal verveelt: de slepende riff van Black Magic dat de plaat begint als een vertraagde versie van Deep Purples Spacetruckin' en waarbij de hese stem van Malone meteen de aandacht vraagt. Later de pakkende gitaarsolo van leadgitarist Gene Bloch; tegen het einde toe een hoge keyboardlijn die de climax vervolmaakt.

Midtempo volgt Salmon Ball dat later versnelt én nog pakkender gitaarwerk kent; Kelly blijkt een ballade en waar ik daar vaak minder mee heb, pakt het me nu wél.
Gypsy Fever is midtempo en rockend, opnieuw valt de herkenbare stem van Malone mij positief op met de dansende gitaarlijnen van Bloch. Bovendien staat dan vast dat hier een hechte groep speelt: hoe is het mogelijk dat de leden zo onbekend bleven?

Pillow Stars trapt fel de B-kant af, wordt daarna afwisselend dromerig en uptempo rockend. Het snelste nummer met pakkende koortjes en wat is die Bloch toch weer op dreef op zijn zes snaren: Liefhebbers van Michael Schenker zullen op Marcus vrolijk worden van deze onbekende klasbak en bovendien bevat het nummer een spannend slot.

Na de mindere midtempo ode Highschool Ladies Streetcorner Babies vallen de kwaliteiten van drummer Dandy Homes voor het eerst ten volle op. Knallend begint Dreamwheel met dubbele basdrums, pre-Motörhead: een volgende favoriet met alle kwaliteiten van de groep verenigd in een kleine vier minuten. Slotlied Rise unto Falcon is slepend als de opener, om naar een snelle climax toe te werken met wederom heerlijk drumwerk.

Een onverwacht pareltje voor wie van klassieke hardrock met ambachtelijk gitaarwerk houdt. Bovendien prima geproduceerd.
In 2011 plaatste het Nederlandstalige Blues Magazine een interviewtje met de man, die na het debuut naar Engeland verkaste. In UK Music Reviews is Marcus Malone uitgebreider aan het woord.

Maria Muldaur - Sweet Harmony (1976)

poster
4,0
De derde van Maria Muldaur. Ik leerde haar in 1982 kennen, toen een vriendin haar vrij obscuur gebleven album There Is a Love uit dat jaar voor mij op een cassettebandje zette. Dat bandje heb ik allang niet meer en ook de vriendin is helaas niet meer aan deze zijde van het leven, maar de muziek is mij bijgebleven; een paar jaar geleden eens via streaming opgezocht en dat beviel nog steeds goed. Hopelijk kom ik 'm nog eens tegen...

Wat je wél in het wild kunt ontwaren is Sweet Harmony. Begin vorige maand stond ie bijvoorbeeld in de kringloop in een elpeebak met de "betere" albums en kort daarna kwam ik 'm tegen bij De Groeverij in Houten. Hoe klonk la Muldaur in 1976?
Wel, eigenlijk is het verschil ten opzichte van zes jaar later niet groot. Een mengeling van jazz, blues, bluegrass en wat ten tijde van radio-iconen als Willem Duys en Skip Voogd als "lichte muziek" werd bestempeld, zoals het orkestrale Back by Fall. Geen eigen composities maar met zorg bijeen verzameld, begeleid door een uitgebreide groep sessiemusici, die soms in kleine, dan weer in grote bezetting hun partijen spelen. Alleen lastig dat de nummers zoals die op de achterzijde op de hoes vermeld staan, in een andere volgorde in de groef zijn geperst.

Een vrij ingetogen album, zij het nooit easy-listening. Blues en jazz worden naadloos aaneen geweven. Steviger wordt het pas aan het einde van kant 1 met I Can't Stand It van Smokey McAllister, waar uitgelatener gospel klinkt.
Halverwege kant 2 gaat het helemaal los in het vooral door blazers stevig klinkende Jon the Generator, geschreven door John Herald. Het nummer klonk me bekend in de oren. Na enkele minuten hummen wist ik het: het heeft de nodige overeenkomsten met John the Revelator dat ik ooit hoorde in de versie van gitarist Phil Keaggy. Hier een liveversie voor wie zelf wil vergelijken; voor het eerst verschenen in 1993 op diens EP Revelator. Is diens versie een bewerking van het origineel van John Herald, die het op zijn beurt weer van Blind Willie Johnson zou hebben geleend, zoals de tekst onder de clip schrijft?

Hoe dan ook, het nummer was wél de reden dat mijn lief aangaf dat ze er niet tegen kon; ze werd er onrustig van... Jammer, want zo miste ze het prachtige, ingetogen Wild Bird met dwarsfluit als extra versiering. Via As an Eagle Stirreth Her Nest volgt black gospel, die op There Is a Love vaker zou gaan klinken. Ik had wat dat betreft beter kant 1 kunnen opzetten.

Op de binnenhoes staan op de ene kant de nodige albums van collega's vermeld onder de noemer 'The Warner/Reprise loss leaders', op de andere een prachtige foto, geschoten op zaterdag 11 september 1911 in Burbank, Californië. Een oude foto, passend bij muziek die ook in 1976 teruggreep op veel oudere bronnen. Het zijn de details die zo'n elpee extra sfeer geven.

Marianne Faithfull - Broken English (1979)

poster
3,0
Anders dan ik in 1979 meekreeg via de media, was dit niet dé comebackplaat van Marianne Faithfull. Ik, jonge tiener, kende haar destijds van de radio als één van de hitnamen van de jaren '60 dankzij As Tears Go By, wist wellicht dat ze een ex-lief van Mick Jagger was én actrice.
Wat - in mijn herinnering - niet werd verteld, was dat ze na jaren aan de zelfkant van het leven in december 1976 terugkeerde met Dreamin' My Dreams, waarvan het titelnummer haar een Ierse #1-hit bracht. Daarop klonk countrypop, een genre dat in Nederland meestal weinig doet.
Anders was het in 1979 met new wave. Mijn volgende herinnering is daarom dat Broken English door de volwassen popliefhebbers met veel liefde werd onthaald. Deze puber had er echter weinig mee, ondanks dat The Ballad of Lucy Jordan kort na Kerst 1979 op #19 piekte in de Nationale Hitparade. Faithfull klonk in mijn oren als een oude vrouw met een saai nummer. Kortzichtige puber... Ze werd in diezelfde week 33 jaar, niks oud.

Met de oren van nu hoor ik een zangeres met een prachtige, gebroken stem. Dankzij een verstandig productieteam (onder meer producer Mark Miller Mundy en Steve Winwood op toetsen) klonk ze plotseling helemaal bij de tijd. 45 jaar later valt bovendien op dat de instrumenten ondanks de trendgevoelige aanpak van toen nog altijd niet verouderd of klinisch klinken.
Desondanks word ik niet warm van het album, simpelweg omdat de muziek me niet pakt. De berichten hierboven vertellen dat menigeen dat anders beleeft en ook Oor's Popencyclopedie (editie 1982) is het met mij oneens. Over de hitsingle: "enkele maanden de opvallendste plaat op de vaderlandse playlists, (...) een trage ballade, (...) waarvan een intens droevige sfeer afstraalt."
Het is me te ingetogen en bedrukt. Mijn favorieten zijn dan ook ver op de tweede helft met het vlottere What's the Hurry? en Why'd Ya Do It, waarin dansbare reggae en lekkere gitaarlicks klinken. Ook met haar versie van Working Class Hero heb ik weinig, al is het arrangement fris en haar vertolking intens. Ondanks mijn reserves toen en nu is duidelijk dat dit een indrukwekkend album was van een oude ziel, gestoken in moderne, pakkende muziek die niet is verouderd.

Mijn reis door new wave bevindt zich in november 1979. Komend van de Buggles, ontdekte ik een mij onbekend album uit 1977. Daarom terug naar dat jaar: Amerikaanse powerpop van The Scruffs.

Marie Laforêt - Marie Laforêt (1964)

Alternatieve titel: Album 1

poster
4,0
Laatst op tweedehands vinyl opgepikt. Heerlijke jaren '60 chansons van film- en theateractrice, auteur en ook een tijdje galeriehoudster Marie LaForêt, enigszins vergelijkbaar met het werk uit die tijd van Liesbeth List en France Gall.

Ja, ik houd wel van dat oude chanson, ook al beheers ik de Franse taal onvoldoende om te doorgronden wat deze enigszins literaire teksten vertellen. Wel vind ik de sfeer heerlijk, passend bij de warme gloed van de ondergaande zon.

Ik hoor twee covers: op kant 1 Viens sur la Montagne, oorspronkelijk de gospel Go Tell It on the Mountains alsmede Blowin' in the Wind, Engelstalig en inderdaad die van Bob Dylan.

Maar veel liever de overige muziek, met als hoogtepunten de weemoed van L'amour qu'il fera demain, haar bekendste nummer La Tendresse, de salonjazz in Un amour qui s'est éteint en het vrolijke Les Noces de Campagne. Soms is het folkachtig en klein, soms met orkest. In Qu'est-çe Qui Fait Pleurer les Filles zit een theelepelpuntje rock 'n' roll. LaForêts heldere stem kan die stijlverschillen vol souplesse aan.

Lekker zomerplaatje, het seizoen waarin ik chansons het liefst hoor. Begin alweer zin in de Tour de France te krijgen...

MARINA - Princess of Power (2025)

poster
In mei berichtte Roxy6 over dit album, maar door allerlei grote drukte had ik niet de rust of stemming om hier eens goed naar te luisteren.

Inderdaad "pure popmuziek" zoals Arrie aangaf. Dat is dus niet zo mijn ding. Ik zal mijn dochters (beiden volwassen) eens vragen of zij dit kennen, wellicht is dit meer op hen afgestemd.
Er zijn enkele nummers die ik wel aangenaam vind, allemaal met een oneven tracknummer: opener Princess of Power, Cuntissimo (die titel! ), Cupid's Girl, het openhartige Everybody Knows I'm Sad en Final Boss. Zonder uitzondering zijn ze uptempo en dat is wel mijn ding. Soms moet ik denken aan eurohouse zoals Sash! die in de jaren '90 maakte. Iets met de beats.
Met de teksten krijg ik de indruk dat ze de luisteraar regelmatig een kijkje in de ziel geeft, hetgeen vaker gebeurt in de huidige popgolf. Die openhartigheid is best wel stoer.

En verder kan ik er niet veel mee en zal ik mij van een sterrenwaardering onthouden. Maar wie niet vies is van popmuziek met dikke beats...

Mario Fasciano, Steve Morse, Ian Paice, Don Airey - E-Thnik (2005)

poster
4,0
Een Italiaanstalige, vreemde eend in de bijt van zowel Deep Purple als Steve Morse, wiens discografie ik aan het doorspitten ben. Geen idee hoe de samenwerking met Italiaan Mario Fasciano tot stand kwam, maar feit is dat E-Thnik een aangenaam album is met daarop vooral folk en pop alsook enige rock.
Rate Your Music typeert dit als progressive rock, waar het album echter slechts kleine raakvlakken mee heeft. Naast Morse doen van Purple mee drummer Ian Paice en toetsenist Don Airey. Verder is een enkele onbekende gastmuzikant te horen. E-Thnik is te vinden op YouTube.

Nu kan ik wel enigszins begrijpen dat RYM het tot progressive rock rekent. Fasciano werkte namelijk ook samen met Rick Wakeman op een tweetal albums, vertelt Discogs. Wellicht dat iemand die dit leest meer weet over Fasciano en daarover kan vertellen? Lijkt dit bijvoorbeeld op werk van Angelo Branduardi? Ik hoop op Roxy6, die weleens in het land komt .

'O Nainana' is een akoestische ballade in twee delen. Eerst gitaar en zang, later ondersteund door een toetsentapijtje. In het tweede deel speelt een accordeon (of is het een bandoneon?) een pakkende solo, gevolgd met strijkers in het slotakkoord. De stem van Fasciano (of is het een ander die zingt?) is warm als de muziek; niet opvallend, wél aangenaam. Ook La Notte delle Stelle is een ballade met wederom akoestische gitaar en accordeon/bandoneon.
Met Tarantella a Dispetto horen we voor het eerst drums, welkom Ian Paice. Morse dartelt op akoestische snaren in folkstijl. Na ruim een minuut valt Don Airey bij op Hammond en wordt het rockend, waarna achtereenvolgens een saxofoon- en fluitsolo volgen. De zanger blijkt ook deze stijl aan te kunnen.

L'amore Quando C'è is met een dikke 5 minuten het langste nummer van E-Thnik. Voor het eerst elektrische gitaar, warm en zeer ingetogen: de vierde ballade van het album. Een mooie zanglijn met mandoline die onmiddelijk aan Italië of Griekenland doet denken. Een elektrische gitaarsolo met lange noten volgt: Morse kan zich werkelijk aan iedere muzikale kleur aanpassen, hoe knap!
Een tweede solo van hem is beduidend sneller, het nummer is verrassend opgebouwd, buiten de kaders van zijn werk of dat van Deep Purple. Het zit 'm in de Italiaanse zon, want daarna pakt de mandoline zijn kans.

Het dromerige Che Sogno begint met fluit, waarna piano en zang toewerken naar een passievol slot. Met het instrumentale 'A Notte klinkt pas voor de tweede maal percussie: eerst conga's, dan drums. Het Hammond van Airey scheurt, waarna Morse voor het eerst zijn gitaar hetzelfde laat doen. Saxofoons vallen bij in een swingend nummer.
In het drumloze Sulo eerst piano, zang en synthesizer, als een symfonische rockballade; op 1'31" spelen hoorns een prachtig thema dat me aan The Man with the Child in His Eyes van Kate Bush doet denken.

Tu Si' Accussì wordt gedragen door een relaxte drumcomputer en zwoele synths; relaxte zang volgt. L'ala Della Musica is een weemoedig nummer met wederom synths en akoestische gitaar, dat langzamerhand steviger wordt met digitale drums. Progsynthpoprock.
Slotlied 'O Mare e L'anema is het stevige slot, maar nog steeds geen sprake van progrock. Een nummer in de stijl van Deep Purple en pas de derde keer dat Paice aan de bak mag, in dit geval om een rockende riff te ondersteunen. De stem van Fasciano schiet de hoogte in.

Eindoordeel: titel E-Thnik is vast een verwijzing naar 'ethnic', oftewel de kruisbestuiving tussen volken en culturen. Een verrassende en gevarieerde ontdekking, die me een 8 waard is.
Op YouTube is meer werk van Fasciano te vinden, zoals deze met Rick Wakeman. Maar sta me toe om vier jaar verder te reizen, als Steve Morse met zijn Band Out Standing in Their Field het licht doet zien.

Marlene Bakker - Oaventuren (2023)

poster
4,5
En daar lag ie op een warme vrijdagmiddag in de brievenbus, mét ansichtkaart en persoonlijke postzegel. De tweede van Marlene Bakker heet Oaventuren en is ook in de cd-editie erg fraai verpakt met in het cd-boekje prachtige tekeningen van zus Miriam.

Omdat er in het Gronings wordt gezongen, lees ik nogal eens vooral over de taal van Bakkers muziek. Maar dit is méér dan poëzie.

Tot mijn verrassing klinken er blazers in het titelnummer, dat het album aftrapt. Even wennen, maar het werkt wonderwel. Vervolgens hoor ik muzikale sferen als op het debuut Raif: wederom dat warme geluid van gitaar en toetsen, dromerig en bijna filmisch.
Meer persoonlijke hoogtepunten? Het akoestische gitaarspel op Roemte is van grote klasse, als in de jaren '70 bij Nick Drake. Met het vierde nummer Neudeg wordt het voor het eerst uptempo en valt alles zó mooi samen... Stain is midtempo en heeft alweer een sterke melodie, passend bij de tekst over verstilling.

Verlaizers is met zijn slagpartij bijna als jaren '90 triphop maar dan met akoestische drums, warm als de deken die ik afgelopen week weer op bed moest leggen. Op Oktober keren de blazers terug, zij het ingetogener dan in het titellied.
Ballade Zolaank ging in april vooraf en ik vroeg me toen af of dit een akoestisch album zou worden. Nee dus, waarbij het sobere arrangement tussen de rijke instrumentatie van de omliggende nummers fraai contrasteert. Het wordt namelijk gevolgd door Vleugels, dat met zijn volle sfeer en sterke melodie de ruimte vult.
Niet alle liedjes zijn benoemd, maar wees ervan verzekerd dat deze muzikanten er nadrukkelijk voor hebben gezorgd dat het album gevarieerd blijft. Ook na de nodige malen afspelen.

Sommige teksten bevatten zeer openhartige ontboezemingen en opnieuw denk ik aan Nick Drake. Zoals in Neudeg: "Ik bin baang veur mien duustere doagen, Of slimmer, dastoe t waist." Of het beeld van de verloren veren in Vleugels: "Ik was der aaltied al, Mor k mos miezulf weer vinden." Heel persoonlijk, maar niet klef. Integendeel. In kwetsbaarheid werd kracht gevonden. Alsof je per ongeluk een heel persoonlijk gesprek afluistert.

Tenslotte toch nog even zeuren: waarom zó lang wachten op Oaventuren? Is vijf jaar niet wat lang? Het antwoord laat zich raden: muziek en teksten zijn als gerijpte whisky of wat kaasmakers 'overjarige kaas' noemen: doortrokken van de seizoenen, in dit geval het denken, spreken, luisteren én voelen gedurende vele maanden. Met Bakkers licht-bronzen stem in het midden van dit groeibriljantje.
Dit verdient meer dan slechts concerten in noordelijk Nederland. Tijdloze muzikale klasse met herkenbare en tegelijkertijd onverwachte reflecties, lentefris verwoord. Laat het najaar maar komen.

Marlene Bakker - Raif (2018)

poster
4,5
Er werd deze week weer driftig gemopperd over ons koningshuis, iets met teveel bezoekers op een verjaardagspartijtje in de tuin in coronatijd. Maar ik heb het toch mooi aan hun koningsdagbezoek aan Groningen in 2018 te danken, dat ik de muziek van Marlene Bakker ken. Zij trad daar op en omdat ik streektaalpop volg, wekte dit van tevoren mijn interesse.
Van de tv-reportage en haar optreden voor de koning weet ik bijna niets meer, wél dat ik de clip van Waarkhanden ontdekte en dat een schitterend liedje vond.
Twee clips en even zovele jaren later zag ik haar tweemaal optreden in 2020. Het eerste concert in band-, het tweede in kleine bezetting. Ik schafte uiteraard het album aan, dat mij thuis naar een andere wereld voerde.

Raif begint klein met de piano van het titellied. Een vrouwenstem, klein en toch krachtig, begint zingend een verhaal te vertellen over gereedschap (raif) als beeld bij de verstrijkende tijd. Drums en uitwaaierende keyboards vergezellen haar spoedig, waarmee een warme sfeer ontstaat, zeker als je later ook strijkers ontwaart.
Daarna Astoe t zain harst, nu al een tijdloze klassieker. Opnieuw die warme sfeer, maar hier uptempo, met een strakke slaggitaar en meeslepende lijn op de elektrische gitaar. Ik waan mij bij de beste new wave die de jaren ’80 voortbrachten. Nee, begrijp me goed, het klinkt eigentijds, maar de melancholie is er zeker.
Vervolgens de eerste "single” Waarkhanden, opnieuw een tijdloos klassiekertje. Een feeërieke melodie, alweer een prachtige strijkerspartij en wie in de tekst duikt krijgt meteen zin om een weekend in een B&B op het Groningse platteland te boeken.
De eerste, ernstige akkoorden van Te nuchter grijpen me onmiddellijk bij de baard. Een langzame compositie, opnieuw warm, de drums in een wolkje echo. Alweer valt op hoe goed dit is geproduceerd en hoe goed de stem van Marlene daarin gedijt.
Kloarwakker is dan weer uptempo, met zowaar een trompet in datzelfde wolkje, hoe mooi! Doe waist beter sluit de A-kant op rustige wijze af; zang, melodie en instrumenten voeren je moeiteloos mee naar… iets onbestemds, ver weg.

Kant B begint met Heufd as helm, net als het titellied een pianoballade die geleidelijk breed uitwaaiert. Hierna de andere twee liedjes die ik dankzij videoclips kende: Golven en Hai hai, beiden even fraai, vlot en toch dromerig. Vol heimwee - of is het fernweh?
Genog veur mie is een ballade over vertrouwen; klein, intiem en persoonlijk. Afsluiter Smilke leunt op een akoestische gitaar, ondersteund door spaarzame keyboards; een kalm einde.

Ik zal hier geen tekstanalyses uitvoeren, maar duik in haar overpeinzingen en je komt pareltjes tegen. Over mensen, het landschap, het leven. Ook te begrijpen voor degenen die net als ik ver van Groningen opgroeiden. Bakker is een eigenzinnige, herkenbare singer-songwriter met een licht-hese stem, wier liedjes en covers (je treft er twee aan) in de productie van Bernard Gepken tot volle bloei komen.

Hierboven noemde ik de plaat eigentijds. Dat klopte niet. Beter is: boventijds. Een musthef, zeker als vinyl in die fraaie klaphoes!

Martha and the Muffins - Metro Music (1980)

poster
4,0
De vijf Canadezen van Martha and The Muffins zien eruit zoals mijn klasgenoten én ikzelf in dat jaar: keurige kapsels en kleertjes. Tegelijkertijd klinkt op hun in The Manor nabij het Engelse Oxford opgenomen debuut vooral vlotte new wave met dansende baslijntjes, soms felle gitaarpartijen (Paint By Number Heart), saxspel op de wijze van Roxy Music (getuige Indecision en Cheesies and Gum) én de zang van maar liefst twéé Martha's: Martha Ladly en Martha Johnson. Door de elektrische piano en de vocalen moet ik soms aan Curved Air denken, de artrockgroep van begin jaren '70.

Metro Music had enkele draaibeurten nodig voordat de muziek landde. Het is vooral uptempo, waardoor de nummers in eerste instantie te eenvormig leken en weinig kwam bovendrijven. Het album bevat eigenlijk maar één langzamer nummer, te weten halverwege kant 2 met Sinking Land.
Dat beeld veranderde tijdens een autorit, zoals ik wel vaker beleef. Diverse fraaie details bleken zich te hebben verstopt. Daarbij dus véél energie en nog dansbaar ook.
De teksten zijn leuk, zoals die van de hit Echo Beach, over een saaie kantoorbaan en het verlangen om de zonsondergang aan het strand te zien. Het liedje haalde in mei 1980 de NOS/NCRV-tipparade, maar had meer verdiend: in het VK in maart #10 en voor Metro Music diezelfde maand #34.

Anno 2025 blijkt Metro Music een persoonlijk groeiplaatje, dat ik maar eens op vinyl moet tegenkomen. Al in september datzelfde jaar brachten Martha and The Muffins hun tweede album uit, dat evenwel niet het succes van het debuut haalde. De opvolgers daarvan slaagden er net zo min in dat succes te benaderen.

Mijn reis door de new wave van mei 1980 kwam van Blondie en non-albumsingle Call Me; vervolg bij de derde van Squeeze.

Martha and the Muffins - Trance and Dance (1980)

poster
4,0
Er was redelijk succes voor Martha and the Muffins met debuut Metro Music. Nog datzelfde jaar brengen ze Trance and Dance uit, dat - net als de opvolgers - dat succes zou ontberen. Is dat terecht?

Die andere albums ga ik nog beluisteren, maar in het geval van dit album: nee, onterecht! Fris uit de startblokken met Luna Park met daarin bescheiden sax, waarna Suburban Dream met orgeltje; het nummer gaat dankzij een extravagante saxsolo van Andy Haas lós. Was Ezo is eveneens aangenaam wegens de tweestemmige zang van de twee Martha's, Johnson en Ladly. In Teddy the Dink klinkt bijna punk met opnieuw prominent de tenorsax.
Waar ik bij het debuut nogal in de muziek moest komen, blijkt Trance and Dance juist uitnodigend, zo landen Symptomatic Love en Primal Weekend met zijn onstuimige intro eveneens snel, mede dankzij de soms dwarse gitaarpartijen van Mark Gane en het ijle orgeltje, eveneens door de dames Johnson en Ladly gedaan. Kant 1 eindigt bijna kakafonisch.

Op kant 2 eveneens zes nummers. Halfway Through the Week staat symbolisch halverwege het album en Gane sleurt weer op gitaar; hij doet zelfs leadzang. Lichter en appetijtelijk is Am I On? waarna pretliedje Motorbikin' kort de boel laat rocken; opnieuw met lichte punkinvloed.
About Insomnia is dromeriger, de titel ten spijt, fraaie melancholie en melodie. Bijna alsof we The Bangles horen. In Be Blasé wordt naar ska geknipoogd mede dankzij de dansende baslijn en het pompende drumwerk van Tim Gane.
Ruim zeven minuten duurt het titellied van Trance and Dance dat de plaat afsluit. mede dankzij een drumcomputertje zoals ik dat van Gary Numan ken, klinkt sfeervolle new wave in een sterk opgebouwd nummer.

De Canadezen klinken op dit album vooral Brits - niet verrassend, want opgenomen in The Manor Studios van Richard Branson en het slapeloosheidlied in Townhouse in Londen, eveneens van Branson. Oftewel, voor hun tweede album stond men onder contract bij Virgin. Gek toch dat Brits succes ontbrak, ondanks de kwaliteit van de muziek. In 2013 kreeg het bij Cherry Red een fraaie heruitgave, hier te vinden. Dat is de versie waar vigil over schreef.
Waar ik ernaar uitzie om t.z.t. opvolger This Is the Ice Age te beluisteren, ontdek ik dat die niet op mijn streamingkanaal staat. Wél die daarna, Danseparc uit '83. Hopelijk wordt het hiaat opgevuld als ik bij 1981 ben.

Mijn reis door new wave kwam van Graham Parker and the Rumour en hun The Up Escalator en ik vervolg bij het eveneens in september 1980 verschenen debuut van het Nederlandse Nasmak.

Mass - Voices in the Night (1989)

poster
3,5
Geproduceerd door Michael Sweet van Stryper, uitgebracht op hetzelfde Enigma, klinkt Voices in the Night van Mass als... Stryper. Indertijd op vinyl gekocht, later weggegeven omdat ik het na enkele jaren te zoetjes vond. Nee, dan liever thrash als je toch metal wilt draaien.
Vorig jaar echter ging mijn hoofd plotseling naar dit plaatje vragen. Waarom weet ik niet, ik neuriede simpelweg een liedje van deze Mass. Op streaming is hij te vinden en toen ik 'm laatst ergens tweedehands op cd tegenkwam, kon ik geen weerstand bieden...

Blijkens Discogs begon de groep uit Boston in 1979 als Axes en nam in 1982 met producer Tom Allom, bekend van zijn werk voor Judas Priest, een eerste album op dat om problemen met het platenlabel nooit verscheen. Een eigen beheer-EP geproduceerd door John Mathias volgde in '84, dat in en rond hun thuisstad genoeg reuring veroorzaakte om RCA te laten toehappen. Debuutplaat New Birth was het gevolg, een elpee waarvoor momenteel op Discogs veel moet worden neergelegd. Vervolgens nam Enigma hen onder hun hoede, waarna in 1988 (in Europa in zomer '89 zoals ik me de dag van aanschaf herinner) dit Voices in the Night verscheen.

Mannen met getoupeerde haren, zoals toen mode was in het metalen Amerika van die dagen, maakten niet per definitie glammetal. Dat genre munt uit in infantiele muziekjes met vaak seksistische teksten en dat is hier zeker niet het geval. De groep maakt gewoon melodieuze metal waarbij goed wordt gemusiceerd in de zelfgeschreven nummers. Af en toe klinkt een lekkere gitaarsolo of een twingitaarlijn, in de snelle stukken dubbele basdrum, over de arrangementen is goed nagedacht en de productie voldoet aan de normen van 1988.
Net als bij het Stryper van die dagen is het vierde nummer van iedere plaatkant een ballade, op cd dus track 4 en 9. Mijn elpee bevatte indertijd niet track 11 Still of the Night, dat wat meer echo in de productie heeft dankzij John Mathias. Een heropname van het nummer dat ook op hun EP uit '84 stond.

Als de stem van Louie St. August niet iets lager was geweest dan die van Michael Sweet, had ik gedacht dat het Stryper zelf was. Dat is dan ook meteen de zwakte van de plaat; het lijkt wel erg op die groep, ook al zijn de teksten niet van het evangeliserende soort. Wel in een positieve sfeer.
Indertijd noemden we dit melodieuze metal, net als bijvoorbeeld de vroege jaren van Europe schurkt het soms wel erg dicht tegen popmuziek aan. Desondanks een lekker plaatje, licht verteerbaar als een cracker met jam.

Op streaming ontdek ik recenter werk van de groep. Let wel op: er waren meer groepen met de naam Mass, lekker verwarrend.
Op Discogs vind je ze onder Mass (16), op MuMe als Mass (1). Daarbij ontdek ik helaas weer eens dat de zoekfunctie van MuMe niet goed werkt: als ik 'Mass' intik kom ik ze niet als artiest tegen... Daarom hier de link naar de bandpagina op MuMe.