Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
M-Pire - Chapter One (1995)

3,5
0
geplaatst: 25 november 2024, 19:59 uur
EMelodieuze hardrock uit 1995, toen dat genre na de doorbraak van grunge al enige jaren op apegapen lag. M-Pire werd geformeerd door de ultieme snarenracer Joshua Perahia. Al heb ik er nooit een stopwatch bij gehouden, het zou best kunnen dat hij in de jaren '80 en '90 - en wellicht daarna - de snelste sologitarist ter wereld was. Bij Perahia draait het echter ook om de composities. Een egotripper is hij evenmin, uit de teksten blijkt dat hij een gelovig mens is.
Onder de groepsnaam Joshua bracht hij twee langspelers uit die mede door een Europese tour per trein (!) indruk maakten, zoals nog doorklinkt op de bedankjes op deze M-Pire, met onder meer de namen van het Nederlandse en Vlaamse hardrock- en metaljournaille. Ik bedoel Surrender (1985) en Intense Defense (1988). Over die tournee: zie deze Nederlandse fansite.
Ondanks die sterke albums slaagde de groep er niet in een doorbraak te forceren. Muzikanten kwamen en gingen, omdat er te weinig inkomsten werden gegenereerd. In 1995 maakt hij onder de naam M-Pire een doorstart met Chapter One, wat na één EP en de twee elpees dus eigenlijk chapter four was.
De stijl van Joshua/M-Pire behoeft een zanger met krachtige stembanden en groot bereik. Met voorheen Jeff Fenholt en Rob Rock en het onbekend gebleven supertalent Robin Kyle Basauri had hij die. Op Chapter One zingt ene Michael O'Mara en alhoewel allesbehalve een prutser haalt deze niet het niveau van zijn voorgangers. Zijn stem is iets lichter en in mijn beleving moet hij te vaak knijpen, zeker in de hogere regionen en met name als hij rauw zingt.
Dat in combinatie met de iets mildere hardrock maakt dat het minder pakkend is, enigszins herinnerend aan het Y&T van de jaren '80 dat geleidelijk wat scherpe kantjes van hun hardrock haalde. Bij beide groepen geldt dan: nog altijd van niveau, maar meer sleazy. Zo is de midtempo opener Concrete Jungle niet spannend, op de gitaarsolo na.
Opvallend is dat het niveau gedurende het album stijgt. Wellicht een kwestie van smaak, ik kan me voorstellen dat liefhebbers van bijvoorbeeld Aerosmith en Guns 'n' Roses hier meer mee kunnen.
Voor mij staan echter de sterkere nummers verderop, waarbij het ook lijkt alsof O'Mara steeds ontspannener zingt. De naam van ex-zanger Basauri duikt daarbij vijfmaal op als co-componist, die van O'Mara zeven maal. De eerste keer dat ik word gepakt is met Long Way to Heaven, dat wordt gevolgd met powerballade Dark Days en het vlotte en van een grommende riff voorziene It Must Be Love.
Pas met Bad Man, dat uptempo is en alweer een prachtige gitaarsolo bevat, hoor ik de klasse van de twee voorgangers ten volle terug. Walk into the Light is dan meer sleazy, afgezien van een heerlijke versnelling tijdens de solo en in het slot. Devil's River drijft op een vette en zware bluesshuffle, die goed werkt en een solo met afwisselend lange en hele korte noten, als uit een mitrailleur afgevuurd. Slotlied Right on Target is het stevigste nummer van het album met dubbele basdrum op snelheid.
Er staat een tweede ballade op: Tears of Joy kende ik in de versie van Basauri's groep Red Sea, te vinden op hun album Blood (1994), een versie met meer ballen dan die van M-Pire.
Chapter One verscheen bij het Duitse label Long Island, dat echter een jaar later zijn activiteiten stopte. De zoveelste zakelijke tegenslag voor Perahia. In 2001 verscheen Chapter One opnieuw, nu onder de vlag van Joshua Perahia.
Een nummer dat bij vaker draaien groeit, is Long Way to Heaven. De titel hiervan klinkt opeens anders nu ik weet dat Joshua Perahia op 14 oktober jongstleden overleed op 71-jarige leeftijd. Dat wist ik niet toen ik twee dagen later toevallig deze cd in Wezep tegenkwam.
Heb mede daarom eens extra gelet op 's mans solo's, zoals ik deed toen ik veertig jaar geleden Surrender aanschafte. Wat was de man GOED! Melodiegevoel en razendsnel...
Onder de groepsnaam Joshua bracht hij twee langspelers uit die mede door een Europese tour per trein (!) indruk maakten, zoals nog doorklinkt op de bedankjes op deze M-Pire, met onder meer de namen van het Nederlandse en Vlaamse hardrock- en metaljournaille. Ik bedoel Surrender (1985) en Intense Defense (1988). Over die tournee: zie deze Nederlandse fansite.
Ondanks die sterke albums slaagde de groep er niet in een doorbraak te forceren. Muzikanten kwamen en gingen, omdat er te weinig inkomsten werden gegenereerd. In 1995 maakt hij onder de naam M-Pire een doorstart met Chapter One, wat na één EP en de twee elpees dus eigenlijk chapter four was.
De stijl van Joshua/M-Pire behoeft een zanger met krachtige stembanden en groot bereik. Met voorheen Jeff Fenholt en Rob Rock en het onbekend gebleven supertalent Robin Kyle Basauri had hij die. Op Chapter One zingt ene Michael O'Mara en alhoewel allesbehalve een prutser haalt deze niet het niveau van zijn voorgangers. Zijn stem is iets lichter en in mijn beleving moet hij te vaak knijpen, zeker in de hogere regionen en met name als hij rauw zingt.
Dat in combinatie met de iets mildere hardrock maakt dat het minder pakkend is, enigszins herinnerend aan het Y&T van de jaren '80 dat geleidelijk wat scherpe kantjes van hun hardrock haalde. Bij beide groepen geldt dan: nog altijd van niveau, maar meer sleazy. Zo is de midtempo opener Concrete Jungle niet spannend, op de gitaarsolo na.
Opvallend is dat het niveau gedurende het album stijgt. Wellicht een kwestie van smaak, ik kan me voorstellen dat liefhebbers van bijvoorbeeld Aerosmith en Guns 'n' Roses hier meer mee kunnen.
Voor mij staan echter de sterkere nummers verderop, waarbij het ook lijkt alsof O'Mara steeds ontspannener zingt. De naam van ex-zanger Basauri duikt daarbij vijfmaal op als co-componist, die van O'Mara zeven maal. De eerste keer dat ik word gepakt is met Long Way to Heaven, dat wordt gevolgd met powerballade Dark Days en het vlotte en van een grommende riff voorziene It Must Be Love.
Pas met Bad Man, dat uptempo is en alweer een prachtige gitaarsolo bevat, hoor ik de klasse van de twee voorgangers ten volle terug. Walk into the Light is dan meer sleazy, afgezien van een heerlijke versnelling tijdens de solo en in het slot. Devil's River drijft op een vette en zware bluesshuffle, die goed werkt en een solo met afwisselend lange en hele korte noten, als uit een mitrailleur afgevuurd. Slotlied Right on Target is het stevigste nummer van het album met dubbele basdrum op snelheid.
Er staat een tweede ballade op: Tears of Joy kende ik in de versie van Basauri's groep Red Sea, te vinden op hun album Blood (1994), een versie met meer ballen dan die van M-Pire.
Chapter One verscheen bij het Duitse label Long Island, dat echter een jaar later zijn activiteiten stopte. De zoveelste zakelijke tegenslag voor Perahia. In 2001 verscheen Chapter One opnieuw, nu onder de vlag van Joshua Perahia.
Een nummer dat bij vaker draaien groeit, is Long Way to Heaven. De titel hiervan klinkt opeens anders nu ik weet dat Joshua Perahia op 14 oktober jongstleden overleed op 71-jarige leeftijd. Dat wist ik niet toen ik twee dagen later toevallig deze cd in Wezep tegenkwam.
Heb mede daarom eens extra gelet op 's mans solo's, zoals ik deed toen ik veertig jaar geleden Surrender aanschafte. Wat was de man GOED! Melodiegevoel en razendsnel...
M3 - Classic 'Snake Live Volume 1 (2003)

3,5
0
geplaatst: 12 januari 2024, 18:20 uur
Vanaf 1998 namen twee voormalige gitaristen en co-componisten van Whitesnake, te weten Micky Moody en Bernie Marsden, een duik in hun muzikale verleden met David Coverdale. De eerste trad al toe toen Coverdale na het uiteenvallen van Deep Purple solo ging, de tweede stapte in toen de groep Whitesnake ontstond.
Het leidde tot kortstondige projecten die altijd composities van hun oude bandje speelden en soms ook nieuw werk op plaat zetten. Met daarbij de nodige liveregistraties.
Vanaf 1992 was daar (The) Moody Marsden (Band) met twee albums, vervolgens The Snakes met Once Bitten... (1998), vanaf 2001 The Company of Snakes met twee albums en tenslotte dit M3, te vinden op YouTube.
De derde M is Tony Martin, voormalig zanger van Black Sabbath. Een prima vocalist, echter de bronstigheid van Coverdale missend. Ik heb de voorbije dagen de genoemde bandjes van de heren Moody en Marsden voorbij horen komen, waarbij ik zijn stem het minst passend vind voor de blueshardrock uit de stal van Whitesnake.
Verder in de groep: bassist Neil Murray (eveneens ex-Whitesnake en nog véél meer), drummer Jim Copley (o.a. ex-Killing Joke, -Tears for Fears en -Pretenders) en toetsenist Mark Stanway (ex-Magnum). Prima muzikanten die zich uiteraard bekwaam door de selectie uit de catalogus van de witte slang heenwerken. Kleine negatieve uitzondering voor Don't Break My Heart Again, dat langzamer wordt gespeeld dan de studioversie van Whitesnake. Het mist hierdoor pit.
Bij de eerder genoemde albums las ik enthousiaste reacties van mensen die M3 live zagen. Ik kan me goed voorstellen dat ik eveneens omver geblazen zou zijn, maar nu vind ik Martins zang wat bleekjes afsteken tegen Jørn Lande bij The Snakes en Stefan Berggren bij The Company of Snakes. Wel weer krachtiger dan de vocalen van Moody en Marsden.
Fijn is dat eindelijk Child of Babylon en Young Blood op een setlist staat en het afsluitende uptempo Take Me with You mag er ook zijn. Maar de romantiek die Coverdale, Lande en Berggren in hun stem verpakken? Die ontbreekt.
In 2005 volgde nog de dvd Rough an' Ready, terwijl Marsden zich een oud advies van Jon Lord herinnerde en weer onder eigen naam platen ging maken. Hij rolde bovendien in allerlei andere projecten, tot werk voor het National Theater toe.
Het leidde tot kortstondige projecten die altijd composities van hun oude bandje speelden en soms ook nieuw werk op plaat zetten. Met daarbij de nodige liveregistraties.
Vanaf 1992 was daar (The) Moody Marsden (Band) met twee albums, vervolgens The Snakes met Once Bitten... (1998), vanaf 2001 The Company of Snakes met twee albums en tenslotte dit M3, te vinden op YouTube.
De derde M is Tony Martin, voormalig zanger van Black Sabbath. Een prima vocalist, echter de bronstigheid van Coverdale missend. Ik heb de voorbije dagen de genoemde bandjes van de heren Moody en Marsden voorbij horen komen, waarbij ik zijn stem het minst passend vind voor de blueshardrock uit de stal van Whitesnake.
Verder in de groep: bassist Neil Murray (eveneens ex-Whitesnake en nog véél meer), drummer Jim Copley (o.a. ex-Killing Joke, -Tears for Fears en -Pretenders) en toetsenist Mark Stanway (ex-Magnum). Prima muzikanten die zich uiteraard bekwaam door de selectie uit de catalogus van de witte slang heenwerken. Kleine negatieve uitzondering voor Don't Break My Heart Again, dat langzamer wordt gespeeld dan de studioversie van Whitesnake. Het mist hierdoor pit.
Bij de eerder genoemde albums las ik enthousiaste reacties van mensen die M3 live zagen. Ik kan me goed voorstellen dat ik eveneens omver geblazen zou zijn, maar nu vind ik Martins zang wat bleekjes afsteken tegen Jørn Lande bij The Snakes en Stefan Berggren bij The Company of Snakes. Wel weer krachtiger dan de vocalen van Moody en Marsden.
Fijn is dat eindelijk Child of Babylon en Young Blood op een setlist staat en het afsluitende uptempo Take Me with You mag er ook zijn. Maar de romantiek die Coverdale, Lande en Berggren in hun stem verpakken? Die ontbreekt.
In 2005 volgde nog de dvd Rough an' Ready, terwijl Marsden zich een oud advies van Jon Lord herinnerde en weer onder eigen naam platen ging maken. Hij rolde bovendien in allerlei andere projecten, tot werk voor het National Theater toe.
Maanam - Maanam (1981)

4,0
2
geplaatst: 26 juni 2025, 23:51 uur
Vorig jaar zomer was ik in Sczcecin voor een Poolse bruiloft - nazdrowie! Het was daar dat ik de groep Maanam ontdekte, op zoek naar Poolse muziek bij een filmpje dat ik er schoot.
De groep kwam uit Krakau (?) en had als ijkpunten zangeres Kora (Olga Jackowski) en gitarist (toen nog haar echtgenoot) Marek Jakowski. Diens cleane maar felle spel jaagt in de meeste gevallen de muziek op, waarbij Kora een ongekend expressieve stem heeft die ze bovendien perfect timet.
Ik kocht er hun tweede album (op cd), maar de eigenaar van een volgende platenzaak vertelde me dat dit debuut nog veel beter zou zijn: "It's punk!" zei hij enthousiast. Qua stijl klopt dat niet, wel is de beschrijving van Manfield helemaal terecht: "vol met gejaagde, energieke maar ook catchy post-punk nummers."
En dat in een land waar westerse muziek vol afgrijzen door de communistische overheid werd bekeken, waar eigen initiatief buiten de officiële kanalen werd tegengewerkt. Niet makkelijk om dan met zelfgeschreven, felle gitaarliedjes op te treden. Toch waren ze er in korte tijd heel populair met talloze optredens als gevolg.
In juni 1980 verschijnt single Boskie Buenos, track 2 op het album. In juli 1981 volgt album Maanam. De meeste muziek is fel als de debuutsingle en opener Stoję, Stoję, Czuję Się Świetnie zelfs nog meer. In Biegnij Razem Ze Mną voegt gastsaxofonist Zbigniew Namysłowski (ja, vaak breek ik mijn tong) een extra dimensie toe aan de felheid.
Verrassend is dan het instrumentale kleinood Miłość Jest Cudowna, om met Żądza Pieniądza weer bijtend de eerste helft af te sluiten.
Kant 2 kent dezelfde aanpak, met verrassenderwijs pure blues in Szał Niebieskich Ciał. Dat zou een westerse newwavegroep absoluut nooit hebben gedaan, maar wat zingt Kora fraai ingetogen en wat speelt die Jackowski ook in deze stijl sterk gitaar. De 7'53" vervelen zelfs geen moment, waarna Kora haar stem in Szare Miraże weer laat bijten en snauwen en Jackowski zijn gitaar allerlei lenige capriolen laat uithalen.
De twee plaatkanten zijn gelijksoortig opgebouwd: drie (kant 2: twee) felle nummers, dan een rustig moment om met het laatste nummer weer energiek te eindigen. Goede tot sterke composities en na een tijdje was ook deze kaaskop gewend aan de taal, zonder dat ik er iets van snap.
Weet dan ook niet waar de teksten over gaan; van kritische politieke teksten kon in het Polen van toen geen sprake zijn, zoveel is zeker. Inmiddels kun je de teksten makkelijk online vertalen, maar van wat ik dan lees, snap ik nog steeds de bedoeling niet.
Wél ontdekte ik dat de groep is te zien in de film Wielka Majówka. Die is echter niet ondertiteld en de taalbarrière is opnieuw daar.
Ach, doet er ook niet toe... De muziek is zeer aangenaam en 45 jaar later nog altijd fris en vinnig. Groot respect voor hen die in deze communistische dictatuur met zulke creativiteit voor de dag kwamen en bovendien is de productie hartstikke lekker. Ik begrijp het enthousiasme van de eigenaar van de platenzaak inmiddels goed.
Op reis door de new wave van 1980 kom ik momenteel veel debuutplaten tegen. De vorige was van The Sound en Jeopardy en de volgende is het debuut van het Engelse The Psychedelic Furs.
De groep kwam uit Krakau (?) en had als ijkpunten zangeres Kora (Olga Jackowski) en gitarist (toen nog haar echtgenoot) Marek Jakowski. Diens cleane maar felle spel jaagt in de meeste gevallen de muziek op, waarbij Kora een ongekend expressieve stem heeft die ze bovendien perfect timet.
Ik kocht er hun tweede album (op cd), maar de eigenaar van een volgende platenzaak vertelde me dat dit debuut nog veel beter zou zijn: "It's punk!" zei hij enthousiast. Qua stijl klopt dat niet, wel is de beschrijving van Manfield helemaal terecht: "vol met gejaagde, energieke maar ook catchy post-punk nummers."
En dat in een land waar westerse muziek vol afgrijzen door de communistische overheid werd bekeken, waar eigen initiatief buiten de officiële kanalen werd tegengewerkt. Niet makkelijk om dan met zelfgeschreven, felle gitaarliedjes op te treden. Toch waren ze er in korte tijd heel populair met talloze optredens als gevolg.
In juni 1980 verschijnt single Boskie Buenos, track 2 op het album. In juli 1981 volgt album Maanam. De meeste muziek is fel als de debuutsingle en opener Stoję, Stoję, Czuję Się Świetnie zelfs nog meer. In Biegnij Razem Ze Mną voegt gastsaxofonist Zbigniew Namysłowski (ja, vaak breek ik mijn tong) een extra dimensie toe aan de felheid.
Verrassend is dan het instrumentale kleinood Miłość Jest Cudowna, om met Żądza Pieniądza weer bijtend de eerste helft af te sluiten.
Kant 2 kent dezelfde aanpak, met verrassenderwijs pure blues in Szał Niebieskich Ciał. Dat zou een westerse newwavegroep absoluut nooit hebben gedaan, maar wat zingt Kora fraai ingetogen en wat speelt die Jackowski ook in deze stijl sterk gitaar. De 7'53" vervelen zelfs geen moment, waarna Kora haar stem in Szare Miraże weer laat bijten en snauwen en Jackowski zijn gitaar allerlei lenige capriolen laat uithalen.
De twee plaatkanten zijn gelijksoortig opgebouwd: drie (kant 2: twee) felle nummers, dan een rustig moment om met het laatste nummer weer energiek te eindigen. Goede tot sterke composities en na een tijdje was ook deze kaaskop gewend aan de taal, zonder dat ik er iets van snap.
Weet dan ook niet waar de teksten over gaan; van kritische politieke teksten kon in het Polen van toen geen sprake zijn, zoveel is zeker. Inmiddels kun je de teksten makkelijk online vertalen, maar van wat ik dan lees, snap ik nog steeds de bedoeling niet.
Wél ontdekte ik dat de groep is te zien in de film Wielka Majówka. Die is echter niet ondertiteld en de taalbarrière is opnieuw daar.
Ach, doet er ook niet toe... De muziek is zeer aangenaam en 45 jaar later nog altijd fris en vinnig. Groot respect voor hen die in deze communistische dictatuur met zulke creativiteit voor de dag kwamen en bovendien is de productie hartstikke lekker. Ik begrijp het enthousiasme van de eigenaar van de platenzaak inmiddels goed.
Op reis door de new wave van 1980 kom ik momenteel veel debuutplaten tegen. De vorige was van The Sound en Jeopardy en de volgende is het debuut van het Engelse The Psychedelic Furs.
Madness - 7 (1981)

4,0
1
geplaatst: afgelopen zondag om 21:37 uur
Mei 1981. De punkrevolte is voorbij, maar het genre is allesbehalve dood én het maakte de weg vrij voor allerlei vormen van new wave, postpunk, no wave, new romantics, ska en wat al meer aan stromingen en benamingen voor de "kinderen" van deze muziekrevolutie. Soms was die muziek hartstikke geschikt voor jonge tieners, de groep die traditioneel de meeste singles kocht.
En zo kom ik van Sister Feelings Call, het vierde album van de Simple Minds uit Glasgow, bij de derde van Madness, die 7 werd gedoopt. Ook in Nederland scoorden de nutty boys hits, de populariteit in hun eigen Engeland was echter groter.
Achter de vrolijke muziek gaan rake, soms ernstige beschouwingen van het leven in Groot-Brittannië schuil. Zoals in de eerste hit van dit album Grey Day. De drumfill die het nummer opent klinkt weliswaar vrolijk, de klok in het arrangement benadrukt vervolgens de ernst. In het VK in mei 1981 #4, in Nederland in juni #18 en in Vlaanderen #28:
"When I get home it's late at night - I'm black and bloody from my life
I haven't time to clean my hands - Cuts will only sting me through my dreams
(...)
In the morning I awake - My arms my legs my body aches
The sky outside is wet and grey - So begins another weary day"
Andere hits van 7: Shut Up haalt in september #7, in Nederland de maand erop #25, in Vlaanderen in november #38. Dan was er non-albumsingle It Must Be Love, oorspronkelijk (1971) van Labi Siffre en in Nederland een dubbele A-kant met het wél op dit album te vinden Mrs. Hutchinson; het haalde in het VK in januari '82 #4 en in Nederland diezelfde maand #43, in Vlaanderen geen notering. Ten slotte de single met kruiswoordpuzzel Cardiac Arrest / In the City, in het VK in maart '82 #14, in Nederland #26 en in Vlaanderen in april #24.
Zo stonden er diverse hits van 7 van april '81 tot en met april '82 in diverse hitlijsten. Een knappe prestatie, zeker als je in aanmerking neemt dat de verkoopcijfers van collega-skagroepen inmiddels beduidend minder waren. De rest van het album is eveneens prima, waarbij nummers als Sign if the Times en Pac-a-Mac niet onderdoen voor de singles.
De binnenhoes van de eerste edities bevatte reclame voor de film over Madness Take It or Leave It (via de link te zien op YouTube) en de clips bij de singles zijn steeds het bekijken waard.
Volgende nummer op mijn lijst met new wave uit mei 1981 is Arabian Knights van Siouxsie and The Banshees en dus op naar Juju.
En zo kom ik van Sister Feelings Call, het vierde album van de Simple Minds uit Glasgow, bij de derde van Madness, die 7 werd gedoopt. Ook in Nederland scoorden de nutty boys hits, de populariteit in hun eigen Engeland was echter groter.
Achter de vrolijke muziek gaan rake, soms ernstige beschouwingen van het leven in Groot-Brittannië schuil. Zoals in de eerste hit van dit album Grey Day. De drumfill die het nummer opent klinkt weliswaar vrolijk, de klok in het arrangement benadrukt vervolgens de ernst. In het VK in mei 1981 #4, in Nederland in juni #18 en in Vlaanderen #28:
"When I get home it's late at night - I'm black and bloody from my life
I haven't time to clean my hands - Cuts will only sting me through my dreams
(...)
In the morning I awake - My arms my legs my body aches
The sky outside is wet and grey - So begins another weary day"
Andere hits van 7: Shut Up haalt in september #7, in Nederland de maand erop #25, in Vlaanderen in november #38. Dan was er non-albumsingle It Must Be Love, oorspronkelijk (1971) van Labi Siffre en in Nederland een dubbele A-kant met het wél op dit album te vinden Mrs. Hutchinson; het haalde in het VK in januari '82 #4 en in Nederland diezelfde maand #43, in Vlaanderen geen notering. Ten slotte de single met kruiswoordpuzzel Cardiac Arrest / In the City, in het VK in maart '82 #14, in Nederland #26 en in Vlaanderen in april #24.
Zo stonden er diverse hits van 7 van april '81 tot en met april '82 in diverse hitlijsten. Een knappe prestatie, zeker als je in aanmerking neemt dat de verkoopcijfers van collega-skagroepen inmiddels beduidend minder waren. De rest van het album is eveneens prima, waarbij nummers als Sign if the Times en Pac-a-Mac niet onderdoen voor de singles.
De binnenhoes van de eerste edities bevatte reclame voor de film over Madness Take It or Leave It (via de link te zien op YouTube) en de clips bij de singles zijn steeds het bekijken waard.
Volgende nummer op mijn lijst met new wave uit mei 1981 is Arabian Knights van Siouxsie and The Banshees en dus op naar Juju.
Madness - Absolutely (1980)

4,5
2
geplaatst: 25 mei 2025, 21:50 uur
Herinnering: op een doordeweekse middag Europees voetbal op tv, een unicum. Woensdag 26 november 1980 uit school. Een grauwe, grijze en koude dag, AZ '67 speelt uit tegen het Joegoslaafse (Servische) FK Radnički Niš. Van de wedstrijd weet ik niks meer (eindstand 2-2, even opgezocht), wél dat van tevoren een klok in beeld was, die tikkend naar de uitzending Baggy Trousers als muzikale ondersteuning kreeg. Genieten op de bank, nippend van hete citroen-vitaminedrank uit een zakje, stiekem gemengd met vermouth uit het dressoir van mijn ouders.
Meteen met het debuut en de singles daarvan bleek Madness een onverwachte hitmachine. Niet alleen in het eigen Verenigd Koninkrijk, ook in het kikkerlandje aan de overkant. Baggy Trousers haalde hier eind december #6, Embarrassment in februari #4. Ook Vlaams succes: de drollenvangersbroek kwam in januari '81 tot #23, Embarrassment in maart #11.
In hun eigen land werd Baggy Trousers al in oktober #3, Embarrassment in november #4 en daar bovendien succes voor The Return of the los Palmas 7, in februari '81 #7.
Hierboven berichten van MuMensen die Absolutely na de twee hits die het album aftrappen, van minder allooi vinden. Zó mee oneens. Eigenlijk klinkt de plaat als een best-of, als één lange lijst van hits. Vrolijk, swingend, dansbaar, energiek, soms iets ernstiger... Het gaat maar door.
Zeven nummers per plaatkant, veertien in totaal. In mijn oren had ieder nummer een singlehit kunnen zijn. E.R.N.I.E. bijvoorbeeld, 130 seconden klasse, of het rap gezongen On the Beat Pete met z'n koortjes, orgel, piano, tenorsax en zelfs een (ultrakorte) gitaarsolo of de boogiewoogie rock 'n' roll van Solid Gone.
Op kant 2 zakt het niveau dus niet. Bijna melancholiek in Take It Or Leave It, het swingende Shadow of Fear, pop in Disappear, etcetera etcetera. Genoeg variatie binnen deze ska.
De elpee kwam in Nederland in februari '81 tot #2, van Vlaanderen zijn uit die tijd geen elpeegegevens beschikbaar en in het VK werd Absolutely in oktober #2. Al in 2010 verscheen een 2cd-versie met de nodige extra's, vertelt Discogs.
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het Nederlandse The Tapes en vervolgt bij de punk van U.K. Subs en liveplaat Crash Course.
PS In 2009 en 2013 vroeg DjFrankie ons tevergeefs of iemand de film Take It or Leave It heeft gezien. Nooit van gehoord, maar deze 1981-docu over Madness blijkt inmiddels op YouTube te staan. Ga ik deze week bekijken, kom ik hier op terug.
Meteen met het debuut en de singles daarvan bleek Madness een onverwachte hitmachine. Niet alleen in het eigen Verenigd Koninkrijk, ook in het kikkerlandje aan de overkant. Baggy Trousers haalde hier eind december #6, Embarrassment in februari #4. Ook Vlaams succes: de drollenvangersbroek kwam in januari '81 tot #23, Embarrassment in maart #11.
In hun eigen land werd Baggy Trousers al in oktober #3, Embarrassment in november #4 en daar bovendien succes voor The Return of the los Palmas 7, in februari '81 #7.
Hierboven berichten van MuMensen die Absolutely na de twee hits die het album aftrappen, van minder allooi vinden. Zó mee oneens. Eigenlijk klinkt de plaat als een best-of, als één lange lijst van hits. Vrolijk, swingend, dansbaar, energiek, soms iets ernstiger... Het gaat maar door.
Zeven nummers per plaatkant, veertien in totaal. In mijn oren had ieder nummer een singlehit kunnen zijn. E.R.N.I.E. bijvoorbeeld, 130 seconden klasse, of het rap gezongen On the Beat Pete met z'n koortjes, orgel, piano, tenorsax en zelfs een (ultrakorte) gitaarsolo of de boogiewoogie rock 'n' roll van Solid Gone.
Op kant 2 zakt het niveau dus niet. Bijna melancholiek in Take It Or Leave It, het swingende Shadow of Fear, pop in Disappear, etcetera etcetera. Genoeg variatie binnen deze ska.
De elpee kwam in Nederland in februari '81 tot #2, van Vlaanderen zijn uit die tijd geen elpeegegevens beschikbaar en in het VK werd Absolutely in oktober #2. Al in 2010 verscheen een 2cd-versie met de nodige extra's, vertelt Discogs.
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het Nederlandse The Tapes en vervolgt bij de punk van U.K. Subs en liveplaat Crash Course.
PS In 2009 en 2013 vroeg DjFrankie ons tevergeefs of iemand de film Take It or Leave It heeft gezien. Nooit van gehoord, maar deze 1981-docu over Madness blijkt inmiddels op YouTube te staan. Ga ik deze week bekijken, kom ik hier op terug.
Madness - One Step Beyond... (1979)

4,5
0
geplaatst: 2 oktober 2024, 18:10 uur
Er zijn groepen die in Nederland de nodige hits scoorden, maar dan kom je erachter hoeveel succes ze in eigen land hadden. Zo'n groep is Madness.
1979 was het jaar dat ska het plotseling goed deed in de Necerlandse hitlijsten, wat zelfs zijn weerslag had in de stripverhalen van Sjors en Sjimmie van Robert van der Kroft, die onder andere deze groep als graffiti in de decors van zijn tekeningen liet opduiken. Voor iemand wiens krantenwijkgeld voor een groot deel opging aan een abonnement op weekblad Eppo een opvallend signaal.
De hits van dit album in Nederland vormden uiteraard mijn kennismaking met Madness. Qua Nationale Hitparade: titelnummer One Step Beyond... stond in de week van Kerstmis #29, Night Boat to Cairo haalde zes maanden later diezelfde positie. Die laatste single verscheen op 7" met twee nummers én een versie met vier nummers, met als ondertitel Work Rest & Play. En de maffe videoclip hielp bovendien.
In het Verenigd Koninkrijk echter piekte ode aan skazanger Prince Buster The Prince in september op #16, One Step Beyond... in december op #7, My Girl in januari-februari 1980 op #3 en Night Boat to Cairo in april op #6.
Genoeg cijfertjes. Buiten de hits is de rest ook zéér appetijtelijk. Het verveelt geen moment. De groep weet ska aan een feilloos gevoel voor pakkende popmelodietjes te koppelen, verpakt in arrangementen met hoofdrollen voor saxofoon en piano. Bovendien is Madness een hechte, strak spelende groep.
Maar liefst vijftien nummers werden in het vinyl geperst en daarom biedt album One Step Beyond... veel, véél afwisseling. Extra opvallend is het instrumentale Swan Lake (wat zou Tsaikovski hiervan hebben gevonden?) en in de 52 seconden van Chipmunks Are Go! is het alsof we een drillsergeant horen.
In contrast met de gekte is er de gevoelige tekst van My Girl: "My girl's mad at me - I didn't wanna see the film tonight - I found it hard to say - She thought I'd had enough of her - Why can't she see? She's lovely to me - But I like to stay in And watch TV on my own - Every now and then." Het klinkt als een voorbeeld uit de non-fictiereeks 'Mannen komen van Mars, vrouwen komen van Venus'.
Maar meestal is het feest. Pubrock- en punklabel Stiff had plotseling groot commercieel succes met dit vrolijke antwoord op de neerslachtigheid die het VK in die jaren in zijn greep hield. Geen boze punk, sombere postpunk of melancholieke new wave. Néééé, feest!
Ik kom hier op reis door de new wave van 1979. Op zich is dit een randgeval: is deze ska dan wave? Voor mij wel, ik draaide het moeiteloos met The Stranglers en Ian Dury en The Cure en noem ze maar op. Jonge mensen met een nieuw en alternatief geluid, vernieuwing van een ouder genre.
Mijn vorige station was de tweede soloplaat van Nick Lowe, de volgende het solodebuut van Tom Verlaine.
1979 was het jaar dat ska het plotseling goed deed in de Necerlandse hitlijsten, wat zelfs zijn weerslag had in de stripverhalen van Sjors en Sjimmie van Robert van der Kroft, die onder andere deze groep als graffiti in de decors van zijn tekeningen liet opduiken. Voor iemand wiens krantenwijkgeld voor een groot deel opging aan een abonnement op weekblad Eppo een opvallend signaal.
De hits van dit album in Nederland vormden uiteraard mijn kennismaking met Madness. Qua Nationale Hitparade: titelnummer One Step Beyond... stond in de week van Kerstmis #29, Night Boat to Cairo haalde zes maanden later diezelfde positie. Die laatste single verscheen op 7" met twee nummers én een versie met vier nummers, met als ondertitel Work Rest & Play. En de maffe videoclip hielp bovendien.
In het Verenigd Koninkrijk echter piekte ode aan skazanger Prince Buster The Prince in september op #16, One Step Beyond... in december op #7, My Girl in januari-februari 1980 op #3 en Night Boat to Cairo in april op #6.
Genoeg cijfertjes. Buiten de hits is de rest ook zéér appetijtelijk. Het verveelt geen moment. De groep weet ska aan een feilloos gevoel voor pakkende popmelodietjes te koppelen, verpakt in arrangementen met hoofdrollen voor saxofoon en piano. Bovendien is Madness een hechte, strak spelende groep.
Maar liefst vijftien nummers werden in het vinyl geperst en daarom biedt album One Step Beyond... veel, véél afwisseling. Extra opvallend is het instrumentale Swan Lake (wat zou Tsaikovski hiervan hebben gevonden?) en in de 52 seconden van Chipmunks Are Go! is het alsof we een drillsergeant horen.
In contrast met de gekte is er de gevoelige tekst van My Girl: "My girl's mad at me - I didn't wanna see the film tonight - I found it hard to say - She thought I'd had enough of her - Why can't she see? She's lovely to me - But I like to stay in And watch TV on my own - Every now and then." Het klinkt als een voorbeeld uit de non-fictiereeks 'Mannen komen van Mars, vrouwen komen van Venus'.
Maar meestal is het feest. Pubrock- en punklabel Stiff had plotseling groot commercieel succes met dit vrolijke antwoord op de neerslachtigheid die het VK in die jaren in zijn greep hield. Geen boze punk, sombere postpunk of melancholieke new wave. Néééé, feest!
Ik kom hier op reis door de new wave van 1979. Op zich is dit een randgeval: is deze ska dan wave? Voor mij wel, ik draaide het moeiteloos met The Stranglers en Ian Dury en The Cure en noem ze maar op. Jonge mensen met een nieuw en alternatief geluid, vernieuwing van een ouder genre.
Mijn vorige station was de tweede soloplaat van Nick Lowe, de volgende het solodebuut van Tom Verlaine.
Madness - Theatre of the Absurd Presents C'Est la Vie (2023)

3,5
0
geplaatst: 24 december 2023, 10:06 uur
In 1979 was ska opeens trendy in de Nederlandse hitparades, het jaar erop was dat alweer voorbij. Maar Madness bleef, mede omdat mijn jongere broer fan was. Van een afstandje ben ik ze blijven volgen, waarbij de groep gedurende de jaren '80 hun skaveren (wat staat dat raar, ik bedoel veren van ska) verloor ten gunste van kwaliteitspop. De latere albums ken ik zelfs helemaal niet, maar leve streaming! Want ik werd toch weer nieuwsgierig toen Theatre of the Absurd Presents C'est la Vie verscheen.
Een conceptalbum dat zich afspeelt rond een acteur, zoveel wordt meteen duidelijk met de Prologue. Gedurende het bijna één uur durende album hoor ik vooral pop, waarin de zestigers altijd iets van de onstuimige jonge jaren laten echoën en Suggs kalmer zingt dan toen. Soms klinkt een digitale beat, zoals in The Law According to Dr. Kippah. Met de Epilogue denk je dat het album voorbij is, maar dan volgen er nog drie liedjes plus een Fin, dat uitnodigt om te herbeginnen.
Mijn favoriete nummers blijken het dansende Baby Burglar en What on Earth Is It (You Take Me For) te zijn, die het sterkst aan hun jonge jaren herinneren met onder andere een orgeltje/piano (de eerste) en lekker saxwerk (de tweede).
Een 7,5 van mij, vertaald in 3,5 ster. De fanatiekere Madnessfan zal waarschijnlijk op een 8 á 9 uitkomen, want coherent en kwaliteitsvol is dit zeker. Sterker nog, dit is hun eerste studioalbum (compilaties niet meegerekend) dat in het Verenigd Koninkrijk de #1-positie haalde, waar hun eerste twee elpees in '79 en '80 tot #2 reikten.
Een conceptalbum dat zich afspeelt rond een acteur, zoveel wordt meteen duidelijk met de Prologue. Gedurende het bijna één uur durende album hoor ik vooral pop, waarin de zestigers altijd iets van de onstuimige jonge jaren laten echoën en Suggs kalmer zingt dan toen. Soms klinkt een digitale beat, zoals in The Law According to Dr. Kippah. Met de Epilogue denk je dat het album voorbij is, maar dan volgen er nog drie liedjes plus een Fin, dat uitnodigt om te herbeginnen.
Mijn favoriete nummers blijken het dansende Baby Burglar en What on Earth Is It (You Take Me For) te zijn, die het sterkst aan hun jonge jaren herinneren met onder andere een orgeltje/piano (de eerste) en lekker saxwerk (de tweede).
Een 7,5 van mij, vertaald in 3,5 ster. De fanatiekere Madnessfan zal waarschijnlijk op een 8 á 9 uitkomen, want coherent en kwaliteitsvol is dit zeker. Sterker nog, dit is hun eerste studioalbum (compilaties niet meegerekend) dat in het Verenigd Koninkrijk de #1-positie haalde, waar hun eerste twee elpees in '79 en '80 tot #2 reikten.
Magazine - Real Life (1978)

4,0
3
geplaatst: 26 mei 2024, 19:33 uur
Mijn reis gaat door new wave, een genre/stroming in 1978 nog piepjong, inclusief de nodige groeispurten. Waar Patti Smith op mijn vorige station haar muzikale evenwicht vond, is Magazine één van de eerste Britse groepen die door de pers als postpunk werd bestempeld.
Howard Devoto verliet de punkpioniers van Buzzcocks om te gaan studeren, maar daar kwam weinig van terecht. Al spoedig maakte hij zijn rentree met Magazine, waarin hij het muzikaal gezien iets breder zou aanpakken. Eerst was daar gitarist/saxofonist John McGeoch, gevolgd door bassist Barry Adamson, drummer Martin Jackson en toetsenist Bob Dickinson, die alweer spoedig moest plaatsmaken voor Dave Formula.
Na singles Touch and Go / Goldfinger (de laatste een bewerking van het James Bond filmlied) en Shot by Both Sides volgde in juni '78 album Real Life, geproduceerd door John Leckie. Hierop verruilde de geschminkte Devoto punk voor new wave.
In opener Definitive Gaze klinken zowel reggae- als symfoinvloeden, met als resultaat een pakkend nummer. In My Tulpa haalt McGeoch zijn saxofoon tevoorschijn, wat eveneens werkt; liefhebbers van Roxy Music horen de echo's daarvan.
Dan de pakkende single, die Devoto uit de Buzzcocks meenam, nog geschreven met Pete Shelley van die groep. Eind februari haalde het in een andere productie #41 in het Verenigd Koninkrijk. In Recoil is het alsof we Buzzcocks horen: snel en hard.
Met Burst sluit kant 1 af. Het nummer werd slechts door Devoto geschreven en hier klinkt artrock á la David Bowie, Steve Harley of Roxy Music.
Meer artrock op kant 2 met eerste nummer Motorcade, nog geschreven door Devoto met Dickinson, die een fraaie toetsenpartij leverde; halverwege een heftige versnelling. The Great Beautician in the Sky begint met een walsende driekwartsmaat, na na enige tijd overschakelt op een uptempo rockbeat.
Het tweede nummer uit Buzzcocksdagen van Devoto met Shelley is het uptempo The Light Comes out of Me; het kreeg van McGeoch een nabewerking. Met Parade krijgt Real Life een apart slot met sfeervolle piano, wederom met sax in artrocksfeer - of is het new wave?
In 2007 verscheen een cd-editie met vier bonussen, waarbij de eerste single plus de singleversie van Shot by Both Sides die dankzij de productie van Mick Glossop véél luidere gitaren bevat.
Al met al een afwisselend en sterk album, waarop sterk artrockinvloeden klinken. Wat dat betreft kun je regelmatig het stickertje 'postpunk' verwisselen voor 'prepunk'.
De tocht door new wave gaat verder. Eveneens in juni 1978 verscheen de debuutsingle van The Human League Being Boiled, een nummer dat in 1979 op hun albumdebuut zou belanden. Omdat ik dat al eerder besprak, ga ik verder met de puinhopen van The Sex Pistols, door manager Malcolm McLaren omgezet in The Great Rock & Roll Swindle.
Howard Devoto verliet de punkpioniers van Buzzcocks om te gaan studeren, maar daar kwam weinig van terecht. Al spoedig maakte hij zijn rentree met Magazine, waarin hij het muzikaal gezien iets breder zou aanpakken. Eerst was daar gitarist/saxofonist John McGeoch, gevolgd door bassist Barry Adamson, drummer Martin Jackson en toetsenist Bob Dickinson, die alweer spoedig moest plaatsmaken voor Dave Formula.
Na singles Touch and Go / Goldfinger (de laatste een bewerking van het James Bond filmlied) en Shot by Both Sides volgde in juni '78 album Real Life, geproduceerd door John Leckie. Hierop verruilde de geschminkte Devoto punk voor new wave.
In opener Definitive Gaze klinken zowel reggae- als symfoinvloeden, met als resultaat een pakkend nummer. In My Tulpa haalt McGeoch zijn saxofoon tevoorschijn, wat eveneens werkt; liefhebbers van Roxy Music horen de echo's daarvan.
Dan de pakkende single, die Devoto uit de Buzzcocks meenam, nog geschreven met Pete Shelley van die groep. Eind februari haalde het in een andere productie #41 in het Verenigd Koninkrijk. In Recoil is het alsof we Buzzcocks horen: snel en hard.
Met Burst sluit kant 1 af. Het nummer werd slechts door Devoto geschreven en hier klinkt artrock á la David Bowie, Steve Harley of Roxy Music.
Meer artrock op kant 2 met eerste nummer Motorcade, nog geschreven door Devoto met Dickinson, die een fraaie toetsenpartij leverde; halverwege een heftige versnelling. The Great Beautician in the Sky begint met een walsende driekwartsmaat, na na enige tijd overschakelt op een uptempo rockbeat.
Het tweede nummer uit Buzzcocksdagen van Devoto met Shelley is het uptempo The Light Comes out of Me; het kreeg van McGeoch een nabewerking. Met Parade krijgt Real Life een apart slot met sfeervolle piano, wederom met sax in artrocksfeer - of is het new wave?
In 2007 verscheen een cd-editie met vier bonussen, waarbij de eerste single plus de singleversie van Shot by Both Sides die dankzij de productie van Mick Glossop véél luidere gitaren bevat.
Al met al een afwisselend en sterk album, waarop sterk artrockinvloeden klinken. Wat dat betreft kun je regelmatig het stickertje 'postpunk' verwisselen voor 'prepunk'.
De tocht door new wave gaat verder. Eveneens in juni 1978 verscheen de debuutsingle van The Human League Being Boiled, een nummer dat in 1979 op hun albumdebuut zou belanden. Omdat ik dat al eerder besprak, ga ik verder met de puinhopen van The Sex Pistols, door manager Malcolm McLaren omgezet in The Great Rock & Roll Swindle.
Magazine - Secondhand Daylight (1979)

4,0
3
geplaatst: 13 augustus 2024, 10:02 uur
Maart 1979. Degenen binnen de punkrevolte die een muzikaal jaar 0 beloofden, vooral te vinden rond de Sex Pistols en hun volgers van het 'Bromley Contigent' (een half uurtje docu daarover staat hier) bleken niet krachtig genoeg. Punkpioniers als die groep en The Damned vielen uit elkaar of groeiden naar minder rudimentaire muziek.
Met zijn vorige groep Buzzcocks en de eerste van Magazine maakte frontman Howard Devoto's melodieuze punk. Op de tweede maakt dit plaats voor de nodige retro-invloeden uit de eerste helft van de jaren '70. Artrock om precies te zijn. Sommige critici beleefden dit als een stap terug, anderen waren positiever, meldt Wikipedia.
"Hier zou ik de oorspronkelijke recensie ook wel eens van willen zien trouwens.." noteerde orbit in november 2008. In de Recensiebijbel van Oor (2023) is alleen die van Magazines debuut opgenomen, geschreven door Bert van de Kamp. Toch recenseerde hij in 1979 dit Secondhand Daylight in #9 van Oor, vond ik op internet. Die Oor bezit ik niet, maar een reflectie daarvan is te lezen in Oor's Popencyclopedie, editie 1982. Hierin wordt Real Life mét deze opvolger als volgt samengevat:
"De 'arty' aanpak doet wat denken aan Roxy Music, er zijn overeenkomsten met het levensgevoel van David Bowie en in de 'instrumentals' wordt de geest van Pink Floyd opgeroepen. Desondanks heeft de band voldoende oorspronkelijkheid om te kunnen blijven boeien. Devoto's zeer persoonlijke en vaak nogal obscure teksten zitten vol illusies en rondspokende obsessies."
Tot najaar 1979 was deze muziek nog net niet bereikbaar voor mij en Oor las ik nog niet. Ben dus geen eerstelijns oog- en oorgetuige. Wel volgde ik via radio de grote lijnen van punk en new wave. Oftewel de hits met als grote namen van 1979 The Police en Blondie. Daarom stel ik met grote zekerheid dat Secondhand Daylight destijds door menig punk- en wavepurist met afschuw zal zijn ontvangen. De groep neemt namelijk afstand van het korte, energieke punklied en richt zich op langere, gecompliceerdere rock. Dezelfde die toentertijd voor dinosaurusrock werd versleten.
Tegelijkertijd vind ik dit een meesterwerkje. Nog vóór ik de encyclopedie erop nasloeg of de vele berichten hierboven las, kwamen bij mij de eerste twee namen boven door Van de Kamp genoemd. En in afsluiter Permafrost viel mij de sinistere tekst op, in de encyclopedie benoemd.
De muziek is niet meer hoofdzakelijk geschreven door Devoto, die inmiddels het auteurschap deelde met gitarist John McGeoch, toetsenist Dave Formula en bassist Barry Adamson. De heren doken in hun muzikale invloeden en gaven die een eigen draai. Daarmee hoor ik ook new wave / postpunk, termen in '79 als synoniemen gebruikt in de muziekpers. Er zijn gelijkenissen met The Stranglers, van wie het vierde album The Raven tweeëneenhalve maand later uitkwam of met Japans derde album Quiet Life, in november datzelfde jaar verschenen.
Secondhand Daylight. Een verstild begin, flangereffect op de bas en later een sax in Feed the Enemy, gevolgd door het bijtender Rhythm of Cruelty waarin een synth een hoofdrol speelt. Cut out Shapes doet iets soortgelijks op lager tempo waarna Talk to the Body opnieuw oude en nieuwe rock verenigt. Kant 1 sluit af met I Wanted Your Heart met Magazine aanvankelijk op z'n vriendelijkst dankzij de pianopartij, later donkerder via synths en een dominante basgitaar.
Het instrumentale The Thin Air is als trage, verstilde opener van kant 2 niet alleen onlogisch maar ook extra bijzonder, omdat Magazine hier op z'n sterkst teruggrijpt op artrock. Eerder een slotlied, maar fraai – die sax aan het einde maakt het áf. Back to Nature start eveneens traag, maar dan volgt een grommende baslijn met stuiterende drumlijn van John Doyle en ijle synths. Eveneens uptempo is Believe that I Understand, waarna het introvert-boze Permafrost midtempo afsluit met prachtige gitaarlijnen, lijkend op hetgeen Carlos Alomar en Robert Fripp deden bij Bowie op Low (’77) en “Heroes” (’78).
Hitsingles wilden er van niet komen, de elpee haalde in mei #38 in de Britse Albumchart. Lopende 1979 treden McGeoch, Formula én Adams tevens toe tot Visage, zonder Magazine te verlaten.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de tweede van 999 en vervolgt in 1979 bij het debuut van The Members, omdat ik single So Lonely van het debuut van The Police en non-albumsingle Life in Tokyo van Japan al eerder besprak.
Met zijn vorige groep Buzzcocks en de eerste van Magazine maakte frontman Howard Devoto's melodieuze punk. Op de tweede maakt dit plaats voor de nodige retro-invloeden uit de eerste helft van de jaren '70. Artrock om precies te zijn. Sommige critici beleefden dit als een stap terug, anderen waren positiever, meldt Wikipedia.
"Hier zou ik de oorspronkelijke recensie ook wel eens van willen zien trouwens.." noteerde orbit in november 2008. In de Recensiebijbel van Oor (2023) is alleen die van Magazines debuut opgenomen, geschreven door Bert van de Kamp. Toch recenseerde hij in 1979 dit Secondhand Daylight in #9 van Oor, vond ik op internet. Die Oor bezit ik niet, maar een reflectie daarvan is te lezen in Oor's Popencyclopedie, editie 1982. Hierin wordt Real Life mét deze opvolger als volgt samengevat:
"De 'arty' aanpak doet wat denken aan Roxy Music, er zijn overeenkomsten met het levensgevoel van David Bowie en in de 'instrumentals' wordt de geest van Pink Floyd opgeroepen. Desondanks heeft de band voldoende oorspronkelijkheid om te kunnen blijven boeien. Devoto's zeer persoonlijke en vaak nogal obscure teksten zitten vol illusies en rondspokende obsessies."
Tot najaar 1979 was deze muziek nog net niet bereikbaar voor mij en Oor las ik nog niet. Ben dus geen eerstelijns oog- en oorgetuige. Wel volgde ik via radio de grote lijnen van punk en new wave. Oftewel de hits met als grote namen van 1979 The Police en Blondie. Daarom stel ik met grote zekerheid dat Secondhand Daylight destijds door menig punk- en wavepurist met afschuw zal zijn ontvangen. De groep neemt namelijk afstand van het korte, energieke punklied en richt zich op langere, gecompliceerdere rock. Dezelfde die toentertijd voor dinosaurusrock werd versleten.
Tegelijkertijd vind ik dit een meesterwerkje. Nog vóór ik de encyclopedie erop nasloeg of de vele berichten hierboven las, kwamen bij mij de eerste twee namen boven door Van de Kamp genoemd. En in afsluiter Permafrost viel mij de sinistere tekst op, in de encyclopedie benoemd.
De muziek is niet meer hoofdzakelijk geschreven door Devoto, die inmiddels het auteurschap deelde met gitarist John McGeoch, toetsenist Dave Formula en bassist Barry Adamson. De heren doken in hun muzikale invloeden en gaven die een eigen draai. Daarmee hoor ik ook new wave / postpunk, termen in '79 als synoniemen gebruikt in de muziekpers. Er zijn gelijkenissen met The Stranglers, van wie het vierde album The Raven tweeëneenhalve maand later uitkwam of met Japans derde album Quiet Life, in november datzelfde jaar verschenen.
Secondhand Daylight. Een verstild begin, flangereffect op de bas en later een sax in Feed the Enemy, gevolgd door het bijtender Rhythm of Cruelty waarin een synth een hoofdrol speelt. Cut out Shapes doet iets soortgelijks op lager tempo waarna Talk to the Body opnieuw oude en nieuwe rock verenigt. Kant 1 sluit af met I Wanted Your Heart met Magazine aanvankelijk op z'n vriendelijkst dankzij de pianopartij, later donkerder via synths en een dominante basgitaar.
Het instrumentale The Thin Air is als trage, verstilde opener van kant 2 niet alleen onlogisch maar ook extra bijzonder, omdat Magazine hier op z'n sterkst teruggrijpt op artrock. Eerder een slotlied, maar fraai – die sax aan het einde maakt het áf. Back to Nature start eveneens traag, maar dan volgt een grommende baslijn met stuiterende drumlijn van John Doyle en ijle synths. Eveneens uptempo is Believe that I Understand, waarna het introvert-boze Permafrost midtempo afsluit met prachtige gitaarlijnen, lijkend op hetgeen Carlos Alomar en Robert Fripp deden bij Bowie op Low (’77) en “Heroes” (’78).
Hitsingles wilden er van niet komen, de elpee haalde in mei #38 in de Britse Albumchart. Lopende 1979 treden McGeoch, Formula én Adams tevens toe tot Visage, zonder Magazine te verlaten.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de tweede van 999 en vervolgt in 1979 bij het debuut van The Members, omdat ik single So Lonely van het debuut van The Police en non-albumsingle Life in Tokyo van Japan al eerder besprak.
Magazine - The Correct Use of Soap (1980)

4,0
2
geplaatst: 2 maart 2025, 22:31 uur
Op reis door de gevarieerde wereld van new wave, kom ik van het debuut van The Cramps bij de derde van Magazine. Als er twee groepen zijn waar ik het voorbije jaar in deze queeste héél vrolijk van ben geworden, zijn het The Buzzcocks en Magazine, die hun ontstaansgeschiedenis delen. Gemeenschappelijke factor is uiteraard Magazines frontman Howard Devoto.
Dit The Correct Use of Soap is wat toegankelijker en ingetogener dan de voorgangers. Met de felle opener Because You're Frightened klinkt weliswaar gedreven, bijna neurotische postpunk die overeenkomsten heeft met bijvoorbeeld Joy Division (vergelijk bijvoorbeeld drumwerk van John Doyle met dat van Stephen Morris bij JD), daarna wordt het aanmerkelijk zonniger. Alleen al het zonnige piano-intro van Model Worker, al blijkt dat nummer niet zo vrolijk als door die klanken gesuggereerd.
Met You Never Knew Me hoor ik echo's van David Bowie en Roxy Music/Bryan Ferry en hetzelfde gebeurt in I Want to Burn Again. Ook heel aangenaam: de toetspartijen van Dave Formula en het gitaarwerk van John McGeoch, die kort na verschijnen van de elpee overstapte naar Siouxsie and The Banshees.
Ik krijg de indruk dat bassist Barry Adamson fretloos speelt. Vooral opvallend in Thank You, een cover van Sly & The Family Stone. Funkwave en daar heb ik dan minder mee. Liever hun eigen werk, zoals Sweet Heart Contract dat in juli 1980 in het Verenigd Koninkrijk slechts tot #54 reikte. Dan deed de elpee het beter, al was dat nog steeds geen klapper: in mei '80 twee weken #28.
Zoals gezegd, Magazine is één van mijn ontdekkingen van vorig jaar. Beter laat dan nooit. Sinds 2007 op cd met bonussen, waarbij het gesproken The Book en drie andere pareltjes. Bij The Light Pours Out of Me is een clip. Nee, geen fretloze bas?!
Volgende halte in waveland stamt ook uit mei 1980: single Call Me van Blondie, onder andere te vinden op hun verzamelaar The Best of Blondie.
Dit The Correct Use of Soap is wat toegankelijker en ingetogener dan de voorgangers. Met de felle opener Because You're Frightened klinkt weliswaar gedreven, bijna neurotische postpunk die overeenkomsten heeft met bijvoorbeeld Joy Division (vergelijk bijvoorbeeld drumwerk van John Doyle met dat van Stephen Morris bij JD), daarna wordt het aanmerkelijk zonniger. Alleen al het zonnige piano-intro van Model Worker, al blijkt dat nummer niet zo vrolijk als door die klanken gesuggereerd.
Met You Never Knew Me hoor ik echo's van David Bowie en Roxy Music/Bryan Ferry en hetzelfde gebeurt in I Want to Burn Again. Ook heel aangenaam: de toetspartijen van Dave Formula en het gitaarwerk van John McGeoch, die kort na verschijnen van de elpee overstapte naar Siouxsie and The Banshees.
Ik krijg de indruk dat bassist Barry Adamson fretloos speelt. Vooral opvallend in Thank You, een cover van Sly & The Family Stone. Funkwave en daar heb ik dan minder mee. Liever hun eigen werk, zoals Sweet Heart Contract dat in juli 1980 in het Verenigd Koninkrijk slechts tot #54 reikte. Dan deed de elpee het beter, al was dat nog steeds geen klapper: in mei '80 twee weken #28.
Zoals gezegd, Magazine is één van mijn ontdekkingen van vorig jaar. Beter laat dan nooit. Sinds 2007 op cd met bonussen, waarbij het gesproken The Book en drie andere pareltjes. Bij The Light Pours Out of Me is een clip. Nee, geen fretloze bas?!
Volgende halte in waveland stamt ook uit mei 1980: single Call Me van Blondie, onder andere te vinden op hun verzamelaar The Best of Blondie.
Manfred Mann's Earth Band - Somewhere in Afrika (1982)

4,0
4
geplaatst: 4 december 2025, 22:53 uur
Mijn eerste kennismaking met Manfred Mann's Earth Band was als prille tiener in augustus 1977 toen Davy's on the Road Again een hit werd. Sindsdien een favoriet van me. Nooit schafte ik een plaat van ze aan, tot ik afgelopen juli in Antwerpen toevallig tegen een platenzaak in het centrum aanliep. Daar kwam ik net zo toevallig dit Somewhere in Afrika tegen. Die elpee schafte ik aan, vooral uit nieuwsgierigheid.
De spelling van 'Afrika' laat al zien dat hiermee Zuid-Afrika wordt bedoeld, het land waar Mann oorspronkelijk vandaan komt. Al in 1961 vestigde hij zich, toen nog jazzpianist, in Londen. Daar begon hij een journalistieke carrière om spoedig muzikant in de ontluikende beatscene te worden.
Ik heb wel wat met Zuid-Afrika (als ik tijd heb bezoek ik zelfs het jaarlijkse optreden van Fokofpolisiekar in de Melkweg) en uit nieuwsgierigheid kocht ik deze van de Earth Band.
Net als op de kennismakingshit is Chris Thompson zanger, waarbij Steve Waller en Shona Laing regelmatig bij de microfoon aanschuiven. Zijn rauwe stem is passend op dit album dat vijf jaar later verscheen. Hoorbaar is dat de wereld van digitale toetsen in 1983 in beweging was, door Manfred Mann geïntegreerd in de klassieke rock die zijn groep speelt.
Qua teksten gaat het over zijn moederland en ik kan me voorstellen dat de rechtse regering aldaar niet vrolijk werd van zijn duidelijke afkeer van apartheid, zelfs al legt hij zijn kritiek er niet duimendik bovenop: het gaat om de muziek. Maar de teksten - en titels - van composities als Tribal Statistics of de cover van Bob Marleys Redemption Song, hier met de ondertitel No Kwazulu, spreken boekdelen. De hoestekst achterop (linksonder) is bovendien niets verhullend.
Ze vertellen een boodschap waarvoor menig witte criticaster destijds in een psychiatrische inrichting werd weggestopt. Ik kan me voorstellen dat het tot 1990 heeft geduurd - op 11 februari dat jaar werd Nelson Mandela vrijgelaten van Robbeneiland - voordat Mann weer terug kon naar Johannesburg.
Sommige zangpartijen werden in Zuid-Afrika opgenomen en later in de studio in Londen aan de muziek toegevoegd. Het resulteert in een kruisbestuiving tussen (Zuid-)Afrikaanse traditionele muziek en westerse rock. De ervaren muzikanten zijn lenig op hun instrumenten, wat resulteert in een album dat een soort voorloper lijkt van Paul Simons succesplaat Graceland van vier jaar later.
Bij Manfred Mann's Earth Band ligt echter de nadruk op rock, die soms op het randje van symfonische rock balanceert en dat bevalt mij prima. De muziek groeit bij vaker draaien, melodieën worden steeds sterker en dit alles is vernuftig in elkaar gezet.
Sterkste voorbeeld hiervan is de uit vier delen bestaande Africa Suite die kant 2 opent (track 6 - 9), maar ook de verafrikaanste Redemption Song is knap gedaan. Een plaat die steeds weer op de draaitafel landt.
De spelling van 'Afrika' laat al zien dat hiermee Zuid-Afrika wordt bedoeld, het land waar Mann oorspronkelijk vandaan komt. Al in 1961 vestigde hij zich, toen nog jazzpianist, in Londen. Daar begon hij een journalistieke carrière om spoedig muzikant in de ontluikende beatscene te worden.
Ik heb wel wat met Zuid-Afrika (als ik tijd heb bezoek ik zelfs het jaarlijkse optreden van Fokofpolisiekar in de Melkweg) en uit nieuwsgierigheid kocht ik deze van de Earth Band.
Net als op de kennismakingshit is Chris Thompson zanger, waarbij Steve Waller en Shona Laing regelmatig bij de microfoon aanschuiven. Zijn rauwe stem is passend op dit album dat vijf jaar later verscheen. Hoorbaar is dat de wereld van digitale toetsen in 1983 in beweging was, door Manfred Mann geïntegreerd in de klassieke rock die zijn groep speelt.
Qua teksten gaat het over zijn moederland en ik kan me voorstellen dat de rechtse regering aldaar niet vrolijk werd van zijn duidelijke afkeer van apartheid, zelfs al legt hij zijn kritiek er niet duimendik bovenop: het gaat om de muziek. Maar de teksten - en titels - van composities als Tribal Statistics of de cover van Bob Marleys Redemption Song, hier met de ondertitel No Kwazulu, spreken boekdelen. De hoestekst achterop (linksonder) is bovendien niets verhullend.
Ze vertellen een boodschap waarvoor menig witte criticaster destijds in een psychiatrische inrichting werd weggestopt. Ik kan me voorstellen dat het tot 1990 heeft geduurd - op 11 februari dat jaar werd Nelson Mandela vrijgelaten van Robbeneiland - voordat Mann weer terug kon naar Johannesburg.
Sommige zangpartijen werden in Zuid-Afrika opgenomen en later in de studio in Londen aan de muziek toegevoegd. Het resulteert in een kruisbestuiving tussen (Zuid-)Afrikaanse traditionele muziek en westerse rock. De ervaren muzikanten zijn lenig op hun instrumenten, wat resulteert in een album dat een soort voorloper lijkt van Paul Simons succesplaat Graceland van vier jaar later.
Bij Manfred Mann's Earth Band ligt echter de nadruk op rock, die soms op het randje van symfonische rock balanceert en dat bevalt mij prima. De muziek groeit bij vaker draaien, melodieën worden steeds sterker en dit alles is vernuftig in elkaar gezet.
Sterkste voorbeeld hiervan is de uit vier delen bestaande Africa Suite die kant 2 opent (track 6 - 9), maar ook de verafrikaanste Redemption Song is knap gedaan. Een plaat die steeds weer op de draaitafel landt.
Manfred Mann's Earth Band - The Roaring Silence (1976)

3,5
2
geplaatst: 29 december 2025, 20:17 uur
Opgepikt op vinyl in Wageningen bij WWRecords, nieuwsgierig geworden door Somewhere in Afrika van dezelfde Manfred Mann's Earth Band. Daar schreef ik dat ik hen leerde kennen via de single Davy's on the Road Again. Ik vergiste me.
Van dit The Roaring Silence werd Blinded by the Light eerder een hit, namelijk oktober 1976. Ik herken vanaf die maand opeens veel muziek als ik door de oude hitlijsten struin. Het moet dus die maand zijn geweest dat ik van mijn ouders een klein radiootje te leen kreeg, waarmee ik naar Hilversum 3 luisterde. En dus moet dit mijn eerste kennismaking met de Earth Band zijn geweest. Het haalde in de singleversie drie weken notering in de Nationale Hitparade die op de vrijdagmiddag klonk, waar hij op #19 piekte.
Bijna vijftig jaar later (!) heb ik dus de elpee in huis. In deze bezetting twee leden die ik later elders zou tegenkomen: Dave Flett werd in 1979 tourgitarist van Thin Lizzy, waar Gary Moore de groep had verlaten en Midge Ure niet de ideale vervanger bleek; Flett had er willen blijven, maar Snowy White werd de definitieve opvolger. Wel keerde Flett live terug als gastgitarist tijdens de tour voor Renegade en hij staat afgebeeld op de hoes van afscheidsalbum Life Live. Een meer dan bekwaam gitarist, waarover dadelijk meer.
Bekender werd drummer Chris Slade, die bij de nodige grote namen speelde en daarbij het meest opviel als drummer van AC/DC ten tijde van The Razors Edge (1990).
Hierboven valt uitgebreid te lezen dat deze elpee de eerste was met zanger Chris Thompson en verder is Colin Pattenden bassist en groepsleider Manfred Mann toetsenist en tweede zanger.
Een enigszins moeizame start: de albumversie van Blinded by the Light duurt met z'n zeven minuten te lang, wat al helemaal geldt voor de dikke acht minuten van het kalme Singing the Dolphin Through. Met het instrumentale Waiter, There's a Yawn in My Ear spits ik voor het eerst de oren. Hier wordt het spannender, wat zich voortzet op kant 2.
Die begint met een klassiek koraal, als een twaalfhoofdig koor a capella het intro van The Road to Babylon inzet, waarna Fletts huilende uithalen opvallen. Hij soleert sterk, zowel stevig als subtiel. Later vallen blazers en strijkers bij: Manfred Mann is als toetsenist tevens een bekwaam arrangeur met hoorbaar een klassieke achtergrond. Toegankelijke, lenige symfonische rock is het gevolg.
Dit niveau wordt volgehouden met This Side of Paradise en Starbird, al wordt de laatste wel abrupt weggedraaid om plaats te maken voor de sterke finale met Questions, waar ik echter een slotclimax mis. Thompsons rauwe en emotionele zangpartijen passen uitstekend bij dit alles en Fletts bijdragen brengen de nodige fraaie details. Wat maakte toch dat het bij Lizzy niet werkte?
The Roaring Silence is, mede met die opvallende hoes, een prima album, ondanks dat het soms op details wat mist. Dat geldt dus zeker niet voor de bijdragen van Flett. Her en der moet ik denken aan War of the Worlds van Jeff Wayne, eerder door BoyOnHeavenHill aangehaald. Dank ook aan Teacher voor de achtergrondinformatie. En nu eens zien of ik de komende maanden vaker werk van de Earth Band met Chris Thompson tegenkom: zijn stem is de peper in de pot.
Van dit The Roaring Silence werd Blinded by the Light eerder een hit, namelijk oktober 1976. Ik herken vanaf die maand opeens veel muziek als ik door de oude hitlijsten struin. Het moet dus die maand zijn geweest dat ik van mijn ouders een klein radiootje te leen kreeg, waarmee ik naar Hilversum 3 luisterde. En dus moet dit mijn eerste kennismaking met de Earth Band zijn geweest. Het haalde in de singleversie drie weken notering in de Nationale Hitparade die op de vrijdagmiddag klonk, waar hij op #19 piekte.
Bijna vijftig jaar later (!) heb ik dus de elpee in huis. In deze bezetting twee leden die ik later elders zou tegenkomen: Dave Flett werd in 1979 tourgitarist van Thin Lizzy, waar Gary Moore de groep had verlaten en Midge Ure niet de ideale vervanger bleek; Flett had er willen blijven, maar Snowy White werd de definitieve opvolger. Wel keerde Flett live terug als gastgitarist tijdens de tour voor Renegade en hij staat afgebeeld op de hoes van afscheidsalbum Life Live. Een meer dan bekwaam gitarist, waarover dadelijk meer.
Bekender werd drummer Chris Slade, die bij de nodige grote namen speelde en daarbij het meest opviel als drummer van AC/DC ten tijde van The Razors Edge (1990).
Hierboven valt uitgebreid te lezen dat deze elpee de eerste was met zanger Chris Thompson en verder is Colin Pattenden bassist en groepsleider Manfred Mann toetsenist en tweede zanger.
Een enigszins moeizame start: de albumversie van Blinded by the Light duurt met z'n zeven minuten te lang, wat al helemaal geldt voor de dikke acht minuten van het kalme Singing the Dolphin Through. Met het instrumentale Waiter, There's a Yawn in My Ear spits ik voor het eerst de oren. Hier wordt het spannender, wat zich voortzet op kant 2.
Die begint met een klassiek koraal, als een twaalfhoofdig koor a capella het intro van The Road to Babylon inzet, waarna Fletts huilende uithalen opvallen. Hij soleert sterk, zowel stevig als subtiel. Later vallen blazers en strijkers bij: Manfred Mann is als toetsenist tevens een bekwaam arrangeur met hoorbaar een klassieke achtergrond. Toegankelijke, lenige symfonische rock is het gevolg.
Dit niveau wordt volgehouden met This Side of Paradise en Starbird, al wordt de laatste wel abrupt weggedraaid om plaats te maken voor de sterke finale met Questions, waar ik echter een slotclimax mis. Thompsons rauwe en emotionele zangpartijen passen uitstekend bij dit alles en Fletts bijdragen brengen de nodige fraaie details. Wat maakte toch dat het bij Lizzy niet werkte?
The Roaring Silence is, mede met die opvallende hoes, een prima album, ondanks dat het soms op details wat mist. Dat geldt dus zeker niet voor de bijdragen van Flett. Her en der moet ik denken aan War of the Worlds van Jeff Wayne, eerder door BoyOnHeavenHill aangehaald. Dank ook aan Teacher voor de achtergrondinformatie. En nu eens zien of ik de komende maanden vaker werk van de Earth Band met Chris Thompson tegenkom: zijn stem is de peper in de pot.
March - Get In (2023)

4,5
0
geplaatst: 30 september 2025, 14:48 uur
De derde langspeler van March, een band waarin het draait om energieke, scheurende rock, de schuurpapieren stem van (tevens liedschrijver) Floor van Zuilen, het gevarieerde gitaarwerk van Hermance van Dijk en een beukende ritmesectie, die de boel menigmaal opjagen in de traditie van Ramones en Motörhead. Hard en snel dus, waarbij als March knallend, met kleine verschillen ten opzichte van voorgangers Stay Put en Set Loose.
In tegenstelling tot de voorganger klinkt vaker de tweede stem van Van Dijk waarmee pakkende koortjes ontstaan, zoals in de felle dubbele opening Tell Your Kids We'll Be Alright en All on Red, die beide onder de drie minuten afklokken. Angel Wings begint iets ingetogener maar al snel moet drummer Thomas Frankhuijzen weer hard aan de bak om een moddervette riff te ondersteunen.
Dan volgt werk dat zo'n dikke drie minuten duurt; de nummers duren dus niet lang, afwisseling gegarandeerd. Eerst midtempo en vervolgens snel in Danger Smiles, waar Van Zuilens stem in het refrein fraai raspt. In Valley is het voor het eerst iets - iets! - kalmer, bij een mooie melodie zingt Van Zuilen deels minder rauw. Van Dijk speelt er prachtige gitaarlijnen. Met Never Go Back sluit de eerste helft hard af, melodie en rauwheid gaan fraai samen.
En ja, we denderen door met Heart Undressed, waarna Vultures een meer dan aangename oorwurm blijkt. De snelle riff van Second to Destroy is bijna metal, met The Great Escape wordt er iets teruggeschakeld; stevig blijft het. Sceptic's Creed is kort en snel, met Rise wordt hard-swingend afgerond en Van Zuilen laat nog eens haar stembanden uit haar tenen komen. Wat een geluid komt het uit die keel en wat schudt Van Dijk heerlijke gitaarlicks uit haar mouw!
Resteert slechts de vraag: waarom is deze groep uit Breda nog zo onbekend? Onlangs verscheen via streaming livesingle Vultures, die een indruk geeft van de liveprestaties van de groep, de komende maanden in Neder- én vooral buitenland te zien.
In tegenstelling tot de voorganger klinkt vaker de tweede stem van Van Dijk waarmee pakkende koortjes ontstaan, zoals in de felle dubbele opening Tell Your Kids We'll Be Alright en All on Red, die beide onder de drie minuten afklokken. Angel Wings begint iets ingetogener maar al snel moet drummer Thomas Frankhuijzen weer hard aan de bak om een moddervette riff te ondersteunen.
Dan volgt werk dat zo'n dikke drie minuten duurt; de nummers duren dus niet lang, afwisseling gegarandeerd. Eerst midtempo en vervolgens snel in Danger Smiles, waar Van Zuilens stem in het refrein fraai raspt. In Valley is het voor het eerst iets - iets! - kalmer, bij een mooie melodie zingt Van Zuilen deels minder rauw. Van Dijk speelt er prachtige gitaarlijnen. Met Never Go Back sluit de eerste helft hard af, melodie en rauwheid gaan fraai samen.
En ja, we denderen door met Heart Undressed, waarna Vultures een meer dan aangename oorwurm blijkt. De snelle riff van Second to Destroy is bijna metal, met The Great Escape wordt er iets teruggeschakeld; stevig blijft het. Sceptic's Creed is kort en snel, met Rise wordt hard-swingend afgerond en Van Zuilen laat nog eens haar stembanden uit haar tenen komen. Wat een geluid komt het uit die keel en wat schudt Van Dijk heerlijke gitaarlicks uit haar mouw!
Resteert slechts de vraag: waarom is deze groep uit Breda nog zo onbekend? Onlangs verscheen via streaming livesingle Vultures, die een indruk geeft van de liveprestaties van de groep, de komende maanden in Neder- én vooral buitenland te zien.
March - Set Loose (2020)

4,5
0
geplaatst: 27 september 2025, 08:04 uur
Loud and proud, rock 'n' roll zoals het gespeeld moet worden. Zelf omschrijft March hun muziek als punk, in mijn oren is het véél méér dan dat. Maar zeker hárd.
Het zit 'm in de gevarieerde gitaarpartijen van Hermance van Dijk, die duidelijk meer luide genres in haar platenkast heeft staan. Het is genieten van haar licks, die in fraai contrast staan met de indringende rauwe van Floor van Zuilen, waar een hooligan jaloers op zou worden. En ondertussen knalt de energie de speakers uit.
Set Loose verscheen maart 2020 en in plaats van optredens waren daar covid-19 en een lockdown. De groep vertelt erover in dit interview met 3 voor 12. En dan te bedenken dat zelfs in het geval van dit studioalbum het zweet uit de speakers stroomt.
Tweede album van de groep, de debuut-EP niet meegerekend. Set Loose is even snel en intens, maar biedt iets meer variatie. Zo zingt Van Zuilen in Already Gone het eerste deel wat ingetogener en melodieuzer, maar de muziek is uptempo en al spoedig is de strot daar weer, waarna Fear of Roses er meteen vol inbeukt, dankzij het ritmetandem Jeroen Meeus (bas) en Thomas Frankhuijzen (drums).
In She's a Hurricane plotseling een langzame, doomachtige riff, mij herinnerend aan het debuut van Black Sabbath, zij het onmiskenbaar in de aanpak van March. Het bewijst de veelzijdigheid van Van Dijk, waar Van Zuilen met haar gouden stem volop van profiteert. Op 2/3 van het nummer is daar een versnelling die het adrenalinepeil nog verder doet oplopen naar de climax, gevolgd door het snelle Nothing Ever Really Dies. Beuken op z'n Motörheads met bovendien een onweerstaanbaar refrein: iets van punk houdt het zeker.
Favorieten kiezen is onmogelijk, zwakke composities kent Set Loose niet. Laat ik er drie noemen: Start Again met ook al zo'n heerlijk oorwurmrefrein, het boze Evil Kicks. Én slotlied The Surface, dat het album, net als op voorganger Stay Put gebeurde, iets kalmer afsluit.
In vergelijking daarmee is het qua zang op Set Loose een ietsiepietsie melodieuzer, met opnieuw muziek op een meestal hoog tempo. Liefhebbers van bijvoorbeeld Foo Fighters (hun stevige kant) en het Ierse Sprints of welke felle band dan ook worden hier vrolijk van. Strak geproduceerd dendert March als een geoliede rock 'n' rollmachine, met oor voor details en variatie. Vurig en betrokken als de vlammen en bloemen op de hoes.
Drie jaar later verscheen Get In.
Het zit 'm in de gevarieerde gitaarpartijen van Hermance van Dijk, die duidelijk meer luide genres in haar platenkast heeft staan. Het is genieten van haar licks, die in fraai contrast staan met de indringende rauwe van Floor van Zuilen, waar een hooligan jaloers op zou worden. En ondertussen knalt de energie de speakers uit.
Set Loose verscheen maart 2020 en in plaats van optredens waren daar covid-19 en een lockdown. De groep vertelt erover in dit interview met 3 voor 12. En dan te bedenken dat zelfs in het geval van dit studioalbum het zweet uit de speakers stroomt.
Tweede album van de groep, de debuut-EP niet meegerekend. Set Loose is even snel en intens, maar biedt iets meer variatie. Zo zingt Van Zuilen in Already Gone het eerste deel wat ingetogener en melodieuzer, maar de muziek is uptempo en al spoedig is de strot daar weer, waarna Fear of Roses er meteen vol inbeukt, dankzij het ritmetandem Jeroen Meeus (bas) en Thomas Frankhuijzen (drums).
In She's a Hurricane plotseling een langzame, doomachtige riff, mij herinnerend aan het debuut van Black Sabbath, zij het onmiskenbaar in de aanpak van March. Het bewijst de veelzijdigheid van Van Dijk, waar Van Zuilen met haar gouden stem volop van profiteert. Op 2/3 van het nummer is daar een versnelling die het adrenalinepeil nog verder doet oplopen naar de climax, gevolgd door het snelle Nothing Ever Really Dies. Beuken op z'n Motörheads met bovendien een onweerstaanbaar refrein: iets van punk houdt het zeker.
Favorieten kiezen is onmogelijk, zwakke composities kent Set Loose niet. Laat ik er drie noemen: Start Again met ook al zo'n heerlijk oorwurmrefrein, het boze Evil Kicks. Én slotlied The Surface, dat het album, net als op voorganger Stay Put gebeurde, iets kalmer afsluit.
In vergelijking daarmee is het qua zang op Set Loose een ietsiepietsie melodieuzer, met opnieuw muziek op een meestal hoog tempo. Liefhebbers van bijvoorbeeld Foo Fighters (hun stevige kant) en het Ierse Sprints of welke felle band dan ook worden hier vrolijk van. Strak geproduceerd dendert March als een geoliede rock 'n' rollmachine, met oor voor details en variatie. Vurig en betrokken als de vlammen en bloemen op de hoes.
Drie jaar later verscheen Get In.
March - Stay Put (2016)

4,5
0
geplaatst: 26 september 2025, 19:19 uur
Wat is dít een lekker bandje! Ruig, luid en uptempo. Als een kruising tussen de muziek van Ramones en Motörhead en de zang bij Paramore. Trekt u zich tegelijkertijd niet te veel van dit soort vergelijkingen aan, want ondertussen schrijft March uit Breda vooral op hun eigen wijze sterke nummers en voert die strak en gepassioneerd uit. Een basis van punk met diverse rocksmaakjes in gitaar- en drumwerk, plus de rauwe stem van Fleur van Zuilen.
Na een EP in 2014 volgde twee jaar later het eerste full-length album, dit Stay Put. Gitariste Hermance van Dijk heeft een eigen stijl met raggende riffs, lekkere licks en pakkende gitaarlijnen en -geluidjes. Drummer Thomas Frankhuijzen jaagt de boel nog verder op, legt daarbij de nodige variatie in zijn spel en bassist Jeroen Meeus slaat een robuuste brug tussen drums en gitaar. Meestal lekker snel, alleen slotlied In Vain is anders.
Hier op MuMe is er tot dusver nauwelijks aandacht voor March, het is dat Insta mij op de groep wees. Misschien is dat omdat tot vandaag deze donderende March werd verward met een aanzienlijk ingetogener project met dezelfde naam: het alter ego van ene Maarten Scherrenburg, die geheel andere muziek schijnt te maken.
Die fout is gerepareerd. Dit March maakt muziek die energie geeft en tegelijkertijd is dit verfijnder: punk-plus met in Sometimes zelfs complete schoonheid met die akoestische gitaar in het slot, heerlijk in contrast met de hardcore-achtige tempo's en de rauwe vocalen.
Muziek voor standje burenruzie, voor 240 km/u op de weg, voor een bezoek aan de trommelvliezendokter. Niet voor niets staan binnenkort optredens gepland in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Luxemburg en... Nederland! Zie hier hun Bandcamp en daar hun webzijde.
Hierna volgden nog twee albums, beide zijn ingediend bij MuMe. Wordt vervolgd. Rock 'n' roll!
Na een EP in 2014 volgde twee jaar later het eerste full-length album, dit Stay Put. Gitariste Hermance van Dijk heeft een eigen stijl met raggende riffs, lekkere licks en pakkende gitaarlijnen en -geluidjes. Drummer Thomas Frankhuijzen jaagt de boel nog verder op, legt daarbij de nodige variatie in zijn spel en bassist Jeroen Meeus slaat een robuuste brug tussen drums en gitaar. Meestal lekker snel, alleen slotlied In Vain is anders.
Hier op MuMe is er tot dusver nauwelijks aandacht voor March, het is dat Insta mij op de groep wees. Misschien is dat omdat tot vandaag deze donderende March werd verward met een aanzienlijk ingetogener project met dezelfde naam: het alter ego van ene Maarten Scherrenburg, die geheel andere muziek schijnt te maken.
Die fout is gerepareerd. Dit March maakt muziek die energie geeft en tegelijkertijd is dit verfijnder: punk-plus met in Sometimes zelfs complete schoonheid met die akoestische gitaar in het slot, heerlijk in contrast met de hardcore-achtige tempo's en de rauwe vocalen.
Muziek voor standje burenruzie, voor 240 km/u op de weg, voor een bezoek aan de trommelvliezendokter. Niet voor niets staan binnenkort optredens gepland in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Luxemburg en... Nederland! Zie hier hun Bandcamp en daar hun webzijde.
Hierna volgden nog twee albums, beide zijn ingediend bij MuMe. Wordt vervolgd. Rock 'n' roll!
Marcus - Marcus (1976)

4,5
1
geplaatst: 21 januari 2024, 11:24 uur
...en dat heb ik gedaan. Avontuurlijk album met jaren '70-hardrock. Stel je een festival in 1976, '77 voor met (op alfabetische volgorde) Aerosmith, April Wine, Blue Öyster Cult, Sammy Hagar, Heart, Frank Marino & Mahogany Rush, Montrose, Mother's Finest, Scorpions, Pat Travers, Triumph en UFO. Daar zou Marcus (op mijn streamingdienst te vinden als Marcus Malone) prima hebben tussen gepast met bovendien een eigen, herkenbaar geluid.
Enkele hoogtepunten van dit titelloze debuut, dat mij slechts eenmaal verveelt: de slepende riff van Black Magic dat de plaat begint als een vertraagde versie van Deep Purples Spacetruckin' en waarbij de hese stem van Malone meteen de aandacht vraagt. Later de pakkende gitaarsolo van leadgitarist Gene Bloch; tegen het einde toe een hoge keyboardlijn die de climax vervolmaakt.
Midtempo volgt Salmon Ball dat later versnelt én nog pakkender gitaarwerk kent; Kelly blijkt een ballade en waar ik daar vaak minder mee heb, pakt het me nu wél.
Gypsy Fever is midtempo en rockend, opnieuw valt de herkenbare stem van Malone mij positief op met de dansende gitaarlijnen van Bloch. Bovendien staat dan vast dat hier een hechte groep speelt: hoe is het mogelijk dat de leden zo onbekend bleven?
Pillow Stars trapt fel de B-kant af, wordt daarna afwisselend dromerig en uptempo rockend. Het snelste nummer met pakkende koortjes en wat is die Bloch toch weer op dreef op zijn zes snaren: Liefhebbers van Michael Schenker zullen op Marcus vrolijk worden van deze onbekende klasbak en bovendien bevat het nummer een spannend slot.
Na de mindere midtempo ode Highschool Ladies Streetcorner Babies vallen de kwaliteiten van drummer Dandy Homes voor het eerst ten volle op. Knallend begint Dreamwheel met dubbele basdrums, pre-Motörhead: een volgende favoriet met alle kwaliteiten van de groep verenigd in een kleine vier minuten. Slotlied Rise unto Falcon is slepend als de opener, om naar een snelle climax toe te werken met wederom heerlijk drumwerk.
Een onverwacht pareltje voor wie van klassieke hardrock met ambachtelijk gitaarwerk houdt. Bovendien prima geproduceerd.
In 2011 plaatste het Nederlandstalige Blues Magazine een interviewtje met de man, die na het debuut naar Engeland verkaste. In UK Music Reviews is Marcus Malone uitgebreider aan het woord.
Enkele hoogtepunten van dit titelloze debuut, dat mij slechts eenmaal verveelt: de slepende riff van Black Magic dat de plaat begint als een vertraagde versie van Deep Purples Spacetruckin' en waarbij de hese stem van Malone meteen de aandacht vraagt. Later de pakkende gitaarsolo van leadgitarist Gene Bloch; tegen het einde toe een hoge keyboardlijn die de climax vervolmaakt.
Midtempo volgt Salmon Ball dat later versnelt én nog pakkender gitaarwerk kent; Kelly blijkt een ballade en waar ik daar vaak minder mee heb, pakt het me nu wél.
Gypsy Fever is midtempo en rockend, opnieuw valt de herkenbare stem van Malone mij positief op met de dansende gitaarlijnen van Bloch. Bovendien staat dan vast dat hier een hechte groep speelt: hoe is het mogelijk dat de leden zo onbekend bleven?
Pillow Stars trapt fel de B-kant af, wordt daarna afwisselend dromerig en uptempo rockend. Het snelste nummer met pakkende koortjes en wat is die Bloch toch weer op dreef op zijn zes snaren: Liefhebbers van Michael Schenker zullen op Marcus vrolijk worden van deze onbekende klasbak en bovendien bevat het nummer een spannend slot.
Na de mindere midtempo ode Highschool Ladies Streetcorner Babies vallen de kwaliteiten van drummer Dandy Homes voor het eerst ten volle op. Knallend begint Dreamwheel met dubbele basdrums, pre-Motörhead: een volgende favoriet met alle kwaliteiten van de groep verenigd in een kleine vier minuten. Slotlied Rise unto Falcon is slepend als de opener, om naar een snelle climax toe te werken met wederom heerlijk drumwerk.
Een onverwacht pareltje voor wie van klassieke hardrock met ambachtelijk gitaarwerk houdt. Bovendien prima geproduceerd.
In 2011 plaatste het Nederlandstalige Blues Magazine een interviewtje met de man, die na het debuut naar Engeland verkaste. In UK Music Reviews is Marcus Malone uitgebreider aan het woord.
Marianne Faithfull - Broken English (1979)

3,0
2
geplaatst: 28 oktober 2024, 14:34 uur
Anders dan ik in 1979 meekreeg via de media, was dit niet dé comebackplaat van Marianne Faithfull. Ik, jonge tiener, kende haar destijds van de radio als één van de hitnamen van de jaren '60 dankzij As Tears Go By, wist wellicht dat ze een ex-lief van Mick Jagger was én actrice.
Wat - in mijn herinnering - niet werd verteld, was dat ze na jaren aan de zelfkant van het leven in december 1976 terugkeerde met Dreamin' My Dreams, waarvan het titelnummer haar een Ierse #1-hit bracht. Daarop klonk countrypop, een genre dat in Nederland meestal weinig doet.
Anders was het in 1979 met new wave. Mijn volgende herinnering is daarom dat Broken English door de volwassen popliefhebbers met veel liefde werd onthaald. Deze puber had er echter weinig mee, ondanks dat The Ballad of Lucy Jordan kort na Kerst 1979 op #19 piekte in de Nationale Hitparade. Faithfull klonk in mijn oren als een oude vrouw met een saai nummer. Kortzichtige puber... Ze werd in diezelfde week 33 jaar, niks oud.
Met de oren van nu hoor ik een zangeres met een prachtige, gebroken stem. Dankzij een verstandig productieteam (onder meer producer Mark Miller Mundy en Steve Winwood op toetsen) klonk ze plotseling helemaal bij de tijd. 45 jaar later valt bovendien op dat de instrumenten ondanks de trendgevoelige aanpak van toen nog altijd niet verouderd of klinisch klinken.
Desondanks word ik niet warm van het album, simpelweg omdat de muziek me niet pakt. De berichten hierboven vertellen dat menigeen dat anders beleeft en ook Oor's Popencyclopedie (editie 1982) is het met mij oneens. Over de hitsingle: "enkele maanden de opvallendste plaat op de vaderlandse playlists, (...) een trage ballade, (...) waarvan een intens droevige sfeer afstraalt."
Het is me te ingetogen en bedrukt. Mijn favorieten zijn dan ook ver op de tweede helft met het vlottere What's the Hurry? en Why'd Ya Do It, waarin dansbare reggae en lekkere gitaarlicks klinken. Ook met haar versie van Working Class Hero heb ik weinig, al is het arrangement fris en haar vertolking intens. Ondanks mijn reserves toen en nu is duidelijk dat dit een indrukwekkend album was van een oude ziel, gestoken in moderne, pakkende muziek die niet is verouderd.
Mijn reis door new wave bevindt zich in november 1979. Komend van de Buggles, ontdekte ik een mij onbekend album uit 1977. Daarom terug naar dat jaar: Amerikaanse powerpop van The Scruffs.
Wat - in mijn herinnering - niet werd verteld, was dat ze na jaren aan de zelfkant van het leven in december 1976 terugkeerde met Dreamin' My Dreams, waarvan het titelnummer haar een Ierse #1-hit bracht. Daarop klonk countrypop, een genre dat in Nederland meestal weinig doet.
Anders was het in 1979 met new wave. Mijn volgende herinnering is daarom dat Broken English door de volwassen popliefhebbers met veel liefde werd onthaald. Deze puber had er echter weinig mee, ondanks dat The Ballad of Lucy Jordan kort na Kerst 1979 op #19 piekte in de Nationale Hitparade. Faithfull klonk in mijn oren als een oude vrouw met een saai nummer. Kortzichtige puber... Ze werd in diezelfde week 33 jaar, niks oud.
Met de oren van nu hoor ik een zangeres met een prachtige, gebroken stem. Dankzij een verstandig productieteam (onder meer producer Mark Miller Mundy en Steve Winwood op toetsen) klonk ze plotseling helemaal bij de tijd. 45 jaar later valt bovendien op dat de instrumenten ondanks de trendgevoelige aanpak van toen nog altijd niet verouderd of klinisch klinken.
Desondanks word ik niet warm van het album, simpelweg omdat de muziek me niet pakt. De berichten hierboven vertellen dat menigeen dat anders beleeft en ook Oor's Popencyclopedie (editie 1982) is het met mij oneens. Over de hitsingle: "enkele maanden de opvallendste plaat op de vaderlandse playlists, (...) een trage ballade, (...) waarvan een intens droevige sfeer afstraalt."
Het is me te ingetogen en bedrukt. Mijn favorieten zijn dan ook ver op de tweede helft met het vlottere What's the Hurry? en Why'd Ya Do It, waarin dansbare reggae en lekkere gitaarlicks klinken. Ook met haar versie van Working Class Hero heb ik weinig, al is het arrangement fris en haar vertolking intens. Ondanks mijn reserves toen en nu is duidelijk dat dit een indrukwekkend album was van een oude ziel, gestoken in moderne, pakkende muziek die niet is verouderd.
Mijn reis door new wave bevindt zich in november 1979. Komend van de Buggles, ontdekte ik een mij onbekend album uit 1977. Daarom terug naar dat jaar: Amerikaanse powerpop van The Scruffs.
Marie Laforêt - Marie Laforêt (1964)
Alternatieve titel: Album 1

4,0
1
geplaatst: 14 april 2025, 20:24 uur
Laatst op tweedehands vinyl opgepikt. Heerlijke jaren '60 chansons van film- en theateractrice, auteur en ook een tijdje galeriehoudster Marie LaForêt, enigszins vergelijkbaar met het werk uit die tijd van Liesbeth List en France Gall.
Ja, ik houd wel van dat oude chanson, ook al beheers ik de Franse taal onvoldoende om te doorgronden wat deze enigszins literaire teksten vertellen. Wel vind ik de sfeer heerlijk, passend bij de warme gloed van de ondergaande zon.
Ik hoor twee covers: op kant 1 Viens sur la Montagne, oorspronkelijk de gospel Go Tell It on the Mountains alsmede Blowin' in the Wind, Engelstalig en inderdaad die van Bob Dylan.
Maar veel liever de overige muziek, met als hoogtepunten de weemoed van L'amour qu'il fera demain, haar bekendste nummer La Tendresse, de salonjazz in Un amour qui s'est éteint en het vrolijke Les Noces de Campagne. Soms is het folkachtig en klein, soms met orkest. In Qu'est-çe Qui Fait Pleurer les Filles zit een theelepelpuntje rock 'n' roll. LaForêts heldere stem kan die stijlverschillen vol souplesse aan.
Lekker zomerplaatje, het seizoen waarin ik chansons het liefst hoor. Begin alweer zin in de Tour de France te krijgen...
Ja, ik houd wel van dat oude chanson, ook al beheers ik de Franse taal onvoldoende om te doorgronden wat deze enigszins literaire teksten vertellen. Wel vind ik de sfeer heerlijk, passend bij de warme gloed van de ondergaande zon.
Ik hoor twee covers: op kant 1 Viens sur la Montagne, oorspronkelijk de gospel Go Tell It on the Mountains alsmede Blowin' in the Wind, Engelstalig en inderdaad die van Bob Dylan.
Maar veel liever de overige muziek, met als hoogtepunten de weemoed van L'amour qu'il fera demain, haar bekendste nummer La Tendresse, de salonjazz in Un amour qui s'est éteint en het vrolijke Les Noces de Campagne. Soms is het folkachtig en klein, soms met orkest. In Qu'est-çe Qui Fait Pleurer les Filles zit een theelepelpuntje rock 'n' roll. LaForêts heldere stem kan die stijlverschillen vol souplesse aan.
Lekker zomerplaatje, het seizoen waarin ik chansons het liefst hoor. Begin alweer zin in de Tour de France te krijgen...
Mario Fasciano, Steve Morse, Ian Paice, Don Airey - E-Thnik (2005)

4,0
1
geplaatst: 30 april 2025, 08:53 uur
Een Italiaanstalige, vreemde eend in de bijt van zowel Deep Purple als Steve Morse, wiens discografie ik aan het doorspitten ben. Geen idee hoe de samenwerking met Italiaan Mario Fasciano tot stand kwam, maar feit is dat E-Thnik een aangenaam album is met daarop vooral folk en pop alsook enige rock.
Rate Your Music typeert dit als progressive rock, waar het album echter slechts kleine raakvlakken mee heeft. Naast Morse doen van Purple mee drummer Ian Paice en toetsenist Don Airey. Verder is een enkele onbekende gastmuzikant te horen. E-Thnik is te vinden op YouTube.
Nu kan ik wel enigszins begrijpen dat RYM het tot progressive rock rekent. Fasciano werkte namelijk ook samen met Rick Wakeman op een tweetal albums, vertelt Discogs. Wellicht dat iemand die dit leest meer weet over Fasciano en daarover kan vertellen? Lijkt dit bijvoorbeeld op werk van Angelo Branduardi? Ik hoop op Roxy6, die weleens in het land komt
.
'O Nainana' is een akoestische ballade in twee delen. Eerst gitaar en zang, later ondersteund door een toetsentapijtje. In het tweede deel speelt een accordeon (of is het een bandoneon?) een pakkende solo, gevolgd met strijkers in het slotakkoord. De stem van Fasciano (of is het een ander die zingt?) is warm als de muziek; niet opvallend, wél aangenaam. Ook La Notte delle Stelle is een ballade met wederom akoestische gitaar en accordeon/bandoneon.
Met Tarantella a Dispetto horen we voor het eerst drums, welkom Ian Paice. Morse dartelt op akoestische snaren in folkstijl. Na ruim een minuut valt Don Airey bij op Hammond en wordt het rockend, waarna achtereenvolgens een saxofoon- en fluitsolo volgen. De zanger blijkt ook deze stijl aan te kunnen.
L'amore Quando C'è is met een dikke 5 minuten het langste nummer van E-Thnik. Voor het eerst elektrische gitaar, warm en zeer ingetogen: de vierde ballade van het album. Een mooie zanglijn met mandoline die onmiddelijk aan Italië of Griekenland doet denken. Een elektrische gitaarsolo met lange noten volgt: Morse kan zich werkelijk aan iedere muzikale kleur aanpassen, hoe knap!
Een tweede solo van hem is beduidend sneller, het nummer is verrassend opgebouwd, buiten de kaders van zijn werk of dat van Deep Purple. Het zit 'm in de Italiaanse zon, want daarna pakt de mandoline zijn kans.
Het dromerige Che Sogno begint met fluit, waarna piano en zang toewerken naar een passievol slot. Met het instrumentale 'A Notte klinkt pas voor de tweede maal percussie: eerst conga's, dan drums. Het Hammond van Airey scheurt, waarna Morse voor het eerst zijn gitaar hetzelfde laat doen. Saxofoons vallen bij in een swingend nummer.
In het drumloze Sulo eerst piano, zang en synthesizer, als een symfonische rockballade; op 1'31" spelen hoorns een prachtig thema dat me aan The Man with the Child in His Eyes van Kate Bush doet denken.
Tu Si' Accussì wordt gedragen door een relaxte drumcomputer en zwoele synths; relaxte zang volgt. L'ala Della Musica is een weemoedig nummer met wederom synths en akoestische gitaar, dat langzamerhand steviger wordt met digitale drums. Progsynthpoprock.
Slotlied 'O Mare e L'anema is het stevige slot, maar nog steeds geen sprake van progrock. Een nummer in de stijl van Deep Purple en pas de derde keer dat Paice aan de bak mag, in dit geval om een rockende riff te ondersteunen. De stem van Fasciano schiet de hoogte in.
Eindoordeel: titel E-Thnik is vast een verwijzing naar 'ethnic', oftewel de kruisbestuiving tussen volken en culturen. Een verrassende en gevarieerde ontdekking, die me een 8 waard is.
Op YouTube is meer werk van Fasciano te vinden, zoals deze met Rick Wakeman. Maar sta me toe om vier jaar verder te reizen, als Steve Morse met zijn Band Out Standing in Their Field het licht doet zien.
Rate Your Music typeert dit als progressive rock, waar het album echter slechts kleine raakvlakken mee heeft. Naast Morse doen van Purple mee drummer Ian Paice en toetsenist Don Airey. Verder is een enkele onbekende gastmuzikant te horen. E-Thnik is te vinden op YouTube.
Nu kan ik wel enigszins begrijpen dat RYM het tot progressive rock rekent. Fasciano werkte namelijk ook samen met Rick Wakeman op een tweetal albums, vertelt Discogs. Wellicht dat iemand die dit leest meer weet over Fasciano en daarover kan vertellen? Lijkt dit bijvoorbeeld op werk van Angelo Branduardi? Ik hoop op Roxy6, die weleens in het land komt
.'O Nainana' is een akoestische ballade in twee delen. Eerst gitaar en zang, later ondersteund door een toetsentapijtje. In het tweede deel speelt een accordeon (of is het een bandoneon?) een pakkende solo, gevolgd met strijkers in het slotakkoord. De stem van Fasciano (of is het een ander die zingt?) is warm als de muziek; niet opvallend, wél aangenaam. Ook La Notte delle Stelle is een ballade met wederom akoestische gitaar en accordeon/bandoneon.
Met Tarantella a Dispetto horen we voor het eerst drums, welkom Ian Paice. Morse dartelt op akoestische snaren in folkstijl. Na ruim een minuut valt Don Airey bij op Hammond en wordt het rockend, waarna achtereenvolgens een saxofoon- en fluitsolo volgen. De zanger blijkt ook deze stijl aan te kunnen.
L'amore Quando C'è is met een dikke 5 minuten het langste nummer van E-Thnik. Voor het eerst elektrische gitaar, warm en zeer ingetogen: de vierde ballade van het album. Een mooie zanglijn met mandoline die onmiddelijk aan Italië of Griekenland doet denken. Een elektrische gitaarsolo met lange noten volgt: Morse kan zich werkelijk aan iedere muzikale kleur aanpassen, hoe knap!
Een tweede solo van hem is beduidend sneller, het nummer is verrassend opgebouwd, buiten de kaders van zijn werk of dat van Deep Purple. Het zit 'm in de Italiaanse zon, want daarna pakt de mandoline zijn kans.
Het dromerige Che Sogno begint met fluit, waarna piano en zang toewerken naar een passievol slot. Met het instrumentale 'A Notte klinkt pas voor de tweede maal percussie: eerst conga's, dan drums. Het Hammond van Airey scheurt, waarna Morse voor het eerst zijn gitaar hetzelfde laat doen. Saxofoons vallen bij in een swingend nummer.
In het drumloze Sulo eerst piano, zang en synthesizer, als een symfonische rockballade; op 1'31" spelen hoorns een prachtig thema dat me aan The Man with the Child in His Eyes van Kate Bush doet denken.
Tu Si' Accussì wordt gedragen door een relaxte drumcomputer en zwoele synths; relaxte zang volgt. L'ala Della Musica is een weemoedig nummer met wederom synths en akoestische gitaar, dat langzamerhand steviger wordt met digitale drums. Progsynthpoprock.
Slotlied 'O Mare e L'anema is het stevige slot, maar nog steeds geen sprake van progrock. Een nummer in de stijl van Deep Purple en pas de derde keer dat Paice aan de bak mag, in dit geval om een rockende riff te ondersteunen. De stem van Fasciano schiet de hoogte in.
Eindoordeel: titel E-Thnik is vast een verwijzing naar 'ethnic', oftewel de kruisbestuiving tussen volken en culturen. Een verrassende en gevarieerde ontdekking, die me een 8 waard is.
Op YouTube is meer werk van Fasciano te vinden, zoals deze met Rick Wakeman. Maar sta me toe om vier jaar verder te reizen, als Steve Morse met zijn Band Out Standing in Their Field het licht doet zien.
Marlene Bakker - Oaventuren (2023)

4,5
0
geplaatst: 22 september 2023, 22:50 uur
En daar lag ie op een warme vrijdagmiddag in de brievenbus, mét ansichtkaart en persoonlijke postzegel. De tweede van Marlene Bakker heet Oaventuren en is ook in de cd-editie erg fraai verpakt met in het cd-boekje prachtige tekeningen van zus Miriam.
Omdat er in het Gronings wordt gezongen, lees ik nogal eens vooral over de taal van Bakkers muziek. Maar dit is méér dan poëzie.
Tot mijn verrassing klinken er blazers in het titelnummer, dat het album aftrapt. Even wennen, maar het werkt wonderwel. Vervolgens hoor ik muzikale sferen als op het debuut Raif: wederom dat warme geluid van gitaar en toetsen, dromerig en bijna filmisch.
Meer persoonlijke hoogtepunten? Het akoestische gitaarspel op Roemte is van grote klasse, als in de jaren '70 bij Nick Drake. Met het vierde nummer Neudeg wordt het voor het eerst uptempo en valt alles zó mooi samen... Stain is midtempo en heeft alweer een sterke melodie, passend bij de tekst over verstilling.
Verlaizers is met zijn slagpartij bijna als jaren '90 triphop maar dan met akoestische drums, warm als de deken die ik afgelopen week weer op bed moest leggen. Op Oktober keren de blazers terug, zij het ingetogener dan in het titellied.
Ballade Zolaank ging in april vooraf en ik vroeg me toen af of dit een akoestisch album zou worden. Nee dus, waarbij het sobere arrangement tussen de rijke instrumentatie van de omliggende nummers fraai contrasteert. Het wordt namelijk gevolgd door Vleugels, dat met zijn volle sfeer en sterke melodie de ruimte vult.
Niet alle liedjes zijn benoemd, maar wees ervan verzekerd dat deze muzikanten er nadrukkelijk voor hebben gezorgd dat het album gevarieerd blijft. Ook na de nodige malen afspelen.
Sommige teksten bevatten zeer openhartige ontboezemingen en opnieuw denk ik aan Nick Drake. Zoals in Neudeg: "Ik bin baang veur mien duustere doagen, Of slimmer, dastoe t waist." Of het beeld van de verloren veren in Vleugels: "Ik was der aaltied al, Mor k mos miezulf weer vinden." Heel persoonlijk, maar niet klef. Integendeel. In kwetsbaarheid werd kracht gevonden. Alsof je per ongeluk een heel persoonlijk gesprek afluistert.
Tenslotte toch nog even zeuren: waarom zó lang wachten op Oaventuren? Is vijf jaar niet wat lang? Het antwoord laat zich raden: muziek en teksten zijn als gerijpte whisky of wat kaasmakers 'overjarige kaas' noemen: doortrokken van de seizoenen, in dit geval het denken, spreken, luisteren én voelen gedurende vele maanden. Met Bakkers licht-bronzen stem in het midden van dit groeibriljantje.
Dit verdient meer dan slechts concerten in noordelijk Nederland. Tijdloze muzikale klasse met herkenbare en tegelijkertijd onverwachte reflecties, lentefris verwoord. Laat het najaar maar komen.
Omdat er in het Gronings wordt gezongen, lees ik nogal eens vooral over de taal van Bakkers muziek. Maar dit is méér dan poëzie.
Tot mijn verrassing klinken er blazers in het titelnummer, dat het album aftrapt. Even wennen, maar het werkt wonderwel. Vervolgens hoor ik muzikale sferen als op het debuut Raif: wederom dat warme geluid van gitaar en toetsen, dromerig en bijna filmisch.
Meer persoonlijke hoogtepunten? Het akoestische gitaarspel op Roemte is van grote klasse, als in de jaren '70 bij Nick Drake. Met het vierde nummer Neudeg wordt het voor het eerst uptempo en valt alles zó mooi samen... Stain is midtempo en heeft alweer een sterke melodie, passend bij de tekst over verstilling.
Verlaizers is met zijn slagpartij bijna als jaren '90 triphop maar dan met akoestische drums, warm als de deken die ik afgelopen week weer op bed moest leggen. Op Oktober keren de blazers terug, zij het ingetogener dan in het titellied.
Ballade Zolaank ging in april vooraf en ik vroeg me toen af of dit een akoestisch album zou worden. Nee dus, waarbij het sobere arrangement tussen de rijke instrumentatie van de omliggende nummers fraai contrasteert. Het wordt namelijk gevolgd door Vleugels, dat met zijn volle sfeer en sterke melodie de ruimte vult.
Niet alle liedjes zijn benoemd, maar wees ervan verzekerd dat deze muzikanten er nadrukkelijk voor hebben gezorgd dat het album gevarieerd blijft. Ook na de nodige malen afspelen.
Sommige teksten bevatten zeer openhartige ontboezemingen en opnieuw denk ik aan Nick Drake. Zoals in Neudeg: "Ik bin baang veur mien duustere doagen, Of slimmer, dastoe t waist." Of het beeld van de verloren veren in Vleugels: "Ik was der aaltied al, Mor k mos miezulf weer vinden." Heel persoonlijk, maar niet klef. Integendeel. In kwetsbaarheid werd kracht gevonden. Alsof je per ongeluk een heel persoonlijk gesprek afluistert.
Tenslotte toch nog even zeuren: waarom zó lang wachten op Oaventuren? Is vijf jaar niet wat lang? Het antwoord laat zich raden: muziek en teksten zijn als gerijpte whisky of wat kaasmakers 'overjarige kaas' noemen: doortrokken van de seizoenen, in dit geval het denken, spreken, luisteren én voelen gedurende vele maanden. Met Bakkers licht-bronzen stem in het midden van dit groeibriljantje.
Dit verdient meer dan slechts concerten in noordelijk Nederland. Tijdloze muzikale klasse met herkenbare en tegelijkertijd onverwachte reflecties, lentefris verwoord. Laat het najaar maar komen.
Marlene Bakker - Raif (2018)

4,5
1
geplaatst: 19 december 2021, 19:59 uur
Er werd deze week weer driftig gemopperd over ons koningshuis, iets met teveel bezoekers op een verjaardagspartijtje in de tuin in coronatijd. Maar ik heb het toch mooi aan hun koningsdagbezoek aan Groningen in 2018 te danken, dat ik de muziek van Marlene Bakker ken. Zij trad daar op en omdat ik streektaalpop volg, wekte dit van tevoren mijn interesse.
Van de tv-reportage en haar optreden voor de koning weet ik bijna niets meer, wél dat ik de clip van Waarkhanden ontdekte en dat een schitterend liedje vond.
Twee clips en even zovele jaren later zag ik haar tweemaal optreden in 2020. Het eerste concert in band-, het tweede in kleine bezetting. Ik schafte uiteraard het album aan, dat mij thuis naar een andere wereld voerde.
Raif begint klein met de piano van het titellied. Een vrouwenstem, klein en toch krachtig, begint zingend een verhaal te vertellen over gereedschap (raif) als beeld bij de verstrijkende tijd. Drums en uitwaaierende keyboards vergezellen haar spoedig, waarmee een warme sfeer ontstaat, zeker als je later ook strijkers ontwaart.
Daarna Astoe t zain harst, nu al een tijdloze klassieker. Opnieuw die warme sfeer, maar hier uptempo, met een strakke slaggitaar en meeslepende lijn op de elektrische gitaar. Ik waan mij bij de beste new wave die de jaren ’80 voortbrachten. Nee, begrijp me goed, het klinkt eigentijds, maar de melancholie is er zeker.
Vervolgens de eerste "single” Waarkhanden, opnieuw een tijdloos klassiekertje. Een feeërieke melodie, alweer een prachtige strijkerspartij en wie in de tekst duikt krijgt meteen zin om een weekend in een B&B op het Groningse platteland te boeken.
De eerste, ernstige akkoorden van Te nuchter grijpen me onmiddellijk bij de baard. Een langzame compositie, opnieuw warm, de drums in een wolkje echo. Alweer valt op hoe goed dit is geproduceerd en hoe goed de stem van Marlene daarin gedijt.
Kloarwakker is dan weer uptempo, met zowaar een trompet in datzelfde wolkje, hoe mooi! Doe waist beter sluit de A-kant op rustige wijze af; zang, melodie en instrumenten voeren je moeiteloos mee naar… iets onbestemds, ver weg.
Kant B begint met Heufd as helm, net als het titellied een pianoballade die geleidelijk breed uitwaaiert. Hierna de andere twee liedjes die ik dankzij videoclips kende: Golven en Hai hai, beiden even fraai, vlot en toch dromerig. Vol heimwee - of is het fernweh?
Genog veur mie is een ballade over vertrouwen; klein, intiem en persoonlijk. Afsluiter Smilke leunt op een akoestische gitaar, ondersteund door spaarzame keyboards; een kalm einde.
Ik zal hier geen tekstanalyses uitvoeren, maar duik in haar overpeinzingen en je komt pareltjes tegen. Over mensen, het landschap, het leven. Ook te begrijpen voor degenen die net als ik ver van Groningen opgroeiden. Bakker is een eigenzinnige, herkenbare singer-songwriter met een licht-hese stem, wier liedjes en covers (je treft er twee aan) in de productie van Bernard Gepken tot volle bloei komen.
Hierboven noemde ik de plaat eigentijds. Dat klopte niet. Beter is: boventijds. Een musthef, zeker als vinyl in die fraaie klaphoes!
Van de tv-reportage en haar optreden voor de koning weet ik bijna niets meer, wél dat ik de clip van Waarkhanden ontdekte en dat een schitterend liedje vond.
Twee clips en even zovele jaren later zag ik haar tweemaal optreden in 2020. Het eerste concert in band-, het tweede in kleine bezetting. Ik schafte uiteraard het album aan, dat mij thuis naar een andere wereld voerde.
Raif begint klein met de piano van het titellied. Een vrouwenstem, klein en toch krachtig, begint zingend een verhaal te vertellen over gereedschap (raif) als beeld bij de verstrijkende tijd. Drums en uitwaaierende keyboards vergezellen haar spoedig, waarmee een warme sfeer ontstaat, zeker als je later ook strijkers ontwaart.
Daarna Astoe t zain harst, nu al een tijdloze klassieker. Opnieuw die warme sfeer, maar hier uptempo, met een strakke slaggitaar en meeslepende lijn op de elektrische gitaar. Ik waan mij bij de beste new wave die de jaren ’80 voortbrachten. Nee, begrijp me goed, het klinkt eigentijds, maar de melancholie is er zeker.
Vervolgens de eerste "single” Waarkhanden, opnieuw een tijdloos klassiekertje. Een feeërieke melodie, alweer een prachtige strijkerspartij en wie in de tekst duikt krijgt meteen zin om een weekend in een B&B op het Groningse platteland te boeken.
De eerste, ernstige akkoorden van Te nuchter grijpen me onmiddellijk bij de baard. Een langzame compositie, opnieuw warm, de drums in een wolkje echo. Alweer valt op hoe goed dit is geproduceerd en hoe goed de stem van Marlene daarin gedijt.
Kloarwakker is dan weer uptempo, met zowaar een trompet in datzelfde wolkje, hoe mooi! Doe waist beter sluit de A-kant op rustige wijze af; zang, melodie en instrumenten voeren je moeiteloos mee naar… iets onbestemds, ver weg.
Kant B begint met Heufd as helm, net als het titellied een pianoballade die geleidelijk breed uitwaaiert. Hierna de andere twee liedjes die ik dankzij videoclips kende: Golven en Hai hai, beiden even fraai, vlot en toch dromerig. Vol heimwee - of is het fernweh?
Genog veur mie is een ballade over vertrouwen; klein, intiem en persoonlijk. Afsluiter Smilke leunt op een akoestische gitaar, ondersteund door spaarzame keyboards; een kalm einde.
Ik zal hier geen tekstanalyses uitvoeren, maar duik in haar overpeinzingen en je komt pareltjes tegen. Over mensen, het landschap, het leven. Ook te begrijpen voor degenen die net als ik ver van Groningen opgroeiden. Bakker is een eigenzinnige, herkenbare singer-songwriter met een licht-hese stem, wier liedjes en covers (je treft er twee aan) in de productie van Bernard Gepken tot volle bloei komen.
Hierboven noemde ik de plaat eigentijds. Dat klopte niet. Beter is: boventijds. Een musthef, zeker als vinyl in die fraaie klaphoes!
Martha and the Muffins - Metro Music (1980)

4,0
2
geplaatst: 7 maart 2025, 20:11 uur
De vijf Canadezen van Martha and The Muffins zien eruit zoals mijn klasgenoten én ikzelf in dat jaar: keurige kapsels en kleertjes. Tegelijkertijd klinkt op hun in The Manor nabij het Engelse Oxford opgenomen debuut vooral vlotte new wave met dansende baslijntjes, soms felle gitaarpartijen (Paint By Number Heart), saxspel op de wijze van Roxy Music (getuige Indecision en Cheesies and Gum) én de zang van maar liefst twéé Martha's: Martha Ladly en Martha Johnson. Door de elektrische piano en de vocalen moet ik soms aan Curved Air denken, de artrockgroep van begin jaren '70.
Metro Music had enkele draaibeurten nodig voordat de muziek landde. Het is vooral uptempo, waardoor de nummers in eerste instantie te eenvormig leken en weinig kwam bovendrijven. Het album bevat eigenlijk maar één langzamer nummer, te weten halverwege kant 2 met Sinking Land.
Dat beeld veranderde tijdens een autorit, zoals ik wel vaker beleef. Diverse fraaie details bleken zich te hebben verstopt. Daarbij dus véél energie en nog dansbaar ook.
De teksten zijn leuk, zoals die van de hit Echo Beach, over een saaie kantoorbaan en het verlangen om de zonsondergang aan het strand te zien. Het liedje haalde in mei 1980 de NOS/NCRV-tipparade, maar had meer verdiend: in het VK in maart #10 en voor Metro Music diezelfde maand #34.
Anno 2025 blijkt Metro Music een persoonlijk groeiplaatje, dat ik maar eens op vinyl moet tegenkomen. Al in september datzelfde jaar brachten Martha and The Muffins hun tweede album uit, dat evenwel niet het succes van het debuut haalde. De opvolgers daarvan slaagden er net zo min in dat succes te benaderen.
Mijn reis door de new wave van mei 1980 kwam van Blondie en non-albumsingle Call Me; vervolg bij de derde van Squeeze.
Metro Music had enkele draaibeurten nodig voordat de muziek landde. Het is vooral uptempo, waardoor de nummers in eerste instantie te eenvormig leken en weinig kwam bovendrijven. Het album bevat eigenlijk maar één langzamer nummer, te weten halverwege kant 2 met Sinking Land.
Dat beeld veranderde tijdens een autorit, zoals ik wel vaker beleef. Diverse fraaie details bleken zich te hebben verstopt. Daarbij dus véél energie en nog dansbaar ook.
De teksten zijn leuk, zoals die van de hit Echo Beach, over een saaie kantoorbaan en het verlangen om de zonsondergang aan het strand te zien. Het liedje haalde in mei 1980 de NOS/NCRV-tipparade, maar had meer verdiend: in het VK in maart #10 en voor Metro Music diezelfde maand #34.
Anno 2025 blijkt Metro Music een persoonlijk groeiplaatje, dat ik maar eens op vinyl moet tegenkomen. Al in september datzelfde jaar brachten Martha and The Muffins hun tweede album uit, dat evenwel niet het succes van het debuut haalde. De opvolgers daarvan slaagden er net zo min in dat succes te benaderen.
Mijn reis door de new wave van mei 1980 kwam van Blondie en non-albumsingle Call Me; vervolg bij de derde van Squeeze.
Martha and the Muffins - Trance and Dance (1980)

4,0
2
geplaatst: 21 mei 2025, 07:05 uur
Er was redelijk succes voor Martha and the Muffins met debuut Metro Music. Nog datzelfde jaar brengen ze Trance and Dance uit, dat - net als de opvolgers - dat succes zou ontberen. Is dat terecht?
Die andere albums ga ik nog beluisteren, maar in het geval van dit album: nee, onterecht! Fris uit de startblokken met Luna Park met daarin bescheiden sax, waarna Suburban Dream met orgeltje; het nummer gaat dankzij een extravagante saxsolo van Andy Haas lós. Was Ezo is eveneens aangenaam wegens de tweestemmige zang van de twee Martha's, Johnson en Ladly. In Teddy the Dink klinkt bijna punk met opnieuw prominent de tenorsax.
Waar ik bij het debuut nogal in de muziek moest komen, blijkt Trance and Dance juist uitnodigend, zo landen Symptomatic Love en Primal Weekend met zijn onstuimige intro eveneens snel, mede dankzij de soms dwarse gitaarpartijen van Mark Gane en het ijle orgeltje, eveneens door de dames Johnson en Ladly gedaan. Kant 1 eindigt bijna kakafonisch.
Op kant 2 eveneens zes nummers. Halfway Through the Week staat symbolisch halverwege het album en Gane sleurt weer op gitaar; hij doet zelfs leadzang. Lichter en appetijtelijk is Am I On? waarna pretliedje Motorbikin' kort de boel laat rocken; opnieuw met lichte punkinvloed.
About Insomnia is dromeriger, de titel ten spijt, fraaie melancholie en melodie. Bijna alsof we The Bangles horen. In Be Blasé wordt naar ska geknipoogd mede dankzij de dansende baslijn en het pompende drumwerk van Tim Gane.
Ruim zeven minuten duurt het titellied van Trance and Dance dat de plaat afsluit. mede dankzij een drumcomputertje zoals ik dat van Gary Numan ken, klinkt sfeervolle new wave in een sterk opgebouwd nummer.
De Canadezen klinken op dit album vooral Brits - niet verrassend, want opgenomen in The Manor Studios van Richard Branson en het slapeloosheidlied in Townhouse in Londen, eveneens van Branson. Oftewel, voor hun tweede album stond men onder contract bij Virgin. Gek toch dat Brits succes ontbrak, ondanks de kwaliteit van de muziek. In 2013 kreeg het bij Cherry Red een fraaie heruitgave, hier te vinden. Dat is de versie waar vigil over schreef.
Waar ik ernaar uitzie om t.z.t. opvolger This Is the Ice Age te beluisteren, ontdek ik dat die niet op mijn streamingkanaal staat. Wél die daarna, Danseparc uit '83. Hopelijk wordt het hiaat opgevuld als ik bij 1981 ben.
Mijn reis door new wave kwam van Graham Parker and the Rumour en hun The Up Escalator en ik vervolg bij het eveneens in september 1980 verschenen debuut van het Nederlandse Nasmak.
Die andere albums ga ik nog beluisteren, maar in het geval van dit album: nee, onterecht! Fris uit de startblokken met Luna Park met daarin bescheiden sax, waarna Suburban Dream met orgeltje; het nummer gaat dankzij een extravagante saxsolo van Andy Haas lós. Was Ezo is eveneens aangenaam wegens de tweestemmige zang van de twee Martha's, Johnson en Ladly. In Teddy the Dink klinkt bijna punk met opnieuw prominent de tenorsax.
Waar ik bij het debuut nogal in de muziek moest komen, blijkt Trance and Dance juist uitnodigend, zo landen Symptomatic Love en Primal Weekend met zijn onstuimige intro eveneens snel, mede dankzij de soms dwarse gitaarpartijen van Mark Gane en het ijle orgeltje, eveneens door de dames Johnson en Ladly gedaan. Kant 1 eindigt bijna kakafonisch.
Op kant 2 eveneens zes nummers. Halfway Through the Week staat symbolisch halverwege het album en Gane sleurt weer op gitaar; hij doet zelfs leadzang. Lichter en appetijtelijk is Am I On? waarna pretliedje Motorbikin' kort de boel laat rocken; opnieuw met lichte punkinvloed.
About Insomnia is dromeriger, de titel ten spijt, fraaie melancholie en melodie. Bijna alsof we The Bangles horen. In Be Blasé wordt naar ska geknipoogd mede dankzij de dansende baslijn en het pompende drumwerk van Tim Gane.
Ruim zeven minuten duurt het titellied van Trance and Dance dat de plaat afsluit. mede dankzij een drumcomputertje zoals ik dat van Gary Numan ken, klinkt sfeervolle new wave in een sterk opgebouwd nummer.
De Canadezen klinken op dit album vooral Brits - niet verrassend, want opgenomen in The Manor Studios van Richard Branson en het slapeloosheidlied in Townhouse in Londen, eveneens van Branson. Oftewel, voor hun tweede album stond men onder contract bij Virgin. Gek toch dat Brits succes ontbrak, ondanks de kwaliteit van de muziek. In 2013 kreeg het bij Cherry Red een fraaie heruitgave, hier te vinden. Dat is de versie waar vigil over schreef.
Waar ik ernaar uitzie om t.z.t. opvolger This Is the Ice Age te beluisteren, ontdek ik dat die niet op mijn streamingkanaal staat. Wél die daarna, Danseparc uit '83. Hopelijk wordt het hiaat opgevuld als ik bij 1981 ben.
Mijn reis door new wave kwam van Graham Parker and the Rumour en hun The Up Escalator en ik vervolg bij het eveneens in september 1980 verschenen debuut van het Nederlandse Nasmak.
Mass - Voices in the Night (1989)

3,5
0
geplaatst: 12 september 2023, 19:44 uur
Geproduceerd door Michael Sweet van Stryper, uitgebracht op hetzelfde Enigma, klinkt Voices in the Night van Mass als... Stryper. Indertijd op vinyl gekocht, later weggegeven omdat ik het na enkele jaren te zoetjes vond. Nee, dan liever thrash als je toch metal wilt draaien.
Vorig jaar echter ging mijn hoofd plotseling naar dit plaatje vragen. Waarom weet ik niet, ik neuriede simpelweg een liedje van deze Mass. Op streaming is hij te vinden en toen ik 'm laatst ergens tweedehands op cd tegenkwam, kon ik geen weerstand bieden...
Blijkens Discogs begon de groep uit Boston in 1979 als Axes en nam in 1982 met producer Tom Allom, bekend van zijn werk voor Judas Priest, een eerste album op dat om problemen met het platenlabel nooit verscheen. Een eigen beheer-EP geproduceerd door John Mathias volgde in '84, dat in en rond hun thuisstad genoeg reuring veroorzaakte om RCA te laten toehappen. Debuutplaat New Birth was het gevolg, een elpee waarvoor momenteel op Discogs veel moet worden neergelegd. Vervolgens nam Enigma hen onder hun hoede, waarna in 1988 (in Europa in zomer '89 zoals ik me de dag van aanschaf herinner) dit Voices in the Night verscheen.
Mannen met getoupeerde haren, zoals toen mode was in het metalen Amerika van die dagen, maakten niet per definitie glammetal. Dat genre munt uit in infantiele muziekjes met vaak seksistische teksten en dat is hier zeker niet het geval. De groep maakt gewoon melodieuze metal waarbij goed wordt gemusiceerd in de zelfgeschreven nummers. Af en toe klinkt een lekkere gitaarsolo of een twingitaarlijn, in de snelle stukken dubbele basdrum, over de arrangementen is goed nagedacht en de productie voldoet aan de normen van 1988.
Net als bij het Stryper van die dagen is het vierde nummer van iedere plaatkant een ballade, op cd dus track 4 en 9. Mijn elpee bevatte indertijd niet track 11 Still of the Night, dat wat meer echo in de productie heeft dankzij John Mathias. Een heropname van het nummer dat ook op hun EP uit '84 stond.
Als de stem van Louie St. August niet iets lager was geweest dan die van Michael Sweet, had ik gedacht dat het Stryper zelf was. Dat is dan ook meteen de zwakte van de plaat; het lijkt wel erg op die groep, ook al zijn de teksten niet van het evangeliserende soort. Wel in een positieve sfeer.
Indertijd noemden we dit melodieuze metal, net als bijvoorbeeld de vroege jaren van Europe schurkt het soms wel erg dicht tegen popmuziek aan. Desondanks een lekker plaatje, licht verteerbaar als een cracker met jam.
Op streaming ontdek ik recenter werk van de groep. Let wel op: er waren meer groepen met de naam Mass, lekker verwarrend.
Op Discogs vind je ze onder Mass (16), op MuMe als Mass (1). Daarbij ontdek ik helaas weer eens dat de zoekfunctie van MuMe niet goed werkt: als ik 'Mass' intik kom ik ze niet als artiest tegen...
Daarom hier de link naar de bandpagina op MuMe.
Vorig jaar echter ging mijn hoofd plotseling naar dit plaatje vragen. Waarom weet ik niet, ik neuriede simpelweg een liedje van deze Mass. Op streaming is hij te vinden en toen ik 'm laatst ergens tweedehands op cd tegenkwam, kon ik geen weerstand bieden...
Blijkens Discogs begon de groep uit Boston in 1979 als Axes en nam in 1982 met producer Tom Allom, bekend van zijn werk voor Judas Priest, een eerste album op dat om problemen met het platenlabel nooit verscheen. Een eigen beheer-EP geproduceerd door John Mathias volgde in '84, dat in en rond hun thuisstad genoeg reuring veroorzaakte om RCA te laten toehappen. Debuutplaat New Birth was het gevolg, een elpee waarvoor momenteel op Discogs veel moet worden neergelegd. Vervolgens nam Enigma hen onder hun hoede, waarna in 1988 (in Europa in zomer '89 zoals ik me de dag van aanschaf herinner) dit Voices in the Night verscheen.
Mannen met getoupeerde haren, zoals toen mode was in het metalen Amerika van die dagen, maakten niet per definitie glammetal. Dat genre munt uit in infantiele muziekjes met vaak seksistische teksten en dat is hier zeker niet het geval. De groep maakt gewoon melodieuze metal waarbij goed wordt gemusiceerd in de zelfgeschreven nummers. Af en toe klinkt een lekkere gitaarsolo of een twingitaarlijn, in de snelle stukken dubbele basdrum, over de arrangementen is goed nagedacht en de productie voldoet aan de normen van 1988.
Net als bij het Stryper van die dagen is het vierde nummer van iedere plaatkant een ballade, op cd dus track 4 en 9. Mijn elpee bevatte indertijd niet track 11 Still of the Night, dat wat meer echo in de productie heeft dankzij John Mathias. Een heropname van het nummer dat ook op hun EP uit '84 stond.
Als de stem van Louie St. August niet iets lager was geweest dan die van Michael Sweet, had ik gedacht dat het Stryper zelf was. Dat is dan ook meteen de zwakte van de plaat; het lijkt wel erg op die groep, ook al zijn de teksten niet van het evangeliserende soort. Wel in een positieve sfeer.
Indertijd noemden we dit melodieuze metal, net als bijvoorbeeld de vroege jaren van Europe schurkt het soms wel erg dicht tegen popmuziek aan. Desondanks een lekker plaatje, licht verteerbaar als een cracker met jam.
Op streaming ontdek ik recenter werk van de groep. Let wel op: er waren meer groepen met de naam Mass, lekker verwarrend.
Op Discogs vind je ze onder Mass (16), op MuMe als Mass (1). Daarbij ontdek ik helaas weer eens dat de zoekfunctie van MuMe niet goed werkt: als ik 'Mass' intik kom ik ze niet als artiest tegen...
Daarom hier de link naar de bandpagina op MuMe.Mastedon - 3 (2009)
Alternatieve titel: Three

5,0
1
geplaatst: 13 november 2023, 21:27 uur
De gebroeders John en Dino Elefante produceren en schrijven voor derden én zichzelf. Bij de start van zijn solocarrière genoot John bekendheid als ex-zanger van Kansas, maar omdat de groep in zijn periode progrock verruilde voor adult oriented rock / hardrock, werd hem dat door sommige fans aangerekend.
In '89 en '90 verschenen twee aor-albums onder de vlag van Mastedon, waarop de nodige gastmuzikanten en -zangers waren te horen. In de periode '95 - '99 maakten John en zijn gitaarspelende broer drie popalbums onder Johns naam. Eigenlijk in dezelfde stijl, waarbij de scheurende gitaren achterwege bleven.
Na (negen)tien stille jaren keerde de olifant onverwacht terug van de savanne. Dit met een album dat het beste van de vijf voorgangers verenigt, vandaar wellicht dat de hoes van 3 eveneens "with John Elefante" vermeldt.
De eerste drie nummers bevatten ijzersterke melodieën in aor-kledij, waarbij gitarist Dave Amato net als op de Mastedonplaten vingervlug soleert. Meteen valt op dat de productie nog rijker is dan toen. Waar ik helemaal vrolijk van werd, al drong het niet direct tot met door: op de eerste drie nummers klinken schitterende warme gitaren en koortjes, herinnerend aan de energieke kant van Boston.
Wat wél meteen opviel is dat op track 4, het een dikke 10 minuten durende One Day Down by the Lake (See You Real Soon), Mastedon klinkt als Kansas in de jaren '70. Kerry Livgren was de derde gitarist op dit album; schreef hij mee aan dit nummer? De hoes vermeldt echter dat het John was die alle muziek schreef. Het nummer gaat wervelend van het ene naar het andere deel, stevig, melodieus en vooral meeslepend.
Meer verbazing bij Water Into Wine (Fassa Rokka), waar een AC/DC-achtige riff wordt gekoppeld aan een "engelenkoor". Werk dat? Jazeker! Sterker nog: een verslavende oorwurm die optimaal profiteert van deze vreemde combinatie en bovendien ijzersterke melodielijnen bevat.
Hierna wordt teruggekeerd naar de aor van Mastedon, zij het niet altijd op het extreem hoge niveau van de eerste vijf nummers. Questions is een prima semi-ballade, waarin de associatie met Boston terugkeert, bij de jaren '80-toetsengeluiden in het intro van You Can't Take Anything zou je ook aan het Europe van midden jaren '80 kunnen denken: het wordt spoedig lekkere pophardrock en met koortje en brug is Boston er weer.
Die laatste associatie was er bij eerste beluistering van 3 meteen bij Lying, dat zowel hard als melodieus klinkt; na twee aardige nummers een terugkeer naar het hoogste niveau. Prachtige gitaarlijnen en die ronde gitaarmuur daaronder: zwáár genieten.
Het swingende Western World heeft een jaren '70-gevoel met z'n riff en orgeltje. Het lied groeit bij vaker afspelen. Het intro van That's What You Do bevat dan weer lichte proginvloeden in jaren '80-stijl en is met zijn tegendraadse riff tegelijkertijd stevig.
In zijn teksten bekijkt Elefante de wereld en zichzelf. In de teksten klinkt (zelf)kritiek (Lying), maar ook hoop; hij is immers een gelovig mens.
Een jaar later in de Verenigde Staten uitgebracht, de artiestennamen verwisseld tot John Elefante with Mastedon met de titel Revolution of Mind, biedt Mastedons 3 echter bovendien nog track 11. Hierop covert hij Dust in the Wind, dat hij sinds 1982 vele malen zal hebben gezongen. Nu echter geen gitaaroefening maar een piano-rockballade; dan veel liever het origineel...
Dit najaar niet verkrijgbaar op mijn streaming platform en afgezien van een enkel nummer ook niet op JijBuis. Liefhebbers van melodieuze hardrock zullen echter bij aanschaf bepaald géén miskoop doen: mijn vijf sterren drukken een 9,5 als schoolcijfer uit.
In '89 en '90 verschenen twee aor-albums onder de vlag van Mastedon, waarop de nodige gastmuzikanten en -zangers waren te horen. In de periode '95 - '99 maakten John en zijn gitaarspelende broer drie popalbums onder Johns naam. Eigenlijk in dezelfde stijl, waarbij de scheurende gitaren achterwege bleven.
Na (negen)tien stille jaren keerde de olifant onverwacht terug van de savanne. Dit met een album dat het beste van de vijf voorgangers verenigt, vandaar wellicht dat de hoes van 3 eveneens "with John Elefante" vermeldt.
De eerste drie nummers bevatten ijzersterke melodieën in aor-kledij, waarbij gitarist Dave Amato net als op de Mastedonplaten vingervlug soleert. Meteen valt op dat de productie nog rijker is dan toen. Waar ik helemaal vrolijk van werd, al drong het niet direct tot met door: op de eerste drie nummers klinken schitterende warme gitaren en koortjes, herinnerend aan de energieke kant van Boston.
Wat wél meteen opviel is dat op track 4, het een dikke 10 minuten durende One Day Down by the Lake (See You Real Soon), Mastedon klinkt als Kansas in de jaren '70. Kerry Livgren was de derde gitarist op dit album; schreef hij mee aan dit nummer? De hoes vermeldt echter dat het John was die alle muziek schreef. Het nummer gaat wervelend van het ene naar het andere deel, stevig, melodieus en vooral meeslepend.
Meer verbazing bij Water Into Wine (Fassa Rokka), waar een AC/DC-achtige riff wordt gekoppeld aan een "engelenkoor". Werk dat? Jazeker! Sterker nog: een verslavende oorwurm die optimaal profiteert van deze vreemde combinatie en bovendien ijzersterke melodielijnen bevat.
Hierna wordt teruggekeerd naar de aor van Mastedon, zij het niet altijd op het extreem hoge niveau van de eerste vijf nummers. Questions is een prima semi-ballade, waarin de associatie met Boston terugkeert, bij de jaren '80-toetsengeluiden in het intro van You Can't Take Anything zou je ook aan het Europe van midden jaren '80 kunnen denken: het wordt spoedig lekkere pophardrock en met koortje en brug is Boston er weer.
Die laatste associatie was er bij eerste beluistering van 3 meteen bij Lying, dat zowel hard als melodieus klinkt; na twee aardige nummers een terugkeer naar het hoogste niveau. Prachtige gitaarlijnen en die ronde gitaarmuur daaronder: zwáár genieten.
Het swingende Western World heeft een jaren '70-gevoel met z'n riff en orgeltje. Het lied groeit bij vaker afspelen. Het intro van That's What You Do bevat dan weer lichte proginvloeden in jaren '80-stijl en is met zijn tegendraadse riff tegelijkertijd stevig.
In zijn teksten bekijkt Elefante de wereld en zichzelf. In de teksten klinkt (zelf)kritiek (Lying), maar ook hoop; hij is immers een gelovig mens.
Een jaar later in de Verenigde Staten uitgebracht, de artiestennamen verwisseld tot John Elefante with Mastedon met de titel Revolution of Mind, biedt Mastedons 3 echter bovendien nog track 11. Hierop covert hij Dust in the Wind, dat hij sinds 1982 vele malen zal hebben gezongen. Nu echter geen gitaaroefening maar een piano-rockballade; dan veel liever het origineel...
Dit najaar niet verkrijgbaar op mijn streaming platform en afgezien van een enkel nummer ook niet op JijBuis. Liefhebbers van melodieuze hardrock zullen echter bij aanschaf bepaald géén miskoop doen: mijn vijf sterren drukken een 9,5 als schoolcijfer uit.
Mastedon - It's a Jungle Out There! (1989)

4,5
1
geplaatst: 6 augustus 2023, 13:56 uur
In 1989, vijf jaar na zijn laatste album als zanger van Kansas, bracht John Elefante onder de vlag van Mastedon dan eindelijk zijn eerste soloalbum uit. Ik werd omvergeblazen door de opener, vooral toen ik níet zijn stem hoorde. En ook niet op track 2; pas op nummer 3 klinkt zijn stem.
Het bleek hier om een project te gaan in plaats van simpelweg een soloalbum. Een verrassend debuut, zeker voor iemand die alles rond Kansas op de voet volgde. Wat was bekend van de "stille jaren" van Elefante?
Eind 1983 verlieten zowel gitarist/toetsenist/componist Kerry Livgren als bassist Dave Hope Kansas om verder te gaan als Kerry Livgren/AD. Gitarist Rich Williams en drummer Phil Ehart probeerden nog de groep voort te zetten met John Elefante, zanger op de laatste twee van Kansas. Voor verzamelaar The Best Of nam het trio zelfs één nieuw nummer op.
Het lukte niet om een nieuw platencontract te scoren en Elefante verliet de groep. Hij richtte zich in thuisstaat Californië met hulp van broer Dino op een solocarrière. Eerste resultaat was in 1985 een sterke track onder de naam Elefante op de soundtrack van film St. Elmo's Fire, in 1987 gevolgd door een nummer op verzamelaar California Metal onder de vlag van Mastedon, waarna een jaar later op California Metal Volume II een derde levensteken werd afgegeven.
De broers hebben dan inmiddels een eigen opnamestudio en label opgezet onder de naam Pakaderm. Eerste uitgave was het debuut van de groep X-Sinner, waarna dan toch nog een compleet album van Mastedon verscheen.
Dit It’s a Jungle Out There! bleek dus tot mijn grote verrassing geen soloalbum maar een onvervalste projectplaat te zijn. Het laat horen dat de broers in de jaren ’84 – ’89 een heel netwerk hadden opgebouwd en hun producerskwaliteiten perfectioneerden.
De plaat opent met het titelnummer. Zanger is Dave Robbins van X-Sinner. Diens splijtende zang blijkt verrassend goed te werken voor de doorgaans wat ingetogener stijl van de Elefantes. Sterker nog, een instant ijzersterke oorwurm! Met de openingszin "Ashes are falling like rain down to the grouuuund" werd ik er aan de haren bij gesleurd.
De rest van het album had indertijd meer draaibeurten nodig, zovele jaren later valt me op hoezeer dit album met alle gastbijdragen desondanks als een sterke eenheid klinkt. Mastedons adult oriented rock wordt verrassenderwijs vergezeld door onvervalste hardrock met steeds weer pakkende melodieën.
Op track 2 Glory Bound zingt gitarist Dave Amato, die o.a. bij Ted Nugent speelde. Niet zo stevig als de opener, maar nog altijd steviger dan verwacht met wederom een sterke melodielijn. This is the Day is de eerste met Elefante als frontman, nét wat lichter dan het voorgaande nummer. Met Love Inhalation klinkt weer hardrock met de schurende stem van de onbekend gebleven Perry Lee (niet te verwarren met reggaezanger Lee Perry) én een knallende gitaarsolo van Amato.
De eerste helft sluit af met het iets ingetogener Islands in the Sky, door Elefante gezongen. Het doet me denken aan aor van bijvoorbeeld Bad English, Journey en Styx.
De tweede helft begint met Get Up, ook op California Metal II te vinden. Elefante zingt zijn derde nummer. Wederom uptempo aor, vergelijkbaar met de muziek die de gebroeders Elefante voor Kansas schreven. Bij Love that Will Survive staat Amato weer bij de microfoon bij een ietwat melancholische melodie, bijzonder fraai: uptempo en toch ingetogen.
Melodieuze hardrock met zang van Lee klinkt in Innocent Girl. Pas bij track 9 is sprake van een balladeachtig nummer, tegelijkertijd is het daarvoor te symfonisch/progrock met bovendien een ijzersterk thema. Shine On wordt gezongen door Dave Pack, van 1975 - 1982 in Amerika bekend als zanger van de groep Ambrosia. Een tweetal achtergrondzangeressen versterkt de melodie.
Afgesloten wordt met flitsend gitaarwerk in het intro van het stampend-swingende Right Hand. Hier zingt Amato sterke melodieën, de troef van dit album. Het eindigt met een lange gitaarsolo van opnieuw Amato, waarna het nummer vrij abrupt wordt beëindigd.
In 2009 verscheen het album opnieuw met drie bonustracks: de eerste is Wasn’t it Love, oorspronkelijk op California Metal te vinden. Het wordt gevolgd door twee liveversies. Op de achterzijde is een foto van Elefante afgedrukt, die zichtbaar niet meer het groentje uit zijn dagen bij Kansas was.
De muziek is dus dik in orde voor wie houdt van adult oriented rock en melodieuze hardrock, in de lijn van de twee albums die Kansas met John Elefante maakte. Vijf jaren rijping betaalden zich uit in tien sterke composities.
Enige nadeel is het cd-hoesje (ik heb de editie uit ’89). Je kunt niet simpelweg een elpeehoes naar cd-formaat verkleinen en verwachten dat het met slechts twee kantjes tekst (inclusief liedteksten) makkelijk leesbaar blijft. Bovendien staan de nummers noch op de achterzijde, noch in het tekstboekje op de juiste volgorde vermeld.
It’s a Jungle Out There! is op streaming te vinden. Gelukkig maar, want voor de diverse versies op geluidsdrager betaal je momenteel te veel. Sterk en gevarieerd, een feest voor wie van krachtig gezongen aor en hardrock met prachtige melodieën houdt.
Het bleek hier om een project te gaan in plaats van simpelweg een soloalbum. Een verrassend debuut, zeker voor iemand die alles rond Kansas op de voet volgde. Wat was bekend van de "stille jaren" van Elefante?
Eind 1983 verlieten zowel gitarist/toetsenist/componist Kerry Livgren als bassist Dave Hope Kansas om verder te gaan als Kerry Livgren/AD. Gitarist Rich Williams en drummer Phil Ehart probeerden nog de groep voort te zetten met John Elefante, zanger op de laatste twee van Kansas. Voor verzamelaar The Best Of nam het trio zelfs één nieuw nummer op.
Het lukte niet om een nieuw platencontract te scoren en Elefante verliet de groep. Hij richtte zich in thuisstaat Californië met hulp van broer Dino op een solocarrière. Eerste resultaat was in 1985 een sterke track onder de naam Elefante op de soundtrack van film St. Elmo's Fire, in 1987 gevolgd door een nummer op verzamelaar California Metal onder de vlag van Mastedon, waarna een jaar later op California Metal Volume II een derde levensteken werd afgegeven.
De broers hebben dan inmiddels een eigen opnamestudio en label opgezet onder de naam Pakaderm. Eerste uitgave was het debuut van de groep X-Sinner, waarna dan toch nog een compleet album van Mastedon verscheen.
Dit It’s a Jungle Out There! bleek dus tot mijn grote verrassing geen soloalbum maar een onvervalste projectplaat te zijn. Het laat horen dat de broers in de jaren ’84 – ’89 een heel netwerk hadden opgebouwd en hun producerskwaliteiten perfectioneerden.
De plaat opent met het titelnummer. Zanger is Dave Robbins van X-Sinner. Diens splijtende zang blijkt verrassend goed te werken voor de doorgaans wat ingetogener stijl van de Elefantes. Sterker nog, een instant ijzersterke oorwurm! Met de openingszin "Ashes are falling like rain down to the grouuuund" werd ik er aan de haren bij gesleurd.
De rest van het album had indertijd meer draaibeurten nodig, zovele jaren later valt me op hoezeer dit album met alle gastbijdragen desondanks als een sterke eenheid klinkt. Mastedons adult oriented rock wordt verrassenderwijs vergezeld door onvervalste hardrock met steeds weer pakkende melodieën.
Op track 2 Glory Bound zingt gitarist Dave Amato, die o.a. bij Ted Nugent speelde. Niet zo stevig als de opener, maar nog altijd steviger dan verwacht met wederom een sterke melodielijn. This is the Day is de eerste met Elefante als frontman, nét wat lichter dan het voorgaande nummer. Met Love Inhalation klinkt weer hardrock met de schurende stem van de onbekend gebleven Perry Lee (niet te verwarren met reggaezanger Lee Perry) én een knallende gitaarsolo van Amato.
De eerste helft sluit af met het iets ingetogener Islands in the Sky, door Elefante gezongen. Het doet me denken aan aor van bijvoorbeeld Bad English, Journey en Styx.
De tweede helft begint met Get Up, ook op California Metal II te vinden. Elefante zingt zijn derde nummer. Wederom uptempo aor, vergelijkbaar met de muziek die de gebroeders Elefante voor Kansas schreven. Bij Love that Will Survive staat Amato weer bij de microfoon bij een ietwat melancholische melodie, bijzonder fraai: uptempo en toch ingetogen.
Melodieuze hardrock met zang van Lee klinkt in Innocent Girl. Pas bij track 9 is sprake van een balladeachtig nummer, tegelijkertijd is het daarvoor te symfonisch/progrock met bovendien een ijzersterk thema. Shine On wordt gezongen door Dave Pack, van 1975 - 1982 in Amerika bekend als zanger van de groep Ambrosia. Een tweetal achtergrondzangeressen versterkt de melodie.
Afgesloten wordt met flitsend gitaarwerk in het intro van het stampend-swingende Right Hand. Hier zingt Amato sterke melodieën, de troef van dit album. Het eindigt met een lange gitaarsolo van opnieuw Amato, waarna het nummer vrij abrupt wordt beëindigd.
In 2009 verscheen het album opnieuw met drie bonustracks: de eerste is Wasn’t it Love, oorspronkelijk op California Metal te vinden. Het wordt gevolgd door twee liveversies. Op de achterzijde is een foto van Elefante afgedrukt, die zichtbaar niet meer het groentje uit zijn dagen bij Kansas was.
De muziek is dus dik in orde voor wie houdt van adult oriented rock en melodieuze hardrock, in de lijn van de twee albums die Kansas met John Elefante maakte. Vijf jaren rijping betaalden zich uit in tien sterke composities.
Enige nadeel is het cd-hoesje (ik heb de editie uit ’89). Je kunt niet simpelweg een elpeehoes naar cd-formaat verkleinen en verwachten dat het met slechts twee kantjes tekst (inclusief liedteksten) makkelijk leesbaar blijft. Bovendien staan de nummers noch op de achterzijde, noch in het tekstboekje op de juiste volgorde vermeld.
It’s a Jungle Out There! is op streaming te vinden. Gelukkig maar, want voor de diverse versies op geluidsdrager betaal je momenteel te veel. Sterk en gevarieerd, een feest voor wie van krachtig gezongen aor en hardrock met prachtige melodieën houdt.
Mastedon - Lofcaudio (1990)

4,0
1
geplaatst: 13 augustus 2023, 11:10 uur
In 1990 vond ik Lofcaudio tegenvallen met de potloodtekeningen van de hoes, waarbij de muziek in vergelijking met het debuut It's a Jungle Out There! wat eenvormig klonk. Drieëntwintig jaar later constateer ik dat ik bananen in de oren had. Tja, ik volgde in die tijd vooral thrash / death metal en bovendien was er iets rond een meisje dat de nodige aandacht vroeg. Met melodieuze hardrock en metal was ik minder bezig.
Mastedon was de groep van de broers John en Dino Elefante. De eerste zong gedurende twee albums bij progrockers Kansas, dat in zijn periode meer de kant van adult oriented rock opging. Het debuut van Mastedon was een projectplaat, hetgeen ook voor Lofcaudio geldt, al is dat veel minder hoorbaar.
Het album gaat bombastisch en knallend van start met Holiest One, op dit album het enige lied waarbij de broers John en Dino Elefante assistentie bij het schrijven kregen. Dit van gitarist Tony Palacios van Guardian, die bovendien een pijlsnelle solo neerzette. In de breaks van het nummer klinken echo’s van Johns verleden bij Kansas, in de tekst leggen de broers hun beweegredenen uit.
Geleidelijk wordt bij dit album duidelijk dat de nummers meer op elkaar lijken dan op de voorganger. De muziek is vooral uptempo en bombastisch, een enkele uitzondering daargelaten.
De stemmen van de drie gastzangers verschillen daarbij niet al te veel van die van John, wat dat betreft dus minder variatie dan op de eersteling. Het zijn Dave Amato die ook op It’s a Jungle Out There zong; Tom Bowes (hierna zanger bij soul/funkgroep Tower of Power) en de verder onbekende “James” Dean Longacre. Jammer genoeg vermeldt het boekje niet wie er op welk nummer zingt, dat werd puzzelen.
Ik kom uit op de volgende verdeling wat betreft leadzang, maar verbeter me als ik het mis heb: John Elefante op Holiest One, Run to the Water, Taken Down Below met daarin echo’s van Kansas en It Is Done dat de plaat midtempo afsluit; Amato op When it All Comes Down en People of this Time; de “zwarte stem” van Bowes meen ik te herkennen op Living for You; tenslotte Longacre op Life on the Line en het swingende Thief in the Night. Zijn omfloerste stem doet denken aan die van Bobby Kimball van Toto.
Het korte Stampede (2’27”) is semi-instrumentaal en bevat onvervalste progrock. In het intro met daarin invloed van Afrikaanse muziek zingt Elefante; daarna volgen op hoog tempo een tegendraadse riff en de nodige tempowisselingen.
Naast zang zet Amato op Lofcaudio her en der vingervlugge en scheurende gitaarsolo’s neer, zoals in When it All Comes Down. Of horen we hier Michael Thompson of Steph Burns? De inlay vermeldt wederom niet wie aan welk nummer werkte, Palacios in de opener daargelaten. Sterker nog, er wordt genoemd dat er veel meer "mystery guests" waren, die vanwege "the usual legal entangelment" niet worden genoemd.
De Elefantes zijn christenen wat in de teksten doorklinkt, zonder dat het oubollig of betuttelend wordt: de broers putten uit hun persoonlijke ervaring. Dat net als op het debuut, maar qua muziek is het dus iets minder gevarieerd: een progballade als Shine On ontbreekt op deze bombastische opvolger.
Sterke melodieën, een volle productie en muzikaal vakmanschap vormen echter opnieuw een sterke rode draad. Geïnspireerde aor met veel hardrockende uitstapjes. Of is het omgekeerd?
Mastedon was de groep van de broers John en Dino Elefante. De eerste zong gedurende twee albums bij progrockers Kansas, dat in zijn periode meer de kant van adult oriented rock opging. Het debuut van Mastedon was een projectplaat, hetgeen ook voor Lofcaudio geldt, al is dat veel minder hoorbaar.
Het album gaat bombastisch en knallend van start met Holiest One, op dit album het enige lied waarbij de broers John en Dino Elefante assistentie bij het schrijven kregen. Dit van gitarist Tony Palacios van Guardian, die bovendien een pijlsnelle solo neerzette. In de breaks van het nummer klinken echo’s van Johns verleden bij Kansas, in de tekst leggen de broers hun beweegredenen uit.
Geleidelijk wordt bij dit album duidelijk dat de nummers meer op elkaar lijken dan op de voorganger. De muziek is vooral uptempo en bombastisch, een enkele uitzondering daargelaten.
De stemmen van de drie gastzangers verschillen daarbij niet al te veel van die van John, wat dat betreft dus minder variatie dan op de eersteling. Het zijn Dave Amato die ook op It’s a Jungle Out There zong; Tom Bowes (hierna zanger bij soul/funkgroep Tower of Power) en de verder onbekende “James” Dean Longacre. Jammer genoeg vermeldt het boekje niet wie er op welk nummer zingt, dat werd puzzelen.
Ik kom uit op de volgende verdeling wat betreft leadzang, maar verbeter me als ik het mis heb: John Elefante op Holiest One, Run to the Water, Taken Down Below met daarin echo’s van Kansas en It Is Done dat de plaat midtempo afsluit; Amato op When it All Comes Down en People of this Time; de “zwarte stem” van Bowes meen ik te herkennen op Living for You; tenslotte Longacre op Life on the Line en het swingende Thief in the Night. Zijn omfloerste stem doet denken aan die van Bobby Kimball van Toto.
Het korte Stampede (2’27”) is semi-instrumentaal en bevat onvervalste progrock. In het intro met daarin invloed van Afrikaanse muziek zingt Elefante; daarna volgen op hoog tempo een tegendraadse riff en de nodige tempowisselingen.
Naast zang zet Amato op Lofcaudio her en der vingervlugge en scheurende gitaarsolo’s neer, zoals in When it All Comes Down. Of horen we hier Michael Thompson of Steph Burns? De inlay vermeldt wederom niet wie aan welk nummer werkte, Palacios in de opener daargelaten. Sterker nog, er wordt genoemd dat er veel meer "mystery guests" waren, die vanwege "the usual legal entangelment" niet worden genoemd.
De Elefantes zijn christenen wat in de teksten doorklinkt, zonder dat het oubollig of betuttelend wordt: de broers putten uit hun persoonlijke ervaring. Dat net als op het debuut, maar qua muziek is het dus iets minder gevarieerd: een progballade als Shine On ontbreekt op deze bombastische opvolger.
Sterke melodieën, een volle productie en muzikaal vakmanschap vormen echter opnieuw een sterke rode draad. Geïnspireerde aor met veel hardrockende uitstapjes. Of is het omgekeerd?
Matchbox - Matchbox (1979)

3,5
1
geplaatst: 17 juli 2023, 14:38 uur
Leuk, het berichtje van Draakje1968 over Matchbox! Eind jaren '70 was vetkuivenrock 'n' roll opeens in, met hits voor Link Wray & Robert Gordon, The Darts, Shakin' Stevens, Stray Cats en het Engelse Matchbox, dat van half april tot half juli 1979 met Buzz Buzz a Diddle It in de Nationale Hitparade stond, in juni brutaal #6 halend.
Ik was een beginnende puber en zeker vanaf 1980 kwam ik in het land van hardrock en metal terecht. Toch waren het hits als deze die een volgende generatie eraan herinnerden dat het hiermee ooit begon.
Dit liedje hoort bij mijn soundtrack van die deels verregende zomer en nu ik hem voor het eerst in decennia terughoor (via streaming) blijkt dat de rest van de plaat hetzelfde niveau haalt.
Zelfs deze rockabilly is alweer 44 jaar oud: duidelijk van een betere opnamekwaliteit dan de originelen van de jaren '50, met zelfgeschreven materiaal in dezelfde geest. Bovendien lekker gevarieerd. In Hurricane lijkt het zelfs of ik glamrockgroep Mud hoor.
Een stijl die eigenlijk niet mijn kopje thee is, maar aangenaam voortswingt als herinnering aan de wortels van popmuziek. De gitaar werd voor het eerst het belangrijkste (solo)instrument, waar mijn favoriete gitaristen vanaf eind jaren '60 tot de dag van vandaag op zouden voortborduren.
De groep is nog altijd actief, meldt Wikipedia. Geinig om weer eens tegen te komen!
Ik was een beginnende puber en zeker vanaf 1980 kwam ik in het land van hardrock en metal terecht. Toch waren het hits als deze die een volgende generatie eraan herinnerden dat het hiermee ooit begon.
Dit liedje hoort bij mijn soundtrack van die deels verregende zomer en nu ik hem voor het eerst in decennia terughoor (via streaming) blijkt dat de rest van de plaat hetzelfde niveau haalt.
Zelfs deze rockabilly is alweer 44 jaar oud: duidelijk van een betere opnamekwaliteit dan de originelen van de jaren '50, met zelfgeschreven materiaal in dezelfde geest. Bovendien lekker gevarieerd. In Hurricane lijkt het zelfs of ik glamrockgroep Mud hoor.
Een stijl die eigenlijk niet mijn kopje thee is, maar aangenaam voortswingt als herinnering aan de wortels van popmuziek. De gitaar werd voor het eerst het belangrijkste (solo)instrument, waar mijn favoriete gitaristen vanaf eind jaren '60 tot de dag van vandaag op zouden voortborduren.
De groep is nog altijd actief, meldt Wikipedia. Geinig om weer eens tegen te komen!
MC5 - Kick Out the Jams (1969)

3,5
1
geplaatst: 4 februari 2024, 18:34 uur
Ergens begin jaren '80 leende ik deze plaat uit de bieb, nadat ik in de Popencyclopedie van Oor had gelezen over de pioniersgroep die MC5 was. Tijdgenoten van het inmiddels door mij omarmde Black Sabbath, kon ik niet zoveel met de muziek en afgezien van opener Ramblin' Rose (wát een introductie gaat daaraan vooraf!) en het titelnummer zette ik niets op cassettebandje.
Enkele jaren geleden kwam ik op YouTube een college tegen van frontman Wayne Kramer, dat ik die zomervakantie op mijn gemak en met veel plezier heb bekeken, om daarna dit album opnieuw te beluisteren, inmiddels makkelijk te vinden via streaming.
Van de muziek word ik nog steeds niet enthousiast, maar inmiddels begrijp ik veel beter hoe heftig deze bak "gitaarherrie" bij het verschijnen van Kick out the Jams moet zijn overgekomen. Met een liveplaat debuteren is al iets en de opnamen laten niets aan de verbeelding over wat betreft intensiteit. JImi Hendrix vond men al heftig, dit gaat daar vér overheen. Badend in de linkse revolte (anti-Vietnamoorlog bijvoorbeeld) klonk deze plaat als één van de meest heftige exponenten van die beweging.
Bovendien stond de groep aan de wieg van zowel hardrock, heavy metal als punk. Zéker een tijdsdocument van kaliber. En leuk om het bericht hierboven te lezen, waar iemand meer heeft met de muziek, want dat gebeurt mij dus nog steeds niet. Kwestie van smaak.
Liefhebber of niet, dit is een album dat iedereen met serieuze interesse in de popmuziek een keer gehoord móet hebben. De 3,5 ster die ik geef is voor de muziek, niet voor de lading erachter: die laat zich niet in sterren vangen.
"I'm pretty sure I'm gonna die" zegt Kramer in het college, terugblikkend op zijn zekerheden van toen, toen hij zichzelf zo goed als als onsterfelijk beschouwde. Aanrader!
Enkele jaren geleden kwam ik op YouTube een college tegen van frontman Wayne Kramer, dat ik die zomervakantie op mijn gemak en met veel plezier heb bekeken, om daarna dit album opnieuw te beluisteren, inmiddels makkelijk te vinden via streaming.
Van de muziek word ik nog steeds niet enthousiast, maar inmiddels begrijp ik veel beter hoe heftig deze bak "gitaarherrie" bij het verschijnen van Kick out the Jams moet zijn overgekomen. Met een liveplaat debuteren is al iets en de opnamen laten niets aan de verbeelding over wat betreft intensiteit. JImi Hendrix vond men al heftig, dit gaat daar vér overheen. Badend in de linkse revolte (anti-Vietnamoorlog bijvoorbeeld) klonk deze plaat als één van de meest heftige exponenten van die beweging.
Bovendien stond de groep aan de wieg van zowel hardrock, heavy metal als punk. Zéker een tijdsdocument van kaliber. En leuk om het bericht hierboven te lezen, waar iemand meer heeft met de muziek, want dat gebeurt mij dus nog steeds niet. Kwestie van smaak.
Liefhebber of niet, dit is een album dat iedereen met serieuze interesse in de popmuziek een keer gehoord móet hebben. De 3,5 ster die ik geef is voor de muziek, niet voor de lading erachter: die laat zich niet in sterren vangen.
"I'm pretty sure I'm gonna die" zegt Kramer in het college, terugblikkend op zijn zekerheden van toen, toen hij zichzelf zo goed als als onsterfelijk beschouwde. Aanrader!
McAuley Schenker Group - M.S.G. (1992)

3,0
0
geplaatst: 5 maart 2025, 16:22 uur
1991. De cd krijgt de overhand op vinyl, de wapenwedloop tussen U.S.S.R. / Rusland en de VS loopt op zijn einde dankzij perestrojka en glasnost en in Zuid-Afrika is apartheid officieel afgeschaft. Een periode die in het westen vol optimisme werd beleefd.
Michael Schenker maakte eveneens naar zijn zeggen goede tijden mee. In 1987 keerde hij terug met MSG-in-nieuwe-jas en nadat hij begin 1991 eenmalig een album had gemaakt met het project Contraband, ging de aandacht naar de derde van McAuley-Schenker.
Daaruit waren drie leden verdwenen, waarmee de naamgevers achterbleven. Niet getreurd, Jeff Pilson van Dokken en James Kottak van Kingdom Come waren capabele vervangers. Deze keer geen toetsenist/tweede gitarist, maar voormalig groepslid Steve Mann en Jesse Harms (ex-Sammy Hagar) sprongen bij op klavieren. De laatste schreef bovendien mee aan When I'm Gone.
McAuley Schenker Group werd geleid door een Ier en een Duitser en opereerde vanuit Los Angeles. Bij verschijnen in december 1991 (Verenigde Staten en Japan) en februari 1992 (Europa) is grunge net in de mode. Dat was nog niet zo toen de heren in de studio zaten en MSG drijft dus nog helemaal op de muzikale golven van glam- en sleaze metal. De gitaren zitten dankzij producer Kevin Beamish vetter in de mix dan op de voorgangers.
Onmiskenbaar is de meerwaarde van gitarist Michael Schenker, ook in dit genre een klasbak, mede dankzij de rauwe stem van Robin McAuley naast zich. Qua composities klinkt vooral voorspelbare hardrock; toch weet der Michael een enkele keer een glimlach op mijn lippen te toveren.
Los van zijn solo's, altijd de moeite waard, gebeurt me dat in We Believe in Love, dat aanvankelijk een stevige powerballade is om op 2/3 met een frisse riff te versnellen; de laatste drie nummers hebben allemaal het woordje 'night' in de titel, waarvan het slotlied opvalt. Zes-en-een-halve minuut Never Ending Nightmare (de elpeeversie vermeldt alleen het laatste woord), een fraai op Scorpionsachtige wijze opgebouwde ballade waar Schenker zijn niet misselijke capaciteiten op akoestische gitaar tentoonspreidt om te eindigen met een elektrisch slot.
De toen modieuze vorm van hardrock regeert dus, waarbij McAuley in opener Eve soms op de wijze van Alice Cooper zingt. Ballades zijn talrijk met bovendien When I’m Gone en What Happens to Me, de laatste in 6/8-maat. Het was hun laatste studioalbum, wel verscheen nog Unplugged Live.
Michael Schenker maakte eveneens naar zijn zeggen goede tijden mee. In 1987 keerde hij terug met MSG-in-nieuwe-jas en nadat hij begin 1991 eenmalig een album had gemaakt met het project Contraband, ging de aandacht naar de derde van McAuley-Schenker.
Daaruit waren drie leden verdwenen, waarmee de naamgevers achterbleven. Niet getreurd, Jeff Pilson van Dokken en James Kottak van Kingdom Come waren capabele vervangers. Deze keer geen toetsenist/tweede gitarist, maar voormalig groepslid Steve Mann en Jesse Harms (ex-Sammy Hagar) sprongen bij op klavieren. De laatste schreef bovendien mee aan When I'm Gone.
McAuley Schenker Group werd geleid door een Ier en een Duitser en opereerde vanuit Los Angeles. Bij verschijnen in december 1991 (Verenigde Staten en Japan) en februari 1992 (Europa) is grunge net in de mode. Dat was nog niet zo toen de heren in de studio zaten en MSG drijft dus nog helemaal op de muzikale golven van glam- en sleaze metal. De gitaren zitten dankzij producer Kevin Beamish vetter in de mix dan op de voorgangers.
Onmiskenbaar is de meerwaarde van gitarist Michael Schenker, ook in dit genre een klasbak, mede dankzij de rauwe stem van Robin McAuley naast zich. Qua composities klinkt vooral voorspelbare hardrock; toch weet der Michael een enkele keer een glimlach op mijn lippen te toveren.
Los van zijn solo's, altijd de moeite waard, gebeurt me dat in We Believe in Love, dat aanvankelijk een stevige powerballade is om op 2/3 met een frisse riff te versnellen; de laatste drie nummers hebben allemaal het woordje 'night' in de titel, waarvan het slotlied opvalt. Zes-en-een-halve minuut Never Ending Nightmare (de elpeeversie vermeldt alleen het laatste woord), een fraai op Scorpionsachtige wijze opgebouwde ballade waar Schenker zijn niet misselijke capaciteiten op akoestische gitaar tentoonspreidt om te eindigen met een elektrisch slot.
De toen modieuze vorm van hardrock regeert dus, waarbij McAuley in opener Eve soms op de wijze van Alice Cooper zingt. Ballades zijn talrijk met bovendien When I’m Gone en What Happens to Me, de laatste in 6/8-maat. Het was hun laatste studioalbum, wel verscheen nog Unplugged Live.
