MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Talk Talk - The Party's Over (1982)

poster
4,0
Met een stem als die van Mark Hollis zul je nooit een talentenjacht winnen. En tegelijkertijd komt die stem binnen! Desondanks duurde het even voor ik de groep leerde kennen, wellicht mede door de plaatrecensie in Oor. Daarin was Jan Libbenga vernietigend: "Met uitzondering van de singles hebben de nummers geen enkele ruggengraat".
Net als de meesten in Nederland leerde ik de groep kennen met de singles van hun tweede album. Dit naar aanleiding van een (playback?) optreden bij de BRT op een zaterdagmiddag. Dit album ging daaraan vooraf en bleef mij onbekend. Tot streaming kwam!
The Party’s Over bleek een heerlijk synthwave-album. Volgens Wikipedia werd de band vaak vergeleken met Duran Duran: niet alleen omdat ze een dubbel woord in de groepsnaam hadden, maar ook omdat ze platenmaatschappij (EMI) en producer (Colin Thurston) deelden. Daarvan wist ik indertijd niets.

Vooral de A-kant bevalt mij goed, omdat daar de meeste uptempo liedjes staan. Op de B-kant is het tempo soms wat lager en dankzij de fretloze bas van Paul Webb doet het in de langzamere delen aan Japan denken: vooral bij Have You Heard the News en het afsluitende Candy zijn het die bas en zwevende toetsenpartijen die maken dat ik zin krijg in een goed glas witte wijn.
Wikipedia en de site van British charts vertellen meer. Over Thurston, dat hij als producer was uitverkoren door Hollis omdat hij had meegewerkt aan "Heroes" van Bowie. Over de geflopte singles Mirror Man en Talk Talk, de eerste bescheiden hitsingle Today (#52 in mei 1982) en dat het opnieuw uitgebrachte Talk Talk in december ’82 #23 haalde. Dit vind ik inderdaad de sterkste liedjes van het album mét het titellied. Na herhaald afspelen groeit de B-kant, dus vanaf track 6.

Ja, dit is new wave, dit is synthesizerpop… Maar vooral de composities vind ik heerlijk, edelpopliedjes pur sang. Dit in combinatie met die aparte stem van Hollis maakt dat een sterk debuut klinkt, zoals ik ook het debuut van Duran Duran als een aangename verrassing van vóór de grote successen beleefde.

Talking Heads - Fear of Music (1979)

poster
4,0
Na een sterk debuut en ietwat tegenvallende opvolger - die bestaan vaak deels uit materiaal dat niet genoeg was voor het debuut, wellicht ook bij de Pratende Hoofden - verscheen in augustus 1979 de derde Talking Heads met de prachtige titel Fear of Music. Passende naam voor een podcast!

Dat David Byrne onder de indruk was van Afrikaanse pop wordt meteen duidelijk met I Zimbra, geschikt voor de dansvloer en met gezamenlijke leadzang als was dit tribale muziek. Op gitaar Robert Fripp, ongetwijfeld mede dankzij de Engelse producer over wie dadelijk meer.
Het is al na 188 seconden voorbij, waarna het herkenbare geluid van de groep klinkt in Mind. De basis wordt gevormd door de ritmesectie van bassiste Tina Weymouth en drummer Chris Franz, waarover Jerry Harrison op gitaar en toetsen zijn gang gaat. Pop in funksaus met Byrnes klaaglijke "zeurstem", indringend de ander voorhoudend "I need something to change your mind (...) listening to me".
Iets dergelijks maar net iets pittiger volgt in Paper, dat wegheeft van doorbraakhit Psycho Killer van zo'n anderhalf jaar daarvoor. Ondertussen valt de heldere productie op. Tsja, gedaan door Brian Eno met de groep, wat wil je anders?

Uptempo funkpop in Cities, waarna de hitsingle van dit album volgt; Life During Wartime haalde in november bescheiden #80 in de Billboard Hot 100. Alweer uptempo, dit is een plaatje om de tafels aan de kant te schuiven! Op conga's horen we Ari van de Londense groep The Slits. Kant 1 sluit af met het midtempo Memories Can't Wait, waarin onder meer de stem van Byrne wordt gedrenkt in echo-effecten. Alsof Martin Hannet (o.a. Joy Division) achter de knoppen zat.

Meer Britse producersfeer in Air, waarbij ik aan David Bowie ten tijde van diens Berlijntrilogie moet denken. Producer toen: dezelfde Eno... Het is echter de stem van Byrne die het geheel anders maakt en hetzelfde gebeurt me met het langzamere Heaven, nog altijd vlotjes.
Op elke tel een snaredrum in het nerveuze Animals, waar ik juist minder kan met de stem van Byrne en hetzelfde heb ik in Electric Guitar. In afsluiter Drugs is het kalmer en ietwat onheilspellend, mede dankzij de synthesizereffecten.

Fear of Music haalt in november 1979 op #21. Dit Amerikaanse antwoord op de Britse punk en wave weet opnieuw met zijn nerveuze funkpop indruk te maken. Meestal dansbaar, licht alternatief en daarmee toegankelijk voor een breder publiek.

Mijn reis door new wave kwam van de derde van The Damned en ik ga terug naar Engeland: het debuut van Toyah.

Talking Heads - More Songs About Buildings and Food (1978)

poster
3,5
Op reis door new wave in 1978, kom ik vanaf boze, ruige dan wel afwijkende geluiden bij Sex Pistols' The Great Rock 'n' Roll Swindle bij deze tweede van Talking Heads.
Klonk de groep op hun debuut al vrij beheerst in vergelijking met hun genre- en tijdgenoten, op More Songs about Buildings and Food is dat nog meer het geval. Hierboven razend enthousiaste verhalen van liefhebbers; bij mij wil het moeizaam landen. Het zit 'm in het ontbreken van pakkende melodieën en de stem van David Byrne, die in de hogere regionen nogal knijpt.

Zegt meteen iets over mijn smaak. Hier klinkt muziek die zowel "keurig" als dansbaar is. Niet hetgeen je ouders verontrustte en tegelijkertijd afwijkend van de dansbare (disco)muziek van 1978. Geproduceerd door de groep met Brian Eno, die niet lang daarvoor nog met David Bowie samenwerkte in Duitsland en Frankrijk. Hier kiest de Engelsman voor een helder, transparant geluid. Knap hoe hij zich dienstbaar maakte door deze krachtdadige New Yorkers in hun kwaliteiten te versterken.
Met enige moeite komen toch enkele nummers bovendrijven: allereerst de gejaagde beat van I'm Not in Love, later ook With Our Love en opener Thank You for Sending Me an Angel. Maar dan moet ik m'n best doen; een nummer als The Good Thing heeft weliswaar een herkenbaar refrein, maar het werkt op mijn zenuwen.

De elpee verscheen in juli 1978, niet lang nadat Psycho Killer van het debuut gedurende april - mei een hit was in Nederland en Vlaanderen. De opvolger is dansbaar en fris, daarom is het verwonderlijk dat Talking Heads bij ons geen hitsingle scoorde. Hierdoor miste vervolgens de elpee de albumlijsten van de lage landen.

In de Billboard Hot 100 was dat anders: met het van Al Green gecoverde Take Me to the River werd in februari 1979 #26 gehaald. Het is op het album het één na laatste nummer en bevat een lome beat in een productie die afwijkt van wat de mainstreamlijsten domineerde.
Ter vergelijking de top 5 van die week, waarin eveneens dansbare muziek stond: op 1 Rod Stewart met Da Ya Think I'm Sexy, op 2 Village People met Y.M.C.A., op 3 Chic met Le Freak, op 4 Olivia Newton-John met A Little More Love en op 5 Pointer Sisters met Fire. In vergelijking hiermee is de muziek van Talking Heads even dansbaar, maar de sfeer is beduidend anders. Het geluid van New York, waar het leven nooit stil staat. Een tikkeltje afwijkend van mainstream Amerika. De elpee haalde er in november '78 #29. In 2006 verscheen het als cd/dvd met de nodige extra's.

Mijn afspeellijst met new wave vervolgt met Ian Dury's Wake up and Make Love with Me, in juli 1978 in Nederland en Vlaanderen een hit. Omdat ik het bijbehorende album New Boots and Panties!! al behandelde, vervolg ik met het debuut van Ultravox! en daarmee terug naar februari 1977; toen nog met een uitroepteken in de groepsnaam.

Talking Heads - Remain in Light (1980)

poster
4,0
In '77 maakte de hit Psycho Killer indruk op deze piepjonge tiener. Pas met Once in a Lifetime scoorde de groep in Nederland zijn tweede hit: februari 1981 #24.
Op chronologische reis door new wave (in dit geval in oktober '80, vorige station was Monarchie und Alltag van Fehlfarben) valt extra op hoe anders de Pratende Hoofden op Remain in Light klinken. Anders dan wie dan ook. Ja, het is new wave, maar dan Afrikaans. Of: ontzettend dansbaar, maar funk noch disco, in 1980 zeer populair.
Ondanks alle Afrikaanse invloeden snijdt een vergelijking met het destijds redelijk populaire Osibisa uit Ghana evenmin hout. Het is namelijk tegelijkertijd hartstikke "wit" door de eigengereide zang van David Byrne.

Van één groep weet ik dat die iets dergelijks deden: The Blockheads, de begeleidingsgroep van Ian Dury in de dagen dat deze met Chaz Jankel werkte, zoals op Do It Yourself van het jaar ervoor. Maar die hadden dan weer geen invloeden uit de Afrikaanse muziek.
En het spel op de zes snaren! Jerry Harrison en gastgitarist Adrian Belew zetten soms een scherp randje neer als contrast met de diverse percussionisten rond de ritmesectie van bassiste/toetseniste/percussioniste Tina Weymouth en drummer/toetsenist Chris Frantz. Producer Brian Eno smeedde dit alles knap tot een eigenaardig maar pakkend geheel.

Een eigen universumpje, dat nog enigszins ingetogen aftrapt met Born Under Punches (The Heat Goes On) om me met Crosseyed and Painless omver te blazen, sterk gevolgd door The Great Curve. Als radioliedje vind ik Once in a Lifetime nog altijd heerlijk en steeds weer vraag ik me af aan welk nummer van de Rolling Stones ik moet denken als het scheurende orgel tegen het einde bijvalt.
Verrassend is bovendien dat de groep vanaf Houses in Motion geleidelijk de voet van het gaspedaal haalt om werkelijk op z'n Britse doomwave te eindigen met The Overload. Remain in Light haalde in februari '81 #22 in de Nederlandse albumlijst.

Harrison en Belew waren vorige week in Eindhoven op het Bridge Guitar Festival. Heeft iemand hen daar gezien en zo ja, wil die persoon iets daarover delen? In nieuwsgierige afwachting vervolg ik mijn reis door new wave. Terug naar Duitsland, op naar The Stripes met als zangeres ene Nena. Dé Nena?

Talking Heads - Talking Heads: 77 (1977)

poster
3,5
In april 1978 stond Psycho Killer drie weken #13 in de Nationale Hitparade, in de Vlaamse BRT Top 30 die maand #19. Stuwend en licht-neurotisch was het een onmiddelijk oorwurmpje, mede door het stukje Franse tekst, net als in Denis van Blondie. Het eindigt in een fraaie climax, compleet met valse akkoorden zoals ik die van The Stranglers kende.
Club CBGB's in New York was hun thuishaven, zo hoorde ik op de radio. Door Ramones en Blondie wordt die scene geassocieerd met snelle punk en uptempo new wave. Toch was daar ook een popgroep als Mink DeVille regelmatig te zien en de kalmere new wave van Talking Heads paste er eveneens.

Talking Heads: 77 klinkt kalmer en daarmee intellectueler dan de new wave van de meeste tijdgenoten; Devo uitgezonderd, maar die kwamen uit Ohio en waren geen onderdeel van CBGB. Met hun stijl was Talking Heads geschikter voor een breder publiek, dat Psycho Killer in maart 1978 nog voorzichtig tot #92 liet komen in de Billboard Hot 100. Bekijk die lijst en zie wat de massa kocht: zo werd de invloed van discofilm Saturday Night Fever nog stevig gevoeld.

Bedachtzamer maar ook dansbaar en zelfs optimistisch-opgewekt, zo komt 77 voorbij. Zanger-gitarist David Byrne zoekt regelmatig de hoge regionen van zijn stem en schuwt daarbij niet uiteenlopende emoties. In afsluiter Pulled up is zelfs euforie te proeven.
In opener Uh-Oh, Love Comes to Town klinken steeldrums dankzij drummer Chris Frantz, die de plaat met de andere groepsleden plus Tony Bongiovi en Lance Quinn produceerde. Ze gaven het een open en kalm geluid mee, dat zelfs 47 jaar later als een lentebriesje binnenkomt. Zijn spel verweeft zich naadloos met dat van bassiste Martina Weymouth, die melodieus om de gitaar heen danst.
Gitarist-toetsenist Jerry Harrison bepaalt met de stem van Byrne de sfeer; de man kwam ik eerder tegen op het debuut van The Modern Lovers.

Mijn favorieten zitten verrassenderwijs vooral op de tweede plaatkant. Naast de hitsingle is dat vooral No Compassion met zijn vervreemdende gitaarlijnen in het eerste deel, na een minuut versnellend om dan terug te keren naar de vervreemding inclusief rammelgitaarsolo en een verrassend slot: sterk opgebouwd. Ook het refrein The Book I Read is prachtig, nu dankzij het orgeltje van Harrison. Of wat te denken van het kleine intro van Don't Worry about the Government en de pakkende melodie, of de dansbeat van First Week/Last Week... Carefree?
Op de bonusversie een aangename celloversie van Psycho Killer, afkomstig van de cd-editie uit 2006.

Toen vernieuwend, inmiddels mainstream. In 1977 wisten we nog niet dat het koppel Weymouth en Grantz als Tom Tom Club een volgende oorwurm zou maken. Laat staan van de indruk die hun concertfilm Stop Making Sense (1984) zou maken tot in 2023 toe, getuige dit gesprek op NPO Radio 1 bij Max Nieuwsweekend.

De hoes was nooit mijn ding, reden om als tiener de plaat links te laten liggen, zelfs al vond ik Psycho Killer zo aangenaam. Maar die dagen zijn voorbij, al zijn er in mijn vriendenkring die Talking Heads: 77 hoger zullen aanslaan dan de 7,5 die ik als schoolcijfer geef.
Op reis door new wave & co kwam ik vanaf de Londense punk-met-sax van X-Ray Spex. Volgende nummer op mijn afspeellijst is What a Waste van Ian Dury & The Blockheads, maar omdat ik die plaat al besprak, net als Black and White van The Stranglers en An 1 van de Belg Plastic Bertrand, vervolg ik bij Graham Parker and the Rumour.

Tears for Fears - The Hurting (1983)

poster
4,5
Op mijn reis door synthesizer-new wave kom ik uit bij 1983 en dit sterke debuut. Via krakende middengolf hoorde ik Change in '83 op BBC Radio 1, een sterke single die in Nederlands niet eens de radio haalde. Alhoewel, in 2007 noemde Gerards Dream dat hij muziek van dit debuut bij Frits Spits’ Avondspits had gehoord. Ik kan het dus mis hebben, of bedoelt hij dat andere bekende nummer Mad World?
In Nederland haalden deze singles zelfs niet de tipparades van zowel NOS als Veronica. In 2023 constateer ik opnieuw verrast hoe goed dit inmiddels veertigjarige debuut is. Beter dan de opvolger, al is dat misschien omdat mijn zusje die te vaak liet schallen vanuit haar kamer...

Het lijkt wel alsof het nummer Psychotherapy, zeven jaar later door de Ramones uitgebracht, over dit album gaat. Dit vanwege de vele ontboezemingen en beschouwingen op het zelf en de wereld waarin de ik-persoon opgroeide. Eén van de beste (synth-)wavedebuten die ik ken, dankzij de warme klanken, sterke arrangementen en melodieën met emotionele zang, passend bij de kwetsbare teksten die je steeds weer in een verhaal trekken.
Nu ik thuis ben is The Hurting een heel goed album, eerder deze week tijdens een autorit meer dan dat. Thuis werken vooral de mid- en uptempo nummers, in de auto deden ook de langzamere het erg goed.

Favorieten uitkiezen is moeilijk, het hangt af van de stemming en de plek waarin ik hiernaar luister. Behalve de genoemde singles van dit album noem ik Suffer the Children met een knullig maar ook zo pakkend lalala-koortje, Watch me Bleed dat voor de verandering wordt gedragen door een akoestische gitaar, plus het van snoeiharde electrodrums en digitaal koor voorziene The Prisoner, dat bol staat van de woede en frustratie. Laat me een uur autorijden met dit album en de rustiger nummers komen erbij.

Onmogelijk om slechts twee favorieten te mogen uitkiezen. Afhankelijk van de situatie, maar zelfs het minste nummer (Ideas as Opiates wellicht?) is minimaal ‘goed’. Voor mij de beste Tears for Fears.
Op 9 juni verschijnt vanwege de veertigste verjaardag een door Steven Wilson gemaakte superdeluxe versie van het album, meer daarover is hier te vinden.

Ted Nugent - Double Live Gonzo! (1978)

poster
3,0
Begin deze maand startte de podcast 'More Than a Feeling: Het verhaal van Alfred Lagarde.' Als het over deze radio-dj gaat moet ik automatisch aan Ted Nugent denken. Dit dankzij mijn eerste uitgebreide kennismaking met het hardrockgenre, door hem ‘beton’ genoemd. Ik was in het najaar van 1977 deze stijl ingerold via single Rockin’ All over the World van Status Quo, waarna ik Lagardes radioshow opeens kon waarderen.
De twee platen die ik me daarvan vooral herinner zijn beiden livealbums, enthousiast door Lagarde gepromoot: Go for what You Know van Pat Travers en Double Live Gonzo! van Ted Nugent. Die laatste stond in februari en maart 1978 in de Zweedse en Britse albumlijst, de enige Europese landen waarvan ik een notering kan vinden voor deze liveklassieker.

Vooral Gonzo klonk herhaaldelijk bij de legendarische radiomaker, die een vriendschap opbouwde met de man die net zo snel praatte als soleerde. Dat nummer steekt voor mij met kop en schouders boven de andere uit met z’n bijtende riff en bijna manische zang. De gekte spat eraf, nog altijd.
Bij andere nummers heb ik dat veel minder, zeker als het album vordert. Met kalmere klassiekers in zijn oeuvre als Stranglehold en Cat Scratch Fever heb ik namelijk niet zoveel. Dan liever Just What the Doctor Ordered en Great White Buffalow.

Hierboven maken iggy en B.Robertson enkele rake opmerkingen over de persoon Nugent, hnzm doet hetzelfde over diens gitaarcapaciteiten.
Als ik hun bijdragen lees, vraag ik me het volgende af: is het door zijn egotripperij dat ome Ted eigenlijk al in 1978 werd voorbijgestreefd door landgenoten Boston en Van Halen? Alhoewel Amerikaanse hardrockers de platen van deze artiesten waarschijnlijk broederlijk naast elkaar hadden staan, sluit ik niet uit dat Nugents urgente gebrek aan zelfkritiek zijn verdere ontwikkeling in de weg heeft gestaan.

Hoe dan ook, het titellied was één van mijn eerste kennismakingen met het harde genre en wat je als jonge puber hoort, blijft vaak haken in het hart. Blijft een heerlijk nummer, zeker in deze versie. Die nostalgie is mede de reden dat ik nog een krappe voldoende geef voor deze dubbelaar.

Ted Nugent - Scream Dream (1980)

poster
3,0
Alfred Lagarde was een fan van Ted Nugent. Hij liet dat Nederland weten in zijn dinsdagse Betonuur bij de VARA. In '81 organiseerde de dj een wedstrijd voor de beste Nederlandse gitarist. ‘Stuur een cassettebandje in en wie weet, hoor je van ons!’ De winnaar zou van ome Ted een gitaar krijgen.

Ik volgde dit wekelijks. De uitreiking werd een prachtig-rommelige uitzending met die rare Amerikaanse meneer. Winnaar werd Ben Blaauw, een piepjonge snarenracer die we kenden van de nieuwe groep Highway Chile. Ik was nóg jonger en vond het prachtig.

Over de lp. Lagarde draaide twee tracks grijs: opener Wango Tango en de titelsong. Ik hoorde Nugent zó in de microfoon brullen, dat deze volledig overstuurd werd. Krankzinnig.

De plaat, die ik uit de fonotheek plukte, stelde me niet teleur. Ook hier heerst de gekte, al is het maar de hoes, waar een krankzinnige gitaartarzan mij toeschreeuwt. Naast de twee liedjes die ik al noemde, smaakten ook Hard as Nails, Flesh & Blood en Don’t Cry (I’ll Be Back Before You Know It Baby) als gepeperde boterkoek. Op vooral Violent Love hoor je ’s mans gitaarcapaciteiten, de ADHD knált eraf. Wilde hardrock. Terminus El Dorado valt me veertig jaar later op met z’n funky beat. Geinig dat ik de plaat vorig jaar voor een prikkie op vinyl tegenkwam.

De schijf is om nóg een reden historisch geworden, zij het niet in Nederland. Via de lange golf op mijn radio ontdekte ik op vrijdagavonden van 10 tot 12 een Franstalige hardrock-/metalshow op WRTL, Wango Tango geheten. Dj Francis Zégut deed zijn presentatie schreeuwend, zoals Ted zijn zang. Hier een deel van zo'n show, in dezelfde krakende kwaliteit als waarin het destijds mijn zolderkamer binnenwaaide. De hoofdjingle bestond uit de introschreeuw van Wango Tango, plus de introkrijs van Scream Dream, te horen aan het begin van het radiofragment.
Zéguts stijl sloeg aan. Later kreeg hij op zondagavond nog eens twee uren alle ethervrijheid. Zo hoorde ik gedurende de jaren ’80 dat de Franstalige wereld niet ophield bij het chanson. Bovendien ben ik erg goed geworden in het spreken van Engels met een zwáár Frans accent. Heeft me nog geholpen toen ik met vrienden een Mác Donálds zocht nabij Bordeaux; op z'n Engels uitgesproken begrepen ze niet wat we bedoelden!

Afgelopen week besteedde het Parool aandacht aan Tedje met de spotlight op Cat Scratch Fever, een plaat van drie jaar eerder. Zie dat album op MuMe voor de link. Die eerdere albums zijn beter, zeggen de kenners. Toch vond ik er niet één zo prettig (?) gestoord als deze. "Bon de p'tit graisseux, bon de p'tit graisseux!" hoor ik Zégut goedkeurend brullen.

Television - Adventure (1978)

poster
3,5
Op reis door new wave in 1978 & co kom ik vanaf de tweede van The Flyin' Spiderz. Die was iets milder dan het felle debuut en dat geldt zeker voor deze tweede van Television.
Op hun debuut klonken al de nodige fraaie gitaarlijnen, wat hier wordt voortgezet. In melodisch opzicht is het smullen, waarbij de groep gaandeweg meer uit de gemoedelijke rock van de eerste helft van de jaren '70 put dan uit de New Yorkse new wave- en punkscene van club CBGB. Zo moet ik bij The Fire, dat kant 2 opent, denken aan Neil Young; alsof die een liedje aan de groep heeft geschonken. Weemoedig en melodieus.

De plaat opent uptempo met Glory, waarna de weemoed in Days toeslaat, versierd met - uiteraard - fraai gitaarspel.
Foxhole is steviger maar bevat een eentonige riff, waarna Careful opgewekt voortstapt, als een wandellied door de Big Apple. Carried Away is langzaam en mede dankzij de spaarzame toetsen van frontman Tom Verlaine is hier de eerste hint op muziek van vóór de punkrevolte.

Slechts drie nummers op kant 2. Het knusse jaren '70-gevoel wordt verdubbeld op The Fire. Hier lijkt de soms nerveuze new wave van het debuut ver weg, mede door de fraaie gitaarsolo van Richard Lloyd, die zijn gitaar laat praten als is hij Rory Gallagher of van Lynyrd Skynyrd.
Ain't that Nothing pakt me met zijn riff en refrein minder, maar The Dream's Dream maakt met zijn zeseneenhalve minuut ruimte voor meer fraai gitaarspel in weemoed gemarineerd.

Adventure is een inspiratiebron voor menig gitarist, zo kan ik me voorstellen. De plaat verkoopt echter matig en de groep valt uit elkaar. Verlaine gaat solo, net als Lloyd. Bassist Fred Smith, tevens bassist in het Blondie van vóór hun debuut, is in 1979 te horen op de solodebuten van zowel Verlaine als Lloyd. Daarna doet hij meer sessiewerk. Drummer Billy Ficca duikt later op bij wavegroep The Waitresses.
In 1992 maakt Television een derde album. Smith begint later dat decennium met zijn eega een succesvolle carrière als wijnboer.

In 2003 verschijnt een cd-bonusversie van Adventure, waar onder meer het prima titelnummer is toegevoegd. Vreemd dat uitgerekend die compositie de originele elpee niet haalde.
Mijn muzikale reis vervolgt bij het vierde album van stads- en scenegenoten Ramones, met wie Television vaak in één adem werd genoemd.

Television - Marquee Moon (1977)

poster
4,0
Op reis door new wave en aanverwanten vlieg ik van Spiral Scratch van de Buzzcocks naar de in hetzelfde januari 1977 verschenen debuutelpee van Television.

De naam van de groep zong al geruime tijd rond, zoals in de recensie in Muziekkrant Oor van het debuut van de Ramones. Hierboven noemen enkele MuMensen dit punk of post-punk. Ik ga daar niet in mee: in 2010 sloeg avdj de spijker op den kop met deze regels: "In 1976/77 zocht Tom Verlaine een band bij elkaar die het roer wilde omgooien. De 'dirty' Gibson geluiden, effectenpedalen en gelikte nummers maakten plaats voor een clean Fender geluid." Dus geen punk en ook geen napunk, maar vanaf het begin kiezend voor een nieuwe weg.

Wat me vooral opvalt is het hoge muzikale peil op het debuut Marquee Moon. De heren beheersten hun instrumenten meer dan goed en komen meteen met vrij complexe, sterke composities. Dat het titelnummer op de oorspronkelijke elpee bijna tien minuten duurt, is opvallend; iets soortgelijks deden de Stranglers op hun twee maanden later verschenen eersteling. Ook die van Television verveelt geen seconde.
Het is melodieus met de soms aangenaam-zeurderig maar altijd heldere vocalen van Tom Verlaine. Diens gitaarpartijen vlechten een fraai wandkleed met die van Richard Lloyd, waarbij de ritmesectie van bassist Fred Smith en drummer Billy Ficca zich niet beperkt tot een elementaire basis, maar eveneens melodieus en gevarieerd speelt.

Favorietjes aanwijzen is lastig. Ik ga maar voor het kortste (Venus) en langste nummer. Of toch See No Evil? Hoe dan ook, de reis vervolgt bij Welshman Dave Edmunds.

Television Personalities - ...And Don't the Kids Just Love It (1981)

poster
4,0
Hierboven las ik heldere verhalen over dit album. Ik kende naam noch album, totdat maatje Edo mij tipte. Op de hoes zien we twee acteurs uit tv-serie De Wrekers (The Avengers), die in de jaren '60 zoveel furore maakte dat twee actrices het tot een James Bondfilm schopten en volgden in de volgende decennia herhalingen op tv én nieuwe series met deels andere casts. Ik herinner me dat ik een keer bij de buren was en dat zij dat keken - mijn ouders hielden niet van dit soort spionageseries en bovendien moest ik meestal al op bed liggen, maar het zag er aantrekkelijk uit... Nog altijd eigenlijk.

Enfin, de muziek! Lo-fi gitaarliedjes met de wortels in de jaren '60 beat. Vaak halen ze niet eens de drie minuten, waardoor er zeven liedjes op iedere kant passen, met mijn volgende favorieten op kant 1: het ingetogen gezongen World of Pauline Lewis, het verwijtende Silly Girl en het very English gezongen Geoffrey Ingram.
Op kant 2 mede dankzij vogels én gescheld het charmant-akoestische I Know Where Syd Barrett Lives, de uitnodiging voor Parties in Chelsea met kopstem in het refrein, de stevige weemoed van Le Grande Illusion waar slechts het refrein Franstalig is, plus A Picture of Dorian Gray, uiteraard verwijzend naar de roman van Oscar Wilde.
En was Look Back in Anger de inspiratiebron voor het bijna gelijknamige liedje van Oasis? Dit is indie toen we die term nog niet gebruikten. Zijn tijd vooruit en tijdloos tegelijk.

Op reis door de new wave bevind ik me in februari 1981 en muzikaal gaat het weer "alle" kanten op. Mijn vorige album was de derde van punkgezelschap U.K. Subs, de volgende is het debuut van new romanticgroep Classix Nouveaux.

Tenpole Tudor - Eddie, Old Bob, Dick & Gary (1981)

poster
3,5
Ooit had ik de enige hitsingle van Tenpole Tudor in Nederland, Wünderbar genaamd. Vorige maand kocht ik de bijbehorende elpee. Eerste misverstand: altijd gedacht dat ie titelloos was. Maar de officiële titel is bijna niet te onthouden: Eddie, Old Bob, Dick & Gary. De namen van de vier leden staan echter niet als titel op de buitenhoes vermeld, zij het wel als bijschrift bij de groepsfoto. Daarbij is de binnenhoes slechts effen-zwart, zonder extra info. Waarom heet de plaat dan zo? Wel, kant 2 vermeldt de albumtitel op het label, op kant 1 staat slechts het fraaie rood-blauwe wapen met leeuw van de hoes.
.
Tweede misverstand: Tenpole Tudor zat op Stiff en op Wünderbar klonk punk met een knipoog, dus dit is een (pret)punkgroep. Neem de hoes van de single! Vikingen en punk is een ongewone combinatie (al zetten The Stranglers in 1979 met album The Raven daar ook enkele verwijzingen naartoe). Maar punk... Niet echt. Wat ik hoor is eigenlijk powerpop, in het verschijningsjaar 1981 nog "gitaar-new wave" genoemd.
Tijdens het draaien begon ik de verhalen hierboven te lezen en kwam tot mijn verbazing de vergelijking tegen met Adam & The Ants. Ook vergelijkbaar met muziek in het straatje van The Romantics (What I Like About You): vrij stevig maar eigenlijk meezingbare popliedjes. Postpunk voor popliefhebbers.

Eveneens hierboven las ik een "waarschuwing" voor misverstand 3: als kant 1 afsluit met Wunderbar (hier zonder umlaut) blijkt dit een veel minder intens gespeelde versie te zijn. Steekt een beetje bleek af bij de single.
Tot zover de ervaringen bij een eerste keer draaien: powerpop met regelmatig muziek in de sfeer van Adam & The Ants, als de drumpartijen lekker rollen. Niet slecht, maar als je karnemelk verwacht en je krijgt melk, smaakt dat opeens flauw.

Vaker draaien openbaart desondanks een heel aardig plaatje, waar eigenlijk niks mis mee is en tegelijkertijd ook niets briljants aan. De verwijzingen naar de Middeleeuwen van de hoes keren alleen terug in het intro van opener Swords of a Thousand Men, waarna ongecompliceerde muziek klinkt met een bescheiden rauw randje.
Toch nog maar een keer de single kopen? Die haalde bij de Nationale Hitparade in december '81 #4 en bij de Top 40 hetzelfde, de leukste kersthit van dat jaar. Bovendien in Nederland gecoverd door Normaal (Willem (Woenderbar)), Manke Nelis (Tante Saar), Gebroeders Ko, in België door Mama's Jasje en in Duitsland door punkgroep Die Toten Hosen. Een vrolijk klassiekertje, waar zelfs de site van Top 40 nog enkele leuke feitjes bij oplepelt.

Tequila Sunrise (1988)

poster
2,0
Soundtrack vol pop en hardrock, geschikt voor de tienerkamer van 1988. Geopend wordt met een honderd-in-een dozijn-ballade die enigszins wordt gered door de stemmen van Robin Zander (Cheap Trick) en Ann Wilson (Heart). Het wordt gevolgd door het sterkere Do You Believe in Shame? van Duran Duran, waarna uptempo pop volgt van Crowded House in Recurring Dream en slappe popreggae van Ziggy Marley met Give a Little Love met een ooh-la-la-koortje.
De eerste helft sluit af met een onwaarschijnlijke samenwerking vol close-harmonyzang tussen The Everly Brothers en Beach Boys in Don't Worry Baby. De tiener van toen zal geen idee hebben gehad wie dit waren, maar als filmliedje best te doen.

De B-kant opent stevig met ex-Duran Duranman Andy Taylor, die met gitarist en ex-Whitesnaker Bernie Marsden het aardig rockende Dead on the Money brengt. Hoogtepunt van de plaat is voor mij Unsubstantiated van de Australische wavegroep The Church, heerlijk melancholisch.
Afgesloten wordt met afwijkend werk. Eerst bigband met crooner Bobby Darin in Beyond the Sea uit 1958. Dan het titelnummer, instrumentale popfusion van Lee Ritenour en Dave Grusin en als slot is het wederom Ritenour die met David Sanborn het zwoele JoAnn's Song brengt.

Als film kreeg het grote bezoekersaantallen lees ik op MovieMeter. Wie naar aanleiding van deze tracklist nieuwsgierig is kan de trailer bekijken en zien hoe jong Michelle Pfeiffer, Mel Gibson en Kurt Russell waren. Ik pas...

Tesla - Five Man Acoustical Jam (1990)

poster
4,0
Five Man Acoustic Jam, een zeer geslaagd tussendoortje van Tesla, de albumtitel een knipoog naar Five Man Electric Band van wie Signs wordt gecoverd.

Jeff Keith zingt emotioneel, krachtig, met groot bereik. Elektrisch of akoestisch, het is zijn stem die de boel altijd weer naar een (nog) hoger niveau tilt, zeer geschikt voor het hardrockende genre.
Komt nog bij dat dit album de brandende lont was voor de akoestische hype van de jaren '90, zoals hierboven uitgebreider werd verteld. Invloedrijk dus, eentje die bovendien een definitieve herwaardering van de akoestische gitaar (in rock) bewerkstelligde.

Behalve de zang op Five Man Acoustic Jam valt op dat de overige groepsleden zéééér goede muzikanten zijn. Klasbakken, iets wat voorbij smaak gaat, objectief te beoordelen: vaardige gitaristen, bassist en drummer. Het gemak én plezier waarmee ze Grateful Dead, Beatles, Creedence Clearwater Revival én de Stones coveren bijvoorbeeld. Bovendien eigen nummers als Modern Day Cowboy en pareltje Love Song, met als bonus een gitaarsolo in het intro. Ze doen niet onder voor de covers.

Het soms uitzinnige publiek en de conversaties tussen de liedjes verhogen de sfeer. Ook al hoor ik liever een elektrisch concert, dit is gewoon knap.

Tesla - Full Throttle Live (2023)

poster
3,5
Dankzij de bovenstaande bijdragen werd ik op deze nieuwe Tesla geattendeerd. In een heerlijke mix vanaf het mengpaneel (ja, het klinkt líve!) hoor ik een aangename setlist, die anders is dan de best-of afspeellijst die ik ooit van de groep maakte. Maar niet minder, juist door het livegeluid.
Daarbij knisperend gitaarspel en zanger Jeff Keith blijft klinken alsof hij 18 is. Favorieten aanwijzen in deze best-of-lijst is lastig: Changes bijvoorbeeld blijft zo mooi. Ja, dit bandje moet maar weer eens naar Europa komen!

Tesla - Mechanical Resonance (1986)

poster
4,5
Toen ik vanaf 1977 van scheurende gitaren ging houden, was hardrock de dominante stroming. Vanaf 1980 zorgde de New wave of British heavy metal voor een stroomversnelling, met de komst van speed- en thrashmetal vanaf 1983 werd het opnieuw intenser.
Ondertussen vond punk vanaf 1980 zijn versnelling in hardcore, waarvoor ik in Oor de bijnaam Motörpunk tegenkwam. Groepen uit deze hoek beïnvloedden op hun beurt Metallica en Slayer, terwijl grindcore een volgende kruisbestuiving tussen metal en punk werd. En o ja, death metal verscheen ten tonele! Steeds extremer, steeds meer grensverleggend. Ik groeide mee en vond het hartstikke interessant.

En toen... kwam er in 1986 een nieuwe groep die ouderwetse hardrock speelde. Ouderwets goed ook nog eens. Gewoon met de wortels in de blues, sterke melodieën en dat zonder muzikale extremen op te zoeken of te flirten met glam metal.
Tesla. Mechanical Resonance. Vijf jongens uit Sacramento, Californië. Meestal vrolijke, optimistische nummers met een zanger die over een gouden keeltje beschikte en twee gitaristen die niet alleen de pannen van het dak konden soleren, maar ook akoestisch tot juweeltjes in staat waren, getuige Little Suzi.
In het bericht hierboven staat een sterke analyse die mijn enthousiasme destijds verklaart. Sterker nog, ik voelde hier in 1986 het jongehondengevoel dat destijds ook bij Van Halens debuut aanwezig was.

Eén nummer was melancholisch van aard: Changes. Hoe mooi! Medio 2009 was er de kredietcrisis, waarover ik bij (toen nog) 2 Vandaag een reportage zag. De muziek eronder: dit Changes. Toepasselijker kon niet en het sfeervolle nummer paste naadloos bij de beelden en de economische en politieke analyse: "Changes - Time's making changes in my life. Rearranging - Can't seem to stop the hands of time".

Je kon Tesla afschrijven als retrohardrock, maar een ieder was het erover eens dat dit zó góéd was gedaan... Voor mij onweerstaanbaar, terwijl ik alle genrevernieuwingen met interesse volgde. Een groep als Tesla deed me evenwel beseffen dat de harde muziek van de jaren '70 zeker niet achterhaald was. Mechanical Resonance is fris en gedreven, nog altijd.

Tesla - Psychotic Supper (1991)

poster
4,5
Glimlachen om stukjes hierboven. De vergelijking met Janis Joplin snap ik wel, 'psychotic' wordt verward met 'psychedelic' en de inhoudelijke discussie of Psychotic Supper wisselvallig dan wel pretentieus is of juist heel goed.

Ik hoor bij de laatste groep. De groep doet waar ze goed in is: hard elektrisch rocken, met af en toe gas terug op akoestische gitaar. Gevarieerd, melodieus en eerlijk met af en toe flitsende sologitaren, zoals het duel in Don't De-Rock Me. Song & Emotion is inderdaad een ijzersterke ballade, waarin aan het slot een voormalige gitarist van Def Leppard het nirvana in wordt gemusiceerd.
Meer voorbeelden? Het akoestische Government Personel duurt nog geen minuut, waar ik het zeker twee minuten langer had willen horen en de engelachtige koortjes in Can't Stop zijn niet alleen verrassend maar ook effectief. In het fonetisch gespelde slotlied Toke About It klinkt opeens een Hammondorgel, bespeeld door gitarist Frank Hannon. Verder is het weer vliegend gitaarwerk in dit nummer.

Kortom, bij deze én andere nummers valt veel te genieten. Met z'n 68 minuten kan het bij sommige draaibeurten een lange zit zijn, maar begin dan eens halverwege en andere fraaie details vallen op.

Tesla - The Great Radio Controversy (1989)

poster
4,0
Ik kan me helemaal vinden in hetgeen OzzyLoud hierboven beschrijft. Hun robuuste hardrock was in ’89 weliswaar niet zo verrassend als ik bij het debuut beleefde - dat album ging met z'n hardrock tegen de trends in heavy gitarenland in - toch is The Great Radio Controversy sterk. Ogenschijnlijk was het drie jaar wachten op de tweede Tesla, maar het debuut verscheen in december '86 en deze in februari 1989. Een dikke twee jaar dus.

Een redelijk doorsnee compositie als die van opener Hang Tough overtuigt dankzij de klasse van deze groep: zang en gitaarwerk, met in de brug een sluw pianootje. Meer variatie duikt her en der op via akoestische gitaren of slidegitaar, die de boel met blues injecteert. Robuuste hardrock, energiek en pakkend.
Als ik iets mis, is het dat ik wat meer snel werk had willen horen zoals Yesterdaze Gone of meer gitaarsolo's als in Makin' Magic - op het debuut viel wat dat betreft meer te genieten.
Opmerkelijk is dat de beste nummers in de tweede helft zitten: de melodie, zang en gitaarlijnen in The Way It Is, de hakkende riffs in Flight to Nowhere, kippenvelballade Love Song en de luidere soortgenoot Paradise.

Jeff Keith, die stem... Een fenomeen, alsof hij eeuwig 18 is. En als de groep dan zulke gevarieerde, robuuste hardrockende composities levert... Een dikke 8.

The 101'ers - Elgin Avenue Breakdown (1981)

poster
3,0
In 1974 begon de nieuwe Londense pubrockband The 101'ers, vernoemd naar hun huisadres. Hierin zanger-gitarist John Mellor, die zich vanaf 1975 Joe Strummer noemde. In april 1976 nemen ze een single op met twee van zijn composities, Keys to Your Heart en 5 Star Rock 'n' Roll Petrol.
Diezelfde maand opent een nieuw bandje voor ze. Deze Sex Pistols trekken onmiddelijk zijn aandacht en als hij wordt benaderd om een nieuwe groep te beginnen, hoeft hij niet lang na te denken: hij proeft dat het muzikale klimaat verandert. Als The Clash staat men in juli voor het eerst op het podium.

Bij verschijnen van single Keys to Your Heart via het label Chiswick in mei (?) is Strummer dus alweer vertrokken en de groep sterft een spoedige dood. In 1981 verschijnt "postuum" Elgin Avenue Breakdown waarop naast de A-kant van de single andere opnamen zijn te horen, deels live opgenomen.
De wortels zitten hoorbaar in jaren '50 en '60 rock 'n' roll en rhythm & blues. Zo klinken er covers van Chuck Berry en Them en zelfs eentje van bluesmuzikant Slim Harpo. Maar Strummer is hoofdcomponist.
Energieke pubrock is het gevolg, veel pittiger dan hetgeen Brinsley Schwarz en Graham Parker op zijn debuut maakten onder hetzelfde genrestickertje. Nog niet de intensiteit van punk, wel hoor je de zaadjes daarvan: het doet dan aan The Clash denken. Opvallend is dat 5 Star Rock 'n' Roll Petrol niet op deze compilatie staat.

Ik kwam vanaf de debuten van Graham Parker and the Rumour en Blondie en vervolg met Nick Lowe, wiens single So It Goes in augustus 1976 het eerste product van het kersverse Stiff Records was. Het verscheen pas twee jaar later op elpee.

The A's - The A's (1979)

poster
4,0
Slim gekozen naam: met The A's sta je mooi vooraan in de platenbak. Op het titelloze debuut van de groep uit Philadelphia, Pennsylvania, zien we vier mannen in de zwartleren van de Ramones, met als frivoliteit dat gele stropdasje van de meneer vooraan, plús die ene meneer op rechts die een frivolere stijl koos, inclusief alpinopet. Het album kwam via mijn streamingkanaal als suggestie. Kijkend naar de hoes schatte ik in dat dit een popversie van Ramones zou kunnen zijn.

Dát bleek aardig te kloppen: hoes geslaagd! Uitgebracht ergens in 1979, releasemaand onbekend, is de powerpop enerzijds stevig, anderzijds soms iets ingetogener. Met steeds de bedoeling om melodieuze rock 'n' roll te brengen. En zo is ieder nummer een mengsel van energieke rock, expressieve zang, pakkende melodieën en koortjes, waarbij teksten over boy-meets-girl en andere kanten van het tienerleven. De ene keer meer aan de rockende kant, zoals Five Minutes in a Hero's Life, de andere keer meer aan de popkant zoals Words, waar de koortjes extra ruimte krijgen.
Met koptelefoon op vielen de vele details op in de productie van Rick Chertoff. Een naam die ik niet kende, maar getuige Discogs was hij een ervaren kracht.

De hoes vermeldt niet wie welk instrument speelt, maar andere bronnen noemen zanger Richard Bush, gitarist Rick DiFonzo, toetsenist Rocco Notte (wedden dat hij degene is met het alpinopetje?), bassist Terry Bortman en de-drummer-die-snel-is-op-basdrum Michael Snyder. De toetsenbijdragen zijn vrij sober maar verbreden het spectrum naar goedgevulde powerpop.
Slechts op Grounded / Twist And Shout Interpolation werkt het niet, omdat een niet-passende mondharmonica opduikt en er al te nadrukkelijk wordt teruggekeerd naar de Amerikaanse wortels van rock 'n' roll. Het wordt gevolgd door pareltje Nothing Wrong with Falling in Love, behalve het slotlied ook mijn favoriet van de plaat. Als een onbekend liedje van Bruce Springsteen, prachtig vertolkt door Bush.

Aanbevolen voor liefhebbers van landgenoten The Knack en The Romantics en van het Noord-Ierse The Boomtown Rats. The A's doen daar niet voor onder.
Eigenlijk vreemd dat die groepen veel bekender werden. De reden daarvoor is echter simpel: op The A's staat geen hitsingle. De pittige, fijne opener After This Life en de makkere nummers Words / Parasite flopten op 7". Mijn voorkeur gaat echter uit naar drie andere liedjes: ik noemde al het slotnummer en verder zijn daar Artificial Love en Who's Gonna Save the World, waar orgeltje, koortjes, refrein en meer pakkend samenvallen. De puberfrustratie in Teenage Jerk Off is charmant.

In 1981 brachten The A's hun tweede elpee uit, waar ik later zal terechtkomen. Mijn reis door new wave kwam van The Associates en ik keer terug naar november 1980, livealbum Toyah! Toyah! Toyah! van... juist, die.

The Adverts - Cast of Thousands (1979)

poster
4,0
Behorend tot de eerste punkgolf, waren The Adverts in 1979 pas aan hun tweede album toe. Het debuut was redelijk succesvol geweest, met een kleine hit als opvolger van een grotere hitsingle die (nog) niet op die elpee stond.
Mijn vorige station in mijn reis door new wave was Wire, dat zich op hun derde langspeler vernieuwde met postpunk. The Adverts doen het omgekeerde en betreden de weg van prepunk. En dan vooral artrock. Misschien daarom de keuze voor producer Tom Newman, bekend van zijn werk voor Mike Oldfield. Deze zorgde voor een soms bijna orkestraal geluid op deze elpee die bij RCA/Victor verscheen.

De drummer had inmiddels de groep verlaten, want punk was passé, vond hij. De twee oprichters gingen echter door: zanger T.V. Tim Smith en bassiste Gaye Advert, waarbij gitarist Howard Pickup aan boord bleef. Met een nieuwe drummer Rod Latter én nieuw, toetsenist Tim Cross, wordt op Cast of Thousands teruggegrepen op muziek uit de eerste helft van de jaren '70 of zelfs daarvoor.
Bij de muziek die wordt gemaakt, moet ik vaak aan Steve Harley & Cockney Rebel denken, waarbij het is alsof Ron Mael van Sparks de zanger is. In opener en titellied Cast of Thousands klinkt meteen een honkytonkpiano, in het intro van The Adverts klinkt zoveel echo dat het is alsof het 1965 is, My Place klinkt als de artrock van 1974. Dit alles met één verschil: de tempo's zijn hoger. Weliswaar geen scheurende gitaar meer, maar wél de energie van punk.
Met Male Assault zijn punk en scheurende gitaar terug, het ramt als op hun debuut met een bijzondere tekst die ik niet goed doorgrond. Net zo'n wall of sound in Television's Over, zij het nu met een massaal koor in het begin. Klinkt daarmee iets van... gothic? De refreinen van het nummer zijn dan weer op z'n Steve Harleys of Marc Bolans en een lekker toetsensolootje halverwege.

Kant 2 gaat door met deze lekkere mix van jaren '60 en wall of sound, jaren '70 artrock en een toefje punk. Fate of Criminals heeft in de gitaarsolo weg van garagerock, waarna met Love Songs het tweede punklied van de plaat klinkt. I Surrender is dankzij diverse synths en pittig gitaarwerk als heerlijke new wave, waarna het gas eraf gaat met I Looked at the Sun en vooral I Will Walk You Home.

Geen single- of albumsucces. Voor het jaar 1979 voorbij is, zijn The Adverts uit elkaar, mogelijk ook omdat hun manager door electrocutie het leven laat. In 1987 verschijnt van hen nog EP The Peel Sessions, waarbij de groep als een typisch Engels (punk)fenomeen in de boeken is beland. In 2005 verschijnt een 2cd-editie van Cast of Thousands met voorwoord van de vermaarde punkoloog Henry Rollins. Die is enthousiast over de groep en terecht: ook ik word vrolijk, mede omdat het retropad hier zo goed werkt.
Smith betrad in 1980 het solopad en deed allerlei andere projecten, Advert richtte zich vooral op beeldende kunst, zoals op haar website valt te zien. Punk is ze gebleven, één van de eerste rolmodellen daarin.

Tenslotte: is dit album iets voor dynamo d en Roxy6 met hun voorliefde voor artrock van de jaren '70?

Op mijn afspeellijst met new wave is het volgende nummer It's Different for Girls van Joe Jacksons I'm the Man, maar omdat ik die al besprak vervolg ik bij non-albumsingle On My Radio van The Selecter; onder andere op deze verzamelaar te vinden.

The Adverts - Crossing the Red Sea with the Adverts (1978)

poster
4,0
Terwijl de "oudjes" van The Rumour op eigen benen een album uitbrachten zonder frontman Graham Parker, was punk in het Londen van 1977 dé nieuwe trend. Zo waren daar The Adverts, die opvielen met hun vrouwelijke bassist met ravenzwart haar en dito leren jas. Indertijd ontgingen ze mij, tot ik ze zag bij de BBC bij TOTP2, ergens rond 2002.
Dit met de zeer aangename single Gary Gilmore's Eyes, dat in september 1977 #18 haalde in de Britse hitlijst, maar vreemd genoeg niet hun debuut Crossing the Red Sea with the Adverts, dat in maart '78 één week in de albumlijst stond, te weten #38. De hit ging over iemand die andermans ogen krijgt getransplanteerd en de wereld door diens ogen bekijkt. Oorwurmpje!

De elpee bevat veel meer aangenaams. Daarbij enkele nummers die eveneens als single verschenen maar niet de hitparade haalden. Mijn favorieten: opener One Chord Wonders dat ook al zo'n mooi verhaal vertelt, nu over een band op het podium die zich afvraagt wat het publiek ervan vindt; de titel van Bored Teenagers intrigeert eveneens. Of Safety in Numbers met een kritische tekst over meelopers in new wave.
Opvallend is de lenige stem van Tim 'T.V.' Smith, wiens uitvoeringen me doen denken aan die van Russell Mael van Sparks. De derde grote favoriet is Bombsite Boy dat kant 1 afsluit.

In 1981 is de groep na een geflopt tweede album in '79 uit elkaar, maar verschijnt dit Crossing the Red Sea with the Adverts met toch nog Gary Gilmore's Eyes in het vinyl geperst. Energieke punk, niet per se hard maar wel met sympathieke rammelgitaren van Howard Pickup, die qua verschijning doet denken aan Wilko Johnson van Dr. Feelgood.
In februari 1978 kwam het bericht dat drummer Laurie Driver de groep had verlaten en een nieuwe groep ging beginnen: "( ...) but not a punk band, 'cos that’s all finished!” Zijn stuwende spel was echter heerlijk bij deze band, die gratis extra aandacht verwierf door de gereserveerde bassiste Gaye Advert, de eerste Londense punkvrouw die in een band bekendheid kreeg.

Mijn reis door punk en new wave vervolgt met Wreckless Eric, wiens single Whole Wide World eveneens in augustus 1977 verscheen. Te vinden op zijn titelloze debuut dat - alweer eveneens - bij Stiff het jaar erop uitkwam.

The Associates - The Affectionate Punch (1980)

poster
3,5
Soms "moet" ik een spelbreker zijn. Op reis door new wave kom ik bij een favoriet album van velen hierboven, plus Bono en U2 - ze draaiden The Affectionate Punch van The Associates uit het Schotse Dundee tijdens hun eerste Britse tour in het tourbusje. Een album dat in augustus 1980 verscheen.

Dan heb ik dit inmiddels de nodige malen afgespeeld, maar helaas lieve mensen: het wil me niet pakken. Het is me wat te kil, te steriel - of hoe omschrijf ik dat? Wel leuk, die heldere tenor en stembuigingen van Billy Mackenzie, plus dat de inventieve gitaar- en baslijnen van Alan Rankine evenmin mis zijn. Soms zingen en dansen ze als bij Thin Lizzy en Iron Maiden, grootheden uit een ander muzikaal universum. En toch wil het me niet pakken. Het zit 'm ook in de droge productie, vermoed ik.

Een supporter van dit album zou me nog op twee punten kunnen proberen te overtuigen: Robert Smith van The Cure doet achtergrondzang op The Affectionate Punch and Even Dogs in the Wild. En drummer Nigel Glockler, later bij Toyah en (huh? Huh! Saxon!) is sessiedrummer van dienst, al hoor ik regelmatig ook een drumcomputer, zoals in Paper House.
Of hij wijst me op de chansoninvloeden in Mackenzies zang; dan zal ik zeggen dat ik Brel en Clerc en vele anderen met warmte vindt zingen, iets wat hij op dit album ontbeert. (Ja, ik hou ook van het klassieke chanson en ga graag naar Frankrijk, iets wat ik op MuMe niet vaak heb laten weten. Iets met de Radio Tour de France, dat eind jaren '70 het zaadje plantte.)

Liefhebbers, weest gerust: mijn 3,5 ster vermag niet het huidige gemiddelde van 4 sterren naar beneden te trekken. Ik vind dit ook geen slecht album, maar het wil me niet bij de lurven grijpen. Dat is wat muziek doet: het raakt je gevoel, je instinct. En soms niet. En soms een beetje, zoals hier.
Favorieten: de eerste vier nummers van kant 1 en op kant 2 Would I... Bounce Back, dat wint door de piano en het ruimtelijker geluid van de gitaar.

Album of singles bereikten niet de Britse lijsten. Sinds 2005 verschenen enkele geremasterde en uitgebreide cd-edities, waarbij de eigenwijze single waarmee het nog vóór deze elpee begon: de cover van Boys Keep Swinging van David Bowie.

Mijn reis door new wave kwam vanaf november 1980 en Tom Robinson/Sector 27. Voor het vervolg moet ik wederom terug in de tijd, omdat ik alweer een album had gemist: op naar 1979 en een titelloos debuut, Amerikaanse powerpop van The A's.

The Atlantics - Big City Rock (1979)

poster
3,5
Er zijn meer groepen die als naam The Atlantics kregen, de bekendste een Australische surfrockgroep uit de jaren '60. The Atlantics van dit Big City Rock zijn echter afkomstig uit de VS, om precies te zijn de Tufts University in Medford, Massachusetts, nabij Boston; opgericht in maart 1976.
Al twee maamden later openden ze voor de Ramones en ook werd gespeeld in de New Yorkse club CBGB én Max's Kansas City. De groep nam enkele singles op, ging door bezettingswijzigingen heen, opende opnieuw voor de Ramones en bovendien voor Boston, The Cars, Cheap Trick en Graham Parker.

In '79 verschijnt Big City Rock, waar opvalt dat de groep hier en daar nadrukkelijk inspiratie vindt in jaren '50 rock 'n' roll, inclusief de zoetgevooisdere jaren '60-versies vóór de beatgolf. Het brengt een aparte vorm van powerpop, een genre dat normaliter uit jaren '60 beat put. In When You're Young wordt die rock 'n' roll gekoppeld aan een denderend ritme á la Ramones. Bij dit alles zijn gitaarsolo's bepaald géén taboe. Sterker nog, die klinken dan weer in de stijl van jaren '70-rock.
Bij Modern Times Girl is mijn verbazing over al deze invloeden helemaal groot, als de groep in het tweede deel onvervalste aor in de stijl van Styx maakt, om in Teenage Flu nadrukkelijk te lenen van Eddie Cochrans klassieker Summertime Blues.

Alhoewel de elpee geen doorslaand succes werd, behield de groep in hun eigen New England een goede livereputatie. In 1980 waren ze op tv met single Lonelyheart, helaas niet op deze elpee te vinden; hier te zien.
In 1983 viel de groep uit elkaar, maar in 2006 verscheen een heruitgave van enkele singles uit de periode '79 - '82 op een album dat simpelweg Atlantics was genoemd. Die werd in '07 gevolgd door de cd Live, opgenomen in de periode dat de groep Big City Rock promootte. In 2009 tenslotte verscheen verzamelaar Powerpop, met werk opgenomen in de jaren '77-'83.

Mijn reis door new wave kwam vanaf 1981 en album Positive Touch van de Noord-Ieren van The Undertones. Ik vervolg bij een livealbum uit 1980 uit diezelfde regio, namelijk Stiff Little Fingers en Hanx!

The B-52's - The B-52's (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik van de Belgische punks van The Kids, die plezante bozejongemannenmuziek maakten en predikten dat één en ander moest wijzigen. Hoe breed het containerbegrip 'new wave' dan is, wordt duidelijk met deze Amerikaanse groep uit Athens, Georgia. Pittige liedjes, een uiterlijk alsof het 1960 is, de suikerspinkapsels van zangeres-toetseniste-toetsenbassiste Kate Pierson en zangeres en percussioniste Cindy Wilson, broer Ricky Wilson op gitaar, Fred Schneider als zanger en Keith Strickland als drumvellenman.

Pittig maar ook vrolijk met absurdistische teksten. De hoogtepunten: Planet Claire heeft een heerlijk lang intro (wat in deze streaming- en TikToktijden is "verboden"), opmars naar een verhaal over een buitenaardse dame zonder hoofd. Zoals Gruppo Sportivo in '77 deed met Beep Beep Love. Bij de B-52's klinkt de muziek als die uit tekenfilmseries uit de jaren '60, knus en vol energie met een hoofdrol voor de pseudo-snauwerige zang van Schneider. De sfeer van Batman in die tijd.
In 52 Girls is de hoofdrol van de dames in de groep; vinnig gitaarlijntje en de stemmen die heel goed samenvallen. Rock Lobster heeft eveneens veel aangename gekte en sinds de jaren 2000 associeer ik de titel met die maffe tekenfilmserie Spongebob. En dan ontdek ik dat er slechts vier langere nummers op de eerste helft staan, waar het waarschijnlijk beter had gewerkt als de nummers iets korter waren gebleven en een vijfde nummer was toegevoegd.

Kant 2 start iets steviger met Lava, wat bijna de vijf minuten aantikt. Ook There's a Moon in the Sky (Called the Moon) duurt me net te lang, ondanks de vrolijke verwijzing naar kryptonite.
Omdat 6060-842 nog geen drie minuten duurt en de zang van Schneider goed samenvalt met die van Pierson en Wilson is dit, met de opener, mijn tweede favoriet van de plaat. Ook lekker: de retro-elektronische orgelgeluiden, zoals in het intro van Downtown, de cover van Petula Clark waarin de melodie effectief is omgebogen.

Als een soundtrack van een eigenwijze science-fictionfilm uit begin jaren '60; zó vrolijk kon new wave ook zijn! Mijn reis door wave vervolgt bij ernstiger muziek: de tweede van Siouxsie and the Banshees.

The B-52's - Wild Planet (1980)

poster
4,0
De tweede van The B-52's is net wat pakkender dan het debuut. Lekker uptempo, swingend, melodieus en fel. Beste voorbeeld is Private Idaho, dat als single in november 1980 in de Billboard Hot 100 tot #52 kwam.
Grinniken moet ik bij Quiche Lorraine. Niet alleen omdat ik die uit de koelcellen van de supermarkt ken, maar ook omdat het ronde fenomeen als een buitenaards ruimteschip ten tonele verschijnt op de tweede plaatkant. De volgende keer dat ik weer eens bij zo'n schap sta, zal ik aan dit malle liedje moeten denken.

De jaren '60 zitten 'm niet alleen in de kapsels van Kate Pierson en Cindy Wilson, maar ook in hun koortjes. Soms zijn er digitale effecten, zoals in Give Me Back My Man, waarbij de gitaren van Keith Strickland en Ricky Wilson soms stevig, soms krasserig kunnen hakken. Met de herkenbare spreekzang van Fred Schneider heb ik minder, als tegenwicht ten opzichte van de dames is het hier echter steeds in balans.
Enige nadeel is dat een echte uitschieter ontbreekt, de single uitgezonderd. Al ben ik wel extra gecharmeerd van het ietwat zweverige 53 Miles West of Venus, met zang alsof is geleend van Atomic van Blondie.

Ik kwam vanaf het derde album van het West-Duitse DAF en reis naar maart 1980: het Australische The Saints brengt dan de EP Paralytic Tonight Dublin Tomorrow uit.

The Babys - Broken Heart (1977)

poster
4,0
Met Isn’t It Time in december 1977 en Piece of the Action in maart 1978 betraden twee fantastische songs de hitlijsten. De stem van zanger John Waite was voor mij meteen onvergetelijk, The Babys werd één van mijn favobandjes. Liedjes die ik van de radio opnam op cassette.

Eerdere bijdragen van MuMensen noemden al de kwaliteiten: naast de leadzang sterke songs, een orkestrale aanpak met vooral violen én de productie van Ron Nevison, die de drums een badkamersound gaf en daarmee vooruitliep op de jaren ’80. Wrong or Right laat wat dat betreft meteen de buitengewone capaciteiten van dit plaatje horen.
Ik wil daar ook nog de sterke achtergrondzang van The Babettes aan toevoegen; deze dames kwamen uit het gospelkoor van Andrea Crouch lees ik op Wikipedia en konden dus wel een moppie zingen. De songs zijn nergens onder de middelmaat en meestal veel meer dan dat.

The Babys was méér dan een (hit)singleband: dit is een volwaardig album, met meer dan genoeg kwaliteit in een genre op de grenzen van pop en rock. Adult oriented rock op zijn best, waar melodie en pop samensmelten met scheurende gitaren en een passievolle stem. Het draait consequent om het liedje, dat bijna altijd over een liefje gaat. In september hoop ik Waite in Amersfoort te zien optreden, ben benieuwd of hij het nog heeft!

The Babys - Head First (1978)

poster
3,5
Oeh, wat een fijne liedjes staan er toch op dit plaatje! Op de grens van pop en rock, gepassioneerd gezongen door John Waite en van rijke arrangementen voorzien door producer Ron Nevison. Behalve die kneiter Every Time I Think of You draaien er al jaren andere tracks van Head First in mijn playlist van The Babys/John Waite. Altijd fijn meeblèren tijdens autoritten.

Er klinkt veel romantiek, maar gitarist/toetsenist én oprichter Michael Corby werd tijdens de opnamen met ruzie ontslagen. Op YouTube wordt daar in de commentaren nog steeds om gerouwd door enkele meisjes van toen. Eén van hen maakte dit veelzeggende eerbetoon.

Mijn andere vijf favorietjes. White Lightning is met kop en schouders de beste song. Een tandartsbezoek smelt samen met verwijzingen naar Lucy in the Sky with Diamonds van The Beatles; die laatsten zijn bepaald niet mijn favoriete liedje of band, maar bij The Babys werkt het met de strijkers plus die aparte melodie in de brug.
Het uptempo en stevige Run to Mexico met die heerlijke elektrische piano van Michael Corby en fijne gitaarsolo van Wally Stocker. Het rockende Head First met de band in romantische topvorm. Het akoestische You (Got It) is vervolgens zwoel-romantisch. Tijdloos is tenslotte popsong California, uptempo en akoestisch met zelfs mandoline.

Het laatste album van de band in warm-knusse jaren ’70 sound, hierna werd het steviger. Ook weer lekker.

The Babys - Live at The Bottom Line, 1979 (2024)

poster
4,5
Gisteren las ik bovenstaand bericht, blij verrast met deze "nieuwe" van The Babys en de positieve beoordeling van Bojangles.
Officieel afgelopen vrijdag verschenen, zie ik dat Plato en Velvet Live at The Bottom Line, 1979 nog bij "wordt verwacht" hebben staan en Sounds nog helemaal niet (ik koop liever bij fysieke winkels dan bij online reuzen) en dat ie zelfs nog niet op Discogs staat vermeld. En dus klinkt nu de afspeellijst vanaf het officiële kanaal van de groep.

Omdat ik dadelijk nog een klusje voor het werk moet doen , beloon ik mijn oren met dit album. Hierop spelen The Babys inmiddels in hun tweede bezetting, het jaar erop debuterend in de studio met Union Jacks.
Het is dus live, oftewel géén orkestrale aor-productie van Ron Nevison. Zang, gitaar, bas, toetsen, drums. Waar ik bij veel livealbums mijn persoonlijke krakers mis, word ik hier bediend met een sterke setlist. Daarin versies die qua arrangementen soms afwijken van de studioalbums. In die livejasjes blijven ze echter fier overeind.

Zanger John Waite vermijdt de allerhoogste noten, maar met zijn stem mag hij van mij een willekeurige routebeschrijving zingen... Run to Mexico bijvoorbeeld is ijzersterk gezongen. Bij Everytime Time I Think of You hoor ik voor het eerst een tweetal achtergrondzangeressen; dubbel fijn want Waite is licht-hees en komt er nog mee weg ook. Klasse, mede omdat de toetsen de strijkers van de studioversie adequaat vervangen.
Nieuw voor mij is Stick to Your Guns (wel ooit op deze obscure 2LP verschenen), sterk gezongen door toetsenist Jonathan Cain (later bij Bad English en Journey). Zo kreeg Waite even rust, met bovendien een fraai zingende gitaarsolo van Wally Stock. Anytime van Union Jacks (1980) heet hier nog Crystal Ball en wijkt iets af van de studioversie.

Dan werkt de groep naar het slot toe. Over Lookin' for Love als opener van het debuut was ik niet enthousiast. Live werkt het echter goed en zelfs de drumsolo van Tony Brock kan ik hebben - wél het bewijs dat vroeger niet alles beter was, al reageert het publiek enthousiast.
Dan de cover Money (That's What I Want), die ik in datzelfde 1979 in de versie van The Flying Lizards leerde kennen. Bassist Ricky Phillips (hierna bij o.a. Bad English, nu al vele jaren bij Styx) speelt er een korte solo en is het Waite die daar mondharmonica speelt? Tenslotte het "nieuwe" Loaded, heerlijk stevig en nooit eerder op geluidsdrager verschenen; met een synthintro waarbij ik denk dat ik Kids in America van Kim Wilde ga horen.

Nu ga ik écht aan de werkklus beginnen, met dit album op herhaling...

The Babys - On the Edge (1980)

poster
4,0
Maar liefst twee albums verschenen er in 1980 van The Babys. Dit was wel meteen hun zwanenzang, maar gelukkig voor mij volgde spoedig de solocarrière van zanger John Waite.

Beide albums uit 1980 waren in nieuwe bezetting en bovendien in een pittiger stijl dan hun muziek uit de jaren '70. De teksten zijn onverminderd romantisch en als tiener beleefde ik deze als een spiegel van mijn leven, zij het dat dit allesbehalve amoureus was - veel te verlegen, plus: muziek boven alles! De dorpsfonotheek, daar was ik op vrijdagavonden te vinden.

Vooral de A-kant beviel me goed: alle nummers belandden op een bandje. Van de B-kant waren het Too Far Gone en Love Won't Wait, al vond ik die minder dan de vijf van de eerste helft. Blijft toch bijzonder dat als ik dit na zoveel jaar met frisse oren beluister, ik de zeven onmiddelijk herken en deels kan meezingen. Het kan niet anders of ik heb dat bandje heel vaak gedraaid.
Vreemd dat Downtown en Gonna Be Somebody (wát een heerlijk refrein, fraaie achtergrondzang van Anne Marie Leclerc!) mij indertijd niet zo goed bevielen: sterke songs.

Romantische hardrock, aor op topniveau, vaak naar de top gevoerd door de stem van Waite. Maar laat ik de pakkende composities van de zanger met afwisselend toetsenist Jonathan Cain, gitarist Wally Stocker of drummer Tony Brock niet vergeten; meestal klinken sterke melodieën en ideeën.
De hoes is in de typisch zakelijker stijl van die tijd, beïnvloed door new wave maar zeker niet genregebonden. De typografie bijvoorbeeld, iets dergelijks zag ik dat jaar ook bij Stage Struck van Rory Gallagher.

Op mijn bandje werd de afsluiter van de A-kant het slotlied. Rock 'n Roll is Alive and Well, goodnight!
Ik hoop mee te maken dat Waite hiermee volgende maand zijn concerten in Nederland afsluit, in ieder geval de show in Amersfoort waar ik heen wil. Ondertussen duik ik zijn solocarrière weer eens in...