Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Accept - Death Row (1994)

3,5
0
geplaatst: 30 mei 2024, 15:17 uur
Accept vernieuwde enigszins zijn geluid op de tweede met Udo Dirkschneider na diens terugkeer. In opener Death Row hoor ik jaren '90-(nu-)metal. Daar heb ik bar weinig mee, maar met het tweede nummer Sodom & Gomorra is het ouderwets beuken met daarin bovendien in de gitaarsolo de Sabeldans uit 1942 van de Armeense componist Aram Khachaturian, hier zoals hij het bedoelde. Vind ik zo leuk bij Hoffmann, die klassieke citaten in zijn gitaarspel!
Het nadeel van 'ouderwets beuken' is dat je het de groep al veel vaker hebt horen doen. U begrijpt wat ik bedoel: er valt altijd wat te zeuren, of Accept nou wat nieuws doet of niet... Voor mij is Accept typisch een groep waarvan een heel album niet per se mijn aandacht vasthoudt, zeker niet zo'n lange als deze. Tegelijkertijd valt er via streaming een prima afspeellijst van hun oeuvre te maken.
Andere hoogtepunten op Death Row zijn voor mij het snelle Guns 'R' Us over het Amerikaanse recht op wapenbezit (de teksten op deze Accept zijn wederom van Wolfmanns echtgenote Deaffy), het midtempo Prejudice met een thrashachtige riff (zo hoorde ik de groep niet eerder) en het hakkende Bad Religion met een persoonlijke (?) tekst over een moeilijke jeugd.
Opvallend is dat het album afsluit met twee instrumentale nummers, oftewel Hoffmann in de volgspot. Writing on the Wall is kalm met een akoestische basis en hetzelfde geldt voor Pomp and Circumstance, waarin Land of Hope and Glory uit 1901 van de Brit Edward Elgar is verwerkt. In 2003 en 2016 zou de gitarist zelfs soloalbums met zijn klassiek-beïnvloede gitaarspel uitbrengen.
Die kruising van klassieke muziek met metal vind ik dus aangenaam, verder een degelijk album. Krappe 7.
Het nadeel van 'ouderwets beuken' is dat je het de groep al veel vaker hebt horen doen. U begrijpt wat ik bedoel: er valt altijd wat te zeuren, of Accept nou wat nieuws doet of niet... Voor mij is Accept typisch een groep waarvan een heel album niet per se mijn aandacht vasthoudt, zeker niet zo'n lange als deze. Tegelijkertijd valt er via streaming een prima afspeellijst van hun oeuvre te maken.
Andere hoogtepunten op Death Row zijn voor mij het snelle Guns 'R' Us over het Amerikaanse recht op wapenbezit (de teksten op deze Accept zijn wederom van Wolfmanns echtgenote Deaffy), het midtempo Prejudice met een thrashachtige riff (zo hoorde ik de groep niet eerder) en het hakkende Bad Religion met een persoonlijke (?) tekst over een moeilijke jeugd.
Opvallend is dat het album afsluit met twee instrumentale nummers, oftewel Hoffmann in de volgspot. Writing on the Wall is kalm met een akoestische basis en hetzelfde geldt voor Pomp and Circumstance, waarin Land of Hope and Glory uit 1901 van de Brit Edward Elgar is verwerkt. In 2003 en 2016 zou de gitarist zelfs soloalbums met zijn klassiek-beïnvloede gitaarspel uitbrengen.
Die kruising van klassieke muziek met metal vind ik dus aangenaam, verder een degelijk album. Krappe 7.
Accept - Eat the Heat (1989)

2,0
0
geplaatst: 15 mei 2024, 09:14 uur
Zoals veel vaker kan ik me goed vinden in de beoordelingen van vielip en Sir Spamalot.
Met de technisch betere zanger David Reece onderscheidde Accept zich niet meer van de concurrentie. Waar Aardschok/Metal Hammer enkele jaren eerder regelmatig in het voorwoord klaagde dat die kleine kale van Accept weer op de voorkant moest van de Duitse redactie, verlangden we (?) plots terug naar het speenvarken.
Gitarist Wolf Hoffmann mocht verantwoordelijk zijn voor alle muziek, met Reece werd Accept op Eat the Heat een groep die klonk als vele, vele anderen.
Op 2/3 van tweede nummer Generation Clash, dat met z'n dikke 6 minuten op mijn gaapspieren werkt, heb ik al het gevoel op het einde van kant 1 te zitten. Zo lang duurt het. Nee, zelfs Hoffmann slaagde erin het typische Acceptgevoel te verliezen ten faveure van MTV-metaal, waarbij toetsen als in Prisoner het verergeren. Op zich geen verkeerd nummer, maar er was al zoveel op dit gebied. Op de tweede plaatkant gebeurt hetzelfde in ballade Mistreated.
Een overdosis melodie op Eat the Heat : bij Accept werkte het niet, ondanks slotlied D-Train dat eindelijk eens knált.
De cd-versie telde twee nummers meer dan vinyl, je vindt die ook op streaming. In dit geval verergeren die de zaak...
Met de technisch betere zanger David Reece onderscheidde Accept zich niet meer van de concurrentie. Waar Aardschok/Metal Hammer enkele jaren eerder regelmatig in het voorwoord klaagde dat die kleine kale van Accept weer op de voorkant moest van de Duitse redactie, verlangden we (?) plots terug naar het speenvarken.
Gitarist Wolf Hoffmann mocht verantwoordelijk zijn voor alle muziek, met Reece werd Accept op Eat the Heat een groep die klonk als vele, vele anderen.
Op 2/3 van tweede nummer Generation Clash, dat met z'n dikke 6 minuten op mijn gaapspieren werkt, heb ik al het gevoel op het einde van kant 1 te zitten. Zo lang duurt het. Nee, zelfs Hoffmann slaagde erin het typische Acceptgevoel te verliezen ten faveure van MTV-metaal, waarbij toetsen als in Prisoner het verergeren. Op zich geen verkeerd nummer, maar er was al zoveel op dit gebied. Op de tweede plaatkant gebeurt hetzelfde in ballade Mistreated.
Een overdosis melodie op Eat the Heat : bij Accept werkte het niet, ondanks slotlied D-Train dat eindelijk eens knált.
De cd-versie telde twee nummers meer dan vinyl, je vindt die ook op streaming. In dit geval verergeren die de zaak...
Accept - Humanoid (2024)

3,0
0
geplaatst: 14 mei 2024, 15:00 uur
Uit sinds eind april, twee stemmen en mijn bericht als tweede? Het loopt niet storm op MuMe bij Accepts nieuwe album Humanoid.
De eerste van de groep bij Napalm maar verder met beproefde ingrediënten qua stijl (massieve metal) en producer. Andy Sneap (o.a. Saxon en Judas Priest) doet wat hij goed kan.
De voorbije dagen ontstond bij Dehumanizer (1992) van Black Sabbath een goed gesprek over die productie. Edwynn noteerde daar: Zelfs de producties uit de jaren 80 die door Dire Straits-oïden op dit forum vaak als 'klinisch' worden omschreven bevatten een veelvoud aan leven ten opzichte van de doodgeslagen producties zoals die van Accept, Dimmu Borgir, Hypocrisy, Immortal usw.
Dat is nog weer iets anders dan het optuigen van een geluidsmuur. Want dat kan ook perfect onderdeel zijn van het geluid."
Wel, qua geluidsmuren is het op deze Accept inderdaad robuust maar niet dichtgesmeerd. Goed gedaan, mijn bedenking is echter dat het als andere recente Sneapproducties klinkt.
En verder doet Accept precies zoals verwacht. Heel degelijk maar nergens verrassend. Als de betere fabriekskoekjes, die het afleggen tegen die van de warme bakker en tegelijkertijd nergens beneden niveau zijn.
Variatie tussen beukers en kalmer werk, fraaie gitaarsolo's van Wolf Hoffmann die zo goed melodie en snelheid kan combineren met klassieke invloeden, hoge krijszang of juist melodieuzer strotwerk van Mark Tornillo en op z'n tijd een AC/DC-achtig meebrulkoortje.
Veertig jaar geleden was ik wellicht omvergeblazen, nu beleef ik dit vooral als een herhalingsoefening. Grootste favoriet is het dubbelebasdrumslot Southside of Heaven, minst aangenaam is powerballade Ravages of Time, al is de persoonlijke tekst herkenbaar.
Een compliment tot besluit: de hoes lijkt geïnspireerd door de Duitse sci-fi-film Metropolis uit 1927, waarmee de Teutoonse cultuur van toen en nu elkaar raken. Mooi gedaan door Gyula Havancsak!
De eerste van de groep bij Napalm maar verder met beproefde ingrediënten qua stijl (massieve metal) en producer. Andy Sneap (o.a. Saxon en Judas Priest) doet wat hij goed kan.
De voorbije dagen ontstond bij Dehumanizer (1992) van Black Sabbath een goed gesprek over die productie. Edwynn noteerde daar: Zelfs de producties uit de jaren 80 die door Dire Straits-oïden op dit forum vaak als 'klinisch' worden omschreven bevatten een veelvoud aan leven ten opzichte van de doodgeslagen producties zoals die van Accept, Dimmu Borgir, Hypocrisy, Immortal usw.
Dat is nog weer iets anders dan het optuigen van een geluidsmuur. Want dat kan ook perfect onderdeel zijn van het geluid."
Wel, qua geluidsmuren is het op deze Accept inderdaad robuust maar niet dichtgesmeerd. Goed gedaan, mijn bedenking is echter dat het als andere recente Sneapproducties klinkt.
En verder doet Accept precies zoals verwacht. Heel degelijk maar nergens verrassend. Als de betere fabriekskoekjes, die het afleggen tegen die van de warme bakker en tegelijkertijd nergens beneden niveau zijn.
Variatie tussen beukers en kalmer werk, fraaie gitaarsolo's van Wolf Hoffmann die zo goed melodie en snelheid kan combineren met klassieke invloeden, hoge krijszang of juist melodieuzer strotwerk van Mark Tornillo en op z'n tijd een AC/DC-achtig meebrulkoortje.
Veertig jaar geleden was ik wellicht omvergeblazen, nu beleef ik dit vooral als een herhalingsoefening. Grootste favoriet is het dubbelebasdrumslot Southside of Heaven, minst aangenaam is powerballade Ravages of Time, al is de persoonlijke tekst herkenbaar.
Een compliment tot besluit: de hoes lijkt geïnspireerd door de Duitse sci-fi-film Metropolis uit 1927, waarmee de Teutoonse cultuur van toen en nu elkaar raken. Mooi gedaan door Gyula Havancsak!
Accept - Metal Heart (1985)

3,5
0
geplaatst: 13 maart 2024, 18:19 uur
Terwijl diverse Britse groepen rond 1985 tevergeefs probeerden met een gepolijster geluid de Verenigde Staten te veroveren, bleef het Duitse Accept doen waar het goed in is: metal maken. En dat beperkte zich niet tot de hoes met zijn originele idee en uitwerking.
Bij voorganger Balls to the Wall voelde ik pas ver in de tweede helft enthousiasme, deze opvolger bevat meer uptempo nummers en dat ligt mij nu eenmaal beter. Ik proef ook een vleugje AC/DC maar dan wel in Duits metaal uit Solingen verwerkt.
Verrassend is het niet (meer) (alhoewel, ik kwam toch leuke details tegen), degelijk wél. En bovendien onverslijtbaar. Geproduceerd door Dieter Derks die hoorbaar oor had voor de afwerking, waarbij de muzikanten minutieus op de achterzijde vastlegden welke instrumenten ze op welk nummer bespeelden.
Leuk zijn de klassieke invloeden in het titelnummer dat de plaat opent (Tsjaikovski in het intro en Beethoven in de gitaarsolo), Midnight Mover is iets sneller, in Up to the Limit hoor ik een "Australische riff" en Wrong is Right is rechttoe metal uit het boekje met dubbele basdrum, waarbij gitarist Wolf Hoffmann weer een fraai opgebouwde solo neerzet, zoals hij zo goed kan. In Screaming For A Love-Bite hoor ik een pakkend refrein. Toch nog enige verrassing, lekker nummer.
Kant 2 start met Too High to Get It Right, het tweede nummer waarbij ik met riff en refrein aan AC/DC moet denken, wederom in het Acceptjasje. Hetzelfde heb ik met Dogs on Leads dat lekker onheilspellend begint. Vreemdste nummer is Teach Us to Survive met zijn jazzinvloedjes in intro en de break: mijn favoriet.
Living for Tonite lijkt qua riff op Scorpions' Big City Lights en toch klinkt het niet gejat; tegelijkertijd kan ik makkelijk fantaseren dat Klaus Meine dit had ingezongen, maar de krijszang van Udo Dirkschneider mag er ook zijn. In slotlied Bound to Fail klinkt een folkachtige melodie in in- en uittro waar wij aan het einde mogen meezingen als het Urker Mannenkoor invalt. Tussendoor zet Accept een aangename, dansende groove neer.
In Europa verkocht ie in tegenstelling tot de Verenigde Staten prima, voor zover ik me kan herinneren. Een krappe 7 van mij, oftewel 3,5 ster.
PS: hoor eens hoe in het refrein van Metal Heart het woordje 'metal' fraai op z'n Duits met dunne 'l' wordt gezongen. Ik vind het charmant!
Bij voorganger Balls to the Wall voelde ik pas ver in de tweede helft enthousiasme, deze opvolger bevat meer uptempo nummers en dat ligt mij nu eenmaal beter. Ik proef ook een vleugje AC/DC maar dan wel in Duits metaal uit Solingen verwerkt.
Verrassend is het niet (meer) (alhoewel, ik kwam toch leuke details tegen), degelijk wél. En bovendien onverslijtbaar. Geproduceerd door Dieter Derks die hoorbaar oor had voor de afwerking, waarbij de muzikanten minutieus op de achterzijde vastlegden welke instrumenten ze op welk nummer bespeelden.
Leuk zijn de klassieke invloeden in het titelnummer dat de plaat opent (Tsjaikovski in het intro en Beethoven in de gitaarsolo), Midnight Mover is iets sneller, in Up to the Limit hoor ik een "Australische riff" en Wrong is Right is rechttoe metal uit het boekje met dubbele basdrum, waarbij gitarist Wolf Hoffmann weer een fraai opgebouwde solo neerzet, zoals hij zo goed kan. In Screaming For A Love-Bite hoor ik een pakkend refrein. Toch nog enige verrassing, lekker nummer.
Kant 2 start met Too High to Get It Right, het tweede nummer waarbij ik met riff en refrein aan AC/DC moet denken, wederom in het Acceptjasje. Hetzelfde heb ik met Dogs on Leads dat lekker onheilspellend begint. Vreemdste nummer is Teach Us to Survive met zijn jazzinvloedjes in intro en de break: mijn favoriet.
Living for Tonite lijkt qua riff op Scorpions' Big City Lights en toch klinkt het niet gejat; tegelijkertijd kan ik makkelijk fantaseren dat Klaus Meine dit had ingezongen, maar de krijszang van Udo Dirkschneider mag er ook zijn. In slotlied Bound to Fail klinkt een folkachtige melodie in in- en uittro waar wij aan het einde mogen meezingen als het Urker Mannenkoor invalt. Tussendoor zet Accept een aangename, dansende groove neer.
In Europa verkocht ie in tegenstelling tot de Verenigde Staten prima, voor zover ik me kan herinneren. Een krappe 7 van mij, oftewel 3,5 ster.
PS: hoor eens hoe in het refrein van Metal Heart het woordje 'metal' fraai op z'n Duits met dunne 'l' wordt gezongen. Ik vind het charmant!
Accept - Objection Overruled (1993)

3,5
0
geplaatst: 30 mei 2024, 14:22 uur
De opmerking hierboven snap ik helemaal niet, misschien kan shrink die uitleggen? Udo Dirkschneider was namelijk terug bij Accept en de groep maakte met Objection Overruled een niet-lullûh-maar-spelûh-plaat.
Was ik bij verschijnen hiervan even oud geweest als bij het verschijnen van Restless and Wild dan was ik wild-enthousiast geweest, maar inmiddels was ik tientallen albums verder en als vader druk met luiers, flesjes en meer. Dan zit je er toch anders in.
Met de nuchterheid van nog eens 31 jaar verder valt op dat de groep alle misverstanden wilde uitsluiten door de Teutoonse metal te maken die door de fans werd gevraagd. Dezelfde die het live het beste deed.
Het is dus compromisloos hard met vaak de solovirtuositeit van gitarist Wolf Hoffmann. Metal als in de New wave of British metal met AC/DC-achtige meebrulrefreinen. Tegenwoordig heet het ook wel classic metal, waarbij dient te worden opgemerkt dat de Duitsers een volstrekt herkenbaar geluid hebben.
Lekker beuken in het titellied dat het album aftrapt, prachtige solo in het vierkante Slaves to Metal en akoestische gitaren in semiballade Amamos la Vida. Gewoon doen waar je goed in bent.
De Japanse fans boften weer eens met een bonus: op JijBuis blijkt Rich and Famous een knus rockende meezinger te zijn.
Laat ik als favo's de snelste nummers kiezen, dus de opener, Sick, Dirty and Mean en slotlied This One's for You. Als album: degelijk Duits staal dat precies doet waarvoor het is bedoeld.
Was ik bij verschijnen hiervan even oud geweest als bij het verschijnen van Restless and Wild dan was ik wild-enthousiast geweest, maar inmiddels was ik tientallen albums verder en als vader druk met luiers, flesjes en meer. Dan zit je er toch anders in.
Met de nuchterheid van nog eens 31 jaar verder valt op dat de groep alle misverstanden wilde uitsluiten door de Teutoonse metal te maken die door de fans werd gevraagd. Dezelfde die het live het beste deed.
Het is dus compromisloos hard met vaak de solovirtuositeit van gitarist Wolf Hoffmann. Metal als in de New wave of British metal met AC/DC-achtige meebrulrefreinen. Tegenwoordig heet het ook wel classic metal, waarbij dient te worden opgemerkt dat de Duitsers een volstrekt herkenbaar geluid hebben.
Lekker beuken in het titellied dat het album aftrapt, prachtige solo in het vierkante Slaves to Metal en akoestische gitaren in semiballade Amamos la Vida. Gewoon doen waar je goed in bent.
De Japanse fans boften weer eens met een bonus: op JijBuis blijkt Rich and Famous een knus rockende meezinger te zijn.
Laat ik als favo's de snelste nummers kiezen, dus de opener, Sick, Dirty and Mean en slotlied This One's for You. Als album: degelijk Duits staal dat precies doet waarvoor het is bedoeld.
Accept - Predator (1996)

3,5
0
geplaatst: 31 mei 2024, 10:11 uur
Predator werd opgenomen in Nashville met de Duitse producer Michael Wagener, die daarheen was verhuisd; gitarist Wolf Hoffmann en bassist Peter Baltes zouden later zijn voorbeeld volgen. Ook Udo Dirkschneider is weer van de partij, maar de groep is na het wegvallen van drummers Stefan Kauffmann (rugproblemen bij de voorganger) en vervanger Stefan Schwarzmann gereduceerd een trio, met de Amerikaan Michael Cartellone als sessiedrummer.
De productie is droger in vergelijking met de vorige twee en de groep injecteert deze maal hun metal met de nodige invloeden van AC/DC. De tempo’s liggen lager, maar ik mopper niet: veel nummers zitten goed in elkaar en de koortjes zijn pakkend, zoals Hard Attack bewijst. Verrassend is het akoestische slot met conga’s van Crossroads, in Diggin’ in the Dirt klinkt langzame metal van een zwaarder kaliber. Pas met track 8 Crucified is daar de eerste dubbelebasdrumbeuker – lekker! Slotlied Primitive sla ik liever over door de lelijke drumcomputer.
Opvallend is dat Baltes op maar liefst drie nummers alle leadzang doet en dat doet ie goed; was dat omdat Dirkschneider terug in Duitsland zat? Het album komt sterk uit de startblokken, maar de tweede helft is minder spannend.
Hierna hield de groep op te bestaan. Dirkscheider vervolgde zijn carrière vanuit Duitsland met U.D.O., Hoffmann begon een volgend leven als professioneel fotograaf en Baltes dook op bij onder meer John Norum, Don Dokken en Therion. Tot in 2005 een livetour volgt, waarna de groep in 2009 weer bij elkaar komt voor nieuw studiowerk, zij het zonder Dirkschneider.
De productie is droger in vergelijking met de vorige twee en de groep injecteert deze maal hun metal met de nodige invloeden van AC/DC. De tempo’s liggen lager, maar ik mopper niet: veel nummers zitten goed in elkaar en de koortjes zijn pakkend, zoals Hard Attack bewijst. Verrassend is het akoestische slot met conga’s van Crossroads, in Diggin’ in the Dirt klinkt langzame metal van een zwaarder kaliber. Pas met track 8 Crucified is daar de eerste dubbelebasdrumbeuker – lekker! Slotlied Primitive sla ik liever over door de lelijke drumcomputer.
Opvallend is dat Baltes op maar liefst drie nummers alle leadzang doet en dat doet ie goed; was dat omdat Dirkschneider terug in Duitsland zat? Het album komt sterk uit de startblokken, maar de tweede helft is minder spannend.
Hierna hield de groep op te bestaan. Dirkscheider vervolgde zijn carrière vanuit Duitsland met U.D.O., Hoffmann begon een volgend leven als professioneel fotograaf en Baltes dook op bij onder meer John Norum, Don Dokken en Therion. Tot in 2005 een livetour volgt, waarna de groep in 2009 weer bij elkaar komt voor nieuw studiowerk, zij het zonder Dirkschneider.
Accept - Restless and Live (2017)
Alternatieve titel: Blind Rage - Live in Europe 2015

4,0
0
geplaatst: 11 juni 2024, 21:10 uur
In 2010 keerde Accept sterk terug met nieuwe zanger Mark Tornillo en bracht sindsdien sterk songmateriaal. In hun eigen Duitsland halen de albums hogere noteringen dan voorheen meestal met originele zanger Udo Dirkschneider het geval was. En omdat streaming in die jaren in Duitsland nog geen gemeengoed was, zullen de verkoopaantallen best prima zijn geweest.
Blood of the Nations haalde er #4, Stalingrad #6 en Blind Rage #1. Na driemaal studio achtten ze de tijd rijp voor een liveplaat, opgenomen tijdens diverse optredens van de tour voor Blinde Woede. En dan was daar de dvd-versie, opgenomen bij festival Bang Your Head!!! dat een iets andere trackvolgorde kent.
Bij de timing van deze uitgaven kun je je inderdaad met Sir Spamalot afvragen of het iets te maken had met Udo’s livealbum vol klassiekertjes van zijn oude bandje.
Tegelijkertijd speelt de groep veel werk van de jaren Tornillo, die zich overigens met vlag en wimpel door het werk uit de jaren Udo slaat. Wie zoals ik opgroeide in de jaren '80 heeft meer met het oudere werk, dat in de decennia ingebeiteld raakte in mijn neuronen. Maar die nostalgie leidt niet tot de conclusie dat hun vroegere werk beter was. Het valt juist op hoe goed oud en nieuw samengaan.
En verder: in No Shelter een heerlijk duel tussen gitaar en de bas, wat ik van conculega's van Accept niet zo ken. En verder uiteraard spetterende gitaarsolo's, waarbij nieuweling Uwe Lulis ook meer blijkt te kunnen dan "slechts" slaggitaar.
Een geoliede metalmachine die er hoorbaar plezier in heeft en bovendien knalt het lekker vet de boxen uit. Het dubbelalbum haalde in Duitsland #9 in de albumlijst.
Blood of the Nations haalde er #4, Stalingrad #6 en Blind Rage #1. Na driemaal studio achtten ze de tijd rijp voor een liveplaat, opgenomen tijdens diverse optredens van de tour voor Blinde Woede. En dan was daar de dvd-versie, opgenomen bij festival Bang Your Head!!! dat een iets andere trackvolgorde kent.
Bij de timing van deze uitgaven kun je je inderdaad met Sir Spamalot afvragen of het iets te maken had met Udo’s livealbum vol klassiekertjes van zijn oude bandje.
Tegelijkertijd speelt de groep veel werk van de jaren Tornillo, die zich overigens met vlag en wimpel door het werk uit de jaren Udo slaat. Wie zoals ik opgroeide in de jaren '80 heeft meer met het oudere werk, dat in de decennia ingebeiteld raakte in mijn neuronen. Maar die nostalgie leidt niet tot de conclusie dat hun vroegere werk beter was. Het valt juist op hoe goed oud en nieuw samengaan.
En verder: in No Shelter een heerlijk duel tussen gitaar en de bas, wat ik van conculega's van Accept niet zo ken. En verder uiteraard spetterende gitaarsolo's, waarbij nieuweling Uwe Lulis ook meer blijkt te kunnen dan "slechts" slaggitaar.
Een geoliede metalmachine die er hoorbaar plezier in heeft en bovendien knalt het lekker vet de boxen uit. Het dubbelalbum haalde in Duitsland #9 in de albumlijst.
Accept - Restless and Wild (1982)

4,0
2
geplaatst: 10 december 2022, 11:21 uur
Ik was een tiener, meisjes waren hopeloos onbereikbaar en puistjes zochten mij juist op. Gelukkig was daar altijd de muziek. Bijvoorbeeld toen Restless and Wild verscheen, mijn kennismaking met het Duitse Accept.
De hoes alleen al: 'Was dat een sneer naar Michael Schenker?' vroeg ik mij met mijn muziekmaat af. 'Die zal het niet leuk vinden dat twee Flying-V-gitaren in de fik worden gestoken', redeneerden we.
De opener kende een onverwacht humoristische start en vervolgens klonk het snelste nummer dat ik ooit had gehoord. Jawel, een tijd lang gold Fast as a Shark als het ultieme snelheidsrecord in de muziek. Ik zette een jaar later de songtitel op de kettingkast op mijn fiets met een haai erbij getekend, als afschrikmiddel om dit rijwiel niet bij het NS-station te stelen.
Jammer dat er niet nog zo’n knaller op stond, van mij had de hele plaat wel zo mogen klinken. Desondanks volgde meer kwaliteit. Op de A-kant de vlotte titelsong, het snellere Ahead of the Pack en het langzame Neon Nights dat aan het einde onverwacht versnelt. Had eerder gemogen, vond ik.
Op de B-kant sprongen het uptempo Flash Rockin’ Man en het sferische Princess of the Dawn met zijn abrupte slot eruit. Maar zelfs mindere nummers als Shake your Heads (over de enige “dans” die ik beheerste) en Don’t Go Stealing my Soul Away bevatten fraaie details. Dit alles messcherp geproduceerd, de plaat knalde mijn goedkope boxjes uit. De speenvarkenkrijs van Udo Dirkschneider beviel mij wel, bovendien was ook zijn lagere versnelling aangenaam.
Jaren later vielen mij pas goed de subtiele, klassieke elementen in het gitaarwerk op, een fraai contrast met de woeste heavy metal. Wolf Hoffmann doet hier wat Ritchie Blackmore in de hardrock deed: melodie en versieringen toevoegen.
Tot dan toe waren de Verenigde Staten en Engeland dé hardrock-/metallanden. Dit album was een voorbode van de grote Duitse wereld van scheurende gitaren die aanstaande was, nadat Scorpions aan Accept was voorgegaan. Iets soortgelijks gebeurde gelijktijdig in Japan met Bow Wow en Loudness. De genres kregen ook buiten de Angelsaksische wereld eigen wortels, waar nadien menig grote boom uit groeide.
Toen ik in 2017 de catalogus van de band ging herontdekken, heb ik eens uitgezocht hoe het met dat “hei-di-hei-do-hei-da” in de eerste tonen van de plaat zit. Het blijkt uit Ein Heller und ein Batzen te komen, oorspronkelijk (1830) een drinklied maar rond 1940 een marslied van het Duitse leger. Omdat het geen nazitekst heeft, valt het echter niet onder het Duitse wetsartikel omtrent verboden uitingen; § 86a van het Strafgesetzbuch, leer ik van Wikipedia. De heren van Accept waren overigens onbekend met die geschiedenis, las ik elders.
Mooi is de anekdote die ZAP! hierboven vertelt: ik zie het gezinnetje aan de geprakte aardappels met spruitjes zitten en vervolgens schrikken. Fijn, zo’n oudste broer! Precies wat ik mijn broertje en zusje liet doen, want natuurlijk moest iedereen dit horen!
De hoes alleen al: 'Was dat een sneer naar Michael Schenker?' vroeg ik mij met mijn muziekmaat af. 'Die zal het niet leuk vinden dat twee Flying-V-gitaren in de fik worden gestoken', redeneerden we.
De opener kende een onverwacht humoristische start en vervolgens klonk het snelste nummer dat ik ooit had gehoord. Jawel, een tijd lang gold Fast as a Shark als het ultieme snelheidsrecord in de muziek. Ik zette een jaar later de songtitel op de kettingkast op mijn fiets met een haai erbij getekend, als afschrikmiddel om dit rijwiel niet bij het NS-station te stelen.
Jammer dat er niet nog zo’n knaller op stond, van mij had de hele plaat wel zo mogen klinken. Desondanks volgde meer kwaliteit. Op de A-kant de vlotte titelsong, het snellere Ahead of the Pack en het langzame Neon Nights dat aan het einde onverwacht versnelt. Had eerder gemogen, vond ik.
Op de B-kant sprongen het uptempo Flash Rockin’ Man en het sferische Princess of the Dawn met zijn abrupte slot eruit. Maar zelfs mindere nummers als Shake your Heads (over de enige “dans” die ik beheerste) en Don’t Go Stealing my Soul Away bevatten fraaie details. Dit alles messcherp geproduceerd, de plaat knalde mijn goedkope boxjes uit. De speenvarkenkrijs van Udo Dirkschneider beviel mij wel, bovendien was ook zijn lagere versnelling aangenaam.
Jaren later vielen mij pas goed de subtiele, klassieke elementen in het gitaarwerk op, een fraai contrast met de woeste heavy metal. Wolf Hoffmann doet hier wat Ritchie Blackmore in de hardrock deed: melodie en versieringen toevoegen.
Tot dan toe waren de Verenigde Staten en Engeland dé hardrock-/metallanden. Dit album was een voorbode van de grote Duitse wereld van scheurende gitaren die aanstaande was, nadat Scorpions aan Accept was voorgegaan. Iets soortgelijks gebeurde gelijktijdig in Japan met Bow Wow en Loudness. De genres kregen ook buiten de Angelsaksische wereld eigen wortels, waar nadien menig grote boom uit groeide.
Toen ik in 2017 de catalogus van de band ging herontdekken, heb ik eens uitgezocht hoe het met dat “hei-di-hei-do-hei-da” in de eerste tonen van de plaat zit. Het blijkt uit Ein Heller und ein Batzen te komen, oorspronkelijk (1830) een drinklied maar rond 1940 een marslied van het Duitse leger. Omdat het geen nazitekst heeft, valt het echter niet onder het Duitse wetsartikel omtrent verboden uitingen; § 86a van het Strafgesetzbuch, leer ik van Wikipedia. De heren van Accept waren overigens onbekend met die geschiedenis, las ik elders.
Mooi is de anekdote die ZAP! hierboven vertelt: ik zie het gezinnetje aan de geprakte aardappels met spruitjes zitten en vervolgens schrikken. Fijn, zo’n oudste broer! Precies wat ik mijn broertje en zusje liet doen, want natuurlijk moest iedereen dit horen!
Accept - Russian Roulette (1986)

3,5
0
geplaatst: 15 mei 2024, 08:08 uur
Indertijd deze Accept gemist en dat pas rond 2018 ingehaald. Het bleek een soort van tegenstrijdig: nieuwe nummers en tegelijkertijd is Russian Roulette met alle bekende elementen een feest der herkenning.
Bij verschijnen heb ik wel de hoes uit de platenbak gehaald en goedkeurend bekeken: opvallend ontwerp.
Nu afgespeeld via streaming na hun laatsteling Humanoid te hebben gedraaid en eens extra op de productie gelet. Dan valt op dat het al in 1986 prima klonk en vooral minder klinisch dan in 2024.
Destijds waren holle badkamerdrums in de mode; Accept trapte niet in die val, al is dat geluid juist hét element dat verraadt dat dit een productie uit de jaren '80 is. Waarmee in dit geval helemaal niks mis is.
Accept als betrouwbare maker van massieve heavy metal, soms woest en snel, dan weer geschikt om mee te brullen. Dankzij de herkenbare zang van Udo Dirkschneider onderscheidt men zich van de concurrentie.
Met de teksten van Gaby 'Deaffy' Hauke, toen manager en anno '24 nog altijd getrouwd met gitarist Wolf Hoffmann, snap ik de albumtitel en hoes beter. Het waren de jaren van de koude oorlog, al kwam de term perestrojka in zwang: we worden gewezen op de waanzin van de wapenwedloop.
Kant 1 is spannender. Op de tweede helft is het kalmer en melodieuzer, met het midtempo Man Enough to Cry als meest persoonlijke nummer en het te kalme meezingslot Stand Tight. Maar Accept klinkt als Accept, wat met de opvolger niet meer het geval was.
Bij verschijnen heb ik wel de hoes uit de platenbak gehaald en goedkeurend bekeken: opvallend ontwerp.
Nu afgespeeld via streaming na hun laatsteling Humanoid te hebben gedraaid en eens extra op de productie gelet. Dan valt op dat het al in 1986 prima klonk en vooral minder klinisch dan in 2024.
Destijds waren holle badkamerdrums in de mode; Accept trapte niet in die val, al is dat geluid juist hét element dat verraadt dat dit een productie uit de jaren '80 is. Waarmee in dit geval helemaal niks mis is.
Accept als betrouwbare maker van massieve heavy metal, soms woest en snel, dan weer geschikt om mee te brullen. Dankzij de herkenbare zang van Udo Dirkschneider onderscheidt men zich van de concurrentie.
Met de teksten van Gaby 'Deaffy' Hauke, toen manager en anno '24 nog altijd getrouwd met gitarist Wolf Hoffmann, snap ik de albumtitel en hoes beter. Het waren de jaren van de koude oorlog, al kwam de term perestrojka in zwang: we worden gewezen op de waanzin van de wapenwedloop.
Kant 1 is spannender. Op de tweede helft is het kalmer en melodieuzer, met het midtempo Man Enough to Cry als meest persoonlijke nummer en het te kalme meezingslot Stand Tight. Maar Accept klinkt als Accept, wat met de opvolger niet meer het geval was.
Accept - Stalingrad (2012)
Alternatieve titel: Brothers in Death

4,0
0
geplaatst: 6 juni 2024, 07:58 uur
Vandaag is het 6 juni. Precies tachtig jaar geleden begon in de vroege ochtend Operation Overlord, oftewel D-Day. Vorige maand was ik in Normandië. Heb er het nodige rond die gebeurtenis bekeken, waarbij uiteraard de invasiestranden en ook een tweetal musea én een oorlogsbegraafplaats, in mijn geval bij Ryes. Daar ontwaarde ik op gegeven moment de grafsteen van ene Wolfgang Hoffmann.
Omdat de naam Wolf Hoffmann, gitarist bij Accept, al sinds begin jaren '80 een bekende voor mij is, kwam die steen even extra binnen. Hij sneuvelde op 7 of 8 juni in de Engelse sector.
Naast 654 geallieerden liggen er 335 Duitsers aan het einde, links en rechts van het middenpad. Ik werd er stil: al die jongemannen, bijna 1000 op een zonovergoten grafveld waar vogels kwetterden en een verkoelend briesje waaide.
De meesten van de gesneuvelden waren in de twintig. Gesneuveld ofwel omdat ze een dictatuur met een genocideagenda verdedigden, of omdat ze ver van huis die dictatuur kwamen omverhalen. Dat laatste moest gebeuren, maar de prijs was hoog, om maar te zwijgen over de gedode burgers die tussen de strijdende partijen kwamen te zitten.
Daar bij Ryes moest ik bij die ene grafsteen onmiddellijk denken aan Stalingrad, de tweede plaat van Accept na hun comeback. In het titelnummer wordt de ontreddering omschreven van soldaten aan het oostfront. Eerst is er bravoure, later slechts kou en dood. In het nummer zit een stukje van het Sovjetvolkslied verwerkt, las ik ergens. Het album gaat niet specifiek over de tweede wereldoorlog, maar oorlog is wel een thema dat her en der opduikt in de teksten.
Tien nummers, met bonus elf, waarbij de muziek nog beter landt dan op die toch al goede voorganger. Niet alleen de productie, ook de manier van riffen is vernieuwd ten opzichte van het Accept van de jaren ’80 en ’90. Zoals ooit Hoffmanns riff van Fast as a Shark inspiratie vormde voor een volgende generatie metalgitaristen, zo werd die generatie invloedrijk op zijn spel. Hoffmann speelde overigens ook op dit album alle gitaren in; Herman Frank is er voor de concerten.
Nog twee nummers bezingen de Tweede Wereldoorlog: Hellfire gaat over het geallieerde bombardement op Dresden in 1945 en Shadow Soldiers is geschreven naar aanleiding van een bezoek aan Arlington National Cemetery in de VS. Meer over deze en andere nummers valt te lezen in het dit interview bij Noise Pollution.
Teksten met een boodschap, door zanger Mark Tornillo nog overtuigender vertolkt dan op Blood of the Nations. Dit is een muzieksite, maar soms is het de artiest die de wereld daarbuiten benoemt. Zoals hier, als totaal een sterke Accept.
Omdat de naam Wolf Hoffmann, gitarist bij Accept, al sinds begin jaren '80 een bekende voor mij is, kwam die steen even extra binnen. Hij sneuvelde op 7 of 8 juni in de Engelse sector.
Naast 654 geallieerden liggen er 335 Duitsers aan het einde, links en rechts van het middenpad. Ik werd er stil: al die jongemannen, bijna 1000 op een zonovergoten grafveld waar vogels kwetterden en een verkoelend briesje waaide.
De meesten van de gesneuvelden waren in de twintig. Gesneuveld ofwel omdat ze een dictatuur met een genocideagenda verdedigden, of omdat ze ver van huis die dictatuur kwamen omverhalen. Dat laatste moest gebeuren, maar de prijs was hoog, om maar te zwijgen over de gedode burgers die tussen de strijdende partijen kwamen te zitten.
Daar bij Ryes moest ik bij die ene grafsteen onmiddellijk denken aan Stalingrad, de tweede plaat van Accept na hun comeback. In het titelnummer wordt de ontreddering omschreven van soldaten aan het oostfront. Eerst is er bravoure, later slechts kou en dood. In het nummer zit een stukje van het Sovjetvolkslied verwerkt, las ik ergens. Het album gaat niet specifiek over de tweede wereldoorlog, maar oorlog is wel een thema dat her en der opduikt in de teksten.
Tien nummers, met bonus elf, waarbij de muziek nog beter landt dan op die toch al goede voorganger. Niet alleen de productie, ook de manier van riffen is vernieuwd ten opzichte van het Accept van de jaren ’80 en ’90. Zoals ooit Hoffmanns riff van Fast as a Shark inspiratie vormde voor een volgende generatie metalgitaristen, zo werd die generatie invloedrijk op zijn spel. Hoffmann speelde overigens ook op dit album alle gitaren in; Herman Frank is er voor de concerten.
Nog twee nummers bezingen de Tweede Wereldoorlog: Hellfire gaat over het geallieerde bombardement op Dresden in 1945 en Shadow Soldiers is geschreven naar aanleiding van een bezoek aan Arlington National Cemetery in de VS. Meer over deze en andere nummers valt te lezen in het dit interview bij Noise Pollution.
Teksten met een boodschap, door zanger Mark Tornillo nog overtuigender vertolkt dan op Blood of the Nations. Dit is een muzieksite, maar soms is het de artiest die de wereld daarbuiten benoemt. Zoals hier, als totaal een sterke Accept.
Accept - Symphonic Terror (2018)
Alternatieve titel: Live at Wacken 2017

3,5
0
geplaatst: 12 juni 2024, 12:48 uur
Twee albums verschenen er van Accept in 2017, waarvan The Rise of Chaos in land van oorsprong Duitsland #3 haalde en liveplaat Restless and Live #9. Toch volgt al het jaar erop dit Symphonic Terror: Live at Wacken 2017.
Het grote verschil is dat het een leuk souvenirtje was voor iedereen die erbij was op het Wacken Festival én dat een klassiek orkest meedoet vanaf track 6, Night on Bald Mountain. Nadat de vijfmansband "gewoon" de eerste vijf nummers van de setlist heeft gedaan, is het concert gedurende het tweede deel instrumentaal, waarmee we terecht komen in de klassieke wereld van gitarist Wolf Hoffmann.
Dit uitstapje met symfonische metal duurt tot en met track 11. Dan keert Tornillo terug van zijn theepauze en versmelten Accept en het orkest enkele klassiekers van de groep in symfonische jasjes. Het publiek is zo te horen enthousiaster dan ik, maar ik kan me voorstellen dat dit meer indruk maakt als je erbij bent. Tegelijkertijd maken de enthousiast meezingende fans tijdens Shadow Soldiers ook op mij indruk. Tja, thuiswedstrijd... Accept won hoorbaar met dikke cijfers.
Het grote verschil is dat het een leuk souvenirtje was voor iedereen die erbij was op het Wacken Festival én dat een klassiek orkest meedoet vanaf track 6, Night on Bald Mountain. Nadat de vijfmansband "gewoon" de eerste vijf nummers van de setlist heeft gedaan, is het concert gedurende het tweede deel instrumentaal, waarmee we terecht komen in de klassieke wereld van gitarist Wolf Hoffmann.
Dit uitstapje met symfonische metal duurt tot en met track 11. Dan keert Tornillo terug van zijn theepauze en versmelten Accept en het orkest enkele klassiekers van de groep in symfonische jasjes. Het publiek is zo te horen enthousiaster dan ik, maar ik kan me voorstellen dat dit meer indruk maakt als je erbij bent. Tegelijkertijd maken de enthousiast meezingende fans tijdens Shadow Soldiers ook op mij indruk. Tja, thuiswedstrijd... Accept won hoorbaar met dikke cijfers.
Accept - The Rise of Chaos (2017)

3,5
1
geplaatst: 10 juni 2024, 14:03 uur
Het vierde sterke album met "nieuwe" zanger Mark Tornillo. En toch slaat bij mij enige verveling toe. Zoals The_CrY schrijft, "voor het grootste gedeelte is het been there, done that".
Maar ja, wat wil ik dan? Op The Rise of Chaos doet Accept gewoon alweer waar het goed in is: stevige classic metal brengen, goede composities die bovendien gevarieerd zijn. Meestal heavy met hier en daar een vleugje klassiek en dat opnieuw lekker geproduceerd door Andy Sneap.
In de jaren '80 en '90 weken ze soms van hun sterke punten af, met meteen mopperende fans als gevolg waaronder ik. Dát vond ik jammer. Maar wat wil ik dan wel? Dat Accept deathmetal met zware grunts integreert? Of dat er digitale triphopbeats komen? Of dat ze hun nummers met symfonieorkest uitvoeren? Of noem iets anders... Nee toch?
Je hoort niet aan The Rise of Chaos af dat er een nieuwe tweede gitarist is, namelijk Duitser Uwe Lulis, want Wolf Hoffmann speelt in de studio sowieso alle gitaarpartijen in. Christopher Williams uit South Carolina is de nieuwe drummer én een goede. Beiden zijn in 2024 nog altijd in de band, ze pasten naadloos in de Teutoonse metal van Accept.
Tien nummers, drie kwartier muziek, het is precies goed. Zoals de albumtitel suggereert, komen actuele thema's voorbij. De eerste woorden van opener Die by the Sword zetten de toon: "The world around us, frozen in terror - The balance of power, a thing of the past." En dat op een pakkende riff met Tornillo die verschillende kanten van zijn rauwe keeltje gebruikt en een smeuïge gitaarsolo erbij.
"All fight for survival in this apocalyptic maze", (...) It's the rise of chaos, the rats will rule this sinking ship" klinkt het in het beukende titellied met daarin naast zware riffs verrassende melodieuze gitaarlijnen. Het is mijn volgende hoogtepunt van dit album.
Andere favorieten: Koolaid met zijn gehamer in het thema. Over de sekte van Jim Jones; Tornillo leert mij zo het gezegde 'Don't use the Kool-Aid'. In de stijl van AC/DC wordt een stampende riff gebruikt, zoals sinds het prille begin van Accept in de jaren '70 regelmatig gebeurt.
Het vlotte Worlds Colliding is wat vriendelijker, inclusief het gitaarwerk, met een mooie tekst over de innerlijke strijd die een mens kan ervaren. Slotnummer Race to Extention mag er ook zijn met zijn Iommiaanse riff, verwerkt in een snel nummer en een dystopische tekst.
Wat te denken van bijvoorbeeld Analog Man over Tornillo's aversie van de digitale wereld, of het advies, de dubbele basdrum en het melodieuze refrein in Carry the Weight? Met in de coupletten constateringen als "The euro's down and now there's Brexit"? Net als de ongenoemde nummers staan ze in de categorie 'degelijk maar eerder gehoord'.
Wie met dit album instapt bij Accept ontdekt een sterke metalband; wie de groep langer volgt, bereikt enige verzadigdheid.
Maar ja, wat wil ik dan? Op The Rise of Chaos doet Accept gewoon alweer waar het goed in is: stevige classic metal brengen, goede composities die bovendien gevarieerd zijn. Meestal heavy met hier en daar een vleugje klassiek en dat opnieuw lekker geproduceerd door Andy Sneap.
In de jaren '80 en '90 weken ze soms van hun sterke punten af, met meteen mopperende fans als gevolg waaronder ik. Dát vond ik jammer. Maar wat wil ik dan wel? Dat Accept deathmetal met zware grunts integreert? Of dat er digitale triphopbeats komen? Of dat ze hun nummers met symfonieorkest uitvoeren? Of noem iets anders... Nee toch?
Je hoort niet aan The Rise of Chaos af dat er een nieuwe tweede gitarist is, namelijk Duitser Uwe Lulis, want Wolf Hoffmann speelt in de studio sowieso alle gitaarpartijen in. Christopher Williams uit South Carolina is de nieuwe drummer én een goede. Beiden zijn in 2024 nog altijd in de band, ze pasten naadloos in de Teutoonse metal van Accept.
Tien nummers, drie kwartier muziek, het is precies goed. Zoals de albumtitel suggereert, komen actuele thema's voorbij. De eerste woorden van opener Die by the Sword zetten de toon: "The world around us, frozen in terror - The balance of power, a thing of the past." En dat op een pakkende riff met Tornillo die verschillende kanten van zijn rauwe keeltje gebruikt en een smeuïge gitaarsolo erbij.
"All fight for survival in this apocalyptic maze", (...) It's the rise of chaos, the rats will rule this sinking ship" klinkt het in het beukende titellied met daarin naast zware riffs verrassende melodieuze gitaarlijnen. Het is mijn volgende hoogtepunt van dit album.
Andere favorieten: Koolaid met zijn gehamer in het thema. Over de sekte van Jim Jones; Tornillo leert mij zo het gezegde 'Don't use the Kool-Aid'. In de stijl van AC/DC wordt een stampende riff gebruikt, zoals sinds het prille begin van Accept in de jaren '70 regelmatig gebeurt.
Het vlotte Worlds Colliding is wat vriendelijker, inclusief het gitaarwerk, met een mooie tekst over de innerlijke strijd die een mens kan ervaren. Slotnummer Race to Extention mag er ook zijn met zijn Iommiaanse riff, verwerkt in een snel nummer en een dystopische tekst.
Wat te denken van bijvoorbeeld Analog Man over Tornillo's aversie van de digitale wereld, of het advies, de dubbele basdrum en het melodieuze refrein in Carry the Weight? Met in de coupletten constateringen als "The euro's down and now there's Brexit"? Net als de ongenoemde nummers staan ze in de categorie 'degelijk maar eerder gehoord'.
Wie met dit album instapt bij Accept ontdekt een sterke metalband; wie de groep langer volgt, bereikt enige verzadigdheid.
Accept - Too Mean to Die (2021)

3,5
0
geplaatst: 12 juni 2024, 21:54 uur
Door het uitkomen van Humanoid eind april, ben ik verder gegaan met de discografie van Accept. Ik was eerder dit jaar gebleven bij Russian Roulette. Met dat album en dus 1986 als startpunt kom je vanzelf hoogte- en dieptepunten in de carrière van de groep tegen.
Na een interbellum van 14 jaar keerde men in 2010 sterk terug. Sindsdien staat een fundament als dat van een Zwitserse berg, met op dit Too Mean to Die slechts één nadeel. Het is (mij) te voorspelbaar geworden. Herhaling van een concept, te inwisselbaar met eerder werk. Tegelijkertijd doet dit niet onder voor het andere werk dat de groep vanaf Blood of the Nations uitbracht. En ook niet voor het betere werk met originele zanger Udo Dirkschneider.
Een enkele keer word ik toch verrast. The Undertaker heeft weliswaar een onbenullige tekst, qua riffs en gitaarlijnen is het pakkend. Symphony of Pain bevat in de gitaarsolo als klassiek citaat een stukje An die Freude uit Beethovens Negende Symfonie uit 1824. Als rustpuntje is The Best Is Yet to Come goed getimed, een ballade in de stijl van Scorpions met prima melodieuze zang van Tornillo - dat kan hij óók al. En het instrumentale slotlied Samson and Delilah is met zijn Oriëntaalse melodie nét wat anders.
En toch, ook ik val in herhaling: dit doen ze bepaald niet voor het eerst. Dat speelde kennelijk eveneens bij originele bassist Peter Baltes, want die was inmiddels weg. Pas in 2023 deelde hij zijn redenen daarvoor.
Daarmee ben ik voor even klaar met Accept. 3,5 ster als symbool van de saaie degelijkheid.
Na een interbellum van 14 jaar keerde men in 2010 sterk terug. Sindsdien staat een fundament als dat van een Zwitserse berg, met op dit Too Mean to Die slechts één nadeel. Het is (mij) te voorspelbaar geworden. Herhaling van een concept, te inwisselbaar met eerder werk. Tegelijkertijd doet dit niet onder voor het andere werk dat de groep vanaf Blood of the Nations uitbracht. En ook niet voor het betere werk met originele zanger Udo Dirkschneider.
Een enkele keer word ik toch verrast. The Undertaker heeft weliswaar een onbenullige tekst, qua riffs en gitaarlijnen is het pakkend. Symphony of Pain bevat in de gitaarsolo als klassiek citaat een stukje An die Freude uit Beethovens Negende Symfonie uit 1824. Als rustpuntje is The Best Is Yet to Come goed getimed, een ballade in de stijl van Scorpions met prima melodieuze zang van Tornillo - dat kan hij óók al. En het instrumentale slotlied Samson and Delilah is met zijn Oriëntaalse melodie nét wat anders.
En toch, ook ik val in herhaling: dit doen ze bepaald niet voor het eerst. Dat speelde kennelijk eveneens bij originele bassist Peter Baltes, want die was inmiddels weg. Pas in 2023 deelde hij zijn redenen daarvoor.
Daarmee ben ik voor even klaar met Accept. 3,5 ster als symbool van de saaie degelijkheid.
Adam Again - Ten Songs by Adam Again (1988)

4,0
0
geplaatst: 28 juli 2024, 07:09 uur
Ten Songs by Adam Again van Adam Again staat hier op vinyl. Wat MuMe als zwart toont is bij mij oranje. MuMe toont een cd-heruitgave uit 2002, waar ik de oorspronkelijke heb. De muziek klinkt oranje als de zon die op dit moment opkomt, niet somber-zwart. Vandaar dat ik dat noem.
Het is licht, zomers. Het is pop, soul, funk door een witte, Californische groep, die de muziek op hun tweede album tegelijkertijd een bepaalde Britse koelheid meegeeft, als de frisse wind vanuit zee op een zonovergoten dag.
Enerzijds de licht-dansende stem van Riki Michelle, anderzijds de café-crème-klagende stem van (toen haar echtgenoot) Gene Eugene.
Gedurende enkele zomers heb ik dit veel gedraaid. Uptempo met (te?) splijtende drumcomputer in Beat Peculiar en Trouble with Lies, warm of zelfs sacraal in Who Can Hold Us, Babylon en The Tenth Song. En een lekkere cover van Bill Withers' Ain't No Sunshine.
Dat drumding ging me later tegenstaan, maar minimaal eens per zomer moet ik dit van mezelf draaien. Altijd weer word ik gepakt. Want deze onderkoelde funk knalt wel zo lekker (sorry buren!) en de contrasten met de stillere blue-eyed soul zijn zo fraai.
Ooit moeilijk vindbaar, nu gewoon op streaming. Muziek voor bij de kersen- en straks de wespentijd, liefst bij voluit wárm weer. Ten Songs is oranje.
Het is licht, zomers. Het is pop, soul, funk door een witte, Californische groep, die de muziek op hun tweede album tegelijkertijd een bepaalde Britse koelheid meegeeft, als de frisse wind vanuit zee op een zonovergoten dag.
Enerzijds de licht-dansende stem van Riki Michelle, anderzijds de café-crème-klagende stem van (toen haar echtgenoot) Gene Eugene.
Gedurende enkele zomers heb ik dit veel gedraaid. Uptempo met (te?) splijtende drumcomputer in Beat Peculiar en Trouble with Lies, warm of zelfs sacraal in Who Can Hold Us, Babylon en The Tenth Song. En een lekkere cover van Bill Withers' Ain't No Sunshine.
Dat drumding ging me later tegenstaan, maar minimaal eens per zomer moet ik dit van mezelf draaien. Altijd weer word ik gepakt. Want deze onderkoelde funk knalt wel zo lekker (sorry buren!) en de contrasten met de stillere blue-eyed soul zijn zo fraai.
Ooit moeilijk vindbaar, nu gewoon op streaming. Muziek voor bij de kersen- en straks de wespentijd, liefst bij voluit wárm weer. Ten Songs is oranje.
Adam and the Ants - Antmusic (1993)
Alternatieve titel: The Very Best Of

3,5
0
geplaatst: 18 september 2025, 17:47 uur
Op reis door new wave bevind ik me in december 1980. Kort na Kerst betreedt alweer een nummer van Adam and The Ants de Britse hitlijst.
Wie het over die groep heeft, heeft het eigenlijk over twee groepen, zij het met dezelfde frontman. De eerste was een (post)punkgroep die vanaf 1978 hard probeerde door te breken. Als manager Malcolm McLaren de groepsleden op Adam Ant na wegkaapt, bouwt deze een nieuwe groep op.
Zijn wraak is zoet, in 1980 scoort hij met als rechterhand gitarist Marco Pirroni de ene na de andere hit. Daarbij non-albumsingles en heruitgebracht werk. In de laatste categorie valt Young Parisians, dat hij nog met de eerste versie van zijn band opnam. Het wordt vanaf december 1980 een hit: de dag na Kerst 1980 is daar een succesvolle entree in de Britse hitlijst, om in januari 1981 #9 te halen. Een ander geluid dan de Burundidrumsound met twee drummers die inmiddels was ingevoerd.
Het nummer is met de voor Nederlanders bekendere hits te vinden op compilatie-cd Antmusic: The Very Best of uit 1993. Een aangenaam schijfje muziek van een groep die vanaf eind juli 1980 (single Kings of the Wild Frontier) tot en met april 1982 (de EP Antmusic) maar liefst elf maal de Britse hitlijst haalde, vaak de top 10 halend. Toen was het hitsucces opgedroogd, maar nog altijd staat hij voor een unieke vorm van energieke new wave, waarin pop en punk tot een eigenwijs geheel worden gesmeed.
Een gedetailleerder overzicht van de stroom aan hits beschreef ik eind april dit jaar bij album Kings of the Wild Frontier.
Mijn vorige halte in de wereld van new wave van december 1980 was bij de tweede van The Specials. Ik vervolg bij een bekend maar typisch nummer: Stop the Cavalry van Jona Lewie, pas in 1982 verschenen op diens Heart Skips Beat.
Wie het over die groep heeft, heeft het eigenlijk over twee groepen, zij het met dezelfde frontman. De eerste was een (post)punkgroep die vanaf 1978 hard probeerde door te breken. Als manager Malcolm McLaren de groepsleden op Adam Ant na wegkaapt, bouwt deze een nieuwe groep op.
Zijn wraak is zoet, in 1980 scoort hij met als rechterhand gitarist Marco Pirroni de ene na de andere hit. Daarbij non-albumsingles en heruitgebracht werk. In de laatste categorie valt Young Parisians, dat hij nog met de eerste versie van zijn band opnam. Het wordt vanaf december 1980 een hit: de dag na Kerst 1980 is daar een succesvolle entree in de Britse hitlijst, om in januari 1981 #9 te halen. Een ander geluid dan de Burundidrumsound met twee drummers die inmiddels was ingevoerd.
Het nummer is met de voor Nederlanders bekendere hits te vinden op compilatie-cd Antmusic: The Very Best of uit 1993. Een aangenaam schijfje muziek van een groep die vanaf eind juli 1980 (single Kings of the Wild Frontier) tot en met april 1982 (de EP Antmusic) maar liefst elf maal de Britse hitlijst haalde, vaak de top 10 halend. Toen was het hitsucces opgedroogd, maar nog altijd staat hij voor een unieke vorm van energieke new wave, waarin pop en punk tot een eigenwijs geheel worden gesmeed.
Een gedetailleerder overzicht van de stroom aan hits beschreef ik eind april dit jaar bij album Kings of the Wild Frontier.
Mijn vorige halte in de wereld van new wave van december 1980 was bij de tweede van The Specials. Ik vervolg bij een bekend maar typisch nummer: Stop the Cavalry van Jona Lewie, pas in 1982 verschenen op diens Heart Skips Beat.
Adam and the Ants - Dirk Wears White Søx (1979)
Alternatieve titel: Dirk Wears White Sox

3,5
0
geplaatst: 22 januari 2025, 17:58 uur
Een mij onbekend album van Adam & The Ants, wat me in 1979 en de jaren erna nooit is opgevallen. Toch belandden al in 2006 en '07 hier op MuMe de nodige berichten over Dirk Wears White Sox, waarbij het gesprek ging over de originele hoes en de (oorspronkelijke) bandnaam: Antz of Ants?
Inmiddels is er het gezaghebbende Discogs, dat meldt dat het album op 30 november 1979 verscheen bij het Britse Do It Records met de zwart-witfoto van de dame op de rug gezien en de groepsnaam als 'Ants' gespeld, zie hier. Dit geldt eveneens voor deze variant die op dezelfde dag verscheen en hetzelfde geldt voor hun heruitgaven van 1980 en '81.
In 1983 werd het album door CBS (VK) en Epic (VS) uitgebracht met een foto van de frontman op de hoes, waarbij de naam nog altijd als 'Ants' werd weergegeven. Dat geldt ook voor hun cd-heruitgave van 1992.
Voor de cd-heruitgave van 2004 keerde men terug naar de oorspronkelijke hoes met de dame erop; de groepsnaam opnieuw met een 's' gespeld.
Waar komt dan de hoes vandaan die MuMe toont, waar ik wel degelijk 'Antz' lees? Het is me vooralsnog een raadsel. Gezien de oorspronkelijke uitgaven denk ik dat MuMe er goed aan doet om de groepsnaam ook hier met een 's' te spellen. Tijd om een correctie in te dienen? Iemand die meer weet, wellicht indiener van dit album aERodynamIC?
Over de muziek op dit naar acteur Dirk Bogarde verwijzende album: hier klinkt nog niet de dubbele percussie / Burundi drums waarmee ik de groep via hun hits in 1980 leerde kennen. Wel muziek in de voetsporen van punk, waarmee de voor die jaren gebruikelijke benaming new wave toepasselijk is. Wie het postpunk wil noemen slaat eveneens de spijker hard op den kop.
Zonder uitzondering aardige liedjes, die me evenwel nooit écht pakken. Car Trouble bestaat uit twee delen, Digital Tenderness heeft een fel gitaarriffje, melancholie klinkt in Nine Plan Failed en Siouxsie-achtige gitaren maken The Day I Met God lekker vlot. Mijn favoriet is Catholic Day over de moord op J.F. Kennedy met marsmuziek in het intro, maar de weemoed van Never Trust a Man (With Egg on His Face) mag er ook zijn en de verwijzing in de reggaerock-met-mondharmonica van Family of Noise naar She Loves You van The Beatles is grappig.
Het uptempo The Idea dat de originele plaat afsluit is een fraai voorbeeld van wave ná punk, met een verhaal over een bezoek aan de dierentuin. Frontman en liedschrijver Adam Ant is er zo van onder de indruk dat hij er bijna gelovig van wordt...
Op streaming vinden we de bonussen van de heruitgave van 2004 met de muziek van twee singles en een 12-inch. Hier en daar (koortjes, drukke percussie) klinken vooruitwijzingen naar de hitgroep die Adam & The Ants in 1980 zo plotseling zou worden.
Een amusant album in mijn queste waarin ik, bij mijn afspeellijsten met new wave, de albums achter die afzonderlijke tracks aan het ontdekken ben. Het vorige station was het debuut van het avant-gardistische Cabaret Voltaire en meer in die smaak klinkt op de derde van Throbbing Gristle, enkele dagen na deze van Adam and The Ants verschenen.
Inmiddels is er het gezaghebbende Discogs, dat meldt dat het album op 30 november 1979 verscheen bij het Britse Do It Records met de zwart-witfoto van de dame op de rug gezien en de groepsnaam als 'Ants' gespeld, zie hier. Dit geldt eveneens voor deze variant die op dezelfde dag verscheen en hetzelfde geldt voor hun heruitgaven van 1980 en '81.
In 1983 werd het album door CBS (VK) en Epic (VS) uitgebracht met een foto van de frontman op de hoes, waarbij de naam nog altijd als 'Ants' werd weergegeven. Dat geldt ook voor hun cd-heruitgave van 1992.
Voor de cd-heruitgave van 2004 keerde men terug naar de oorspronkelijke hoes met de dame erop; de groepsnaam opnieuw met een 's' gespeld.
Waar komt dan de hoes vandaan die MuMe toont, waar ik wel degelijk 'Antz' lees? Het is me vooralsnog een raadsel. Gezien de oorspronkelijke uitgaven denk ik dat MuMe er goed aan doet om de groepsnaam ook hier met een 's' te spellen. Tijd om een correctie in te dienen? Iemand die meer weet, wellicht indiener van dit album aERodynamIC?
Over de muziek op dit naar acteur Dirk Bogarde verwijzende album: hier klinkt nog niet de dubbele percussie / Burundi drums waarmee ik de groep via hun hits in 1980 leerde kennen. Wel muziek in de voetsporen van punk, waarmee de voor die jaren gebruikelijke benaming new wave toepasselijk is. Wie het postpunk wil noemen slaat eveneens de spijker hard op den kop.
Zonder uitzondering aardige liedjes, die me evenwel nooit écht pakken. Car Trouble bestaat uit twee delen, Digital Tenderness heeft een fel gitaarriffje, melancholie klinkt in Nine Plan Failed en Siouxsie-achtige gitaren maken The Day I Met God lekker vlot. Mijn favoriet is Catholic Day over de moord op J.F. Kennedy met marsmuziek in het intro, maar de weemoed van Never Trust a Man (With Egg on His Face) mag er ook zijn en de verwijzing in de reggaerock-met-mondharmonica van Family of Noise naar She Loves You van The Beatles is grappig.
Het uptempo The Idea dat de originele plaat afsluit is een fraai voorbeeld van wave ná punk, met een verhaal over een bezoek aan de dierentuin. Frontman en liedschrijver Adam Ant is er zo van onder de indruk dat hij er bijna gelovig van wordt...
Op streaming vinden we de bonussen van de heruitgave van 2004 met de muziek van twee singles en een 12-inch. Hier en daar (koortjes, drukke percussie) klinken vooruitwijzingen naar de hitgroep die Adam & The Ants in 1980 zo plotseling zou worden.
Een amusant album in mijn queste waarin ik, bij mijn afspeellijsten met new wave, de albums achter die afzonderlijke tracks aan het ontdekken ben. Het vorige station was het debuut van het avant-gardistische Cabaret Voltaire en meer in die smaak klinkt op de derde van Throbbing Gristle, enkele dagen na deze van Adam and The Ants verschenen.
Adam and the Ants - Kings of the Wild Frontier (1980)

3,5
2
geplaatst: 29 april 2025, 00:19 uur
Met debuutelpee Dirk Wears White Søx haalden Adam and the Ants in januari 1980 de eerste plaats van de kersverse Independant Album Chart in het Verenigd Koninkrijk.
Manager Malcolm McLaren, die furore maakte met de Sex Pistooltjes waarvan inmiddels de houdbaarheidsdatum verstreken is, zoekt een nieuwe melkkoe.
Die vindt hij in Adam en de Mieren: eerst neemt hij het management over en vervolgens de hele groep minus frontman Adam Ant, die moet toezien hoe zijn visie (romantische struikrovers uit de 18e eeuw in combinatie met postpunk-Burundiritmes) wordt gestolen.
Althans, zo begrijp ik het uit bovenstaande berichten, waarvoor dank aan Aazhyd en Saldek. Een verhaal dat mij totaal onbekend was. En verder begrijp ik dat Ant met gitarist Marco Pirroni een nieuwe Adam and the Ants opbouwde.
Blijkens Wikipedia speelde deze "groepskaping" zich in januari 1980 af. Ant en Pirroni zitten vervolgens allesbehalve stil. Al in juli dat jaar halen Adam and the Ants voor het eerst de Britse hitlijst: in eerste instantie piekt single Kings of the Wild Frontier in augustus bescheiden op #48, maar in 1981 haalt ie opnieuw de hitlijst: #2 in maart.
Ik zag ze met verbazing op de Nederlandse televisie, in mijn geval met single Antmusic, dat maart 1981 in de Nationale Hitparade tot #48 kwam. In Vlaanderen één week #30.
De muziek was leuk: een beetje gek, punk en pop tegelijk. En dan die kleding en gezichtsverf! Was dit de punkversie van shockrockers Kiss? Of de punkversie van tv-serie Dick Turpin, over de charmante struikrover (in de link een complete aflevering!
). Stand and deliver, zoals een latere hit heette!
In eigen land groeide het succes al in 1980. Eerste top 10-hit is Dog Eat Dog, november 1980 #4, Antmusic betreedt de Britse hitlijst in december '80 om in januari '81 twee weken #2 te halen.
En nóg opvallender: de heruitgave van de 1978-nonalbumsingle Young Parisians (dus met de oude bezetting) betreedt de dag na Kerst de Britse hitlijst en haalt in januari #9, terwijl Antmusic op #4 staat. De oorspronkelijk uit 1979 stammende non-albumsingle Zerox komt als heruitgave in februari nog eens tot #45 en hetzelfde gebeurt met Cartrouble uit 1980, dat in februari #33 haalt, waarmee er die weken soms drie singles van de groep in de Britse hitlijst staan.
Hallo, bent u er nog? Ter onderstreping de herhaalde vermelding dat er daarna nog die succesvolle heruitgave van single Kings of the Wild Frontier was. Antmania, was dat een term?
Over dit album: kauwgompunk op z'n charmantst, dansbaar en energiek. Een heel album lang is voor mij wat veel van het goede, maar ontegenzeglijk is het knap hoe hier een geluid wordt gecreëerd dat eigenwijs en onmiddelijk herkenbaar is. Met dank aan de jongensachtige zanglijnen en de dreunende dubbele drumpartijen op z'n Burundi's.
Ook vallen de bijdragen van Pirroni op: zo lijkt Killer in the Home geïnspireerd door Rumble van gitaarpionier Link Wray en elders denk ik gitaarlijnen van Hank B. Marvin van The Shadows te horen. De man speelt uitermate gevarieerd met de wortels in oerrock'n'roll en tegelijkertijd is er de stijl die Ant voor oren had.
Elpee Kings of the Wild Frontier staat bij de Britten vanaf 17 januari 1980 tot half mei twaalf weken #1, zij het niet ononderbroken. Maar eigenlijk is dat nog knapper. Dan is het evenmin verbazend dat albumdebuut Dirk Wears White Søx alsnog de belangrijkste albumlijst haalt: maart '81 twee weken #16. In Nederland haalt Kings (de elpee) in juli '81 #11. In 2016 verscheen deze uitgebreide heruitgave van de plaat.
Het succes zette zich voort met de nodige singles van de opvolger Prince Charming, het album dat in november '81 verscheen. Daar ben ik voorlopig nog niet.
Mijn reis door de new wave bevindt zich eind juli 1980. Ik reisde van de verzamelaar met Neue Deutsche Welle genaamd Verschwende Deine Jugend en vervolg bij het solodebuut van Pauline Murray.
PS - Zou het kunnen dat acteur Johnny Dep voor zijn filmkarakter Jack Sparrow is geïnspireerd door Adam Ant?
Manager Malcolm McLaren, die furore maakte met de Sex Pistooltjes waarvan inmiddels de houdbaarheidsdatum verstreken is, zoekt een nieuwe melkkoe.
Die vindt hij in Adam en de Mieren: eerst neemt hij het management over en vervolgens de hele groep minus frontman Adam Ant, die moet toezien hoe zijn visie (romantische struikrovers uit de 18e eeuw in combinatie met postpunk-Burundiritmes) wordt gestolen.
Althans, zo begrijp ik het uit bovenstaande berichten, waarvoor dank aan Aazhyd en Saldek. Een verhaal dat mij totaal onbekend was. En verder begrijp ik dat Ant met gitarist Marco Pirroni een nieuwe Adam and the Ants opbouwde.
Blijkens Wikipedia speelde deze "groepskaping" zich in januari 1980 af. Ant en Pirroni zitten vervolgens allesbehalve stil. Al in juli dat jaar halen Adam and the Ants voor het eerst de Britse hitlijst: in eerste instantie piekt single Kings of the Wild Frontier in augustus bescheiden op #48, maar in 1981 haalt ie opnieuw de hitlijst: #2 in maart.
Ik zag ze met verbazing op de Nederlandse televisie, in mijn geval met single Antmusic, dat maart 1981 in de Nationale Hitparade tot #48 kwam. In Vlaanderen één week #30.
De muziek was leuk: een beetje gek, punk en pop tegelijk. En dan die kleding en gezichtsverf! Was dit de punkversie van shockrockers Kiss? Of de punkversie van tv-serie Dick Turpin, over de charmante struikrover (in de link een complete aflevering!
). Stand and deliver, zoals een latere hit heette! In eigen land groeide het succes al in 1980. Eerste top 10-hit is Dog Eat Dog, november 1980 #4, Antmusic betreedt de Britse hitlijst in december '80 om in januari '81 twee weken #2 te halen.
En nóg opvallender: de heruitgave van de 1978-nonalbumsingle Young Parisians (dus met de oude bezetting) betreedt de dag na Kerst de Britse hitlijst en haalt in januari #9, terwijl Antmusic op #4 staat. De oorspronkelijk uit 1979 stammende non-albumsingle Zerox komt als heruitgave in februari nog eens tot #45 en hetzelfde gebeurt met Cartrouble uit 1980, dat in februari #33 haalt, waarmee er die weken soms drie singles van de groep in de Britse hitlijst staan.
Hallo, bent u er nog? Ter onderstreping de herhaalde vermelding dat er daarna nog die succesvolle heruitgave van single Kings of the Wild Frontier was. Antmania, was dat een term?
Over dit album: kauwgompunk op z'n charmantst, dansbaar en energiek. Een heel album lang is voor mij wat veel van het goede, maar ontegenzeglijk is het knap hoe hier een geluid wordt gecreëerd dat eigenwijs en onmiddelijk herkenbaar is. Met dank aan de jongensachtige zanglijnen en de dreunende dubbele drumpartijen op z'n Burundi's.
Ook vallen de bijdragen van Pirroni op: zo lijkt Killer in the Home geïnspireerd door Rumble van gitaarpionier Link Wray en elders denk ik gitaarlijnen van Hank B. Marvin van The Shadows te horen. De man speelt uitermate gevarieerd met de wortels in oerrock'n'roll en tegelijkertijd is er de stijl die Ant voor oren had.
Elpee Kings of the Wild Frontier staat bij de Britten vanaf 17 januari 1980 tot half mei twaalf weken #1, zij het niet ononderbroken. Maar eigenlijk is dat nog knapper. Dan is het evenmin verbazend dat albumdebuut Dirk Wears White Søx alsnog de belangrijkste albumlijst haalt: maart '81 twee weken #16. In Nederland haalt Kings (de elpee) in juli '81 #11. In 2016 verscheen deze uitgebreide heruitgave van de plaat.
Het succes zette zich voort met de nodige singles van de opvolger Prince Charming, het album dat in november '81 verscheen. Daar ben ik voorlopig nog niet.
Mijn reis door de new wave bevindt zich eind juli 1980. Ik reisde van de verzamelaar met Neue Deutsche Welle genaamd Verschwende Deine Jugend en vervolg bij het solodebuut van Pauline Murray.
PS - Zou het kunnen dat acteur Johnny Dep voor zijn filmkarakter Jack Sparrow is geïnspireerd door Adam Ant?
Adam and the Ants - Prince Charming (1981)

2,5
3
geplaatst: 12 januari, 18:39 uur
Op reis door new wave in 1981, momenteel in mei dat jaar, kom ik van alles tegen. Na een inhaalslagje bij de Nederlandse punkgroep Panic in 1978 zit ik opeens bij Adam and the Ants. Die braken vanaf november 1980 groots door in hun eigen Verenigd Koninkrijk met tweede album Kings of the Wild Frontier , dat ik omschreef als "kauwgompunk op z'n charmantst, dansbaar en energiek". Van de weeromstuit werden zowel debuutelpee Dirk Wears White Søx als non-albumsingles alsnog hitlijstmateriaal.
Met deze derde langspeler Prince Charming gaat voor mij geleidelijk de smaak van de kauwgom verloren. Als album onsamenhangend, al heeft het z'n momenten, vooral op de eerste kant. Opzichtig mengt postpunk zich met poppulp, jeanmaurice, kom na de leuke discussie bij The Hurting van Tears for Fears eens hier mopperen!
Bij de blazers in het intro van opener Scorpio dacht ik even dat het verkeerde album opstond, een smakelijk liedje in Spaanse/Mexicaanse sferen. Bij Picasso Vista el Planeta de los Simios is het herkenbare Antgeluid van de hits terug, inclusief enige Burundidrums, net als bij de hit Prince Charming dat als derde nummer op de elpee staat (vanaf half september '81 vier weken #1 in het VK, in Nederland #8, in Vlaanderen in december #8).
De wenkbrauwen gaan verbaasd omhoog bij Five Guns West, als een aangename echo van western-tv-serie Rawhide: gitarist Marc Pirroni blijkt wederom onmisbaar voor Adam. Het ontspannen That Voodoo! werkt minder met z'n "ow-weeh-ma-wéh", geleend van evergreen The Lion Sleeps Tonight. Toch redt het nummer het op het nippertje, dankzij de Mexicaanse Mariachitrompetjes halverwege.
Kant 2 opent hitgevoelig met Stand and Deliver (mei '81 vijf weken #1 in het VK, in juli in Nederland #4 en in Vlaanderen #7), helemaal op z'n Ants', waarna het echter volkomen misgaat.
Zouden de posters van de zanger van de tienerkamermuren zijn afgevallen bij wat er dan gebeurt? Eerst het saaie Mile High Club, dan de mislukte Ant Rap met nare drumcomputer (maar wel in januari '82 #3 in het VK, ik begrijp er weer niks van), waarna de rustige slotnummers Mowhok en S.E.X. elke charme missen.
De plaat bevat een geintje: na dat laatste nummer volgt op 3'45" een korte stilte en dan een ongenoemd spooknummer, dat The Lost Hawaiians zou heten. Met opnieuw ge-ow-weeh-ma-wéh.
De elpee kwam in november '81 in het Verenigd Koninkrijk tot #2 en in Nederland diezelfde maand tot #5. Hun laatste langspeler die de albumlijsten haalde: alhoewel nog enkele hits volgden, begon het succes op te drogen. In 2004 was er deze uitgebreide heruitgave.
Gaandeweg krijg ik een vieze smaak in de mond, waarbij ik me afvraag of de heren Ant en Pirroni vooral hits probeerden te schrijven en daarbij een coherent album uit het oog verloren. Als een verzameling hitsingles met nog snel wat afdankertjes erbij. Kennelijk had ook de (jonge) fan dat door: alhoewel succesvol, waren er niet dezelfde noteringen als bij de voorganger.
De volgende halte is mij liever: poppunk van het in Nederland onbekend gebleven 999, dat in mei 1981 met single Obsessed van album Concrete de Britse hitlijst betrad.
Met deze derde langspeler Prince Charming gaat voor mij geleidelijk de smaak van de kauwgom verloren. Als album onsamenhangend, al heeft het z'n momenten, vooral op de eerste kant. Opzichtig mengt postpunk zich met poppulp, jeanmaurice, kom na de leuke discussie bij The Hurting van Tears for Fears eens hier mopperen!
Bij de blazers in het intro van opener Scorpio dacht ik even dat het verkeerde album opstond, een smakelijk liedje in Spaanse/Mexicaanse sferen. Bij Picasso Vista el Planeta de los Simios is het herkenbare Antgeluid van de hits terug, inclusief enige Burundidrums, net als bij de hit Prince Charming dat als derde nummer op de elpee staat (vanaf half september '81 vier weken #1 in het VK, in Nederland #8, in Vlaanderen in december #8).
De wenkbrauwen gaan verbaasd omhoog bij Five Guns West, als een aangename echo van western-tv-serie Rawhide: gitarist Marc Pirroni blijkt wederom onmisbaar voor Adam. Het ontspannen That Voodoo! werkt minder met z'n "ow-weeh-ma-wéh", geleend van evergreen The Lion Sleeps Tonight. Toch redt het nummer het op het nippertje, dankzij de Mexicaanse Mariachitrompetjes halverwege.
Kant 2 opent hitgevoelig met Stand and Deliver (mei '81 vijf weken #1 in het VK, in juli in Nederland #4 en in Vlaanderen #7), helemaal op z'n Ants', waarna het echter volkomen misgaat.
Zouden de posters van de zanger van de tienerkamermuren zijn afgevallen bij wat er dan gebeurt? Eerst het saaie Mile High Club, dan de mislukte Ant Rap met nare drumcomputer (maar wel in januari '82 #3 in het VK, ik begrijp er weer niks van), waarna de rustige slotnummers Mowhok en S.E.X. elke charme missen.
De plaat bevat een geintje: na dat laatste nummer volgt op 3'45" een korte stilte en dan een ongenoemd spooknummer, dat The Lost Hawaiians zou heten. Met opnieuw ge-ow-weeh-ma-wéh.
De elpee kwam in november '81 in het Verenigd Koninkrijk tot #2 en in Nederland diezelfde maand tot #5. Hun laatste langspeler die de albumlijsten haalde: alhoewel nog enkele hits volgden, begon het succes op te drogen. In 2004 was er deze uitgebreide heruitgave.
Gaandeweg krijg ik een vieze smaak in de mond, waarbij ik me afvraag of de heren Ant en Pirroni vooral hits probeerden te schrijven en daarbij een coherent album uit het oog verloren. Als een verzameling hitsingles met nog snel wat afdankertjes erbij. Kennelijk had ook de (jonge) fan dat door: alhoewel succesvol, waren er niet dezelfde noteringen als bij de voorganger.
De volgende halte is mij liever: poppunk van het in Nederland onbekend gebleven 999, dat in mei 1981 met single Obsessed van album Concrete de Britse hitlijst betrad.
After the Fire - Laser Love (1979)

3,5
0
geplaatst: 9 oktober 2024, 08:14 uur
Tweede album van After The Fire uit Londen, dat hiermee overstapte van progrock van het debuut naar new wave. In theorie onmogelijk, immers met de ogen van eind jaren '70 een dinosaurusgenre versus fris & nieuw. Na een prima progdebuut werd toch werkelijk die verandering gemaakt en dat al een jaar later.
Mijn vorige haltes in mijn reis door new wave waren het avant-gardistische Pere Ubu en de postpunk van The Fall. Als je dat verbeeldt als donkerbruin brood is de muziek van After The Fire als lichte toastjes. Toegankelijke liedjes met pakkende refreinen en melodieuze coupletten, dominante toetsen, lekker uptempo.
De klassieke invloeden van het debuut zijn zo goed als foetsie. Dit zijn popliedjes met kop en staart klinkend als synthpopwave van 1979, fris en modern. Wat dat betreft moet ik aan Ultravox denken. Verscheen de eersteling in eigen beheer, hier is het CBS dat de plaat uitbracht.
Laser Love start sterk met het titellied en wordt verrassenderwijs gevolgd door een instrumentaal nummer: Joy zou je normaliter halverwege een plaatkant verwachten, niet meteen aan het begin. Vrolijk en licht gaat het door, waarbij in Power of a Jet warempel enkele klassieke invloedjes in de synthesizerspartijen zijn te horen.
Ze zijn van de hand van Peter Banks, hét dragende lid van de groep. Een naamgenoot van de gitarist bij Yes en om verwarring te voorkomen noemde hij zich spoedig met gevoel voor humor Memory Banks.
De groep heeft een neusje voor pakkende melodietjes die in pop worden verpakt, zoals hun grootste hit One Rule for You, het tweede nummer van kant 2. Het nummer, geproduceerd door de in die dagen bekende naam Rupert Hine, haalde in juni '79 #40 in de Britse hitlijst, waarna Laser Love als single nog eens #62 werd.
Er staat nóg een instrumentaal nummer op het album: in Timestar klinken enige invloeden van synthesizerpionier Giorgio Moroder. Afsluiter Check It Out is met zijn gitaarpartij en uitbundige refrein het meest uitbundige nummer, waarbij Banks zich in de solo uitleeft in een snelle toetsensolo, als was hij een racer op de zes snaren. Het album reikte in oktober '79 bescheiden tot #57.
Hun grootste hit moest nog komen, zij het in andermans uitvoering. Non-albumsingle Der Kommissar staat op hun verzamelaar ATF (1982) en werd datzelfde jaar in de versie van Falco een grote internationale hit. Dan klinkt de groep hier op Laser Love toch aanmerkelijk pittiger en veel meer uptempo, als danspop met een alternatief luchtje. In vergelijking met genregenoten heel on-Brits, alsof dit Amerikanen waren.
Mijn volgende station in het land van new wave had eveneens een neus voor toegankelijke muziek: het debuut van het Amerikaanse The Motels.
Mijn vorige haltes in mijn reis door new wave waren het avant-gardistische Pere Ubu en de postpunk van The Fall. Als je dat verbeeldt als donkerbruin brood is de muziek van After The Fire als lichte toastjes. Toegankelijke liedjes met pakkende refreinen en melodieuze coupletten, dominante toetsen, lekker uptempo.
De klassieke invloeden van het debuut zijn zo goed als foetsie. Dit zijn popliedjes met kop en staart klinkend als synthpopwave van 1979, fris en modern. Wat dat betreft moet ik aan Ultravox denken. Verscheen de eersteling in eigen beheer, hier is het CBS dat de plaat uitbracht.
Laser Love start sterk met het titellied en wordt verrassenderwijs gevolgd door een instrumentaal nummer: Joy zou je normaliter halverwege een plaatkant verwachten, niet meteen aan het begin. Vrolijk en licht gaat het door, waarbij in Power of a Jet warempel enkele klassieke invloedjes in de synthesizerspartijen zijn te horen.
Ze zijn van de hand van Peter Banks, hét dragende lid van de groep. Een naamgenoot van de gitarist bij Yes en om verwarring te voorkomen noemde hij zich spoedig met gevoel voor humor Memory Banks.
De groep heeft een neusje voor pakkende melodietjes die in pop worden verpakt, zoals hun grootste hit One Rule for You, het tweede nummer van kant 2. Het nummer, geproduceerd door de in die dagen bekende naam Rupert Hine, haalde in juni '79 #40 in de Britse hitlijst, waarna Laser Love als single nog eens #62 werd.
Er staat nóg een instrumentaal nummer op het album: in Timestar klinken enige invloeden van synthesizerpionier Giorgio Moroder. Afsluiter Check It Out is met zijn gitaarpartij en uitbundige refrein het meest uitbundige nummer, waarbij Banks zich in de solo uitleeft in een snelle toetsensolo, als was hij een racer op de zes snaren. Het album reikte in oktober '79 bescheiden tot #57.
Hun grootste hit moest nog komen, zij het in andermans uitvoering. Non-albumsingle Der Kommissar staat op hun verzamelaar ATF (1982) en werd datzelfde jaar in de versie van Falco een grote internationale hit. Dan klinkt de groep hier op Laser Love toch aanmerkelijk pittiger en veel meer uptempo, als danspop met een alternatief luchtje. In vergelijking met genregenoten heel on-Brits, alsof dit Amerikanen waren.
Mijn volgende station in het land van new wave had eveneens een neus voor toegankelijke muziek: het debuut van het Amerikaanse The Motels.
Al Stewart - Live Indian Summer (1981)
Alternatieve titel: Live at the Roxy L.A. 1981

4,5
3
geplaatst: 27 april 2025, 14:32 uur
Met mijzelven heb ik de afspraak dat als ik een tweedehands album van Al Stewart op vinyl tegenkom, ik die koop. Zo gebeurde met Live: Indian Summer, dat ik in Houten bij De Groeverij uit de bak plukte. Van een album van Al Stewart krijg je namelijk nooit spijt, is mijn ervaring.
Wel werd ik tweemaal licht op het verkeerde been gezet: kant 1 is hartstikke studio (opgenomen in Los Angeles), de volgende drie zijden zijn live (in de Roxy, Los Angeles). En aangezien je de platen bovenin Stewarts hoofd eruit moet halen, zou de hoesfoto eigenlijk een kwartslag naar rechts moeten worden gedraaid. Het zijn slechts details.
Tot 2019 verwarring omtrent de tracklist (vinyl versus de in 2011 nog overheersende cd), die door Mssr Renard terecht is hersteld op de oorspronkelijke volgorde uit 1981. Een fraaie dwarsdoorsnede van Stewarts werk van '74 tot '81, opgenomen met zijn begeleidingsgroep Shot In The Dark, dezelfde waarmee zijn tot dan toe laatste studioplaat 24 Carrots uit 1980 werd opgenomen én de groep die in datzelfde '81 zelfstandig een titelloos album uitbracht.
Liveversies die in details van de oorspronkelijke studioversies verschillen, waarbij de noviteiten altijd (extra) aangenaam zijn. En de vijf nieuwe nummers mogen er ook zijn, waarbij ik voorlopig het uptempo Princess Olivia tot favoriet bombardeer.
Muziek die je op hete dagen doet afkoelen en in de winter laat opwarmen, dankzij het schrijftalent en de kalme stem van Stewart. En dat ie hier strak in het chique pak van die tijd zit, vind ik hélemaal prima. Wél heb ik moeite om vier favorieten te vinden, een klus die qua uitkomst van draaibeurt tot draaibeurt verschilt. Gewoon een heerlijk en tijdloos album zonder enige zwak moment.
Wel werd ik tweemaal licht op het verkeerde been gezet: kant 1 is hartstikke studio (opgenomen in Los Angeles), de volgende drie zijden zijn live (in de Roxy, Los Angeles). En aangezien je de platen bovenin Stewarts hoofd eruit moet halen, zou de hoesfoto eigenlijk een kwartslag naar rechts moeten worden gedraaid. Het zijn slechts details.
Tot 2019 verwarring omtrent de tracklist (vinyl versus de in 2011 nog overheersende cd), die door Mssr Renard terecht is hersteld op de oorspronkelijke volgorde uit 1981. Een fraaie dwarsdoorsnede van Stewarts werk van '74 tot '81, opgenomen met zijn begeleidingsgroep Shot In The Dark, dezelfde waarmee zijn tot dan toe laatste studioplaat 24 Carrots uit 1980 werd opgenomen én de groep die in datzelfde '81 zelfstandig een titelloos album uitbracht.
Liveversies die in details van de oorspronkelijke studioversies verschillen, waarbij de noviteiten altijd (extra) aangenaam zijn. En de vijf nieuwe nummers mogen er ook zijn, waarbij ik voorlopig het uptempo Princess Olivia tot favoriet bombardeer.
Muziek die je op hete dagen doet afkoelen en in de winter laat opwarmen, dankzij het schrijftalent en de kalme stem van Stewart. En dat ie hier strak in het chique pak van die tijd zit, vind ik hélemaal prima. Wél heb ik moeite om vier favorieten te vinden, een klus die qua uitkomst van draaibeurt tot draaibeurt verschilt. Gewoon een heerlijk en tijdloos album zonder enige zwak moment.
Al Stewart - Modern Times (1975)

4,0
3
geplaatst: 14 december 2025, 16:58 uur
Ik kwam weer eens in de bakken met tweedehands elpees een Al Stewart tegen, in dit geval Modern Times. De afspraak met mijzelf is dat ik als ik er één van hem tegenkom die nog niet in mijn bezit is, ik die blind koop en tot dusver heb ik daar nooit spijt van gekregen.
Het is de plaat die het jaar vóór zijn doorbraakalbum Year of the Cat verscheen, met een hoes passend bij deze grijze dagen voor Kerst. De arrangementen zijn iets minder uitbundig dan bij de opvolger, maar de herkenbare vriendelijkheid en kalmte van Stewarts stem en composities brengen onmiddellijk weer de tijdloze kwaliteit die hem eigen is.
De Schot staat volop in de Britse folktraditie en tegelijkertijd is het tijdloze pop. Hij wordt begeleid door zestien musici, waarbij de dobro en gitaar van Stuart Cowell, de gitaar van Tim Renwick, drummers Barry de Souza en Gerry Conway en de percussie van Tony Carr.
Kies maar eens favorieten. Moeilijk, moeilijk, alles is aangenaam... De productie van Alan Parsons is warm en soms zijn er muzikale zijweggetjes: Spaanse invloeden inclusief castagnetten in Sirens of Titan; op Next Time dat kant 1 afsluit, klinkt kalme blues; slotnummer Modern Times is voorzien van een bak strijkers en een heerlijke gitaarsolo in een wolkje echo.
Perfect passend bij de duisternis die ik tijdens het typen de grauwe hemel zie vervangen, maar de vrolijke akoestische gitaarsolo in What's Goin' On? en de jazzinvloeden op de elektrische piano in Not the One, plus het vlotte Apple Cider Re-Constitution suggereren dat de plaat ook op een zomeravond op zijn plek zou vallen.
Heerlijke plaat met kant 2 als mijn favoriete, ondanks dat daar slechts drie - uiteraard langere - nummers op staan. Wat is die Al Stewart toch een vaste waarde...
Het is de plaat die het jaar vóór zijn doorbraakalbum Year of the Cat verscheen, met een hoes passend bij deze grijze dagen voor Kerst. De arrangementen zijn iets minder uitbundig dan bij de opvolger, maar de herkenbare vriendelijkheid en kalmte van Stewarts stem en composities brengen onmiddellijk weer de tijdloze kwaliteit die hem eigen is.
De Schot staat volop in de Britse folktraditie en tegelijkertijd is het tijdloze pop. Hij wordt begeleid door zestien musici, waarbij de dobro en gitaar van Stuart Cowell, de gitaar van Tim Renwick, drummers Barry de Souza en Gerry Conway en de percussie van Tony Carr.
Kies maar eens favorieten. Moeilijk, moeilijk, alles is aangenaam... De productie van Alan Parsons is warm en soms zijn er muzikale zijweggetjes: Spaanse invloeden inclusief castagnetten in Sirens of Titan; op Next Time dat kant 1 afsluit, klinkt kalme blues; slotnummer Modern Times is voorzien van een bak strijkers en een heerlijke gitaarsolo in een wolkje echo.
Perfect passend bij de duisternis die ik tijdens het typen de grauwe hemel zie vervangen, maar de vrolijke akoestische gitaarsolo in What's Goin' On? en de jazzinvloeden op de elektrische piano in Not the One, plus het vlotte Apple Cider Re-Constitution suggereren dat de plaat ook op een zomeravond op zijn plek zou vallen.
Heerlijke plaat met kant 2 als mijn favoriete, ondanks dat daar slechts drie - uiteraard langere - nummers op staan. Wat is die Al Stewart toch een vaste waarde...
Al Stewart - Orange (1972)

4,0
4
geplaatst: 12 januari, 23:03 uur
Ja AdrieMeijer, dat neem ik onmiddellijk van je aan, dank voor je mooie beschrijvingen! Ik kocht Orange op elpee in Den Haag bij 3345, aanrader voor wie in de Hofstad een platenzaak zoekt - er zijn er meer, verzekerde Von Helsing mij, maar die bleken dicht op de dinsdag dat ik er was.
De afspraak met mijzelf is, dat als ik een plaat van Al Stewart tegenkom die ik nog niet heb, ik deze aanschaf, mits de prijs redelijk is. Wel, voor de slechts 10 euro's die werden gevraagd kon ik deze Engelse persing van Orange niet laten staan, de originele uit 1972, bovendien in goede staat.
Anders dan Adrie doe ik het met de originele nummers in de originele mix. En weer bleek eens dat een plaat van de Schot nooit teleurstelt. De kalme pop, de serene stem, de combinatie van folk en pop...
Dit alles in een heerlijk warme productie, de kenmerkende stijl van de jaren '70, hier van John Anthony. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik zijn naam niet kende, maar op zijn cv staan uit diezelfde periode onder meer de namen van Ace, Genesis, Lindisfarne, Queen, Roxy Music en Van Der Graaf Generator. Mea culpa.
Drie namen van gastmusici ken ik uit de pubrock, die van 1976-1979 op z'n hoogtepunt zou zijn: Brinsley Schwarz speelt twaalfsnarige akoestische gitaar, Bob Andrews speelt piano op Night of the 4th of May; één van de twee bassisten op Orange is Bruce Thomas, die later opdook bij Elvis Costello & The Attractions.
Nu zou je kunnen stellen dat Stewarts platen wel erg op elkaar lijken. Is een beetje waar, maar waar hij vanaf Year of the Cat ('76) een saxofoon inzette, is dat hier nog niet het geval. En er is meer. Acht mooie liedjes, waarvan er twee uitspringen ten opzichte van werk van zijn andere platen - en dit is alweer diens negende in mijn platenbak. De eerste is het slotlied van kant 1, The News from Spain, waarin gastmuzikant Rick Wakeman alle ruimte krijgt om uit te weiden op piano. Prachtig!
Nog meer treedt een nummer op kant 2 voor het voetlicht. Het is het tweede nummer op die kant, het instrumentale Once an Orange, Always an Orange met een hoofdrol voor akoestische gitaar. Aangezien nergens staat vermeld dat één van de gastmusici dit speelde, neem ik aan dat Stewart dat zelf deed, mogelijk met Schwarz; nooit eerder viel me op dat Stewart zo'n vaardig gitarist is.
Dan is er ook nog een cover van Bob Dylan: I Don't Believe You (Dylan) vermeldt de achterzijde van de hoes, alsof diens naam bij de titel van het liedje hoort. Mooie versie.
Gekleed in Afghaanse jas kijkt Stewart, volle bos zwart haar, naar de camera, staande voor het smeedijzeren hek van een park, landgoed of begraafplaats. Die jas paste bij het pak sneeuw van de voorbije anderhalve week, zo beleefde ik.
Hij oogt ernstig, de muziek is aanzienlijk luchtiger. Een dikke 8 zoals ik meestal doe, niet anders kunnend bij deze rasverteller.
De afspraak met mijzelf is, dat als ik een plaat van Al Stewart tegenkom die ik nog niet heb, ik deze aanschaf, mits de prijs redelijk is. Wel, voor de slechts 10 euro's die werden gevraagd kon ik deze Engelse persing van Orange niet laten staan, de originele uit 1972, bovendien in goede staat.
Anders dan Adrie doe ik het met de originele nummers in de originele mix. En weer bleek eens dat een plaat van de Schot nooit teleurstelt. De kalme pop, de serene stem, de combinatie van folk en pop...
Dit alles in een heerlijk warme productie, de kenmerkende stijl van de jaren '70, hier van John Anthony. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik zijn naam niet kende, maar op zijn cv staan uit diezelfde periode onder meer de namen van Ace, Genesis, Lindisfarne, Queen, Roxy Music en Van Der Graaf Generator. Mea culpa.

Drie namen van gastmusici ken ik uit de pubrock, die van 1976-1979 op z'n hoogtepunt zou zijn: Brinsley Schwarz speelt twaalfsnarige akoestische gitaar, Bob Andrews speelt piano op Night of the 4th of May; één van de twee bassisten op Orange is Bruce Thomas, die later opdook bij Elvis Costello & The Attractions.
Nu zou je kunnen stellen dat Stewarts platen wel erg op elkaar lijken. Is een beetje waar, maar waar hij vanaf Year of the Cat ('76) een saxofoon inzette, is dat hier nog niet het geval. En er is meer. Acht mooie liedjes, waarvan er twee uitspringen ten opzichte van werk van zijn andere platen - en dit is alweer diens negende in mijn platenbak. De eerste is het slotlied van kant 1, The News from Spain, waarin gastmuzikant Rick Wakeman alle ruimte krijgt om uit te weiden op piano. Prachtig!
Nog meer treedt een nummer op kant 2 voor het voetlicht. Het is het tweede nummer op die kant, het instrumentale Once an Orange, Always an Orange met een hoofdrol voor akoestische gitaar. Aangezien nergens staat vermeld dat één van de gastmusici dit speelde, neem ik aan dat Stewart dat zelf deed, mogelijk met Schwarz; nooit eerder viel me op dat Stewart zo'n vaardig gitarist is.
Dan is er ook nog een cover van Bob Dylan: I Don't Believe You (Dylan) vermeldt de achterzijde van de hoes, alsof diens naam bij de titel van het liedje hoort. Mooie versie.
Gekleed in Afghaanse jas kijkt Stewart, volle bos zwart haar, naar de camera, staande voor het smeedijzeren hek van een park, landgoed of begraafplaats. Die jas paste bij het pak sneeuw van de voorbije anderhalve week, zo beleefde ik.
Hij oogt ernstig, de muziek is aanzienlijk luchtiger. Een dikke 8 zoals ik meestal doe, niet anders kunnend bij deze rasverteller.
Al Stewart - Past, Present & Future (1973)

4,0
4
geplaatst: 12 september 2024, 20:22 uur
Als ik een tweedehands vinyl van Al Stewart tegenkom voor een nette prijs, koop ik die. In het geval van Past, Present & Future was ik echter vergeten dat deze al vier jaar in de kast stond. Bij aankoop gedraaid en in dat lockdownjaar vervolgens vergeten. Leve MusicMeter, want zo herontdekte ik de plaat.
Het is met verschijningsjaar 1973 de oudste langspeler die ik van hem bezit. Een keur aan gastmusici deed mee, waaronder toetsenisten Rick Wakeman van Yes en Bob Andrews van Brinsley Schwarz en later Graham Parker & The Rumour. Waarschijnlijk herkent potjandosie bij de namen veel meer bekenden.
Opgenomen in de Londense Trident Sound Studios is dit een album waarop historische verhalen van de twintigste eeuw de rode draad vormen. In de binnenzijde en op de achterzijde van de klaphoes staan niet alleen de teksten afgedrukt, ze worden bovendien door Stewart toegelicht: handig! Zo leer ik dat generaal Guderian de enige was die durfde terug te schreeuwen als Hitler naar hem bulderde. Typisch zo'n voetnootje in de geschiedenis dat ik onthoud...
Opener Old Admirals bevat verrassend een brassband en niet-verrassend-maar-wel-heerlijk strijkers. Op het tweede nummer Warren Harding word ik volledig verrast door het feit dat een steelband meedoet. Soho (needless to say) is aangenaam en uptempo en The last day of June 1934 (ik houd de typografie van de achterzijde van de hoes aan) is iets ingetogener en even sfeervol. Kant 1 besluit met het vriendelijk (country-)rockende Post World war Two Blues.
Kant 2 opent met de acht minuten van Roads to Moscow en hierboven bij AdrieMeijer lees ik dat dit liedje ertoe leidde dat er Amerikaans succes kwam: het album haalde in juli 1974 #133 in de Billboard 200.
Muzikale overeenkomsten tussen Terminal Eyes en The Beatles' I Am the Walrus berusten niet op toeval, vertelt Stewart eerlijk op de hoes, waarna het lange Nostradamus afsluit, begeleid door een uitgebreid commentaar van auteur Erika Cheetham op de achterzijde van de hoes.
Wie de muziek hoort, zal genieten. Wie dieper in de teksten en uitleg duikt, geniet nog meer. En laat ik laatst in een alleraardigste kleding- annex vinylwinkel in Vianen nóg een plaat van Stewart zijn tegengekomen! Elf jaar verder, op naar Russians & Americans.
Het is met verschijningsjaar 1973 de oudste langspeler die ik van hem bezit. Een keur aan gastmusici deed mee, waaronder toetsenisten Rick Wakeman van Yes en Bob Andrews van Brinsley Schwarz en later Graham Parker & The Rumour. Waarschijnlijk herkent potjandosie bij de namen veel meer bekenden.
Opgenomen in de Londense Trident Sound Studios is dit een album waarop historische verhalen van de twintigste eeuw de rode draad vormen. In de binnenzijde en op de achterzijde van de klaphoes staan niet alleen de teksten afgedrukt, ze worden bovendien door Stewart toegelicht: handig! Zo leer ik dat generaal Guderian de enige was die durfde terug te schreeuwen als Hitler naar hem bulderde. Typisch zo'n voetnootje in de geschiedenis dat ik onthoud...
Opener Old Admirals bevat verrassend een brassband en niet-verrassend-maar-wel-heerlijk strijkers. Op het tweede nummer Warren Harding word ik volledig verrast door het feit dat een steelband meedoet. Soho (needless to say) is aangenaam en uptempo en The last day of June 1934 (ik houd de typografie van de achterzijde van de hoes aan) is iets ingetogener en even sfeervol. Kant 1 besluit met het vriendelijk (country-)rockende Post World war Two Blues.
Kant 2 opent met de acht minuten van Roads to Moscow en hierboven bij AdrieMeijer lees ik dat dit liedje ertoe leidde dat er Amerikaans succes kwam: het album haalde in juli 1974 #133 in de Billboard 200.
Muzikale overeenkomsten tussen Terminal Eyes en The Beatles' I Am the Walrus berusten niet op toeval, vertelt Stewart eerlijk op de hoes, waarna het lange Nostradamus afsluit, begeleid door een uitgebreid commentaar van auteur Erika Cheetham op de achterzijde van de hoes.
Wie de muziek hoort, zal genieten. Wie dieper in de teksten en uitleg duikt, geniet nog meer. En laat ik laatst in een alleraardigste kleding- annex vinylwinkel in Vianen nóg een plaat van Stewart zijn tegengekomen! Elf jaar verder, op naar Russians & Americans.
Al Stewart - Russians & Americans (1984)

4,0
3
geplaatst: 19 september 2024, 19:19 uur
Het grootste deel van mijn puberjaren lag in de jaren '80. Zo jong als ik was, viel toen al op dat sommige artiesten uit de jaren '70 in de jaren '80 overschakelden op een geluid met de nieuwste synthesizers en productie, die weliswaar modern klonk maar de warmte van voorheen ontbeerde.
Zo'n digitaal doosje was waarschijnlijk een stuk goedkoper dan sessiemusici inhuren. Violen uit een toetsenbord of van een orkest? Het leidde soms tot platte, plastic geluiden die de muziek omlaag trokken, ook als de composities op zich goed waren. Ik kwam het tegen bij bijvoorbeeld de wereld van het chanson, of wat te denken van Nederlandstalige kwaliteitsmuziek als die van Conny Vandenbos of Rob de Nijs?
Daar was ik bij deze Al Stewart ook bang voor, een vrees die onterecht bleek. De kalme, vriendelijke stem van Stewart wordt omringd door een groep die zijn liedjes met liefde en respect speelt, terwijl de productie wel degelijk een mild jaren '80-geluid heeft.
Op de achterzijde van de hoes zien we een vierkoppige groep achter Stewart poseren, terwijl op de plaat elf mensen plus een achtergrondkoor en violisten musiceren. Daarbij drummer Denny Carmassi, voorheen bij onder meer Rod Stewart, één van de drie slagwerkers op Russians & Americans.
Het album bevat minder nummers met een historisch verhaal, zoals Lori, Don't Go Right Now dat precies het onderwerp bezingt dat de titel suggereert. De tekst van het eveneens mooie Rumours of War is vooral tijdloos en Accident on 3rd Street gaat over een Linda die in New York bij een auto-ongeval om het leven komt en de dominee die dit traditiegetrouw als "It's God's to give and God's to take away" kwalificeert.
Het duidelijkste voorbeeld van de invloed van de jaren '80 is Strange Girl, de opener van kant 2. Hierin een voor Al Stewart stevige gitaarpartij, een beetje in de richting van new wave. Russians & Americans bevat dan plotseling echte strijkers, gearrangeerd en gedirigeerd door Andrew Powell. Hét hoogtepunt voor mij, zeker met de tekst over dat "magische" jaar 1984, dankzij het fameuze boek van George Orwell. Plotseling herinner ik me weer hoe bijzonder het voelde dat jaar te betreden, juist door dat boek dat ik eerder op de lijst bij Engels had staan. Ondertussen was de Koude Oorlog onverminderd dreigend.
Café Society begint als een pianoballade waar de anderen inclusief veteraan-saxofonist Phil Kenzie bijvallen, One, Two, Three (1, 2, 3) is een cover van witte soulman Len Barry uit 1965. De plaat eindigt kalm met gitaarballade The Candidate, dat laat horen dat Stewart ook in een klein arrangement groot kan zijn.
In mijn oren net zo sterk als krakers als Past, Present & Future (1973) en Time Passages (1978). Bovendien in staat om net als die platen geleidelijk naar een hogere waardering te groeien dan de vier sterren die ik nu geef.
Zo'n digitaal doosje was waarschijnlijk een stuk goedkoper dan sessiemusici inhuren. Violen uit een toetsenbord of van een orkest? Het leidde soms tot platte, plastic geluiden die de muziek omlaag trokken, ook als de composities op zich goed waren. Ik kwam het tegen bij bijvoorbeeld de wereld van het chanson, of wat te denken van Nederlandstalige kwaliteitsmuziek als die van Conny Vandenbos of Rob de Nijs?
Daar was ik bij deze Al Stewart ook bang voor, een vrees die onterecht bleek. De kalme, vriendelijke stem van Stewart wordt omringd door een groep die zijn liedjes met liefde en respect speelt, terwijl de productie wel degelijk een mild jaren '80-geluid heeft.
Op de achterzijde van de hoes zien we een vierkoppige groep achter Stewart poseren, terwijl op de plaat elf mensen plus een achtergrondkoor en violisten musiceren. Daarbij drummer Denny Carmassi, voorheen bij onder meer Rod Stewart, één van de drie slagwerkers op Russians & Americans.
Het album bevat minder nummers met een historisch verhaal, zoals Lori, Don't Go Right Now dat precies het onderwerp bezingt dat de titel suggereert. De tekst van het eveneens mooie Rumours of War is vooral tijdloos en Accident on 3rd Street gaat over een Linda die in New York bij een auto-ongeval om het leven komt en de dominee die dit traditiegetrouw als "It's God's to give and God's to take away" kwalificeert.
Het duidelijkste voorbeeld van de invloed van de jaren '80 is Strange Girl, de opener van kant 2. Hierin een voor Al Stewart stevige gitaarpartij, een beetje in de richting van new wave. Russians & Americans bevat dan plotseling echte strijkers, gearrangeerd en gedirigeerd door Andrew Powell. Hét hoogtepunt voor mij, zeker met de tekst over dat "magische" jaar 1984, dankzij het fameuze boek van George Orwell. Plotseling herinner ik me weer hoe bijzonder het voelde dat jaar te betreden, juist door dat boek dat ik eerder op de lijst bij Engels had staan. Ondertussen was de Koude Oorlog onverminderd dreigend.
Café Society begint als een pianoballade waar de anderen inclusief veteraan-saxofonist Phil Kenzie bijvallen, One, Two, Three (1, 2, 3) is een cover van witte soulman Len Barry uit 1965. De plaat eindigt kalm met gitaarballade The Candidate, dat laat horen dat Stewart ook in een klein arrangement groot kan zijn.
In mijn oren net zo sterk als krakers als Past, Present & Future (1973) en Time Passages (1978). Bovendien in staat om net als die platen geleidelijk naar een hogere waardering te groeien dan de vier sterren die ik nu geef.
Al Stewart - The Early Years (1977)

4,0
4
geplaatst: 29 maart 2025, 12:31 uur
In 1977 was Al Stewart dan eindelijk doorgebroken met Year of the Cat van het jaar ervoor, al was er in het Verenigd Koninkrijk wel bescheiden albumsucces (#40) geweest met Zero She Flies. Reden voor RCA om snel een compilatie uit te brengen met eerder werk dat niet het grote publiek had bereikt, afkomstig van Bed Sitter Images (1967, de hoes van de compilatie schrijft deze als Bedsitter Images), Love Chronicles (1969) en Zero She Flies (1970). De hoes werd door ontwerpbureau Hipgnosis in hun herkenbare stijl gestoken.
The Early Years verscheen zowel op 2lp met klaphoes als enkele lp; de laatste is de versie die ik uit een platenbak plukte, te weten deze met als ℗ 1978 plus een effen zwarte binnenhoes met witte letters. De trackvolgorde is bovendien anders dan op de dubbelaar.
Grote orkestraties ontbreken, wél blijken Richard Thompson en Jimmy Page tot de meewerkende gitaristen te hebben behoord. Grote namen zijn echter niet nodig met het liedjestalent van de Schot met diens herkenbare, immer kalme stem.
Persoonlijke favorieten zijn In Brooklyn, Manuscript en Life and Life Only, met als meerwaarde dat The Early Years tevens als geheel zo aangenaam is, dankzij de typisch warme sfeer die de muziek van Al Stewart brengt. Daarbij heb ik niet het gevoel dat dit een compilatie is, integendeel: een homogeen geheel en fijne toevoeging aan mijn collectie. Een album dat vaker op de draaitafel zal komen.
The Early Years verscheen zowel op 2lp met klaphoes als enkele lp; de laatste is de versie die ik uit een platenbak plukte, te weten deze met als ℗ 1978 plus een effen zwarte binnenhoes met witte letters. De trackvolgorde is bovendien anders dan op de dubbelaar.
Grote orkestraties ontbreken, wél blijken Richard Thompson en Jimmy Page tot de meewerkende gitaristen te hebben behoord. Grote namen zijn echter niet nodig met het liedjestalent van de Schot met diens herkenbare, immer kalme stem.
Persoonlijke favorieten zijn In Brooklyn, Manuscript en Life and Life Only, met als meerwaarde dat The Early Years tevens als geheel zo aangenaam is, dankzij de typisch warme sfeer die de muziek van Al Stewart brengt. Daarbij heb ik niet het gevoel dat dit een compilatie is, integendeel: een homogeen geheel en fijne toevoeging aan mijn collectie. Een album dat vaker op de draaitafel zal komen.
Al Stewart - Time Passages (1978)

4,0
5
geplaatst: 29 augustus 2024, 20:18 uur
Al Stewarts Time Passages kocht ik pas onlangs, leve tweedehands vinyl. Fraaie hoes van Hipgnosis met zowel op de voor- als achterzijde wat in sci-fi-films en -series "time anomalies" worden genoemd. Opgenomen in Los Angeles met producer Alan Parsons, las ik na aankoop op de hoes.
Eenmaal thuis viel snel op dat de ingrediënten van Year of the Cat terugkeren, waarmee ik niets nieuws vertel. Toch is dat belangrijk voor mijn beleving: dat album ken ik al decennia ken en deze nog maar kort. Mijn band met Time Passages is nog pril, waardoor de muziek nog niet vertrouwd binnenkomt. De saxofoon klinkt vaker dan op de voorganger en meteen in het titelnummer is daar een orkest met strijkers.
Bij beluistering met de teksten erbij, op de binnenkant van de klaphoes afgebeeld, beland je in allerlei historische verhalen en wint de muziek aan diepte. Zo duikt Stewart in het ietwat dreigende Life in Dark Water in de wereld van een onderzeeër, het geluid van de sonar door Parsons toegevoegd en in de coupletten zit subtiel het thema van de films van James Bond verwerkt. A Man for All Seasons beschrijft de situatie rond koning Henry VIII.
Kant 2. Een huppelend ritme als in Almost Lucy hoorde ik niet eerder bij Stewart en als hij in The Palace of Versailles erin slaagt om "Robespierre" te laten rijmen op "nowhere", glimlach ik. Het muzikale thema van het nummer doet me erg denken aan die reclame van Grolsch: "Vakmanschap is meesterschap", in diezelfde jaren veel op tv. In het einde geen orkest maar de elektrische gitaar van Tim Renwick en de "polyphonic synthesizer" van Pete Solley.
In het weemoedige Timeless Skies kijkt Stewart letterlijk en figuurlijk terug op het dorp van zijn jeugd en beschrijft wat tijd met je doet. Het uptempo Song on the Radio doet met het saxspel van Phil Kenzie qua titel wat het pretendeert - maar nooit op radio gehoord... De akoestische gitaren van End of the Day brengen de plaat naar een kalm slot, de violen die in het slotakkoord klinken had ik wel vaker op dit Time Passages willen horen.
Het album doet niet onder voor Year of the Cat en toch geef ik slechts vier sterren. Het verschil: mijn band met de muziek is nog veel jonger. Maar zeker weten dat deze vaker op de draaitafel zal belanden en waarschijnlijk groeit dan de waardering.
Eenmaal thuis viel snel op dat de ingrediënten van Year of the Cat terugkeren, waarmee ik niets nieuws vertel. Toch is dat belangrijk voor mijn beleving: dat album ken ik al decennia ken en deze nog maar kort. Mijn band met Time Passages is nog pril, waardoor de muziek nog niet vertrouwd binnenkomt. De saxofoon klinkt vaker dan op de voorganger en meteen in het titelnummer is daar een orkest met strijkers.
Bij beluistering met de teksten erbij, op de binnenkant van de klaphoes afgebeeld, beland je in allerlei historische verhalen en wint de muziek aan diepte. Zo duikt Stewart in het ietwat dreigende Life in Dark Water in de wereld van een onderzeeër, het geluid van de sonar door Parsons toegevoegd en in de coupletten zit subtiel het thema van de films van James Bond verwerkt. A Man for All Seasons beschrijft de situatie rond koning Henry VIII.
Kant 2. Een huppelend ritme als in Almost Lucy hoorde ik niet eerder bij Stewart en als hij in The Palace of Versailles erin slaagt om "Robespierre" te laten rijmen op "nowhere", glimlach ik. Het muzikale thema van het nummer doet me erg denken aan die reclame van Grolsch: "Vakmanschap is meesterschap", in diezelfde jaren veel op tv. In het einde geen orkest maar de elektrische gitaar van Tim Renwick en de "polyphonic synthesizer" van Pete Solley.
In het weemoedige Timeless Skies kijkt Stewart letterlijk en figuurlijk terug op het dorp van zijn jeugd en beschrijft wat tijd met je doet. Het uptempo Song on the Radio doet met het saxspel van Phil Kenzie qua titel wat het pretendeert - maar nooit op radio gehoord... De akoestische gitaren van End of the Day brengen de plaat naar een kalm slot, de violen die in het slotakkoord klinken had ik wel vaker op dit Time Passages willen horen.
Het album doet niet onder voor Year of the Cat en toch geef ik slechts vier sterren. Het verschil: mijn band met de muziek is nog veel jonger. Maar zeker weten dat deze vaker op de draaitafel zal belanden en waarschijnlijk groeit dan de waardering.
Al Stewart - Year of the Cat (1976)

5,0
8
geplaatst: 28 februari 2023, 14:19 uur
In oktober 1976 ging ik, pre-puber, intensief naar de radio luisteren; Hilversum 3 was de enige popzender op FM met als voornaamste hitlijst de Nationale Hitparade. Op vrijdagmiddagen volgde na de Tip 30 bij de NCRV met Peter Blom, bij de NOS deze lijst van bestverkopende singles, gepresenteerd door Felix Meurders. Hier een podcast over die radiotijd.
Voor die eerste lijst was ik meestal te laat thuis, maar bij de aftrap van de hoofdreeks zat ik klaar met een oude werkagenda van mijn vader voor mij, om daarin de titels en artiesten van de nieuwe liedjes die ik leuk vond te noteren. Vaak in fonetisch Engels, ik beheerste de taal bepaald niet, ontstond zo wekelijks een persoonlijke top 15. De leuke hits werden uiteraard opgenomen met de radio-cassettespeler die ik eind april '77 kreeg.
Februari 1977 betrad single Year of the Cat de tipparade, om in maart in de Nationale Hitparade op #6 te pieken. Dat vond ik al een heel fraai liedje, maar opvolger On the Border blies mij helemaal omver. Het haalde twee maanden later dezelfde positie met één van de spannendste intro’s die ik ooit ben tegengekomen. Eerst de rollende piano, dan piano en gitaar die het thema spelen; hierop een hi-hat die bijvalt, gevolgd door strijkers; als laatste in het intro is daar het heerlijke basloopje, dat de luisteraar het überpareltje binnentrekt, waarna de kenmerkende stem van Stewart klinkt.
Vreemd genoeg bleven het de enige hits van de troubadour, die hier met zijn ontspannen zang en sfeervolle muziek vooral tijdloos mooi klinkt. De bescheiden orkestrale begeleiding zorgt voor extra warmte.
Toen de cd de elpee verdrong, vanaf de jaren '90 gebeurde dat massaal, deden mensen hun vinyl de deur uit. Leve Koninginnedag, toen op de vrijmarkten allerlei oude pareltjes voor een prikkie werden aangeboden! Kon ik maar een tijdreisje terug maken… Het was in die periode dat ik de elpee Year of the Cat aanschafte.
Een prachtige klaphoes (één van de hoezen die tot half mei 2023 is te zien in de tentoonstelling over ontwerpers Hipgnosis in het Groninger Museum – aanrader!) omhulde de schitterende muziek, op een album dat opvallend genoeg bijna zonder intro begint. Sferische pop met een vleugje folk, waarbij je van pareltje naar pareltje gaat.
Hierboven gaat de discussie over de associatie met mooi weer. Die heb ik ook, al schijnt mijn geheugen mij voor de gek te houden. Toch herinner ik me dat strandbad, waar ik dagenlang rondzwom en in een rubberboot voer, duikbril op het hoofd, de rug roodverbrand. Op transistorradio's van anderen klonk Hilversum 3, waarbij ook de twee hits van dit album.
Vandaag draai ik ‘m een keertje van streaming. Hierbij valt op dat One Stage Before met zijn keyboardgeluiden bijna als retro-sciencefiction klinkt en bovendien een gitaarsolo bevat om een diepe buiging voor te maken: vanaf 3m21 ontspint zich een verhaal in een verhaal, melodieus en gevarieerd, sfeervol in de geest van de muziek. Heb hem zojuist hoog in mijn top 100 van beste gitaarsolo’s ooit gezet.
Bonustrack Song on the Radio is een interview met de zanger. Dat hij Schots is, hoor je niet aan zijn keurige Engels (anders dan bij Jim Kerr van Simple Minds
). Net zo rustig als zijn zangstijl is, vertelt hij over de totstandkoming van de plaat en achtergronden van de liedjes. Lord Grenville bijvoorbeeld gaat over een zeeslag, leer ik.
Vijf sterren. Zonder enige twijfel. Een plaat die verplichte kost zou moeten zijn in ieders muzikale opvoeding, tevens te gebruiken om Engels te leren, verpakt in één van de mooiste hoezen ooit. Muziek van een ontspannenheid die zelden is geëvenaard, laat staan overtroffen. Zelfs niet door Stewart zelf, vermoed ik. Al word ik ook van diens muzikale zoon Jonathan Jeremiah erg blij, omdat ik daar dezelfde sfeer als hier tegenkom. Year of the Cat blijft echter de blauwdruk in zijn onverslijtbare schoonheid.
Voor die eerste lijst was ik meestal te laat thuis, maar bij de aftrap van de hoofdreeks zat ik klaar met een oude werkagenda van mijn vader voor mij, om daarin de titels en artiesten van de nieuwe liedjes die ik leuk vond te noteren. Vaak in fonetisch Engels, ik beheerste de taal bepaald niet, ontstond zo wekelijks een persoonlijke top 15. De leuke hits werden uiteraard opgenomen met de radio-cassettespeler die ik eind april '77 kreeg.
Februari 1977 betrad single Year of the Cat de tipparade, om in maart in de Nationale Hitparade op #6 te pieken. Dat vond ik al een heel fraai liedje, maar opvolger On the Border blies mij helemaal omver. Het haalde twee maanden later dezelfde positie met één van de spannendste intro’s die ik ooit ben tegengekomen. Eerst de rollende piano, dan piano en gitaar die het thema spelen; hierop een hi-hat die bijvalt, gevolgd door strijkers; als laatste in het intro is daar het heerlijke basloopje, dat de luisteraar het überpareltje binnentrekt, waarna de kenmerkende stem van Stewart klinkt.
Vreemd genoeg bleven het de enige hits van de troubadour, die hier met zijn ontspannen zang en sfeervolle muziek vooral tijdloos mooi klinkt. De bescheiden orkestrale begeleiding zorgt voor extra warmte.
Toen de cd de elpee verdrong, vanaf de jaren '90 gebeurde dat massaal, deden mensen hun vinyl de deur uit. Leve Koninginnedag, toen op de vrijmarkten allerlei oude pareltjes voor een prikkie werden aangeboden! Kon ik maar een tijdreisje terug maken… Het was in die periode dat ik de elpee Year of the Cat aanschafte.
Een prachtige klaphoes (één van de hoezen die tot half mei 2023 is te zien in de tentoonstelling over ontwerpers Hipgnosis in het Groninger Museum – aanrader!) omhulde de schitterende muziek, op een album dat opvallend genoeg bijna zonder intro begint. Sferische pop met een vleugje folk, waarbij je van pareltje naar pareltje gaat.
Hierboven gaat de discussie over de associatie met mooi weer. Die heb ik ook, al schijnt mijn geheugen mij voor de gek te houden. Toch herinner ik me dat strandbad, waar ik dagenlang rondzwom en in een rubberboot voer, duikbril op het hoofd, de rug roodverbrand. Op transistorradio's van anderen klonk Hilversum 3, waarbij ook de twee hits van dit album.
Vandaag draai ik ‘m een keertje van streaming. Hierbij valt op dat One Stage Before met zijn keyboardgeluiden bijna als retro-sciencefiction klinkt en bovendien een gitaarsolo bevat om een diepe buiging voor te maken: vanaf 3m21 ontspint zich een verhaal in een verhaal, melodieus en gevarieerd, sfeervol in de geest van de muziek. Heb hem zojuist hoog in mijn top 100 van beste gitaarsolo’s ooit gezet.
Bonustrack Song on the Radio is een interview met de zanger. Dat hij Schots is, hoor je niet aan zijn keurige Engels (anders dan bij Jim Kerr van Simple Minds
). Net zo rustig als zijn zangstijl is, vertelt hij over de totstandkoming van de plaat en achtergronden van de liedjes. Lord Grenville bijvoorbeeld gaat over een zeeslag, leer ik. Vijf sterren. Zonder enige twijfel. Een plaat die verplichte kost zou moeten zijn in ieders muzikale opvoeding, tevens te gebruiken om Engels te leren, verpakt in één van de mooiste hoezen ooit. Muziek van een ontspannenheid die zelden is geëvenaard, laat staan overtroffen. Zelfs niet door Stewart zelf, vermoed ik. Al word ik ook van diens muzikale zoon Jonathan Jeremiah erg blij, omdat ik daar dezelfde sfeer als hier tegenkom. Year of the Cat blijft echter de blauwdruk in zijn onverslijtbare schoonheid.
Al Stewart and Shot in the Dark - 24 Carrots (1980)

3,5
4
geplaatst: 2 september 2024, 20:28 uur
Okáyyy.... verrassend! Een rockender en elektrischer Al Stewart dan ik kende, vaker uptempo en bovendien minder dromerig. Het is vast de invloed van Shot In The Dark, zijn vijfkoppige begeleidingsgroep.
Op kant 1 twee liedjes met historische verhalen (Constantinopel en Merlin), maar ook Mondo Sinistro over de malle fratsen van een knappe serveerster. Een thema dat ik ken van Room Service van Fischer-Z uit datzelfde 1980.
Pas op Murmansk / Ellis Island, dat kant 2 aftrapt, herken ik de sfeer die Al Stewart op eerdere platen zette. Tegelijkertijd is het zijn kalme stem die de rode draad vormt met eerder en later werk, zó afwijkend is het dus niet.
Wiegende folk in 6/8-maat in Rocks in the Ocean dat blijkens het tekstvel is gebaseerd op traditional The Bold Fisherman.
Met het fraaie Paint by Numbers keert de uptempo rock van kant 1 terug, om kalmer met Optical Illusion te besluiten. Daarin een dwarsfluitsolo.
Naast het dubbelzijdige tekstvel is ook de binnenhoes bedrukt met onder meer een groepsfoto en een komisch verhaaltje over een wijnverslaafde Al Stewart.
Meer humor op de buitenhoes, waarop wordt gestreden om de naam tussen 24 carrots en 24 parrots. De laatsten zijn op de achterzijde doorgekruist en verliezen dus. Daar zit vast een anekdote achter.
Lekker album, zij het niet zo betoverend als eerder werk.
Op kant 1 twee liedjes met historische verhalen (Constantinopel en Merlin), maar ook Mondo Sinistro over de malle fratsen van een knappe serveerster. Een thema dat ik ken van Room Service van Fischer-Z uit datzelfde 1980.
Pas op Murmansk / Ellis Island, dat kant 2 aftrapt, herken ik de sfeer die Al Stewart op eerdere platen zette. Tegelijkertijd is het zijn kalme stem die de rode draad vormt met eerder en later werk, zó afwijkend is het dus niet.
Wiegende folk in 6/8-maat in Rocks in the Ocean dat blijkens het tekstvel is gebaseerd op traditional The Bold Fisherman.
Met het fraaie Paint by Numbers keert de uptempo rock van kant 1 terug, om kalmer met Optical Illusion te besluiten. Daarin een dwarsfluitsolo.
Naast het dubbelzijdige tekstvel is ook de binnenhoes bedrukt met onder meer een groepsfoto en een komisch verhaaltje over een wijnverslaafde Al Stewart.
Meer humor op de buitenhoes, waarop wordt gestreden om de naam tussen 24 carrots en 24 parrots. De laatsten zijn op de achterzijde doorgekruist en verliezen dus. Daar zit vast een anekdote achter.
Lekker album, zij het niet zo betoverend als eerder werk.
Alaska - Heart of the Storm (1984)

3,0
1
geplaatst: 6 januari 2024, 12:54 uur
Bernie Marsden besteedt in zijn biografie Where's My Guitar (2020) maar weinig pagina's aan Alaska. De kater was groot nadat hij geen deel meer uitmaakte van Whitesnake: toen Saints & Sinners verscheen, stond zijn naam nog wel op de hoes maar zat hij niet meer in de groep. Naar een nieuw bestaan moest worden gezocht.
Die kwam er niet met zijn groep SOS, die al spoedig ter ziele was. Voordeel was echter dat hij dan eindelijk was bevrijd van de zuignappen van manager John Coletta met zijn nare contracten.
Marsden beschrijft dat hij geen kopie van Whitesnake wilde beginnen. Onderweg naar een gitaarclinic in Japan maakte het vliegtuig een tussenstop in Anchorage, waar een groot bord 'Welcome to Alaska' stond. Dat leek hem een passende bandnaam. Music for Nations tekent hem voor Engeland, met licenties aan kleinere labels voor het continent.
Met de licht-hese stem van Robert Hawthorn is niets mis; juist daarom had er meer in gezeten. Ik deel de scepsis die hierboven wordt benoemd. Al snap ik ook het "bijdraaien" dat Arjan Hut noteerde, want de muziek zit - uiteraard - goed in elkaar. Liedjes schrijven kon die Marsden wel.
Met de grappige liedtitel Whiteout wordt de plaat geopend en meteen wordt duidelijk: dit is gladjes. Wat domineren de toetsen ten koste van de gitaar... Al bevat Don't Say It's Over een lekkere toetsenlick met prima gitaarsolo en Headlines en The Sorcerer zijn ook wel okay. De sax op Other Side of Midnight is dan weer overbodig.
De groep treedt in het eigen Engeland op met Spider, in Ierland met Mama's Boys en in Polen en Duitsland met Manowar, een combinatie die hem vele jaren later nog altijd verbaast. In Duitsland verlaat toetsenist Richard Bailey plotseling de groep, waarop Don Airey wordt ingevlogen.
Op streaming is deze Alaska te vinden onder de titel Bronze Years, waarop vanaf track 9 dit debuut Heart of the Storm is te horen. Alhoewel ik begrijp dat Marsden geen zin had in een "kopie" van Whitesnake, is hij hier wel erg ver verwijderd van de hardrock waarmee hij dan eindelijk de nodige liefhebbers wist te trekken.
Een krappe 6 van mij, omdat ik bij het lezen van de bio zo'n boeiend verhaal voorgeschoteld krijg en de gunfactor hoog is. Indertijd had ik dit een 3 of 4 als schoolcijfer gegeven...
Die kwam er niet met zijn groep SOS, die al spoedig ter ziele was. Voordeel was echter dat hij dan eindelijk was bevrijd van de zuignappen van manager John Coletta met zijn nare contracten.
Marsden beschrijft dat hij geen kopie van Whitesnake wilde beginnen. Onderweg naar een gitaarclinic in Japan maakte het vliegtuig een tussenstop in Anchorage, waar een groot bord 'Welcome to Alaska' stond. Dat leek hem een passende bandnaam. Music for Nations tekent hem voor Engeland, met licenties aan kleinere labels voor het continent.
Met de licht-hese stem van Robert Hawthorn is niets mis; juist daarom had er meer in gezeten. Ik deel de scepsis die hierboven wordt benoemd. Al snap ik ook het "bijdraaien" dat Arjan Hut noteerde, want de muziek zit - uiteraard - goed in elkaar. Liedjes schrijven kon die Marsden wel.
Met de grappige liedtitel Whiteout wordt de plaat geopend en meteen wordt duidelijk: dit is gladjes. Wat domineren de toetsen ten koste van de gitaar... Al bevat Don't Say It's Over een lekkere toetsenlick met prima gitaarsolo en Headlines en The Sorcerer zijn ook wel okay. De sax op Other Side of Midnight is dan weer overbodig.
De groep treedt in het eigen Engeland op met Spider, in Ierland met Mama's Boys en in Polen en Duitsland met Manowar, een combinatie die hem vele jaren later nog altijd verbaast. In Duitsland verlaat toetsenist Richard Bailey plotseling de groep, waarop Don Airey wordt ingevlogen.
Op streaming is deze Alaska te vinden onder de titel Bronze Years, waarop vanaf track 9 dit debuut Heart of the Storm is te horen. Alhoewel ik begrijp dat Marsden geen zin had in een "kopie" van Whitesnake, is hij hier wel erg ver verwijderd van de hardrock waarmee hij dan eindelijk de nodige liefhebbers wist te trekken.
Een krappe 6 van mij, omdat ik bij het lezen van de bio zo'n boeiend verhaal voorgeschoteld krijg en de gunfactor hoog is. Indertijd had ik dit een 3 of 4 als schoolcijfer gegeven...
Alaska - The Pack (1985)

3,5
0
geplaatst: 6 januari 2024, 16:55 uur
De zomerse dagen van het vorige bericht zijn op deze 6e januari 2024 weg: het gaat zowaar vriezen. Met een groepsnaam als Alaska de perfecte dag om hun tweede album eens goed te beluisteren.
In die jaren '80 bekroop mij als liefhebber van hardrock en heavy metal zo af en toe een ontevreden gevoel: wat is het toch met artiesten die een grote naam verlaten en dan met slappe aor terugkeren? Het debuut van Alaska benaderde in de verste verte niet de grandeur van Whitesnake, zoals Eddie Clarke (ex-Motörhead) en Pete Way (ex-UFO) met hun Fastway een flauw gerecht opdienden, evenals Paul Di'Anno (ex-Iron Maiden) toen hij een doorstart maakte onder de vlag van zijn artiestennaam.
Alaska verbeterde zich evenwel op hun tweede worp The Pack. Het afmixen lukte aanvankelijk niet, tot groepsbaas Bernie Marsden besloot tot een laatste poging in de studio van Jimmy Page, waar Stuart Epps alsnog een bevredigend resultaat voor elkaar bokste. Er lukte meer: zijn vriendschap met platenbaas Gerry Bron en diens zoon Richard leidde ertoe dat hij voor de Amerikaanse markt onderdak vond bij hun Bronze Records, zo vertelt hij in zijn bio.
Deels ouder werk (S.O.S. stamt uit de periode kort na Whitesnake), keert Marsden na het overgladde debuut sterker terug met The Pack. Tweede bekende naam op de plaat is Don Airey, bekend van Rainbow, hier als 'guest' vermeld.
Het management werd wederom gedaan door London's Pride, Whitesnakes merchandisebedrijf dat hem na het gedwongen vertrek uit de groep hielp een nieuwe carrière op te bouwen.
Op The Pack dus meer gitaar en al wenste Marsden niet het geluid van Whitesnake te herhalen, toch gaat het iets meer die kant op. Dat is meteen duidelijk op Run with the Pack en wordt daarna gecontinueerd, al ronkt op Where Did They Go net als op het debuut een saxofoon. Op Schoolgirl is echter de in blues gedoopte gitaar volop terug en daarmee mijn aandacht, net als op de blueshardrock van S.O.S.
Help Yourself rockt voorspelbaar volgens het boekje, Miss You Tonight is de onvermijdelijke ballade. Pakkender is The Thing met een spannend intro en als de zangpartij volgt moet ik met tekst én riffs én breaks warempel aan Whitesnakes 'Till The Die I Die van Come an' Get It denken. Met opgewekte aor sluit I Really Want to Know de plaat af.
De stem van Robert Hawthorn is licht voor het genre maar wel hees, al komt hij tekort als de muziek steviger wordt.
Kennelijk zag Marsden weinig heil in een vervolg van de groep, want hij hapt toe als London's Pride hem vraagt om het te proberen met gitarist Mel Galley (nota bene zijn plaatsvervanger in Whitesnake, maar inmiddels daar vertrokken) en bassist Neil Murray, eveneens ex-Whitesnake. De groep wordt MGM genoemd en als Bobby Kimball van Toto een demo hoort, voegt deze zich bij de groep. Met hem erbij worden opnamen gemaakt, waarna de boel binnen enkele dagen implodeert om redenen die Marsden niet uitlegt.
Met David Coverdale heeft Marsden overigens af en toe vriendschappelijk contact. Eén van de redenen dat MGM niet van de grond kwam is drummer John Marter, door Marsden meegenomen uit Alaska maar door Coverdale ontraden. Achteraf geeft Marsden hem gelijk.
Omdat er liveverplichtingen zijn aangegaan krijgt het publiek in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland wel MGM te zien met de onbekende Ier Rob Cas bij de microfoon. Ook wordt het Engelse Reading Festival '87 gespeeld, dan met de eveneens onbekende John Saxon als zanger.
Het grootste succes levert echter een rechtszaak tegen John Coletta op: na twee jaar voorbereidingen en traineren van Coletta's kant, krijgt Marsden eind jaren '80 dan eindelijk de auteursinkomsten voor zijn muziek in Whitesnake.
Ondertussen werkt hij gedurende een jaar aan een soloproject van Andy Taylor, ex-Duran Duran, waarbij hij tevens in een project voor filmmuziek rolt. Hierdoor komt hij samen te werken met naamgenoot Bernard Edwards van Chic.
De Bernards kunnen het goed vinden, maar de leuke anekdotes verdoezelen niet dat dit alles weinig deed voor Marsdens carrière. Taylor ontbrak meestal in de studio, diens soloplaat verscheen nooit en in de filmsoundtrack van Tequila Sunrise (1988) is van Andy Taylor slechts Dead on the Money te horen met Marsden op gitaar.
Deze tweede Alaska is grotendeels aangenaam. Met de gitaren nadrukkelijker in de mix klinkt dit herkenbaarder als Marsden. Vanaf 1996 verschenen heruitgaven met als bonus onder meer Show Some Emotion, geschreven door Fast Eddy Clarke van Motörhead en Fastway.
In die jaren '80 bekroop mij als liefhebber van hardrock en heavy metal zo af en toe een ontevreden gevoel: wat is het toch met artiesten die een grote naam verlaten en dan met slappe aor terugkeren? Het debuut van Alaska benaderde in de verste verte niet de grandeur van Whitesnake, zoals Eddie Clarke (ex-Motörhead) en Pete Way (ex-UFO) met hun Fastway een flauw gerecht opdienden, evenals Paul Di'Anno (ex-Iron Maiden) toen hij een doorstart maakte onder de vlag van zijn artiestennaam.
Alaska verbeterde zich evenwel op hun tweede worp The Pack. Het afmixen lukte aanvankelijk niet, tot groepsbaas Bernie Marsden besloot tot een laatste poging in de studio van Jimmy Page, waar Stuart Epps alsnog een bevredigend resultaat voor elkaar bokste. Er lukte meer: zijn vriendschap met platenbaas Gerry Bron en diens zoon Richard leidde ertoe dat hij voor de Amerikaanse markt onderdak vond bij hun Bronze Records, zo vertelt hij in zijn bio.
Deels ouder werk (S.O.S. stamt uit de periode kort na Whitesnake), keert Marsden na het overgladde debuut sterker terug met The Pack. Tweede bekende naam op de plaat is Don Airey, bekend van Rainbow, hier als 'guest' vermeld.
Het management werd wederom gedaan door London's Pride, Whitesnakes merchandisebedrijf dat hem na het gedwongen vertrek uit de groep hielp een nieuwe carrière op te bouwen.
Op The Pack dus meer gitaar en al wenste Marsden niet het geluid van Whitesnake te herhalen, toch gaat het iets meer die kant op. Dat is meteen duidelijk op Run with the Pack en wordt daarna gecontinueerd, al ronkt op Where Did They Go net als op het debuut een saxofoon. Op Schoolgirl is echter de in blues gedoopte gitaar volop terug en daarmee mijn aandacht, net als op de blueshardrock van S.O.S.
Help Yourself rockt voorspelbaar volgens het boekje, Miss You Tonight is de onvermijdelijke ballade. Pakkender is The Thing met een spannend intro en als de zangpartij volgt moet ik met tekst én riffs én breaks warempel aan Whitesnakes 'Till The Die I Die van Come an' Get It denken. Met opgewekte aor sluit I Really Want to Know de plaat af.
De stem van Robert Hawthorn is licht voor het genre maar wel hees, al komt hij tekort als de muziek steviger wordt.
Kennelijk zag Marsden weinig heil in een vervolg van de groep, want hij hapt toe als London's Pride hem vraagt om het te proberen met gitarist Mel Galley (nota bene zijn plaatsvervanger in Whitesnake, maar inmiddels daar vertrokken) en bassist Neil Murray, eveneens ex-Whitesnake. De groep wordt MGM genoemd en als Bobby Kimball van Toto een demo hoort, voegt deze zich bij de groep. Met hem erbij worden opnamen gemaakt, waarna de boel binnen enkele dagen implodeert om redenen die Marsden niet uitlegt.
Met David Coverdale heeft Marsden overigens af en toe vriendschappelijk contact. Eén van de redenen dat MGM niet van de grond kwam is drummer John Marter, door Marsden meegenomen uit Alaska maar door Coverdale ontraden. Achteraf geeft Marsden hem gelijk.
Omdat er liveverplichtingen zijn aangegaan krijgt het publiek in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland wel MGM te zien met de onbekende Ier Rob Cas bij de microfoon. Ook wordt het Engelse Reading Festival '87 gespeeld, dan met de eveneens onbekende John Saxon als zanger.
Het grootste succes levert echter een rechtszaak tegen John Coletta op: na twee jaar voorbereidingen en traineren van Coletta's kant, krijgt Marsden eind jaren '80 dan eindelijk de auteursinkomsten voor zijn muziek in Whitesnake.
Ondertussen werkt hij gedurende een jaar aan een soloproject van Andy Taylor, ex-Duran Duran, waarbij hij tevens in een project voor filmmuziek rolt. Hierdoor komt hij samen te werken met naamgenoot Bernard Edwards van Chic.
De Bernards kunnen het goed vinden, maar de leuke anekdotes verdoezelen niet dat dit alles weinig deed voor Marsdens carrière. Taylor ontbrak meestal in de studio, diens soloplaat verscheen nooit en in de filmsoundtrack van Tequila Sunrise (1988) is van Andy Taylor slechts Dead on the Money te horen met Marsden op gitaar.
Deze tweede Alaska is grotendeels aangenaam. Met de gitaren nadrukkelijker in de mix klinkt dit herkenbaarder als Marsden. Vanaf 1996 verschenen heruitgaven met als bonus onder meer Show Some Emotion, geschreven door Fast Eddy Clarke van Motörhead en Fastway.
